CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bestemmingsplan Sluiswachterskade (toelichting en regels)

Gemeenteraad 14 mei 2024, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Sluiswachterskade28.075 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Groen Voor groen is per gebied (in de gemeente) een groennorm vastgelegd. De norm is afhankelijk van het gebied. Groen biedt een oplossing voor het extremer weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang en het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Ook draagt groen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Het doel van de groennorm is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving. Een aanzienlijk deel binnen het plan wordt onverhard, danwel extra groen aangelegd in de vorm van gazon voor de stadscamping en moestuin, hetgeen bijdraagt aan infiltratie van het hemelwater en een verkoelend effect bij warme dagen (voorkomen hittestress). Bij de aanvraag om omgevingsvergunning zal het definitieve plan getoetst worden aan de 'Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021'. Het plangebied en beoogde groene invulling en setting biedt voldoende mogelijkheden om aan de uitgangspunten te kunnen voldoen.

5.13

Gezondheid

Inleiding De leefomgeving waarin we wonen, werken en leven heeft invloed op onze gezondheid. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die bewoners als prettig ervaren, waar gezonde keuzes gemakkelijk en logisch zijn, en waar negatieve invloed op gezondheid zo klein mogelijk is. Het gaat dus om gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering. De gemeente hecht belang aan zo'n gezonde leefomgeving. Gezondheid staat in 's-Hertogenbosch sinds het Bestuursakkoord van 2018 nadrukkelijk op de agenda. De leefomgeving waarin mensen wonen, werken en leven heeft invloed op hun gezondheid. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat in Nederland gemiddeld bijna 6 procent van de ziektelast toe te schrijven is aan milieufactoren ('Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014'). Hiermee is milieu - na roken - een van de belangrijke determinanten die bijdragen aan de ziektelast . Het primaire uitgangspunt is – vanzelfsprekend - dat de omgeving; de lucht, het water en de bodem schoon moeten zijn. Dat is van vitaal belang voor de gezondheid en veiligheid onze inwoners. Een 'gezonde leefomgeving' is echter een bijzonder ruim begrip en kent daardoor vele facetten, het heeft ook betrekking op onder meer de kwaliteit van woningen, geluid, groen, ruimte, geur en duurzaamheid. Op vele aspecten zijn door de gemeente ambities gesteld en worden plannen uitgevoerd.

Zo heeft de gemeente de ambitie uitgesproken om in 2030 te voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van de Wereldgezondheidsorganisatie zoals in 2005 zijn geformuleerd. Weliswaar wordt vrijwel overal in Nederland aan de normen voor fijn stof en stikstofdioxide voldaan, maar het grootste deel van de ziektelast door deze stoffen is toe te schrijven aan blootstelling aan concentraties die onder de huidige normen liggen. Via het ondertekenen van het 'Schone Lucht Akkoord' worden maatregelen ondernomen om de luchtvervuiling in onze gemeente te doen laten verminderen tot ruim onder de daarvoor geldende normen. Ook worden diverse klimaatadaptieve maatregelen uitgevoerd om de gevolgen van klimaatverandering (zoals hittestress en wateroverlast) beter op te vangen en een meer groene en blauwe inrichting van de stad te realiseren. In het kader van 'vergroening' geldt (bij ontwikkelingen) een bepaalde groennorm en ook gaat de gemeente het aantal te planten bomen verdubbelen. Bomen zijn namelijk belangrijk. Ze dragen bij aan een betere wateropvang, biodiversiteit, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en zorgen voor verkoeling. Ten aanzien van overlast – gezond leefklimaat - wordt met het 'aktieplan geluid' maatregelen onderzocht om te geluidshinder door het wegverkeer te verminderen.

Naast ondermaatse luchtkwaliteit levert geluidsbelasting als milieufactor de grootste bijdrage aan de ziektelast. 50

Gezondheid is ook een belangrijk aandachtspunt bij de inrichting van de leefomgeving en ruimtelijke projecten. In de leefomgeving dienen voldoende voorzieningen aanwezig te zijn die uitnodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit laatste valt onder de noemer 'positieve gezondheid'. Positieve gezondheid richt zich op het tegengaan van lichamelijke of psychische ziekte en het bevorderen van het lichamelijk, psychisch en mentaal welbevinden, maar ook op het vermogen om je eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven. Gemeente 's-Hertogenbosch streeft ernaar een 'gezonde' stad te zijn en haar inwoners te ondersteunen door een gezonde leefstijl en meedoen te faciliteren en de leefomgeving zo in te richten dat het maken van een gezonde keuze gemakkelijker wordt. Verbetert de gezondheid van inwoners, dan nemen de veerkracht en kansen om mee te doen toe.

