CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Bestemmingsplan Graafseweg 294 (toelichting + regels)

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Graafseweg 29421.037 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uit het onderzoek is gebleken dat het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen voor het plan niet doelmatig is. Alleen vanwege het gezoneerd deel van de Graafseweg kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Voor de appartementen, aangegeven in onderstaande afbeelding, zijn aanvullende voorzieningen nodig om aan de eisen te voldoen uit het gemeentelijk geluidbeleid. In het onderzoek gevelwering gevels (bijlage 9) is aangegeven welke maatregelen dienen te worden getroffen. In de regels is opgenomen dat er pas gebouwd mag worden als aangetoond is dat voldaan wordt aan de voorwaarden in de beschikking hogere waarde zoals opgenomen in bijlage 1. bij de regels.

GELUIDSBELASTING T.B.V. GRAAFSEWEG

46

Alle appartementen aangegeven met donkeroranje in de bovenstaande figuur bevinden zich in de geluidklasse ‘zeer onrustig’. De criteria die voor deze appartementen gelden zijn hieronder opgesomd: 1. de buitenruimte van een appartement moet voldoen aan de ambitiewaarde van 53 dB; 2. het appartement moet tenminste over één geluidluwe gevel beschikken; 3. in het kader van de omgevingsvergunning moet een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels plaatsvinden; 4. bij appartementen moet minimaal één verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde (gevel met een geluidsbelasting kleiner of gelijk aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting Wgh) te worden gesitueerd. De appartementen aangegeven met licht oranje bevinden zich in de geluidklasse ‘onrustig’. Ook het appartement op de vierde bouwlaag met toetspunt 27 valt in deze geluidklasse. De criteria die voor deze appartementen gelden zijn hieronder opgesomd: 1. de buitenruimte van een appartement moet voldoen aan de ambitiewaarde van 53 dB; 2. het appartement moet tenminste over één geluidluwe gevel beschikken; 3. in het kader van de omgevingsvergunning moet een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels plaatsvinden. De overige appartementen voldoen aan de ambitiewaarden. Voor deze appartementen zijn geen aanvullen voorwaarden van toepassing.

Maatregelen Ter plaatse van een buitenruimte, waar de geluidsbelasting hoger is dan 53 dB (zie figuur 4.3), is het toepassen van een balkonbeglazing noodzakelijk om aan de ambitiewaarde te voldoen. Tevens moet de onderzijde van het bovengelegen balkon dan wel het plafond van de loggia voorzien worden van geluidabsorptie met ƒ¿w . 0,6 (ter voorkoming van reflecties). Omdat de geluidsbelastingen lager zijn dan de maximaal te ontheffen waarde is het toepassen van een dove gevel niet noodzakelijk. De gevelelementen moeten (in gesloten toestand) voldoende geluidwerend zijn om te voldoen aan een geluidsbelasting van ten hoogste 53 dB. Voor een buitenruimte geldt dat er sprake moet zijn van een sterk geventileerde buitenruimte die qua luchtkwaliteit gelijkwaardig moet zijn aan de buitenlucht. In het kader van de omgevingsvergunning moet dit nader onderzocht worden. Verder is een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels noodzakelijk om aan het binnenniveau conform het Bouwbesluit 2012 te voldoen. Ter plaatse van acht hoekwoningen zijn maatregelen noodzakelijk om een geluidluwe gevel te creeren. Het toepassen van akoestisch glas is noodzakelijk zodat de geluidsbelasting op de achterliggende gevels wordt teruggebracht tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (geluidluw). In figuur 5.1 is dit met rood aangegeven.

