CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 bestemmingsplan Kloosterstraat Johanneshof toelichting

Gemeenteraad 28 maart 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Kloosterstraat Johanneshof Nuland20.978 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het binnenniveau in de woning mag maximaal 33 dB bedragen. Niet akoestische compensatie wordt eveneens positief betrokken in de besluitvorming. Bij de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat worden 30 km/uur wegen meegenomen in het akoestisch onderzoek. Bij een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.

39

5.3.1.2 Beoordeling Railverkeerslawaai De geluidsgevoelige bestemming van de 24 sociale huurappartementen ligt binnen de zone van een (spoor)weg, hierdoor is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch rapport is opgenomen in Bijlage 2. De nieuwe woningen zijn gelegen binnen de geluidszone van de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Oss. In de nabijheid van het plan zijn geen relevante gezoneerde wegen gelegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en conform het gemeentelijk beleid zijn de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen (Burgemeester Teunissenstraat, IJzerkampen, Kerkstraat, Kloosterstraat en de Sint Janstraat) in het onderzoek betrokken. In het onderzoek is de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van het appartementengebouw. Voor elke zijde van de appartementen zijn toetspunten ten behoeve van maximaal drie bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen appartementen bedraagt ten hoogste 48 dB als gevolg van de spoorweg en ten hoogste 43 dB als gevolg van het wegverkeer.

Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB (railverkeer) en 48 dB (wegverkeer) plaats. Tevens vallen de berekende geluidsbelastingen binnen de ambitiewaarden van het gebiedstype ‘dorps landelijk’. Wegverkeerslawaai In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht of er al dan niet sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat vanwege het extra verkeer. De realisatie van appartementen leidt tot een toename van verkeer op bestaande wegen. Het uitgangspunt is dat 100% van het verkeer vanuit het plan over de Kloosterstraat rijdt. Uit de berekeningen blijkt dat het plan afgerond 170 verkeersbewegingen per weekdag genereert. De geluidsbelasting in de bestaande situatie zonder het appartementengebouw en de toekomstige situatie met de realisatie van het appartementengebouw zijn berekend ter plaatse van de gevels van de geluidsgevoelige bestemming, zie Bijlage 3. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidsbelasting in de toekomstige situatie vanwege de Kloosterstraat met maximaal 4 dB toeneemt, maar niet hoger is dan 48 dB. Geconcludeerd wordt dat met het voorgenomen plan geen onevenredige nadelige geluidseffecten op zullen treden bij de woningen aan de Kloosterstraat 26 en de Sint Janstraat 35 en dat er sprake is van een goed woon-en leefklimaat. 5.3.2

Industrielawaai

5.3.2.1 Wettelijk kader Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. 5.3.2.2 Beoordeling Het plangebied ligt niet in de geluidzone van een geluidgezoneerd bedrijventerrein. Wat betreft industrielawaai in het algemeen is in paragraaf 5.2 aangetoond dat de afstand van bedrijven tot het plangebied voldoende groot is en dat het plangebied dus geen hinder ondervindt van omliggende bedrijven. In een akoestisch onderzoek naar industrielawaai is aangetoond dat er wat betreft geluid geen knelpunten voor de activiteiten van het gilde zijn en niet voor het beoogde appartementengebouw aan de Kloosterstraat. 5.3.2.3 Conclusie De geluidsgevoelige functie van 24 sociale huurappartementen zal niet worden gehinderd door omliggende geluidsbronnen. Het aspect 'Geluid' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

40

5.4

Trillingen

5.4.1 Richtlijn Bij trillingen in de ruimtelijke ordening gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillinghinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is – indien relevant - een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem). 5.4.2 Beoordeling In de nabijheid is geen zware bedrijvigheid aanwezig of geprojecteerd.

Gezien de ruime afstand tot het spoor (460 meter) en tot de A59 (1,2 kilometer) is het aspect trillingen voor de 24 nieuwe sociale huurappartementen niet relevant te noemen. 5.4.3 Conclusie Het aspect 'Trillingen' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5

Verlichting

5.5.1 Richtlijn Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. 5.5.2 Beoordeling In de buurt van het plangebied staan alleen lichtmasten bij het Sint Anthonius gilde. Voor sportbanen met verlichting wordt op basis van de VNG-publicatie een indicatieve afstand van 30 meter in gemengd gebied aanbevolen. De afstand van de lichtmasten van het gilde tot de beoogde woningen bedraagt circa 35 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan. Bovendien mogen de leden alleen op woensdagavond van 19:00 tot 20:00 uur traditioneel schieten beoefenen. Deze lichtmasten zijn alleen tijdens de schietoefeningen aan, dat is dus beperkt tot één avond in de week. Deze lichtmasten staan achter de rij bomen, zoals te zien is op de foto in figuur 2.4. De 24 sociale huurappartementen zullen geen hinder ondervinden van deze wekelijkse verlichting achter de bomen rij. 5.5.3 Conclusie Het aspect 'Verlichting' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

41

5.6

Externe veiligheid

5.6.1 Beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:   

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art.

