Bijlage 2 ODBN_Kadernota_2025_1dec23_LR (002)
Tekst van het document
De doorlooptijden voor de specialistische adviezen worden onder de Omgevingswet korter. Het is van belang dat de diverse specialistische disciplines goed op elkaar en op vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn ingespeeld, mede om deze doorlooptijden te kunnen halen. Dit geldt natuurlijk ook voor de samenwerking met de deelnemers en andere partners aan de omgevingstafels en daarbuiten. Ruimtelijke ordening De toenemende inzet van onze specialisten zien we met name terug in het groeiende aantal RO (Ruimtelijke Ordening-)verzoeken. Onze RO-specialisten beoordelen ruimtelijke plannen op zes van de twaalf milieuaspecten, bij wijze van verzoektaak. RO sluit onder de Omgevingswet ook aan op de Omgevingstafel, en wordt gevraagd een bijdrage te leveren aan de zogenoemde ‘QuickScan milieu’, waarmee gemeenten in staat gesteld worden om snel en efficiënt inzicht te krijgen in de samenhang tussen gezondheid en leefomgeving in een bepaald gebied. Richting 2025 zullen we de rol van RO verder analyseren en waar mogelijk professionaliseren.
Ook voor onze specialisten zijn de omgevingsplannen een bron van onzekerheid voor 2025 en de daaropvolgende jaren richting vaststelling in 2031. Enige uniformiteit in de omgevingsplannen is van groot belang voor de uitvoerbaarheid van de plannen. Als ODBN kunnen we adviseren bij de totstandkoming van de omgevingsplannen, waarbij onze inzet wel afhankelijk is van het lopende gesprek over de rol van de ODBN als adviseur. Niettemin is duidelijk dat enige samenwerking en afstemming in de regio onontbeerlijk is om efficiënt te kunnen werken onder de Omgevingswet.
Kadernota 2025
44
Externe veiligheid Ook voor Externe Veiligheid verandert er veel onder de Omgevingswet. Zo wordt vanaf 2024 gewerkt met ‘aandachtsgebieden’ – het brand-, explosie en gifwolksaandachtsgebied - en worden ‘zeer kwetsbare gebouwen’ geïntroduceerd als nieuw begrip. Belangrijke wijzigingen is ook de overgang van het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen en Risicokaar (de ‘RRGS’) naar het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV). Het REV is een centrale database waarin alle milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico worden bijgehouden. Denk hierbij aan de risico's rondom de opslag, het transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Naast de risico’s bevat het REV ook informatie over de kwetsbaarheid van gebouwen en locaties.
Geluid Geluid heeft grote invloed op de kwaliteit van de leefomgeving en speelt dan ook bijna altijd een rol bij nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Onder de Omgevingswet veranderen de regels voor geluid. Zo zijn de regels voor het beheersen van geluid vernieuwd en gelden deze vanaf 2024 voor meer geluidbronsoorten. De meeste direct werkende regels moeten straks in het omgevingsplan komen te staan. Binnen de Omgevingswet krijgt de gemeente veel meer ruimte om zelf te bepalen welke geluidnormen gelden voor bedrijfsmatige activiteiten. Daarnaast verandert de systematiek voor industrieterreinen met een geluidzone en moeten gemeenten de geluidemissie van hun eigen wegen in kaart gaan brengen. We constateren dat bepaalde bedrijven hun vergunningaanvraag uitstellen, omdat ze verwachten dat de geluidsnormen vanaf 2024 voor hen gunstiger zullen uitvallen. Dat is onder de Omgevingswet inderdaad het geval, voor zolang verdere aanscherping van de geluidsnormen in de omgevingsplannen uitblijft. Daarom verwachten we de komende jaren een toename in de ervaren geluidsoverlast, en daarmee een stijging in het aantal meldingen en handhavingsverzoeken. Het is een effect dat we nu nog niet kunnen kwantificeren, maar die invloed zal hebben op onze werkvoorraad, ook in 2025.