Plan Onderhavig plan van een Stadscamping (met horeca-functie, terras en moestuin) laat geen formele gevoelige objecten toe (voor langdurig verblijf) in dit milieu-belaste gebied. Ten aanzien van de fysieke leefomgeving draagt het plan bij aan een stuk ontharding en vergroening van de wijk. Daarmee helpt het om hemelwater vast te houden bij te veel aan regen. En gaat het verdroging tegen bij een te kort aan hemelwater. De nieuwe functie draagt tevens bij aan het welbevinden en de mentale gezondheid van onze inwoners. De horecavoorziening en moestuin gaat immer ook een ontmoetingsplek voor de buurt vervullen en stimuleert daarmee ontmoeting tussen buurtbewoners. De ervaring is dat dit een positief effect heeft op de mentale gezondheid van mensen en het ze gelukkiger maakt. De nieuwe functie bevordert de sociale cohesie tussen buurtbewoners. Vanzelfsprekend nodigt deze nieuwe functie in de buurt uit tot bewegen, aangezien de functie op loop- of fietsafstand is van vele wijkbewoners. De inrichting en opzet van het plan 'Sluiswachterskade' levert op vele fronten een positieve bijdrage op de mentale gezondheid van onze bewoners in de bestaande nabije woonwijk(en). Het sluit aan bij de doelstelling van het bestuursakkoord om de gezondheid van onze bewoners te bevorderen. Het plan bevat diverse facetten uit het programma 'positieve gezondheid'.

5.14

Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een ontwikkelingsproject van een permanente kampeerterrein (bijlage D 10.1). Zo'n recreatie-ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het een gebied betreft met een oppervlakte van meer dan 25 hectare, of meer dan 10 hectare in een gevoelig gebied, of als de voorziening (camping) meer dan 250.000 bezoekers per jaar ontvangt. Aan al deze criteria voldoet het plan bij lange na niet, dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig.

Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.

51

ad b. Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op circa 1,1 km van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Uit een stikstofonderzoek (stikstofdepositieonderzoek stadscamping, De Roever Omgevingsadvies, nummer 20221318.v04, 17 januari 2024 blijkt dat het beoogde plan (voor zowel voor de bouwfase als de gebruiksfase) geen significant negatief effect heeft op het genoemde Natura 2000-gebied, alsook geen effect op verder weg gelegen Natura2000 gebieden. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde. Met de beschouwing van de diverse milieuaspecten heeft impliciet een vormvrije mer-beoordeling plaatsgevonden. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Dit blijkt uit de milieuparagraaf van dit bestemmingsplan. Het opstellen van een m.e.r. wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. In bijlage 4 is de uitwerking van het stikstofonderzoek opgenomen.

5.15

Ecologie

Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen) het gaat daarbij om de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland . Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Toepassing 52

Het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek ligt op circa 1 kilometer van het plangebied. Stikstofdepositie kan op deze afstand optreden door het gebruik van machines bij de herontwikkeling van het terrein tot stadscamping. De voorgenomen ontwikkeling kan daarmee zorgen voor extra stikstofdepositie binnen wettelijk beschermd Natura 2000-gebied. en kan een negatief effect hebben op daarbinnen aanwezige beschermde natuurwaarden. Tot voor kort was er een wettelijke vrijstelling voor stikstofdepositie door (tijdelijke) sloop en bouwwerkzaamheden. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. Momenteel is het niet mogelijk om gebruik te maken van deze vrijstelling. Uit het stikstofonderzoek (stikstofdepositieonderzoek stadscamping, De Roever Omgevingsadvies, nummer 20221318.v04, 17 januari 2024) blijkt dat het beoogde plan (voor zowel voor de bouwfase als de gebruiksfase) geen significant negatief effect heeft op het genoemde Natura 2000-gebied, alsook geen effect op verder weg gelegen Natura2000 gebieden, zie ook paragraaf 5.14 Milieueffectrapportage.

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats als gebieden onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland in Brabant is deze opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Het plangebied grenst direct aan de Zuid Willemsvaart. De Zuid Willemsvaart is onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en is aangewezen als natuurbeheertype Zoete Plas. De voorgenomen ontwikkeling legt geen ruimtebeslag op het natuurbeheertype, omdat de bestaande kades behouden blijven. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarnaast ook geen effect op het voorkomen van de kwalificerende soorten binnen dit natuurbeheertype, het gaat daarbij om waterplanten, vissen en libellensoorten. Het inrichten van de stadscamping heeft dus op geen enkele wijze een negatief effect op de kwalificerende waarde van het aanwezige natuurdoeltype.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artik el 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 53

Onderzoek Van het plangebied is door ID-Verde Advies eind 2022 een QuickScan soortbescherming uitgevoerd. Hiervoor zijn de gegevens uit bronnen- en veldonderzoek op het voorkomen van (beschermde) vaatplanten, jaarrond beschermde nesten van vogels, vissen en reptielen beoordeeld. Hiervoor is aanwezigheid van het optreden van negatieve effecten op beschermde soorten afgepeld. Voor een aantal soorten moeten nog nader onderzoek plaatsvinden of maatregelen genomen worden: Voor de algemene grondgebonden zoogdieren die voor kunnen komen in en rondom het plangebied (zoals egel, haas en konijn) geldt in de provincie Brabant een algemene vrijstelling ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Dat wil zeggen dat in gevallen waar de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden wanneer verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden. Wel geldt voor deze soorten een wettelijke zorgplicht. Indien dergelijke soorten worden waargenomen tijdens de werkzaamheden dienen deze de mogelijkheid te krijgen om te kunnen vluchten buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Van belang is dat het aanwezige grasland kort wordt gehouden ruim voorafgaand aan de eerste (grond)werkzaamheden. Hierdoor ontstaan er geen nieuwe schuil- en of rustmogelijk heden voor grondgebonde zoogdieren.

