CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a Toelichting en regels concept ontwerpbestemmingsplan

Gemeenteraad 7 december 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Stand van zaken bestemmingsplan Brabantbad30.560 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Echter is de afstand tussen het plan en de risicobron dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Veilgheidsregio Voor kwetsbare objecten gesitueerd buiten de 325 meter van het spoor en de wegen, maar nog wel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen, geldt dat op een dergelijke afstand een ontwikkeling geen invloed meer heeft op de omvang van het groepsrisico. Het bestrijdbaarheidvraagstuk speelt hier niet of nauwelijks, omdat de bestrijding bij de bron plaatsvindt op ruime afstand van het plangebied. Binnenplans zou enkel nog aandacht kunnen worden besteed aan beheersbaarheidmaatregelen om de gevolgen van een toxisch scenario tegen te gaan, zoals mechanische afsluiting van gebouwen. In overleg met de regionale brandweer is echter 51

besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld en dat het in het kader van de verantwoording van het groepsrisico niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer. Derhalve is geen advies betrokken/ingewonnen bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio.

Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het plangebied ligt alleen binnen effectafstand van het scenario toxische wolk. De kans daarop is klein. Mocht het toch gebeuren dan is binnen schuilen de beste zelfredzame strategie. Het ligt in de verwachting dat de aanwezige personen in voldoende mate zelfredzaam zullen zijn om zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. Daarnaast zijn aanvullende maatregelen mogelijk om de zelfredzaamheid verder te verbeteren, zoals het toepassen van risicocommunicatie en het verbeteren van de ontvluchtbaarheid, zodat van de risicobron af gevlucht kan worden. Er zijn in dit geval per gebouw meerdere vluchtroutes mogelijk door de ligging in een park. Ook vanuit de parkeergarage zijn meerdere vluchtroutes mogelijk. De mate van zelfredzaamheid wordt al met al voldoende geacht. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron.

De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Het plan heeft geen invloed op de mogelijkheden tot bestrijding bij de bron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontouren van risicobronnen, maar binnen het invloedsgebied van één transportroute. Het groepsrisico is in dit kader (beperkt) verantwoord. Het restrisico kan acceptabel worden geacht op basis van deze verantwoording.

5.8

Lucht

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 52

(1,2µg/m³) Beoordeling Invloed initiatief op luchtkwaliteit Onderbouwd moet worden dat het plan onder de Regeling NIBM valt. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. Het plan voorziet in 177 woningen (plus maximaal 960 m² aan overige functies in de plinten) en blijft - gezien de rekenresultaten als gevolg van de verkeersgeneratie - ruimschoots onder de norm zoals vastgelegd in de Regeling NIBM. Figuur 5.2 geeft de resultaten van de NIBM-tool weer, waaruit dit blijkt. Een luchtkwaliteitsonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Figuur 5.2: resultaten NIBM-tool

Naast het voorgaande is ook het achtergrondniveau (de huidige situatie van de luchtkwaliteit) van belang. Met behulp van de NSL-motitoringstool is dit voor de meest nabijgelegen rekenpunten bepaald, zie de tabel in figuur 5.3. Hieruit blijkt dat de achtergrondwaarden ter plaatse van het plangebied (locatie Prins Hendrikpark / Van Grobbendoncklaan) voor fijnstof en NO2 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Ter plaatse van het plangebied is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Id rekenpunt

N02 µg/m³

PM10 µg/m³

15524153 15524487 15524098 15523385 15525021 Norm

24.3 26.4 26.1 25.7 25.1 40

20.3 20.8 20.7 20.6 20.5 40

PM10 PM2.5 µg/m³ overschrijdings-d agen 8.0 12.6 8.4 12.8 8.3 12.8 8.3 12.7 8.1 12.7 35 25

Jaar

2020 2020 2020 2020 2020

Tabel 5.2: achtergrondwaarden luchtkwaliteit in omgeving plangebied, rekenjaar NSL-monitoringstool)

53

2020 (bron:

5.9

Bodem

Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Beoordeling Met dit bestemmingsplan worden drie woongebouwen met commerciële en/of maatschappelijke functies in de plinten mogelijk gemaakt ter plaatse van een voormalig sport- en zwemcomplex. Omdat er sprake is van een gevoelige functie, is een onderzoek naar de bodemkwaliteit in het plangebied noodzakelijk. Er is een vooronderzoek, gevolgd door een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Sweco Nederland B.V.. De rapportage is opgenomen in Bijlage 4. Hierna worden de onderzoeksresultaten besproken. Doel van de onderzoeken is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit op de locatie ten behoeve van de voorgenomen nieuwbouw.

Historisch onderzoek Het historisch onderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725. In het kader van het historisch onderzoek zijn vragen gesteld die onder andere betrekking hebben op potentiële bronnen van bodemverontreiniging, asbestverdachtheid van de bodem en bodemlagen binnen de planlocatie. Hieruit is gebleken dat de grond (en het grondwater) mogelijk verontreinigd zijn door de aanwezigheid van ondergrondse tanks, restverontreinigingen afkomstig van het benzinestation ten oosten van het plangebied, verontreinigingen als gevolg van een afgebrande sporthal en een voormalige rotonde welke waarschijnlijk deels ter plaatse van het plangebied is gelegen. Ook is op basis van verstrekte informatie geconstateerd dat de locatie niet asbestverdacht is. Tot slot werd gesteld dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op basis van het historisch vooronderzoek onvoldoende bekend is. De aandachtspunten van de potentiële bronnen van bodemverontreiniging geven aanleiding verkennend bodemonderzoek uit te voeren.

