CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Concept Verstedelijkingsstrategie Stedelijk Brabant versie 30 maart 2022

Commissie OMGEVING 26 september 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Rondvraag en Afsluiting28.118 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

•

Lokale en natuur-inclusieve oplossingen hebben de voorkeur boven puur technische en grootschalige oplossingen die het systeem belasten, en geven een ruimtelijke impuls en zijn drager van gebiedskwaliteit.

STAP 3. Is er sprake van inbreiding of uitbreiding? Uitbreiding

Inbreiding

STAP 4. Doorlopen Stoplichtmodel

STAP 4. Keuze in ambitieladder

voor nieuwe uitleglocaties.

binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding op basis van buurtopgave

Doorzetten: ja/nee? STAP 5. Groen-blauwe maatwerkopgave in PVE op basis van locatiespecifieke klimaatopgave

63

(A) Stoplichtmodel voor nieuwe uitleglocaties INDICATOR 1. Waterveiligheid De basis voor het ‘robuuste watersysteem’ is vastgelegd in de bodem en waterkaart

Deze indicator kijkt naar de vraag “hoe kwetsbaar is een gebied voor

van Brabant (de klimaatonderlegger) waarin een overzicht staat van de herkomst

overstromingen? Slecht scoren de gebieden die bij extreem hoogwater vanuit zee

van de hoofdlandschappen, de hoge zandgronden met bekenlandschap, het horst-

of de grote rivieren zoals de Maas of het Hollands Diep, kunnen overstromen bij het

en slenkgebied en de rivier- en zeekleipolders. Deze kaart vormt een goede basis

falen van een primaire waterkering. Hierbij is de schade in potentie in elk geval zeer

voor het gesprek over locatiespecifieke (klimaat en water)opgaven.

groot en mogelijk zelfs levensbedreigend voor inwoners.

We moeten anticiperen op toekomstige klimaatveranderingen. Keuzes die in de toekomst tot onomkeerbare schade en overlast gaan leiden moeten worden voorkomen (de inrichting valt immers nog aan te passen, een verkeerde locatiekeuze niet meer). Om de keuzes meer weloverwegen te maken presenteren we hier daarom aanvullend op de klimaatonderlegger het stoplichtenmodel voor locatiekeuze van nieuwe uitleglocaties. Er wordt gekeken naar 4 indicatoren waarin steeds wordt aangegeven of een gebied (gedacht vanuit de logica van het watersysteem) geschikt of ongeschikt is voor nieuwe verstedelijking: •

Waterveiligheid (kwetsbaarheid bij overstromingen);

•

Wateroverlast (wateroverlast in relatie tot benodigde drooglegging/bouwpeil en kansen voor infiltratie);

•

Ruimte voor robuust watersysteem (ruimte voor water: reserveringsgebied waterberging en bergingsgebieden en bufferzones rondom waterlopen);

•

Hittestress (ventilatiemogelijkheden van verstedelijkt gebied). Zeer geschikt (0 Hoogwatervrij)

Hoewel ook zeer relevant worden bodemgesteldheid (waaronder bodemdaling),

Geschikt (0-20cm Wateroverlast maar gebied blijft toegankelijk)

verzilting, waterbeschikbaarheid (o.a. drinkwatervoorziening) en waterkwaliteit

Matig kwetsbaar (20-50cm (forse) wateroverlast en schade maar niet direct

(vaak toegespitst op KRW) niet meegenomen in dit stoplichtmodel. Deze

levensbedreigend. Lokale maatregelen om overlast te voorkomen/beperken

indicatoren hebben voor verstedelijkingskeuzes onvoldoende onderscheidend

zijn vaak mogelijk)

vermogen op schaalniveau van Brabant omdat ze bijvoorbeeld alleen op specifieke

Kwetsbaar (50-250cm Forse schade en in potentie levensbedreigend,

locaties spelen of veel overlap vertonen met wel opgenomen indicatoren. Neemt

evacuatie naar 1e verdieping)

niet weg dat deze thema’s bij lokale afwegingen moeten worden meegewogen.

Zeer kwetsbaar (>250cm Levensbedreigend, evacuatie naar 1e verdieping niet toereikend)

64

INDICATOR 2. Wateroverlast De mate waarin een gebied gevoelig is voor grondwateroverlast door hoge

Bovendien: hydrologisch neutraal bouwen door hemelwater niet aan te koppelen op

grondwaterstanden, is van belang om te bepalen of dit gebied zich leent voor

de riolering maar te infiltreren, is daar amper mogelijk (dus moet het dan afgevoerd

een voldoende drooglegging/bouwpeil voor toekomstige bebouwing. Gebieden

worden naar elders). In het kader van het grondwaterconvenant is afgesproken het

die gevoelig zijn voor grondwateroverlast zijn niet geschikt voor bebouwing en

grondwater omhoog te brengen. Gebieden die gevoelig zijn, zijn vooral gebieden

alleen met kostbare aanpassingen min of meer geschikt te maken, waarbij deze

waar kwel voorkomt of waar de gemiddelde hoogste grondwaterstand (in de

bebouwing in de toekomst gevoelig blijft met klimaatverandering.

toekomst) te dicht aan het maaiveld komt (en combinaties van beiden).

(3A: Grondwateroverlast)

(3B: Grondwaterstand)

Zeer geschikt (Infiltratie / wegzijgingsgebied)

Zeer geschikt (>140 cm onder maaiveld - geschikt)

Matig geschikt (Intermediair gebied)

Matig geschikt (100-140 cm onder maaiveld – in de toekomst mogelijk te

Minder geschikt (Kwelgebied)

nat voor bebouwing) Minder geschikt (<100cm onder maaiveld – in huidige situatie al te nat voor bebouwing)

65

INDICATOR 3. Ruimte voor robuust watersysteem

INDICATOR 4. Hittestress

Deze indicator combineert drie deelindicatoren. Als bebouwing in één van de

In stedelijk gebied is het creëren van meer groen en blauw van belang. Maar ook in

drie categorieën valt krijgt het waarde ‘binnen contour robuust watersysteem’. In deze gebieden is (in de toekomst) ruimte voor water nodig: (1) 1000m ruimte voor de rivier langs het hoofdsysteem, (2) Reserveringsgebied waterberging en bergingsgebieden, (3) 100 meter buiten regionale beken en rivieren.

het buitengebied is hittestress een thema. Ventilatie is namelijk van groot belang. Warme lucht moet met koelere lucht de stad kunnen verlaten. Dat vraagt niet alleen een doordachte inrichting van de stad zelf, maar ook van het omliggende buitengebied. Op de aanvoerroute van die lucht is het niet verstandig om te verharden (bijv. met woningen of kassen) en zodoende hitte eilanden te creëren.

66

Geschikt - Buiten contour robuust watersysteem

Creëren van nieuwe verstedelijking en verharding is hier onwenselijk

In principe ongeschikt - Binnen robuust watersysteem

(in hittestress contouren - op aanvoerroute van lucht)

(B) Ambitieladder binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding De brede ambitie is om regenwater in het eigen gebied vast te houden: dus geen

opgave te realiseren. Ook in het kader van een positieve bijdrage aan gezondheid,

afwenteling van een effect van binnen naar buiten de stad en niet afwentelen van

aantrekkelijke leefmilieus en het tegengaan van hittestress. Om de binnenstedelijke

realisatiekosten voor de korte termijn naar hogere beheer en adaptatiekosten op

en binnendorpse opgave inzichtelijk te maken stellen we de ambitieladder

middellange termijn. Daarbij gaat het niet alleen maar om wateroverlast voorkomen,

binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding voor (de beschreven maatregelen zijn ter

maar zeker ook om infiltratie van water ter aanvulling van het Brabantse

illustratie om gevoel te krijgen voor orde van grootte en zijn berekend op basis van

grondwater. De laatste droge jaren hebben laten zien hoe belangrijk dat is. Feit is

een aantal casestudies in buurten uit verschillende tijdslagen).

dat de inrichting van het bestaand stedelijk gebied één van de hoofdoorzaken voor

Minimale ambitie voor de buurt is >20% groen/blauw en <70% verharding. Dat komt voor

de huidige druk op het grondwater is.

groen opgezette naoorlogse wijken neer op 0-5% vergroenen en betekent voor versteende bedrijventerreinen en centrumgebieden (in stad en dorp) minimaal circa

Binnenstedelijk en binnendorps ligt er daarom urgentie om een groen-blauwe

15-20% extra groen en blauw.