Mede gelet op het voorgaande is het ook voor geluid zaak om regionaal afstemming te zoeken over het verankeren van geluid in de omgevingsplannen.
Onder meer door de wijzigingen in wat aangemerkt wordt als een risicobron, de komst van nieuwe milieubelastende activiteiten en de toevoeging van het begrip ‘zeer kwetsbare gebouwen’ is de overgang van de RRGS naar de REV bepaald geen kwestie van kopiëren en plakken. Het ‘vullen’ van het REV met data over risicovolle activiteiten binnen onze regio is een omvangrijke opdracht. Het streven is om deze voor 2025 af te ronden. Tegelijkertijd is externe veiligheid één van de specialismes waarbinnen het voorzien in voldoende capaciteit een grote uitdaging is, voor zowel ons als voor onze partners. Daarom is niet uit te sluiten dat deze taak in 2025 door zal lopen. Ook voor wat betreft de externe veiligheid hebben gemeenten enige beleidsruimte binnen de omgevingsplannen. Vanuit de ODBN is het initiatief opgestart om regionaal af te stemmen op het gebied van het ‘programma externe veiligheid’. Het is ten behoeve van de uitvoerbaarheid, maar ook gelet op de beperkte beschikbare inhoudelijke kennis in onze regio wenselijk dat zoveel mogelijk deelnemers aansluiten op dit regionale initiatief. Lucht en Geur Op het gebied van het specialisme ‘lucht’ blijven de oude parameters onder de Omgevingswet goeddeels overeind. Ook voor lucht geldt dat de wijzigingen pas verwacht worden met de vaststelling van de omgevingsplannen.
Gemeenten krijgen meer ruimte om strengere waarden voor de luchtkwaliteit op te leggen, maar we verwachten niet dat veel gemeenten van deze mogelijkheid gebruik zullen maken. Waar we op het gebied van lucht weinig ontwikkelingen verwachten in de loop naar 2025, voorzien we op het gebied van geurhinder wel de nodige veranderingen. Veel van onze deelnemers kijken naar ons als het gaat om het geurbeleid. Of en in welke vorm wij daar een bijdrage aan zullen leveren is onderdeel van een bredere discussie over de rol van de ODBN.
Effecten 2025 en verder W e verwachten een verdere toename in de inzet van onze specialisten, ook gelet op de groeiende behoefte aan onze expertise gelet op de afnemende kennis en capaciteit bij onze deelnemers. D e omgevingsplannen zijn voor onze specialisten een grote bron van onzekerheid, die vraagt om regionale afstemming, afhankelijk van de uitkomsten van de lopende discussie over de adviesrol van de ODBN
Kadernota 2025
45
46
3.6 Bodemtaken Voor bouwen en verbouwen is veelal een vergunning en bodemonderzoek nodig. De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) geeft advies aan gemeenten en provincie over bijvoorbeeld de afgifte van vergunningen en bodemonderzoek. Ook houdt de ODBN toezicht op de naleving van de regels. Bodem onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 gaat een groot gedeelte van de bevoegdheid die nu bij de Provincie ligt voor de Wet bodembescherming (Wbb) over naar de gemeenten. De gemeenten zijn dan de primaire beheerder van de bodemkwaliteit voor hun grondgebied. Het gemeentelijke bodemtakenpakket wordt dus aanmerkelijk groter met de komst van de Omgevingswet. Alle provinciale bodemtaken komen bij de gemeenten te liggen. Reeds beschikte en lopende saneringen blijven onder de bevoegdheid van de Provincie. Toezicht en handhaving bij saneringen is onder de Omgevingswet een basistaak. De vergunningverlening onder de Wet bodembescherming is een verzoektaak. Net als voor zoveel onderwerpen geldt dat de omgevingsplannen een belangrijke rol gaan spelen bij de uitvoering van de bodemtaken. Gemeenten moeten lokale keuzes maken voor het bodembeleid. Het Rijk stelt afhankelijk van het bodemgebruik omgevingswaarden vast.