Verkennend bodemonderzoek (veld- en laboratoriumonderzoek) Op basis van de resultaten van het historisch onderzoek is een verkennend onderzoek uitgevoerd, dat deels op maat is ingestoken en bestaat uit veld- en laboratoriumwerkzaamheden. Conform de aanpak van de NEN 5740 dient, op basis van de resultaten van het historisch onderzoek een onderzoekshypothese te worden vastgesteld. Hierbij wordt de onderzoekslocatie zonodig onderverdeeld in deellocaties. In onderstaande tabel 5.3 is de indeling in deellocaties met de bijbehorende onderzoekshypothese en onderzoeksstrategie van het verkennend bodemonderzoek weergegeven.

54

Tabel 5.3 Te onderscheiden deellocaties met onderzoeksstrategie - verkennend bodemonderzoek

Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit het verkennend onderzoek blijkt dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ vanwege de aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater strikt genomen niet juist is. Er zijn over het algemeen licht verhoogde gehalten aangetroffen in de bodem (lood, koper, kwik, PAK, PCB en minerale olie) en het grondwater (barium, benzeen, naftaleen, dichloormethaan). Deze lage gehalten geven geen aanleiding tot het verrichten van nader onderzoek. Ten aanzien van twee deellocaties (ter plaatse van meetpunten in het noordwestelijke deel van het plangebied) is bij onderhavig onderzoek een nader onderzoek naar lood uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er van uitgegaan kan worden dat er geen verontreiniging met sterk verhoogde gehalten aan lood aanwezig is. Gezien de heterogeniteit van de grond is echter niet uit te sluiten dat plaatselijk, als gevolg van bodemvreemde bijmenging, (sterk) verhoogde gehalten aan lood in de grond aanwezig kunnen zijn. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek behoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het toekomstige gebruik van de locatie voor wonen.

Als aandachtspunt dienen echter bij de ontwikkeling van de locatie de volgende punten te worden meegenomen: ter plaatse van één peilbus is een matige verontreiniging met xylenen in het grondwater aanwezig. Indien ten behoeve van de ontwikkeling bemaling benodigd is, dient rekening gehouden met de eisen die van toepassing zijn in verband met het lozen van het grondwater. De grond bevat mogelijk plaatselijk verhoogde gehalten aan lood. Afhankelijk van de gevoeligheid van de bij herinrichting gehanteerde functie dient overwogen te worden om direct contact met braakliggende terreindelen te vermijden; het toepassen van een leeflaag kan in dat kader een optie zijn. De voormalige rotonde bevat teerhoudend asfalt en de hier onderliggende puinlaag is niet herbruikbaar als een niet-vormgegeven bouwstof. In verband met de herontwikkeling wordt aanbevolen de asfaltlaag en de puinfunderingslaag van de locatie te verwijderen en aan te bieden aan een erkend verwerker. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is vermoedelijk nog een ondergrondse HBO-tank aanwezig. In verband met de herontwikkeling wordt aanbevolen de HBO-tank van de locatie te verwijderen.

De kwaliteit van de grond betreft (bij toetsing aan Besluit bodemkwaliteit met uitzondering van de PFAS-parameters) grotendeels de klasse “Industrie”; er dient getoetst te worden of de huidige grond bij het toewijzen van braakliggende terreindelen geschikt is voor de nieuwe woonfunctie. Indien de bodem nabij de woontorens verhard wordt, is de klasse “Industrie” niet relevant in het kader van de ontwikkeling. Conclusie De bodemkwaliteit in het plangebied is middels een verkennend bodemonderzoek en historisch onderzoek, waarbij enkele monsters nader onderzocht zijn, voldoende in beeld gebracht. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. Nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan is niet noodzakelijk. Bij de verdere planvorming zijn er enkele aandachtspunten en aanbevelingen, waarmee rekening gehouden dient te worden. Deze staan de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

5.10

Geur

Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur(hinder) vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de omgeving van het plangebied, middenin een woongebied en op ruime afstand van agrarische bedrijven en gebieden, is geur hier geen relevant aspect. Veehouderijen zijn in de ruime omtrek niet aanwezig. Nader onderzoek kan achterwege blijven. Een goed woon- en leefklimaat is voldoende verzekerd.

55

5.11

Hoogspanningslijnen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.

Beoordeling De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005 en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Voor onderhavig plan is van belang dat hoogspanningslijnen niet in de omgeving aanwezig zijn. Het voorzorgsbeginsel staat de planontwikkeling dan ook niet in de weg.

5.12

Water

Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer Visie Groen en Klimaatbestendig Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties (op een aantal onder de provinciaal bevoegdheid vallende categorieën na; zie art. 6.4 Waterwet.

De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Voorkom vervuiling van (regen)water; Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden; Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Vertraagde afvoer; Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties; Houdt rekening met waterschapsbelangen. Bijv. ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van keringen of watergangen, en dergelijke; Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen; Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein; 56

Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem.

Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016-2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma's: Veilig en bewoonbaar; Voldoende water en robuust watersysteem; Schoon water; Gezond en natuurlijk water; Het leveren van maatschappelijke waarde. Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan.