3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)

42

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. 5.6.2

Onderzoek

Figuur 5.3 Uitsnede openbare risicokaart met het plangebied (zwart omcirkeld) Overeenkomstig de risicokaart bevindt zich ten oosten van het plangebied een hogedrukaardgasleiding met een invloedsgebied van 240 meter (figuur 5.3). De afstand van het plangebied tot deze hogedrukaardgasleiding bedraagt circa 1,5 kilometer. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied van deze hogedrukaardgasleiding. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de weg A59 waarover onder andere de stofcategorie LT2 wordt vervoerd met een invloedsgebied van 880 meter. De afstand van deze weg tot het plangebied bedraagt circa 1,9 kilometer. Het plangebied valt buiten dit invloedsgebied. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een spoorlijn met spoortrajectnummer 64 (Den Bosch Diezebrug aansl. – Nijmegen) waarover gevaarlijke stoffen van onder andere de stofcategorie B2 worden vervoerd met een invloedsgebied van 995 meter. Het plangebied bevindt zich op circa 470 meter van dit spoortraject. Omdat dit groter is dan 200 meter, kan er volgens het Bevt worden voldaan met een beknopte verantwoording en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

43

Gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid

Figuur 5.4: Vestigingskaart kwetsbare objecten Volgens de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente 's-Hertogenbosch, valt het plangebied in het groene gedeelte van de vestigingskaart kwetsbare objecten. Dit houdt in dat kwetsbare objecten zijn toegestaan en dat er een standaard verantwoording opgesteld moet worden. De beoogde ontwikkeling bestaat uit woningen en valt onder kwetsbare objecten en de beknopte verantwoording volgt hierna. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Kloosterstraat in Nuland. Deze weg sluit aan op de Kerkstraat, die vervolgens aansluit op het verdere wegennetwerk van Nuland.

Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.

Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. 44

5.6.3 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een spoorlijn. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording gezien het feit dat de spoorlijn op meer dan 200 meter is gelegen en er geen toename is van het groepsrisico in het plangebied. Door de afstand zal er geen sprake zijn van een significante invloed. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechteren en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.7

Lucht

5.7.1 Beleidskader Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m³.

Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. 5.7.2 Onderzoek Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 4,5 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal (conform CROW, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer), daarmee maximaal 24 x 4,5 = 108 in totaal per etmaal, toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.

Figuur 5.5 - Uitslag NIBM-tool, versie 6-4-2021 (Bron: infomil.nl) 45

Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied onder respectievelijk 18,5 en 16,9 µg/m³ liggen. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m³). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier 9,5 µg/m³. Hiermee wordt ruim voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m³. De resultaten staan weergegeven in figuur 5.6. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.

Figuur 5.6: NSL-monitor, met plangebied rood geblokt (Bron: nsl-monitoring.nl) 5.7.3 Conclusie Het planvoornemen draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse van goede kwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan.

5.8

Bodem

5.8.1 Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. 46

5.8.2 Onderzoek Het plangebied heeft op basis van het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Maatschappelijk'. Binnen deze bestemming is wonen niet toegestaan. De bestemming zal daarom gewijzigd moeten worden naar 'Wonen'. Voor deze bestemmingswijziging en voor de bouw van de 24 sociale huurappartementen is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 5. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De bovenste 15 centimeter van boring 14 bestaat uit zwak zandige grind. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. Ter plaatse van boring 09 is de bodem, over traject 0,1-0,5 m -mv, zwak betonhoudend. Onder de jeu-de-boulesbaan is een volledige puinlaag aanwezig met een dikte van 15 centimeter. Gezien de jeu-de-boulesbaan omstreeks 2015 gerealiseerd is, is het puin niet verdacht op de parameter asbest. In het overige opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd.

In de ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd. 5.8.3 Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, verworpen. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Het aspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

5.9

Geur

5.9.1 Industriële geur Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. 5.9.2 Agrarische geur Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. 5.9.3 Beoordeling Gezien de afwezigheid van agrarische bedrijven, alsook industriële geur-producerende bedrijven in de nabijheid van het plangebied, is geur hier geen relevant aspect. 5.9.4 Conclusie Het aspect 'Geur' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

47

5.10

Hoogspanningslijnen

5.10.1 Advies Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla. 5.10.2 Beoordeling Ten noorden van het dorp Nuland loopt een hoogspanningsverbinding.

