CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 ODBN_Kadernota_2025_1dec23_LR (002)

Gemeenteraad 5 maart 2024, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Zienswijze kadernota 2025 Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN)13.272 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Samen werken aan de leefomgeving

Kadernota 2025

's-Hertogenbosch, november 2023

’s-Hertogenbosch, november 2021

2

Voorwoord

3

Beste lezer, De ODBN werkt aan een schone, duurzame en veilige leefomgeving. Daarbij houden we ons bezig met een breed en divers pallet aan thema’s, waaronder stikstof, energie, industrie en natuur. De thema’s waar de ODBN aan werkt zijn zeer dynamisch. We zien dat burgers ook steeds meer betrokken zijn bij hun leefomgeving. Ons werk is daarmee maatschappelijk zeer actueel. De dynamiek op onze thema’s vraagt om een flexibele organisatie die weet in te spelen op het sterk veranderende werkveld. Onze jaarlijks op te leveren kadernota – waarin we nader ingaan op de ontwikkelingen die ons werk zullen gaan raken – is daar een belangrijk onderdeel van. Het omgevingsstelsel is sterk in beweging. Het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH en diverse juridische, maatschappelijke en beleidsmatige ontwikkelingen leggen de rol en taken van de omgevingsdiensten onder een vergrootglas. Ook staan we aan de vooravond van een enorme wetswijziging met de komst van de Omgevingswet op 1 januari 2024. In 2025 zullen we een jaar gewerkt hebben met de wet, maar we hebben niet de illusie dat we dan volledig ‘uitontwikkeld’ zullen zijn. We merken dat de komst van de Omgevingswet en met name de aanloop naar de omgevingsplannen de discussie voedt over de rol van de omgevingsdiensten – vooral op het gebied van beleidsmatige advisering – die zich traditioneel als uitvoeringsdiensten positioneren.

Wij zullen de komende jaren in nauwe afstemming met onze deelnemers onderzoeken welke consequenties het werken onder de Omgevingswet en andere ontwikkelingen heeft voor onze rol, taken en middelen als omgevingsdienst. De Omgevingswet decentraliseert veel taken ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Tegelijkertijd zien we dat steeds meer vraagstukken vragen om centrale regie. Thema’s als de kwaliteit van de Nederlandse wateren en de stikstofcrisis vragen om landelijke visie en besluitvorming. We merken dat het daaraan ontbreekt, waardoor wij in de uitvoering tegen problemen aanlopen. Veel dossiers wachten al jaren op een concrete oplossing. Ondertussen zorgen juridische uitspraken over ons wettelijk kader ervoor dat een deel van onze vergunningverlening stil is komen te liggen. Oplossingen vanuit het Rijk laten te lang op zich wachten. We hebben als omgevingsdiensten de plicht om een stevig signaal af te geven richting het Rijk. Dat doen we via Omgevingsdienst NL, onze overkoepelende vereniging. Gelet op de huidige beleidsmatige inertie verwachten we echter nog geen landelijke oplossingen in 2025. De diverse juridische, beleidsmatige en maatschappelijke veranderingen maken ons werk bijzonder dynamisch. We kunnen dan ook niet stil blijven zitten.

We zoeken meer dan ooit de samenwerking met onze deelnemers en partners, investeren in onze medewerkers – ons belangrijkste kapitaal – en onderzoeken de diverse mogelijkheden om ons werk slimmer in te richten. Dit doen we bijvoorbeeld door gebruik te maken van technologische innovaties, meer risico- en informatiegestuurd te werken en door robotisering van eenvoudige taken.

Meer dan ooit benadrukken we het belang van samenwerking in onze regio, ook vanwege de toegenomen complexiteit van ons werkveld en gelet op de krapte op de arbeidsmarkt. De ODBN draagt actief bij aan het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH. Ook versterken we onze banden met onze regionale partners, waaronder de waterschappen, de veiligheidsregio, de politie en het OM. We hechten vooral ook aan de nauwe samenwerking en afstemming met onze deelnemers. Het werken onder de Omgevingswet gaat nogal wat vragen van onze regio. Daarom is het van cruciaal belang dat we elkaar goed weten te vinden, transparant en eerlijk zijn naar elkaar en elkaar waar mogelijk ondersteunen. We hebben elkaar nodig om de grote ontwikkelingen in goede banen te leiden. De trend waarin we elkaar steeds beter weten te vinden gaan we voortzetten, ook in 2025

Jan Lenssen Directeur Omgevingsdienst Brabant Noord November 2023

Kadernota 2025

4

Inhoud

5

Voorwoord

2

Inleiding

6

1

Omgevingsdiensten in Transitie

10

2

Ontwikkelingen in de Regionale Dienstverlening

18

2.1

Werken onder de Omgevingswet

21

2.2

Informatiegestuurd Werken

22

2.3

Agrarisch/Transitie zorgvuldige veehouderij

24

2.4

Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS)

25

2.5

Energie

26

2.6

Water

27

2.7

Circulaire Economie en Afval

28

2.8

Stikstof

29

2.9

Samen Sterk in Brabant (SSiB)

30

2.10

Ontwikkelingen binnen de Milieuklachtencentrale (MKC)

31

3

4.

5

Ontwikkelingen in de Individuele Dienstverlening

32

3.1

Uitvoering VTH-taken

34

3.2

Vergunningverlening

37

3.3

Toezicht

39

3.4

Handhaving

40

3.5

Specialistische dienstverlening

42

3.6

Bodemtaken

46

3.7

Asbest en bouwtaken

47

3.8

Natuurbescherming

47

3.9

Mobiliteit

49

Ontwikkelingen in de Bedrijfsvoering

52

4.1

Arbeidsmarkt

52

4.2

CAO-ontwikkelingen

53

4.3

Prijsontwikkeling

53

4.4

overige financiële ontwikkelingen

54

Financiële impact Kadernota 2025

56

5.1

Algemeen

58

5.2

Financieel-technische uitgangspunten

58

5.3

Tarief

61

Kadernota 2025

6

Inleiding

7

De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) is een gemeenschappelijke regeling van 11 overheden: 10 gemeenten in Noordoost-Brabant en de provincie Noord-Brabant (onze deelnemers). Samen dragen we een gedeelde verantwoordelijkheid voor een schone, duurzame en veilige leefomgeving voor mensen, dieren en planten. Als verlengstuk van het lokale en provinciale bestuur voert de ODBN een deel van de wettelijke overheidstaken op dit gebied uit.

Oss

's-Hertogenbosch

SintMichielsgestel

Boxtel

Als ODBN zijn we primair een uitvoeringsorganisatie van VTH-taken. We streven naar continue verbetering van de kwaliteit en investeren in de deskundigheid van onze medewerkers, ons belangrijkste kapitaal. Naast de uitvoering van VTH-taken adviseren wij steeds meer over de effecten van beleid in de praktijk. Door ons werk zien we wat er in de leefomgeving gebeurt. Ook Brabantbreed en landelijk dragen we onze expertise uit en staat onze leefomgeving in Brabant Noord centraal. Kortom onze ambitie is:

“De ODBN is dé deskundige uitvoerder op het terrein van vergunningverlening, Bernheze

Vught

met kennis van zaken adviseren. De ODBN richt zich op samenwerking; binnen de eigen organisatie, met gemeenten, de Provincie en andere relevante organisaties. Gemeenten en de Provincie voelen zich als eigenaar en als opdrachtgever betrokken. Dat is onze visie.