Binnen deze waarden krijgen gemeenten bestuurlijke afwegingsruimte of bijvoorbeeld sanering nodig is afhankelijk van het bodemgebruik, of wanneer een bodemonderzoek vereist is bij bouwen en bestemmen. We constateren dat er nog maar bij een beperkt aantal deelnemers voldoende bodemkennis is. Voor de basistaken zorgt de ODBN dat die goed geborgd worden binnen onze organisatie. De deelnemers moeten zelf afwegen of ze de verzoektaken zelf gaan uitvoeren of aan de ODBN willen uitbesteden. Het gebrek aan inhoudelijke bodemexpertise bij onze deelnemers benadrukt het belang dat onze bodemkennis betrokken wordt bij het vaststellen van de omgevingsplannen. Komend jaar moet duidelijk worden hoe dit eruit gaat komen te zien richting 2025. Richtlijn voor bodemmonitoring en veerkracht In juli 2023 is een voorstel voor de Europese Richtlijn voor bodemmonitoring en veerkracht gepubliceerd, als onderdeel van de EU-bodemstrategie. Het doel richtlijn is het bereiken en behouden van gezonde bodems in 2050. Lidstaten zouden volgens de richtlijn zogenoemde ‘bodemdistricten’ moeten aanwijzen waar de staat van de bodem gemonitord wordt op onder andere verzilting, chemische verontreiniging en de nutriëntensamenstelling. Op dit moment zijn de exacte consequenties en de haalbaarheid van de richtlijn nog onbekend.
Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt samen met andere ministeries, het IPO, de VNG, UvW en een groep experts aan de Nederlandse positiebepaling.
Effecten 2025 en verder W e verwachten dat onze deelnemers meer bodemverzoektaken bij ons zullen willen beleggen als gevolg van de nieuw gevraagde bodemkennis bij de gemeenten. W e zijn voor de uitvoering van de bodemtaken gedeeltelijk afhankelijk van de omgevingsplannen. We adviseren deelnemers om gebruik te maken van onze kennis en oog te houden voor de uitvoerbaarheid van de bodemplannen. W e volgen de ontwikkelingen op het gebied van de EU-Bodemstrategie.
3.7 Asbest en bouwtaken De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) beoordeelt namens de gemeenten in de regio de sloopmeldingen en de asbestinventarisatierapporten en ziet toe op de uitvoering van de asbestverwijdering. Onder de Omgevingswet zijn de regelingen voor asbest aangepast. Belangrijk voor de ODBN is dat we vanaf 2024 verantwoordelijk zijn voor de volledige afhandeling van sloopmeldingen met asbest voor al onze gemeentelijke deelnemers. Het taakveld gaat daarmee ingrijpend veranderen. De verwijdering van puin en staal komen er als taakgebieden bij en ook circulariteit zal naar verwachting een steeds grotere rol gaan spelen. We verwachten in 2024 een overgangsperiode waarin gemeenten deze taken geleidelijk aan ons zullen overdragen. In 2025 zullen we echter klaar moeten voor het uitvoeren van deze taken. We zullen komend jaar meer capaciteit moeten inrichten om onze asbest- en slooptaken uit te voeren in 2025.