Alle vleermuizen zijn in de Wet natuurbescherming onder de Habitatrichtlijn beschermd, waardoor het verboden is vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen te vernietigen. De woningen en bijgebouwen bieden geschikte locaties voor gebouw bewonende vleermuizen om in weg te kruipen en om zo de woningen te benutten als verblijfplaats. Om te kunnen aantonen dan wel uit te sluiten of vleermuisverblijfplaatsen in het plangebied aanwezig zijn, dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Dit is jaarrond onderzoek naar de functie van het plangebied als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuissoorten (gewone- en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger). Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld wat de benodigde vervolgstappen dienen te zijn alvorens kan worden overgegaan tot de realisatie van de werkzaamheden. De mogelijke werkzaamheden aan de panden (renovatie) hebben geen negatief effect op mogelijke foerageergebieden en vliegroutes in de omgeving. De groenvoorziening in het plangebied dienen mogelijk als foerageergebied voor meerdere vleermuizen. Echter zijn in de directe omgeving voldoende alternatieve aanwezig, zoals andere tuinen in de wijk en het Zuid-Willemsvaart. Nest- en rustplaatsen van vogels, die hun verblijfplaats het hele jaar door gebruiken of elk jaar terugkeren naar hetzelfde nest, zijn permanent beschermd (cat.

1 t/m 4 Wet natuurbescherming, Wnb artikel 3.1 lid 2). Nesten van huismus en gierzwaluw vallen onder deze categorie. Het Sluiswachters en de bijgebouwen zijn via de dakrand en dakgoot toegankelijk voor de huismus. De dakrand kan tevens ook toegankelijk zijn voor de gierzwaluw. Deze soorten kunnen binnen het plangebied voorkomen en tot broeden komen. Om vast te stellen of het plangebied door deze soorten wordt benut en in welke mate, dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de huismus en de gierzwaluw. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld wat de benodigde vervolgstappen dienen te zijn alvorens kan worden overgegaan tot de realisatie van de werkzaamheden. De meeste vogelsoorten maken elk jaar een nieuw nest. Nesten van vogels zijn beschermd wanneer zij in gebruik zijn. In de gebouwen kunnen onder andere mezen tot broeden komen en ook de tuinen zijn geschikt als broedbiotoop voor algemene broedvogels. Om te voorkomen dat broedgevallen worden verstoord of actieve nesten vernield dient het werk buiten het broedseizoen gestart te worden. Mocht het niet mogelijk zijn om deze werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of te starten, dan is het nodig om door een ecoloog een controle uit te laten voeren op aanwezigheid van in gebruik zijnde vogelnesten. Voor alle soorten blijft te allen tijde de algemene zorgplicht van kracht.

Deze houdt in dat de ingreep en werkzaamheden zorgvuldig en met zo min mogelijk schade aan de aanwezige flora en fauna uitgevoerd moeten worden. Dit houdt o.a. in dat wanneer dieren worden aangetroffen, deze de gelegenheid moeten krijgen om te kunnen vluchten of (indien mogelijk) worden verplaatst naar buiten het plangebied. Conclusie 54

Voor het vaststellen van dit bestemmingsplan zijn er op grond van de ecologische kwaliteiten geen belemmeringen. Voor het verbouwen of renoveren van het sluiswachtershuis waarbij mogelijke verblijfsplaatsen van vleermuizen of vogels verstoort worden zoals bij maatregen aan het dak en buitenmuren van dit gebouw, is aanvullend onderzoek nodig voor zowel vleermuizen, huismus en gierzwaluw naar het voorkomen van verblijfplaatsen voor deze soorten. Daarnaast is te allen tijde de zorgplicht van toepassing. In bijlage 5 is de uitwerking van quickscan opgenomen.

Aanvullend onderzoek evenementen Door ID-Verde Advies is na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een aanvullend onderzoek 'Wnb toets evenementen Sluiswachterskade' d.d. 4 juli 2023 (bijlage 6) uitgevoerd om te kijken of het organiseren van evenementen negatieve effecten kan hebben op de soorten waarvan op basis van de eerder uitgevoerde Quickscan (bijlage 5) is bepaald dat ze mogelijk te verwachten zijn binnen het plangebied. Het is gebleken dat de uitvoering van evenementen (eventueel) kan leiden tot verstoring van broedende vogels, nesten huismus en gierzwaluw, verblijfplaatsen en vliegroutes vleermuizen. Om dit te voorkomen is het nodig om voor evenementen die een verstoring voor voorgenoemde soorten kunnen veroorzaken, voorafgaand aan het evenement een aantal algemene en soortgerichte maatregelen te nemen. Dit wordt geborgd door in de planregels van onderhavig plan te verplichten dat een ecologisch werkprotocol nageleefd moet worden. Dit protocol is in bijlage 2 bij de regels opgenomen.

5.16

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.

