CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting en regels DPO-leiding Bokhoven

Gemeenteraad 18 mei 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan DPO-leiding Bokhoven21.994 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het onderzoeksbureau adviseert het volgende. Als op de onderzoekslocatie grond vrijkomt bij graafwerkzaamheden en deze buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan die toepassing worden verbonden. In verband met het aantreffen van diverse bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen en (metsel)puin in de grond is op die specifieke locaties een asbestonderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd (zie Bijlage 9 Asbestonderzoek). De onderzoeksresultaten laten zien dat er geen asbest aanwezig is. De gemeenteraad heeft op 10 december 2019 de nieuwe regionale bodemkwaliteitskaart met bijbehorende nota bodembeheer vastgesteld. Voor het betreffend gebied verandert er voor wat betreft de functie-, ontgravings- en toepassingsklasse niets. Conclusie: Gezien de uitgevoerde onderzoeken vormt het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bij het hergebruiken van vrijgekomen grond buiten de locatie moet worden voldaan aan het Besluit bodemkwaliteit. 5.5

Water

Artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht tot het opnemen van 'een beschrijving van de wijze waarop in het ruimtelijk plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding' in de toelichting van dit ruimtelijke plan. Deze watertoets is daarom een verplicht onderdeel van elke planologische procedure. Doel van de watertoets is het waarborgen van waterhuishoudkundige doelstellingen door waterbelangen al in een vroeg stadium bij de planvorming te betrekken. De waterhuishoudkundige aspecten omvatten onder meer veiligheid voor water, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging. Het plangebied, voor zover gelegen binnen de gemeente 's-Hertogenbosch, valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Het Waterschap is betrokken bij de voorbereidingen van het bestemmingsplan en de aanleg van de nieuwe leiding. Voor de bemaling van de putten, van waaruit de boringen worden gestuurd, worden watervergunningen aangevraagd. Voor eventuele bemalingen tijdens de werkzaamheden geldt het vigerend beleid van gemeente 's-Hertogenbosch en de Keur van waterschap Aa en Maas.

34/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Het Waterschap Aa en Maas en Rijkswaterstaat zijn gedurende de voorbereiding van de plannen betrokken door de initiatiefnemer. Ter uitvoering van de bestemmingsplannen zijn onder meer watervergunningen aangevraagd. Ook in dit kader is vooraf overleg gevoerd met beide genoemde instanties. In onderstaande paragrafen worden de waterbelangen van Aa en Maas en Rijkswaterstaat behandeld. 5.5.1 Waterbelangen Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan Aa en Maas 2016-2021 In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water NoordBrabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma's:     

Veilig en bewoonbaar; Voldoende water en robuust watersysteem; Schoon water; Gezond en natuurlijk water; Het leveren van maatschappelijke meerwaarde

Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Waterbelangen De waterbelangen die van toepassing zijn: Riooltransportleiding Deze leiding is parallel gesitueerd aan de Baronnesse van Egmondweg en de Bellaard. Het is van belang dat het waterschap toezicht kan houden in het geval dat hier werkzaamheden worden uitgevoerd. Er worden namelijk voorwaarden gesteld om eventuele risico's en schade te beperken. In het vigerende bp buitengebied van Den Bosch uit 2011 (alleen in pdf beschikbaar) is deze leiding beschermd met een dubbelbestemming.

Bij de uitvoering van de aanleg zal het waterschap worden betrokken. Leggerwatergangen Er worden meerdere regionale watergangen doorsneden. Het gaat hierbij om diverse a-watergangen en een aantal b-watergangen. Voor de kruising met de a-watergangen in het gebied wordt een watervergunning aangevraagd, dit geldt ook voor de locaties waar de leiding (deels) in de beschermingszone van de a-watergang komt te liggen. Voor de kruisingen van de b-watergangen hoeft geen vergunning bij het waterschap Aa en Maas te worden aangevraagd. Profiel van vrije ruimte Parallel aan de Luibroeksche wetering is een profiel van vrije ruimte (25 meter aan weerszijden) gereserveerd voor het instandhouden/realiseren van ecologische 35/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

verbindingszones. Ook binnen deze zone zijn werken/activiteiten (water-)vergunningsplichtig. Regionaal waterbergingsgebied Het zuidelijk deel van het tracé komt in het hoogwaterbeschermingsgebied Den Bosch (HOWABO) te liggen. Dit gebied wordt tijdelijk ingezet bij extreem, natte situaties. Hiermee wordt voorkomen dat er stroomafwaarts kwetsbare gebieden niet onder water komen te staan. De leiding zal in de toekomst geen 'ruimte' van het water innemen aangezien deze volledig onder maaiveld wordt aangelegd (gemiddeld 1,2 meter). Een van de putten die nodig is voor onderhoud en controle van de leiding wordt aangelegd nabij de Moerputtenweg. Deze put wordt half verdiept aangelegd om zo min mogelijk ruimte in te nemen. De extra ruimte die door de put wordt ingenomen zal worden gecompenseerd. Hierover worden nadere afspraken gemaakt met het Waterschap Aa en Maas. De aanleg van deze put maakt ook onderdeel uit van de aangevraagde watervergunning. Waterkeringen De primaire waterkering bij de Maas en de overige kering van het hoogwaterbeschermingsgebied worden ook doorsneden. Deze kruisingen zijn haaks op de waterkering voorzien conform de eisen van de waterschappen. Deze kruisingen maken ook onderdeel uit van de watervergunning en worden in dat kader geoetst aan de doelstellingen van de Waterwet.

Het tracé en de locatie van de kruisingen is in nauw overleg met het waterschap opgesteld. Voor de watervergunningplichtige activiteiten is in het najaar van 2020 een aanvraag ingediend. Deze is uitgebreid voorbesproken met de verschillende bevoegde gezagen (Waterschap Aa en Maas en Rijkswaterstaat). 5.5.2 Waterbelangen Rijkswaterstaat Veiligheid vaarroute/uiterwaarden De kruising met de rivier de Maas zal worden uitgevoerd conform o.a. de regels uit de NEN 3651 en Richtlijn Boortechnieken. Hierdoor zal bij handhaving van het huidige vaarwegprofiel de dekking afdoende zijn en zal worden voldaan aan de vigerende veiligheidseisen. Zoekgebieden maatregelen Kaderrichtlijn Water Rijkswaterstaat werkt aan een maatregelenpakket ter uitvoering van de Kaderrichtlijn Water. In een verkenning zijn enkele maatregelen voor de regio Zuid-Nederland onderzocht. Het gaat bijna uitsluitend om het realiseren van geulen langs de Maas. Hiervoor zijn zoekgebieden aangewezen. In onderstaande afbeelding zijn de zoekgebieden (in rood) met de mogelijke geulen (in blauw) weergegeven in relatie tot het plangebied voor het nieuwe tracé van de DPO-leiding.