Aandachtspunt bij een gesloten buitenruimte is de wettelijk voorgeschreven ventilatie, waaraan voldaan moet worden bij de situatie waarin de gevel tussen de gesloten buitenruimte geluidluw is. Met de te nemen maatregelen beschikken alle appartementen over een geluidluwe gevel. Voor de appartementen dient het akoestisch klimaat in het appartement (het zogenaamde binnenniveau) van maximaal 35 dB voor een verblijfsruimte en 33 dB voor een verblijfsgebied te worden gegarandeerd. Onderzoek geluidwering gevels Gezien de vast te stellen hogere waarden voor het plan kan niet worden volstaan met de standaard te realiseren karakteristieke geluidwering van minimaal 20 dB uit het Bouwbesluit voor nieuwbouwwoningen en dient een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels plaats te vinden. Onderzoeksbureau Econsultancy heeft een Onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd (15572.011 D1, 15 juli 2022) (zie bijlage 9). De berekende karakteristieke geluidweringen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. 47

Voor het verlenen van de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de appartementen gelden, uitgaand van de realisatie van de voorgeschreven (of akoestisch gelijkwaardige) voorzieningen, geen akoestische belemmeringen. Conclusie Vanuit het aspect wegverkeerslawaai dienen voor een deel van de appartementen Hogere waarden te worden vastgesteld. Om dat te kunnen doen dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen om een goed woon- en leefklimaat te kunnen realiseren. De berekende karakteristieke geluidweringen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de appartementen gelden, uitgaand van de realisatie van de voorgeschreven (of akoestisch gelijkwaardige) voorzieningen, geen akoestische belemmeringen. In het onderzoek gevelwering gevels (bijlage 9) is aangegeven welke maatregelen dienen te worden getroffen. In de regels is opgenomen dat er pas gebouwd mag worden als aangetoond is dat voldaan wordt aan de voorwaarden in de beschikking hogere waarde zoals opgenomen in bijlage 1 bij de regels. 5.3.2 Railverkeerslawaai Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. De beoogde ontwikkeling ligt wel/niet in de zone.

Als de ontwikkeling in de zone ligt, is de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel (of bouwvlak als dat groter is) van de woning 55 dB. Er is (onder voorwaarden) een hogere geluidbelasting mogelijk tot 68 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 55 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden: Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding) Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming) Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling) Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor geluidsgevoelige objecten een hogere waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij zulke gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting   

Analyse Binnen het plangebied worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de zone van het spoortraject 's-Hertogenbosch-Nijmegen. Het voorliggend initiatief betreft de realisatie van 45 woningen. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek (bijlage 8) blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de spoorweg voldoet aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB. Conclusie Vanuit het aspect railverkeerslawaai is er geen belemmering voor voorliggend plan.

48

5.3.3 Industrielawaai Geluidszonering Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. Het doel van zo'n geluidszone is tweeledig: Enerzijds worden geluidgevoelige functies (zoals woningen) beschermd tegen een te hoge geluidsbelasting vanwege industrielawaai. De zone vormt als het ware een buffer (ruimtelijke scheiding) tussen industriële activiteiten en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. De keuze van de ligging van de zone is gebaseerd op een afweging tussen de ruimte voor de bedrijven (industrie) en de ruimte voor geluidsgevoelige objecten. De geluidzone zelf vormt hierbij een aandachtsgebied voor geluid, waarin niet zonder meer nieuwe woningen (en andere geluidgevoelige objecten) mogen worden gebouwd. De geluidzone voorkomt hiermee dat woonbebouwing oprukt in de richting van bedrijven. Het andere doel van de geluidzone is het bieden van akoestische ruimte waarover bedrijven op het industrieterrein maximaal kunnen beschikken.

Door het vastleggen van een geluidzone wordt wettelijk akoestische ruimte gecreëerd waarover de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein gezamenlijk maximaal kunnen beschikken zodat dat zij hun activiteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Een ruimtelijke scheiding tussen bedrijven en milieugevoelige bestemmingen vastleggen in het bestemmingsplan biedt daarmee zowel de omgeving (omwonenden) als bedrijven rechtszekerheid over de kwaliteit van het gebruik van hun kavel. De grootte van de zone is afhankelijk van de benodigde of gewenste geluidruimte van het gezoneerde industrieterrein. In het bestemmingsplan moet de zone, die niet kleiner mag zijn dan de 50 dB(A) contour, worden vastgelegd. De geluidzone is daarmee het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de zonegrens (de 50 dB(A) contour). De zone is dus het gebied, behalve het industrieterrein zelf, waarbinnen vanwege dat industrieterrein een geluidsbelasting mag heersen van 50 dB(A) etmaalwaarde of meer. Deze eis is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh) en gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Gevolg hiervan is, dat bij ontwikkelingen op en rond het industrieterrein, rekening wordt gehouden met de geluidzone die om het industrieterrein is gelegen.

