Bijlage 1a Toelichting en regels concept ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Een belangrijk onderdeel van de benadering is het ruimtelijk onderzoek waarin tien punten zijn genoemd waarover de initiatiefnemer dient te rapporteren. Als gevolg van de definitiebepaling heeft de nota Hoogbouw betrekking op gebouwen hoger dan 25 meter. Daarvan is in dit geval sprake. Onderstaand wordt ingegaan op de algemene stedenbouwkundige aspecten van het plan in relatie tot de nota hoogbouw, alsmede op de 10 puntenlijst van de nota. Een rapportage van de 10 punten is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. Doorwerking plangebied Algemeen Volgens de hoogbouwnota lenen de grotere ruimtelijke open vlakken zoals de Zandwinplassen zich voor 34
hogere accenten. Ook de IJzeren Vrouw valt hieronder. Voor deze accenten wordt een hoogtecategorie L, met een hoogte tot maximaal 60 meter voorgesteld. De beoogde bebouwing blijft binnen deze categorie. Het torenensemble op de Brabantbadlocatie zoekt een visuele relatie met het aan de andere zijde van de plas liggende torenensemble van de Amazones. De Amazones vormen een ensemble van 3 gelijkwaardige hoogteaccenten. Deze torens zelf kennen een specifieke afgeronde driehoekige vorm welke in de hoogte niet nader opgedeeld of gearticuleerd zijn; ze zijn van maaiveld tot top éénn volume. De beoogde nieuwbouw in het plangebied bestaat eveneens uit 3 gebouwen. Deze zoekt enerzijds een relatie met de Amazones, maar als tegenwicht tegen de Amazones is juist gekozen voor een andere volume opbouw en andere vorm van de bebouwing. Zo is er juist wel een opdeling in volume door middel van articulatie van de sokkel, het middenstuk, de bovenbouw en de beëindiging. Bovendien kent de bebouwing verschillende hoogtes. De cilindrische vorm van de torens geeft hen een unieke identiteit en zorgt dat de doorzichten tussen de torens gemaximaliseerd worden vanuit alle perspectieven. De bouwhoogte van de bebouwing binnen het ensemble varieert van 48 tot 60 meter.
De toren die het dichtst bij de bestaande bebouwing is gesitueerd, is daarmee het laagst en de toren die het meest aan de vrije ruimte van de plas ligt het hoogst. Op deze wijze is met de omliggende bebouwing en ruimtelijke kenmerken rekening gehouden. De bebouwing is langs de volgende drie kernkwaliteiten ontworpen: Het creëren van een ensemble dat een bijzondere aanvulling is op de skyline van 's-Hertogenbosch; Door middel van een minimale footprint, een cilindrische vorm en een verdiepte parkeergarage het park en haar doorzichten zoveel mogelijk te respecteren, waardoor de parkbeleving wordt behouden; Door haar ronde vorm een unieke panoramische woonbeleving aan te bieden tussen de bomen van het park of juist in de skyline van 's-Hertogenbosch. Windklimaatonderzoek Naast de stedenbouwkundige inpassing van de hoogbouw dient ook inzicht te worden verkregen in het te verwachten windklimaat Hiertoe is door Peutz een windklimaatonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies toegelicht. Bij de beoordeling van het windklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de categorieën doorlopen en slenteren. Het criterium voor slenteren is van toepassing bij de gebouwentrees, verder wordt het criterium voor doorlopen gehanteerd.
In slentergebieden wordt een hinderkans van minder dan 5%, overeenkomend met een beoordeling goed, nagestreefd. Het criterium voor langdurig zitten wordt met terughoudendheid toegepast, gezien de natuurlijke gebruiksmomenten van terrassen en buitenruimten doorgaans niet vaak samenvallen met ongunstige windomstandigheden.
Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: In de huidige situatie is sprake van een goed tot matig windklimaat voor het criterium doorlopen. Er is geen sprake van een overschrijding van het gevaarcriterium. In de geplande bebouwingssituatie is sprake van een goed tot matig windklimaat voor het criterium doorlopen. Ten opzichte van de huidige situatie is op diverse plaatsen sprake van een verbetering, waardoor langs het water en verder in het plangebied op meer plaatsen sprake is van een goed windklimaat voor doorlopen. Met name tussen de torens is lokaal sprake van een verslechtering van het windklimaat, hier blijft sprake van een beoordeling matig voor doorlopen. Er is geen sprake van een overschrijding van het gevaarcriterium. Ten gevolge van de geplande begroeiing verbetert het windklimaat in het plangebied sterk, waardoor overwegend sprake is van een goed windklimaat voor het criterium doorlopen. Ten noorden en ten zuiden van de torens, en tussen de torens is plaatselijk nog sprake van een matig windklimaat. Ten gevolge van de verbetering van het windklimaat zijn meer plaatsen geschikt als verblijfsgebied, welke als windgevoelige functie met het slentercriterium worden beoordeeld. Geadviseerd wordt verblijfsgebieden te plaatsen op locaties waar sprake is van een goed windklimaat voor slenteren.