Ambitie 0

Ambitie 1

Ambitie 2

Ambitie 3

Ambitie 4

Ambitie 5

- groen/blauw

+ 0-5% groen/blauw

+ 5-15% groen/blauw

+ 15-30% groen/blauw

+ 30-70% groen/blauw

+ >70% groen/blauw

Denk aan: Ruimte voor groen en blauw neemt

Denk aan: Vergroening en verblauwing van

Denk aan: In hele buurt minimaal een vijfde van

Denk aan: In hele buurt transformatie naar groen-

Denk aan: In hele buurt alle daken vergroenen,

Denk aan: Stad te gast in de natuur. ‘Horizontale

af als gevolg van nieuwe ontwikkelingen.

individuele straten, gebouwen en tuinen (hier en daar tegels

alle straatverharding vergroenen (nieuwe bomen, watervertragende

blauwe leefstraten en verspreid over de buurt individuele vergroening

inclusief een deel van de gevels en een vijfde van het straatprofiel.

stadsdelen’ komen ten goede aan groen en blauw. Verticaal ruimte

eruit en groen erin).

groenstroken, waterdoorlatende verharding, geveltuinen en groene hagen).

van tuin en gebouw (groene gevels en daken, waterdaken, waterpleinen, geveltuinen, waterlopen, groenstroken en wadi’s).

voor groene gevels.

67

2. Landschap en natuur groeien mee met verstedelijking

68

RUIMTE VOOR WATER

STAD-LAND VERBINDINGEN

INPASSING ENERGIE

(waterbergings- en

(natuurnetwerk voor plant en

(contextbewuste

reserveringsgebieden)

dier, tot in de haarvaten van

inpassing van zon, wind,

het stedelijk systeem)

geo- en aquathermie)

AANPAK STIKSTOF

STADSRANDZONE

HOOGWAARDIGE NATUUR

(irt stad-land verbindingen,

(verharden van de stadsrand,

(natuurnetwerk, historische groen-

landbouwtransitie, recreatie

verzachten van de stad-land

structuur, cultuurhistorische lijnen

Stadsrandzone

en natuurkwaliteit)

overgang)

en natura2000)

Natuurnetwerk

Waterbergings- en reserveringsgebied Bufferzone stikstof rondom Natura 2000

Stad-land verbinding

Ontwikkelprincipe 2. Landschap en natuur groeien mee met verstedelijking A. Belangrijkste bevindingen uit analyse

van hoogwaardige maakindustrie: ‘High Tech needs High green’. •

•

Natuur en landschap alsook de algehele leefkwaliteit van Brabant staan onder druk: •

•

•

uit de jaren 70, terwijl de identiteit van Brabant juist de nabijheid van

luchtkwaliteit, broedplaatsen van veehouderij gerelateerde ziektes, en

groen is. Daarnaast zijn gebiedsoverstijgende groenstructuren beperkt

leegstaande agrarische bebouwing.

tot ontwikkeling gekomen. Daarmee gaat ook de betekenis van het

Nieuw toekomstperspectief nodig in land- en tuinbouw (leegstand en

landschap voor de bewoners verloren. •

Biodiversiteit neemt af door onder andere versnippering, verdroging

Daardoor en door de ontwikkeling van uitleglocaties dreigen op veel plekken natuur en landschap iets van ‘ver weg’ te worden (steeds verder fietsen)

en vermesting, en teruggang in areaal, onder andere als gevolg van

•

Stad en land versterken elkaar zeer beperkt, met name bij uitbreidingswijken

Het Brabantse landschap staat steeds meer bekend om zijn slechte

verrommeling wanneer bedrijven stoppen). •

Stad en natuur liggen op veel plekken met de rug naar elkaar toe:

•

Waar middelgroot het beste van twee werelden kan zijn – voorzieningen

intensieve landbouw en andere ruimteclaims zoals woningbouw en

in combinatie met groen/blauwe in de directe woonomgeving

infrastructuur.

– dreigt juist het slechtste van twee werelden, een verschralend

Het risico bestaat dat als gevolg van de diverse ruimteclaims groene corridors

voorzieningenaanbod en het landschap dat ver weg voelt

tussen dorpen en steden dichtslibben. Naast de ruimtevraag vanuit wonen, industrie en mobiliteit leidt de ambitie verduurzaming energiesysteem

B. Lessen uit ontwerpend Onderzoek

tot een landschappelijk inpassingsvraagstuk om opwek-, opslag en transportlocaties in het buitengebied in te passen, met behoud van •

Nabijheid van groen neemt af als gevolg van verstedelijking. Noodzaak tot

landschappelijke kwaliteiten.

het integreren van vergroening als onderdeel ontwikkeling is een voorwaarde om de

Veel stedelijke gebieden met ontwikkeldynamiek liggen in gebieden die gevoelig

leefkwaliteit te behouden en versterken.

zijn voor stikstofdepositie. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om Bergen op

•

•

•

Ruimte voor realisatie van de waterbergingsopgave wordt momenteel vooral gezocht

Zoom en Woensdrecht (Brabantse Wal), Breda Zuid, het gebied tussen

in het buitengebied. Bij binnenstedelijk bouwen ontstaat hierdoor geen

Den Bosch, Eindhoven, Tilburg en Waalwijk en Eindhoven zuid. Stedelijke

concurrentie op ruimte. Tegelijkertijd blijkt binnenstedelijk bouwen juist bij te

ontwikkeling in deze gebieden gaat altijd gepaard met een stikstofopgave

kunnen dragen aan het koppelen van opgaven om meerwaarde te creëren.

en dus de kans om deze gebieden aantrekkelijker en gezonder te maken

Mooi voorbeeld is Zevenbergen waar het zoeken van een oplossing voor de

in de directe nabijheid van de stad. Ontwikkeling moet dus samen gaan

verziltingsproblematiek heeft geleid tot een forse kwaliteitsimpuls voor het

met stikstofaanpak.

verstedelijkte gebied (dankzij het terugbrengen van de gracht in het centrum).

De Brabantse landbouw- en voedselsector blinkt uit in innovatie en kennis, productiviteit en samenwerking. Maar een uitmuntend stedelijk vestigingsklimaat

•

Bouwen in de hittelinten (heersende windrichting) zorgt voor toename hittestress in stedelijk gebied.

laat zich slecht mengen met de schaduwzijden van intensieve landbouw. Kwaliteit van leven is een keiharde Brabantse ‘asset’ in de economische mondiale competitie

69

C. Principes

van dit soort ‘groene wiggen’ en verbindingen. Uitdaging is om deze ook te ontwikkelen voor de M7.

•

Kwaliteit van leven staat voorop: Gezonde, leefbare, klimaatrobuuste,

Lokale vergroening: ‘grijs groen kleuren’ (groen tot in de haarvaten van elke

natuurinclusieve, vitale, groene en blauwe steden en dorpen voor mens en

buurt: straat, tuin en gebouw – horizontaal en verticaal). Dit toont zich overal

dier. Een aantrekkelijk en gezond woon- en leefklimaat, met een prachtig

vanaf de voordeur, op de straat, tegen de gevel, op het dak en biedt

landschap en cultuur om de hoek, is een absolute vestigingsvoorwaarde voor

koelte, nestplekken, recreatieve en belevingswaarde, enz. Lokale en

een succesvolle kenniseconomie. De ambities voor het Van Gogh Nationaal

natuurinclusieve oplossingen zijn overal de standaard en geven zo een

Park komen mede voort uit de kwaliteitsimpuls die het kan geven aan gezonde

ruimtelijke impuls en vormen drager van gebiedskwaliteit. Door de stad

en mooie woon- en werkomgevingen voor bewoners en (internationale)

verder te ontwikkelen wordt deze groener.

kenniswerkers. •

•

•

Koppel de stikstofaanpak met kwaliteitsverbetering aan de groene stadsrandzones

De verstedelijkingsopgave benutten we voor de verbetering van de leefomgeving

(verduurzaming landbouw, recreatie en natuurkwaliteit) waardoor een voor

en leefbaarheid van de bestaande steden en dorpen middels verdere vergroening.

stedelingen aantrekkelijke buffer ontstaat tussen natuurgebieden, stedelijke

Dat betekent: groen groeit mee met de stedelijke (her)ontwikkeling en

activiteiten en landbouw.

ontwikkelingen zijn natuurinclusief. Hierdoor ontstaat meerwaarde voor ecologie en biodiversiteit (ecosysteemdiensten), fysieke en mentale

D. Interventies & acties

gezondheid, leefbaarheid (klimaatadaptatie), economie en identiteit (vestigingsklimaat). •

Landschap altijd dichtbij, de stad als park. We kiezen voor een robuust en

Geen nieuwbouw in groene gebieden, ook niet bij dorpen en dorp- en stadsranden. •

Een klein voorbehoud geldt in situaties waar al in bestaande situatie een

aaneengesloten natuurnetwerk voor plant en dier in stad en ommeland. De

kwaliteitsopgave aan de orde is (zoals bijvoorbeeld bij de VABs of in geval

groenblauwe dooradering loopt door vanuit het landschap tot in de haarvaten van het

van bodemvervuiling). Verstedelijking kan dan hooguit alleen kleinschalig

stedelijk systeem (tot aan de voordeur):

en altijd adaptief, zorgvuldig ingepast en met zeer grote meerwaarde

•

Groenstedelijke hoofdstructuur: Verbindingen tussen natuur, landschap en

voor het landschap, invulling gevend aan de transities op gebied van

stedelijk groen volgen uit de hoofdlandschapsstructuur en verbinden stad

mobiliteit, verduurzaming, energietransitie, klimaat en wateropgave en

en ommeland. Daar waar aan de orde spelen de beekdalen daarbij een

biodiversiteitsherstel.

cruciale versterkende of dragende rol. Cruciaal binnen de hoofdstructuur

•

70

•

•

Verdichten = vergroenen. Binnenstedelijk bouwen kan niet vrijblijvend:

is de overgang tussen stad en land. Hier versterken transities in het

inbreiding in binnenstedelijke en binnendorpse gebieden moet

landelijke en stedelijke gebied elkaar met behoud van (kwaliteit van) groen

bijdragen aan meer groen in de stad, (tegengaan hittestress, vergroten

en landschap.

biodiversiteit). De verstedelijkingsopgave wordt gecombineerd met de

Systeemingrepen in het verstedelijkt gebied: Versterken van functionele

vergroeningsopgave, zie ambitieladder binnenstedelijke en binnendorpse

relaties (groene wiggen, natuurbruggen, ommetjes, etc.). De B5 kent al

inbreiding.