Dit geldt zowel bij ruimtelijke plannen, als bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bij meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op woningen of andere in de zone geldt een hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB(A). De geluidbelasting op woningen op een gezoneerd industrieterrein wordt formeel niet getoetst. Dit geldt ook voor andere mogelijk geluidsgevoelige objecten. In het plangebied is vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Analyse geluid omliggende bedrijven In de nabijheid van het plangebied zijn geluidproducerende activiteiten gevestigd: tuincentrum GroenRijk Den Bosch, sportcentrum Sportiom en stadion De Vliert . Door onderzoeksbureau Econsultancy uit Boxmeer is op 14 juli 2022 hiervoor een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (rapport nummer: 15572.008 D3). Het rapport is opgenomen in bijlage 10.

49

Uit het onderzoek volgt dat enkel als gevolg van de activiteiten van stadion De Vliert in de avondperiode de richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie wordt overschreden. De overschrijding treedt op bij woningen aan de zijde van de Aartshertogenlaan. Wel wordt voldaan aan de richtwaarde uit stap 3. Op grond van de gecumuleerde geluidsbelasting, waarin ook de belasting als gevolg van weg- en railverkeer is meegenomen, wordt beargumenteerd dat het toepassen van de richtwaarde uit stap 3 voor het geluid als gevolg van het stadion niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te realiseren appartementen. Conclusie Omdat voor de betreffende woningen in het kader van verkeerslawaai een hogere waarde moet worden vastgesteld, stelt het Bouwbesluit nadere eisen aan de geluidwering van de gevel. Ook bij toepassing van de minimaal vereiste geluidwering volgens het Bouwbesluit wordt in de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd. Het gemeentelijk geluidbeleid voor het vaststellen van een hogere waarde (als gevolg van verkeerslawaai) stelt bovendien eisen aan de geluidwering die verder gaan dan het Bouwbesluit. Conclusie Het aspect geluid vormt een geen belemmering voor voorliggend initiatief indien wordt voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden.

5.4

Trillingen

Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem). Conclusie Voorliggend initiatief wordt op een afstand van meer dan 400 meter van het spoor gerealiseerd.

Dit is voldoende afstand om te kunnen concluderen dat het aspect trillingen geen belemmering vorm voor voorliggend initiatief.

5.5

Verlichting

Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling.

50

Effect plan op omgeving Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat de woningen niet zorgen voor lichthinder naar de omgeving. Bij de plaatsing van de verlichting op het parkeerterrein wordt rekening gehouden met omliggende woningen door de verlichting niet op de omgeving maar naar binnen het plangebied te richten. Er zal ten opzichte van de huidige situatie daarom geen exponentiële toename zijn in de mate van hinder door licht op de directe omgeving. Effect omgeving op plan Het stadion ligt op voldoende afstand om geen lichthinder te veroorzaken bij de te realiseren appartementen aan de Aartshertogenlaan. Ter plaatse van het parkeerterrein van het tuincentrum zijn geen lichtmasten aanwezig welke lichthinder zouden kunnen veroorzaken. Daarnaast zijn tussen het plangebied en het tuincentrum reeds woningen gelegen, waarvoor ook geen lichthinder aanwezig mag zijn. Conclusie Het aspect verlichting vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:   

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

51

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. Toetsing beleidsvisie De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw. De bewoners worden als normaal object gekenmerkd. Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied.

Beperkt/extra/kwetsbare objecten zijn hierin wel/niet/onder voorwaarden toegestaan.

52

Beschouwing risicobronnen Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

UITSNEDE RESICOKAART, D.D. 21-06-2021

De onderstaande risicobronnen zijn aanwezig in de nabijheid van de ontwikkeling: Inrichtingen Op circa 180 meter van het voorgenomen initiatief ligt een inrichting (sportcentrum Sportiom) waar ammoniak wordt uitgestoten. De contour van deze inrichting valt buiten het voorliggende plangebied. Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Transportroutes (weg/spoor) Op circa 405 meter ten noorden van het plangebied ligt de spoor transportroute van 's-Hertogenbosch Nijmegen, die opgenomen is in de Regeling basisnet en daarmee onder het Besluit externe veiligheid transportroutes valt. Conform de Regeling bedraagt de PR-contour (10-6/jr) maximaal 0 meter. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 4000 meter. De werkelijke afstand van het plangebied tot de transportroute bedraagt circa 405 meter. Het plangebied ligt daarmee binnen het GR-invloedsgebied, buiten de meest relevante zone (200 meter) en buiten de PR-contour.

53

Verantwoordingsplicht Op grond van artikel 7 van het Bevt moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor:  

de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s) en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het projectgebied.

Het project omvat geen "bijzonder kwetsbare objecten", bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied van de transportroute(s). Het projectgebied ligt voorts geheel buiten de invloedsgebieden (1%-letaliteitsgebieden) vanwege een calamiteit met brandbare gassen, gemeten 260 meter vanaf de spoorlijn. Er is daarmee sprake van een 'standaard situatie', waarvoor een eenvoudige verantwoording volstaat: a. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet op het bestrijden van effecten in of nabij het projectgebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. b. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het projectgebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) en/of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden.

De nieuwe woningen voldoen aan deze voorwaarden. Advies Veiligheidsregio: In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Deze afspraak is tevens opgenomen in de gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken. Conclusies en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van spoorlijn 's-Hertogenbosch - Nijmegen. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Het plangebied ligt buiten de 325 meter zone. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.7

Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.

54

In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig planvoornemen omvat 45 zelfstandige wooneenheden (woningen) en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied (rekenpunt 15524178 , Graafseweg) onder respectievelijk 21.4 en 19.4 µg/m3 liggen. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 12.1 microgram/m3.

Hiermee wordt ruim voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan. Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8

Bodem

Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Analyse In mei 2021 is de locatie onderzocht door onderzoeksbureau Econsultancy (Rapportage verkennend bodemonderzoek, rap. nr. 15572.001). Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). De bodem bestaat voornamelijk uit matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien plaatselijk zwak humeus. De ondergrond bestaat uit zeer fijn matig siltig zand. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. De gehele rapportage is als bijlage 11 opgenomen.

In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. In de bovengrond is een lichte verontreiniging met kwik aangetoond. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreiniging met kwik in de bovengrond, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie.

55

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Geur

Industriële geur Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van industriële geurhinder. Verdere toetsing aan dit aspect is daarom niet van toepassing. Agrarische geur De gemeente 's-Hertogenbosch heeft in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij op 21 mei 2008 de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente 's-Hertogenbosch 2008' vastgesteld. Daarin is opgenomen dat de voorgrondbelasting binnen het plangebied niet meer mag bedragen dan 3,0 Ou/m³. Daarnaast geldt dat de achtergrondbelasting maximaal 14,0 Ou/m³ mag zijn. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremisssiefactor is vastgesteld dient minimaal 50 meter te bedragen.

Er bevinden zich echter geen veehouderijen in de buurt van onderhavig plangebied. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10

Hoogspanningslijnen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.

De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. 56

Het plan leidt tot het toevoegen van 45 zelfstandige wooneenheden waar personen gedurende langere tijd verblijven. Echter wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 1.100 meter, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.

5.11

Water

Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd. De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan (2017). Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren ook is hierin het hemelwaterbeleid vastgelegd. Dit is gebiedsspecifiek gedaan, kijkend naar de watersystemen en de uitgangspunten per wijk. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater 2017. De doelen van het waterschap Aa en Maas zijn vastgelegd in de Keur (2015).