Meierijstad

Maashorst

toezicht en handhaving. Vanuit onze kennis van de praktijk adviseren wij over milieu Land van Cuijk

en natuur en de uitvoerbaarheid en effecten van beleid.“

Boekel

Bij de ODBN werken uitvoeringsexperts op het gebied van vergunningen, toezicht, handhaving en diverse specialismen zoals geluid, bodem, asbest, natuur, omgevingsveiligheid, luchtkwaliteit, geur en mest. De ODBN heeft op de genoemde terreinen een adviserende taak en werkt aan innovatie en ontwikkeling. De taak rondom de groene wetten voert de ODBN voor heel Brabant uit. Vanuit het kantoor in ’s-Hertogenbosch werken meer dan 300 collega's dagelijks aan een schone, duurzame en veilige leefomgeving, nu en in de toekomst. Dat is onze missie. Onze leefomgeving is divers en een actueel thema voor elke inwoner en ondernemer. Als deskundige uitvoeringsorganisatie signaleren en agenderen we de voortdurende veranderingen in onze leefomgeving. Dit betekent doorlopende ontwikkeling en vernieuwing van ons werk. Onze deskundige medewerkers op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) werken binnen de kaders van de wetten van milieu, natuurbescherming, bouwen en wonen. Zo kunnen we de gemeenten in Noordoost-Brabant en de provincie Noord-Brabant professioneel en

Kadernota 2025

8

Over de Kadernota 2025

In onze jaarlijkse kadernota informeren wij u over ontwikkelingen die wij signaleren in ons werk en in onze (leef )omgeving. De effecten van deze ontwikkelingen – voor zowel de taakuitvoering als voor onze financiën – brengen we zoveel mogelijk in kaart. De Kadernota 2025 en de reactie van onze deelnemers daarop zijn van groot belang voor het vormgeven van de Begroting 2025 en de meerjarenraming 2025-2027. De daadwerkelijke inzet voor 2025 wordt geraamd in de werkprogramma's en de provinciale opdracht. De kadernota is een product van de inhoudelijke kennis en expertise van de (medewerkers van de) ODBN. De kadernota is afgestemd met de deelnemers in het Regionaal Strategisch Platform en de groep ‘adoptie-ambtenaren’. Deze laatste groep is samengesteld uit ambtenaren van verschillende deelnemers die de planning- en controlecyclus het hele jaar volgen en hun advies daarover uitbrengen. Niet alle ontwikkelingen worden benoemd in deze kadernota, slechts de meest belangrijke. Daar waar mogelijk, en voor de ODBN relevant, koppelen we de ontwikkelingen aan onze taakuitvoering en maken we onderscheid tussen ontwikkelingen die invloed hebben op onze basistaken en op de verzoektaken. De uitvoering van het basistakenpakket is wettelijk belegd bij de omgevingsdiensten.

De verzoektaken kennen ook een wettelijke grondslag – in die zin dat ook deze taken uitgevoerd moeten worden – maar onze deelnemers kunnen ervoor kiezen deze taken zelf uit te voeren of bij de ODBN te beleggen. De ODBN voert dergelijke taken uit op voorwaarde van voldoende massa.

9

Planning & Control-cyclus De P&C-cyclus van de ODBN kent drie programma’s die leidend zijn voor de indeling van de diverse P&C-documenten (de kadernota, begroting, de bestuursrapportages en het jaarverslag). Het betreft de volgende programma’s: 1.

2.

3.

Regionale Dienstverlening en collectieve taken: Dit programma gaat over de taken die de ODBN voor de regio uitvoert, zoals de collectieve taken en Samen Sterk in Brabant (SSiB). Hierin worden de overkoepelende thema’s beschreven die op diverse punten in deze begroting zijn effect gaan vinden. Denk bijvoorbeeld aan de thema’s als Omgevingswet en het stikstofdossier. Individuele dienstverlening: dit programma gaat over de wettelijke basistaken die de deelnemers bij de ODBN hebben belegd en over de verzoektaken die we specifiek in opdracht van individuele deelnemers uitvoeren. Hierin zijn ook de aanvullende verzoektaken ondergebracht die buiten het werkprogramma vallen. Bedrijfsvoering

Deze indeling houden we ook aan voor de Kadernota 2025. Anders dan voorgaande jaren openen we echter met beschouwing van enkele grote ontwikkelingen in het omgevingsstelsel. We zien dat de omgevingsdiensten zich in een transitiefase bevinden. Daar nemen wij u graag in mee.

Kadernota 2025

10

Omgevingsdiensten in Transitie In dit hoofdstuk behandelen we enkele grote ontwikkelingen die illustratief zijn voor veranderingen in het omgevingsstelsel. Het betreft ontwikkelingen met een lange aanloop, die bovendien in 2025 nog lang niet ‘klaar’ of

‘uitontwikkeld’ zijn. Ze maken echter duidelijk dat we voor een aantal belangrijke keuzes staan, met grote gevolgen voor ons werk.

11

1

Kadernota 2025

12

1 Omgevingsdiensten in Transitie

Het omgevingsstelsel bevindt zich in een cruciale fase. Verschillende juridische, maatschappelijke en politiek-bestuurlijke ontwikkelingen hebben grote invloed op de wijze waarop wij onze taken uitvoeren. Onder andere de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt, de onzekerheid rond de Omgevingswet, diverse rechterlijke uitspraken en belangrijke stelselwijzigingen maken dat we anders gaan kijken naar onze rol als omgevingsdienst. Europese wetgeving en doelstellingen Veel van het werk van de omgevingsdiensten wordt beïnvloed of ingegeven door Europese wetgeving. Zo hebben we in Brabant-Noord 21 Natura 2000-gebieden, die onder de beschermende regels vallen van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Daarnaast hebben we onder andere te maken met de Nitraatrichtlijn – die het gebruik van stikstof in de landbouw reguleert om watervervuiling van oppervlaktewater en grondwater te voorkomen – en de Kaderrichtlijn Water, opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De Europese ambities op het gebied van natuur, het klimaat en het milieu zijn groot en worden steeds groter, getuige ook de ontwikkelingen op het Europese Green Deal: het programma waarmee men ernaar streeft om van Europa in 2050 het eerste klimaat-neutrale continent te maken. De Green Deal omvat een breed pakket aan maatregelen om de doelstellingen uit het programma te behalen.

Zo is recent een Europees akkoord bereikt voor de Europese Natuurherstelwet. Met deze wet wordt beoogd de natuur te herstellen en biodiversiteitsverlies tegen te gaan.

Voorstanders van een strengere Natuurherstelwet stellen dat deze afgezwakte versie niet ver genoeg gaat gelet op de slechte staat van de Europese natuur, maar tegenstanders vrezen nog altijd voor een herhaling van de stikstofcrisis, gelet op de inspanningsverplichting uit de Natuurherstelwet.

13

Als omgevingsdienst staan we voor onze leefomgeving en daarom onderschrijven wij het belang van een effectief milieu- en natuurbeleid. We zien echter ook dat het in de uitvoering nogal eens knelt. In Nederland staan we voor de ingewikkelde taak om natuur- en milieubelangen te verenigen met economische en maatschappelijke belangen zoals onze agrarische sector en de woningbouwopgave. Alles komt samen op een relatief klein stukje grond, en precies daar wringt de schoen. De Nederlandse opgave Nederland is een klein en dichtbevolkt land, wat het ingewikkeld maakt om diverse ontwikkelingen in onze leefomgeving te realiseren, zonder diezelfde leefomgeving te schaden. We hebben een grote woningbouwopgave, willen onze positie als tweede grootste exporteur van landbouwgoederen handhaven en ook andere economische ontwikkelingen proberen we zo min mogelijk in de weg zitten. Het wordt echter steeds moeilijker om economische belangen te verenigen met natuur- en milieubelangen. Het is slecht gesteld met de Nederlandse natuur, de waterkwaliteit is de slechtste van alle EU-lidstaten en de biodiversiteit loopt extreem snel terug. De omgevingsdiensten bevinden zich aan het einde van de uitvoeringsketen. Onze invloed is beperkt en we hebben ons te verhouden tot het wettelijke kader. Tegelijkertijd merken wij het meteen wanneer het misgaat.