Beoordeling Met de planontwikkeling neemt het verhard oppervlak toe. In de huidige situatie is een deel van het plangebied verhard, namelijk de parkeerplaats nabij het tankstation aan de oostkant van het plangebied. In de toekomstige siuatie zal het verhard oppervlak bestaan uit de drie woontorens, omliggende paden, bovengrondse parkeervoorzieningen en terreinverharding.

Hemelwater en vuilwater Het afstromend hemelwater – afkomstig van de verhardingen in het plan – wordt gescheiden van het vuilwater en zal niet worden geloosd op de gemeentelijke vuilwaterriolering. Ter compensatie van de verhardingen zal een hemelwatervoorziening worden gerealiseerd, in de vorm van meerdere wadi's verdeeld over het park, met een capaciteit van minimaal 60 mm per m² nieuw/vernieuwd verhard oppervlak. Het afgekoppelde hemelwater zal via de hemelwatervoorzieningen (wadi's) bovengronds naar de plas Ijzeren vrouw nabij het plangebied afstromen. De plas kan daarbij worden gezien als overstort bij extreme neerslag. Via de wadi's kan het hemelwater geleidelijk infiltreren in de grond of vertraagd naar de plas afvoeren. Het doel hiervan is het voorkomen van overlast door hevige neerslag en het tegengaan van verdroging als gevolg van klimaatveranderingen. Het dak van de nieuwe ondergrondse parkeerstalling wordt voorzien van een forse laag groene bedekking (circa een halve meter grond met gazon). Voor deze “verharding” wordt geen compenserende waterberging gerealiseerd aangezien de groene bedekking met grondlaag zal zorgen voor de nodige bergingscapaciteit. Het vuilwater zal gescheiden van het hemelwater worden afgevoerd. De nieuwbouw zal hiervoor op de riolering aangesloten moeten worden.

Oppervlaktewater In het plangebied is momenteel geen oppervlaktewater aanwezig met een beschermde status volgens de Legger van het waterschap Aa en Maas. Er wordt geen nieuw oppervlaktewater gerealiseerd met het plan. Wel worden er meerdere wadi's voorzien (zie voorgaand). 57

Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen (de beschermingszones van) een waterkering.

5.13

Duurzaamheid

We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Op dit moment werken we intensief aan het verduurzamen van onze gemeente 's-Hertogenbosch. Hierbij is de vast gestelde visie (2019) 'samenwerken aan een duurzaam 'Hertogenbosch' het kader en uitgangspunt. In de visie staan 4 belangrijke thema's genoemd:

1. Gezonde, groene en k limaatbestendige omgeving; 2. CO2-neutrale gemeente; 3. Waardebehoud van grondstoffen; 4. Duurzame mobiliteit.

In onderstaande paragraaf is beschreven op welke wijze – per thema – het plan hieraan invulling geeft en een bijdrage levert aan het verduurzamen van onze gemeente.

1. Gezonde, Groene en klimaatbestendige omgeving Binnen dit thema wordt aandacht besteed aan het opnieuw inrichten van de ruimtelijke omgeving, waarbij natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen en aanleggen belangrijke aspecten zijn. Het plan draagt in zijn geheel daarom bij aan een gezonde leefomgeving. Hierbij kan worden gedacht aan herstel en verbetering van de lokale biodiversiteit in het park en om de gebouwen alsook maatregelen ten gunste van de klimaatbestendigheid van dit gebied. Niet alleen voor nu of de komende jaren, maar ook voor de generaties die volgen. Er wordt ingezet met een hoge ambitie. Het project Brabantbad is gevestigd in het Prins Hendrikpark welke de plas De IJzeren Vrouw omsluit. Ooit ontstaan vanuit zandafgraving voor de wijk De Muntel maar in de loop der jaren ontwikkeld als een echt stadspark met veel groen. Vanuit die gedachten is bij het opstellen van de ambities voor de ontwikkeling veel rekening gehouden met haar gebruikers zoals wandelaars, sporters en ook buurtbewoners. De footprint van de woontorens is tot een minimum beperkt door in de lucht te bouwen, hiermee wordt de toename van verharding klein gehouden. Tevens is een half verdiepte ondergrondse stallingsgarage ontworpen. Waarboven een extra stuk park wordt aangelegd (groenstructuur).

De groene afdekking van de parkeerstalling is klimaat adaptief te noemen, resulteert vanwege het groen in minder verharding en verkoeling in warme zomer maanden. Voor de ontwikkeling dienen wel enkele bomen verplaatst dan wel gekapt te worden. Daarvoor in de plaats zullen ook nieuwe bomen een plek in het park krijgen. Totaal gezien neemt het aantal bomen (en de diversiteit ervan) toe. Door het plaatsen van extra struiken, planten, bomen wordt – naast de biodiversiteit – ook de leefbaarheid versterkt. Groen bevordert namelijk de ontspanning en draagt bijzonder veel bij aan verkoeling in de zomer (hitte stres). Ook wordt groen ingezet als maatregel om te veel aan wind in het park tegen te gaan (windhinder). De bestaande parkeerplaats op maaiveld wordt aangepast en opnieuw aangelegd. Hierbij zullen grastegels gebruikt worden zodat in het groen geparkeerd kan worden. Tevens wordt het bestraat oppervlakte verminderd. Een vanwege de doorlaten tegels en twee omdat het aantal m2 parkeerplaats gereduceerd wordt. 58