36/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Figuur 5-3 zoekgebieden KRW-maatregelen Zuid-Nederland (bron: KRW-maatregelen derde tranche Zuid-Nederland, Antea december 2018). Uit deze afbeelding blijkt dat de leiding binnen de zoekgebieden ligt en komt te liggen, maar niet overlappen met de mogelijke locatie van de aan te leggen KRW-geulen. 5.6

Niet gesprongen explosieven

Op basis van de Arbo-wetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid moeten de risico's van mogelijk niet gesprongen explosieven voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden in kaart worden gebracht, waarbij de risico's zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. In het gebied van het nieuwe DPO tracé tussen Bokhoven en Heusden is een vooronderzoek gedaan naar mogelijk niet gesprongen explosieven (zie Bijlage 10 Rapportage Niet gesprongen explosieven). Het doel van dit vooronderzoek CE is het vaststellen of er in de geraadpleegde bronnen indicaties zijn waaruit blijkt dat (delen van) het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken is (zijn) geweest bij oorlogshandelingen waardoor er (mogelijk) CE op/in de (water)bodem zijn achtergebleven. Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat het onderzoeksgebied getroffen is door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waardoor CE in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Het gaat om artilleriebeschietingen, militaire aanwezigheid en de inslag van een V.1, waardoor CE in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Aan de hand van deze indicaties zijn de hoofdsoorten, sub-soorten, kalibers, nationaliteit, hoeveelheden en verschijningsvormen CE vastgesteld. Tevens zijn de horizontale en de verticale afbakening vastgesteld en is gekeken naar de naoorlogse ontwikkelingen.

Horizontale afbakening

37/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

De contouren van de mangaten plus 5 meter in verband met de georeferentie-afwijking zijn verdacht verklaard. De artilleriebeschietingen zijn afgebakend aan de hand van de op luchtfoto’s waargenomen geschutinslagen; het gebied is verdacht tot en met de laatste krater van de groep. Rondom het inslagpunt van de V.1 is 25 meter plus 5 meter georeferentie-afwijking verdacht verklaard.

Figuur 5-4 inventarisatiekaart explosieven (bron: rapportage IDDS, bijlage 10) Verticale afbakening De minimale diepteligging van alle CE in alle verdachte gebieden in dit onderzoeksgebied is ‘net onder het maaiveld’. De maximale diepteligging van de CE ter plaatse van de voormalige mangaten is 2 meter, van de geschutmunitie 2,5 meter en van de restanten van de V.1 4 meter. Advies vervolgaanpak verdachte gebieden Voor de aanleg van de leiding worden delen van het tracé aangelegd met een open ontgraving en andere delen met een HDD-boring. In het op geschutmunitie verdachte gebied waar een open ontgraving zal plaatsvinden adviseert IDDS om oppervlaktedetectie uit te laten voeren door een WSCS-OCE gecertificeerd CEopsporingsbedrijf. Voor de delen waar de HDD-boring wordt gezet kunnen de werkzaamheden die dieper dan de maximale diepteligging van de CE worden uitgevoerd zonder vervolgstappen worden gedaan. Ter plaatse van het gebied verdacht op restanten V.1 is het advies de werkzaamheden in horizontale zin te verplaatsen; ervoor te zorgen dat de werkzaamheden niet binnen het verdachte gebied plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, dan geldt ook hier het advies om direct oppervlaktedetectie uit te voeren. Voor de gebieden die verdacht zijn op diverse hoofdsoorten CE geldt dat hier een HDD-boring wordt gezet.

Net op als bij de op geschutmunitie verdachte gebieden kunnen de werkzaamheden die dieper gaan dan de maximale diepteligging van de CE worden uitgevoerd zonder dat vervolgstappen in de CE-opsporing noodzakelijk zijn.

38/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

De gemeente stemt in met de conclusies uit het rapport, maar maakt een voorbehoud voor gebieden waar naoorlogse graafwerkzaamheden, dempingen/ophogingen en grondbewerkingen (ploegen, eggen). Kort voor de fysieke aanleg van de leiding moet een definitieve inschatting van de risico's worden gedaan. Conclusie In het gebied komen mogelijk niet gesprongen explosieven voor. Kort voor de fysieke aanleg van de leiding moet een definitieve inschatting van de risico's worden gedaan. Zo nodig worden detectiewerkzaamheden uitgevoerd. 5.7

Ecologie

5.7.1 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat regels voor het beschermen van bijzondere gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de provincie Noord-Brabant het 'Brabants Natuurnetwerk' genaamd. Natura 2000 Het plangebied heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied is het 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek', binnen de gemeente 's-Hertogenbosch. Andere relevante Natura 2000-gebieden zijn de 'Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen' en 'Rijntakken'. De ontwikkeling omvat het aanleggen en gebruiken van een brandstofleiding. Zoals in paragraaf 5.1 Milieueffectrapportage al is aangegeven, veroorzaakt de aanleg van de brandstofleiding (over het gehele tracé) een geringe toename van stikstofdepositie op de genoemde Natura 2000-gebieden.In verband hiermee is een voortoets uitgevoerd, in combinatie met een berekening van de mogelijke stikstofdepositie (zie bijlage 5). Uit de berekening blijkt dat de aanlegactiviteiten zorgen voor een tijdelijke kleine toename op het Natura 2000-gebied. In de voortoets is ook aandacht besteed aan mogelijke andere effecten dan stikstof (geluid, verdroging, enz.). Op 5 juni 2020 is een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming ingediend.

Het Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, het bevoegd gezag voor dit project, heeft de aanvraag afgewezen. De reden is dat uit de voortoets voldoende blijkt dat significante effecten op het Natura 2000-gebied op voorhand kunnen worden uitgesloten, waardoor een vergunningplicht niet aan de orde is. Het besluit is in bijlage 2 bij de regels toegevoegd. Natuurnetwerk Brabant Een klein deel van het plangebied maakt deel uit van het Natuurnetwerk Brabant, verder NNB (zie ook paragraaf 3.2.3), namelijk aan de zuidzijde van de Maas tot en met de Bokhovense Maasdijk, ten zuiden van de Omloop en ten zuiden van de A59. Verder zuidelijk overlapt het plangebied ook deels met het NNB, door een tijdelijke uitlegstrook voorzien op het Engelenmeer (een uitlegstrook is een locatie waarop de delen van de leiding aan elkaar worden gemaakt, waarna de leiding via een boring in de grond wordt gestuwd). Op onderstaande afbeelding zijn deze locaties van noord tot zuid met een blauwe ster aangeduid.

39/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Figuur 5 -4 Ligging van het NNB in groen (Bron: Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016). Nieuwe ontwikkelingen, die een signifcant negatief effect hebben op de wezenlijk waarden en kenmerken van het NNB, zijn in beginsel niet toegestaan. Hiervoor geldt een zogenaamde 'nee, tenzij' -beoordeling. In bijlage 13, hoofdstuk 8, is een dergelijke beoordeling gedaan. Hieruit blijkt het volgende: 1. Ter plaatse van de bovenste locatie wordt de nieuwe leiding via een boring aangelegd en ontstaan geen effecten op het NNB. 2. Ter plaatse van de tweede locatie geldt hetzelfde: de nieuwe leiding wordt hier geboord en de oude leiding wordt zonder ontgraving verwijderd (van afstand uit de grond getrokken). Ook hier dus geen effecten op het NNB. 3. De derde locatie is bedoeld voor een tijdelijke uitlegstrook: de leidingdelen worden op het land (ten zuidwesten van het Engelenmeer) aan elkaar gelast. De aan elkaar gelaste leidingdelen worden, tot het moment dat deze onder de grond worden geboord, zolang op het water van het Engelenmeer gelegd. Dit leidt niet tot een daadwerkelijke aantasting van waarden en kenmerken van het NNB. 4. De meest zuidelijke locatie ligt ten zuiden van de A59. Hier worden, tijdelijk en bovengronds aanlegwerkzaamheden uitgevoerd. De tijdelijke aard van de werkzaamheden zorgt er voor dat de aanwezige waardes, oppervlaktes, verbinding en kwaliteit kunnen worden behouden.

40/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

In dit geval gaat het dus op twee locaties uitsluitend om eventuele tijdelijke effecten, zijn er geen alternatieven en is sprake van een groot openbaar belang voor Defensie. In de rapportage in bijlage 13 is deze onderbouwing uitgebreider verwoord. Dit betekent dat de tijdelijke aantasting toelaatbaar zijn. Conclusie: Het onderdeel gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.7.2 Soortenbescherming Er is een Quickscan Ecologie uitgevoerd voor de werkzaamheden voor het aanleggen van een nieuwe DPO-leiding binnen (onder meer) het gebied van de gemeente 's-Hertogenbosch (zie Bijlage 12 Quickscan Ecologie Bokhoven - Vlijmen en Bijlage 13 Quickscan ecologie Ammerzoden - Bokhoven). Uit de quickscans blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat in het tracédeel Vlijmen – Bokhoven (waarin het grootste deel van plangebied binnen de gemeente 's-Hertogenbosch ligt) met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Dit komt omdat alleen open ontgravingen plaatsvinden in reeds veelvuldig vergraven akkerland. In de meer kwetsbare gebieden wordt de leiding geboord, waardoor geen verstoring van flora- en fauna zal plaatsvinden. Wel moet rekening worden gehouden met de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming.

Voor het tracédeel Bokhoven – Ammerzoden (met een klein deel binnen de gemeente 'sHertogenbosch) geldt het volgende.  

In het plangebied worden geen beschermde planten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden verwacht, negatieve effecten op deze soortgroepen kunnen worden uitgesloten; Het gebruik van het plangebied en omgeving door beschermde grondgebonden zoogdieren (eekhoorn, bunzing en hermelijn), vleermuizen (baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) en algemene en jaarrond beschermde broedvogels (boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer) kan niet worden uitgesloten. De werkzaamheden leiden echter niet tot negatieve effecten voor deze soortgroepen, mits buiten de winterperiode, uitsluitend overdag en op minimaal 20 meter afstand van de potentiele vleermuisverblijfplaatsen gewerkt wordt. Een nader onderzoek en/of ontheffing is dan niet aan de orde. In het plangebied zijn algemene broedvogels aanwezig. Omdat werkzaamheden ook worden uitgevoerd in het broedseizoen moet een Ecologisch werkprotocol (EWP) worden opgesteld om verstoring en/of beschadiging van nesten (en daarmee knelpunten met de Wnb) te voorkomen.

Een ecologisch werkprotocol is in de maak, wordt in het bestek verwerkt en de aannemer wordt verplicht volgens dit protocol te handelen. Het EWP is van toepassing op de soortgroepen algemene broedvogels en vleermuizen. Tevens worden de randvoorwaarden uit de quickscan opgenomen in het EWP. Zorgplicht Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. (artikel 1.11 Wnb).

Conclusie Onder de voorwaarden die in het Ecologische Werkprotocol worden opgenomen, leiden de werkzaamheden niet tot een verstoring van beschermde soorten. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbeschemring is niet aan de orde en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op dit punt is verzekerd. 41/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

5.8

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de omvang van het overlijdensrisico als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De mate van externe veiligheid wordt bepaald door de grootte van het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico worden als volgt omschreven: 

Plaatsgebonden risico: Risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is (uitgedrukt in 'grenswaarde'); Groepsrisico: Cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval met die buisleiding (uitgedrukt in 'oriëntatiewaarde').

Op grond van het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb), dat ziet op transportleidingen voor gevaarlijke stoffen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, is een kwantitatieve risicoanalyse (verder: QRA) uitgevoerd (Bijlage 14 Kwantitatieve risicoanalyse) voor de nieuwe leiding met een diameter van 10 inch, bestemd voor het transport van K2 en K3 vloeibare aardolieproducten. Deze analyse gaat over het gehele tracé van de leiding, dus ook voor zover gelegen buiten het grondgebied van de gemeente 's-Hertogenbosch. De QRA is nodig om te kunnen bepalen of de genoemde leiding voldoet aan de externe veiligheidseisen uit het Bevb. De QRA wordt gebruikt om beslissingen te nemen over de aanvaardbaarheid van risico's in relatie tot onder andere het leidingtracégebied van de genoemde transportleiding. De resultaten van de kwantitatieve risicoanalyse zijn getoetst aan de vastgestelde grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (artikel 11 Bevb) en een oriëntatiewaarde (ORW) voor het groepsrisico (artikel 12 Bevb). Plaatsgebonden risico (artikel 11 Bevb) Uit de QRA blijkt dat er geen 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Dit betekent dat er niet hoeft te worden gekeken naar mogelijke kwetsbare objecten binnen de PR-10-6 en wordt voldaan aan artikel 11, eerste lid Bevb, in relatie tot het voorliggende bestemmingsplan.

Groepsrisico (artikel 12 Bevb) Het groepsrisico is berekend op basis van de maatgevende kilometer van het tracé (het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar). Het aantal fatale slachtoffers tijdens dag en/of nacht is lager dan 10. In deze berekening is rekening gehouden met geprojecteerde kwetsbare objecten binnen de invloed van het nieuwe tracé. In onderstaande figuur is het berekeningsresultaat weergegeven, afgezet tegen de 'oriëntatiewaarde' (gele lijn):

42/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

: Figuur 5.5 afbeelding berekening groepsrisico (bron: QRA d.d.30-09-2020) Uit de berekening blijkt dat het groepsriscio ruim onder de 0,1 maal oriëntatiewaarde blijft. Deze zeer lage verhouding ten opzichte van de door de overheid acceptabel geachte oriëntatiewaarde wordt veroorzaakt door intrinsieke parameters zoals:  

De ligging en de omgeving van het nieuwe tracé van de leiding: het is grotendeels agrarisch gebied, zonder concentraties van woningen of personen; maatregelen in het ontwerp en de werking van de leiding, zoals gronddekking en automatisch bediende afsluiters.

Bij een dergelijke waarde van het groepsrisico is volgens artikel 12 Bevb slechts een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig, en wel op de volgende punten:  

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet.

Verantwoording groepsriscio  Risico Het risico bestaat dat bij graafwerkzaamheden een breuk in de leiding ontstaat. Hierdoor stroomt vloeistof uit de leiding en wordt deze ontstoken, waardoor een zogenaamde 'plasbrand' ontstaat. Een plasbrand is zichtbaar en hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor eventuele aanwezigen. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen goed worden ingeschat: zij moeten het gebied, afgeschermd van hittestraling, ontvluchten. Aanwezigen binnen de 35 meter van de plasbrand hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de grote hittestraling (Scenarioboek Externe Veiligheid).  Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied van een risicobron, om zichzelf in veiligheid te brengen in het geval van een ramp of een zwaar ongeval . Belangrijk aspect hierbij is, dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is bepalend voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval.

 Zelfredzaam vermogen In de nabijheid van de nieuwe leiding zijn geen objecten voorzien, waarbij sprake is van langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen (zoals kleine kinderen, zieken en ouderen). De (toekomstige) gebruikers in de plangebieden vormen een gemiddelde bevolkingsgroep uit de samenleving, die als zelfredzaam worden beschouwd. 43/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

 Ontvluchtingsmogelijkheden In de gebieden die deze leiding doorkruist bevinden zich diverse doorgaande regionale wegen. De plannen bieden daarmee voldoende vluchtwegen.  Informatie- en alarmeringsmogelijkheiden Het bevoegd gezag dient burgers, die binnen het invloedsgebied wonend of werkzaam zijn, te informeren over de mogelijkheden en onmogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen bij een eventuele calamiteit. Belangrijk is om na te gaan wat de mogelijkheden tot zelfredzaamheid zijn om slachtoffers bij de diverse scenario's te voorkomen en om na te gaan of het gebied zodanig ingericht is dat de zelfredzaamheid wordt bevorderd. Het is van belang dat duidelijk is waarheen gevlucht moet worden. Er moeten vluchtroutes zijn van de risicobronnen af. Met NL-Alert kan de overheid mensen in het rampgebied en in de directe omgeving van een (dreigende) noodsituatie met een tekstbericht informeren via de eigen mobiele telefoon. Hierdoor is een snelle alarmering op de locatie mogelijk.  Constructiemaatregelen Een goede bouwkundige constructie kan extra bescherming bieden tegen de hittestraling. Verder kan de kans op secundaire branden hiermee beperkt worden. De meeste bebouwing in de omgeving van de nieuwe leiding ligt op grote afstand (> 90m) van de leiding. Ten oosten van de bebouwde kom Bokhoven ligt de leiding onder een sportveld .

De meest nabij gelegen woning bevindt zich op 30 m afstand van het tracé. De leiding ligt daar op een diepte van 15 à 20 m. De kans op een calamiteit (plasbrand) op deze locatie is nihil. Ten oosten van Vlijmen wordt de bebouwde kom gepasseerd met een horizontaal gestuurde boring, waarbij de leiding op een diepte van circa 15 à 20 m ligt. Ook in dit geval is de kans op een calamiteit aldaar nihil.  Verzamelplaatsen Het inrichten van gebieden als verzamelplaats op het scenario plasbrand is in dit geval niet relevant, gezien de zeer geringe bebouwingsdichtheid.  Mogelijkheden van de hulpverlening Bij hulpverlening gaat het zowel om de voorbereiding op de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval, als om het beperken van de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hulpverlening is in staat gedurende het eerste uren van een calamiteit de bestrijding in te zetten en de gewonden af te voeren naar de twee regionale ziekenhuizen Jeroen Bosch (locatie 's-Hertogenbosch of locatie Drunen). Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, is het van belang dat de hulpverleningsdiensten niet worden belemmerd in de uitvoering van hun taken.  Bereikbaarheid Het leidingtracé is bereikbaar via diverse regionale doorgaande wegen.

In de nabijheid van het tracé zijn twee brandweerkazernes, te weten Brandweerlocatie Brabant-Noord, Vogelstraat 45 in 's-Hertogenbosch en Brandweerlocatie Kazerne Drunen, Burgemeester Zwaansweg in Drunen. Op basis van routeplanners zal de brandweer na melding maximaal 15 minuten nodig hebben om de locatie van een calamiteit in de leiding te bereiken. De leiding doorkruist agrarische percelen. Het kan daarom lastig zijn om een calamiteit direct te benaderen, omdat velden doorkruist moeten worden, de wegverharding niet toereikend, afmetingen van de weg niet geschikt zijn voor brandweervoertuigen) of om een geschikte opstelplaats nabij het object te creëren (i.v.m. zetting grond, of een te slappe ondergrond).  Bluswatervoorzieningen De leiding bevindt zich in het buitengebied van 's-Hertogenbosch. Gezien de aard van het gebied wordt verondersteld dat de brandweer niet overal in het plangebied snel kan beschikken over voldoende bluswater uit zowel primaire (brandkranen) of secundaire (open water) bluswatervoorzieningen om een plasbrand te blussen. Woningen zijn echter gelegen op grote afstand van de leiding. Voor bestaande overige gebouwen en bouwwerken in het buitengebied is het daarom ons inziens niet noodzakelijk dat aparte bluswatervoorzieningen worden aangelegd. 44/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Het tracé doorkruist twee percelen die als beperkt kwetsbaar worden aangemerkt, te weten een sportveld in de gemeente Bokhoven en een toekomstige (natuur)camping aan het Engelermeer te 's-Hertogenbosch. Beide percelen liggen in de onmiddellijke nabijheid van open water (de Maas, respectievelijk het Engelermeer) waarvan mogelijk bij de eventuele bestrijding van deze open wateren gebruik gemaakt kan worden. Er is geen opstelplaats voor de brandweer aanwezig, dus in de praktijk kan de brandweer beslissen geen gebruik te maken van dit open water. De leiding ligt op deze beide locaties diep (horizontaal gestuurde boringen), waardoor het risico op een plasbrand nihil is.  Bronbestrijding De brandweer heeft geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding van een plasbrand uit deze leiding, de beheerder van de buisleiding moet de toevoer afsluiten. In de leiding zijn op diverse locaties afsluiterputten aanwezig met automatisch bedienbare afsluiters, waarbij de inbloklengte minder dan 10 kilometer bedraagt. Bij het automatisch inblokken (bijvoorbeeld bij constatering dat de nominale werkdruk afwijkt van de standaard, zoals dit bij een breuk in de leiding voorkomt) gebeurt het inblokken direct. Eventuele secundaire branden, die ontstaan zijn doordat het vuur is overgeslagen, zijn wel te bestrijden. Bebouwing rondom deze leiding staat echter op grote afstand.

 Restrisico De beschouwde risicobron (plasbrand) is een lokaal faalscenario, dat overal langs de route zou kunnen optreden, zij het dat de leiding in een groot deel van het tracé op een grote diepte ligt wat het risico verder beperkt. De omvang van de plasbrand (de plasbrand zelf inclusief de zone rondom met een warmtestralingsniveau van 10 kW/m 2) kan oplopen tot een diameter van circa 2 x 25 m. De genoemde maatregelen kunnen de effecten van een dergelijke calamiteit mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar is door de hulpverleningsdiensten. Ondanks het geringe afgeleide (groeps-)risico en de reducties van het risico door de genoemde maatregelen is er altijd sprake van een restrisico. Het bevoegd gezag acht dit acceptabel. Advies veiligheidsregio De veiligheidsregio is formeel om advies gevraagd, zoals voorgeschreven in artikel 12 van het Besluit externe veiligheid Buisleidingen. Het advies is als bijlage 15 bij deze toelichting gevoegd. De veiligheidsregio wijst op het juiste adres van de brandweerkazerne en dat het, in tegenstelling tot wat in de QRA staat, niet mogelijk is om gebruik te maken van open water in de nabijheid. Daarvoor zou een opstelplaats voor de brandweer moeten worden aangelegd. Voor het overige onderschrijft de Veiligheidsregio de conclusies uit de QRA.

Belemmeringenstrook (artikel 14 Bevb) Conform de bepalingen van het Besluit externe veiligheid buisleidingen is aan beide zijden van de nieuwe leiding een belemmeringenstrook van 5 meter opgenomen. Binnen deze gronden geldt een vergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten. Deze vergunningplicht geldt niet voor het aanleggen van de nieuwe leiding en het normale onderhoud van deze leiding, mede op basis van de resultaten van de QRA voor deze specifieke leiding. Toets aan gemeentelijk beleid Bij het ontwerp en de werking van de leiding is aandacht besteed aan een veilige werking van de leiding voor mens en milieu. De leiding wordt zo veel mogelijk via een gestuurde boring aangelegd, op relatief grote diepte, waardoor risico's voor mens en milieu worden beperkt door de mate van gronddekking. Verder zijn de afsluiterputten automatisch te bedienen, waardoor in geval van een calamiteit van afstand maatregelen kunnen worden genomen om risico's te beperken. Het DPO-beleid is vastgelegd en geborgd met een geïntegreerd managementsysteem op basis van:   

ISO 14001 (Milieumanagement) ISO 45001 (ARBO-management) NEN 3655 (Veiligheidsbeheerssysteem buisleiding)

45/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

 IS017025 (Laboratoriumtesten). Verder hanteert DPO een risicomanagementsysteem, dat onderdeel uitmaakt vna het integrale managementsysteem om de beheersing van risico's zo goed mogelijk uit te voeren en incidenten met gevolgen voor mens en milieu te voorkomen. Voor nadere uitwerking wordt verwezen naar de overige inhoud van deze paragraaf en de QRA in bijlage 14. De (onderbouwing van de) beoogde ontwikkeling past binnen het gemeentelijk uitvoeringsbeleid op het gebied van externe veiligheid. Conclusie De nieuwe leiding voldoet aan de eisen van het Besluit externe veiligheid Buisleidingen. Er is een beperkte verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd; Bij een calamiteit bij deze leiding is er een risico op een plasbrand. Een dergelijke plasbrand kan leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken, echter de route van de leiding is zodanig gekozen dat bebouwing in de onmiddellijke nabijheid van de leiding niet aanwezig is of de leidingdekking zodanig diep is dat de kans op rest- of groepsrisico zeer gering is. De in dit rapport genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die voor de hulpverleningsdiensten beter beheersbaar worden geacht. Ondanks het geringe risico en de eventuele reducties blijft er altijd sprake van een restrisico. Het bevoegd gezag acht het restrisico acceptabel. 5.9

Kabels en leidingen

Ter oriëntatie zijn KLIC-oriëntatie meldingen uitgevoerd, met de referenties 18O027119 en 18O027118. De volgende raakpunten voor de aanleg van de nieuwe defensieleiding zijn hierbij geïdentificeerd: 

Parallel aan de Baronesse van Egmondweg bevinden zich data kabels van verschillende beheerders, een drukriool van de gemeente Den Bosch en een voorziening van het waterschap AA en Maas  Langs de Bokhovense Maasdijk bevinden zich diverse nutsvoorzieningen die door de aanleg methode van de nieuwe leiding op grote diepte (-25 meter onder maaiveld) geen risicovormen. Voor de engineering worden ter verificatie van de kritieke kabels en leidingen van derden de exacte ligging nog geverifieerd middels het graven proefsleuven. De resultaten worden verwerkt op de constructietekeningen. De aannemer zal voorafgaand aan de uitvoerende werkzaamheden een nog een KLIC graafmelding verrichten. Het tracé van de nieuwe leiding is kruist een vuilwaterriolering en een persleiding van de gemeente 's-Hertogenbosch . Onderstaande figuur geeft de schematische ligging van beide (rood: vuilwaterriolering, groen persleiding in de Baronesse van Egmondweg).

46/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Figuur 5-6 overzicht overige leidingen in en om het plangebied Beide kruisingen vormen een aandachtspunt bij de aanleg. Ook bij beheer en onderhoud van de DPO leiding en van de gemeentelijke rioleringen vormen deze kruisingen een aandachtspunt. Hiervoor zijn voldoende geschikte technieken beschikbaar. De bestaande DPO leiding wordt, daar waar enigszins mogelijk, verwijderd. Dit is in de planregels ook opgenomen (zie artikel 11.2). Deze kruist diverse vuilwaterrioleringen in Bokhoven en de riool persleiding in de Baronesse van Egmondweg. De werkwijze bij deze kruisingen wordt bepaald in overleg met de rioolbeheerder. Conclusie De aanwezigheid van kabels en leidingen is bekend en hiermee zal voldoende rekening worden gehouden bij de uitvoering van de werkzaamheden.

47/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Hoofdstuk 6 Juridisch bestuurlijke aspecten 6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. Een actueel bestemmingsplan met een heldere regeling draagt bij aan de handhaafbaarheid van de inrichting van het plangebied en geldt als toetsingskader voor het gebruik en de bouwmogelijkheden. De regels geven inhoud aan de aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. Dit bestemmingsplan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de leiding aan te leggen op het nieuwe tracé, en verwijdert de planologische beperkingen op het oude tracé. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een dubbelbestemming en een gebiedsaanduiding (zie paragraaf 6.3). De onderliggende bestemmingen en aanduidingen uit de geldende bestemmingsplannen blijven onverkort van toepassing. 6.2 Onderscheid plangebied binnen en buiten plangebied 'beheersverordening Kom Bokhoven'. Voor de kern Bokhoven geldt een beheersverordening 'Kom Bokhoven'. Artikel 3.39 lid 2 Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan voor een gebied waarvoor een beheersverordening geldt, de beheersverordening vervalt voor zover zij op dat gebied betrekking heeft.

In artikel 3.39 lid 1 Wro staat het spiegelbeeld: zodra een beheersverordening in werking treedt, vervalt het bestemmingsplan. Beide bepalingen leiden er dus toe dat nooit tegelijkertijd een bestemmingsplan en een beheersverordening van kracht kunnen zijn. Dit betekent dat het bestemmingsplan voor de aanleg van de brandstofleiding, voor zo ver het gaat om het plangebied van de beheersverordening Kom Bokhoven, niet alleen een 'parapluplan' is, maar een volledig bestemmingsplan. Voor dit deel van het plangebied ziet de bestemmingsregeling niet alleen op de aanleg van de nieuwe brandstofleiding en, voor zo ver mogelijk, de verwijdering van de oude brandstofleiding. De vigerende onderliggende bestemmingen, zoals Agrarisch met waarden - landschap en Sport worden, voor zo ver deze voorkomen op het tracé van de nieuwe leiding, onverkort overgenomen. Opmerking hierbij is wel dat de planregels die volgens de Beheersverordening Kom Bokhoven gelden, niet of niet geheel volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) zijn opgesteld en daarom - alleen redactioneel - zijn aangepast. Voor het plangebied buiten de beheersverordening is dit bestemmingsplan een 'parapluplan' dat alleen de aanleg van de nieuwe brandstofleiding en, voor zo ver mogelijk, de verwijdering van de oude brandstofleiding regelt. 6.3

Opzet van de regels

In deze paragraaf wordt ingegaan op de opzet van de planregels. De regels van het bestemmingsplan zijn verdeeld in vier hoofdstukken:  Hoofdstuk 1. Inleidende regels  Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels  Hoofdstuk 3. Algemene regels  Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Het bestemmingsplan omvat de dubbelbestemming 'Leiding - Brandstof' , de aanduiding hartlijn leiding-brandstof' en de aanduiding 'Leiding - buiten gebruik'.

48/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Hoofdstuk 1 Inleidende regels De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. De bepalingen, die verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. Hoofdstuk 2 bestemmingsregels De regels in de artikelen 3 Agrarisch met waarden - landschap, 5 Waterstaat - Waterkering, 6 Sport, 7 Verkeer - verblijf, 8 Water, 9 Waterstaat - Stroomvoerend Rivierbed en 10 Wonen zijn onverkort overgenomen uit de Beheersverordening Kom Bokhoven. Nieuwe regels zijn: Artikel 4 Leiding - Brandstof De gronden met de dubbelbestemming 'Leiding - Brandstof' zijn mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van de ondergrondse leiding (inclusief voorzieningen) met de daarbij behorende belemmeringenstroken. Op deze gronden mogen in principe uitsluitend bouwwerken ten dienste van de leidingen worden gebouwd. Er mogen alleen bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de overige daar voorkomende bestemming(en), als de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de verantwoordelijke leidingbeheerder.

In lid 2 van artikel 4 is een voorrangsbepaling opgenomen. Vanwege het grote belang voor de veiligheid gaat de dubbelbestemming 'Leiding - Brandstof' vóór alle andere bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen. Op deze manier wordt de veilige werking gewaarborgd. Paragraaf 3 Algemene regels In de algemene bepalingen komen de algemene gebruiksregels en de overige regels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan. 11.1 Overige zone - Leiding buiten gebruik In deze regel is bepaald dat de dubbelbestemmingen voor de bestaande leiding, voor zo ver gelegen buiten het plangebied van de beheersverordening 'Kom Bokhoven', waarvoor de aanduiding 'overige zone - leiding buiten gebruik' is opgenomen, komen te vervallen, binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan of zoveel eerder als de leidingbeheerder aangeeft dat de bestaande leiding buiten gebruik is gesteld. Voor de gronden met deze aanduiding gelegen binnen het plangebied van de beheersverordening 'Kom Bokhoven' blijft gedurende twee jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunningplicht voor bepaalde werkzaamheden gelden. Met het opnemen van bestemmingsregels voor gronden binnen dit deel van het plangebied, is de dubbelbestemming voor de leiding vervallen.

De leiding wordt pas buiten gebruik gesteld, op het moment dat de nieuwe leiding in gebruik is. Daarom is nog een omgevingsvergunningstelsel gekoppeld aan de gronden met de genoemde aanduiding, gedurende twee jaar na het onherroepelijk worden of zo veel eerder als de leidingbeheerder formeel aangeeft dat de leiding niet meer in gebruik is. In artikel 11.2 Specifieke gebruiksregels zijn bepalingen opgenomen waarmee het in gebruik hebben van een ondergrondse brandstofleiding, nadat de nieuwe leiding in gebruik is genomen, wordt verboden. Verder is een verplichting opgenomen om de oude leiding zo veel mogelijk te verwijderen en deze anders op een veilige en milieuveilige manier onklaar te maken. Artikel 12.1 Stikstofdepositie In lid a is opgenomen dat de werkzaamheden niet mogen leiden tot een verdere toename van stikstofdepositie. Hierbij is een koppeling gemaakt met de Aeriusberekeningen bij het besluit op grond van de Wet natuurbescherming, waarin de uitgangspunten voor de maximale emissie zijn vastgelegd. Wanneer aan deze voorwaarden (of een later voor dezelfde activiteiten verleende vergunning) wordt voldaan ontstaat geen verdere toename van de 49/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

stikstofdepositie en kan het bestemmingsplan in overeenstemming met de Wet natuurbescherming worden vastgesteld. Het bestemmingsplan is daarmee ook uitvoerbaar. Artikel 13 Van toepassingsverklaring bestemmingsplannen In deze regels worden de onderliggende bestemmings- en inpassingsplannen, voor het plangebied gelegen buiten de Kom Bokhoven, van toepassing verklaard. Deze regels gelden naast de dubbelbestemming 'Leiding - Brandstof'. De dubbelbestemming heeft voorrang op overige bepalingen, zie de toelichting bij artikel 4. Paragraaf 4 Overgangs- en slotbepalingen In deze paragraaf zijn tot slot de algemene, overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden. 6.4

Relatie Provinciaal Inpassingsplan 'Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat'

Een deel van het tracé van de nieuwe leiding loopt door het plangebied van dit provinciaal inpassingsplan. De gemeente is bevoegd om binnen dit plangebied bestemmingsplannen vast te stellen, maar uitsluitend voor de brandstofleiding van DPO (besluit Provinciale Staten van Noord-Brabant 3 juli 2020, zie ook paragraaf 1.3).

50/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan als sprake is van bouwplannen, aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente kan afzien van het vaststellen van een exploitatieplan als: 

het verhaal van de kosten van de grondexploitatie op een andere manier is verzekerd;  het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en  het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan het bouwrijp maken, de aanleg van nutsvoorzieningen, het inrichten van de openbare ruimte en woningbouwcategorieën niet noodzakelijk is. De ontwikkeling voorziet niet in de realisering van bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Een exploitatieplan of -overeenkomst is niet nodig. Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6 Bro bepaalt dat de economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht. Ter beperking van het risico op planschade voor de gemeente is een overeenkomst gesloten. De economische uitvoerbaarheid is verzekerd.

51/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Hoofdstuk 8 Procedure 8.1

Vooroverleg en participatie

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan formeel toegezonden aan de betrokken instanties, zoals de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap Aa en Maas. In het voortraject, dat al in 2018 is gestart, zijn verschillende overleggen geweest met zowel betrokken overheden als andere belanghebbenden in het gebied, zoals eigenaren en pachters. Op 16 januari 2018 is een startoverleg gehouden in het gemeentehuis van Maasdriel, over het tracévoorstel dat destijds aan de orde was, Ammerzoden - Bokhoven. Bij dit overleg waren medewerkers aanwezig van:     

gemeente 's Hertogenbosch; Waterschap AA en Maas; Waterscha Rivierenland; Rijkswaterstaat; Gemeente Maasdriel.

Later is het tracé uitgebreid met het gedeelte Bokhoven - Vlijmen. In dat kader heeft op 17 december 2018 opnieuw een overleg plaatsgevonden met dezelfde overheden als hiervoor weergegeven, uitgebreid met de gemeente Heusden en de provincie Noord-Brabant. Op 18 februari 2019 heeft een apart overleg plaatsgevonden met het Waterschap Aa en Maas, over mogelijke samenloop tussen de DPO-leiding en de gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat, meer specifiek het project HoWaBo (Hoog Wateraanpak 's-Hertogenbosch). Dit overleg is op 18 april 2019 vervolgd, met een toelichtig op het voorkeurstracé van DPO en de wijze van kruisen van een watergang en regionale waterkering. Op 13 december 2019 heeft een overleg plaatsgevonden met alleen Rijkswaterstaat over de mogelijke samenloop tussen de DPO-leiding en mogelijke rivierverruiming en KRW-maatregelen (Europese Kaderrichtlijn Water) Van alle overleggen zijn verslagen gemaakt. Deze zijn, geanonimiseerd, opgenomen in bijlage 16 bij deze toelichting. De verschillende eigenaren, pachters en andere direct belanghebbenden zijn in de periode 2018 tot nu verschillende keren benaderd voor overleg over een overeenkomst en/of schadevergoeding of anderszins. Daar waar dat aan de orde is, zijn overeenkomsten gesloten (deze zijn niet openbaar).

DPO heeft op 3 oktober 2019 overleg gevoerd met (een lid van) de wijkraad van de kern Bokhoven en hen op deze wijze geïnformeerd over de plannen (zie verslag in bijlage 17). De relevante stukken zijn op 7 oktober per mail aan de wijkraad verzonden, zodat ook op die manier kennis kon worden genomen van het project en de hiervoor uitgevoerde onderzoeken. Op 1 november 2019 heeft DPO de wijkraad per e-mail gewezen op de publicatie van de ter inzagelegging van de Nota Reikwijdte en Detailniveau voor het MER. In het kader van de m.e.r.-procedure is het voornemen om een milieueffectrapport te maken met de Nota reikwijdte en detailniveau ter inzage gelegd en aan de betrokken bestuursorganen toegezonden. Naar aanleiding hiervan is één zienswijze ontvangen (zie ook paragraaf 5.1) van een derde.

52/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

8.2

Ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan is, met het Milieueffectrapport, gedurende 6 weken ter inzage gelegd. De bestemmingsplannen voor de gemeenten Maasdriel en Heusden en het provinciaal Inpassingsplan van de provincie Gelderland zijn, afhankelijk van de daar gebruikelijk publicatiedatum van de bekendmaking, min of meer gelijktijdig ter inzage gelegd. Binnen de gemeente 's-Hertogenbosch zijn geen zienswijzen ontvangen.

53/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Regels

75/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1 plan Het bestemmingsplan DPO-Leiding Bokhoven met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002415-1401 van de gemeente 's-Hertogenbosch. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofd- gebouw. 1.4 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen worden uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. 1.7 afhankelijke woonruimte een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

1.8 agrarisch bedrijf een akkerbouw-, bloementeelt, sierteelt-, fruitteelt- of ander tuinbouwbedrijf, alsmede een pluimvee-, varkens-, mestrund- en mestkalverenhouderij danwel een uit twee of meer van genoemde bedrijfstakken samengesteld bedrijf, al dan niet met vee, met uitzondering van een paardenfokkerij, paardenhouderij, een pelsdierhouderij, volkstuinen en een mammoetbedrijf voor intensieve veehouderij. 1.9 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.10 beperkt kwetsbaar object een object als bedoeld in artikel 1, eerst lid onder b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.11 bestaand a. bebouwing: zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens en voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; b. gebruik van gronden en opstallen: zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen. 1.12 bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak.

76/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

1.13 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14 bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.15 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan warden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.16 brandstofleiding Een ondergrondse leiding met een diameter van 10 inch en een maximale druk van 96 bar, voor het transport van brandstoffen, in de vorm van K2/K3 vloeibare aardolieproducten, met de daarbij horende voorzieningen, zoals afsluiters en vloeistofvangers, en de daarbij horende belemmeringenstroken. 1.17 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.18 bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.19 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20 bouwperceelgrens De grens van een bouwperceel. 1.21 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.22 bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.23 cultuurhistorische waarden de aan een gebouw of gebied toegekende waarde, die gekenmerkt wordt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. 1.24 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw. 1.25 dakopbouw een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste laag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste laag en een afstand van minimaal 1 meter tot de voorgevel. 1.26 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.27 extensieve recreatie die vormen van openluchtrecreatie, waarbij in het algemeen het beleven van rust voorop staat en het aantal recreanten per oppervlake-eenheid beperkt is. 1.28 extern salderen salderen met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning. 77/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

1.29 gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.30 grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de bij het bedrijf behorende grond. 1.31 hellend dak elke dakafdekking van een bouwwerk met een helling tussen de 15 en 75 graden. 1.32 hoofdgebouw Een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.33 horeca activiteiten gericht op het verstrekken van dranken en/of maaltijden voor gebruik ter plaatse. 1.34 K2 en K3 vloeibare aardolieproducten K2 vloeibare aardolieproducten: waarbij de brandbare vloeistof (klasse 2) een vlampunt heeft gelijk aan of boven 294 K (21° C) en ten hoogste 328 K (55° C), volgens de Handleiding Risicoberekeningen Besluit externe veiligheid buisleidingen, RIVM, versie 2.0, 1 juli 2014; K3 vloeibare aardolieproducten: waarbij de brandbare vloeistof (klasse 3) een vlampunt heeft boven de 328 K (55° C) en ten hoogste 373 K (100° C), volgens de Handleiding Risicoberekeningen Besluit externe veiligheid buisleidingen, RIVM, versie 2.0, 1 juli 2014.

1.35 kampeermiddel tenten, tentwagen, kampeerauto's of caravans dan wel andere onderkomens of enig andere voertuigen of gedeelten daarvan, voorzover geen bouwwerk aan te merken, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf dan wel voor nachtverblijf van personeel, werkzaam op het kampeerterrein waar deze onderkomens of voertuigen zijn geplaatst; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.36 kampeerterrein een terrein met daarbij behorende voorzieningen voor het houden van recreatief nachtverblijf of het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen. 1.37 kwetsbaar object een object als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder l van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.38 landschappelijke waarden geomorfologische en landschappelijk-esthetische waarden (mede omvattende cultuurhistorische en/of archeologische waarden). 1.39 Leidingbeheerder Defensie Pijpleiding Organisatie of diens rechtsopvolger. 1.40 mantelzorg het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.

78/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021

1.41 natuurlijke waarden waarden in botanisch, ornithologisch en algemeen zoölogisch opzicht en verder geologische en/of bodemkundige waarden, waarbij met name de onderlinge samenhang (ecologie) van belang is. 1.42 normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden en bouwwerken, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de bestemming. 1.43 onderkomens voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken woonwagens, woonschepen, kampeermiddelen, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van recreatief buitenverblijf, voorzover deze al niet als bouwwerken zijn aan te merken; 1.44 overig bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.45 pand De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.46 peil a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b.

voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: 10 cm boven de hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein ter hoogte van de hoofdingang, waarbij, plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. 1.47 verblijfsrecreatie elke vorm van recreatie gericht op verblijf buiten de eigen woning, waarbij ten minste een onvernachting plaat vindt in een recreatief nachtverblijf. 1.48 voorgevelbouwgrens op de verbeelding als zodanig aangegeven grens van het bouwvlak, waarin de voorgevels van hoofdgebouwen gebouwd moeten worden, met dien verstande dat het is toegestaan bij nieuwbouw of herbouw tot ten hoogste 2,00 meter achter deze grens te bouwen. 1.49 woning een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan een huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9973257/1