Dit komt overeen met een beoordeling goed tot matig voor langdurig zitten. Opgemerkt wordt dat het criterium voor langdurig zitten met terughoudendheid wordt toegepast, gezien de natuurlijke gebruiksmomenten van terrassen en buitenruimten doorgaans niet vaak samenvallen met ongunstige windomstandigheden. 35
Voor gebouwentrees is het van belang dat deze worden geplaatst op locaties waar een goed windklimaat voor het criterium slenteren te verwachten is. Voor de gebouwentrees die zijn gepland op een locatie waar geen sprake is van een goed windklimaat, wordt geadviseerd deze in een nis te plaatsen. 10 puntenlijst Nota hoogbouw De Nota hoogbouw bevat zoals reeds aangegeven een 10 puntenlijst, die in de afweging bij het toestaan van hoogbouw meegenomen moet worden. Hierna worden deze 10 punten kort benoemd. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar Bijlage 2. 1. De slankheidsbepaling. Voor de beleving van hoogbouw is slankheid een belangrijk begrip. Het kan uitgedrukt worden doormiddel van het quotiënt van de grootste breedtemaat van het grondvlak en de hoogte. Slanke torens hebben doorgaans een slankheidcoëfficiënt van 2,2 of meer. De slankheidsbepaling is met name van belang voor torens hoger dan 50 meter (in onderhavig geval 2 van de 3 torens). De drie torens hebben dezelfde diameter, maar variëren in hoogte doordat ze sprongen van twee verdiepingen maken. De torens hebben een goede slankheidscoëfficiënt. Hoewel deze voor de laagste toren iets lager dan 2,2 is vanwege de beperktere hoogte, is het algemene beeld passend. Deze toren is iets lager, onder meer om beter aan te sluiten op de omgeving. 2. Maatwerk.
Elke locatie vraag om maatwerk, waarbij een analyse van het bestaande stedelijke weefsel gemaakt moet worden. Bij de totstandkoming van de ruimtelijke uitgangspunten en randvoorwaarden is een dergelijke analyse gedaan en is maatwerk toegepast. Verwezen wordt naar paragraaf 3.1. Belangrijk in dit opzicht is in ieder geval het behouden van doorzichten. 3. Silhouet. De inpassing van het onderhavige plan is middels een stadssilhouetstudie verbeeld vanuit verschillende relevante perspectieven. Hierbij is vast te stellen dat het plan geen nadelige invloed op het stadssilhouet zal hebben. Verwezen wordt naar de bijlage. 4. Architectuur. Hoogbouwplannen dienen architectonisch aansprekend te zijn, met aandacht voor gevelontwerp, textuur, afwerking en reliëf. De architectuur van de drie torens kenmerkt zich door een heldere volumeopbouw: plint, middenbouw, bovenbouw en kroon. Door verschil in hoogtes van de torens en een subtiele terugsprong tussen de volumes van de middenbouw en bovenbouw wordt een gedifferentieerd beeld van de verschillende torens gecreëerd. Dit effect wordt verder versterkt door het contrast tussen de uitkragende balkons van de middenbouw en de terugliggende loggia's van de bovenbouw. De torenvolumes hebben een open/dichtverhouding van 50/50, maar daarentegen hebben de transparante plinten een meer open karakter om zo ook doorzichten door het park te versterken.
Zo ontstaan drie torens die duidelijk verwant zijn met elkaar maar ook een subtiel onderscheid manifesteren. 5. Beëindiging van het gebouw. De toppen van de gebouwen vereisen bijzondere aandacht. De drie torens hebben alle drie een vergelijkbare beëindiging. De bovenste bouwlaag heeft door middel van een set-back een verbijzondering met rondom een terug liggende gevel, waardoor de bovenste penthouse/ woningen een rondom lopend balkon zullen krijgen. Deze ingreep geeft de drie torens een gearticuleerde beëindiging. De gebouwen kennen geen noemenswaardige dakopbouwen omdat de installaties in de ondergrondse parkeerbak zitten. 6. Plint van het gebouw. Aan de plinten dient veel aandacht te worden geschonken. Deze dienen een grotere hoogte te krijgen. Daarnaast is aansluiting bij de direct aanliggende openbare ruimte van belang. De plinten van de drie torens zullen een transparant karakter hebben met o.a. dubbele hoogtes aan de waterzijde en de looproutes. De toevoeging van deze actieve ruimten in de plinten van de torens zorgen bovendien voor controle en veiligheid in het park en maakt dit gedeelte van het park een fijne plek om te vertoeven en door de plinten op deze manier te ontwerpen en te ontwikkelen gaan de 3 torenvolumes een betere en opener relatie aan met de directe omgeving in het plangebied.
De aansluiting van de glazen plinten van de 3 torens gaat naadloos over in het groen van de park en zal met veel zorgvuldigheid gedetallieerd worden. 7. De omgevingskwaliteit. Hieraan is bij het ontwerp van de buitenruimte rondom de torens veel aandacht besteed. De gemeente en het ontwikkelteam werken samen om een visie te vormen waarin de torens en het landschap in harmonie zijn. Tussen de woontorens komt een ondergrondse parkeergarage met daar bovenop een glooiend parklandschap met meerstammige struiken en wilde bloemen. Dit stuk park is voor iedereen toegankelijk, een wandeling rond de plas blijft behouden, en waar mogelijk uitgebreid. Het park loopt zo op een natuurlijke wijze tussen de woontorens door. 8. Milieuaspecten. Door middel van een minimale footprint is de impact van de torens klein. Er wordt een ondergrondse parkeervoorziening gerealiseerd met daarboven groen. De minimale footprint betekent minder bebouwd oppervlak en meer groen. Meer groen is waardevol voor de omgeving: waterrententie, 36
verminderd hittestress etc. De compacte energiezuinige gebouwen bevatten duurzame oplossingen zoals een warmte/koude-unit met warmtepompen die het water uit de plas gebruiken om de woningen in de winter emissieloos te verwarmen en in de zomer te koelen. 9. Bezonningsaspecten. Onevenredige schduwhinder voor omwonenden moet worden voorkomen. Als voorwaarde wordt gesteld dat tussen 19 februari en 21 november bij een zonnestand van meer dan 10º sprake is van 2 uur zon. Er is een bezonningsstudie uitgevoerd, zie de bijlage. Hieruit blijkt dat aan deze norm wordt voldaan. Doordat de torens ten noorden van de dichtst bij gelegen woningen zijn gepostioneerd en op aanzienlijke afstand van woningen, is de impact op de bezonning vrijwel nihil. Onevenredig negatieve effecten zijn niet aan de orde. 10. Windhinder. Zie hierover reeds de passage 'windhinderonderzoek'. Geconcludeerd wordt dat het plan op een goede en evenwichtige wijze rekening houdt met alle 10 afwegingsaspecten, genoemd in de Nota hoogbouw. 4.3.7 Horecavisie ’s-Hertogenbosch en horeca zijn van oudsher sterk met elkaar verbonden. Horeca is bij uitstek de functie om het gastvrije en bourgondische karakter uit te dragen. De afgelopen jaren is de behoefte aan horeca toegenomen. Er is behoefte aan diversiteit in het aanbod en kwaliteit.