De afvoer van het hemelwater wordt gescheiden aangelegd van het vuilwater. Het hemelwater zal daardoor via een bovengrondse voorziening geïnfiltreerd worden in het groene park. Hierbij wordt gedacht aan een aantal wadi's die uiteindelijk zijn afvoer heeft op de waterplas IJzeren Vrouw. Hierdoor wordt de gemeenteriolering ontlast, wordt het aanwezige groene park en grondwater voorzien van schoon hemelwater, en wordt zo een duurzame waterhuishouding gecreëerd. Ook zal invulling worden gegeven aan het aspect 'natuurinclusief bouwen'. Onder natuurinclusief bouwen verstaan we het integraal ontwerpen en realiseren van gebouwen, in dit geval 3 woontorens, waarbij een gezonde leefomgeving (voor flora en fauna, en daarmee dus ook voor de mens) het ijkpunt is. Er zullen voorziening worden getroffen aan de buitenzijden van de woontorens, daar waar met name vogels, insecten en andere kleine dieren leven. Hun aanwezigheid versterkt de fauna. Het aandeel blijft niet beperkt tot het aanbrengen van nestvoorzieningen. Het zal een integraal scala aan maatregelen zijn in het gebied/park die tevens zorgen voor voldoende beschutting (in hagen, struiken of anders) en voedsel, en tevens mogelijkheden biedt dat dieren er kunnen overwinteren. Gezondheid gaat ook over het woon- en leefklimaat van nieuwe bewoners.

De luchtkwaliteit ligt hier ruim beneden de luchtkwaliteitsnormen en toename van 'groen' en biodiversiteit dragen altijd bij een aan een verbetering hiervan. Voor wat betreft de optredende geluiden bevinden de nieuwe woonobjecten zich op afstand van de drukke Van Grobbendoncklaan dat de geluidssituatie ten goede komt. Enige aanvullende voorzieningen zijn getroffen om het woon- en leefklimaat zowel in de woningen als in de buitenruimte (balkons) als 'goed' te kunnen betitelen, passend bij deze stadse omgeving (geluidsklimaat). Als laatste worden onder de woontorens sokkels gecreëerd welke met haar natuurlijke zitmogelijkheden zorgt voor ontmoeting, sportfaciliteiten, speelvoorzieningen en door de hoogte verschillen uitnodigt om actief gebruik te maken van de plek in een groene setting. Het geheel stimuleert mensen om te bewegen, te ontspannen en te ontmoeten Een algemene bijdrage aan een gezonde leefomgeving.

2. CO2-neutrale gemeente De gebouwen van Brabantbad worden ontworpen conform de nieuwe regelgeving en voldoen derhalve aan BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Hierbij wordt een goede thermische schil met isolerend glas om de gebouwen geconstrueerd. Door de duurzame installaties met warmteterugwinning voor de ventilatie, LED-verlichting, aanwezigheidsdetectie etc. wordt het energieverbruik zo min mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt WKO (warmte koude opslag) toegepast welke verbonden is middels Aquathermie met de plas IJzeren Vrouw. Er wordt dus (confom de wet) niet op het aardgas aangesloten en dus ook geen aardgas verbruikt voor verwarming van de nieuwe woningen. Met de WKO-installatie wordt in de zomer koelte uit de plas gehaald om passieve koeling voor de appartementen te generen. En in de winter wordt warmte uit de bodem en plas getrokken om de appartementen te voorzien van warmte. Tevens wordt het warm-tapwater met de energie uit de plas opgewekt. Hiermee wordt met natuurlijke bronnen de energiehuishouding van het gebouw opgewekt. Het dak zal worden voorzien van PV-panelen (zonne-energie) om elektriciteit op te wekken.

3. Waardebehoud van grondstoffen Dit thema heeft alles te maken met 'circulair bouwen' en te gebruiken bouwmaterialen. Bij circulair bouwen wordt het principe van circulariteit toegepast op de bouw. We spreken van circulair bouwen als bij de totstandkoming van een gebouw zo min mogelijk nieuwe grondstoffen worden gebruikt en zo min mogelijk vervuiling plaatsvindt. Daarbij wordt gekeken naar de gehele keten en dus niet alleen naar de materialen die gebruikt worden. Van ontwerp, tot bouw, tot exploitatie van het gebouw. Voor de geplande woontorens wordt voor de ontwikkeling tijdens de engineringsfase bewust gekeken naar de toe te passen materialen, materialen te gebruiken met een zo beperk mogelijke milieubelasting en om het gebruik van grondstoffen zoveel mogelijk te beperken. Ook kijken we naar de toekomst: de toegepast bouwmaterialen zouden (door een volgende generatie) ook weer kunnen worden hergebruikt. Hoe wordt dit gedaan?

Reduceren van afval 59

Om het materiaalgebruik zoveel mogelijk te beperken tijdens de realisatiefase wordt het ontwerp van Brabantbad volledig digitaal 3D getekend. Middels deze “digitale twin” wordt voorkomen dat faalkosten en onnodig materiaalgebruik ontstaat. Tevens is hierdoor het gebruik van prefab producten (welke in de fabriek onder optimale omstandigheden worden gemaakt) toegepast kunnen worden. Hiermee is minder productieafval en minder tot geen verpakkingsafval. Een ander voordeel van prefab bouwen is dat beperkte opslag nodig is op de bouwplaats welke geen overlast geeft voor de omgeving en hiermee omgevingsvervuiling. Scheiden afval Daarnaast heeft de ontwikkelaar tijdens de bouw veel aandacht voor het scheiden van afval. Het afval zal duurzaam gescheiden en verwerkt worden, dan wel hergebruikt dan wel verbrand tot nieuwe energie. Hiermee krijgen materialen een nieuw leven en is de biologische kringloop (circulair) geborgd. Innovatie Vanuit de ontwikkelende partij wordt gewerkt aan nieuwe initiatieven: van platformen die materiaalstromen transparant maken tot oefenen met hoogwaardig hergebruik in eigen kantoor, van het opstellen van materialenpaspoorten tot circulair beton gebruiken, van milieuwinst opnemen in je business case tot recycling van materialen die vrijkomen bij onze onderhoudsprojecten.