Effecten 2025 en verder W e verwachten een toename in de werkvoorraad als gevolg van de verantwoordelijkheid voor de volledige afhandeling van asbestgerelateerde sloopmeldingen onder de Omgevingswet. I n 2025 zullen we klaar moeten zijn voor de uitvoering voor onze asbest- en slooptaken
3.8 Natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa en de bescherming van planten, dieren, bossen en andere houtopstanden. De ODBN verzorgt namens de provincie Noord-Brabant de vergunningverlening en de ontheffingen op het gebied van de Wnb. Daarnaast wordt ook de gemeentelijke opgave op het onderdeel natuur steeds meer ingevuld door de ODBN. De opdracht staat in grote mate onder invloed van de ontwikkelingen binnen het stikstofdossier. Het groeiende belang van natuur heeft consequenties voor de rol van de ODBN. Dit zien we onder andere terug bij de toenemende vraag vanuit onze deelnemers naar ondersteuning voor het toepassen en uitvoeren van de Wet natuurbescherming. Kadernota 2025
47
3.9 Mobiliteit
48
49
Per 1 januari 2024 wordt de nieuwe Registratieverplichting Werkgebonden Personenmobiliteit (RWP) van kracht. Vanaf dat moment zijn organisaties met 100 of meer werknemers en alle publieke rechtspersonen zoals gemeenten, provincies en ministeries, verplicht te rapporteren over het zakelijke verkeer en het woon-werkverkeer. De verplichting komt voort uit afspraken in het Klimaatakkoord om de CO2 uitstoot van werkgebonden personenverkeer in 2030 met 1Mton te verminderen. Het toezicht op de naleving van deze taak wordt als basistaak gelegd bij omgevingsdiensten. Omdat 2024 het eerste jaar is waarin organisatie moeten rapporteren over het zakelijke en woonwerkverkeer, start toezicht en handhaving in 2025. In een nog op te stellen handhavingsprotocol moet duidelijk worden in hoeverre Omgevingsdiensten deze rapportages ook inhoudelijk moeten worden beoordelen en welke capaciteit nodig is voor de uitvoering van deze taak. Op basis van deze protocol zal de ODBN dit intern gaan inkleden zodat er ook op een juiste manier gecontroleerd wordt.
Waar de VTH-uitvoering onder de Omgevingswet verschuift van ‘nee-tenzij’ naar ‘ja, mits’, gaat dit niet op voor het onderdeel Natuur. Hier gaat de Omgevingswet nog nadrukkelijk uit van het beschermen van de fysieke leefomgeving, boven het mogelijk maken van allerhande ontwikkelingen. Dat gaat echter niet altijd goed samen met maatschappelijke ontwikkelingen zoals isolatie en renovatie van gebouwen in verband met de klimaatopgave en de woningbouwopgave.
In 2026 evalueert het ministerie van IenW de CO2-reductie die in 2024 en 2025 is behaald. Als de organisaties op koers liggen om het doel van het Klimaatakkoord te halen, blijft het bij rapporteren. Als dat niet het geval is, kan vanaf 2027 een nieuwe wettelijke norm worden ingesteld waarmee slimmer en zuiniger reizen wordt afgedwongen.
Effecten 2025 en verder D e ODBN start in 2025 met toezicht en handhaving op de nieuwe registratieverplichting;
Hierbij kunnen verblijfplaatsen van beschermde diersoorten worden aangetast. Voor een dergelijke ontwikkeling is een ontheffing nodig. Bij dergelijke dossiers zorgt de ODBN voor een goede belangenafweging, zonder de bescherming van soorten uit het oog te verliezen. Het Rijk heeft de afgelopen jaren de maatschappelijke betrokkenheid bij het belang van natuurbehoud gestimuleerd. De rol van natuurbescherming aan de omgevingstafels is op dit moment nog onduidelijk. Zoals gezegd gaat de Wnb nog altijd uit van ‘nee-tenzij’-wetgeving. De vraag is hoe dit zich verhoudt tot de omgevingstafels, die in beginsel bedoeld zijn om ontwikkelingen wél mogelijk te maken. In 2024 zal moeten blijken hoe dit gaat uitpakken, waarna we in 2025 de rol van de Wnb aan de omgevingstafel kunnen stroomlijnen en harmoniseren met de andere taakgebieden van de ODBN.
Effecten 2025 en verder D e ODBN houdt zijn deelnemers op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de Wnb. W e monitoren nauwgezet hoe de toepassing van de Wnb zicht verhoudt tot de Omgevingswet die er in beginsel op geënt is om ontwikkelingen wél mogelijk te maken.