Deze verbinding ligt op meer dan 2 kilometer van het plangebied af. Dit is ruim voldoende afstand buiten het magneetveld. 5.10.3 Conclusie De hoogspanningsleiding heeft geen invloed op de gezondheid van de toekomstige bewoners van de 24 sociale huurappartementen ter plaatse van het plangebied. De hoogspanningslijn vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.11

Water

5.11.1 Beleidskader Waterbeheerplan 2022-2027 Aa en Maas In het Waterbeheerplan staan de doelen voor de komende 6 jaar beschreven, hoe deze doelen behaald gaan worden en hoe ingespeeld wordt op veranderende omstandigheden. De missie van het waterschap Aa en Maas is: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.” Het waterschap wil samen met de gemeente werken aan een klimaatrobuust watersysteem. Om dit te bereiken:  

   

48

maakt het waterschap op strategisch niveau afspraken met gemeenten en andere overheden over de ruimtelijke borging van het waterbelang; maakt het waterschap met gemeenten op basis van de stresstesten, risicodialogen en het uitvoeringsprogramma DPRA kwantitatieve afspraken gericht op een klimaatrobuust watersysteem. Hierbij komen ook de Vitale en Kwetsbare Functies in beeld en ontstaat er duidelijkheid over restrisico’s. De ambitie van Aa en Maas voor grondwaterstandsverhoging (zie paragraaf 2.2.2.2) brengen we hier nadrukkelijk in; denkt het waterschap met gemeenten mee bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen en hemelwaterverordeningen zodat de hoeveelheid water vanuit bebouwd gebied doelmatig wordt ingezet en/of afvoer naar het regionale systeem wordt beperkt; gaat het waterschap op zoek naar mogelijkheden om in bebouwd gebied verdroging tegen te gaan en ruimte te vinden voor waterberging; wordt het waterschap uitgangspunten voor weging van het waterbelang (de watertoets) geactualiseerd voor waterkwantiteit en waterkwaliteit; meet en monitort het waterschap de waterkwaliteit van het water in en rondom de stad. Op basis hiervan stellen we een overzicht op van knelpunten en streven we ernaar om deze samen met gemeenten te verhelpen;

zet het waterschap in op vergroten sponswerking. Dit doen we door maatregelen als ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken te promoten/te ondersteunen. De stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied zetten we daarom voort en koppelen dit waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen; zoekt het waterschap in het bebouwde gebied breed de samenwerking op met gemeenten, woningcorporaties, bedrijventerreinen, ontwikkelaars en de bouwsector om anders bouwen te promoten.

Keur Waterschap Aa en Maas 2015 In de Keur staan de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer te waarborgen. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Voorkom vervuiling van (regen)water; Houd vuil water en schoon hemelwater gescheiden; Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. hergebruik; 2. infiltratie/bergen; 3. vertraagde afvoer;  Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties;  Houd rekening met waterschapsbelangen, bijvoorbeeld ruimteclaims voor waterberging of een ecologische verbindingszone) de aanwezigheid van keringen of watergangen;  Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen;  Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv.

een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein;  Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water. Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, dient een hemelwatervoorziening te worden gerealiseerd die minimaal 60 mm per m² toename/vernieuwd verhard oppervlak kan verwerken.   

De rekenregel luidt dus als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig In deze visie beschrijft de gemeente 's-Hertogenbosch waar ze wil staan om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze visie is een bouwsteen van de Bossche Omgevingsvisie, een integrale visie op de fysieke leefomgeving. Door in- en uitbreiding van stedelijk gebied vindt steeds meer bebouwing en verharding plaats. Bij extreme neerslag kan dit zorgen voor overstromingen, bij extreme hitte kan dit leiden tot hittestress en het verdwijnen van de groene ruimtes zorgt voor een achteruitgang in de biodiversiteit. De ambitie om dit te voorkomen is de Stad van de Toekomst. Dit is een groene stad. De stad en de dorpen moeten zelf in staat zijn om wateroverlast en hitte op te vangen. Een stad met soortenrijke stadsnatuur, dicht bij de inwoners en de relatie tussen het stedelijk gebied met het buitengebied versterken. Nieuwe ontwikkelingen en projecten worden gestimuleerd om groen aan te leggen en natuurinclusief te bouwen door de verordening Bomen, water en groen 's-Hertogenbosch 2021 (zie onderstaande alinea) en een nieuw ontwikkeld puntensysteem. Nieuwe ontwikkelingen moeten een substantieel aandeel aan groen waarborgen. Daarvoor hanteert de gemeente een wijkspecifieke norm.

Door middel van het puntensysteem wordt voor voldoende groene en blauwe elementen in elk ruimtelijk plan gezorgd.