Kortom een ambitie om de uitstoot van CO2, stikstof en fijnstof binnen enkele jaren tot een minimum te beperken. Materialen en materialenpaspoort De milieuprestatie van de toe te passen materialen krijgen aandacht in het ontwerp van het gebouw. De MPG waarde is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw. Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het bouwmateriaal. Dit kan zitten in de afkomst van de materialen (komen ze van ver of van dichtbij huis), hoeveelheid materialen, benodigde energie voor winning, productie of transport, maar ook of een materiaal veel of weinig onderhoud vraagt. De huidige MPG-waarde voor woningen (conform het Bouwbesluit) is 1,0. De verwachting is dat deze verlaagd wordt. Voor Brabantbad is de ambitie om in gezamenlijkheid te kijken om de MPG zo laag mogelijk te maken en tijdens de engineringsfase wordt de ambitie exact bepaald.

4. Duurzame mobiliteit Bij de inrichting van het openbaar terrein is rekening gehouden met duurzame mobiliteit. Vanuit de gestelde parkeernormering per appartement zijn naast een standaard parkeerplaats (gebouwd op maaiveld) ook nieuwe vormen van deelmobiliteit opgenomen. Voor Brabantbad zijn 12 deelauto's voorzien in het parkeren op maaiveld. Deze elektrische auto's kunnen door bewoners gebruikt worden als vervoermiddel. Dit vervoersmiddel in beschikbaar naast de meer traditionele openbaar vervoersmiddelen zoals busverkeer en treinverkeer (beide op korte afstand van de locatie). Tevens is de ambitie om de verschillende vormen van deelmobiliteit in de toekomst verder uit te breiden, al naar gelang de behoefte. Bijvoorbeeld door gebruik van deelscooters of bakfietsen / elektrische fietsen (inclusief laadpalen). Door het monitoren van de markt wordt een passend product bij de omgeving geleverd.

5.14

Ecologie

Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. 60

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 61

Beoordeling In het kader van dit bestemmingsplan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, omdat negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten zijn. De rapportage is opgenomen in Bijlage 6. Onderstaand worden de resultaten per onderdeel besproken. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, bevindt zich op circa 1,3 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van drie woontorens betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Daarom is vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening, waarmee onderzocht wordt of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt noodzakelijk. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 7. Uit de berekening blijkt dat het plan niet leidt tot stikstofdeosities >0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden.

Significant negatieve effecten op deze gebieden zijn uitgesloten. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 300 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Wel dient het gemeentelijk kapbeleid in acht te worden genomen. In paragraaf 3.5 is beschreven op welke wijze met bomen in het plangebied wordt omgegaan, waarbij tevens het gemeentelijk beleid in acht wordt genomen. Soortenbescherming In de quickscan zijn de mogelijke aanwezigheid van en de (potentiële) effecten van het plan op beschermde soorten onderzocht. In onderstaande tabel in Tabel 5.4 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden.

Verder is aangegeven wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Tabel 5.4: Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen

Uit het onderzoek blijkt dat soortgericht vervolgonderzoek niet noodzakelijk is. Het plan kan worden uitgevoerd 62

met inachtneming van het bepaalde in de Wnb. Hieraan zijn enkele nadere voorwaarden gesteld in de uitvoering van het plan, onder meer wat betreft het bouwrijp maken in relatie tot het broedseizoen van vogels, alsmede de uitvoering van verlichting. Verder is de algemene zorgplicht te allen tijden van toepassing. Conclusie Het plan kan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd. Hierbij moeten de volgende voorwaarden in acht worden genomen: Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen en open water te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

5.15

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden Gemeentelijk beleid De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart.

De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Beoordeling De gemeente 's-Hertogenbosch heeft het bouwplan getoetst aan de archeologische waarden en verwachtingen om inzichtelijk te maken of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Onderstaande onderbouwing gaat hier verder op in. Archeologische waarden en verwachtingen Het plangebied ligt op de locatie van het voormalige Brabantbad. Volgens de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente 's-Hertogenbosch geldt voor het terrein deels een lage en deels een hoge archeologische verwachting. De lage verwachting is gebaseerd op het feit dat het gebied landschappelijk gezien altijd relatief laag en drassig is geweest. Dergelijke landschappen waren in het verleden geen aantrekkelijke locaties voor (permanente) bewoning. Op de kaart van Jacob van Deventer uit de 16de eeuw is duidelijk zichtbaar dat de doorgaande weg naar Hintham, de Hinthamersteenweg, door het plangebied loopt.