Opgemerkt wordt dan ook dat de horeca zich in de afgelopen jaren ruimtelijk op een herkenbare manier heeft gegroepeerd. De horecavisie beoogt deze functionele en conceptuele verscheidenheid verder te onderstrepen. Kernkwaliteiten voor de horeca in de gemeente zijn: •
Gastvrij en bourgondisch;
•
Gemoedelijk en kleinschalig;
•
Meest karaktervolle binnenstad van het zuiden;
•
Unieke stad- en landverbindingen (groen en water).
Onder andere wordt ingezet op horecaconcepten bij unieke stad- en landverbindingen. Dragers als plassen, parken, de Dieze, de Dommel, de Aa en de Zuid-Willemsvaart bieden tal van kansen aan mooie, passende horecaconcepten die inspelen op en gebruikmaken van deze groene en blauwe kwaliteiten. Binnen de horecavisie worden dan ook mogelijkheden en kansen buiten de binnenstad geboden. Niet onbeperkt en ongelimiteerd, maar gedoseerd en passend. Op zo’n manier dat het goed is voor de binnenstad als voor de buitenstad.
Doorwerking plangebied De eerste twee bouwlagen van de woontorens zullen een gemengde bestemming krijgen. Hierin wordt onder andere horeca in categorie 3 toegestaan, tot maximaal 180 m² bvo. Mocht deze invulling gerealiseerd worden, betreft het hier een horecainrichting op een speciale locatie, in een groene omgeving, dicht bij het water en net iets buiten de binnenstad. Conform de horecavisie worden plekken buiten de binnenstad, met name in een groenblauwe omgeving, als kansrijk aangemerkt. De onderhavige planlocatie is hier een goed voorbeeld van. De ontwikkeling van kleinschalige lichte horeca op deze plek kan bovendien bijdragen aan het versterken van de relatie van de bebouwing met de omgeving (het Prins Hendrikpark en de waterplas). Deze ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke Horecavisie en horeca vormt een passende functie op deze locatie.
37
4.3.8 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig 's-Hertogenbosch is een groene gemeente. Groen is nodig, groen is gezond en mooi. Toch staat deze kwaliteit steeds meer onder druk. De verandering van het klimaat, de toenemende verstedelijking en het intensievere ruimtegebruik hebben negatieve gevolgen voor de natuur en de waterkwaliteit in en rond de stad en dorpen. Daarom is het nodig 's-Hertogenbosch klimaatbestendiger te maken, groener en biodivers. Samen met inwoners en partners is deze visie opgesteld. Gezamenlijk wordt daarmee de grote waarde van groen en water in de gemeente onderschreven. Met 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig is de doelstelling gesteld 's-Hertogenbosch beter bestand maken tegen de gevolgen van klimaatverandering door in te zetten op een groene en klimaatbestendige inrichting van de stad, wijken en dorpen. Er zullen zo veel mogelijk kansen benutten om 's-Hertogenbosch meer en beter groen en blauw in te richten. De ambities worden uitgewerkt in concrete opgaven en een gericht uitvoeringsprogramma. Normen en richtlijnen worden opgesteld voor de leidende thema's groen, water en biodiversiteit en er worden regels voor nieuwe ontwikkeling in een verordening gezet. Deze verordening betreft de Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021, die door de gemeenteraad is vastgesteld op 9 maart 2021.
Deze verordening bestaat uit drie onderdelen: bomen, water en groen en behoort bij de visie 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel hiervan is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogenbosch kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Ook is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Met de regels in de verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen geborgd.
Bomen Voor bomen (houtopstanden) is aangesloten bij de uitgangspunten van het Bomenbeleidsplan van de gemeente 's-Hertogenbosch. Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is in 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. Bij de ruimtelijke procedure vindt een afweging plaats ten aanzien van verschillende functies waaronder groen. De gemeente stelt daarbij voorwaarden ten aanzien van groen. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij beleidsuitgangspunten uit het Bomenbeleidsplan, zoals het zoveel mogelijk behouden van bomen, verbeteren groeiplaats, boombeschermingsplan (tijden de bouw), het verplanten van bomen en herplant en compensatie van groen en bomen. Afspraken over velling, herplant en compensatie wordt bij het plan vastgelegd zodat hierbij aangesloten kan worden bij de uiteindelijke vergunningprocedure. Het kan zowel om behoud als om ontwikkeling van nieuw groen gaan. Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke, biodiverse en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in de verordening regels opgenomen om categorieën houtopstanden die voor de gemeente van belang zijn te beschermen. Voor deze categorieën houtopstanden geldt onder meer een vergunningplicht.