•

•

Iedere stad en dorp een hoogwaardige stad/land verbinding gekoppeld aan

•

Grote uitdaging is om opwek-, transport en opslaglocaties voor hernieuwbare energie

hoofdlandschapsstructuur en stedelijk groensysteem bij voorkeur met

een goede plek te geven met behoud van bestaande of het creëren van nieuwe

cultuurhistorische betekenis.

ruimtelijke kwaliteiten. Het devies vanuit ruimtelijke kwaliteit voor energie-

•

Doorzetten icoonprojecten vanuit ambitie proeftuin groenblauwe

opwek is daarbij: ‘geen generieke monofunctionele, losgezongen technische

verstedelijking Van Gogh Nationaal Park: Nieuwe Mark Breda, Verbinding

energieproductielandschappen maar luisteren naar het landschap’. En altijd

drie groene wiggen Eindhoven, Stads-Aa Helmond, Zuid-Willemspark

zorgvuldig landschappelijk ingepast met aandacht voor bestaande en nieuwe

‘s-Hertogenbosch, vergroening centrum Tilburg, vergroening Veghel.

landschappelijke kwaliteiten (natuur, recreatie).

Er moet een kwaliteitsverbeteringstrategie worden uitgewerkt voor het buitengebied (in

•

In een getrapte redeneerlijn begint het bij het zoveel mogelijk benutten

relatie tot stikstof, het Brabants natuurnetwerk, een nieuw toekomstperspectief

van daken en voormalige stortplaatsen. Sommige gebieden zijn

voor boeren, recreatiekwaliteit en nieuwe ruimteclaims vanuit onder meer

ook uitgesloten: zoals bijvoorbeeld: geen zonneparken in beekdalen,

energie en water)

laagveengebieden, in natuurnetwerk en de uiterwaarden van de Maas.

71

INSPIRATIE. Natuurnetwerk op drie schaalniveaus

Landschapspark - Midden-Delfland

Groene wiggen - Eindhoven

Stad in een park - Breda

Binnen de landschapstafel werken publieke en private

Eindhoven bouwt in de komende jaren 21.000

Gemeente Breda heeft de ambitie een ‘stad in een

partijen, bedrijven en overheden (o.a. Provincie,

nieuwe woningen binnen de centrumring. Deze

park te zijn’. Om deze ambitie te verwezenlijken is

MRDH, gemeenten, LTO en Hoogheemraadschap)

verstedelijkingsopgave gaat samen met een stevige

een nieuwe groenvisie opgesteld (voor het eerst

samen aan de toekomst van landschapspark Midden-

groenambitie. Drie groene stadswiggen worden in het

sinds 1986) - het Bredaas Groenkompas. Centraal

Delfland. Dit open en groene gebied - midden in de

centrum aaneengesmeden tot een nieuwe groene ring

staat daarbij de samenwerking van diverse partijen

drukke metropoolregio Rotterdam, Den Haag en

rondom het centrum. Om dit voor elkaar te krijgen is er

aan behoud van (bestaand en waardevol) groen en

Delft - moet toegankelijker, bekender en waardevoller

een verplichte groennorm van 4-8 m² toe te voegen groen

de ontwikkeling van nieuwe gevarieerde groene en

worden voor de 2,5 miljoen inwoners die in- en

per nieuwe woning. Ontwikkelaars moeten dit nieuwe

ecologische netwerken.

rondom dit gebied leven.

groen realiseren op eigen terrein of als dat niet lukt

In het groenkompas zijn groennormen vastgelegd om

Focuspunten zijn het versterken van natuurwaarden,

financieel bijdragen aan de grotere ontwikkeling.

groen mee te laten groeien met de toename van het

een klimaatrobuuste inrichting, de ruimtelijke en

72

aantal inwoners. Elke inwoner moet op pantoffelafstand

recreatieve kwaliteit, robuuste stad-land verbindingen

Een losse groennorm heeft het risico in zich dat

(200 meter) van park, bos of buitengebied wonen.

en een duurzame landbouw. Het runnen van gezonde

er nieuw groen komt op plekken waar het beperkt

Bij herinrichting van straten moet 10% groen worden

agrarische bedrijven gaat hier samen met het verhogen

toegevoegde waarde heeft (normopvulling). Echter,

gerealiseerd. En bij nieuwe ontwikkelingen moet 20-

van biodiversiteit en recreatieve waarden in het

zonder norm blijft de binnenstedelijke groenambitie

35% groen worden gerealiseerd. Daarnaast wordt het

boerenland (streekproducten worden vermarkt in

steken bij alleen mooie droombeelden. Daarom gaat

gebruik vastgelegd (waar rust en waar juist ruimte

omliggende gemeenten en er ontstaan weidevogel-

de groennorm samen met het kwalitatieve verhaal

voor ruis?), is er een compensatieprincipe (groen

en boerenfietsroutes). Financiering vindt plaats

van de drie wiggen. Dat helpt om vanuit een gedeelde

compenseren binnen of nabij het plangebied) en

doormiddel van het Groenfonds (o.a. door verplichte

groenvisie de groeningrepen te bundelen op plekken waar

wordt een percentage ‘levend groen’ vastgelegd in het

m² groencompensatie bij ontwikkelingen).

de meerwaarde het grootst is.

bestemmingsplan.

INSPIRATIE. Nieuwe haven draagt bij aan stedelijke kwaliteit (Nieuwe Mark, Breda) Nadat eind jaren ‘1930 rivier de Mark binnen de singels gedempt was, had de

Sinds 2007 is de haven weer open. Ze vormt weer een belangrijke identiteitsdrager

Bredase haven geen doorstroming meer. De haven werd een bron van stankoverlast

in de binnenstad. Met een kade waar boten kunnen aanmeren, daarboven bomen,

en een onderwaterstort voor heel wat fietsen en bedden. Demping van de haven in

horeca met terrassen. Onder de naam Nieuwe Mark wordt de haven de komende tijd

1965 paste in de filosofie van de jaren zestig die er van uitging dat autoverkeer de

uitgebreid richting de zuidelijke singels.

binnenstad vlot moest kunnen binnendringen. Bovengronds vormde de gedempte haven een brede autoweg; ondergronds bevond zich de eerste ondergrondse parkeergarage van Nederland. 2000

2020

73

INSPIRATIE. Kwaliteitsimpuls voor dorp en watersysteem (Zuidhaven, Zevenbergen) De Zuidhaven in Zevenbergen was vooral voor 1945 en tijdens de ‘bietencampagne’

Sinds 2020 stroomt er weer water door de Zevenbergse haven. Dat zorgt niet alleen

een komen en gaan van schepen. In de jaren na de oorlog raakte de haven steeds

voor een fraaier stadscentrum, het is vooral ook van belang voor een toekomstbestendige

meer in verval en in 1970 werd de gracht na lang aandringen van de buurtbewoners

zoetwatervoorziening in West-Brabant. Met de heropening van de haven zijn het

zelfs dichtgegooid. De afwatering van de suikerfabriek kwam uit in de haven.

noordelijk en zuidelijk deel van de Roode Vaart opnieuw verbonden. Zo wordt een

Als gevolg was het kanaal een overlast gevende ‘stinksloot’ geworden met meer

extra aanvoerroute gecreëerd van zoet water voor de regio. De extreme droogte van

zichtbaar vuil en schuim dan water.

2018 bevestigde hoe nodig dit is.

2015

2020

74

INSPIRATIE. Inspiratie voor beleefbaar groen en blauw in en nabij stad en dorp

Stads-Aa (Helmond) Terugbrengen van het water in Helmond centrum - Burgemeester Geukerspark.

Philips fruittuin (Eindhoven) Boomgaard, pannenkoekenhuis, bijeenkomsthuis en landwinkel - in Brainport Park.

Waterplein (Oudenbosch) Oud basketbalplein omgevormd tot klimaatadaptief waterplein. Combinatie van waterberging met groen, spelen en ontmoeten.