Bijvoorbeeld omdat onze vergunningverlening vastloopt of omdat onze handhavers in het buitengebied de natuur achteruit zien gaan. We staan voor een grote opgave als het gaat om de bescherming van onze natuur en onze leefomgeving. De situatie vraagt om duidelijke keuzes over de inrichting en het gebruik van onze leefomgeving. Er is veel behoefte aan centrale regie vanuit het Rijk, maar we constateren dat belangrijke besluiten steeds vooruitgeschoven worden. Niet voor niets spreekt het Planbureau voor de Leefomgeving zich uit tegen het uitstelgedrag van de nationale overheid. Het is wachten tot de wal het schip keert, zoals reeds het geval in de huidige stikstofcrisis. Via Omgevingsdienst NL geven we een signaal af richting het Rijk. Zo hebben we recent een position paper voorbereid over agrarische vergunningverlening ten behoeve van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van de Tweede Kamer, waarin onze directeur Jan Lenssen namens Omgevingsdienst NL onder andere pleitte voor het maken van concrete keuzes. Gelet op de huidige ontwikkelingen verwachten we echter niet dat in 2025 een volledig antwoord is gevonden op de grote opgaves zoals de waterkwaliteit, de stikstofcrisis en de woningbouwopgave.

Kadernota 2025

14

Rechterlijke uitspraken Het uitblijven van overheidshandelen zien we ook terug bij verschillende rechterlijke uitspraken. Steeds vaker spreekt de rechter zich uit over het gevoerde overheidsbeleid. Burgers die zich zorgen maken over hun leefomgeving en diverse belangenorganisaties weten de weg naar de rechter dan ook steeds beter te vinden. Er is al jaren een scherpe toename zichtbaar van het aantal zaken waarbij burgers het Europese natuurrecht via de rechter proberen af te dwingen. Of het nu gaat om geurnormen – die volgens de rechter te ruim zijn opgezet om omwonenden te beschermen – of om rechtszaken van omwonenden die zich zorgen maken om de uitstoot van lokale bedrijven, het gaat steeds om dezelfde trend: burgers of belangenorganisaties menen dat de overheid onvoldoende doet om hen of de natuur te beschermen en maken de stap naar de rechter. En daar vinden zij niet zelden gehoor. Het huidige VTH-instrumentarium is ontoereikend gelet op voorgaande ontwikkelingen. Het louter volgen van de nationale wetgeving blijkt steeds vaker onvoldoende. Ons werk wordt meer en meer bepaald door jurisprudentie, in plaats van wetgeving en beleid. We kunnen niet altijd meer uitgaan van middelvoorschriften, terwijl ons rechtssysteem daar wel op is ingericht.

De voorschriften vertegenwoordigen soms een papieren werkelijkheid, terwijl we als omgevingsdienst willen staan voor de effecten in de praktijk. Dat is immers onderdeel van onze vastgestelde ambitie. Meten is weten? We willen daadwerkelijk weten wat buiten gebeurt. Een mogelijke oplossing is om meer te gaan meten en monitoren. Dat is wel makkelijker gezegd dan gedaan. Het feitelijk meten vraagt om fundamentele veranderingen in ons systeem. Het vraagt ook om zeer specialistische kennis en expertise, die we niet zomaar in huis hebben. Landelijk is de OMWB de enige dienst met een eigen

specialistisch meetteam met de benodigde meetapparatuur. Overigens is het ook belangrijk om altijd te realiseren dat meten geen panacee is. We lossen er niet alles mee op en moeten ervoor waken dat we de papierenwerkelijkheid niet vervangen met een cijfermatige schijnwerkelijkheid. De traditionele rol en taak van de omgevingsdiensten staat onder druk. Als uitvoeringsdienst hebben we beperkte invloed op het systeem. Door in gesprek te gaan met onze deelnemers en door onze positie uit te dragen via ODNL of door deelname aan de dialoog over stelselwijzigingen – zoals binnen het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH (IBP) – proberen wij onze bescheiden invloed toch zo effectief mogelijk aan te wenden. De Omgevingswet Een beschouwing van juridische ontwikkelingen met invloed op ons werk is niet compleet zonder de Omgevingswet. Op 1 januari 2024 zal de Omgevingswet in werking treden, waarmee een einde komt aan een lange periode van voorbereidingen en uitstel. De invoering van de Omgevingswet gaat gepaard met grote onzekerheden. Het is een wet die decentraliseert in een tijd waar behoefte is aan centrale regie. Daarnaast is de Omgevingswet geframed bedoeld om ontwikkelingen zo veel mogelijk in te passen, in een fase waarin onze speelruimte ernstig beknot wordt door de huidige staat van de natuur.

In de praktijk zal moeten blijken of de doelstellingen van de Omgevingswet echt haalbaar zijn. De Kadernota 2025 gaat natuurlijk over 2025. Het is echter te kort door de bocht om te stellen dat de overgang naar het nieuwe wettelijke stelsel ons in 2025 niet meer bezig zal houden. 2024 wordt het jaar waarin we de eerste ervaring opdoen met de Omgevingswet, het jaar waarin wij met elkaar de eerste fouten maken, de eerste jurisprudentie wordt opgebouwd en we gezamenlijk steeds meer zicht krijgen op hoe de wetswijziging in de praktijk uitpakt. Vervolgens is het zaak om de uitvoering in 2025 en verder te bestendigen en te professionaliseren.

Kadernota 2025

15

16

De ontwikkelingen in relatie tot de personeelskrapte De rol van de ODBN verandert, of het nu gaat om advisering of het werken onder de Omgevingswet. Bij een andere rol horen andere competenties. Tegelijkertijd moeten we constateren dat de krapte op de arbeidsmarkt ons nog altijd parten speelt. Het is ook voor de ODBN een doorlopende uitdaging om medewerkers aan te trekken met specialistische kennis. Het inwerken en opleiden van nieuwe medewerkers vraagt veel van onze capaciteit en zorgt voor hogere kosten en een hogere werkdruk. Ook is het lang niet altijd mogelijk om nieuwe medewerkers zelf op te leiden, zeker wanneer het gaat om zeer specialistische taken waarvoor ook veel specialiste kennis vereist is. De krapte op de arbeidsmarkt maakt de roep om samenwerking alleen maar sterker. We doen er goed aan om onze krachten in de regio waar mogelijk te bundelen, al was het maar om niet te veel in dezelfde opdrogende vijver te vissen. Ook zullen we meer moeten gaan prioriteren, en nagaan hoe de groeiende en veranderende vraag vanuit onze deelnemers – waaronder de mogelijke adviesrol van de ODBN – zich verhoudt tot ons personeelsbestand. In hoofdstuk 4 gaan we nader in op de bedrijfsvoeringsconsequenties van de krapte op de arbeidsmarkt.

We zien dat binnen onze regio behoefte is aan samenwerking en afstemming op het gebied van de Omgevingswet, en dan met name in relatie tot de omgevingsplannen. Het ontbreekt vooralsnog echter aan een partij die de regie op zich neemt. Voor de omgevingsdiensten is het belangrijk dat de deelnemers voldoende oog hebben voor de uitvoerbaarheid. Zij kunnen daarbij gebruik maken van onze kennis en expertise, maar hoe en in welke vorm we afstemming realiseren is onderdeel van een lopende discussie, die gaat over de rol van de ODBN als adviseur. De ODBN als adviseur De ODBN is een uitvoeringsdienst. De beleidskeuzes worden gemaakt door onze deelnemers. Tegelijkertijd moeten we vaststellen dat wij veel expertise in huis hebben als het gaat om onze leefomgeving. Door de krapte op de arbeidsmarkt zien we dat het voor onze deelnemers moeilijker is alle benodigde kennis in huis te hebben en te houden, iets waar wij zelf overigens ook mee te maken hebben. We merken dat onze deelnemers steeds vaker van ons vragen om onze adviesrol uit te breiden. Wij zien daar het belang van in, maar zijn ook niet blind voor de bezwaren. Beleid hoort bij onze deelnemers en de mate waarin wij kunnen voorzien in een adviesrol is ook afhankelijk van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en of hier een aanvullende financiering voor kan worden gevonden.

We verwachten dat de discussie over de adviesrol van de ODBN in 2024 nog steviger gevoerd zal worden. Het is zaak met elkaar te verkennen hoe deze rol eruit zou moeten komen te zien en uiteraard ook wat deze dan mag kosten, ook gegeven de verwachte korting op het Gemeentefonds. Uiterlijk 2025 willen we uitsluitsel hebben over de wijze waarop de ODBN deze rol kan invullen.