Zonder een vergunning mogen deze houtopstanden niet worden geveld. Het plangebied ligt blijkens de bomenkaart (bijlage 2 bij de Verordening) in een 'Sfeervlak'. Dit zijn gebieden waarin beschermde houtopstanden aanwezig zijn en waar houtopstanden bepalend zijn voor de beleving van het gebied. Houtopstanden binnen Sfeervlakken maken deel uit van het functionele groen en kunnen met name als inrichtingselement worden gezien. Het vellen van monumentale en waardevolle bomen, alsmede het vellen van bomen in een Sfeervlak die een minimale omtrek van 1 meter hebben (gemeten op 1,30 meter boven maaiveld) is vergunningplichtig. In paragraaf 3.5 is overigens uitgebreid beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met bomen. Bij de ontwikkeling moeten bomen namelijk direct in beeld zijn. Hiervoor zijn een bomeninventarisatie en bomeneffectanalyse uitgevoerd. Hierbij zijn alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. Hierbij is beschreven dat de meeste bomen in het plangebied kunnen worden behouden. Een klein aantal bomen zal moeten verdwijnen om de realisatie van het plan mogelijk te maken. In de betreffende paragraaf is tevens beschreven op welke wijze het verdwijnen van deze bomen wordt gecompenseerd in lijn met het gemeentelijk 38
bomenbeleid.
Water Voor water gelden regels voor het lozen van grondwater en hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde minimale capaciteit moet worden gerealiseerd. In pararaaf 5.12 van deze toelichting is een waterparagraaf opgenomen. Hierin is beschreven hoe met dit onderdeel in het plan wordt omgegaan.
Groen Voor groen is per gebied een groennorm vastgelegd. Dit betreft zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve component. Groen biedt een oplossing voor het extremere weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang, het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Ook draagt groen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving voor mens en dier. Het doel van de groennorm is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving.
Kwantitatieve groenscore Op basis van de Verordening geldt een kwantitatieve groennorm. Wanneer er meer dan 500 m² nieuwe verharding wordt gerealiseerd, dan dient aan deze groennorm te worden voldaan. Daarvan is in onderhavig geval sprake. Met de kwantitatieve groenscore kan worden getoetst of en hoe wordt voldaan aan de groennorm. In de Verordening zijn verschillende gebiedstypes opgenomen waarvoor verschillende groennormen gelden. Voor het plangebied geldt een groennorm van 50%. De kwantitatieve groenscore wordt bepaald door de oppervlak van het plangebied af te zetten tegen de oppervlakte van de bebouwing, de oppervlakte van het water en de oppervlakte van (half)verharding. Aanvullende toetsingselementen betreffen het realiseren van een groen dak, groene gevels en het oppervlak kroonprojectie grote bomen. Op basis van bovenstaande elementen is de kwantitatieve groenscore bepaald, zie figuur 4.1. Hierin is weergegeven dat de norm van 50% ruim wordt behaald. De groenscore (inclusief groen dak, groene gevel en kroonprojectie bomen) betreft 106%.
39
Figuur 4.1: kwantitatieve groenscore
Kwalitatieve biodiversiteitscore Op basis van de Verordening geldt ook een kwalitatieve biodiversiteitscore. De biodiversiteitscore waardeert inspanningen om te zorgen voor meer biodiversiteit en een hogere kwantitatieve groenscore dan de norm aangeeft. In het scoresysteem voor de kwalitatieve biodiversiteitscore wordt een onderscheid gemaakt in de volgende vier onderdelen: onderdeel A – groenscore boven de groennorm onderdeel B – behoud van natuur en nieuwe natuur onderdeel C – inheemse soorten onderdeel D – natuurinclusief bouwen In totaal kun je 13 punten scoren, waarbij de minimaal te behalen score 8 punten is. Voor dit project zal aan deze minimale norm worden voldaan. Heronder wordt inzicht gegeven in de te behalen punten: Onderdeel A Gelet op de kwantitatieve groenscore worden op dit onderdeel 3 punten gescoord. Onderdeel B In het plan worden zoveel mogelijk bomen behouden. Verder wordt de nieuw aan te brengen beplanting ingericht in soorten en structuren ter versterking van de biodiversiteit. Hierin wordt niet alleen gelet op de gewervelden beschermde soorten, maar juist over de hele breedte van de voedselketen. Zo letten we op planten en struiken die bloeien en bessen dragen, waardoor ze een belangrijke rol vervullen voor voedsel-verbinden-verblijven voor o.a. lokaal passende insecten en vogels. Voor dit onderdeel is score van 3 punten ter verwachten.
Onderdeel C Er kan worden voldaan aan de eis dat nieuwe aanplant zoveel mogelijk inheemse soorten betreffen. Er wordt rekening gehouden met variatie. Spreiding van bloeitijd en soortversterking die nectar behoevend zijn, is hier onderdeel van. Voor meer dan 66% van de planten wordt hiervoor gekozen. Dat levert op dit onderdeel een score van 3 punten op. Onderdeel D Voor minimaal 2 soorten worden voorzieningen opgenomen. Concreet worden er kansen gezien om in het gebied kasten op te nemen voor huismus en gierzwaluw en nestvoorzieningen voor zwarte roodstaart/ witte kwikstaart. In een latere fase zal worden bekeken of voorzieningen voor een derde soort ook nog tot de mogelijkheden behoren. Voor dit onderdeel resulteert dit in een score van 2 punten. Aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore van 8 punten, kan derhalve worden voldaan.
40
Hoofdstuk 5 Milieu, waarden 5.1
duurzaamheid
en
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk of fysiek te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.
5.2
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r.-beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld, indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. Beoordeling Ad a. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r.-plichtig. Een directe m.e.r.-plicht is niet aan de orde. Dit project kan mogelijk aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2) en om die reden m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Een stedelijk ontwikkelingsproject is direct m.e.r.- beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet, gelet op de omvang van de ontwikkeling en het aantal woningen (circa 180). Van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht is daarom geen sprake.