Park Overbos (Breda) Groene verbinding over de A16 bij Prinsenbeek.

Tiny Forests (’s-Hertogenbosch) Inheems bos midden in de stad, ter grootte van tennisbaan. Voor natuureducatie, luchtzuivering, wateropvang en verkoeling.

Groene Corridor (Oirschot-Eindhoven) Groene verbinding tussen de centra van Eindhoven, Oirschot en Het Groene Woud

Beekherstel (Oude Strijper Aa) Meanderende beek houdt meer water vast en fungeert als buffer. Voor drogere en nattere periodes.

Genneper Hoeve (Eindhoven) Biologisch-dynamische landbouw in Genneperk Parken.

Ecologische verbindingszone (Ekkersrijt) Ecologische verbindingszone van de beek Ekkersrijt op Brainport Industries Campus.

Speelpark Zilvermeeuw (Fijnaart) Wadi als speelelement. Aanpak wateroverlast gecombineerd met verbetering speelplek.

Vergroening Flight Forum (Eindhoven) Verwijderen van verharding om (commercieel) meer aantrekkelijke en koelere werkomgeving te creëren.

Stadsbos013 (Tilburg) Natuurgebied aan de rand van Tilburg, op fietsafstand van het centrum.

75

3. Nieuwe woningen versterken bestaande stad en dorp

76

STEDELIJKE INTERACTIE

MIDDELGROTE CENTRA

VITALE DORPSKERNEN

(nabijheid, functiemix,

(binnenstedelijke

(binnendorps - leefbaarheid

interactie, kenniseconomie

kwaliteitsopgave

van >200 kleine en 40 grote

en topvoorzieningen)

M7 + Helmond)

kleine kernen)

KWETSBARE WIJKEN

NAOORLOGSE DYNAMIEK

LOKALE SPONSWERKING

(stedelijke vernieuwing

(nieuwe ontwikkeldynamiek

(vergroenen in buurt, straat,

120.000 woningen in

1 mln woningen in de

tuin en gebouw: horizontaal

Opgave vergroening

kwetsbare wijken)

naoorlogse wijken)

en verticaal)

Centrum B5

Hoogstedelijk milieu Stedelijk milieu Buurten B5 en M7 Kleinere kernen Kwetsbare wijken

Centrum M7

Ontwikkelprincipe 3. Nieuwe woningen versterken bestaande stad en dorp A. Belangrijkste bevindingen uit analyse

Stedelijke vernieuwingsgebieden. Met de aanpak Programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt met stakeholders samengewerkt aan de verbetering van

•

•

•

Er zijn tot 2040 bijna 200.000 nieuwe woningen nodig in de stedelijke regio’s

leefbaarheid en veiligheid in de gebieden waar deze het meest onder druk staan.

(220.000 in heel Brabant). Net als in andere delen van Nederland is er sprake van

Voor de stedelijke vernieuwingsgebieden wordt meerjarig door het Rijk inzet

woningnood. Urgentie is daarom het versnellen van de woningbouwproductie,

gepleegd ten behoeve van een maatwerkaanpak. De problematiek bestaat over

met name voor de korte en middellange termijn (tot 2030). Daarna neemt het

het algemeen uit een cumulatie van opgaven op het gebeid van onderwijs, werk

tempo waarin nieuwe woningen nodig zijn in de pronoses af.

/ armoede, inclusie, veiligheid en ondermijning en wonen en gezondheid. In

De groei van het aantal huishoudens wordt veroorzaakt door huishoudensverdunning en

de Brabantse steden zijn Eindhoven Woensel Zuid (39.000 inw), Tilburg Noord

migratie. De migratie is vooral afkomstig uit het buitenland. De migratie is ook

West (46.000 inw) en Breda-Noord (37.500 inw) aangewezen als Stedelijke

de meest onzekere factor in de prognose en maakt dat de behoefte lager of

vernieuwingsgebieden in het Interbestuurlijk Programma Leefbaarheid en

hoger kan uitkomen.

Veiligheid.

De bevolkingsontwikkeling maakt dat er vooral woningen toegevoegd moeten worden aan de bestaande voorraad voor senioren, eenpersoonshuishoudens en verschillende migrantengroepen die voor korte tijd, lange tijd of permanent in Brabant komen wonen en werken.

•

Het overgrote deel van de woningen in 2040 in Brabant zijn de woningen die er nu al staan, merendeels in de naoorlogse woonwijken. De kwaliteit van die bestaande woongebieden is dus essentieel om in zijn totaliteit in 2040 een passende en kwalitatief goede woningvoorraad te hebben. Dat belang wordt vergroot door het feit dat vanaf 2030 de behoefte aan nieuwe woningen afvlakt en voor tweederde van de Brabantse gemeenten er na 2030 nauwelijks meer groei in huishoudens is. De komende bouwgolf is op veel plekken dus voorlopig de laatste kans om het verschil te maken in de kwaliteit van de totale

Begrenzing stedelijk gebied Slechte / matige score Leefbarometer

woningvoorraad. •

De kwaliteit van de bestaande woongebieden staat nu en de komende 20 jaar met name onder druk door:

en een afnemend aantal fysieke winkels. Hierdoor staat het

•

Klimaatverandering; noodzaak tot energietransitie en aanpassen aan ‘nat’,

voorzieningendraagvlak en vitaliteit onder druk. Dat speelt niet alleen in

‘droog’ en ‘te heet’.

dorpen maar ook in stadswijken of centra van middelgrote steden.

•

Afnemende bevolkingsdichtheid door huishoudensverdunning in combinatie met veranderingen zoals centralisatie van voorzieningen

•

Met name de naoorlogse wijken missen nu de ontwikkeldynamiek om zich aan deze veranderingen aan te passen.

77

B. Lessen uit ontwerpend onderzoek •

Woondichtheden >25 woningen per hectare zijn in heel de provincie zeldzaam. Alleen in de stedelijke zones van de Eindhoven, Tilburg, ’s-Hertogenbosch en Breda liggen kansen om een hoogstedelijk woonmilieu te creëren. Om de bijbehorende stedelijke nabijheid en voedingsbodem voor een hoogstedelijk gemengd milieu te krijgen, vraagt dit grote aantallen woningen (20.000 – 40.000) per stad.

•

In de middelgrote steden is er de kans om stedelijke milieus te creëren en daarmee draagvlak te bieden voor een stedelijk voorzieningenaanbod en sterke OV-knoop (station of HOV+). Dit vraagt per kern om 2.000 (Waalwijk) tot 10.000 (Helmond) woningen als toevoeging in het centrumgebied.

•

Lokaal liggen in de buurt en de dorpen kansen voor een diversivisering op kleinere schaal in woningtypologieën, naar bijvoorbeeld ‘hoogdorpse’ appartementen of speciale woonvormen in het groen. Dat kan helpen om centra met lokaal voorzieningenaanbod te transformeren en meer kwaliteit en draagvlak te geven.

•

De huishoudensverdunning zorgt ervoor dat overal waar niet gebouwd wordt, het aantal inwoners afneemt. In dorpen, in wijken maar ook in grotere kernen. In Bergen op Zoom en Roosendaal is als gevolg van huishoudensverdunning de stedelijke nabijheid afgenomen in de afgelopen jaren. Tegengaan van deze trend vraagt verdichting.

•

Binnenstedelijk en binnendorps liggen grote kansen tot meekoppelen opgaven (voorzieningendraagvlak, kwetsbare wijken, energie). Voor uitleglocaties is deze potentie veel kleiner, vooral naarmate de uitleglocaties omvangrijker worden (+250 woningen). Bij dat type uitleg moeten veel dagelijkse voorzieningen worden

bewonersparticipatie). Om alle meekoppelkansen te verzilveren zouden ongeveer

toegevoegd terwijl de uitbreiding nauwelijks bijdraagt aan draagvlak voor het

twee keer zoveel woningen gerealiseerd moeten worden als de prognose tot 2040 als

bestaande. Uitleg heeft met name potentie als het gaat om kleine aantallen

behoefte aangeeft. De vraag is daarmee niet ‘waar laten we de woningen?’ maar

die aan de rand van dorpen helpen om de kwaliteit te verbeteren en groen/

‘waar zetten we ze met voorrang in?’.

blauwe ingrepen mogelijk te maken. Binnenstedelijk verdichten (met name corporatiebezit) kan gemiddeld twee keer zo snel als uitbreiding (in combinatie met

78

•

Het is nodig om substantieel te vergroenen en ruimte te bieden voor water (spons en berging) in bestaand stedelijk en dorps gebied. Dat vraagt zowel grote ingrepen

•

Bij woningbouwontwikkeling zetten we de brede integrale Brabantse opgave voorop. Uitleglocaties realiseren we alleen daar waar dat bijdraagt aan kwaliteit van dorpen, landschap of groen/blauwe opgaven. Dat gaat over kleinschalige ontwikkelingen. Uitleggen is geen middel tot versnelling. Transformaties gaan minstens even snel. Vanwege de noodzaak tot snel bouwen maken we in ieder geval af wat in vergevorderd stadium is: 32.900 woningen in harde plannen.