Kadernota 2025
50
Kop Ontwikkelingen in de III BIJLAGE Bedrijfsvoering Dit programma gaat over de bedrijfsvoering van de ODBN. Alle ontwikkelingen die de bedrijfsvoering van de ODBN raken worden in dit programma vermeld.
51
4
Kadernota 2024
52
4 Ontwikkelingen in de Bedrijfsvoering
Effecten 2025 en verder Op dit moment kent deze ontwikkeling nog geen direct effect op de begroting. Wel zien we dat de declarabiliteit daarmee onder druk staat, mede als gevolg van het zelf moeten inwerken en opleiden van nieuwe medewerkers.
4.2 CAO-ontwikkelingen Op het moment van verschijnen van deze Kadernota 2025 wordt er nog onderhandeld over de CAO voor 2024. Onze verwachting is dat de onderhandelingen nog enige tijd in beslag zullen nemen aangezien het totale bod van de werkgeversorganisaties en de eisen van de vakbonden ver uit elkaar liggen. Omdat er nog geen nieuwe CAO voor 2024 of 2025 bekend is, gaan we, conform bestaand beleid, uit van de cijfers die het CPB presenteert in de Macro Economische Verkenningen (MEV) van augustus 2023. In deze MEV heeft het CPB cijfers gepresenteerd tot en met jaarschijf 2028. De jaarschijf 2024 laat op dit moment een indexering zien van 6,5% voor de loonvoet van de overheid. In de begroting 2024 hebben wij een indexering van 3,3% opgenomen. Deze indexering voor de jaarschijf 2024 zullen we in de berekening van het tarief 2025 aanpassen. Voor het jaar 2025 is in de MEV een loonindexering van 5,3% opgenomen, deze wordt in de Kadernota 2025 gebruikt.
4.1 Arbeidsmarkt We kampen al enkele jaren met een krappe arbeidsmarkt. Uit diverse studies blijkt dat dit voorlopig zo blijft, zo niet toe gaat nemen. Het groeiende aantal taken die bij ons belegd worden, maakt de uitdaging steeds groter. Naast de vervangingsvraag moeten we ook deze groei zien op te vangen. Deze ontwikkelingen vragen om innovatieve oplossingen. In ons voordeel spreekt de maatschappelijke relevantie van onze organisatie. Steeds meer nieuwe collega’s noemen dat specifiek als argument om te kiezen voor de ODBN als werkgever. Het is dan ook een pijler in onze arbeidsmarktbenadering. In het kader van het InterBestuurlijk Programma Versterking VTH (IBP-VTH) wordt gewerkt aan een centraal opleidingsprogramma, landelijke bekendheid als kolom en een uniforme aanpak voor de arbeidsmarktbenadering. Wij zullen daarbij aansluiten en hopen daar in 2025 een groter bereik mee te realiseren. Daarnaast blijven we inzetten op verdere digitalisering en uniforme werkwijzen en werkafspraken om maximale efficiency te bereiken. Dit alles sluit niet uit dat er vaker keuzes gemaakt moeten gaan worden wat wel en niet opgepakt kan worden. We zijn er tot op heden redelijk in geslaagd onze personele capaciteit te laten groeien. Dit heeft echter wel gevolgen voor de productiviteit die bij nieuwe medewerkers in aanvang nu eenmaal wat lager ligt.
Het inwerken en opleiden van nieuwe medewerkers heeft ook grenzen voor de ervaren medewerkers. Een gezonde balans van ervaren medewerkers en junior medewerkers is belangrijk voor de productiviteit, kennisoverdracht en de belasting van de ervaren medewerkers in hun rol als mentor.
Effecten 2025 en verder De effecten van een nieuwe CAO 2024 zijn nog niet bekend. Dat betekent dat het gepresenteerde tarief in deze kadernota waarschijnlijk nog zal wijzigen.