De weg is verhoogd aangelegd en aan weerszijden zijn verschillende molenplaatsen te zien. De locatie van de molens is op de verwachtingskaart met stippen aangegeven. Huizen of boerderijen hebben waarschijnlijk niet aan deze weg gestaan. 63

Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) werden de vestingwerken gemoderniseerd. Rond 1618 werden aan de Hinthameruitleg twee bastions toegevoegd: bastion Hintham en bastion Muntel. Door het toevoegen van deze twee bastions veranderde het uiterlijk van de Hinthameruitleg drastisch. De bastions werden uitgegraven binnen de grenzen van de zestiende eeuwse stadsmuur en ten koste van de toen aanwezige huizen. De noordoostflank van de stad kwam hierdoor een stuk terug te liggen ten opzichte van de 16de eeuwse situatie. Door alle aanpassingen kwam de oude Hinthamerpoort te vervallen en kwam deze meer naar het zuiden te liggen (in de straat Hinthamereinde ter hoogte van de watertoren). Voor de stadspoort bevond zich een ravelijn dat werd beveiligd door een groot hoornwerk aan de voorzijde. De oude Hinthamersteenweg werd buiten gebruik gesteld en vervangen door de huidige Graafseweg. De zones met een hoge verwachting in het plangebied, zijn gebaseerd op de verwachte aanwezigheid van restanten van de Stelling 1629. In 1629 werd de stad 's-Hertogenbosch belegerd door de Staatse troepen van Frederik Hendrik. De stadhouder legde rondom de stad twee ringen van gesloten linies aan bestaande uit aarden wallen, greppels en forten. De binnenste ring (contravallatielinie) had als doel om de stad vanachter een veilige dekking te kunnen beschieten en met loopgraven (approches) te naderen.

De buitenste ring (circumvallatielinie) was vooral bedoeld om een eventueel ontzettingsleger te kunnen afweren. Door het afdammen van waterlopen richting de stad en door het gebruik van watermolens kon Frederik Hendrik het gebied rond de stad droogleggen en zo makkelijker een aanval doen op de stadsmuren. De stellingwerken die in en rond het plangebied hebben gelegen maakten onderdeel uit van loopgraven waarmee het bezettingsleger probeerde om de stad zo dicht mogelijk te benaderen om zo een bres in de stadsmuur te slaan. De poging om de stad langs deze kant in te nemen mislukte maar een vergelijkbare actie ter plaatse van de Vughterpoort had wel succes. Op 14 september 1629, na een beleg van slechts 5 maanden, capituleerde de stad 's-Hertogenbosch en kwam het onder het bewind van de Republiek. Vermoedelijk zijn de meeste linies kort na het beleg geëgaliseerd om te voorkomen dat ze opnieuw zouden worden gebruikt door een ontzettingsleger. Op enkele plaatsen zijn echter nog lang sporen zichtbaar geweest in het verloop van dijken, de percelering of het slotenpatroon. Door de aanleg van de zandwinplas de IJzeren Vrouw aan het begin van de 20ste eeuw is een deel van de Stelling 1629 en de voormalige Hinthamersteenweg voorgoed verdwenen.

Conclusie Behalve door de aanleg van de IJzeren Vrouw, zijn ook door de bouw en sloop van de gebouwen in het plangebied grootschalige en diepe bodemverstoringen opgetreden. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat in het plangebied nog intacte resten van bijvoorbeeld de Hinthamersteenweg, molenplaatsen en/of de Stelling 1629 zijn te verwachten. Om die reden wordt voor de realisatie van de nieuwbouwplannen geen archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Mochten er tijdens de werkzaamheden wel archeologische resten tevoorschijn komen, dan is men wettelijk verplicht deze te melden bij de stadsarcheoloog van 's-Hertogenbosch. In figuur 5.3 is een uitsnede opgenomen van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch (herziening momenteel in voorbereiding). De lichtgroene lijn met de oranje bufferzone geeft de locatie van de Stelling van 1629 weer. De gele zone betreft het gebied met een lage archeologische verwachting. Het blauwe vlak geeft de locatie van de nieuwe woontorens en ondergrondse parkeervoorziening aan. De voormalige bebouwingvlakken (waaronder het Brabantbad) zijn met een blauwe lijn aangegeven. De nieuwbouw ligt inclusief de parkeergarage vrijwel geheel binnen ofwel de zone met een lage archeologische verwachting, ofwel binnen de contouren van de voormalige bebouwing van het Brabant Bad.

64

Figuur 5.3: Uitsnede van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch (in voorbereiding)

65

66

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten 6.1

Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding tezamen bieden het juridische (bindende) kader. Voor de regels en de verbeelding is naast aansluiting bij de SVBP2012 ook aansluiting gezocht bij de gemeentelijke standaard. Dit betekent onder meer dat de opbouw van de regels (zoveel mogelijk) standaard is.

6.2

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden in het plangebied aangegeven. In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Gemengd', 'Groen', 'Verkeer' en 'Water' opgenomen. Daarnaast zijn er drie bouwvlakken en enkele nadere aanduidingen op de verbeelding opgenomen. De juridische betekenis van de aanduidingen is in de regels van het bestemmingsplan terug te vinden. De bestemmingen worden in de volgende paragraaf nader toegelicht.