49

Verordening bomen, water en groen 's-Hertogenbosch 2021 De Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 is door de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch vastgesteld op 9 maart 2021 en is sinds 8 juni 2021 onherroepelijk. De verordening behoord tot de "Visie 's-Hertogenbosch groen en klimaatbestendig". Deze verordening bestaat uit een drietal onderdelen, namelijk bomen, water en groen. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel van het stellen van de regels in deze verordening is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogenbosch namelijk kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Verder is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Ook is het doel van het stellen van de regels in deze verordening het beschermen van bepaalde categorieën houtopstanden, die voor de gemeente van belang zijn. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen juridisch ook geborgd. Als er minder dan 500 m² nieuw verhard oppervlak wordt toegevoegd geldt een waterberging van minimaal 10 mm per m².

Nieuwe groene daken met een waterbergende capaciteit van meer dan 25 mm per m² worden niet meegeteld als verharding. Het uitgangspunt in de gemeentelijke verordening is dat bovengrondse oplossingen (groene daken, wadi's) de voorkeur hebben boven ondergrondse oplossingen (infiltratiekratten). 5.11.2 Huidige situatie Verhard oppervlak Het plangebied is momenteel grotendeels onverhard. De verharde delen bestaan uit de parkeerplaatsen en stoep en beslaan circa 290 m2. Verwerking hemelwater Doordat het terrein grotendeels onverhard is, kan hemelwater op het hele terrein worden opgenomen in de bodem. De provincie stelt regels aan het infiltreren van hemelwater. Verwerking vuilwater en type rioolstelsel In de Kloosterstraat ligt een gemengd rioolstelsel dat in goede staat is en goed functioneert. Alleen de hemelwaterafvoer van de oudere bebouwing is er nog op aangesloten. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Bodem en grondwater De provincie stelt regels aan het infiltreren van hemelwater. Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied maar maakt geen onderdeel uit van een waterwingebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied zelf niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Uit het bodemonderzoek is echter gebleken dat de bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand bestaat.

De bovengrond is bovendien zwak humeus. In het plangebied wordt geen grondwateroverlast verwacht. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ongeveer 3,5 meter +NAP, waardoor het grondwater zich op ongeveer 2,5 meter onder maaiveld zou bevinden. Volgens de Bodemkaart van Nederland bevindt de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) ten noorden van het plangebied zich op 106 centimeter. onder maaiveld. Het maaiveld bevindt zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) op circa 5,2 meter +NAP. Dit gemiddelde is terug te zien in de inmetingen van het plangebied door initiatiefnemer, zie figuur 5.7. In het infiltratieonderzoek is 1 meting gedaan naar het grondwater. Deze werd aangetroffen op een diepte van circa 2,3 - 1,9 meter- maaiveld. Dit komt overeen met circa NAP +3,4 meter - NAP +2,9 meter. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in noordwestelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwater-stroming ter plaatse van de onderzoekslocatie.

50

Figuur 5.7: Inmetingen Kloosterstraat Nuland (Bron: Mooiland) 5.11.3 Beoogde situatie Extra verhard oppervlak Voor de beoogde ontwikkeling is een infiltratieadvies opgesteld (zie Bijlage 10). Het dakoppervlak aan bebouwing bedraagt in de nieuwe situatie in totaal 1.016 m². De oppervlakte vanwege de terreinverharding bedraagt circa 1.496 m2. Het totale afwaterend oppervlak komt daarmee neer op circa 2.512 m2. Conform de eis van Waterschap Aa en Maas van 60 mm per m² verharding en rekening houdend met een en gevoeligheidsfactor vanwege een locatie binnen de bebouwde kom, is de waterbergingsopgave (2.512 m2 x 1 x 0,06) 150,7 m3.

figuur 5.8: oppervlakte (half)verharding (bron: Vermeer Architecten) 51

Rekening houdend met onder meer de leeglooptijd van infiltratiekratten, op grond waarvan van een kleinere opvangcapaciteit gebruik kan worden gemaakt, met de doorlatendheid van de bodem en met infiltratie tijdens een bui, zijn in het infiltratieadvies twee ontwerpadviezen voor de infiltratievoorziening gegeven. Hierbij is rekening gehouden met een breedte van een infiltratiekrat van circa 4,8 meter, overeenkomend met de lengte van een parkeervak: 1. bij de toepassing van een infiltratiekrat van 0,4 m hoog is een oppervlakte nodig van (l x b = 78 x 4,8 =) 374,4 m² (figuur 5.9); 2. bij de toepassing van een infiltratiekrat van 0,8 m hoog is een oppervlakte nodig van (l x b = 348,4 x 4,8 =) 184,3 m² (figuur 5.10). De parkeerplaatsen op het achterterrein worden van grasstenen voorzien en worden daarmee als halfverhard beschouwd (figuur 5.8). Hier is zowel in totale oppervlakte (475 m²) als in de totale lengte van de parkeerstroken voldoende ruimte voor beide typen voorzieningen. Eventueel is daarnaast ruimte voor hemelwaterberging in de openbare tuin rond het appartementengebouw. Hoewel de leeglooptijd voldoet aan de richtlijn van het waterschap, duurt het gemiddeld circa vier dagen voordat de voorzieningen zijn leeggelopen wanneer deze volledig zijn gevuld.