4.3 Prijsontwikkeling In de Kadernota 2024 hebben we gesignaleerd dat de kosten voor levensonderhoud flink zouden gaan stijgen. Dit heeft zijn effect gehad op de Cao-onderhandelingen voor 2023, maar ook op de bedrijfsvoering van de ODBN. Onze leveranciers hebben aangegeven dat ze de prijzen moeten verhogen. Indexeringen van ruim 7% tot 12% waren hierbij geen uitzondering. Ook voor de prijsstijgingen hebben we, conform bestaand beleid, de MEV aangehouden. In de nieuwe MEV zijn voor de jaarschijven van 2023 en 2024 lagere indexeringen opgenomen dan waar wij vanuit zijn gegaan in de Begroting 2024. Deze bijstellingen zullen we in de berekening van het tarief 2025 verwerken. Voor het jaar 2025 is in de MEV een prijsindexering van 2% opgenomen, deze wordt in de Kadernota 2025 gebruikt.
Effecten 2025 en verder De Macro Economische Verkenning is op het onderdeel prijs verwerkt in het tarief.
Kadernota 2025
53
54
55
4.4 overige financiële ontwikkelingen Budget bedrijfsvoering Tijdens de 2e Burap van 2023 hebben we geadresseerd dat als gevolg van een toenemende begrotingsomvang, de dekking voor de overhead evenredig toeneemt. De feitelijke groei aan lasten binnen de overhead doen zich echter meer schoksgewijs voor. Gedurende een bepaalde fase kan de groei binnen de bestaande structuur, huisvesting en ondersteunende diensten worden opgevangen. Dan dient zich een moment aan waarop de groei alleen nog opgevangen kan worden met relatief grote investeringen, bijvoorbeeld een nieuwe managementlaag of uitbereiding van huisvesting. Dat is nu (nog) niet aan de orde. Daardoor ontstaat er structureel enige begrotingsruimte. In aanloop naar de begroting 2025 wordt onderzocht welke maatregelen getroffen kunnen worden om het gemiddeld uurtarief minder te laten stijgen en de structurele ruimte hiervoor in te zetten. De resultaten van dit onderzoek zullen in de begrotingsvoorstellen worden meegenomen.
belang is daarbij wel dat ook in de toekomst dit budget ingezet wordt voor innovatie en moet worden voorkomen dat er, door druk op de deelnemersbijdragen, verdringing plaatsvindt door claims op het budget collectieve taken. Investeringen Vooralsnog zijn er geen grote aanbestedingstrajecten te verwachten die effect hebben op de begroting 2025. Het enige wat aanbesteed dient te worden is de opdracht tot het leveren, installeren en onderhouden van printapparatuur. Dit zal echter nauwelijks financiële impact hebben.
Effecten 2025 en verder Geen financieel effect voor 2025 en verder.
Innovatiebudget/collectieve taken Uit de eerste inventarisatie door het IBP-VTH is gebleken dat de ODBN in basis voldoet aan de robuustheidscriteria. Op het gebied van de beschikbare innovatiemiddelen voldoet de ODBN maar net. Willen we hieraan blijven voldoen kan het zijn dat bij een verdere groei van de omzet ook het innovatiebudget een extra impuls vraagt. Bij de eerste inventarisatie is het budget collectieve taken meegerekend bij het bepalen van het innovatiebudget en dus de robuustheidsbeoordeling. Van
Kadernota 2025
56
Kop Financiële impact Kadernota 2025
57
2 5
Kadernota 2024
58
5 Financiële impact Kadernota 2025
Lasten
In dit hoofdstuk vatten we samen wat de verwachte financiële impact is van de geschetste ontwikkelingen. Daarnaast worden de voor de begroting 2025 te hanteren financiële kaders en uitgangspunten beschreven en toegelicht.