In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in ’s-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Het uitgangspunt hierbij t.a.v. hemelwater is het verwerken van hemelwater op eigen terrein. De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd. In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Uitgangspunten voor integraal waterbeheer De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:  

Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. infiltratie/bergen 3. afvoer; 4. bovengrondse voorzieningen hebben de voorkeur Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 57

3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Daarnaast zien we water als kans voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan. Onderzoek Het onderzoeksbureau Econsultancy uit Boxmeer heeft een Watertoets uitgevoerd (01-12-2021, rap. nr. 15572.004). Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 14. Afvalwater en hemelwater Huidige situatie     

Het verhardoppervlak is in de huidige situatie circa 2.920 m2. In de huidige situatie wordt het hemelwater afgevoerd via het rioleringsysteem. Het afvalwater wordt afgevoerd via het aanwezige rioleringssysteem. Er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. De gemeten hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied lag tijdens het onderzoek op 320 cm-mv. De grondwaterstand is voldoende laag om een waterberging binnen het plangebied te realiseren.

Toekomstige situatie   

Het verhardoppervlak zal in de toekomstige situatie afnemen met circa 565 m2. tot een oppervlak van circa 2.355 m2. Het afvalwater zal conform de huidige situatie worden afgevoerd via de bestaande rioleringsaansluiting. Het hemelwater wordt losgekoppeld van het rioleringssysteem en opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem via infiltratiekratten. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn.

Grondwater en bodem Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbesschermingsgebied. Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit de uitgevoerde watertoets (zie bijlage 14) blijkt dat de bodem bestaat uit matig ziltig, zeer fijn zand. De waterdoorlatendheid van de bodem is goed waarbij een gevoeligheidsfactor van 1,0 mag worden gehanteerd. Ontwerp nieuw watersysteem Overschotten aan hemelwater worden zo min mogelijk afgewenteld op benedenstrooms gelegen gebieden. Dit betekent dat schoon afstromend hemelwater zoveel mogelijk binnen het plangebied wordt vastgehouden. Voorliggend initiatief betreft de sloop van een kantoorpand en de realisatie van een nieuw appartementencomplex ter plaatse. Op basis van de toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal circa 141 m3 (2.355 m2 x 0,06 m).

58

Groen dak De initiatiefnemer is voornemens om op een deel van het toekomstig dakoppervlak (± 500 m2) een groen mos,- sedumdak aan te leggen. Bij het toepassen van groendaken kan de benodigde bergingscapaciteit worden teruggebracht. Onderzoek heeft aangetoond dat een groendak ongeveer 50% van het regenwater kan opnemen en terug afgeven in de atmosfeer. In de zomer kan dit tot wel 70-90% zijn. Groendaken slaan regenwater op in de planten en het substraat en laten het terugkeren in de atmosfeer door verdamping. De hoeveelheid water die in een groendak opgeslagen kan worden is afhankelijk van de dikte en type van het substraat, type drainage en de gebruikte vegetatie. Wanneer wordt uitgegaan van een extensief groendak kan circa 15 l/m2 water worden geborgen. In totaal kan op het groendak ca. 7,5 m3 water geborgen worden. Ondergronds Binnen de planlocatie is weinig ruimte beschikbaar om hemelwater bovengronds te bergen. Hierdoor zal voor het restant van de wateropgave van 134 m3 (141 m3 – 7,5 m3) gezocht moeten worden naar een ondergrondse voorziening. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd.

Infiltratiekratten Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort, is een alternatief uitgewerkt waarbij het hemelwater wordt geborgen middels infiltratiekratten. Bij de berekening is uitgegaan van de inhoud van de Q-Bic+ Infiltratie unit van Wavin (430 liter). Er is gekozen voor de toepassing van de Q-Bic+ infiltratiekrat omdat deze inspecteerbaar en reinigbaar is. Het gebruik van andere systemen is uiteraard ook mogelijk. Om de wateropgave van 134 m3 met kratten te kunnen bergen zijn in totaal 327 kratten benodigd. Wanneer de kratten niet worden gestapeld, is een minimaal oppervlak benodigd van circa 235 m2 (1,2 m x 0,6 m x 327 st). Deze ruimte is beschikbaar onder de toekomstige parkeerplaatsen Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de waterberging wordt voorzien.

Infiltratiekratten onder een parkeerterrein kunnen goed gecombineerd worden met bovengrondse berging, waarbij de oppervlakte van het parkeerterrein gebruikt wordt om kleine buitjes op te vangen en waarbij de grotere buien worden afgevoerd naar ondergrondse infiltratiekratten. 59

De infiltratiekratten liggen onder de parkeerplaatsen op eigen terrein. Het beheer en onderhoud van de kratten is dan ook in handen van de eigenaar. Calamiteit Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij in een korte tijd 60 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt dan 60 mm kan overtollig water overstorten richting de openbare ruimte. Om een water-op-straat situatie te voorkomen is het mogelijk om de groenstroken langs de Aartshertogenlaan en de Graafseweg verlaagd aan te leggen zodat overtollig hemelwater hierop kan overstorten. In lokale laagten kan dan tijdelijk extra water worden geborgen en infiltreren in de bodem. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende particuliere percelen dient te worden voorkomen. Kwaliteit Algemeen Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Bouwmaterialen De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden.

Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige planlocatie. De emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater dienen in verband met de waterkwaliteit zoveel mogelijk te worden beperkt door bij voorkeur gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Onkruidwerende middelen Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding dient het landelijke beleid gevolgd te worden. Onkruidwerende middelen worden niet meer gebruikt in het openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de DOB-systematiek en dient gezocht te worden naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen. Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd.

Conform het planontwerp zullen er in totaal 45 woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van circa 13,5 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden.

60

5.12

Duurzaamheid

We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Een van de gevolgen van de klimaatverandering is dat hoosbuien steeds vaker voorkomen met een ontwrichtend effect op de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019). Met de vastgestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande vier thema's: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving; 2. CO2-neutrale omgeving (energie); 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit); 4. Duurzame mobiliteit. Conform de visie houdt gemeente 's-Hertogenbosch rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan behoud en toename van vergroening en biodiversiteit van onze omgeving.

Op het gebied van energie (om een CO2-neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om. Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam 's-Hertogenbosch. Ook woningcorporaties hebben ambities ten aanzien van duurzaamheid en energie. Hierover zijn afspraken vastgelegd in het Duurzaamheidsakkoord 2021-2025, de Meerjarige Prestatieafspraken 2021-2025 en de Uitvoeringsagenda 2021. Ten aanzien van dit plan is per thema beschreven op welke wijze hier invulling wordt gegeven: 1. Gezond, groen en klimaatbestendig Het plangebied wordt naast de beoogde woningbouwcontouren en de te realiseren parkeerplaatsen ingericht voornamelijk als groen en als waterbergingsgebied. Met de bomen wordt tevens schaduw gecreëerd wat hittestress kan voorkomen en/of kan verminderen.

Dit alles draagt bij aan een omgeving dat de gezondheidsbeleving van de omwonenden bevordert en het klimaat ten goede komt. Het behoud van bomen en het planten van nieuwe bomen en struiken draagt samen met het bergen van hemelwater bij aan de groene beleving van het gebied en zal tevens zorgdragen voor het bevorderen en/of in stand houden van de biodiversiteit. In de anterieure overeenkomst wordt vastgelegd op welke wijze de gebouwen worden voorzien van nest- en vleermuiskasten (natuurinclusief bouwen). Kortom een plan dat bijdraagt aan de gemeentelijke doelstellingen. Om hittestress te voorkomen als gevolg van veel verstening en asfalt liggen bij (her)ontwikkeling in de bestaande stad kansen voor een klimaatadaptieve inrichting. Vooral het aanleggen van groen en behouden en/of aanplanten van bomen zorgt voor verkoeling. Voor bomen is het belangrijk dat ze voldoende ondergrondse groeiruimte krijgen en altijd van voldoende water zijn voorzien. Voor een klimaatadaptieve inrichting van het plan worden onderstaande maatregelen uitgevoerd:  Behoud van vrijwel alle bestaande bomen en toevoegen van nieuwe bomen en beplanting;  Groene inrichting van de binnentuin;  Aanbrengen van groene daken op de lage daken die zichtbaar zijn voor de directe omgeving;  Afkoppeling van hemelwater en inpassen van infiltratievelden. De mens staat centraal bij de uitvoering van dit plan.

Door het uitvoeren van deze maatregelen zal het plangebied bijdragen aan het welbevinden van de omwonenden. Zowel de bebouwing als de inrichting van het openbaar gebied dragen hier aan bij. 61

2. CO2-neutrale omgeving Energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. De gemeente heeft – naast de visie – ook doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaatneutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en 's-Hertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2045. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2022-2026) stelt dat we als gemeente een serieuze bijdrage leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente. Woningen Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2021 moet nieuwbouw voldoen aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”.

Het bestuursakkoord 2022-2026 zet bij ontwikkelingen in om vooruit te lopen op de landelijke norm (zoals deze zich nu laat aanzien). Dit houdt in dat ontwikkelingen (nieuwbouw) op dit moment meer moeten omvatten dan alleen het voldoen aan de BENG-norm. De ambitie is en blijft een energieneutrale bebouwde omgeving in 2035 en een CO2 neutrale woningvoorraad in 2045. De nieuwbouw aan de Graafseweg gaat uit van minimaal BENG. Bij de nieuwbouw worden ambitieuze energiemaatregelen nagestreefd die verder gaan dan de wettelijke regelgeving die van toepassing is op het moment van de aanvraag omgevingsvergunning. Uitgangspunt blijft het Duurzaamheidsakkoord en de Prestatieafspraken tussen de woningcorporaties en de gemeente. Nieuwe technieken worden waar mogelijk toegepast om een beter energieniveau te behalen. Verschillende ingrepen dragen bij aan de duurzaamheid van het plan:      

De schil van de nieuwbouw (vloer/gevel/dak) wordt goed geïsoleerd; De daken van het complex worden benut voor het aanbrengen van groen (lage daken) en het opwekken van zonne-energie (hoge daken); Er worden warmtepompen toegepast; Om oververhitting te beperken wordt zonwering of zonwerend glas toegepast; In de algemene ruimtes wordt LED-verlichting toegepast; Grondstoffen worden zoveel mogelijk hergebruikt (zie hieronder).

Daarnaast is het streven om te voldoen aan een MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) van 0,4, afhankelijk van de gekozen bouwmethodiek. 3. Waardebehoud van grondstoffen Uitgangspunt is het hergebruik van grondstoffen. Bij de sloop van het bestaande gebouw wordt opdracht verstrekt aan partners onder de voorwaarden dat 75% van het uitkomend materiaal gerecycled in de bouwkolom terugkomt. Er wordt dus niet zomaar gesloopt maar inzet is gericht op demontage en hergebruik, zo mogelijk op dezelfde locatie, in de nieuwbouw. Dit draagt bij aan het waardebehoud van grondstoffen. 4. Duurzame mobiliteit Op de parkeerplaats worden voorzieningen getroffen voor de aanleg van laadpunten voor elektrische auto's. Het fietsparkeren/scootmobielparkeren voor de bewoners wordt inpandig opgelost. Bewoners kunnen hun fiets/scootmobiel stallen in de individuele bergingen binnen het gebouw met electrapunten voor het opladen van fiets of scootmobiel. Nabij de entree van het appartementengebouw en tussen de parkeerplaatsen komen fietsstallingsplekken voor bezoekers.