41
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Sinds 16 mei 2017 is de Implementatiewet 'Herziening m.e.r.-richtlijn' in werking. De richtlijn heeft de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling gewijzigd. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt (zoals in onderhavig geval), geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Achterliggende gedachte is dat in bepaalde gevallen activiteiten met een bijzonder kleinere omvang dan de drempel ook belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, bijvoorbeeld doordat die activiteit in of vlakbij een bijzonder kwetsbaar gebied is gepland. De vormvrije-m.e.r.-beoordeling is bedoeld als waarborg dat in gevallen dit niet over het hoofd wordt gezien en – als toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden verwacht – een m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapportage noodzakelijk is. De jurisprudentie over wat een ‘stedelijke ontwikkelingsproject’ is, is constant in beweging. Daarbij wordt steeds meer gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging spelen een rol.
In dit geval wordt er, gelet op de aard en omvang van de toekomstige functies, van uitgegaan dat het plan een stedelijk ontwikkelingsproject betreft. Op basis van de genoemde Implementatiewet alsmede recente jurisprudentie (9 juni 2019) volgt dat er een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen moet worden. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Het voorgaande wordt getoetst of op basis van de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect. Ad 1. Kenmerken van het project Het project betreft de ontwikkeling van 177 gestapelde woningen in drie gebouwen.
Hierbij wordt in de onderste twee bouwlagen een gemengd programma van in totaal maximaal 960 m² bvo voorzien (lichte horeca, maatschappelijke/culturele voorzieningen en dienstverlening). Verder wordt voorzien in een parkeergarage en enige wijzigingen in de inrichting van het plangebied. Hoewel er sprake is van een ontwikkeling met een meer dan verwaarloosbare omvang, is het project naard aard en omvang aanzienlijk kleinschaliger dan projecten die vallen onder de drempelwaarde van lijst D. De kenmerken van het project rechtvaardigen het uitvoeren van een m.e.r. derhalve niet.
Ad 2. De plaats van het project Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied. 's-Hertogenbosch kan worden aangemerkt als een sterk verstedelijkt gebied en het plangebied ligt centraal binnen de kern, nabij het stadscentrum. Het plangebied ligt niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals een beschermd natuurgebied, archeologisch waardevol gebied, aardkundig en/of cultuurhistorisch waardevol gebied of waterwingebied. De plaats van het project rechtvaardigt het uitvoeren van een m.e.r. derhalve niet.
Ad 3. De kenmerken van het potentiële effect In de navolgende paragraaf wordt ingegaan op alle relevante miliehuygiënische aspecten. Bij de planontwikkeling is uitvoerig en zorgvuldig onderzoek gedaan naar de (potentiële) gevolgen van het project 42
voor het milieu en voor de omgeving. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van onevenredig negatieve effecten in enig opzicht. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouw- en aanlegwerkzaamheden. Significant negatieve effecten zijn echter niet aan de orde. In de directe omgeving zijn geen gevoelige functies aanwezig, welke onevenredige hinder zullen ondervinden van werkzaamheden. Ten aanzien van de toekomstige gebruiksfase kan op basis van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken worden geconcludeerd dat er geen onevenredige verontreiniging en hinder zullen optreden. De potentiële negatieve effecten zijn beperkt en uitsluitend lokaal van aard. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze invloed is ten gevolge van onderhavig geval niet zodanig dat er normen worden overschreden of anderszins significant negatieve effecten optreden of te verwachten zijn. De kernmerken van de potentiële effecten rechtvaardigen het uitvoeren van een m.e.r. daarmee niet.
Conclusie Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er niet gesproken kan worden over belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
5.3
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren. Richtlijn Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'.
Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter). Volgens de VNG-Handreiking is het ook mogelijk om – op gebouwniveau – lichte bedrijvigheid direct toe te laten naast gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-Handreiking kent daartoe een lijst van typen bedrijvigheid die geschikt zijn voor zogenaamde 'functiemenging'. Dit is eventueel mogelijk bij bedrijvigheid die zodanig weinig milieubelastend is, dat ze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd zonder dat een hinderlijke situatie ontstaat (zoals kantoren, lichte detailhandel, daghoreca). Functiemenging wordt in gevallen bewust nagestreefd om wat meer levendigheid en sociale cohesie tot stand te brengen.
Beoordeling Het plangebied ligt in een omgeving waar overwegend woningen voorkomen. Andere functies (zoals maatschappelijke voorzieningen, horeca of detailhandel) komen gebouwgebonden echter ook voor binnen het gebied. Daarnaast is het plangebied gelegen aan een drukke doorgaande weg, de Van Grobbendoncklaan. Zorgvuldigheidshalve wordt echter uitgegaan van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Dit betekent dat wordt getoetst aan de reguliere richtafstanden. Invloed plan op omgeving 43
Effecten op woon- en leefklimaat In de toekomstige situatie worden op de planlocatie 3 woontorens gerealiseerd met bijbehorende (bovengrondse en ondergrondse) parkeervoorzieningen. Tevens zal er in de plinten van de torens (eerste twee bouwlagen) een gemengd programma komen van lichte al dan niet bedrijfsmatige functies. In de plinten zijn de volgende activiteiten toegestaan: Horeca van categorie 3. Het betreft hier mogelijkheden voor daghoreca, met een maximaal oppervlak van 180 m² bvo met maximaal 100 m² terras; Dienstverlening; Maatschappelijke voorzieningen (educatieve, sociaal medische, sociaal culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen); Recreatieve en sportvoorzieningen; Kunst en cultuur. Binnen de nieuwbouw wordt een gemengd programma met zowel woningen als lichte bedrijvigheid dan wel dienstverlenende of maatschappelijke functies voorzien. Volgens de VNG-Handreiking is het mogelijk om – op gebouwniveau – lichte bedrijvigheid direct toe te laten naast gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-Handreiking kent daartoe een lijst van typen activiteiten die geschikt zijn voor zogenaamde 'functiemenging'. Categorie A-activiteiten uit deze lijst kunnen direct naast woningen worden toegelaten en categorie B-activiteiten eveneens, onder de voorwaarde dat er sprake is van bouwkundige scheiding met de woningen.