•

We bouwen naar behoefte en bieden verscheidenheid in woonmilieus. We zorgen dat de totale woningvoorraad past bij de groei in eenpersoonshuishoudens, senioren en migranten. We voegen hoogstedelijkheid toe aan het kleurenpalet van Brabant. We volgen in woningbouw de demografie, de economie en maatschappelijke trends. Iedere kern, groot of klein, realiseert dus voor haar opgave. De bevolkingsprognoses zijn hierbij een middel, waarbij het essentieel is te plannen op een bandbreedte omdat de toekomst er anders uit kan zien dan we nu voorzien.

(stedelijke hoofdstructuur groen/blauw) als ingrijpende transformatie op straat en gebouwniveau (denk aan hele buurt groene daken of in hele buurt een rij parkeren vervangen voor groen). C. Principes •

We benutten bestaande voorzieningen, opgaven, kansen en behoeften in wijken en dorpen om in het bestaande bebouwde gebied (snel) woningen te realiseren. Omgekeerd dragen we met die woningbouwontwikkeling bij aan een

•

De beschikbaarheid van (duurzame) energie en de bijbehorende infrastructuur is integraal onderdeel van de locatiekeuze en planontwikkeling. Dat kan door bij ontwikkelingen aan te sluiten op een centraal netwerk (en te zorgen dat de noodzakelijke verzwaring en uitbreiding van dat netwerk op tijd gereed is) of door in een ontwikkeling in te zetten op lokale productie en afname van energie met bijbehorend transportnetwerk en opslagfaciliteiten (zowel etmaal- als seizoensopslag). We zetten in om de lokaal of in een gebied opgewekte energie ook zoveel mogelijk ter plekke te gebruiken. Dit voorkomt (nieuw) ruimtebeslag voor energiehoofdstructuur.

evenwichtige en toekomstvaste woningvoorraad in de bestaande steden, dorpen, buurten en wijken. We gebruiken de transformatie om te verrijken, te verduurzamen, te revitaliseren en te vergroenen (door meekoppelen brede opgave: o.a. kwaliteit, klimaatadaptatie, energietransitie, diversificeren van woningaanbod).

79

•

Om alle meekoppelkansen te verzilveren zouden ongeveer twee keer zoveel woningen gerealiseerd moeten worden als de prognose tot 2040 als behoefte aangeeft.

80

•

De vraag is daarmee niet ‘waar laten we de woningen?’ maar ‘waar zetten we ze met voorrang in?’.

D. Interventies & acties

1.

De analyse maakt concreet voor welke opgaven welke kern staat (irt demografische ontwikkelingen, bereikbaarheid, energietransitie,

Interventies gericht op goede plannen

klimaatadaptatie, kwaliteit van de naoorlogse wijken), welke investeringen zijn

Om af te wegen tussen verschillende woningbouwopties (transformatie en uitleg)

er nodig om deze opgaven aan te pakken en hoe kan verstedelijking daaraan

en daarbij optimaal mee te koppelen op de brede opgaven, zorgen we de komende

bijdragen?)

jaren voor een concretisering op kern en wijkniveau voor alle kernen en wijken in

2.

De visie is zo concreet als een maquette en dient niet als eindbeeld maar

de stedelijke regio’s. Daarbij volgen we de drieslag: opgave analyseren, ruimtelijk

als ontwikkelrichting. Dit fungeert ook als een uitnodiging aan bewoners en

concrete visie opstellen en realisatie organiseren (zie onderstaand figuur).

stakeholders om zelf aan de slag te gaan. 3.

De realisatie organiseren betekent dat aan de voorkant blokkades in draagvlak, capaciteit, geld en risico’s (stikstof, energie) in beeld worden gebracht en vervolgens belegd en geslecht.

Specifiek wordt volgens bovenstaande systematiek voor elke dorpskern en stad een potentie-onderzoek gedaan naar de lange termijn binnenstedelijke en binnendorpse kwaliteitsopgave. Deze ontwikkeling zorgt voor integrale planvorming voor ieder centrumgebied (waar dit nog niet gedaan is). Uiteindelijk komt iedere wijk en kern aan de beurt, en wel voordat er op die plek nieuwe locaties aan de harde planvoorraad toegevoegd worden. Voor deze aanpak inclusief brede participatie worden op het niveau van de stedelijke regio, met support van provincie en Rijk, middelen, menskracht en kennis en kunde georganiseerd. Op plekken waar (een deel van) dit proces al doorlopen is, wordt daar natuurlijk op voortgebouwd. Nieuwe plancapaciteit voegen we pas toe als deze aanpak gevolgd is. Daarmee zorgen we voor maximaal meekoppelen.

81

Inspiratie voor bekostiging ‘ladder voor bekostiging’

Bron: Leer en Ontwikkeltraject Watertorenberaad.

Interventies gericht op snel realiseren van goede plannen

mobiliteit (zie principe 4), financiering voor onrendabele toppen en gericht

Om te versnellen zijn er voldoende harde locaties en meer dan voldoende locaties

elimineren van blokkades (eigendom, saneringen, regelgeving). Voor kleinere

waar toevoeging van wonen zeer gewenst is vanuit de ruimtelijke opgaven.

opgaven is de support meer maatwerk en op afroep.

Versnellen gaat dus over de stap van locatie naar realisatie. Daartoe zetten we de

Nieuwe plannen worden vanuit lokale visie met participatie (zie vorige interventies)

volgende middelen in:

geïnitieerd zodat er draagvlak is en de koppelopgaven doordacht zijn. Een

•

integraal goed plan met draagvlak is de beste garantie op vlotte realisatie.

Op het niveau van de stedelijke regio’s, met support van provincie en Rijk worden middelen, menskracht en kennis en kunde georganiseerd.

82

•

•

Voor de belangrijkste risico’s van dit moment – stikstof, energie en mobiliteit –

Dit gebeurt passend bij de schaal van de opgave. Voor de grote

wordt op het niveau van de stedelijke regio’s, met support van provincie en Rijk,

ontwikkellocaties (+1.500 woningen) wordt structureel een samenwerking

een scan met oplossingen en bijbehorende pakketafspraken op locatieniveau

opgetuigd die voorziet in slagvaardige projectorganisaties, investeringen in

gemaakt.

•

Vergroten van de mogelijkheden om goede plannen met een onrendabele top

Versnellen en intensiveren transformatie naoorlogse wijken (irt meekoppelen groen, energie,

gerealiseerd te krijgen door gebiedsgerichte bekostiging te organiseren. In de

differentiatie woningvoorraad, etc.). De transformatie van bestaande woonwijken is

uitwerking van deze strategie wordt daar een passende vorm bij gezocht.

een ander type ontwikkeling dan een grote locatie nieuw realiseren of volledig van

Uitgangspunt is dat bekostiging meer gebiedsgericht wordt, waarbij

functie transformeren. De kracht en snelheid van transformatie in een bestaande

meekoppelopgaven gemonetariseerd worden. Daarbij komt er onderscheid

wijk ligt in het belang dat eigenaren zelf hebben bij transformatie. Dat kan een

tussen opgaven die (met enige creativiteit) mee kunnen bekostigen

coöperatie zijn met meerdere blokken in bezit maar ook de optelsom veel kleine

(bijvoorbeeld vanuit stikstofaanpak, energietransitie of mobiliteit) en opgaven

ontwikkelingen, die ook vanuit bewoners, bedrijven, en eigenaren geïnitieerd kunnen

die wel maatschappelijke baten opleveren maar waar die baten zich niet

worden. Eenmaal op stoom biedt dit type ontwikkeling veel snelheid en flexibiliteit.

kunnen vertalen in bekostiging (bijvoorbeeld extra levensjaren of een groter

Deze ontwikkeling vraagt: delen van best-practices op verschillende schaalniveaus,

banenbereik). Doel moet zijn de eerste categorie naar binnen te halen en

opstellen van visiekaarten per wijk (zie principe), ‘ontregelen’ op basis van de visie,

de tweede categorie zichtbaar te maken als extra onderbouwing om in een

communicatie/participatie/coproductie, versterken van instrumentarium (publiek

onrendabele top te investeren. En tegelijkertijd om ervoor te waken dat ‘het

en particulier), fondsen die als katalysator kunnen fungeren en een slagvaardige

beste’ de vijand van ‘het goede’ wordt. En dus baten die geen bekostiging

en flexibele projectorganisatie met passend ontwikkelmodel voor geleidelijke

meebrengen ook af te durven koppelen om tot realisatie te komen. Het tweede

transformatie.

uitgangspunt voor de te ontwikkelen bekostigingsvorm is dat het beter mogelijk wordt gemaakt over gebieden heen te verevenen. Zo kunnen locaties met veel ontwikkelpotentieel bijdragen een gebieden met veel transformatieopgaven maar weinig verdienpotentieel. •

Vergroten van de mogelijkheden om goede plannen met een onrendabele top gerealiseerd te krijgen door kosten te elimineren. Ook dit onderdeel vraagt uitwerking en maatwerk. Kern is dat er ruimte gezocht wordt voor kosten die volgen uit beleid en regelgeving maar waarbij dat belang op die plek ook anders ingevuld kan worden. Een belangrijk voorbeeld is parkeren, dat in hoogstedelijke gebieden misschien wel volledig geschrapt kan worden en op afstand georganiseerd.