Om de leeglooptijd te versnellen en daarmee het risico te verkleinen dat er onvoldoende capaciteit beschikbaar is bij een kort opvolgende bui, wordt er aangeraden om de voorzieningen te voorzien van een vertraagde afvoer naar de omliggende watergangen of het gemeentelijk (hemelwater)riool. De waterbergingsopgave is berekend op basis van het inrichtingsplan dat bekend is bij de gemeente. Binnen de bandbreedte van het bestemmingsplan kan dat nog wijzigen en daarmee ook de precieze waterbergingsopgave. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning kan deze opgave dan ook afwijken van het infiltratieadvies en/of dit bestemmingsplan. Binnen het plangebied is echter voldoende ruimte aanwezig voor de vereiste waterbergingsopgave. Daarbij moet ook worden nagedacht over een terreininrichting met extra waterberging in de openbare ruimte, zodat ook bij bovennormatieve buien (T=150) geen wateroverlast optreedt. Uit het infiltratieadvies volgt dat de toepassing van infiltratiekratten mogelijk is en met de beschikbare ruimte onder de halfverharde parkeerplaatsen is aangetoond dat de realisatie van de vereiste infiltratievoorziening uitvoerbaar is. Hierover maken initiatiefnemer en gemeente in de anterieure overeenkomst afspraken, met inachtneming van het infiltratieadvies in bijlage 10.

figuur 5.9: infiltratieadvies bij toepassing infiltratiekrat 0,4 m hoog

52

figuur 5.10: infiltratieadvies bij toepassing infiltratiekrat 0,8 m hoog Verwerking hemelwater Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Voor het gebruik van uitlogende bouwmaterialen geldt tevens een verbod vanuit de provincie. Verwerking vuilwater en type rioolstelsel Het hemelwater van de beoogde nieuwe bebouwing zal worden afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel en zal ter plaatse worden geborgen en infiltreren. Het afvalwater van het nieuwe appartementengebouw zal worden aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel en worden afgevoerd naar het meest nabijgelegen rioolgemaal. Naar verwachting kan het afvalwater zonder problemen verwerkt kunnen worden door het bestaande rioolgemaal. Oppervlaktewater In de nieuwe situatie wordt geen oppervlaktewater aangelegd. Wel is eventueel de aanleg van een wadi mogelijk ter plaatse van de nieuwe jeu-de-boulesbaan en de omgeving daarvan. Aandacht is dan wel nodig voor het feit dat bij kleine buitjes het water ook afstroomt naar deze verlaging en dan niet te vaak voor overlast moet zorgen. De grindbak kan daar een oplossing voor zijn. 5.11.4 Conclusie Met het planvoornemen kan voldaan worden aan de eisen van het waterschap en de gemeente.

Binnen het plangebied is een waterberging met voldoende capaciteit mogelijk. De realisatie ervan conform de eisen van waterschap en gemeente wordt zeker gesteld in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente.

53

5.12

Duurzaamheid

5.12.1 Richtlijn Visie Duurzaam 's-Hertogenbosch 2019 We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019). Met de vastgestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) Inwoners van 's-Hertogenbosch wonen in een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. De gemeente biedt een veilige plek voor haar inwoners, ongeacht veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Door het veilige watersysteem houdt de gemeente droge voeten en is zij bestand tegen droogte. Natuur is overal aanwezig en draagt bij aan een gezonde leefomgeving met een hoge mate van biodiversiteit. 2.

CO2-neutrale omgeving (energie) 's-Hertogenbosch wil in 2045 CO2-neutraal zijn en gebruikt dan alleen nog maar duurzaam opgewekte energie. De daken in de gemeente zijn grotendeels gevuld met zonnepanelen. Huizen en bedrijfspanden zijn goed geïsoleerd en er wordt nog beter gebruik gemaakt van restwarmte. De inwoners van 's-Hertogenbosch verplaatsen zich op een schone wijze: met de fiets, het openbaar vervoer of met duurzame auto's. 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) In 2045 gaan de inwoners van de gemeente bewust om met hun spullen. Bedrijven ontwikkelen producten en gebruiken grondstoffen die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn. 4. Duurzame mobiliteit 's-Hertogenbosch ontwikkelt zich tot een gemeente vol met slimme, schone en duurzame mobiliteit. Met een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer is de lucht schoner geworden. 5.12.2 Beoordeling In 2018 heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een Duurzaamheidsakkoord gesloten met onder meer de initiatiefnemer. Vanuit de vier belangrijke thema's Energie, Circulariteit, Klimaatadaptatie &biodiversiteit en De Mens werkt initiatiefnemer nu aan het duurzaam 's-Hertogenbosch van straks. Ook in dit bouwplan is het duurzaamheidsakkoord als onderlegger voor de planvorming gebruikt.