Kadernota 2025

17

18

Ontwikkelingen in de regionale dienstverlening

19

2

Kadernota 2024

20

2. Ontwikkelingen in de Regionale Dienstverlening

Inhoud programma De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) voert het programma Regionale Dienstverlening en Collectieve Ontwikkelingen uit. Hierin zijn werkzaamheden opgenomen die worden uitgevoerd voor het collectief aan deelnemers. Daarnaast vallen ook thema’s die raken aan de inhoudelijke doorontwikkeling van de VTH-taken en specialistische taken onder dit programma. Het gaat onder andere over onderwerpen zoals het Ontwikkelprogramma 2025, Samen Sterk in Brabant (SSiB) en de klachtenregeling. Een belangrijk onderdeel van de Regionale Dienstverlening is het jaarlijks op te stellen Ontwikkelprogramma. In het Ontwikkelprogramma bundelen we de meerjarige ontwikkelopgaven van de ODBN. Het Ontwikkelprogramma 2025 wordt opgesteld op basis van deze Kadernota, de begroting en de op dat moment actuele ontwikkelingen. Het Ontwikkelprogramma richt zich op productinnovatie en -ontwikkeling, kwaliteitsverbetering en het efficiënter uitvoeren van de primaire taken. Het programma en de daaruit volgende projecten vormen daarmee een vliegwiel voor noodzakelijke ontwikkelingen op het programma Individuele Dienstverlening.

2.1 Werken onder de Omgevingswet

21

In 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Dat betekent echter niet dat we in 2025 ‘klaar’ zijn met het implementeren van de Omgevingswet. Op een aantal onderdelen van de Omgevingswet geldt dat we hier voor het eerst ervaring mee opdoen, waarna we de werkwijze in 2025 verder kunnen bestendigen en professionaliseren. Andere onderdelen vragen echter ook in 2025 nog om nadere invulling: Omgevingsvisie: gemeenten zijn verplicht om voor 1 januari 2027 een omgevingsvisie vast te stellen. In de omgevingsvisie legt een gemeente de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving vast, voor de lange termijn. De omgevingsvisie geldt voor het gehele grondgebied en beschouwt ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed in samenhang. De omgevingsvisie is vormvrij, de gemeenteraad bepaalt het detailniveau, en is bedoeld om richting te geven aan het verder uit te werken beleid. De ODBN kan vanuit haar expertise mogelijk een adviserende rol spelen bij het vaststellen van de Omgevingsvisie, maar dat is onderdeel van de bredere discussie over de adviseursrol van de ODBN en de bijbehorende capaciteitsvraag. Omgevingsplan: gemeenten moeten hun omgevingsplannen op 1 januari 2032 gereed hebben. Het omgevingsplan bevat de algemene regels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving.

De gemeente legt vast hoe zij haar leefgebied wil ontwikkelen en beschermen. Alle gemeenten hebben daarbij de ruimte voor een eigen afweging van verschillende belangen in de leefomgeving. Als ODBN hebben we veel belang bij de uitvoerbaarheid van de omgevingsplannen. Ook voor de omgevingsplannen geldt dat de ODBN vanuit haar expertise een inhoudelijke bijdrage kan leveren. Hoe en in welke vorm we deze bijdrage organiseren is onderdeel van een lopende verkenning met onze deelnemers. Voor andere activiteiten onder de Omgevingswet – zoals de omgevingstafels, het werken met het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), en het uitwerken van de milieubelastende activiteiten (MBA’s) – geldt dat we deze verder zullen uitwerken, nadat we hier in 2024 voor het eerst ervaring mee hebben opgedaan. 2024 valt wat dat betreft te beschouwen als een pioniersjaar, waarin we de eerste ervaring opdoen met het werken onder het nieuwe wettelijk regime, onvermijdelijk fouten maken en veel zullen leren. Goede samenwerking is onontbeerlijk om de overgang naar de Omgevingswet zo soepel mogelijk te laten verlopen. Dat geldt voor 2024, maar ook voor de daaropvolgende jaren, waarbij in 2025 in elk geval helder moet zijn hoe de ODBN zijn adviesrol kan invullen als het gaat over Omgevingsvisies en Omgevingsplannen.

Kadernota 2025

22

23

Effecten 2025 en verder   Na het pioniersjaar 2024 is 2025 een jaar waarin we onze werkwijzen onder de Omgevingswet verder bestendigen.   We verwachten dat in 2024 en 2025 veel jurisprudentie opgebouwd zal worden rond de Omgevingswet, zeker voor wat betreft de zorgplicht en diffuse termen als ‘significante ongewone voorvallen’ en ‘voldoende bescherming’.   We verwachten dat de omgevingsplannen en zeker de omgevingsvisie vanaf 2025 een grote rol gaan spelen. Als ODBN kunnen we vanuit onze expertise adviseren over deze plannen. Het gesprek over de vorm en benodigde capaciteit moet in 2024 plaatsvinden.

2.2 Informatiegestuurd Werken Als deskundig uitvoerder van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) is de ODBN verantwoordelijk voor lokale en landelijke doelstellingen op het gebied van milieu, klimaat en energie en verzamelen wij op deze gebieden veel data. Deze data, gecombineerd met externe databronnen, kan gebruikt worden om risico’s te identificeren en prioriteren. Zo kunnen wij als ODBN steeds beter risicogericht en efficiënter gaan werken. De ODBN heeft grote ambities ten aanzien van het informatiegestuurd werken, dat de basis moet vormen voor onze VTH-taken, maar ook voor onze bedrijfsvoering. Daartoe hanteren we enkele focuspunten:

➜ Het verbeteren van onze datakwaliteit: de verbetering van datakwaliteit is een belangrijk aandachtspunten voor alle omgevingsdiensten, blijkens ook de doelstellingen van het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH en het jaarlijkse rapport ‘Omgevingsdiensten in Beeld ’. Door te zorgen voor betrouwbare en bruikbare data leggen we een solide basis om informatiegestuurd werken verder in te bedden in onze organisatie. Het is belangrijk blijvend te investeren in technologieën en processen om de datakwaliteit te verhogen en slimme combinaties te maken met andere (externe) databronnen. ➜ Het (door)ontwikkelen van bestaande dataproducten: De producten maken het gebruik van data tastbaar en creëren waarde voor de ODBN, opdrachtgevers en samenwerkingspartners. Denk hierbij aan hernieuwde inzichten voor het management, middelen om het VTH-proces efficiënter uit te voeren en het ontdekken van nieuwe verbanden die risicoprioritering kunnen aanscherpen. ➜ Het versterken van de data-cultuur: Medewerkers worden zich meer bewust van het belang van data en gebruiken actief data(producten) bij het uitvoeren van hun werk. Het gebruik van dataproducten en de bewustwording van de opbrengsten van data, zal een positieve impact hebben op datakwaliteit en stimuleert ook verdere innovatie op het gebied van data.

Het landschap op het gebied van data, privacy maar ook kunstmatige intelligentie is enorm in beweging. De innovaties volgen elkaar in rap tempo op en hebben veel invloed op hoe wij naar data kijken en vergroten onze mogelijkheden. Nieuwe technologie gaat natuurlijk ook gepaard met de nodige risico’s. Het is belangrijk dat we oog houden voor wat we wel en vooral ook niet kunnen of mogen doen met data. Daarom willen we als organisatie flexibel en adaptief zijn, zodat we kunnen inspelen op nieuwe eisen en uitdagingen.

Kadernota 2025

24

stalsystemen. Procedures komen stil te liggen of moeten worden geweigerd omdat extern salderen vooralsnog niet meer mogelijk is. De ODBN focust zich voornamelijk op de uitvoeringsconsequenties van het (veranderende) beleid, zodat de VTH-taken kwalitatief hoogwaardig en efficiënt uitgevoerd kunnen worden. Volgens de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant moeten verouderde stallen op 1 juli 2024 (dit was eerder 1 januari 2024) voldoen aan de daarin opgenomen emissie-eisen. We zien inmiddels een stevige toename in het aantal vergunningsaanvragen, maar nog niet de piek in die men zou verwachten gegeven de omvang van de veehouderijsector in ons werkgebied.

Effecten 2025 en verder   Als ODBN blijven we actief betrokken bij de ontwikkelingen en analyseren deze om de impact op onze uitvoering in kaart te brengen.   We zoeken Brabantbreed de samenwerking, onder meer in het recent opgerichte Agrarisch Platform Brabant waarmee we onze krachten in Brabant hebben gebundeld.

2.4 Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS)

Effecten 2025 en verder   In 2025 hebben we onze datakwaliteit van een belangrijke impuls voorzien. Datakwaliteit is echter een doorlopende ontwikkeling, waar we ook in 2025 en de daaropvolgende jaren aan zullen blijven werken.   Door de (door)ontwikkeling van diverse dataproducten en de versterking van de datacultuur in onze organisatie verwachten we in 2025 doelmatiger en doeltreffender te kunnen werken.   We spelen in op veranderingen op het gebied van data, privacy en AI en zorgen ervoor dat we voldoen aan de huidige en toekomstige wettelijke kaders op dat gebied.

2.3 Agrarisch/Transitie zorgvuldige veehouderij De transitie naar een zorgvuldige veehouderij is een belangrijk onderwerp in Brabant, maar wordt helaas nog altijd gekenmerkt door grote onzekerheid. De uitwerking van Europese richtlijnen, landelijk en provinciaal beleid en diverse rechterlijke uitspraken hebben allemaal grote invloed op de transitie. We volgen de ontwikkelingen binnen de veehouderij en aanpalende onderwerpen – zoals stikstof – nauwgezet, maar het is eigenlijk ondoenlijk om concrete uitspraken te doen over 2025. Het stikstofdossier is zeer volatiel. Het ontbreekt aan landelijke visie voor de lange termijn en mede daarom wordt onze uitvoering steeds vaker bepaald door jurisprudentie in plaats van beleid. Dat zien we bijvoorbeeld rond uitspraken van de rechter rond het functioneren van emissiearme

Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn stoffen die zijn aangemerkt als zeer schadelijk voor het milieu en de (volks)gezondheid. Het zijn stoffen die niet of nauwelijks afbreekbaar zijn in het milieu, die kankerverwekkend kunnen zijn en zich ophopen in onze leefomgeving. Zowel op Europees als op landelijk niveau hebben gevaarlijke stoffen die risico's opleveren voor mens en milieu de afgelopen jaren veel aandacht gekregen. Het streven is om deze stoffen in de toekomst uit de leefomgeving te weren en zo emissies naar lucht, water en bodem te voorkomen. Omgevingsdiensten voeren controle uit op de stoffen die opgeslagen en uitgestoten worden door bedrijven. Echter, ZZS vraagt om specialistische kennis die versnipperd is over verschillende overheidsinstanties. Het is voor omgevingsdiensten dan ook zeer lastig om toezicht en handhaving uit te voeren op deze stoffen. Samen met partijen als de OMWB, ODZOB, Rijkswaterstaat, drinkwaterbedrijven en de waterschappen werkt de ODBN in 2025 verder aan haar aanpak voor de bronaanpak van ZZS-stoffen.

Effecten 2025 en verder   Vanuit het Interbestuurlijke Programma VTH is het kennisnetwerk ZZS opgezet. Onze samenwerking met de OMWB, ODZOB, de waterschappen en het RIVM zorgt voor een gefundeerd kennisnetwerk van vergunningverleners en toezichthouders die kennis en ervaring met elkaar uitwisselen. In 2025 evalueren we deze samenwerking.

Kadernota 2025

25

26

2.5 Energie De toenemende urgentie van klimaatbeleid, de vraagstukken rond de beschikbaarheid en betaalbaarheid van energie en de stelselwijziging naar de Omgevingswet, hebben geleid tot veel wetswijzigingen in 2023 en 2024. Energietoezicht is een basistaak geworden en in het verlengde daarvan ontvangen Omgevingsdiensten voor de periode 2022 tot en met 2026 een specifieke uitkering voor toezicht en handhaving energie (SPUK-THE). Voor 2025 worden geen nieuwe grote wijzigingen verwacht die effect hebben op de VTH-taken voor energie. De aandacht gaat vooral uit naar het verder doorontwikkelen van de organisatie (kennis en capaciteit) en informatiegestuurd werken (IGW). Dat zal doorwerken in zowel de toezichtmethoden als de verdeling van middelen. Gemeenten zijn de regisseurs van de lokale energie- en warmtetransitie en hebben daarin een grote opgave. De rol van de omgevingsdienst concentreert zich nu nog vooral op bovengenoemde wettelijke verplichtingen voor energiebesparing bij bedrijven, maar de energietransitie raakt de taken van de Omgevingsdienst op meer punten. Denk aan vergunningverlening van winden zonneparken, het aardgasvrij maken van bedrijven en bedrijventerreinen, het stimuleren van energiebesparing bij bedrijven, veiligheidsaspecten rond buurtaccu's en waterstof of geluidaspecten van warmtepompen en windturbines.

De komende jaren wordt op al deze terreinen een forse ontwikkeling verwacht. Om de ODBN goed voor te bereiden op de vragen die gaan komen en inzicht te krijgen in de bijdrage die de ODBN (met kennis en informatie) kan leveren, is het belangrijk tijdig in gesprek te raken over de ontwikkelingen die gemeenten als de regisseurs van de lokale energie- en warmtetransitie voor de komende jaren voorzien.

Effecten 2025 en verde   Voor 2025 verwachten we geen grote wijzigingen met effect voor de VTH-taken energie.   We gaan in gesprek met onze deelnemers als regisseurs van de lokale energie- en warmtetransitie over de bijdrage van de ODBN aan deze transitie.

2.6 Water Steeds meer nadruk komt te liggen op schoon en veilig (drink)water. Zowel de hoeveelheid water als de kwaliteit van water in onze regio staat onder druk. Dat geldt voor heel Nederland. We hebben de slechtste waterkwaliteit van alle EU-lidstaten, waarbij slechts 1% van onze wateren het predicaat ‘goed’ krijgt. De industrie draagt hieraan bij door het lozen van schadelijke stoffen op riolering en oppervlaktewater. Daarnaast zien we ook steeds sterker de negatieve effecten van (kunst)mest op het milieu en de natuur. Door indirecte lozingen komen gevaarlijke stoffen terecht in rioleringen. Dit water moet worden gezuiverd door de rioolwaterzuiveringsinstallaties van de waterschappen. Er is echter gebleken dat een aantal stoffen niet of nauwelijks gezuiverd kan worden en daarmee achterblijft in het oppervlaktewater. Het controleren op deze indirecte lozingen is een van de taken waar we als omgevingsdienst voor aan de lat staan. Zowel onze deelnemers als de waterschappen hebben baat bij goede afstemming bij de vergunning van en controle op deze lozingen. Samen met de waterschappen werken we al enkele jaren aan het verbeteren van onze dienstverlening op het gebied van indirecte lozingen.

Kadernota 2025

27

28

29

Effecten 2025 en verder  In 2025 werken we actief samen met de waterschappen bij de controle van indirecte lozingen, delen we digitaal informatie met elkaar over de locatie van deze lozingen en komen we structureel bij elkaar tijdens kennisnetwerkdagen om ervaringen uit te wisselen en kennis te delen.   We evalueren de samenwerkingsafspraken tussen de waterschappen en ODBN om deze aan te scherpen of waar nodig bij te stellen.

2.7 Circulaire Economie en Afval Circulaire economie is een onderwerp dat steeds belangrijker wordt. In een circulaire economie worden spullen die nu nog als afval worden gezien, hergebruikt. Zo hebben we minder of geen nieuwe grondstoffen uit de aarde nodig. De EU streeft naar een complete circulaire Europese economie in 2050. Daarvoor is een EU-Actieplan voor de circulaire economie opgezet. Nederland heeft deze doelstelling als EU-lidstaat overgenomen. Daarvoor is onder andere een Nationaal Programma circulaire Economie 2023-2030 opgezet. Ook voor de provincie Noord-Brabant is circulaire economie een belangrijke doelstelling. De provincie en de Brabantse Omgevingsdiensten werken aan een nieuwe opdracht om de circulaire economie in het VTH-stelsel te implementeren. Een voorbereidend onderzoek van Tauw benoemt diverse nieuw mogelijke taken voor de Omgevingsdiensten op het gebied van circulaire economie. De ODBN zal haar rol in 2025 binnen de circulaire economie verder onderzoeken, mede aan de hand van de verkenning van Tauw.