Cultuurhistorie De gemeente ’s-Hertogenbosch heeft het bouwplan getoetst aan de archeologische waarden en verwachtingen om inzichtelijk te maken of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Onderstaande onderbouwing gaat hier verder op in. Het plangebied bevindt zich aan de zuidzijde van de Zuid-Willemsvaart ter hoogte van de voormalige Sluis 0. Met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart in 1822 ontstaat een rechtstreekse verbinding via een kanaal met Maastricht. Aangezien het verval zeer groot is tussen ’s-Hertogenbosch en Maastricht werden op verschillende plaatsen sluizen aangelegd om het water op peil te houden. Direct ten oosten van de stad werd de eerste sluis in het kanaal aangelegd. Deze sluis kreeg, uiteraard, de naam Sluis 1. Later, in 1825, werd ter plekke van de oostelijke begrenzing van de middeleeuwse stad een nieuw sluis aangelegd, deze werd om begrijpelijke redenen daarna Sluis 0 genoemd. Aan de zuidzijde van de sluis hebben vanaf de aanleg verschillende gebouwen gestaan. Het bestaande pand (van Veldekekade 35) heeft de status van gemeentelijk monument. Dit pand is het voormalige sluiswachtershuisje, gebouwd in ca. 1910-1915. Karakteristiek is de trapgevel en zijn de vensters (met roedeverdeling) met kruiskozijnen en luiken.

De stijl is gerelateerd aan de Hollandse Renaissance uit de late 16e en vroeg 17e eeuw en manifesteerde zich begin 20e eeuw in de vorm van Nieuw-Historicisme. Het gebouw 55

is cultuurhistorisch van belang als goed herkenbaar en gaaf bewaard gebleven restant van het historische sluiscomplex van ‘Sluis 1’ en van belang als gaaf bewaard gebleven voorbeeld van utiliteitsbouw in de zich toen manifesterende neo-renaissancistische architectuurstijl. De bescherming als gemeentelijk monument geldt voor zowel de buiten- als de binnenzijde. Bij wijzigingen aan binnen- of buitenzijde is doorgaans een omgevingsvergunning vereist.

Archeologische verwachting In 2008 is een archeologische verwachtingskaart opgesteld voor het deel van de gemeente buiten de middeleeuwse stadskern van 's-Hertogenbosch. Deze kaart bevat niet alleen de reeds bekende archeologische vindplaatsen maar geeft ook een overzicht van de gebieden waar archeologische vindplaatsen verwacht kunnen worden, de zogenaamde verwachtingsgebieden. Gebieden waar de kans op het aantreffen van archeologie hoog is, worden aangeduid als gebieden met een hoge archeologische verwachting. Verder wordt nog een onderscheid gemaakt in gebieden met een middelhoge en gebieden met een lage archeologische verwachting. Of er ook daadwerkelijk archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, moet archeologisch onderzoek uitwijzen maar de verwachtingsgebieden geven al wel aan in welke mate men met mogelijke archeologische resten rekening moet houden. De archeologische verwachting binnen het plangebied is laag. Het gebied valt in de categorie (relatief laag gelegen) dekzandvlakte. Deze gebieden waren van oudsher niet erg geschikt voor bewoning. Bewoningssporen zijn hier dan ook niet te verwachten. Van de oudere bebouwing, gerelateerd aan de sluis, zijn mogelijk sporen te verwachten.

Algemeen archeologiebeleid gemeente ’s-Hertogenbosch De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is in juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen andere eisen opgenomen.

Het plangebied valt op de archeologische beleidskaart in categorie 6. Dit houdt in dat in deze gebieden, wat archeologie betreft, geen vergunning is vereist. Wel zal bij milieueffectrapportage plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen, nader onderzoek worden verlangd. Deze situaties vallen onder het regime van de Wet Milieubeheer en de Tracéwet.

56

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten 6.1

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast.

Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan.

Regels De regels zijn het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn in meerdere hoofdstukken onderverdeeld.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik.

57

6.2

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden in het plangebied aangegeven. In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Gemengd', 'Verkeer' en 'Water' opgenomen. Daarnaast zijn er twee bouwvlakken en enkele nadere aanduidingen op de verbeelding opgenomen. De juridische betekenis van de aanduidingen is in de regels van het bestemmingsplan terug te vinden. De bestemmingen worden in de volgende paragraaf nader toegelicht.

6.3

Toelichting op de planregels

In deze paragraaf wordt ingegaan op de opzet van de planregels. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk wordt aangegeven wat in de overige regels verstaan wordt onder bepaalde begrippen en hoe bij toepassing van de voorschriften moet worden gemeten. Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn steeds per bestemming de daarop van toepassing zijnde regels weergegeven. Hoofdstuk 3. Algemene regels. Dit hoofdstuk geeft algemene regels, zoals algemene afwijkingsregels en regels voor gebieden waarvoor binnen verschillende bestemmingen op basis van aanduidingen op de verbeelding bijzondere eisen gesteld (moeten) worden. Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels. In dit hoofdstuk zijn de overgangs- en slotbepalingen opgenomen. Het bestemmingsplan omvat drie bestemmingen: 'Gemengd', 'Verkeer' en 'Water'. 6.3.1 Inleidende regels De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels.