83

INSPIRATIE. Verdichtingsverhalen: ‘het recente verleden bewijst dat het kan’ Sint-Oedenrode 2000

Sint-Oedenrode 2020

Het College van Rijksadviseurs heeft

af. Zwaartepunt heeft tot nu gelegen bij enkele

onderzoek gedaan naar Nederlands recente

stads- en dorpscentra en bij de naoorlogse wijken

verdichtingsverleden. Het onderzoek laat zien dat

in de schil daar direct omheen (uit jaren ‘50 en ‘60).

het inzetten op kwaliteitsverbetering van bestaande

Diverse casussen laten zien dat er zelfs in de plekken

buurten leidt tot meer woningaanbod. Daar profiteren

waar nu al veel bijgebouwd is nog volop ruimte ligt

zowel nieuwe en bestaande inwoners van. Het

voor kwaliteitsverbetering. Tegelijkertijd zijn er veel

permanent aanpassen en vernieuwen van gebouwde

gebieden waar tot nu zeer beperkt tot geen aandacht

buurten, dorpen en steden is een succesvol middel

voor is geweest.

om ze levendig en bij de tijd te houden.

•

Verdichting in stads- en dorpscentra tussen 2005 en 2020: Bergen op Zoom (+25%), Steenbergen (+20%),

Het verhaal van Sint-Oedenrode centrum

Oudenbosch (+30%), Etten-Leur (+70%), Breda (+50%),

In het dorpshart van Sint-Oedenrode zijn tussen 2005

Dongen (+20%), Loon op Zand (+30%), Waalwijk (+25%), Oisterwijk (+50%), Drunen (+120%), Best (+25%), Asten

en 2020 bijna 350 nieuwe woningen toegevoegd

(+40%), Valkenswaard (+25%), Bladel (+60%), Hapert

(+55%). De inbreidingslocaties verschillen sterk

(+30%), Eindhoven (+90%), Geldrop (+30%), Vlijmen (+40%),

van elkaar maar zijn allen op een vanzelfsprekende

Oss (+30%), Berlicum (+25%), Schijndel (+100%), Veghel

manier in de bestaande dorpse sfeer ingepast. Ze sluiten qua functie, maat, oriëntatie en architectuur aan bij het bestaande. Ze voegen naast woningen ook

(+30%), Uden (+35%) en Bernheze (+60%)

•

Verdichting in naoorlogse wijken tussen 2005 en 2020: Kalsdonk Roosendaal (+15%), Ypelaar Breda (+15%),

voorzieningen toe en hebben het mogelijk gemaakt

Heuvel Breda (+20%), Tuinzigt Breda (+35%), Doornbos-

openbare ruimte te verbeteren, onder meer door

Linie Breda (+15%), Schrijversbuurt Loon op Zand (+55%),

het maken van nieuwe voetgangersverbindingen

Naastenbest Best (+17%), Geenhoven Valkenswaard

en het behoud van doorzichten richting het Dommellandschap. Alles bij elkaar opgeteld is met de inbreidingsprojecten een substantiële bijdrage geleverd aan het versterken van de kwaliteit van het dorp.

(+20%), Molenakkers Eersel (+10%), Hapert Noord (+60%), D’Ekker Veldhoven (+35%), Hemelrijken Eindhoven (+35%), Barrier Eindhoven (+20%), Philipsdorp Eindhoven (+75%), Bennekel-Oost Eindhoven (+30%), Tuindorp Eindhoven (+20%), Sintenbuurt Eindhoven (+15%), Gerardusplein Eindhoven (+15%), Vossenberg Helmond (+40%), De Reit

Foto’s: Inbo

84

Het verhaal van Sint Oedenrode staat niet op zichzelf.

’s-Hertogenbosch (+30%), Molenhoek ’s-Hertogenbosch

In de vijftien jaar tussen 2005 en 2020 zijn op veel

(+20%), Kortfoort Oss (+30%), Oorlogsheldenbuurt Oss

plekken in Brabant woningen bijgebouwd om meer kwaliteit te maken. Deze opgave is nog lang niet

(+25%) en Hoogeinde Veghel (+35%)

INSPIRATIE. Een nieuwe duurzame woning in 25 dagen (Vogeltjesbuurt, Tilburg) De Vogeltjesbuurt is een echte Tilburgse Volksbuurt, gebouwd in de periode vlak

De nieuwbouw kon zo snel verlopen dankzij de toepassing van het ‘one piece flow’

vóór en na de oorlog. De ongeveer 200 sociale huurwoningen waren technisch

principe waarbij 16 appartementen in een recordtijd van 62 werkbare dagen konden

verouderd en de wijk had dringend behoefte aan meer lucht en groen. Tiwos

worden gebouwd. Bij grondgebonden woningen namen sloop en nieuwbouw slechts 25

(Tilburgse Woonstichting) wilde echt vóór de buurt bouwen. Dat wil zeggen: 100%

werkbare dagen per woning in beslag!

sociale woningbouw en volop bewonersparticipatie. De buurt is binnen drie jaar verduurzaamd. Er werd ruimte gevonden voor brede stoepen, gezellige woonstraten, een ruim centraal plein en genoeg parkeerplaatsen. 2005

2020

Foto’s: KAW

85

INSPIRATIE. Groei naar een gevarieerder woningaanbod (Kruiskamp, ‘s-Hertogenbosch) In de Bossche wijk de Kruiskamp wordt gewerkt aan een behoudende aanpassing

de buurt, gebaseerd op chirurgisch ingrijpen. Dat resulteert onder andere in

van binnenuit. De wijk bestaat voor grote delen uit buurten met laagbouw (veelal

onderstaande transformatie. Op de plek van 102 eengezinswoningen is een nieuw

gedateerde systeemwoningen) in een ruime groenstructuur. Er zijn in de buurt

blok verrezen met 58 eengezinswoningen, 17 zorgappartementen (afgenomen door

veel situaties met ‘blinde kopgevels’, die de kwaliteit en sociale veiligheid van

zorgaanbieder Vivent), 72 sociale huurappartementen en een ontmoetingsruimte.

de openbare ruimte onder druk zetten. Daarnaast is er toenemende vraag naar

Dit komt neer op 45% meer programma op dezelfde plot. Maar het zorgt vooral voor

betaalbare woonruimte, onder andere voor mensen die ouder worden en met

een kwaliteitstoevoeging aan de openbare ruimte en aan een woningaanbod dat

zorg thuis willen wonen. Corporatie Zayaz werkt aan een herstructurering van

veel beter past bij de actuele vraag.

2005

Foto’s: KAW 2020

86

INSPIRATIE. Ouderen stromen door binnen de eigen buurt (Tivoli, Eindhoven) Op de plek waar eerst 50 kleine vooroorlogse eengezinswoningen stonden

woningen voor jongeren die zelfstandig willen wonen. Hierdoor kunnen familieleden

realiseerde woningcorporatie Woonbedrijf 63 nieuwe en betaalbare woningen

bij elkaar in de buurt blijven. Alle nieuwe woningen zijn uitgevoerd zonder

(komt neer op +26%) en een nieuwe gemeenschappelijke binnentuin. De nieuwbouw

gasaansluiting en met energielabel A++. Bij de sloop van de oude huurwoningen zijn

omvat 29 rijwoningen, 3 gezinswoningen, 8 bovenwoningen, 8 benedenwoningen

de kozijnen en voordeuren opgeslagen met het oog op hergebruik. Ook de oude

en 15 appartementen. De helft van de woningen werd gereserveerd voor huidige

poorten van de poortgebouwen werden gebruikt in de nieuwbouw. Het verkruimelde

wijkbewoners. De bewoners kregen zo meer keuze en konden, als ze bijvoorbeeld naar

metselwerk vormt de fundering van de parkeerplaatsen.

een gelijkvloerse woning wilden, in de buurt blijven wonen. Ook omvat de nieuwbouw

2005

2020

Foto’s: KAW

87

4. Mobiliteitstransitie maatwerk voor stad en dorp STEDELIJK OV+FIETS

HOV-KNOPEN

HOV-LIJNEN

(meer nabijheid, meer mix,

(Prioriteitslocaties: Waalwijk,

(systeem van hoogwaardig

meer OV en meer fiets)

Oosterhout, Veghel, Uden en

openbaar vervoer)

toplocaties Brainport)

88

Beste potentie OV/fiets Zeer goede potentie OV/fiets

PLEK MAKEN - OV

POTENTIE NIEUWE KNOOP

(Eindhoven NW, Lage

(Verknoping Eindhoven NW,

Zwaluwe, R’daal Zuid en

Berkel-Enschot en sprinterstation

Spoorlijn

Tilburg Universiteit)

Roosendaal-Zuid)

HOV-lijn

Goede potentie OV/fiets Redelijke potentie OV/fiets

Hoofdwegen auto

Ontwikkelprincipe 4. Mobiliteitstransitie maatwerk voor stad en dorp A. Belangrijkste bevindingen uit analyse

vervoer op kleinere stromen en op rustigere tijdstippen staan onder druk. Een uiteenlopende groep mensen is niet of onvoldoende in staat om zelfstandig van

•

De vraag naar mobiliteit neemt toe als gevolg van het groeiend aantal inwoners en arbeidsplaatsen en doordat de Brabander zich verplaatst binnen een steeds groter

het mobiliteitssysteem gebruik te maken. •

Er is een dubbele noodzaak om de logistiek in stedelijk gebied opnieuw te organiseren.