Aan de hand van de thema's uit de Visie Duurzaam s'-Hertogenbosch wordt beschreven op welke wijze hier voor het bouwplan invulling aan wordt gegeven. 5.12.2.1 Ontmoeten

Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving

Een prettige omgeving is een gezonde leefomgeving. In het plan is daarom ook aandacht voor groen en ontmoeten. Rondom het pan is daarom ruimte gereserveerd voor groen. Aan de voorzijde komen twee groenstroken die openbaar toegankelijk zijn. In deze groenstroken is ook ruimte gereserveerd om een nieuwe jeu-de-boulesbaan te realiseren. Hier kunnen bewoners en omwonenden elkaar op een ontspannen, sportieve manier ontmoeten. Natuurinclusief De braakliggende locatie biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, maar de ligging en omgeving van het plangebied bieden wel kansen voor deze soorten. Initiatiefnemer is daarom voornemens om maatregelen in de bouw te nemen die het 'natuurvriendelijker' maken. Denk hierbij aan bijvoorbeeld het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken. Hierdoor kan de nieuwbouw gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen.

54

Waterberging In het plangebied wordt de hemelwaterafvoer losgekoppeld van het vuilwater riool. Het hemelwater wordt afgevoerd naar infiltratiekratten op het terrein. In de kratten wordt het water opgeslagen tot het in de bodem is opgenomen. Door deze waterberging wordt tijdens piekbuien voorkomen dat het riool overbelast raakt. In paragraaf 5.11 is deze waterberging uitgebreider beschreven. Groen Groen biedt een oplossing voor het extremer weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang en het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Om het plan te kunnen realiseren moeten er naar verwachting 3 bomen worden gerooid. Voor het rooien van deze bomen is naar verwachting geen omgevingsvergunning noodzakelijk. Binnen het plangebied worden echter ook tenminste 9 nieuwe bomen aangeplant, waardoor per saldo 6 nieuwe bomen worden toegevoegd. De bomen die reeds aanwezig zijn op het perceel en de nieuw aan te planten bomen leveren een positieve bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Bij het nieuw aan te planten groen wordt tevens gekeken naar bomen en planten die een bijdrage leveren aan de biodiversiteit (bijvoorbeeld dracht- waardboom voor bijen en /of vlinders). Groen zorgt zo voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Binnen de gemeente is de 'Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021' van toepassing.

In deze verordening zijn ook een kwantitatieve en een kwalitatieve groennorm opgenomen. Doel van het opnemen van deze groennormen is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving. Dat betekent dat binnen het plangebied een minimale kwantitatieve groenscore van 40% geldt. Kwantitatieve groenscore: oppervlakten Voor Nuland geldt een groennorm van 40%. Het plangebied is 3.390 m² groot. Het nieuwe appartementengebouw inclusief fietsenstalling krijgt een dakoppervlakte van 1.016 m². Naast bebouwing wordt het plangebied echter ook verhard ten behoeve van de ontsluiting en parkeerplaatsen. In totaal is daarvoor 1.496 m² aan extra verharding noodzakelijk, waarvan 475 m2 aan halfverharding (telt 50% mee). Op basis van deze getallen is de groenscore 33%. Om toch te voldoen aan de 40% groennorm van de verordening zorgt initiatiefnemer ervoor dat er per saldo 6 nieuwe bomen worden toegevoegd met een gemiddelde kroonprojectie na 10 jaar van 84 m2. Deze oppervlakte telt mee voor 334,41 m2 in de groennorm (viervoud van kroonprojectie). De fietsenstalling wordt deels uitgevoerd met een groene gevel met een totale oppervlakte van 44 m2. Deze oppervlakte telt voor 175 m2 mee in de groennorm (viervoud van geveloppervlakte). Met deze voorzieningen haalt het plan een ingeschatte groenscore van 48% en voldoet het daarmee ruim aan de minimale norm.

Figuur 5.11: Kwantitatieve groenscore

55

Kwalitatieve groenscore De 'Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021' hanteert ook een kwalitatieve groennorm. Figuur 5.12 toont de score van het project op de kwalitatieve groenscore. Omdat het project meer dan 500 m² verharding behelst, moet een minimale kwalitatieve groenscore van 8 punten worden behaald. Het project scoort in totaal 10 punten en voldoet daarmee aan de norm. 