Bij de lasten dient rekening te worden gehouden met de volgende uitgangspunten: ➜ De ramingen voor loon- en prijsstijgingen voor het jaar 2025 zijn gebaseerd op de verwachtingen van het CPB voor de jaarschijf 2025. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de cijferreeksen die gepubliceerd zijn bij de Macro Economische Verkenning van augustus 2023. Dit omdat deze cijferreeksen bij de publicatie van september 2023 door het CPB niet zijn opgenomen. ➜ De gebruikte indexeringen in deze kadernota 2025 zijn:
5.1 Algemeen In deze Kadernota stellen we voor om het gemiddelde tarief te verhogen naar € 121,16. In dit tarief zijn de aanpassingen van loon- en prijsindexeringen voor de jaarschijven 2023 en 2024 al verwerkt. Hierbij plaatsen we wel de kanttekening dat de effecten van een definitieve CAO 2024 op dit moment zeer lastig te voorspellen zijn. In het uurtarief is voor 2024 rekening gehouden met de indexering van de lonen op basis van de cijfers uit de Macro Economische Verkenningen van het CPB (6,5%). Deze indexering ligt tussen het actuele bod van de werkgeversorganisaties en de eis van de bonden in. Het is dus nog onduidelijk wat de definitieve indexering voor 2024 zal zijn. Als laatste een opmerking over de bijdragen per deelnemer voor het programma Individuele dienstverlening. Deze kunnen nog veranderen als gevolg van aanpassingen in de benodigde ureninzet vanuit het werkprogramma.
5.2 Financieel-technische uitgangspunten De financieel-technische uitgangspunten voor de begroting 2025 zijn: ➜ De begroting 2025 voldoet aan het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). ➜ De begroting 2025 inclusief meerjarenperspectief is structureel sluitend. ➜ De begroting 2025 gaat uit van het bestaand actueel beleid, rekening houdend met de financiële effecten die betrekking hebben op de beleidsontwikkelingen zoals opgenomen in deze nota. ➜ Bij de ramingen van de meerjarenbegroting 2025-2028 wordt uitgegaan van constante prijzen.
59
KOSTENONT WIKKELING
INDEX
WAS IN BEGROTING 2024
2023
Cf Cao
Cf Cao
2024
6,5%
3,3%
2025
5,3%
-
PRIJZEN
3,8%
2023
4,8%
5,9%
2024
3,5%
5,9%
2025
2,0%
-
LONEN
KOSTENONT WIKKELING
INDEX
➜ De benodigde formatieomvang is gebaseerd op de gemeentelijke werkprogramma’s, de provinciale opdracht, aanvullende opdrachten en regionale programma’s tezamen (“de urenraming”). Deze uren worden omgerekend naar een totale benodigde formatie voor primair proces en overhead. ➜ De benodigde inzet van medewerkers die de werkprogramma’s en provinciale opdracht gaan uitvoeren is gebaseerd op gemiddeld 1.301,6 declarabele uren per fte in het primaire proces. ➜ De lasten passen binnen bestaande Kpi’s. ➜ KPI’s ODBN (als bedrijf )
Baten De ramingen voor de inkomsten in de begroting 2025 worden gebaseerd op: ➜ Voor gemeenten: De concept-werkprogramma’s 2025; ➜ Voor provincie: De vastgestelde provinciale opdracht 2024; ➜ De vastgestelde begroting 2024. ➜ Het tarief uit deze kadernota is het vertrekpunt voor de begroting 2025. Als er concrete aanleiding is om het tarief/ de tarieven aan te passen, zullen wij dit voorleggen in besluitvorming over de begroting.
Kadernota 2025
5.3 Tarief
KPI'S ODBN (ALS BEDRIJF)
60 KPI’S
NORM 2025
BEGROTING 2024
TOELICHTING
1
Productiviteit
1.392 uur per fte op jaarbasis
Niet vastgesteld
§ Declarabiliteit
Declarabiliteit2
1.302 uur per fte op jaarbasis
1.302 uur per fte op jaarbasis
§ Declarabiliteit
€ 121,16
€ 112,60
§ Tariefontwikkeling
Ziekteverzuim
5.5%
5.5%
§ HRM - ziekteverzuim
Formatie overhead
23%
23%
§ Formatieomvang
Aandeel kosten overhead personeel
25%
25%
§ Formatieomvang
Aandeel kosten overhead totaal
34%-36%
37,6%
§ Tariefontwikkeling
Weerstandsratio3
0,75-1,5
1,1
§ Weerstandsvermogen
Flexschil
20%
Max. 20%
§ Formatieomvang
Gemiddeld uurtarief
Productiviteit zijn alle uren die we maken in het kader van het bijdragen aan een veilige en duurzame samenleving.
1
Dit betreffen zowel declarabele uren als uren die niet direct toe te wijzen zijn aan een opdrachtgever. 2
1.302 uur per FTE afhankelijk van de CAO onderhandeling voor 2024.
3
We streven naar een weerstandsratio van 1.
61
Loonstijging Bij het opstellen van de Kadernota 2025 zijn de definitieve prijsstijging en de cao-afspraken voor 2024 én het begrotingsjaar van de Kadernota nog niet bekend. In de Kadernota gaan wij daarom uit van de voorspellingen van het Centraal Planbureau op basis van de Macro Economische Verkenning. In deze verkenning van het CPB wordt voor de overheid uitgegaan van een loonvoet van 6,5% ipv 3,3% voor het jaar 2024 (+ € 3,19) en 5,3% (+€ 5,63) voor 2025. Deze indexeringen zijn gebruikt voor de jaarschijven 2024 en 2025. Op het tarief heeft dit een totaal stijgend effect van € 8,82.
Prijsstijging Voor de prijsstijging gaan we ook uit van de gegevens van de Macro Economische Verkenning. Hierin wordt uitgegaan van een prijsstijging van 4,8% voor 2023 (-/- € 0,19), 3,5% voor 2024 (-/- € 0,44) en 2,0% voor 2025 (€ 0,37). Ook deze indexering is in deze Kadernota vertaald en leidt tot een daling van het gemiddelde tarief met € 0,26.
Schematische weergave tarief In het schema hieronder zijn alle genoemde ontwikkelingen die effect hebben op het tarief getoond. Het vastgestelde tarief in de begroting 2024 is € 112,60. EFFECT TARIEF IN EURO'S VASTGESTELDE TARIEF BEGROTING 2024
112,60
Aanpassing indexering prijs 2023, van 5,9% naar 4,8% cf MEV
0,19 -/-
Aanpassing loonindex 2024 van 3,3% naar 6,5% cf MEV
3,19
Aanpassing indexering prijs 2024, van 5,9% naar 3,5% cf MEV
0,44 -/-
TARIEF 2024 NA HERIJKING
115,16
Indexering loon 2025 met 5,3% cf MEV
5,63
Indexering prijs 2025 met 2,0% cf MEV
0,37
TARIEF 2025
121,16
* Deze aanpassing is op basis van de MEV. Het bod van de werkgeversorganisaties ligt hoger dan het indexeringspercentage van 3,3%. Naar verwachting gaat dit dan dus ook niet voldoende zijn om alle effecten uit de cao-onderhandelingen op te vangen. * H et loongevoelige component bedraagt 85% van de totale kosten. Hierdoor betreft de gewogen
loonindexering over 2025 4,5% * H et prijsgevoelige component bedraagt 15% van de totale kosten. Hierdoor betreft de gewogen prijsindexering over 2025 0,3%
Kadernota 2025
Vragen over de Kadernota 2025? Neem gerust contact op met de ODBN
www.odbn.nl Victorialaan 1 5213 JG ‘s-Hertogenbosch Telefoon: 088 7430 000 E-mail: info@odbn.nl