Daily Urban System voor wonen, werken, onderwijs, ontplooiing en ontspanning.

Er is minder ruimte voor het vrachtverkeer en de logistieke behoefte neemt

De nationale (Stedelijk Netwerk Nederland) en internationale connectiviteit

juist toe. Die toename volgt uit meer inwoners en banen en uit de agenda (zie

is bovendien een belangrijk onderdeel van het functioneren van (stedelijk)

ontwikkelprincipe 5) om de (maak)economie een sterkere plek in de stad te

Brabant. Ook die uitwisseling in die (inter)nationale agglomeratie leidt ook tot

geven.

een toename van de mobiliteitsvraag. •

Het huidige mobiliteitssysteem (wegen, openbaar vervoer en fietspaden) is op deze

B. Lessen uit Ontwerpend onderzoek

groei niet op berekend. Met name het hoofd(wegennet) loopt volledig vast als we doorgaan op huidige weg. Dit heeft negatieve gevolgen voor de bereikbaarheid en

•

Een mobiliteitstransitie is noodzaak, waarbij wordt ingezet op minder reizen/

leefomgeving. Er is ook een toenemende verkeersonveiligheid. Brabant kent

verplaatsen en op een verschuiving van autogebruik naar meer OV, fiets, lopen

relatief veel verkeersslachtoffers. De impact daarvan is groot en leidt tot veel

en slimme mobiliteit.

persoonlijk leed en hoge maatschappelijke kosten. •

•

•

Vooral de steden die een schaalsprong maken in stedelijke voelen de noodzaak

De verplaatsingspatronen veranderen. De mobiliteit in Brabant is van oudsher sterk

voor een mobiliteitstransitie. De mobiliteitstransitie is direct gekoppeld aan de

op de auto gericht. Vooral de verplaatsingen buiten de eigen kern leunen sterk

stedelijke transformatie en verdichting. Stedelijke groei geeft de noodzaak

op de auto. In en tussen de steden zien we een groei van fiets en openbaar

mobiliteit anders in te richten. Anders is er een te grote claim op de ruimte

vervoer. Ook deelmobiliteit heeft in de steden een toenemend aandeel in de

(infrastructuur en parkeren) en op de leefbaarheid van de steden (congestie,

mobiliteit. Hoger opgeleiden en jongeren verplaatsen zich voor werk, onderwijs

geluidsoverlast, luchtkwaliteit). Sterker, de ambities voor verblijfskwaliteit

en recreatie niet alleen binnen Brabant maar ook nationaal en internationaal. Zij

en groen/blauw betekenen dat er bij verdichting alleen maar extra ruimte

maken relatief meer gebruik van de trein en de fiets dan de middelbaar en lager

gewonnen moet worden. Ruimte vinden binnen de verkeers- en parkeerruimte

opgeleiden. Die laatsten verplaatsen zich vooral binnen de eigen regio.

van met name de auto is hiervoor vrijwel de enige mogelijkheid. Omgekeerd

Er is een groeiend verschil tussen verplaatsingsgedrag binnen en buiten de stad;

wordt de mobiliteitstransitie juist ook mogelijk gemaakt door de toename van

stedelijk met OV en fiets versus suburbaan en dorps met de auto. Dit verschil

de stedelijke nabijheid en functiemenging en keuze voor verblijfskwaliteit in de

creëert ook een bereikbaarheidsprobleem. Een aantal middelgrote plaatsen

stad.

(Oosterhout, Waalwijk, Veghel, Uden,..) in Brabant missen de aansluiting op het stedelijk mobiliteitssysteem. •

De verbinding tussen platteland en stad is cruciaal voor zowel de leefbaarheid in de steden als voor de inwoners van het platteland. Het voorzieningenniveau en het

89

Nabijheid

Nabijheidsindex 2018 Bron: Dashboard Verstedelijking Hoogstedelijk Stedelijk Semi-stedelijk Suburbaan Dorps Landelijk

Relatie tussen nabijheid en generatie van mobiliteitstrips en reizigerskilometers. Langjarige analyse van het CBS-OViN (Onderzoek Verplaatsingen in Nederland) laat zien dat de mate van nabijheid (van inwoners en banen) correleert met het verplaatsingsgedrag van de inwoners in deze gebieden. Bijvoorbeeld: Inwoners in (hoog)stedelijke gebieden kiezen vaker voor de fiets, lopen of het OV. In suburbane milieus is het aandeel autotrips fors groter. In Brabant zijn de verschillen tussen stad en land nu relatief klein als we kijken naar dichtheden en nabijheid. Het ontwerpend onderzoek leert echter dat de B5 en M7 in veel gevallen een sprong in stedelijke nabijheid kunnen maken. Zeker voor de B5 (en daarbinnen Eindhoven en Tilburg) is er dus ruimtelijke voedingsmodem voor een mobiliteitstransitie gekoppeld aan de stedelijke tranformatie en verdichting.

90

Bike Train Accessibility Level (BTAL) 10minuten OV+fietscontour rondom top 25 IC-station (H)OV+fiets bereikbaarheid: Zeer goed (H)OV+fiets bereikbaarheid: Goed (H)OV+fiets bereikbaarheid: Redelijk (H)OV+fiets bereikbaarheid: Matig (H)OV+fiets bereikbaarheid: Slecht

Niet alle OV-stations hebben dezelfde netwerkwaarde. En niet alle locaties hebben dezelfde nabijheid. Deze weging is wel meegenomen in bovenstaande kaart Bike Train Accessibility Level (BTAL): een 5 punt schaal waarin de volgende aspecten worden afgewogen. •

•

‘OV-score’. Mate waarin een locatie is aangetakt op een (H)OV-locatie. Des

‘Fiets-nabijheidsscore’: 15 minuten fiets-contour rond centrum van kern

te ‘beter’ de (H)OV-halte, des te grotere afstand mogelijk (gebaseerd op

met minimaal nabeiheidsklasse ‘stedelijk’ (Breda, Tilburg, Den Bosch,

gemiddelde snelheid, actieradius en frequentie).

Eindhoven) of 10 minuten fiets-contour rond centrum van kern met minimaal

•

‘Spoor-potentieel’. Mate waarin huidige bebouwing samen met potentiele

nabijheidsklasse ‘semi-stedelijk’ (Bergen Op Zoom, Roosendaal, Oss,

programma een casus geeft voor nieuw station of bedieningsupgrade van een

Helmond).

bestaand station.

91

De figuur geeft voor de stedelijke regio ’s-Hertogenbosch het verschil tussen een compact stedelijk ontwikkelperspectief en een gespreid ontwikkelperspectief. Compact stedelijk neemt het autoverkeer af ten opzichte van de 2040 basisprognose. Bij gespreid ontwikkelen neemt het autoverkeer juist toe. Op de A59 en A50 is dit het verschil tussen wel of niet een extra rijstrook nodig.

voor stedelijk HOV naar locaties met stedelijke massa die net buiten de 15 minuten fietscontour liggen (zoals in Eindhoven en iets mindere mate Tilburg en ’s-Hertogenbosch). De hefboom van de transitie is zo groot, dat ondanks de groei van inwoners er arbeidsplaatsen, het autoverkeer niet toeneemt en in en rond de centra zelfs afneemt. De autoinfrastructuur moet wel aangepast worden om verblijfs- en ontwikkelruimte in de stedelijke centra vrij te spelen en intensieve tranformatiegebieden te ontsluiten. Deze resultaten vragen wel dat het mobiliteitssysteem de ruimtelijke ingezette mobiliteitstransitie ook faciliteert met flankerende maatregelen zoals als een sturende parkeeraanpak (parkeren op afstand, betaald parkeren), een gedragsaanpak en herinrichting van de openbare ruimte. •

Voor de B5-steden ontstaat door bovengenoemde schaalsprong in stedelijke nabijheid draagvlak (en noodzaak) voor hoogfrequent OV tussen de Brabantse steden. Voor middelgrote steden met station (Oss, Bergen op Zoom, Roosendaal) geeft een schaalsprong naar een stedelijke kern draagvlak voor 15 minuten ICfrequenties. Voor de middelgrote kernen zonder station (Waalwijk, Oosterhout, Veghel, Uden) ontstaat er een vraag naar nieuwe OV-basiskwaliteit: een HOVstation als aankomstplek binnen de stad. Op alle drie de niveaus heeft – met