  

Ad A. Op basis van de (behouden) berekening van de kwantitatieve groenscore blijkt dat deze met 48% ruim voldoet aan de norm van 40%, maar niet meer dan 10% boven de norm ligt waardoor dit in de kwalitatieve groenscore punten zou opleveren. Initiatiefnemer streeft ernaar in de verdere uitwerking van het plan de kwantitatieve groenscore te laten stijgen tot 50% of hoger. Deze 50% is al te bereiken door 1 boom extra aan te planten. Ad B1. Uitgangspunt is om waar mogelijk de aanwezige bomen (met voldoende toekomstwaarde) te behouden. Niet te voorkomen is dat als gevolg van het plan drie bomen gekapt moeten worden, maar daarmee blijft het overgrote deel van de bomen binnen (of grenzend aan) het plangebied gehandhaafd. Dit is overeenkomstig het Bomenbeleidsplan 2017 waarop de 'Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021' aansluit. Ad B2. Bij de aanleg van de plantenborders aan de voor- en zijkant wordt ervoor gekozen om beplanting toe te passen die belangrijk is voor de vlinder- en (wilde) bijenvegetatie. Gedacht wordt aan beplanting als vlinderstruik, zonnehoed, kattekruid, laurierkers en hedera. De aan te planten bomen in de soorten berk, esdoorn en sierpeer zijn een voedselboom voor vogels, drachtboom voor bijen en waardboom voor vlinders.

Tevens wordt gekeken of de houtwal aan de achterzijde kan worden versterkt met een inheemse struweelbeplanting zoals aalbes en gelderse roos en probeert initiatiefnemer waar mogelijk erfafscheiding te beperken of zo uit te voeren dat de egel kans krijgt deze te passeren. Ad C1. Er worden tenminste 9 nieuwe bomen aangeplant. Van de 3 soorten bomen die worden aangeplant zijn de berk en esdoorn inheemse bomen, waarvan (Nederlandse) cultivars beschikbaar zijn. Ad C2. Initiatiefnemer zal de te realiseren fietsenberging op het terrein voorzien van een groene gevel (hedera). Tevens wordt gekeken naar het toepassen van inheemse gevelbeplanting als de kamperfoelie en bosrank (door middel van een klimhulpsysteem) op enkele delen van het complex. Ad D. Het plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Initiatiefnemer kiest er daarom voor om natuurinclusief te bouwen door bijvoorbeeld het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken. Zo kan het gebouw gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen.

Figuur 5.12: Kwalitatieve groenscore 56

5.12.2.2 CO2-neutrale omgeving Gasloze woningen De appartementen worden gasloos en volgens de BENG-norm (Bijna Energie Neutraal Gebouw) gerealiseerd. Dit betekent dat de verwarming van woning, koeling van de woning en het warm tapwater op een duurzame manier voorzien kan worden. Beperken van de energiebehoefte Naast de duurzame opwekking van de energie wordt ook aandacht besteed aan het beperken van de energiebehoefte van de appartementen. Door de woningen goed te isoleren en luchtdicht uit te voeren wordt de benodigde energie die nodig is voor verwarming en koeling van het appartement maximaal beperkt. Oververhitting in de appartementen wordt voorkomen door de toepassing van warmtepompen die ook kunnen koelen en door de toepassing van diepe neggen in de ramen en het geschikt maken van deze ramen voor de plaatsing van screens. Belangrijk in het beperken van de energiebehoefte is ook het juiste gebruik van de installaties. Om bewoners zich hiervan bewust te laten zijn organiseert initiatiefnemer 12 weken na oplevering altijd een servicedag voor de bewoners. Op deze servicedag krijgen zij, naast de al in de woning beschikbare gebruikershandleidingen en gebruikersfilmpjes, individueel uitleg over de installatie. Initiatiefnemer is tevens betrokken bij een initiatief om energiecoaches op te leiden waar bewoners gebruik van kunnen maken om tips te krijgen over energiebewust wonen.

Duurzaam In het bouwplan worden bouwkundige voorzieningen getroffen die het mogelijk maken om zonnepanelen (bij) te leggen in de toekomst. Initiatiefnemer voorziet het bouwplan volledig van led-verlichting en zeer efficiënte installaties. Door energiezuinige en duurzame woningen te realiseren draagt initiatiefnemer er tevens aan bij dat de vaste lasten voor de bewoners beperkt kunnen worden. In de huidige periode met stijgende prijzen en belangrijk onderdeel om de woningen duurzaam betaalbaar te houden. 5.12.2.3 Waardebehoud van grondstoffen Initiatiefnemer streeft (conform het duurzaamheidsakkoord 2018) naar het bijna volledig circulair bouwen in 2030. Om deze ambitie invulling te geven wordt onder andere met vaste bouwpartners gewerkt om deze doelstelling vorm te geven. Het voorliggende bouwplan wordt daarom bij een van deze bouwpartners onder gebracht. Er is in de huidige materialisering – naast aandacht voor het waterwingebied – ook aandacht voor duurzame en circulaire keuzes. Zo wordt het gebouw voorzien van zoveel mogelijk hernieuwbare materialen. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat de beplating van geveldelen zoveel mogelijk wordt geschroefd en niet verlijmd. Op deze wijze kan de gevelbeplating eenvoudig gedemonteerd worden en weer als grondstof gebruikt worden.