De toegestane activiteiten in de plinten, zoals voorgaand opgesomd, vallen geheel onder de categorieën A en B van de Staat van bedrijfsactiviteiten - funtiemenging. De plinten worden bouwkundig van de woningen op de hogere verdiepingen gescheiden. Hiermee wordt dus voldaan aan het principe van functiemenging met voldoende bouwkundige scheiding. Aanvullend dienen de functies in de plint ook te voldoen aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierin worden nadere milieuregels gesteld waaraan de functies dienen te voldoen. Onevenredige hinder tussen de functies binnen het onderhavige plan wordt vanwege de voorgaande factoren niet verwacht. De ondergrondse parkeervoorziening betreft hier geen bedrijfsmatige voorziening, maar is voor de toelaatbaarheid wel als zodanig beschouwd. Deze valt onder de categorie C en is conform de VNG-Handreiking in een gebied met functiemenging toelaatbaar mits ze wordt ontsloten op de hoofdinfrastructuur. Dat is hier het geval. De eventuele hinder als gevolg van aan en afrijdend verkeer is onderzocht (zie bijlagen). Hieruit blijkt dat ter plaatse van de bestaande woningen in de directe omgeving de geluidsbelasting met maximaal +0,3 dB toeneemt. Qua geluidsnormering zou een toename tot +2dB nog toelaatbaar zijn. Verder zal de geluidbelasting – als gevolg van de nieuwe parkeervoorziening - maximaal 49 dB zijn op de nieuwe woningen in het plan.
Het geluid van de Van Grobbendoncklaan zal – gezien deze belasting – deze waarde overstijgen. Hinder als gevolg van de nieuwe parkeervoorziening is niet aan de orde. Beperkingen voor omliggende functies Met het toevoegen van een nieuwe milieugevoelige functie kan er tevens sprake zijn van een beperking in de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van milieubelastende functies in de omgeving. Aangezien het plan voorziet in 177 nieuwe woningen, is er sprake van een nieuwe milieugevoelige functie. Daarom is geïnventariseerd of er in de omgeving van het plangebied milieubelastende functies aanwezig zijn. In de navolgende tabel worden deze weergegeven en wordt getoetst of de toekomstige bebouwing binnen de richtafstanden ten opzichte van deze functies wordt gesitueerd (afstanden bij benadering).
Adres
Functie(s)
Milieucategorie
Van Bedrijf: benzineservicestation 2 Grobbendoncklaan 2 zonder LPG Graafseweg 52 Maatschappelijk: Kinderopvang 2 / Basisschool Elzenstraat 2 / Lucas Maatschappelijk: (o.a.) 2 van Leydenstraat 27 Balletstudio / Koor / en 31 Participatiehuis 44
Richtafstand (m) 10
Afstand werkelijk (m) 55
10
170
10
115
Graafseweg 128
Detailhandel: Dierenspeciaalzaak Hengelsport
1
0
145
&
Tabel 5.1: toetsing plan aan richtafstanden ten opzichte van omliggende bestaande bedrijfsfuncties
Uit het bovenstaande overzicht kan worden geconcludeerd dat de nieuwe geluidgevoelige objecten buiten de richtafstanden ten opzichte van de bestaande omliggende functies wordt geprojecteerd. Derhalve leidt de nieuwbouw niet tot beperkingen voor de betreffende functies. De belangen van de bestaande bedrijfsmatige functies zullen niet worden geschaad.
Invloed omgeving op het plan De nieuwbouw wordt buiten de richtafstanden van milieubelastende functies opgericht, zoals uit de tabel 5.1 is gebleken. Onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ten gevolge van de aanwezigheid van deze functies is daarom uitgesloten. Een goed woon- en leefklimaat in het plangebied is voldoende gewaarborgd.
Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmeringen op voor het plan.
5.4
Geluid
Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 5.4.1
Wegverkeerslawaai
Wettelijk kader Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluidsonderzoekszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). Naast het toetsingskader en wettelijke eisen van de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde op grond van het Bouwbesluit. Deze maximale geluidsbinnenwaarde is ten gunste van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in betreffend object. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan.
Beoordeling Binnen het plangebied worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Het betreft 177 wooneenheden. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Van Grobbendoncklaan, Lagelandstraat en de Graafseweg. Een akoestisch onderzoek is derhalve noodzakelijk. Vanuit planologisch oogpunt (beoordeling van het woon- en leefklimaat op basis van de gecumuleerde geluidbelasting) is tevens ook onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege de 30 km/uur-wegen, de Westenburgerweg, de Elzenstraat en de Lucas van Leydenstraat. Dit onderzoek is door Kragten uitgevoerd. Voor het gehele onderzoek wordt naar 45
Bijlage 5 verwezen. De belangrijkste conclusies worden hieronder toegelicht.
Wegverkeerslawaai In het kader van de Wet geluidhinder is de geluidbelasting ten gevolge van de Van Grobbendoncklaan, de Graafseweg en de Lagelandstraat inzichtelijk gemaakt. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Graafseweg en de Lagelandstraat respecteren de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Ten gevolge van de Van Grobbendoncklaan bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 54 dB voor gebouw 3, 51 dB voor gebouw 2 en 52 dB voor gebouw 1. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet Geluidhinder wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt wel gerespecteerd. Maatregelen teneinde het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren. Uit een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel zal moeten blijken of de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel [Ga;k] voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. Voor alle appartementen die een geluidbelasting ontvangen van meer dan de voorkeursgenswaarde van 48 dB, zal een hogere geluidswaarde moeten worden verleend. Aan deze hogere warden zulen voorwaarden worden gesteld ten gunste van het woon- en leefklimaat in de appartementwoningen.