•

Bij een stedelijke mobiliteitstransitie wordt de fiets het belangrijkste vervoersmiddel.

eigen maat en schaal - het station een centrale hub-functie en een fijnmazige

Het toevoegen van woningen en arbeidsplaatsen is een hefboom om de

ontsluiting in de stad met wandel en fietsnet en deelmobiliteit.

hele stad een grotere stedelijke nabijheid te geven. Een stedelijk en compact

•

Buiten het stedelijk gebied blijft de auto erg belangrijk en staat het aandeel van de fiets

ontwikkelperspectief leidt bijvoorbeeld in Eindhoven en Tilburg tot een

juist onder druk. Om die trend te keren is nabijheid van voorzieningen essentieel.

stedelijke nabijheid en schaal die in de richting gaat van Utrecht in 2018. Bij

Doel is het op prettige loop- en fietsafstand houden of brengen van dagelijkse

die nabijheid past flexibel vervoer over korte afstand. De grote groei van de

voorzieningen. Tegelijkertijd is de les dat het ontwikkelen van grote aantallen

mobiliteit in de stad zijn daarom fietsritten. Een verdubbeling is niet irreëel.

woon- en arbeidsplaatsen buiten het stedelijk gebied altijd leidt tot toename

Fiets en lopen zijn daarmee de dragende vervoerswijze in de stad. Extern

van autoverkeer.

is de fiets-trein combinatie dominant en dit versterkt de oriëntatie op het

•

Er ligt onbenutte ruimte rondom bestaande OV-knopen. Daarbij moet een

Stedelijk Netwerk Nederland. Ook in de stad groeit het OV relatief gezien

onderscheid gemaakt worden tussen ontwikkelruimte in stedelijk gebied

sterk. Dat komt ook omdat het huidige OV-gebruik laag is. Er is vooral markt

nabij IC-knopen en ontwikkelingen in suburbane of dorpse milieus bij sprinterknopen, HOV-knopen of te ontwikkelen mobiliteitshubs. In stedelijke

92

•

gebied kan ontwikkeld worden met een hoog aandeel fiets en OV gebruik. In

en multimodale bereikbaarheid in 15-30 minuten van meer stedelijke

suburbane of dorpse milieus bij sprinterknopen, HOV-knopen of mobiliteitshubs

voorzieningen, inclusief bereikbaarheid van een goede OV-knoop. De stedelijke

zien we evengoed een hoog autogebruik, dus zullen deze ontwikkelingen

knopen zijn op hun beurt weer onderdeel van het Stedelijk Netwerk Nederland

ondanks de OV-beschikbaarheid de druk op het wegennet blijven opvoeren.

en bieden internationale connectiviteit.

Met een mix in ontwikkeling waarbij in het (hoog)stedelijke gebied een sterke

In het stedelijk gebied zetten we in op een mobiliteitstransitie waarbij verblijfskwaliteit,

mobiliteitstransitie ingezet wordt en daarbuiten de auto een grote rol kan blijven spelen,

lopen, fietsen, deelmobiliteit en OV (voor de lange afstanden) voorop staan. Een

is de totale ontwikkeling van de automobiliteit te beheersen. De transitie is en tussen

flankerende aanpak met sturende parkeeraanpak, gedragsaanpak en

stedelijke gebieden creëert dan de ruimte in het autonetwerk waar de andere

herinrichting van de openbare ruimte horen daarbij. Dat vraagt ook een

vervoersrelaties (zowel personen als vracht) gebruikt van kunnen maken. Dat

mental shift (een nieuwe kijk op reizen en op het mobiliteitssysteem) en een

vraagt wel flankerend mobiliteitsbeleid over de hele linie waarbij ook slimme

modal shift (van auto naar ruimte efficiëntere en duurzamere alternatieven

mobiliteit, parkeerbeleid, gedragsmaatregelen en de landelijke invoering van

deelmobiliteit, OV, fiets en lopen).

beprijzing onderdeel zijn. •

•

•

Door deze stedelijke mobiliteitstransitie in combinatie met flankerend beleid blijft

In iedere stedelijke regio is sprake van veel uitwisseling tussen de dorpse, suburbane en

er ruimte op het autowegennet. Die capaciteit op het autonetwerk reserveren voor

stedelijke gebieden. De stedelijke regio’s vormen één Daily Urban System. Omdat

verplaatsingen van personen en vracht waarvoor geen goed alternatief is. Buiten de

de mobiliteit tussen de verschillende gebiedstypen steeds meer verschilt is

(hoog)stedelijke milieus blijft de auto het belangrijkste vervoersmiddelen voor

het van groot belang de uitwisseling goed te organiseren. Mobiliteitsdiensten,

verplaatsingen buiten de eigen kern.

deelmobiliteit, hubs en nieuwe vormen van openbaar vervoer spelen daarin een belangrijke rol. C. Principe

D. Interventies en acties: •

De stedelijke mobiliteitstransitie als combinatie van schaalsprong en transitie faciliteren met breed pakket aan maatregelen; herinrichtingen openbare ruimte

•

•

Het gehele mobiliteitssysteem is een eenheid. Alle modaliteiten zijn belangrijk en

gericht op verblijfskwaliteit, lopen en fietsen, versterken fietsennetwerk en

vervullen in onderlinge samenhang elk hun eigen rol die ervoor zorgen dat er

fietsstallingen, gedragsaanpak, deelmobiliteit, sturend parkeerbeleid (o.a.

soepel gereisd kan worden binnen de Daily Urban Systems van de stedelijke

hubs, parkeren op afstand) en stedelijk HOV. Doorstroomassen voor het auto-,

regio’s tussen de verschillende gebiedstypen.

fiets- en busverkeer zijn binnen de stedelijke regio’s de ‘dragers’ van het

We hanteren het Daily Urban System van de 15 minuten stad als uitgangspunt. In

mobiliteitssysteem.

stedelijk gebied betekent dit ontwikkelen met als principes nabijheid en

•

De stedelijke mobiliteitstransitie richt zich ook op de stedelijke logistiek. Dat vraagt

menging in stedelijke milieus van wonen, werken en voorzieningen. Buiten

meer inzet op goederenhubs, kleine zero-emissie voertuigen en combinatie van

het stedelijk gebied betekent ‘15 minuten nabijheid’ ruimtelijk ontwikkelen

stromen. Er is een sterke samenhang met de agenda om de (maak)economie

gericht op draagvlak voor dagelijkse voorzieningen op loop- en fietsafstand

een grotere plek in de stad te geven (ontwerpprincipe 5).

93

SCHEMATISCHE WEERGAVE. Mobiliteitstransitie maatwerk voor stad en dorp In het stedelijk gebied is een keur aan dagelijkse en niet-dagelijkse voorzieningen nabij. Lopen en fietsen zijn dragend. Extern is dat de fiets-trein combinatie. In het stedelijk gebied zelf is het aandeel OV beperkt maar duidelijk groter dan nu, toegespitst op gebieden met stedelijke massa die buiten de directe fietscontour liggen. Die fietscontour wordt met snelfietsroutes groter voor de gebruiker die wat verder fietsen prima vindt. Dat biedt keuzeruimte aan bewoner en bezoeker. Stedelijk HOV en snelfietsroutes leggen ook de verbinding naar grotere werklocaties aan de stadsrand. De auto heeft een relatief kleine rol in het stedelijk gebied. Parkeren in wijkhubs, deelauto’s, gereguleerd parkeren, 30 km/uur en afwikkelen buitenom zijn de standaard. In de M7 is een compleet aanbod van dagelijkse voorzieningen binnen 10 minuten lopen of fietsen, geconcentreerd in aantrekkelijke gemengde centrumgebieden. Voor ruimere keuze in banen en hoogstedelijke voorzieningen wordt vaker dan in de B5 een beroep gedaan op de stedelijk regio. Extern is de auto het belangrijkste vervoersmiddel. Via trein of HOV is de M7 wel stevig aangetakt op het stedelijk netwerk. Via snelfietsroutes zijn omliggende kernen en stedelijke centra bereikbaar per e-bike.

OV en fiets blijven in de M7 duidelijk ondergeschikt aan de auto maar bieden wel de kwaliteit van multimodale bereikbaarheid en een lichte reductie van het huidige auto-aandeel. In de centrumgebieden zal gereguleerd parkeren op afstand ingezet worden, daarbuiten start de autorit meestal voor de deur. De kleinere kernen zijn een zeer diverse groep. Het voorzieningenaanbod dat in de eigen Schematische weergave resultaat mobiliteitstransitie voor B5, M7 en kleinere kernen. De figuur geeft typologisch en orde van grootte de rol en samenhang van de vervoerswijzen. Uit te werken per stad en dorp.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11863596/1