62

Natuurinclusief bouwen Het planvoornemen voorziet in een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving. De gezonde, groene leefomgeving wordt vormgegeven door de realisatie van een groene inrichting rondom de bebouwing en een gemeenschappelijke, groen ingerichte binnentuin. Voor het vergroten van de biodiversiteit wordt zoveel mogelijk gekozen voor inheemse plantensoorten. De klimaatbestendige leefomgeving wordt vormgegeven door hemelwater te laten infiltreren in de bodem en niet af te voeren richting de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hierdoor wordt verdroging en overbelasting van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (met vervuiling tot gevolg) tegengegaan. Andere specifieke duurzame maatregelen die worden genomen zijn het toepassen van sedumdaken en groene gevels (positief voor waterberging, biodiversiteit, massa) en wordt verder invulling gegeven aan natuur-inclusief bouwen door het realiseren van nestkasten voor broedvogels en vleermuizen en insectenhotels. De beoogde ontwikkeling is getoetst aan de groennorm zoals opgenomen in de Verordening Bomen, Groen en Water 2021 van de gemeente 's-Hertogenbosch. De groennorm bestaat uit een kwantitatieve en kwalitatieve beoordeling. Kwantitatief is de verhouding oppervlakte groen t.o.v. het totale plan/projectgebied. De kwalitatieve beoordeling is gericht op de biodiversiteit en natuur-inclusief bouwen.

Alle maatregelen en voorzieningen resulteren in een ontwikkeling die voldoet aan de gestelde eisen en voorwaarden en past binnen de 'goede ruimtelijke ordening' en wordt voldaan aan de Verordening Bomen, Water en Groen 2021. In het inrichtingsplan wordt bij het maken van het beplantingsplan rekening gehouden met diverse beplantingslagen. Op het terrein wordt gebruik gemaakt van inheems bloemrijk grasland, inheemse heesters als solitair en clusters (schuil- en voedselbosje), inheemse bomen, gemende hagen, sier- en vlinderlokkende vaste planten, siergrassen en bodembedekkers. Daarnaast is gekozen voor biologische vaste planten en planetproof heesters. Bij de soortkeuze van de bomen, heesters en hagen wordt tevens rekening gehouden met inheems plantenmateriaal welke van origine in de omgeving voorkomen. Voor de onderbeplantingen van vaste planten wordt zoveel mogelijk gekozen de combinatie van inheemse beplanting, soorten welke toekomstbestendig zijn en soorten welke dienen als drachtplanten voor bijen en vlinder. Daarnaast worden alle beplantingen bestaande uit bomen, heesters en vaste planten gekozen op nectar- en pollenwaarden.

Conclusie Samengevat wordt met het planvoornemen op verschillende manieren rekening gehouden met duurzame toepassingen en past hiermee binnen de gestelde ambities van de gemeente 's-Hertogenbosch om in 2035 de gebouwde omgeving klimaatneutraal te laten zijn. In de uitwerking van het bouwplan voor de omgevingsvergunning voor het bouwen zal verder worden ingegaan op de verschillende duurzaamheidsaspecten.

5.13

Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist , zie paragraaf 5.14. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). 63

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan deze criteria voldoet het plangebied niet (er komen 45 woningen) dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van de in dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. Er heeft een vormvrije m.e.r-beoordeling plaatsgevonden (bijlage 12). Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Het opstellen van een m.e.r. wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

5.14

Ecologie

Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Door onderzoeksbureau Econsultancy is in april 2021 een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (rap. nr. 15572.005, d.d. 29 april 2021). het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 13. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

De projectlocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Vlijmens Ven, Moer-putten & Bossche Broek, bevindt zich op circa 2 kilometerafstand ten zuidoosten van de onderzoekslocatie Voor dit plan is alleen het effect van stikstofuitstoot op N2000 gebieden tengevolge van dit plan van belang, daarvoor is door Econsultancy in oktober 2023 een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage 16). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. 64

Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Naast de N2000 gebieden moet ook het effect op het Natuurnetwerk Nederland beoordeeld worden. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk (620 meter) en gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Ook aangaande houtopstanden is er geen sprake van mogelijke overtreding van de Wet natuurbescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13429131/1