Deze voorwaarden zijn onder andere het voldoen aan de ambitiewaarde van maximaal 53 dB op de buitenruimten (het balkon), alsook de aanwezigheid van een luwe zijde (per appartement) van waaruit op de buitenlucht (op natuurlijke wijze) geventileerd kan worden. Daarbij vindt de gemeente het acceptabel als een deel van de zijde luw is, als vanuit dat deel een opening aanwezig is van waaruit het appartement kan worden geventilleerd. In de aanvraag om omgevingsvergunning dient middels een geluidsonderzoek te worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de gestelde voorwaarden uit het hogere waardenbesluit. Ook zal aangetoond moeten worden dat kan worden voldaan aan het geluid binnen nivo (van 33 dB) conform het Bouwbesluit.
Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidbelastingen ten gevolge van de niet-zonepilchtige wegen (30-km/uur wegen) inzichtelijk gemaakt. Voor niet-zoneplichtige wegen zijn de normen uit de Wet geluidhinder niet van toepassing. Voor de 30 km/uur-wegen zijn de geluidbelastingen ter vergelijking beoordeeld aan de hand van de voorkeursgrenswaarde (48 dB) en de maximale ontheffingswaarde (63 dB) uit de Wet geluidhinder voor een vergelijkbaare 50 km/uur-weg. Voor alle gebouwen en gevels wordt voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, waardoor er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de ongecorrigeerde gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen berekend. Per gebouw bedraagt de ongecorrigeerde gecumuleerde geluidbelasting maximaal; 58 dB voor gebouw 1 57 dB voor gebouw 2 59 dB voor gebouw 3. In het kader van een goed woon- en leefklimaat wordt geadviseerd voor de berekening van de geluidwering van de gevel uit te gaan van deze gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelastingen. Conclusie De geluidbelasting vanwege geluigezoneerde wegen op een deel van de nieuwe woningen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. Er wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde. Een hogere waardebesluit is noodzakelijk.
Het ontwerpbesluit wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan gepubliceerd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient bij de omgevingsvergunningaanvraag nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel te worden uitgevoerd, op basis van de berekende gecumuleerde geluidbelastingen. Op voorhand is het voldoende aannemelijk dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden bereikt en aan de gestelde voorwaarden uit het hogere waardenbesluit kan worden voldaan.
46
5.4.2 Indirecte hinder Het effect van de verkeersgeneratie van de nieuwe planontwikkeling (in-/uitrijden van voertuigen van bewoners/bezoekers) op bestaande omliggende woningen en de woningen in het plan zelf is eveneens in beeld gebracht. De verkeersgegevens voor de omliggende wegen tot het representatieve peiljaar 2032 zijn opgenomen in het akoestisch onderzoek; hiervoor wordt naar Bijlage 5 verwezen. De verkeersgeneratie van het plan is met behulp van de kencijfers van het CROW berekend in paragraaf 3.3 van deze toelichting. De totale verkeersgeneratie van 1.370 motorvoertuigbewegingen per etmaal is verwerkt in de verkeersintensiteit op de Van Grobbendoncklaan nabij het plan, waarbij is uitgegaan van dezelfde verdeling per voertuigcategorieën als in de bestaande situatie (‘worst-case’ aangezien de verkeersgeneratie van het plan hoofdzakelijk zal bestaande uit personenwagens). De ontsluiting van het parkeerterrein ligt aan de aan oostzijde (Van Grobbendoncklaan). 50% van/naar zuidelijke richting (omgeving Graafseweg) 50% van/naar noordelijke richting (omgeving Aartshertogenlaan). Dit levert de volgende conclusies op. De geluidbelasting vanwege verkeer op de Van Grobbendoncklaan, waar de ontwikkeling wordt ontsloten, ter plaatse van bestaande woningen in de directe omgeving neemt ten gevolge van het plan met maximaal 0,3 dB toe.
In de Wet geluidhinder bestaat geen directe normstelling voor het effect van de verkeersgeneratie van een nieuw plan op de geluidbelasting ter plaatse van de bestaande woningen. Voor de beoordeling van de eventuele toename van de geluidbelasting is aangesloten bij de normstelling voor ‘reconstructies van wegen’ conform de Wet geluidhinder. Hierin geldt als uitgangspunt dat een toename van de geluidbelasting van (afgerond) minder dan 2 dB toelaatbaar is. Gesteld kan worden dat de voorgestane ontwikkeling niet leidt tot een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting op deze woningen. Uitgaande van 1.370 motorvoertuigbewegingen per etmaal op het gehele parkeerterrein van het plan (‘worst-case’ aangezien een deel van het verkeer gebruik zal maken van de 87 bewonersparkeerplaatsen in de kelder) bedraagt de geluidbelasting (exclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder) 49 dB op de maatgevende woning binnen het plan. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake zal zijn van onacceptabele indirecte hinder. 5.4.3 Railverkeerslawaai Wettelijk kader Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. Als de ontwikkeling in de zone ligt, is de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel (of bouwvlak als dat groter is) van de woning 55 dB.
Er is (onder voorwaarden) een hogere geluidbelasting mogelijk tot 68 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 55 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden: Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding) Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming) Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling) Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor geluidsgevoelige objecten een hogere waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij zulke gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting. Beoordeling Binnen het plangebied worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt echter buiten de zone van de dichtstbijzijnde spoorlijn (traject 's-Hertogenbosch - Oss, >500 meter ten noorden van 47
het plangebied). Spoorlawaai is niet relevant te noemen. Nader onderzoek in dit kader is niet noodzakelijk.