Daarnaast zijn in artikel 1 de begrippen overgenomen die ook worden gehanteerd in de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 2 is vastgelegd hoe er bij toepassing van de regels wordt gemeten. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. 6.3.2 Bestemmingsregels De regels behorende bij de bestemmingen hebben een uniforme opbouw. Voor zover aanwezig zijn de regels als volgt opgebouwd: bestemmingsomschrijving bouwregels nadere eisen afwijken van de bouwregels specifieke gebruiksregels afwijken van de gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid. In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven waar de als zodanig aangewezen gronden voor zijn bestemd. De bouwregels en de specifieke en algemene gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Gemengd Het gehele perceel heeft de bestemming 'gemengd' gekregen. Het doel is om op deze plek een aantrekkelijke, levendige plek aan het water, waar reuring kan ontstaan en welke meerwaarde voor de buurt biedt, te laten 58

ontstaan. Om deze reden laat deze bestemming een grote verscheidenheid aan functies toe, zoals o.a. kunst en cultuur, maatschappelijke voorzieningen, recreatieve dagvoorzieningen, volkstuin, kamperen, terras, horeca (onder voorwaarden) en evenementen (onder voorwaarden). In de bouwregels zijn de bebouwingsmogelijkheden beschreven. Gebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Er zijn dus bouwvlakken op maat opgenomen op basis van de stedenbouwkundige uitgangspunten. De maximale bebouwingspercentages van de bouwvlakken, de maximale bouw- en goothoogtes zijn op de verbeelding aangegeven. In de bouwregels zijn tevens regels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' is een kampeerterrein toegestaan. Wanneer initiatiefnemers tenten onder de monumentale bomen willen plaatsen, dienen zij deze tenten op vlonders te plaatsen. Tussen deze bomen worden in eerste instantie geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals het plaatsen van een vlonder, toegestaan. Dit allereerst ter instandhouding en bescherming van de (wortels van de) monumentale en waardevolle bomen. Om deze reden is hier de aanduiding 'Waardevolle boom' opgenomen.

Wanneer initiatiefnemers gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals het plaatsen van een vlonder, onder de voorgenoemde bomen willen realiseren, is een omgevingsvergunning noodzakelijk waar hier voorwaarden aan gesteld kunnen worden. Ook is het nodig dat initiatiefnemers voorgenoemde bomen aan een inspectie onderwerpen of zij geschikt/in gebruik zijn als vleermuisverblijf. Verder is de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - stadsstrand uitgesloten' op de verbeelding opgenomen. Hier zijn zijn alle dagrecreatieve voorzieningen met uitzondering van een stadsstrand toegestaan. Binnen de aanduiding 'terras' is een (overdekt) terras met buitenbar en toilet toegestaan. Binnen de aanuiding 'horeca van categorie 3' is een horecabedrijf categorie 3 uitsluitend op de begane grond toegestaan.

Verkeer Deze grond is primair bestemd voor wegverkeer, parkeren en bijbehorende voorzieningen. Verder is er binnen deze bestemming ook ruimte voor groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede nutsvoorzieningen. Verder is onder andere de aanduiding ‘parkeerterrein’ op de verbeelding opgenomen om een parkeerterrein toe te staan. Ook is de aanduiding ‘evenemententerrein’ op de verbeelding opgenomen om verschillende soorten evenementen toe te staan.

Water Een deel van de Zuid-Willemsvaart is in het plangebied opgenomen. Dit heeft de bestemming 'Water' gekregen. De voor water aangewezen gronden zijn bestemd voor water, waterberging, recreatief medegebruik ten behoeve van dagrecreatie, waterhuishoudkundige voorzieningen en voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden en watersystemen. Verder is er binnen deze bestemming ook ruimte voor o.a. groenvoorzieningen, oeverbeschoeiingen, taluds en bermen. Aan de oever is de aanduiding 'steiger' op de verbeelding opgenomen om het afmeren van schepen (niet zijnde woonschepen) met een functie die past binnen de bestemming 'Gemengd' toe te staan. 6.3.3 Algemene regels In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouw- en gebruiksregels en de algemene aanduidings- en afwijkingsregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan. 6.3.4 Overgangs- en slotregels In dit hoofdstuk zijn tot slot de overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden. 59

60

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het schetsontwerp Sluiswachterskade is financieel getoetst. De gronden inclusief aanwezige sluiswachterswoning van het plangebied zijn in eigendom van de gemeente 's-Hertogenbosch en verhuurt de gronden en sluiswachterswoning tegen vooraf aangegeven condities. De initiatiefnemers hebben bij de gemeentelijke marktuitvraag een plan ingediend dat de basis voor het bestemmingsplan vormt. Het aantonen van de haalbaarheid van het ingediende initiatief vormde onderdeel van die marktuitvraag. De initiatiefnemers hebben aangegeven dat het een haalbare businesscase is. Dit is door de gemeente in het kader van de marktuitvraag getoetst. Concluderend kan worden gesteld dat de economische uitvoerbaarheid hiermee in voldoende mate is aangetoond.

61

62

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog vooroverleg 8.1

en

Omgevingsdialoog

In het kader van het planvoornemen is een omgevingsdialoog gevoerd. Omgevingsdialoog voor de marktuitvraag Op 15 april 2021 heeft het eerste communicatiemoment voor de nieuwe invulling van de Sluiswachterskade plaatsgevonden. Deze bijeenkomst is door de gemeente 's-Hertogenbosch georganiseerd. Het doel was om de omwonenden en belanghebbenden te informeren, betrekken en enthousiasmeren bij de nieuwe invulling van de Sluiswachterskade. Tijdens dit moment werd informatie vertrekt met betrekking tot de aanleiding, doel en uitgangspunten van het beoogde project. Ook werd het proces en tijdlijn van project medegedeeld. Verder kwamen de hoofdlijnen van de opgehaalde ideeën van de marktverkenning aan bod en werden de reacties op deze ideeën opgehaald. Hierbij was aandacht voor kansen en zorgen/aandachtspunten. Tot slot werden verwachtingen over de opgehaalde ideeën en informatie gemanaged, werden afspraken gemaakt over het vervolg en de wijzen van periodiek informeren en het betrekken van direct omwonenden. In bijlage 7 is de uitwerking van deze bijeenkomst opgenomen.