6.3

Toelichting op de planregels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels: hierin worden de begrippen toegelicht en de wijze van meten omschreven. Deze aspecten zijn belangrijk voor het toepassen en interpreteren van de regels in de overige hoofdstukken. Bestemmingsregels: hierin zijn de regels verbonden aan de bestemming en aanduiding opgenomen. Deze regels geven per bestemming een doeleindenomschrijving, bouwregels, mogelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden aan. Ook geven de regels onder bestemmingen bevoegdheden aan tot het stellen van nadere eisen en/of de plicht voor een werk, geen bouwwerk zijnde, een omgevingsvergunning aan te vragen. Algemene regels: in dit hoofdstuk staan de anti-dubbeltelregel en de algemene aanduidings- bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels; Overgangs en slotregels: in dit hoofdstuk zijn de gebruikelijke regels voor elk bestemmingsplan te vinden, namelijk de overgangsregels voor bouwwerken en gebruik en de citeertitel. Inleidende regels De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. Daarnaast zijn in artikel 1 de begrippen overgenomen die ook worden gehanteerd 67

in de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 2 is vastgelegd hoe er bij toepassing van de regels wordt gemeten. Bestemmingsregels De regels behorende bij de bestemmingen hebben een uniforme opbouw. Voor zover aanwezig zijn de regels als volgt opgebouwd: bestemmingsomschrijving bouwregels nadere eisen afwijken van de bouwregels specifieke gebruiksregels afwijken van de gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid. In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven waar de als zodanig aangewezen gronden voor zijn bestemd. De bouwregels en de specifieke en algemene gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Gemengd De drie beoogde woontorens zijn bestemd als 'Gemengd', omdat in de plinten (eerste twee bouwlagen) een gemengd programma mogelijk wordt gemaakt, waarbij de functies horeca, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, recreatieve voorzieningen, sportvoorzieningen en kunst/cultuur zijn toegestaan. Op de overige bouwlagen is het wonen in gestapelde woningen toegestaan, eventueel met een broep aan huis. In de bouwregels zijn de bebouwingsmogelijkheden beschreven. De drie bestemmingsvlakken 'Gemengd' corresponderen met de locatie van de drie beoogde gebouwen en zijn geheel als bouwvlak aangeduid. Gebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd.

Er zijn dus bouwvlakken op maat opgenomen op basis van de stedenbouwkundige uitgangspunten. Eén van de belangrijkste ruimtelijke uitgangspunten is dat de plinten smal worden gehouden. Dit is geborgd door middel van de aanduiding 'onderdoorgang', waar de eerste twee bouwlagen niet mogen worden bebouwd. De bouwvlakken mogen verder volledig worden bebouwd. De maximale bouwhoogten zijn op de verbeelding aangegeven. In de bouwregels zijn tevens regels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. Groen Het grootste gedeelte van het plangebied wordt c.q. blijft bestemd als 'Groen', omdat dit onderdeel blijft van het Prins Hendrikpark. Binnen deze bestemming zijn onder meer groenvoorzieningen, paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' is een parkeergarage toegestaan; hier mag ondergronds worden gebouwd. Voor het overige zijn binnen de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming toegestaan. Verkeer Aan de oostkant van het plangebied, tussen de weg en de ingang van de parkeergarage, is een strook grond bestemd als 'Verkeer'. Deze gronden zijn bestemd voor verblijfsgebied, wegen, straten, paden en pleinen, fiets- en/of voetpaden, parkeervoorzieningen en bijbehorende voorzieningen.

Binnen de bestemming mag uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd. De bebouwingsmogelijkheden zijn in de bouwregels beschreven. Er zijn in principe uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Water Een deel van de plas de IJzeren Vrouw is in het plangebied opgenomen. Dit heeft de bestemming 'Water' gekregen. Binnen deze bestemming zijn water(voorzieningen) en groenvoorzieningen toegestaan.

Algemene regels In de algemene regels komen de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels en de algemene afwijkingsregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. In dit 68

hoofdstuk is onder meer een regeling ten aanzien van het parkeren opgenomen. Overgangs- en slotregels In dit hoofdstuk zijn tot slot de voor elk bestemmingsplan op te nemen overgangs- en slotregels opgenomen.

69

70

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het schetsontwerp Brabantbad is financieel getoetst. Voor de ontwikkeling tot woningbouw is een grondexploitatie opgesteld waarbij is uitgegaan van woningbouw in het betaalbare segment (koop en/of huur) en vrije sector woningen. De gronden van het plangebied zijn in eigendom van de gemeente. De gemeente maakt de locatie bouw- en woonrijp en geeft de bouwkavels tegen marktconforme grondprijzen uit. De grondexploitatie is sluitend, mede vanwege een reeds getroffen voorziening ten laste van de algemene reserve van het grondbedrijf. Kostenverhaal is daarmee anderszins verzekerd. Concluderend kan worden gesteld dat de economische uitvoerbaarheid hiermee in voldoende mate is aangetoond.