Effecten 2025 en verder   Het belang van de Circulaire Economie in de opdrachten van de ODBN neemt toe;   De ODBN onderzoekt samen met provincie en andere Brabantse diensten hoe we vanuit de taken van de ODBN kunnen bijdragen aan de circulaire economie. Resultaten daarvan worden in 2024 verwacht, waarna de uitwerking mogelijk in 2025 kan plaatsvinden;

2.8 Stikstof De Rijksoverheid heeft samen met de provincies een plan opgesteld om de stikstofemissies en -deposities in Nederland sterk terug te dringen. Ook de provincie Noord-Brabant heeft beleid opgesteld om de depositie van stikstof te verminderen. De Omgevingsdienst Brabant Noord beoordeelt in opdracht van de provincie de vergunningaanvragen voor de gehele provincie NoordBrabant. De ODBN is verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving van de regels in haar werkgebied. We zien dat bestaand beleid steeds vaker de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Dit heeft ook consequenties voor onze uitvoering. Dat geldt ook voor de verdere uitwerking van het adviesrapport van Remkes van oktober 2022. We verwachten meer handhavingsverzoeken, intrekkingsverzoeken en we zullen steeds vaker moeten inzetten op repressieve handhavingstrajecten. Daarnaast loopt er een wetsvoorstel waardoor intern salderen weer vergunningsplichtig wordt. Dit heeft consequenties voor zowel de vergunningverlening als toezicht en handhaving. Ook de data uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de daarin genoemde datum voor het aanpassen van de (verouderde) stallen hebben een grote impact op het werk van vergunningverlening en toezicht en handhaving.

Kadernota 2025

30

31

Ook in 2025 zal het stikstofdossier ongetwijfeld nog veel inspanning van ons vergen. We houden de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en vertalen deze naar de uitvoering. In de toekomst verwachten we slimmer gebruik te kunnen maken van data, onder meer om de effecten van onze inspanningen op het stikstofdossier inzichtelijk te maken.

Effecten 2025 en verder   Ook in 2025 zal de inzet van de ODBN op het stikstofdossier groot zijn, maar de exacte omvang is door telkens nieuwe (juridische) ontwikkelingen moeilijk in te schatten.   Met het ontsluiten van data geven we inzage in de bijdrage van de ODBN op dit dossier.

t.nl n a b a r b b i s .s w ww

2.9 Samen Sterk in Brabant (SSiB) Samen Sterk in Brabant (SSiB) is een provinciebrede samenwerkingsvorm, waarin gemeenten, provincie, terreinbeherende organisaties, particuliere grondeigenaren, waterschappen en waterwinbedrijven participeren. Samen met het netwerk wordt gewerkt aan een schoon, veilig en groen buitengebied. SSiB handhaaft op zaken als stroperij, wildcrossen, afvaldumpingen en het overtreden van de toegangsbepalingen. Daarbij kan SSiB onder andere steunen op een eigen handhavingsteam, dat samen met boa’s van de handhavingspartners en met ondersteuning van de politie optreedt in de Brabantse natuur- en buitengebieden.

De ODBN is formeel de werkgever van SSiB, maar de inhoud van de opdracht van SSiB wordt vastgesteld door de Stuurgroep SSiB. SSiB hanteert dan ook een eigen planning en controle-cyclus, inclusief bijbehorende documenten zoals het meerjarenprogramma en het jaarrverslag. Zie hiervoor www.ssibbrabant.nl.

2.10 Ontwikkelingen binnen de Milieuklachtencentrale (MKC) Voor de gemeenten en de provincie voert de ODBN de millieuklachtenregeling uit. Burgers moeten hun beklag kunnen doen wanneer zij overlast ervaren van bedrijven of (particuliere) handelingen die (mogelijk) in strijd zijn met de wetgeving, bijvoorbeeld wanneer sprake is van geluidsoverlast, geuroverlast of bodemverontreiniging. Burgers kunnen hun milieuklacht kwijt bij de MilieuKlachtenCentrale (MKC), een samenwerkingsconstructie van de Brabantse omgevingsdiensten. De MKC zet de klacht vervolgens door richting de betrokken omgevingsdienst. In 2024 werken we met een nieuw systeem voor de registratie van milieuklachten. In 2025 zullen we het werken met het nieuwe systeem verder professionaliseren. Verder zetten we ook bij de afhandeling van de milieuklachten steeds meer in op het informatiegestuurd werken. We krijgen aan de hand van de data over de binnengekomen klachten een steeds beter beeld over de aard van de klachten. We gebruiken de beschikbare informatie bijvoorbeeld om bedrijven waarover veel klachten binnenkomen extra te controleren. Ook betrekken we de data bij het branchegericht toezicht.

Effecten 2025 en verder   In 2025 zullen we het werken met het nieuwe systeem voor de milieuklachten verder bestendigen   We verwachten steeds meer inzicht te krijgen in de aard en trends van klachten zodat we in 2025 effectiever op de klachten in kunnen spelen.

Kadernota 2025

32

Ontwikkelingen in de Individuele dienstverlening

33

23

Kadernota 2024

34

3 O  ntwikkelingen in de Individuele Dienstverlening

35

Inhoud programma Het programma Individuele Dienstverlening sluit aan op de individuele werkprogramma’s en opdrachten die we met onze deelnemers vaststellen. Het gaat om onze kerntaken: vergunningverlening, toezicht, handhaving en advisering op het gebied van milieu, natuurbescherming, ruimtelijke ontwikkeling en omgevingsrecht. Voor de basistaken geldt dat onze deelnemers deze bij de ODBN neer dienen te leggen. Voor de (overige) verzoektaken geldt dat deelnemers zelf in afstemming met de ODBN de afweging maken of en in welke omvang dat deze belegd worden bij de ODBN.

3.1 Uitvoering van onze kerntaken Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn onze kernactiviteiten samen met onze meer specialistische taken op het gebied van onder andere asbest, energie en bodem en onze specialistische adviserende dienstverlening. We staan aan de vooravond van grote veranderingen in het VTH-stelsel. Alle ontwikkelingen in deze kadernota hebben een relatie met de uitvoering van deze taken. Samenhang in onze kerntaken Voor al onze taken – van onze VTH-taken tot en met onze specialistische advies-, asbest-, en bodemtaken, gemeentelijk en provinciaal – geldt dat het van groot belang is om deze in samenhang met elkaar uit te voeren. Zo moeten onze vergunningverleners oog houden voor het werk van onze toezichthouders en handhavers (bijvoorbeeld op het gebied van de handhaafbaarheid) en moeten onze toezichthouders nauw samenwerken met onze (strafrechtelijke) handhavers. Onze taken dienen dus in samenhang met elkaar bezien te worden. Dit was altijd al zo, maar krijgt onder de Omgevingswet een extra dimensie. 2025 is het tweede jaar waarin we onze VTH-taken uitvoeren onder het wettelijke stelsel van de Omgevingswet. De Omgevingswet gaat uit van een integrale blik. Niet voor niets gaan de omgevingsvisies en de omgevingsplannen uit van een integrale benadering van de leefomgeving.

Dit geldt ook voor de omgevingsvergunningen, waarin alle belangen en doelen in de leefomgeving tegen elkaar afgewogen moeten worden. Deze belangen kunnen nogal eens conflicteren. Mede gelet op de krappere doorlooptijden onder de Omgevingswet is het zaak dat we zowel intern als extern elkaar transparant en tijdig informeren en waar nodig samen optrekken.

Een doorlopende ontwikkeling met grote invloed op onze kerntaken is het informatiegestuurd werken. Als ODBN blijven we investeren in de mogelijkheden om data en informatie zo in te zetten dat we onze zaken slimmer en doeltreffender te kunnen uitvoeren. We krijgen meer grip op onze leefomgeving, kunnen onze invloed op de leefomgeving steeds beter duiden en weten door steeds risicogerichter te werken daar te zijn waar we het verschil kunnen maken. De ontwikkelingen op het gebied van onze datakwaliteit en informatievoorziening zullen ook steeds belangrijker worden in het verlengde van het toegenomen belang van integraal werken. Het ROK VTH 2025-2028 Vanaf 2025 wordt gewerkt met een nieuw gemeentelijk uitvoeringskader – opgesteld met de Omgevingswet als uitgangspunt – dat bestaat uit twee documenten: de omgevingsanalyse en het Regionaal Operationeel Kader Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving 20252028 (ROK VTH). De omgevingsanalyse is een inventarisatie van de relevante ruimtelijke opgaven binnen het ruimtelijk domein. Op basis van deze analyse maken we een vertaling naar jaarlijks te realiseren doelen. Het ROK VTH geeft de handvaten om deze vertaling te maken naar de jaarlijkse gemeentelijke uitvoeringsprogramma’s. Daarbij wordt risicogericht gewerkt, zodat die activiteiten worden geselecteerd met een verhoogd risico.

Dat ligt in het verlengde van het groeiende belang van data en informatie voor onze organisatie. Met het vaststellen van het ROK VTH komen de twee oude kaders, het ROK VV (vergunningverlening) en het ROK TH (toezicht en handhaving) te vervallen. Een belangrijk onderdeel van het ROK VTH 2025-2028 is het cyclisch werken. Dit betekent dat we periodiek onze werkzaamheden onder het nieuwe ROK zullen evalueren en indien nodig zullen bijstellen.

Kadernota 2025

36

37

Voor de provinciale taken werken we onder het Instrumenteel kader vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht. Ook voor de provinciale taken zullen we steeds risicogerichter gaan werken en onderkennen we het belang van een goed sluitende PDCA-cyclus.

Effecten 2025 en verder  O nder de Omgevingswet zal integraliteit in onze werkzaamheden meer gewicht krijgen. In 2024 zullen we voor het eerst ervaren of we elkaar voldoende weten te vinden, waarna we onze integrale werkwijze vanaf 2025 steeds verder zullen aanscherpen.  V  anaf 2025 zullen we nog meer risico- en datagestuurd werken bij de uitvoering van onze VTH-taken. Daarmee zorgen we ervoor dat we als ODBN onze impact op de leefomgeving vergroten.  I n 2025 zullen we voor het eerst werken on het nieuwe ROK VTH 2025-2028. In 2024 worden de eerste acties in gang gezet om vanaf 2025 conform het nieuwe kader te kunnen werken.  V  anaf 2025 zullen we jaarlijks onze werkzaamheden onder het ROK VTH-2025-2028 evalueren.

3.2 Vergunningverlening Als ODBN verzorgen we de vergunningverlening en ontheffingen op het gebied van milieu en natuur voor onze deelnemers. Onder vergunningverlening verstaan we: het voorbereiden van beschikkingen tot het verlenen, wijzigen, intrekken of weigeren van omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu en het beoordelen van meldingen, het voorbereiden van beschikkingen (toestemming om andere gelijkwaardige maatregelen te treffen) en het opstellen van (maatwerk) voorschriften. De wijze waarop we invulling geven aan de vergunningverleningstaak was vastgelegd in het Regionaal Operationeel Kader Vergunningverlening (ROK-VV). Vanaf 2025 zullen we onze gemeentelijke taken voor wat betreft vergunningverlening uitvoeren in overeenstemming met het nieuwe ROK VTH 2025-2028. Voor de provinciale taken werken we onder het ‘Instrumenteel kader vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht’. Vergunningverlening onder de Omgevingswet De consequenties van de Omgevingswet voor vergunningverlening zijn op het moment van schrijven nog niet volledig te overzien. Voor bepaalde activiteiten komt de vergunningsplicht te vervallen. Deze activiteiten worden meldings- of informatieplichtig. Andersom gaat dit echter ook op. Bepaalde activiteiten zullen juist vergunningsplichtig worden onder het nieuwe wettelijke kader. Dit geldt met name binnen de veehouderijen.

De veranderingen in de vergunnings-, meldings- en informatieplicht heeft gevolgen voor de omvang van onze opdracht. Vaak wordt verondersteld dat een verschuiving plaats zal gaan vinden van vergunningverlening naar toezicht en handhaving.

Kadernota 2025

38

Wat dat betreft zijn de meningen echter verdeeld. Deze trend werd eveneens verwacht bij de inwerkingtreding van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo), maar deze verschuiving is destijds uitgebleven. Wat wel duidelijk is, is dat de rol van vergunningverleners verandert onder de Omgevingswet. We voorzien dat het speelveld op het gebied van vergunningverlening complexer wordt. De soms tegenstrijdige belangen van alle partijen komen samen in een aanvraag. Binnen het stelsel van de Omgevingswet adviseert de vergunningverlener over de (on)mogelijkheden bij vergunningsaanvragen en meldingen. Onze vergunningverleners zullen steeds meer gevraagd worden om mee te denken over hoe een initiatief mogelijk gemaakt kan worden. Mogelijk zullen vergunningverleners zo steeds meer optreden als adviseurs voor onze toezichthouders. De rol van de vergunningverleners zal in de loop van 2024 duidelijker moeten worden, waarna we deze in 2025 kunnen concretiseren en bestendigen. Actuele vergunningen Verder zien we dat het digitaliseren en actueel houden van vergunningen steeds belangrijker wordt, ook in het kader van transparantie. De ontwikkeling van de Altijd Actuele Digitale Vergunning (AADV) door de provincie Zuid-Holland is wat dat betreft een goede stap geweest.

Met behulp van het programma Digi-V worden provinciale vergunningen – die nog niet zijn ontsloten via het DSO – gedigitaliseerd en vindbaar gemaakt voor iedereen in Nederland; van ondernemers en kennisinstellingen tot burgers en overheidsinstanties.

Effecten 2025 en verder  I n 2025 zal de veranderende rol en werkvoorraad van de vergunningverleners onder de Omgevingswet duidelijker zijn, waarna we deze rol verder kunnen professionaliseren en effectiever kunnen inrichten.  We zullen in 2025 aanvullende afspraken maken over de wijze waarop onze dienst de Altijd Actuele Digitale Vergunning inzet en doorontwikkeld.

3.3 Toezicht

39

Naast vergunningverlening verzorgt de ODBN het toezicht op naleving van de milieuregels. De kaders voor de wijze waarop wij toezicht houden en handhaven zijn nu nog vastgelegd in het Regionaal Operationeel Kader Toezicht en Handhaving (ROK-T&H). Vanaf 2025 zullen we onze toezichttaken uitvoeren onder het nieuwe uitvoerings- en handhavingskader. Net als voor vergunningverlening geldt voor toezicht dat we onze provinciale toezichttaken blijven uitvoeren in overeenstemming met het Instrumenteel kader vergunningverlening, toezicht en handhaving. Toezicht onder de Omgevingswet Ook voor toezicht geldt dat we verwachten dat het werk complexer wordt onder de Omgevingswet. Er zal meer getoetst moeten worden op algemene- en minder op specifieke regels, omdat niet alles meer in detail vastgelegd zal worden in de omgevingsvergunning. Toezichthouders kunnen daardoor aan de voorkant over minder informatie beschikken. Dit doet straks mogelijk een beroep op andere competenties van onze toezichthouders, maar de praktijk onder de Omgevingswet blijft op dit moment moeilijk in te schatten. Informatiegestuurd toezicht In 2025 geldt ook voor toezicht het informatiegestuurd werken als doorlopende ontwikkeling.

Mede met het oog op de krapte op de arbeidsmarkt, maar natuurlijk vooral in het kader van een doeltreffende en doelmatige uitvoering, zetten wij onze data beter in om gericht toezicht te kunnen houden en daar te acteren waar we het verschil kunnen maken. Daarbij maken we vaker gebruik van de ons beschikbare communicatiemiddelen om normadressaten en deelnemers bewuster te maken en naleefgedrag te bevorderen. We verwachten dat het klassieke toezicht steeds meer zal veranderen met de komst van nieuwe werkwijzen en technieken, waaronder geavanceerde dataanalyses, de inzet van drones en het risicogericht prioriteren. Een belangrijk onderdeel van het nieuwe ROK VTH 2025-2028 is het risicogericht werken. Het streven van het risicogericht werken is om de beschikbare capaciteit daar in te zetten waar de risico’s het grootste zijn. In 2024 worden de eerste stappen gezet naar het meer risicogericht werken. Om te zorgen voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering, zal data worden ingezet om gericht toezicht te houden. Vanuit de data maken we keuzes waar wij controles inzetten. Deze controles vergroten de kans dat overtredingen tijdig worden geconstateerd.

Kadernota 2025

40

41

Systeemgericht toezicht Voorts verwachten we in 2025 een ontwikkeling in het systeemgericht toezicht. Systeemgericht toezicht is mogelijk bij bedrijven met een systeem van beheersing en controle, zoals een milieumanagementsysteem. Dit systeem moet tijdig signaleren wanneer er een (dreigende) overtreding is. Het bedrijf kan de overtreding dan zelf voorkomen en schade aan het milieu beperken. Voorwaarde voor systeemgericht toezicht is dat er werkafspraken zijn tussen het bevoegd gezag en het bedrijf. Het systeemgericht toezicht kan mogelijk leiden tot een efficiënter gebruik van onze toezichtcapaciteit. We zullen de mogelijkheden van het systeemgericht toezicht richting 2025 en verder analyseren. Verdringing geprogrammeerd toezicht Voor wat betreft onze gemeentelijke toezichttaak constateren we dat we dat het nietgeprogrammeerde deel van het toezicht steeds groter wordt en dat dat een groot beroep doet op onze beschikbare capaciteit. In 2024 willen we in gesprek met onze deelnemers over deze ontwikkeling. De stap naar het risicogericht werken vraagt om duidelijke keuzes over welke taken de prioriteit krijgen.

Effecten 2025 en verder  M iddels het risicogericht werken verwachten we in 2025 onze capaciteit nog beter daarin te kunnen zetten waar de risico’s het grootst is en waar wij onze impact dus ook kunnen vergroten.  Door data en informatiegestuurd te werken zal er in 2025 gerichter toezicht worden gehouden.  We verwachten in 2024 een fundamentele discussie over de uitvoering van het geprogrammeerde toezicht, in verband met het risicogericht werken dat in 2025 zijn beslag moet krijgen.  W e verwachten dat het systeemgericht toezicht in 2025 een grotere rol zal gaan spelen

3.4 Handhaving De ODBN draagt zorg voor een schone, veilige en duurzame leefomgeving. Handhaving – zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk – is één van de instrumenten om dit te bereiken. Handhaving vraagt om intensieve samenwerking tussen de diverse handhavingspartners. Daarbij gaat bijvoorbeeld om de diverse instanties in de zogenoemde strafrechtketen – denk aan de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de omgevingsdiensten – maar ook om samenwerking binnen de ODBN, tussen toezichthouders, juristen en boa’s. Gezamenlijk dragen we zorg voor de handhaving van het omgevingsrecht. Daartoe hebben we ook een beginselplicht tot handhaving. Burgers en bedrijven moeten ervan op aan kunnen dat wij overtreders aanspreken, en indien nodig aanpakken met de instrumenten die we daartoe tot onze beschikking hebben, zowel bestuursrechtelijk of strafrechtelijk. Alleen zo kunnen we een gelijk speelveld creëren in onze omgeving, dragen we zorg voor de handhaving van het omgevingsrecht en dragen we bij aan de gewenste schone, veilige en duurzame leefomgeving.

LHSO Hoewel strafrechtelijke handhaving nooit een opzichtzelf staand doel mag zijn, is het wel een onmisbaar middel voor de handhaving van het omgevingsrecht en hét repressieve sluitstuk wanneer (alleen) bestuursrechtelijke maatregelen onvoldoende zijn. Bestuurs- en strafrechtelijke handhaving zijn onderdeel van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO), de opvolger van de LHS, die samen met de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking zal treden. De LHSO gaat uit van een evenwichtig afgestemd bestuurs- en strafrechtelijk interveniëren, waarbij de vraag welke interventie passend is, afhankelijk is van de aard, zwaarte, oorzaken en de gevolgen van de overtreding én het verwachte effect van de interventie. Dit wijst op de noodzaak van intensieve samenwerking en afstemming tussen de verschillende betrokken disciplines binnen de ODBN: toezichthouders, juristen en boa’s. In 2025 zullen we voor een jaar met de LHSO gewerkt hebben. Aangezien de LHSO niet wezenlijk verschilt van diens voorganger – de LHS – is de verwachting niet dat de toepassing van de LHSO om veel aanpassing zal vragen. We kunnen er dus vanuit gaan dat de LHSO in 2025 al is geïmplementeerd.

Wel verwachten we de komende jaren steeds meer de vruchten te plukken van een steeds verbeterde toepassing van de LHSO, doordat we onze samenwerkingsafspraken met onze externe partners, maar ook intern in de overdracht van toezicht naar (strafrechtelijke) handhaving steeds verder aanscherpen.

Kadernota 2025

42

43

IBP VTH IBP-VTH pijler 2 gaat over de stelselverbeteringen inzake de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. Gewenste uitkomsten van de pijler zijn onder andere met prioriteit en capaciteit bij de strafrechtelijke handhavingspartners voor de aanpak van milieucriminaliteit. In 2025 hopen we de vruchten te kunnen plukken van het IBP-VTH. Strafrechtelijke milieuhandhaving in Brabant Zelf leunen we ook niet achterover. In Brabantse regio werken we aan een eigen prioritering van milieuzaken, door steeds meer de afstemming te zoeken met onze strafrechtelijke handhavingspartners, en door een eigen regionaal dreigingsbeeld milieucriminaliteit op te stellen. De plannen voor een dergelijk dreigingsbeeld staan nog in de kinderschoenen, maar de verwachting is dat we in 2025 kunnen werken met afgestemde regionale prioritering van milieuzaken, en daarmee een effectievere en efficiëntere inzet van ons bestuurs- en strafrechtelijke handhavingsinstrumentatrium.

Effecten 2025 en verder  W e verwachten in 2025 een grotere en effectievere inzet van ons strafrechtelijk instrumentarium door het afstemmen van onze eigen informatie op die van de strafrechtelijke handhavingspartners en door gezamenlijk prioriteiten te stellen.  A ls de capaciteit bij onze handhavingspartners toeneemt, verwachten we ook dat meer strafzaken opgepakt kunnen worden. Daarvoor zijn we afhankelijk van de daadwerkelijke capaciteit bij onder meer het FP. Het capaciteitsvraagstuk is onder meer onderdeel van het IBP-VTH Pijler II  D oor een verbeterde toepassing van de LHS(O) verwachten we in 2025 meer zaken aan te kunnen dragen voor strafrecht, waarbij de capaciteit bij het FP potentieel wel een bottleneck vormt.

3.5 Specialistische dienstverlening De ODBN voert voor haar deelnemers ook specialistische milieu(advies)taken uit. Daaronder vallen taken op het gebied van ruimtelijke ordening, geluid, externe veiligheid en lucht. Daarnaast heeft de ODBN ook specialistische taken op het gebied van bodem, asbest en energie. Deze worden in deze kadernota apart toegelicht. De afgelopen jaren hebben we de inzet van onze specialisten en juristen zien toenemen, en we verwachten dat deze trend ook in 2025 door zal zetten. De grotere inzet van onze specialisten is een gevolg van ontwikkelingen op complexe dossiers zoals stikstof, maar in het bijzonder ook van de afnemende beschikbare kennis bij onze deelnemers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13711041/1