Omgevingsdialoog planuitwerking initiatiefnemers De initiatiefnemers hebben de direct omwonenden een brief gestuurd met de boodschap dat zij op 19 april 2022 huis-aan-huis langs zouden gaan voor een persoonlijke kennismaking en om een korte uitleg van de plannen weer te geven. Ook werden de direct omwonenden op dat moment mondeling voor de omgevingsdialoog uitgenodigd. De initiatiefnemers hebben de overige bewoners per post uitgenodigd. De direct omwonenden hebben tijdens de persoonlijke kennismaking aangegeven dat zij zich zorgen maakten over de parkeerproblemen, verkeersveiligheid en eventuele geluidsoverlast. De bewonersavond vond plaats op 3 mei 2022 en was een avond met vrije inloop om op die manier zoveel mogelijk mensen de gelegenheid te bieden om langs te komen. Door middel van foamboards en posters hebben de initiatiefnemers informatie verstrekt. Zo is verteld wat hun visie en missie inhoudt. Tijdens deze avond waren omwonenden, wijkopbouwers en vertegenwoordigers vanuit de gemeente aanwezig. Ook zijn tijdens deze avond zorgen geuit en vragen gesteld over de plannen met betrekking tot de parkeervoorziening, verkeersveiligheid en geluidsoverlast. Tijdens de bewonersavond hebben de initiatiefnemers de aanwezigen de mogelijkheid geboden om een 63

vragenlijst in te vullen. Middels deze vragenlijst werden vragen gesteld met betrekking tot de moestuin, de invulling van het Sluiswachtershuis, zorgen over het plan en of de aanwezigen een verslag van de bewonersavond wilden ontvangen. In bijlage 8 is de volledige rapportage van de uitkomsten van deze vragenlijst opgenomen.

Ontwikkelingen plan Op 26 oktober 2022 hebben initiatiefnemers een tweede omgevingsdialoog, in de vorm van een inloopavond, georganiseerd. Op deze manier werden de omwonenden en geïnteresseerden, middels een presentatie, van de ontwikkelingen van het plan op de hoogte gesteld. Voor deze avond hebben initiatiefnemers een bewonersbrief verspreid. Tijdens deze avond zijn, in tegenstelling tot geluid, geen zorgen meer geuit over de verkeersveiligheid en de parkeergelegenheid. In bijlage 9 is de volledige rapportage van deze bijeenkomst opgenomen.

8.2

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg zijn de Provincie en Waterschap Aa en Maas geïnformeerd over het concept bestemmingsplan. De provincie Noord-Brabant heeft gevraagd in de ecologieparagraaf de toelichting op het onderzoek en de conclusie op te nemen. Waterschap Aa en Maas heeft gevraagd in de waterparagraaf de beschrijving van zowel het grondwater, oppervlaktewater en de drijvende steiger op te nemen. Voorgenoemde punten zijn in het ontwerpbestemmingsplan aangepast.

64

Regels

65

66

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.2 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.3 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.4 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.5 bebouwingslint min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten bestaand stedelijk gebied; 1.6 bebouwingspercentage een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak aangeeft, dat maximaal bebouwd mag worden; 1.7 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;

67

1.8 bedrijfsvloeroppervlakte de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.9 bedrijfswoning een woning die een functionele binding heeft met het bedrijf, de instelling of de inrichting, ten behoeve van beheer en/of toezicht op het bedrijf, de instelling of de inrichting; 1.10 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.11 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Een bijgebouw kan zijn een aangebouwd bijgebouw in de vorm van een aanbouw of een uitbouw, dan wel een vrijstaand bijgebouw; 1.14 bijzonder nachtverblijf Bus, boot of enig ander voertuig, of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele zijn bestemd of opgericht dan wel worden gebruikt als recreatief nachtverblijf. 1.15 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.16 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

68

1.20 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.21 buitenbar een bouwwerk welke gebruikt wordt voor het uitserveren van (niet-)alcoholische dranken en ondersteunend is aan de horecafunctie met een oppervlakte van maximaal 20m2. 1.22 complex van cultuurhistorisch belang ensemble van bestaande bebouwing en bijbehorende omgeving met aldaar aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken; 1.23 dagrecreatie een vorm van recreatie die niet langer duurt dan een dag. Er is dus geen sprake van overnachting. 1.24 dagrecreatieve voorzieningen recreatie-elementen, zoals wandelparken, lig- en speelweiden, stadsstrand en picknickplaatsen.

1.25 dak iedere boven beëindiging van een gebouw; 1.26 dakopbouw een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag en een afstand van minimaal 1 meter tot de voorgevel; 1.27 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen; 1.28 ecologische hoofdstructuur samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden; 1.29 ecologische waarden en kenmerken aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, mate van stilte, donkerte, openheid, landschapsstructuur en belevingswaarde; 1.30 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting

niet verbieden;

69

1.31 evenement elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak die op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 2012 als vergunningplichtig wordt aangemerkt. Festiviteiten die binnen een inrichting worden georganiseerd en een besloten karakter hebben (zoals bv. bedrijfsfeestjes), worden daaronder niet begrepen. Het besloten karakter van een festiviteit kan onder meer tot komen uiting in het niet-commercieel zijn, in het niet heffen van entreegeld, in het persoonlijk uitnodigen van bezoekers, in het feit dat geen reclame wordt gemaakt en in het feit dat consumpties gratis worden verstrekt.

1.32 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.33 geluidgevoelige ruimte geluidsgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2; 1.34 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.35 horeca horeca van categorie 1 (hotel): Een horecabedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is; horeca van categorie 2 (restaurant): Een horecabedrijf, primair gericht op het, overdag en avond, verstrekken en bereiden van maaltijden voor gebruik ter plaatse en waar het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is.

Hieronder valt in elk geval niet horeca als bedoeld onder horeca categorie 4; horeca van categorie 3 (daghoreca): Een horecabedrijf, waarbij de bedrijfsactiviteit gericht is op het – overdag – al dan niet ter plaatse verstrekken en bereiden van etenswaren en dranken en waarvan de openingstijden (in belangrijke mate) binnen de openingstijden van winkels vallen, zoals o.a. een lunchroom, koffiezaak, broodjeszaak en ijssalon (tot maximaal 22:00 uur). Hieronder valt in elk geval niet horeca als bedoeld onder horeca categorie 4; horeca van categorie 4 (cafetaria): Een horecabedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken en bereiden van (al dan niet voor consumptie ter plaatse) bereide kleine etenswaren en waar het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is. Hieronder valt onder andere counterverkoop en fastservice zwaar, zoals snackbar, grillroom, fastfoodrestaurant, shoarmazaak, delivery formules. horeca van categorie 5 (café en bars): Een horecabedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het in de avond en nacht verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en het gelegenheid bieden voor dansen, als dan niet als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden.

horeca van categorie 6 (nachtzaak, discotheek, partycentrum): Een horecabedrijf dat gericht is op het in de avond en nacht verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij overwegend mechanische muziek wordt beluisterd en het verschaffen van dansgelegenheid een wezenlijk onderdeel vormt, zoals o.a. een nachtzaak, discotheek en partycentrum. Een dergelijke horecabedrijf is veelal tot later geopend dan een café en bar. horeca van categorie 7 (speelautomatenhal): Een horecabedrijf, waarin een speelautomatenhal (conform de Wet op de Kansspelen) wordt geëxploiteerd en waar het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is. horeca van categorie 8 (shishalounge): Een horecabedrijf waar rechtmatig het roken van shisha wordt aangeboden.

70

1.36 kampeermiddel tent, tentwagen, kampeerauto (camper), caravan of enig ander onderkomen of enig ander voertuig, geen bouwwerk zijnde, dat geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf; 1.37 kampeerplaats Een op het kampeerterrein aangegeven plek voor het plaatsen of geplaatst houden van maximaal één kampeermiddel, één bijzonder nachtverblijf of één recreatief nachtverblijf. 1.38 kampeerterrein terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht en bedrijfsmatig geëxploiteerd, dat is bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen; 1.39 kap de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°; 1.40 logies Het gedurende een relatief kort tijdsbestek verstrekken van verblijf aan personen, die hun hoofdverblijf elders hebben.

1.41 maatschappelijke voorzieningen sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen; 1.42 openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.43 plan het bestemmingsplan Sluiswachterskade met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002523-1401 van de gemeente 's-Hertogenbosch; 1.44 prostitutie het zich tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander; 1.45 recreatief nachtverblijf Een bouwwerk waarbij het bieden van tijdelijk recreatief onderdak aan mensen centraal staat, niet zijnde een maatschappelijke voorziening. 1.46 seksinrichting een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

71

1.47 tentplaats een plek die kan worden ingenomen door één tent. 1.48 terras afgescheiden plek, met eventuele buitenbar, in de openlucht waar je kunt zitten, uitrusten of iets kunt consumeren. 1.49 verblijfsrecreatie het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste één nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen; 1.50 vloeroppervlakte de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen op de begane grond en de verdieping(en) met inbegrip van beneden peil gelegen bouwdelen;

72

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.3 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4 de hoogte van een dakopbouw: vanaf de afdekking van de bovenste bouwlaag tot aan het hoogste punt van de dakopbouw. 2.5 de hoogte van een kap: vanaf de bovenkant goot, boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot aan het hoogste punt van de kap. 2.6 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk of ingeval dat geen gevelvlakken of scheidingsmuren aanwezig zijn, de oppervlakte vanaf de buitenzijde van het dak neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.8 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen. 2.9 peil: a. voor een hoofdgebouw met aangebouwde bijgebouwen: de hoogte van de kruin van de aan het bouw perceel grenzende weg; b. voor andere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.

73

74

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3

Gemengd

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.

dagrecreatieve voorzieningen; kunst, cultuur en ontspanning; maatschappelijke voorzieningen; sport- en speelvoorzieningen; tuinen, erven en terreinen; volkstuin; ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' tevens voor evenementen, met in achtneming van het gestelde in artikel 3.3.2; h. ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 3' tevens voor een horecabedrijf categorie 3, uitsluitend op de begane grond; i. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' tevens voor kampeerterrein, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'Waardevolle boom' kamperen uitsluitend kan plaatsvinden in tenten geplaatst op een vlonder; j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - stadsstrand uitgesloten' zijn alle dagrecreatieve voorzieningen met uitzondering van een stadsstrand toegestaan; k. ter plaatse van de aanduiding 'terras' tevens voor (overdekt) terras met een buitenbar en toilet; l. ter plaatse van de aanduiding 'Waardevolle boom' tevens voor instandhouding en bescherming van de waardevolle bomenstructuur; m. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals verkeersvoorzieningen, fietsrekken, groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen.

3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen a. voor het bouwen geldt algemeen dat in of op deze gronden uitsluitend voor deze bestemming mag worden gebouwd; b. de gebouwen en overkappingen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd en vallen onder het bebouwingspercentage; c. een bouwwerk dat dient als buitenbar is alleen toegestaan binnen de aanduiding 'terras'; 75

d. de maximale bebouwingspercentages van de bouwvlakken zijn op de verbeelding aangegeven. 3.2.2 Gebouwen a. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels; 1. de maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven; 2. de maximale goothoogte is op de verbeelding aangegeven. b. In afwijking van 3.2.1. onder b zijn ter plaatse van de aanduiding 'Waardevolle boom' gebouwen niet toegestaan. 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt de maximale bouwhoogte 3 meter met dien verstande dat: 1. de maximale bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen vanaf de voet gemeten 1 meter bedraagt; 2. de maximale bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen vanaf de voet gemeten 2 meter bedraagt, mits sprake is van een gaaswerk met begroeiing. b. In afwijking van 3.2.3. onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'Waardevolle boom' bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet toegestaan. 3.2.4 Afwijking bouwregels a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.3 onder b voor het bouwen van een vlonder ten behoeve van het plaatsen van tenten; b.

Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door een gecertificeerd European Tree Technician (of adviseur van vergelijkbare expertise) uitgevoerde bomeneffectanalyse overlegd wordt, waarin de gevolgen voor de (monumentale) waarden van de boom zijn beoordeeld en naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de conditie, levensverwachting en groeiplaats van de ter plaatse aanwezige boom of bomen.

3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Algemeen Als met het plan strijdig gebruik wordt in ieder geval bedoeld het gebruik van de gronden en de daarop voorkomende bouwwerken c.q. gebouwen of delen daarvan ten behoeve van: wonen; horeca categorie 1, 2. 4, 5, 6, 7 en 8; dienstverlening; prostitutie; seksinrichting. 3.3.2 Evenementen Ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' zijn evenementen alleen toegestaan indien: 1. het maximaal aantal bezoekers, dat gelijktijdig aanwezig is, 600 bedraagt; 2. maximaal 12 evenementen per jaar, waarvan maximaal 2 per maand, mogen plaatsvinden, waarvan maximaal 5 geluidsevenementen per jaar waarbij versterkt geluid bepalend is voor de aard van het evenement; 3. een evenement maximaal 1 dag (excl. opbouwen en afbreken) mag duren; 4. bij geluidsevenementen vindt de opstelling van de muziekinstallatie niet onder de brug plaats; 5. bij 5 geluidsevenementen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van van een geluidsgevoelige bestemming niet meer bedraagt dan 60dB(A) en 75 dB(C) (norm voor lage tonen); 6. bij niet-geluidsevenementen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van een geluidsgevoelige bestemming niet meer bedraagt dan 50 dB(A) etmaalwaarde; 7. de eindtijd van muziekactiviteiten op vrijdag en zaterdag (en weekdagen waarop een nationale feestdag volgt) uiterlijk 24:00 uur is en voor de overige dagen uiterlijk 23:00 uur; 8.

bij (de op- en afbouw van) een evenement dient het Ecologisch werkprotocol, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels, in acht te worden genomen; 9. het fietsparkeren in ieder geval op eigen terrein plaatsvindt. 76

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden binnen de aanduiding 'Waardevolle boom', zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: het ophogen en afgraven van gronden; het aanbrengen van verhardingen; het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. b. 1. 2. 3.

Het verbod onder a geldt niet voor werken of werkzaamheden: die het normale onderhoud en beheer betreffen; die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; die mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning.

c. Een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden als bedoeld onder a kan pas worden verleend, nadat een door een gecertificeerd European Tree Technician (of adviseur van vergelijkbare expertise) uitgevoerde bomeneffectanalyse overlegd wordt, waarin de (monumentale) waarden van de boom zijn beoordeeld en naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de conditie, levensverwachting en groeiplaats van de ter plaatse aanwezige boom of bomen.

3.5 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e. f.

een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de situering van het laden en lossen op het perceel.

77

Artikel 4

Verkeer

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.

wegen en wegverkeer; fiets- en voetpaden en langzaam verkeer; verblijfsgebied en verblijf; verkeersvoorzieningen; groen en groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'gemengd' onder de brug tevens voor de functies onder artikel 3.1 aanhef, sub a tot en met f; h. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' onder de brug tevens voor parkeerterrein; i. ter plaatse van de aanduiding 'water' onder de brug tevens voor water; j. ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' tevens voor evenementen, met in achtneming van het gestelde in artikel 4.3.2 k. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals speelvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, nutsvoorzieningen, standplaatsen en terrassen. 4.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13956680/1