71

72

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog vooroverleg 8.1

en

Omgevingsdialoog

In het kader van het planvoornemen is een omgevingsdialoog gevoerd. Keukentafelgesprekken De ontwikkelende partij heeft in 2019 zogenaamde keukentafelgesprekken gevoerd met verschillende (belangen)groepen in de wijk. Zo is er gesproken met Stichting IJzeren Vrouw, met bewoners van de Westenburgerweg, met bewoners van de Van Grobbendoncklaan, met werkgroep Graafsewijk Noord, met bewoners van de Amazones, met huurdersvereniging 't Vinkenkampke en met theehuis Bloem. In deze gesprekken zijn het proces, de huidige situatie van de wijk en het park en het schetsontwerp besproken. Het besproken schetsontwerp heeft geleid tot diverse opmerkingen en aandachtspunten. Een hoogte van 60 m werd over het algemeen te hoog bevonden. Daarnaast werden zorgen geuit over o.a. de aantasting van het park, de verkeerstoename, het aantal parkeerplaatsen en de mogelijke effecten op de omgeving (windhinder en bezonning). Naar aanleiding van de gesprekken is het plan verder verbeterd en geoptimaliseerd. Zo is de hoogte van de torens (drie torens van 60 m) aangepast naar 60 m, 54 m en 48 m. Daarnaast zijn de nodige onderzoeken uitgevoerd om de mogelijke effecten op de omgeving in beeld te brengen. De verslagen van deze keukentafelgesprekken zijn bijgevoegd (zie Bijlage 8).

Vragenlijst en chatsessies Begin 2021 hebben gemeente en ontwikkelende partij samen iedereen de mogelijkheid geboden een vragenlijst in te vullen. In totaal hebben 1.737 inwoners dit gedaan. Ongeveer 370 mensen geeft aan hier graag te willen wonen. Daarnaast is 2/3 van respondenten negatief over de bouw van de woontorens. Veel mensen zijn ook bang dat de kwaliteit van het park achteruit gaat. In Bijlage 9 is de volledige rapportage van de uitkomsten van deze vragenlijst opgenomen. Daarnaast zijn er in deze periode ook twee chatsessies gehouden (vanwege corona digitaal), waarbij vragen over het project gesteld konden worden aan ontwikkelaar en gemeente. Aan deze chatsessies hebben in totaal ongeveer 100 mensen meegedaan. De antwoorden op de vragen die tijdens de sessies zijn gesteld, zijn geplaatst op de webpagina van Brabantbad: https://www.denbosch.nl/nl/projecten/brabantbad. Werkgroep Omgeving Brabantbad Tijdens de omgevingsdialoog konden mensen zich ook aanmelden voor een werkgroep om mee te denken over de inrichting van het park. Hiervoor hebben zich 21 mensen aangemeld. Deze werkgroep is inmiddels gestart en heeft al enkele keren vergaderd. De werkgroep wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter en naast omwonenden zitten hierin ook enkele vertegenwoordigers van de ontwikkelende partij en de gemeente.

Zo is er voor de inrichting van het park sprake van co-creatie. 73

De werkgroep heeft over de invulling van de plinten van de torens ook hun advies kunnen geven. De werkgroep was overwegend positief over de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor daghoreca en dienstverlenende, maatschappelijke, culturele en recreatieve functies. Een kantoorfunctie vindt men geen toegevoegde waarde op deze plek en deze functie wordt mede daarom in het bestemmingsplan uitgesloten. Gesprekken met vertegenwoordigers petitie In juni van dit jaar is er door omwonenden en gebruikers van het park een petitie aangeboden aan de gemeente (ondertekend door meer dan 2.000 mensen), waarin is gevraagd niet in het park te gaan bouwen. Naar aanleiding hiervan hebben gemeente en ontwikkelende partij met de vertegenwoordiging van de petitiehouders drie gesprekken gevoerd, onder leiding van een onafhankelijk voorzitter. Deze gesprekken zijn gestart om te onderzoeken of ideeën van de petitiehouders kunnen leiden tot een verbetering van het plan. In het tweede gesprek heeft de architect van het ontwerp een nadere toelichting gegeven op de gedachten achter het plan. Door de vertegenwoordiging van de petitiehouders zijn vervolgens enkele suggesties voor mogelijke verbeteringen gegeven (binnen de kaders van het huidige plan): 1. 2. 3. 4. 5.

4 lagere torens i.p.v. 3 torens Verplaatsing stallingsgarage naar locatie de speeltuin Verdiepen van de stallingsgarage Torens verschuiven verder van het pad langs de plas Verwijderen tankstation

Deze varianten zijn beoordeeld binnen de financiële kaders en in een derde gesprek besproken. De conclusie is dat deze varianten geen verbetering opleveren ten opzichte van het plan dat nu voorligt. Een aantal varianten zorgt juist voor meer bebouwing in en/of impact op het park (variant 1, 2 en 4). Deze varianten hebben ook overwegend negatieve effecten voor wat betreft de woonkwaliteit (o.a. hogere geluidsbelasting). Daarnaast leiden alle varianten tot hogere kosten, waarbij varianten 3 en 5 zonder meer leiden tot een economisch onhaalbaar plan. Dit heeft geleid tot een gezamenlijk conclusie dat er geen overeenstemming is bereikt over de planvorming op deze locatie.

8.2

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg zijn de Provincie en Waterschap Aa en Maas geïnformeerd over het concept bestemmingsplan. De provincie heeft geen opmerkingen over het plan. Waterschap Aa en Maas heeft gevraagd in de waterparagraaf een beschrijving van het Waterbeheerplan 2016-2021 op te nemen. Dit is in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt.

74

Brabantbad concept ontwerpbestemmingsplan

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd Artikel 4 Groen Artikel 5 Verkeer Artikel 6 Water Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Artikel 8 Algemene bouwregels Artikel 9 Algemene gebruiksregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel

5 5 9 11 11 14 16 17 19 19 20 21 22 23 23 24

2

Regels

3

4

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.2 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.6 bebouwingspercentage een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak, bestemmingsvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal bebouwd mag worden; 1.7 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10813292/1