In de materialisering wordt ook gekozen voor zoveel mogelijk onderhoudsarme materialen zoals bakstenen gevels en keramische dakpannen. 5.12.2.4 Duurzame mobiliteit In het plan zijn meer dan voldoende fietsparkeerplaatsen opgenomen voor bewoners én bezoekers. Zo stimuleert de initiatiefnemer het gebruik van de fiets als duurzame manier van mobiliteit. In de afgesloten fietsenstalling komen oplaadpunten voor elektrische fietsen. De parkeerplaatsen voor de auto's op het achterterrein worden voorbereid op eventuele toekomstige laadinfrastructuur voor elektrische auto's. Als in de toekomst vraag naar oplaadpunten ontstaat, kunnen deze relatief eenvoudig worden gerealiseerd. 5.12.3 Conclusie Het plan draagt bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente 's-Hertogenbosch.

57

5.13

Gezondheid

De gemeente 's-Hertogenbosch hecht belang aan een gezonde leefomgeving. De leefomgeving waarin mensen wonen, werken en leven heeft invloed op hun gezondheid. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat in Nederland gemiddeld bijna 6 procent van de ziektelast toe te schrijven is aan milieufactoren (‘Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014’). Hiermee is milieu - na roken - een van de belangrijke determinanten die bijdragen aan de ziektelast . Fijn stof en geluidsbelasting leveren de grootste bijdrage aan de ziektelast door milieufactoren. Vrijwel overal in Nederland wordt aan de normen voor fijn stof en stikstofdioxide voldaan, maar het grootste deel van de ziektelast door deze stoffen is toe te schrijven aan blootstelling aan concentraties die onder de huidige normen liggen. Naast het beperken van de druk op de gezondheid door diverse omgevingsfactoren, zoals luchtverontreiniging of geluid, is het tevens belangrijk om aandacht te hebben voor de positieve invloed die de omgeving kan hebben op de gezondheid. Dit kan door in het plan bij de leefomgeving rekening te houden met verschillende thema's en belangen, zoals gezonde mobiliteit, natuur, groen en water, sport en spelen, openbare ruimte, milieukwaliteit, en binnenmilieu.

Toetsing Gezondheid nieuwe inwoners Bescherming In voorgaande paragrafen is getoetst dat de nieuwe inwoners geen hinder ondervinden van weg- en railverkeerslawaai of van industrielawaai (paragraaf 5.3), geen hinder van trillingen (paragraaf 5.4) en geen hinder van verlichting (paragraaf 5.5). De nieuwe bewoners hoeven zich geen zorgen te maken over hun veiligheid in de zone van het spoor. Door de afstand is er geen significante invloed op het groepsrisico (paragraaf 5.6). Er bevinden zich geen intensieve boerderijen in de nabijheid van het plangebied waardoor de nieuwe bewoners geen gezondheidsrisico's oplopen door fijnstof van vee (paragraaf 5.9). Ook ondervinden de nieuwe bewoners geen hinder door de hoogspanningslijn ten noorden van Nuland (paragraaf 5.10). Ook bevat het plangebied geen bodemvervuiling. Dit alles maakt dat nieuwe inwoners hier op basis van de milieuaspecten gezond kunnen leven. Bevordering Door zo veel mogelijk bomen te behouden en nieuwe bomen aan te planten wordt een groene leefomgeving gecreëerd. Een groene leefomgeving zorgt voor een betere mentale gezondheid en de schaduw van bomen zorgt voor het voorkomen van hittestress. De openbare ruimte aan de voorkant van het woongebouw biedt ruimte voor ontmoeting en gezamenlijke activiteiten, hierdoor kan eenzaamheid worden tegengegaan.

Gezondheid voor omwonenden Door de komst van het nieuwe woongebouw wordt de luchtkwaliteit niet significant verslechterd (paragraaf 5.7) en lijdt de toename in het aantal verkeersbewegingen niet tot extra geluidhinder (paragraaf 5.3).

5.14

Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. 5.14.1 Beoordeling en conclusie ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 24 middeldure koopwoningen dus voldoet het niet aan deze criteria. Op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. 58

Uit de m.e.r.-beoordeling, zie Bijlage 11 blijkt dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. ad b. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied en op een afstand van 10,2 kilometer tot Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken bedraagt 11,1 kilometer. Uit uitgevoerde stikstofberekeningen blijkt dat het planvoornemen geen significant negatief effect heeft op omliggende Natura 2000-gebieden, zie Bijlage 6. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde. Het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch heeft op 8 november 2022 besloten dat er geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld.

5.15

Ecologie

5.15.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12387172/1