5.4.4 Industrielawaai Geluidszonering Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. Beoordeling Geluidgezoneerde industrieterreinen zijn in de omgeving niet aanwezig. In het plangebied is vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V, "Zones rond industrieterreinen", van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Dit aspect vergt geen nader onderzoek vanuit de Wgh.
5.4.5 Cumulatie Er is uitsluitend sprake van relevante geluidhinder in het kader van wegverkeer. Hiertoe zijn in het geluidsonderzoek een aantal niet-zoneringsplichtige wegen (30 km/h) meegenomen – ook voor cumulatie - in het geluidsonderzoek meegenomen. Overige geluidbronnen leveren geen relevante c.q. merkbare bijdrage aan de geluidniveaus ter plaatse van de nieuwbouw. Een nadere beschouwing van de cumulatieve geluidhinder – anders dan bronnen van het wegverkeer - is daarom niet aan de orde.
5.5
Trillingen
Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Er is geen wetgeving van toepassing op dit aspect. Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem).
Beoordeling Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. De woningen in het plangebied liggen op een afstand van circa 500 meter van de dichtsbijzijnde spoorweg. Gelet op deze afstand is een nadere beschouwing van het aspect trillingen niet noodzakelijk vanuit de spoorweg. Overigens liggen de nieuwe woningen (deels) wel binnen 100 meter van de doorgaande weg Van Grobbendoncklaan. Echter is er geen sprake van relevante oneffenheden in de weg, gaan er doorgaans geen zwaar beladen voertuigen over de weg en is hinder door trillingen dus ook vanaf deze weg niet aan de orde. Overige relevante trillinghinderveroorzakende functies zijn in de omgeving evenmin aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
48
5.6
Verlichting
Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling.
Beoordeling Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat het gebouw op voldoende afstand tot omliggende percelen wordt opgericht. De in de omgeving aanwezige verlichting zal voornamelijk ten behoeve van de nodige verlichting van de openbare omgeving/ruimte zijn.. Bij het parkeerterrein zal mogelijk verlichting worden opgericht, maar deze zal gericht zijn op het parkeerterrein en slechts een beperkte uitstraling richting de omgeving hebben. De aanwezige bomen zorgen bovendien grotendeels voor afscherming. De in- en uitritten van de bovengrondse en ondergrondse parkeervoorzieningen zijn bovendien niet naar woningen in de omgeving gericht. Hinder als gevolg van verlichting is hier niet aannemelijk.
5.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe 49
veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid.
Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. Beoordeling Beschouwing risicobronnen Het plan maakt nieuwe kwetsbare objecten mogelijk en het aantal personen binnen het plangebied neemt toe. Er worden geen nieuwe risicobronnen geïntroduceerd. Op basis van de Risicokaart is een inventarisatie gemaakt van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Figuur 5.1 geeft de risicobronnen in de ruime omtrek van het plangebied weer.
Figuur 5.1: uitsnede Risicokaart (bron: www.risicokaart.nl) 50
Raadpleging van de Risicokaart levert de volgende inzichten op. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied is een aantal Bevi-inrichtingen gelegen. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een inrichting ten behoeve van vervaardiging van machines en apparaten. Deze inrichting bevindt zich aan de Sigarenmakerstraat 9, op circa 1.290 meter van het plangebied. In deze inrichting is een bovengrondse propeen tank (8.000 liter) aanwezig. De PR 10-6 risicocontour bedraagt 43 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Het plangebied ligt tevens buiten het invloedsgebied van de risicobron. Ten zuidwesten van het plangebied, aan de Orthenstraat 302, bevindt zich een opslagkluis voor munitie. De opslagkluis bevindt zich op een afstand van circa 1.320 meter van het plangebied. De kluis beschikt niet over een PR 10-6-risicocontour en het invloedsgebied reikt niet over het plangebied. Aan de Victorialaan 10 bevindt zich sportcomplex het 'Sportiom'. Dit complex bevindt zich op circa 690 meter van het plangebied. In dit complex bevindt zich een koelinstallatie. De PR 10-6-risicocontour bedraagt 0 meter. Het invloedsgebied reikt niet over het plangebied. Tot slot bevindt zich aan de Pieter Langendijksingel 2, op circa 1.070 meter van het plangebied, een bedrijf ter vervaardiging van zuivelproducten.Ter plaatse bevindt zich een ammoniak koelinstallatie.
Voor deze installatie zijn echter geen risicoafstanden van toepassing. Buisleidingen Op een kleine 1.500 meter noordoostelijk van het plangebied is een buisleiding van de Gasunie gelegen (Z-523-01). De PR 10-6-risicocontour en het invloedsgebied van deze buisleiding reiken niet over het plangebied.
Transportroutes (weg/spoor) Het plangebied ligt op circa 550 meter afstand van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen, en op ruim 2.200 meter van de A2 en van de A59. Over deze transportroutes vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6-risicocontouren van deze transportroutes reiken niet over het plangebied. Voor de A2 en de A59 geldt dat de volgende gevaarlijke stoffen worden vervoerd: LF1 (brandbare vloeistof), LF2 (brandbare vloeistof), LT1 (toxische vloeistof), LT2 (toxische vloeistof) en GT3 (toxisch gas). Voor deze stoffen geldt een hoogste invloedsgebied van 995 meter. Het plangebied valt hier niet binnen. Voor de spoorlijn geldt dat de volgende stoffen over de lijn worden vervoerd: A (brandbaar gas), B2 (toxisch gas), C3 (zeer brandbare vloeistof), D3 (toxische vloeistof) en D4 (zeer toxische vloeistof). Voor deze stoffen geldt een hoogste invloedsgebied van 4.000 meter. Het plangebied ligt binnen deze afstand. Echter ligt het plangebied wel verder dan 200 meter van de spoorlijn en wordt er volstaan met het opstellen van een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico.