Bijlage 1 Toelichting en regels DPO-leiding Bokhoven
Tekst van het document
DPO-Leiding Bokhoven
Inhoudsopgave Bijlagen bij de regels
4
Bijlage 1 Bijlage 2
5 6
Tekening nieuwe brandstofleiding besluit Ministerie LNV Wet natuurbescherming
Toelichting Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 8
7 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied gemeente 's-Hertogenbosch 1.3 Geldende ruimtelijke plannen 1.4 Leeswijzer De huidige situatie 2.1 Huidige en beoogde situatie Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Planbeschrijving 4.1 Algemeen 4.2 Nut en noodzaak initiatief 4.3 Verwijderen bestaande leiding/Buiten gebruik Milieu-aspecten en waarden 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Archeologie 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Bodem 5.5 Water 5.6 Niet gesprongen explosieven 5.7 Ecologie 5.8 Externe veiligheid 5.9 Kabels en leidingen Juridisch bestuurlijke aspecten 6.1 Inleiding 6.2 Onderscheid plangebied binnen en buiten plangebied 'beheersverordening Kom Bokhoven'. 6.3 Opzet van de regels 6.4 Relatie Provinciaal Inpassingsplan 'Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat' Economische uitvoerbaarheid Procedure 8.1 Vooroverleg en participatie 8.2 Ontwerp bestemmingsplan
2/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
8 8 9 11 11 12 12 13 13 16 24 26 26 26 27 28 28 30 32 33 34 37 39 42 46 48 48 48 48 50 51 52 52 53
Bijlagen bij de toelichting
55
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15 Bijlage 16 Bijlage 17 Bijlage 18 Bijlage 19
56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74
Tracéstudie Milieueffectrapport (zonder bijlagen) Overzicht tracé Archeologisch bureauonderzoek Archeologisch veldonderzoek Selectiebesluit 's-Hertogenbosch Historisch bodemonderzoek Verkennend bodem-, asfalt- en funderingsonderzoek Asbestonderzoek Rapportage Niet gesprongen explosieven Voortoets Wet natuurbescherming Quickscan Ecologie Bokhoven - Vlijmen Quickscan ecologie Ammerzoden - Bokhoven Kwantitatieve risicoanalyse Advies Veiligheidsregio Rapportage participatie - verslagen vooroverleg Rapportage participatie - verslag overleg Bokhoven Advies commissie m.e.r. 12 januari 2021 Addendum planMER
Regels Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
75 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden - landschap Artikel 4 Leiding - Brandstof Artikel 5 Waterstaat - Waterkering Artikel 6 Sport Artikel 7 Verkeer - verblijf Artikel 8 Water Artikel 9 Waterstaat - Stroomvoerend Rivierbed Artikel 10 Wonen Algemene regels Artikel 11 Algemene aanduidingsregels Artikel 12 Algemene gebruiksregels Artikel 13 Van toepassingsverklaring bestemmingsplannen Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht Artikel 15 Slotregel
3/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
76 76 80 81 81 83 85 87 88 89 90 91 94 94 96 97 98 98 99
Toelichting
7/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) exploiteert verscheidene kerosine transportleidingen in Nederland die onderdeel uit maken van het NATO pijpleidingnetwerk. Het netwerk omvat onder andere de 6" P11 transportleiding, ook bekend als KB6, tussen de depots 5KLD (Klaphek) en 5BED (Best). De capaciteit van de bestaande KB6 (ø6"- 168 mm) leiding is te klein, waardoor op termijn het gehele leidingtracé zal worden vergroot naar een ø10" (273 mm) leiding. In dat kader zal in het tracé Ammerzoden – Vlijmen de bestaande 6" leiding worden vervangen door een nieuwe 10" leiding, inclusief het realiseren van een nieuwe kruising met de Maas. Deze is nodig in verband met de ondiepe ligging in de vaarwegen van Rijkswaterstaat, wat een risico oplevert. De Inspectie voor Leefomgeving en Transport ziet toe op deze kwestie en wil dat deze ondiepe ligging uiterlijk medio 2021 is opgeheven. De nieuwe leiding komt deels buiten het bestaande leidingtracé te liggen. Het nieuwe tracé loopt vanaf de kern Ammerzoden (gemeente Maasdriel), via Bokhoven (gemeente 's-Hertogenbosch), naar Vlijmen (gemeente Heusden). Om het nieuwe tracé planologisch mogelijk te maken en de leiding na aanleg planologisch te beschermen wordt voor elk van deze gemeenten een nieuw bestemmingsplan gemaakt.
Aan de zijde van de gemeente Maasdriel loopt het tracé over een lengte van 160 meter door het plangebied van het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) 'Bommelerwaard' van de provincie Gelderland. Voor dit gedeelte van het leidingtracé wordt een PIP gemaakt.
8/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
1.2
Ligging en begrenzing plangebied gemeente 's-Hertogenbosch
9/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Figuur 1 - 1 - Het oude tracé (roze lijn) en het nieuwe tracé (blauwe/groene lijn). Zie voor een grotere afbeelding bijlage 3.
10/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Het nieuwe tracé komt ten oosten van de kern Bokhoven te liggen. Het tracé komt vanonder de Maas en wordt daarna deels aangelegd via van een open ontgraving (blauwe lijn) en deels via een boring (groene lijn). Het tracé wordt zoveel mogelijk langs perceelsgrenzen gevolgd en doorkruist geen woondoeleinden. De oude leidingdelen worden, nadat de nieuwe leiding is aangelegd en aangesloten, buiten gebruik gesteld en zoveel mogelijk verwijderd. Op de kaart in figuur 1-1 is ook aangegeven, waar de oude leiding fysiek wordt verwijderd en waar deze door gevuld met bentoniet of dämmer en onklaar gemaakt. 1.3
Geldende ruimtelijke plannen
De percelen van het huidige en het toekomstige tracé van de leiding liggen in de volgende ruimtelijke plannen:
beheersverordening 'Beheersverordening Kom Bokhoven', vastgesteld op 5 juni 2018 door de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch; bestemmingsplan 'Buitengebied', vastgesteld op 26 januari 2010 door de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch; Provinciaal inpassingsplan 'Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat Oost' (verder: PIP GOL), vastgesteld op 28 september 2018. De gemeente 's-Hertogenbosch is bevoegd een bestemmingsplan te maken binnen het plangebied van het PIP GOL, uitsluitend voor wat betreft de brandstofleiding van DPO (besluit Provinciale Staten van Noord-Brabant, 3 juli 2020, NL.IMRO.9930.ipgoloost-va03, https://www.brabant.nl/actueel/bekendmakingen/besluitenlijst/637305779610345865). 1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk twee wordt de huidige situatie weergegeven. In hoofdstuk drie komt het relevante beleidskader op verschillende niveaus aan de orde. Hoofdstuk vier beschrijft het plan. Hoofdstuk vijf bevat een onderbouwing van de haalbaarheid van de ontwikkeling in relatie tot verschillende sectorale aspecten. Hoofdstuk zes bevat een toelichting op de juridische planopzet en hoofdstuk zeven en acht zien op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
11/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Hoofdstuk 2 De huidige situatie 2.1
Huidige en beoogde situatie
Het plangebied gelegen binnen de gemeente 's-Hertogenbosch wordt voornamelijk agrarisch gebruikt. Deels gaat het om de Maas en de oevers van Maas. Omdat de leiding geheel ondergronds komt te liggen verandert er qua uiterlijk aanzien niet of nauwelijks s aan de omgeving, met uitzondering van afsluiterputten. Wat wel van belang is dat er een planologische belemmeringenstrook op het nieuwe tracé komt te liggen, die voor beperkingen in het gebruik van de gronden zorgt. Het is binnen die strook bijvoorbeeld niet zo maar toegestaan om te graven of andere werkzaamheden te verrichten, omdat dat gevolgen kan hebben voor de veiligheid van de leiding. In dit bestemmingsplan wordt een dubbelbestemming Leiding - Brandstof opgenomen voor het nieuwe tracé van de brandstofleiding. Daar waar het tracé door het plangebied van de beheersverordening 'Kom Bokhoven' loopt, worden ook de onderliggende bestemmingen in het bestemmingsplan meegenomen. Een bestemmingsplan en beheersverordening kunnen volgens de Wet ruimtelijke ordening niet tegelijk op gronden rusten (artikel 3:39 lid 2 Wet ruimtelijke ordening). Om te voorkomen dat op de gronden voor het nieuwe tracé straks alleen de dubbelbestemming voor de brandstofleiding geldt, worden de onderliggende bestemmingen meegenomen.
Het voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard voor wat betreft de onderliggende bestemmingen en maakt een nieuwe ontwikkeling mogelijk ter plaatse van de nieuwe dubbelbestemming Leiding - Brandstof. Deze nieuwe ontwikkeling wordt in deze toelichting verder onderbouwd. De 'oude' leiding wordt, nadat de nieuwe leiding in gebruik is genomen, daar waar mogelijk fysiek verwijderd. 2.1.1 Ontwikkelingen in de omgeving Er bestaan plannen om op het adres Engelenseweg 2 in 's-Hertogenbosch een landschapscamping met kampeerboerderij te ontwikkelen conform het gemeentelijk ontwikkelkader 'Zie Meer van het Engelermeer' (2016). Het beoogde kampeerterrein zal met name seizoensgebonden geopend zijn, voor circa 7 maanden (omstreeks vanaf april t/m oktober, mede afhankelijk van het seizoen en het weer). Buiten deze periode zijn in beginsel geen kampeermiddelen aanwezig. Eventueel aanwezige eigen verhuurobjecten worden dan inpandig of elders gestald. De kampeerboerderij met bijbehorende functies zal in beginsel jaarrond geopend zijn. Een concreet initiatief met de genoemde strekking is tijdens de voorbereiding van dit bestemmingsplan stopgezet. Het is nog altijd de bedoeling een dergelijke ontwikkeling mogelijk te maken, via een aparte planprocedure, vandaar dat het als relevante ontwikkeling is benoemd.
12/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. De NOVI is op 15 september 2020 vastgesteld. Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig.
Door deze zoveel mogelijk te clusteren, voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk. Voorwaarde is steeds dat bewoners echt goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik, en waar dat kan meeprofiteren in de opbrengsten. De aanleg van zonneparken in het landschap moeten we zoveel mogelijk beperken. Het Rijk plaatst bij voorkeur eerst zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. We zetten in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam, en circulair.
We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen.
13/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap. We zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en – veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Niet alleen groei heeft onze aandacht. Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio’s en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Conclusie Het bestemmingsplan draagt bij aan het beleid geformuleerd in de omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. 14/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Conclusie Het bestemmingsplan draagt bij aan het nationaal belang van een hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Sinds 1 juli 2017 geldt een nieuwe laddersystematiek. De voormalige drie treden van de ladder zijn vervangen door twee eisen bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Deze worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:
de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling; Als blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. De gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de nieuwe laddersystematiek. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Een stedelijke ontwikkeling is een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Conclusie De aanleg van de DPO-Leiding is geen stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets hoeft dan ook niet te worden doorlopen.
3.1.4 Besluit externe veiligheid buisleidingen (bevb) In Nederland ligt ongeveer 300.000 km buisleiding voor het transport van stoffen waaronder aardgas, brandstoffen, drinkwater en afvalwater. Hiervan is ruim 18.000 km buisleidingen bestemd voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is gericht op de buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen, omdat deze categorie een potentieel extern veiligheidsrisico met zich meebrengt. Het Bevb en de bijbehorende regeling zijn van toepassing op buisleidingen met een extern veiligheidsaspect, zoals hogedrukaardgasleidingen, brandstofleidingen categorieën K1, K2 en K3 en overige leidingen met gevaarlijke stoffen. Vanaf 1 juli 2014 geldt de Regeling externe veiligheid buisleidingen ook voor het transport van andere chemische stoffen dan aardgas en aardolieproducten, waaronder stikstof. Het Bevb bevat regels voor het vastleggen van deze leidingen en haar externe veiligheidsaspecten in bestemmingsplannen. Voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen, reeds bestaand of nieuw, geldt dat het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) gemeenten verplicht deze leidingen op te nemen in het bestemmingsplan met een belemmeringenstrook van 5 meter ter weerszijden van de leiding.
Verder dient op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening te worden gehouden met de risiconormering die voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen geldt.
15/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Conclusie Het bestemmingsplan sluit aan op het Bevb, in die zin dat een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de leiding is opgenomen. In paragraaf 5.8 wordt verder ingegaan op het aspect 'Externe veiligheid'. 3.1.5 Structuurvisie Buisleidingen 2012 - 2035 De Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 is vastgesteld op 12 oktober 2012. In deze visie is opgenomen hoe het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. Hiermee wordt zeker gesteld dat ook de komende 20 à 30 jaar nieuwe doorgaande buisleidingverbindingen kunnen worden gerealiseerd ten behoeve van de levering van aardgas en het vervoer van grondstoffen en chemische stoffen aan en tussen haven- en industrieclusters in het binnenen buitenland. Anderzijds wordt hiermee duidelijkheid geboden aan zowel initiatiefnemers die buisleidingen wensen te realiseren als aan gemeenten, doordat buisleidingen van nationaal belang in een vooraf begrensde buisleidingenstrook dienen te worden aangelegd. In de Structuurvisie zijn tien uitgangspunten gehanteerd: 1.
Creëren van optimale randvoorwaarden buisinfrastructuur; 2. Zuinig gebruik van de ruimte; 3. Voorkomen van negatieve gevolgen voor de omgeving; 4. Alleen leidingen van (inter)nationaal belang; 5. Alleen leidingen voor gevaarlijke stoffen; 6. Alleen aanleg in aangegeven stroken; 7. Gebruik bestaande verbindingen met het buitenland; 8. Geen aankoop van gronden; 9. Geen aanleg van buisleidingen door het Rijk; 10. Aangewezen buisleidingstroken vrijwaren in bestemmingsplannen. Voor deze leidingen, reeds bestaand of nieuw, geldt dat het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) gemeenten verplicht deze leidingen op te nemen in het bestemmingsplan met een belemmeringenstrook van 5 meter ter weerszijden van de leiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Verder dient op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening te worden gehouden met de risiconormering die voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen geldt (zie hiervoor paragraaf 5.8 Externe veiligheid).
Conclusie Het bestemmingsplan sluit aan bij de hierboven genoemde uitgangspunten. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Brabant In december 2018 heeft de provincie de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie bevat strategische doelen voor de langere termijn. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen: concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, veiligheid, milieu en ruimtelijke kwaliteit staan nu nog in bestaande plannen, zoals de Structuurvisie ruimtelijke ordening, die in de paragraaf hierna aan de orde komt.
16/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
3.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 In 2010 hebben Provinciale Staten de Structuurvisie ruimtelijke ordening (Svro) vastgesteld. De Svro is in 2014 partieel herzien, waarbij onder andere het gewijzigde beleid op het gebied van natuur (realisering van het natuurnetwerk) en veehouderij (transitie naar zorgvuldige veehouderij) zijn verwerkt. De Svro 2014 is in werking getreden op 19 maart 2014. De Svro bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Eén van deze instrumenten is de Verordening ruimte, waarin de kaderstellende elementen uit de Svro zijn vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De provincie beschrijft 4 ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken. Het infrastructuurnetwerk van de provincie Noord-Brabant bestaat uit een fijnmazig en samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen.
De Brabantse infrastructuur maakt deel uit van het internationale netwerk van infrastructuur in Noordwest Europa. De provincie wil de mogelijkheden van transport door buisleidingen optimaal benutten, zodat minder vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor nodig is. Vanuit het oogpunt van veiligheid draagt dit bij aan een beperking van het vervoer van gevaarlijke stoffen door bestaand stedelijk gebied. De provincie wil ook een ruimtelijke scheiding tussen transportroutes voor gevaarlijke stoffen en kwetsbare functies. Als uitwerking van de Brabantse Strategische Visie Goederenvervoer (BSVG) stimuleert de provincie het gebruik van buisleidingen, bijv. voor het transport van CO2 naar glastuinbouwgebieden. Daarnaast vraagt de provincie aandacht bij de Europese Commissie voor buisleidingen als transportmodaliteit, naast weg, water en spoor. Conclusie Het bestemmingsplan past binnen het beleid geformuleerd in de structuurvisie, en sluit aan bij de hierboven genoemde uitgangspunten 3.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Als het vanuit het beleid van de provincie nodig is om regels op te nemen voor ruimtelijke ontwikkelingen, dan staan die in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (vastgesteld op 25 oktober 2019). De gemeente moet rekening houden met deze instructieregels bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen.
Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. Hierdoor is duidelijk voor welke gebieden de regels gelden. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale omgevingsvisie en structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. Belangrijke onderwerpen in de verordening zijn: omgevingskwaliteit stedelijke ontwikkelingen duurzame energie natuurgebieden en andere gebieden met waarden agrarische ontwikkelingen (zie: BZVen stalderen) overige ontwikkelingen in het buitengebied Voor sommige onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten. In het vervolg van deze paragraaf worden de meest relevante onderwerpen uit de verordening nader toegelicht, in relatie tot de beoogde ontwikkeling. Relatie Natuurnetwerk Brabant 17/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Op onderstaande afbeelding is de ligging van het Natuurnetwerk Brabant weergegeven.
18/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
19/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Figuur 3-1 uitsnede kaart met instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang, zoals de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden, de rivieren en beken. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Om de populaties gezond te houden en de genetische uitwisseling te bevorderen, moeten de gebieden groot genoeg zijn en de mogelijkheid bieden voor migratie tussen de gebieden. Om het NNB als zo`n netwerk te laten functioneren, werkt de provincie samen met andere partijen aan het aanleggen van ecologische verbindingszones en het oplossen van faunaknelpunten in de wegenstructuur. Als de omstandigheden in een bepaald gebied (tijdelijk) verslechteren, dan kan een soort uitwijken naar een ander geschikt gebied. In het licht van de klimaatveranderingen is dit van toenemend belang.
De ecologische verbindingszones zijn (vaak) langgerekte landschapselementen die als groene schakels de Brabantse natuurgebieden met elkaar verbinden.Het Natuur Netwerk Brabant hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000. Het NNB bestaat uit:
bestaande natuur- en bosgebieden; gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming is verdwenen; nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig; ecologische verbindingszones. Het provinciale beleid is erop gericht om het netwerk in 2027 gereed te hebben. Dit wordt in het algemeen bereikt door:
het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen); voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname); inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden (inrichting); realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid (uitvoering).
Brabant kiest er voor om samen met de zogenaamde 'Manifestpartners' het hele NNB in Brabant realiseren. De provincie nodigt particuliere eigenaren en ondernemers uit om delen van het NNB te ontwikkelen. Natuur en landschap wordt meer vanuit de regio en dichter bij de samenleving gerealiseerd. De provincie biedt daarbij de ruimte om economische ontwikkeling te koppelen aan investeringen in natuur. Op basis van het rijksbeleid geldt de verplichting om de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB in stand te houden en te beschermen (artikel 3.12 lid 6 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening). Niet alleen het behouden, herstellen en beschermen van bestaande waarden in het natuurnetwerk is belangrijk: er moet ook ruimte zijn voor ontwikkelingen. Dit is in de verordening nader uitgewerkt. Verantwoording Het nieuwe tracé van de brandstofleiding kruist de NNB en de ecologische verbindingszone. Daar waar dit het geval is, vindt aanleg van de leiding via ondergrondse boringen plaats. Er vindt geen inbreuk plaats op de waarden en kenmerken van het NNB. Attentiezone waterhuishouding 20/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Deze aanduiding is bedoeld om de hydrologische instandhoudingsdoelen van het Natuur Netwek Brabant te beschermen tegen negatieve effecten. Er vinden geen activiteiten plaats binnen deze aanduiding. Een nadere onderbouwing in deze toelichting is daarom niet aan de orde. Groenblauwe mantel (landschappelijke waarden) In onderstaande afbeelding is de ligging van de aanduiding 'groenblauwe mantel' aangegeven (nader uitgewerkt in artikel 3.32 van de Interim Omgevingsverordening.
21/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Figuur 3-2 uitsnede kaart met ligging Groenblauwe mantel De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het 'Wijstverschijnsel' (het opstuwen van grondwater) op de Peelrandbreuk in Oost-Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de 'Naad van Brabant'. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap.
De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Bijvoorbeeld in geval van stedelijke ontwikkeling die vanwege de groen-rood verhouding juist bijdraagt aan de ontwikkeling van de kwaliteiten van gebied. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodem-watersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. De groenblauwe mantel richt zich niet alleen op het beschermen van die waarden maar juist ook op de ontwikkeling daarvan. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Het beleid richt zich ook op een toename van de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen passen daarom qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden.
Verantwoording De aanleg van de brandstofleiding is niet gericht op het ontwikkelen van natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem, maar beperkt deze ontwikkelingen evenmin. De aanwezige ecologische waarden en kenmerken worden beschreven in de ecologische onderzoeken die voor dit bestemmingsplan zijn uitgevoerd. De leiding ligt ondergronds en is in de huidige én toekomstige situatie dus niet zichtbaar in het landschap. In de aanlegfase is gedeeltelijke ontgraving nodig, maar dit wordt weer volledig hersteld na aanleg. De landschappelijke waarden en kenmerken worden in stand gehouden.
Waterbescherming
22/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
23/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Figuur 3-3 uitsnede kaart met instructieregels gemeenten voor waterberging en grondwaterbeschermingsgebieden.
Ter voorkoming van wateroverlast zijn in de Interim Omgevingsverordeningen instructieregels opgenomen gericht op het beperken van functies en activiteiten die ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van het gebied. Binnen regionale waterberging gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. De beperkingen hebben betrekking op het oprichten van gebouwen en voorzien in een vergunningstelsel voor het ophogen van gronden en het aanbrengen of wijzigen van kaden. Het oprichten van gebouwen ten dienste van de waterberging is toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 meter. Het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is mogelijk als blijkt dat dit niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen van het gebied. Bij het opnemen van een regeling in het bestemmingsplan geldt dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is. Verantwoording Het tracé doorkruist een regionale waterberging. De aanleg en het gebruik van de brandstofleiding heeft geen invloed op het waterbergend vermogen van het plangebied. De aanleg van de nieuwe leiding wordt zo uitgevoerd, dat deze en de afsluiterputten, geen belemmeringen kunnen ondervinden van het gebruik van het gebied als hoogwaterbeschermingsgebied.
Het Waterschap Aa en Maas is betrokken bij de voorbereiding van het project voor de brandstofleiding. Conclusie De aanleg van een nieuw brandstofleiding past binnen de (verantwoordings-)eisen die in de Interim Omgevingsverordening zijn opgenomen. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Ruimtelijke structuurvisie 's-Hertogenbosch In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar.
24/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En er worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het ‘ruimtelijk motto’ van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur. Conclusie Het bestemmingsplan past binnen het beleid geformuleerd in de ruimtelijke structuurvisie, en sluit aan bij de hierboven genoemde uitgangspunten. 3.3.2 Uitvoeringskader externe veiligheid De gemeente 's-Hertogenbosch heeft een Uitvoeringskader Externe veiligheid vastgesteld. Hierin zijn drie hoofdambities benoemd:
Bedrijven met opslag van gevaarlijke stoffen op de juiste plaats. 's-Hertogenbosch wil dat de vestiging van nieuwe inrichtingen waar gevaarlijke stoffen opgeslagen of verwerkt worden mogelijk blijft, maar bestaande inrichtingen die geen belemmering vormen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of hoge risico's opleveren in de bestaande situatie kunnen blijven bestaan op de huidige plaats. Nieuwe inrichtingen moeten gesitueerd worden op een geschikte locatie met name op De Rietvelden of De Brand. Verantwoord ontwikkelen nabij risicobronnen door de aanpak van externe veiligheid testroomlijnen en uniformeren. Optimalisatie van de beheersbaarheid creëert meer ruimte.
In dit geval gaat het om een verplaatsing van een bestaande risicobron; een transportleiding voor brandstof. In paragraaf 5.8 en bijlage 14 wordt nader ingegaan op het aspect externe veiligheid.
25/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Hoofdstuk 4 Planbeschrijving 4.1
Algemeen
Het netwerk van DPO omvat onder andere de 6" P11 transportleiding, ook bekend als KB6, tussen de depots 5KLD (Klaphek) en 5BED (Best). De capaciteit van de bestaande KB6 (ø6"168 mm) leiding is te klein, waardoor op termijn het gehele leidingtracé zal worden vergroot naar een ø10" (273 mm) leiding. Vooruitlopend hierop zal in het tracé Ammerzoden – Vlijmen de bestaande 6" leiding worden vervangen door een nieuwe 10" leiding, inclusief het realiseren van een nieuwe kruising met de Maas. Deze is nodig in verband met de ondiepe ligging in de vaarwegen van Rijkswaterstaat, wat een risico oplevert. De nieuwe leiding komt deels buiten het bestaande leidingtracé te liggen. Het nieuwe tracé loopt vanaf de kern Ammerzoden (gemeente Maasdriel), via Bokhoven (gemeente 's-Hertogenbosch), naar Vlijmen (gemeente Heusden).
Figuur 4 - 1 ligging nieuwe tracé 4.2
Nut en noodzaak initiatief
De transportleidingen zijn voor een groot deel aangelegd in de jaren ‘50 en ’60 en hebben op enkele locaties een dekking die niet aan de huidige regels en standaarden voldoet. DPO heeft een inventarisatie uitgevoerd naar de ligging van het huidige leidingnetwerk om de risico's van ondiepe buisleidingen op structurele wijze in kaart te brengen en om deze, eventueel middels aanvullende maatregelen, te beheersen. Uit deze inventarisatie bleek dat de ondiepe ligging in de vaarwegen van Rijkswaterstaat een groot risico vormt, waarvoor op korte termijn een oplossing moet komen. Verder is de capaciteit van de bestaande leiding onvoldoende, waardoor deze wordt vervangen door een grotere leiding. Het transportnetwerk voor brandstof, in beheer bij DPO, is van nationaal belang. De goede werking moet worden gegarandeerd. 26/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Er is een tracéstudie uitgevoerd naar de meest gunstige locatie voor de nieuwe leiding. De tracéstudie is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Op basis van deze studie is het huidige tracé tot stand gekomen. 4.3
Verwijderen bestaande leiding/Buiten gebruik
Na het aanleggen en in bedrijf nemen van de nieuwe leiding zal het bestaande uit bedrijf genomen leidingdeel, daar waar dat fysiek mogelijk is, worden verwijderd. Resterende leidingdelen worden gevuld met dammer. Op bijlage 3 is het nieuwe tracé te zien, maar ook de leidingdelen die worden verwijderd, danwel door opvulling onklaar worden gemaakt. Met Rijkswaterstaat worden aparte afspraken gemaakt voor het verwijderen van de twee aanwezige zinkers en de tijdelijke maatregel die is genomen (zinkermatten boven de in bedrijf zijnde leiding) Met de beide Waterschappen zullen eveneens aparte afspraken gemaakt worden of de leiding wel/niet verwijderd mag worden uit de waterkeringen. In het geval deze niet verwijderd mogen worden, dan zullen deze leidingdelen worden gevuld met dammer en achterblijven. Daar waar de leiding in particuliere gronden ligt, worden afspraken gemaakt met de perceeleigenaren. In de kern van Bokhoven blijven bepaalde niet meer in gebruik zijnde leidingdelen mogelijk in de grond aanwezig, omdat deze fysiek niet te verwijderen zijn zonder grote ingrepen. Deze leidingdelen worden wel onklaar gemaakt door deze te vullen met dammer. Hierover zal met de betreffende perceeleigenaar een aparte afspraak worden gemaakt.
27/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten en waarden Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, moet worden onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- of andere aspecten beschreven. 5.1
Milieueffectrapportage
Besluit milieueffectrapportage Voor alle uit te voeren activiteiten in een gebied moet worden getoetst of deze activiteiten belangrijke negatieve effecten kunnen hebben op het milieu en of daarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is de m.e.r.-procedure geregeld. In paragraaf 7.2 staat beschreven voor welke plannen en besluiten het maken van een milieueffectrapport (MER) verplicht is. In artikel 7.2 Wm staat beschreven dat bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit me.r.) activiteiten worden aangewezen: 1. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor geldt een m.e.r.-plicht; 2. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Hiervoor geldt een m.e.r.beoordelingsplicht. De m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn opgenomen in respectievelijk bijlagen C en D van het Besluit m.e.r.. Hierbij zijn drempelwaarden genoemd, waaraan getoetst moet worden om te beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordelingsplicht of een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De verplaatsing (wijziging) van de leiding is een activiteit die voorkomt op de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994.
Categorie D 8.1 van onderdeel D van de bijlage noemt de activiteit 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van een buisleiding voor het transport van aardgas), olie of CO2- stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën'. Kerosine is een halfzware olie en valt onder deze activiteit. Een m.e.r.-beoordeling is nodig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die over een lengte van 1 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied (waaronder Natura 2000 of Nederlands Natuurnetwerk). Artikel 7.2a Wet milieubeheer Naast artikel 7.2 (beschreven activiteiten) moet er op grond van artikel 7.2a Wm ook een m.e.r.-procedure doorlopen worden bij de voorbereiding van een plan waarvoor op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming (Wnb) een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dat is het geval wanneer activiteiten die in het plan zijn opgenomen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Artikel 2.7 Wnb maakt ook duidelijk dat er geen verplichting geldt om een passende beoordeling te maken, wanneer het gaat om plannen die verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied.
Voor het nieuwe tracé zijn bestemmingsplanwijzigingen nodig binnen de gemeenten Maasdriel, 's-Hertogenbosch en Heusen en een wijziging van het inpassingsplan Bommelerwaard van de provincie Gelderland.
28/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
De aanleg van de leiding zorgt voor een beperkte toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek'. Op het moment van het starten van de ruimtelijke procedures hield dit in dat significante effecten op dat gebied als gevolg van de vaststelling van het plan/de plannen niet op voorhand konden worden uitgesloten en dat een passende beoordeling nodig was (artikel 2.7 Wet natuurbescherming). Op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer was in dat geval ook een milieueffectrapportage voor plannen (plan-m.e.r.) nodig. Milieueffectrapport Voorafgaand aan het maken van het milieueffectrapport is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (zie Bijlage 5 Nota reikwijdte en detailniveau, verder NRD) opgesteld en, met het voornemen als bedoeld in artikel 7.9 Wet milieubeheer bekendgemaakt. Er zijn zienswijzen ingediend op het voornemen en de NRD, die bij het opstellen van het MER zijn betrokken. - reactie Rijkswaterstaat over mogelijke samenloop met projecten rivierverruiming en Kaderrichtlijn Water: DPO heeft naar aanleiding van de zienswijze overleg gevoerd met RWS. De aanleg van de leiding beperkt niet eventuele rijksprojecten. - reacties Waterschap Rivierenland en Aae en Maas: aandacht voor bepaalde onderwerpen in het MER (klimaatadaptatie, beschermde geibieden Keur, risico's grondwater).
- reactie toekomstige landbouwcamping nabij Engelenmeer: deze ontwikkeling wordt als autonome ontwikkeling in het MER beschouwd. Het MER is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. De uitkomst van het MER is dat de aanleg en het gebruik van de nieuwe DPO-leiding niet zorgt voor belangrijke nadelige milieugevolgen en dat het bevoegd gezag een besluit kan nemen op het bestemmingsplan, waarbij alle milieuinformatie in beeld is. Het MER is met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Er zijn geen zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan en/of het MER ingediend. Advies commissie voor de milieueffectrapportage De commissie voor de milieueffectrapportage (verder: de commissie) heeft op 12 januari 2021 een advies uitgebracht over het MER (bijlage 18). De Commissie vindt dat de bijlagerapporten (waaronder bodem, grondwater, archeologie, ecologie, veiligheid over het te realiseren tracé gedegen en zorgvuldig zijn opgesteld. De commissie mist in het MER essentiële informatie over hoe de keuzes tot stand zijn gekomen voor het uiteindelijke tracé, de aanlegmethode en het al of niet verwijderen van de bestaande leiding. Verder mist de commissie een alaternatief waardoor de effecten van de emissies van stikstof op het nabij gelegen Natura 2000-gebied 'Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek' worden voorkomen.
Addendum MER In een addendum is alsnog ingegaan op de tekortkomingen die de commissie in haar advies heeft gesignaleerd. Het Addendum is als bijlage 19 bij deze toelichting gevoegd. De keuzes die hebben geleid tot het voorliggende tracé, de methode van aanleg en het al of niet verwijderen van de bestaande leiding zijn hierin uitgewerkt en te herleiden. Voor wat betreft stikstof is een vergunning in voorbereiding.De combinatie planMER en Addendum bevat alle essentiele informatie nodig om een onderbouwd besluit te kunnen nemen.
29/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
5.2
Archeologie
In 2008 is een archeologische verwachtingskaart opgesteld voor het deel van de gemeente 's-Hertogenbosch, gelegen buiten de middeleeuwse stadskern. De archeologische verwachtingskaart bevat niet alleen bekende archeologische vindplaatsen maar geeft ook een overzicht van de gebieden waar archeologische vindplaatsen verwacht kunnen worden: verwachtingsgebieden. Gebieden waar de kans op het aantreffen van archeologie hoog is, worden aangeduid als gebieden met een hoge archeologische verwachting. Verder wordt onderscheid gemaakt in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting en gebieden met een lage archeologische verwachting. Of er ook daadwerkelijk archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, moet archeologisch onderzoek uitwijzen. De verwachtingsgebieden geven echter wel aan in welke mate men met mogelijke archeologische resten rekening moet houden.
Figuur 5-1 uitsnede Archeologische Verwachtingskaart buitengebied 's-Hertogenbosch: het plangebied omvat gebieden met hoge, middelhoge en lage verwachtingswaarde.
30/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Figuur 5-2 uitsnede Archeologische verwachtingskaart kern Bokhoven Op basis van de archeologische verwachtingskaart zijn voor archeologische waarden en verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden geformuleerd en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. Deze kaart is op 15 juni 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. De zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn, al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket, zijn op beleidskaart vertaald in zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Bureauonderzoek Het tracé loopt door een gebied dat voornamelijk is gevormd door de invloed van de Maas. Er is deels een hoge, deels een lage archeologische verwachting vastgesteld. IDDS archeologie heeft in mei 2018 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd naar een deel van het beoogde nieuwe tracé. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Voor de gestuurde boringen wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Voor de open ontgravingen en voor de in- en uittredeputten van de gestuurde boringen wordt vervolgonderzoek geadviseerd.
In het gebied onder Bokhoven geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten in de afzettingen van de Maas en de Hoorzik. In het bureauonderzoek wordt geadviseerd de bodemopbouw en de intactheid daarvan, alsmede de dieptes van de verwachte afzettingen, te controleren middels een verkennend booronderzoek. In december 2019 is een inventariserend veldonderzoek (Bijlage 5 Archeologisch veldonderzoek) uitgevoerd op een gedeelte van het tracé, namelijk Bokhoven - Vlijmen. De open ontgraving kan invloed hebben op twee potentiele archeologische niveaus met een hoge verwachting (de oeverwal en de top van de Formatie van Kreftenheye). Hiervoor is deels nader onderzoek nodig. Op basis van het onderzoek heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een selectiebesluit genomen (Bijlage 6 Selectiebesluit 's-Hertogenbosch). In dat besluit is het advies van het archeologische bureau genuanceerd op basis van een beoordeling van de rapportage door de afdeling SO/Erfgoed van de gemeente.
31/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
Conclusie De gemeente stelt als volgende stap in de lopende AMZ-cyclus een archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden verplicht. Voor alle gravende onderzoeken, waaronder ook archeologische begeleiding, dient voorafgaand een PvE te worden opgesteld. Dit PvE moet goedgekeurd worden door de bevoegde overheid alvorens met het onderzoek kan worden begonnen. Deze eis wordt in het bestek van de aannemer verwerkt. 5.3
Luchtkwaliteit
In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van een bestemmingsplan. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan is opgenomen in artikel 5.16 lid 2 als een bevoegdheid waarbij de luchtkwaliteit in de besluitvorming moet worden meegewogen. Als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
De 3%-grens van een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt', is ook omgezet in een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt er onder deze 3%-grens gebleven.
kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij twee ontsluitingswegen (voorschrift 3A.1) woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2)
De beoogde ontwikkeling, het aanleggen van een brandstofleiding en het wegbestemmen verwijderen of onklaar maken van de bestaande leiding valt niet onder één van de hiervoor genoemde gevallen. Voor de aanleg van de DPO-leiding wordt materieel ingezet met een verbrandingsmotor. Dit leidt tot emissie van luchtverontreinigende stoffen, zij het in beperkte mate en gedurende een beperkte tijd. In en in de omgeving van het plangebied heerst een goede luchtkwaliteit: de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 én PM2.5 bedragen in 2020 resp. 17, 20 en 12 µg/m3 ter plaatse 32/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
van het meest nabije NSL-rekenpunt langs de N831 (bron: NSL-monitoringstool - Rekenpunt 15558372). De wettelijke grenswaarden voor deze stoffen zijn 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2.5 De beperkte emissie van luchtverontreinigende stoffen tijdens de aanleg van de DPO-leiding zal in geen geval leiden tot een overschrijding van grenswaarden. Het gebruik van de DPO-leiding draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. 5.4
Bodem
Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling is in eerste instantie een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 7 Historisch bodemonderzoek). Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Vervolgens is een verkennend milieukundig bodemonderzoek, asfalt- en funderingsonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 8 Verkennend bodem-, asfalt- en funderingsonderzoek). Het doel van het onderzoek is :
Het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie; Het indicatief vaststellen van de dikte, opbouw en teerhoudendheid (chemische kwaliteit) van de asfaltverharding, teneinde de hergebruik- dan wel afzetmogelijkheden van het vrijkomende asfalt te bepalen; Het indicatief vaststellen van de dikte, opbouw en chemische kwaliteit van het aanwezige fundatiemateriaal teneinde de hergebruik- dan wel afzetmogelijkheden van het vrijkomende fundatiemateriaal te bepalen; Het indicatief vaststellen van de chemische kwaliteit van de bodem onder het aanwezige fundatiemateriaal teneinde de hergebruik- dan wel afzetmogelijkheden van de vrijkomende grond te bepalen.
De conclusies over de bodemkwaliteit ter hoogte van het bestaand tracé zijn:
In de grond is lokaal sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Dit zijn met name bijmengingen met baksteen en/of (metsel)puin; De grond ter plaatse van de diverse deellocaties is overwegend niet tot licht verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie; Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen.
De conclusies over de bodemkwaliteit voor het nieuwe tracé zijn:
In de grond is plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Dit zijn met name bijmengingen met baksteen en (metsel)puin; De grond ter plaatse van de diverse deellocaties is overwegend niet tot licht verontreinigd met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie; Het grondwater is niet tot licht verontreinigd met barium, nikkel en xylenen.
De conclusies van het onderzoek naar het asfalt ter hoogte van het nieuwe tracé zijn:
Het onderzochte asfalt heeft een gemiddelde dikte van 15 cm; Het asfalt bestaat wat betreft samenstelling uit Grind Asfalt Beton (GAB); Het onderzochte asfalt ter plaatse van de locatie is teerhoudend. De teerhoudende laag is aangetoond middels PAK-marker tests en bevindt zich in de bovenste laag tot 8 mm. De ondergelegen asfaltagen, zoals aangetoond middels PAK-analyses, zijn
33/99 - vastgesteld - NL.IMRO.0796.0002415-1401 - 8 februari 2021
niet teerhoudend. Indien teerhoudend asfalt zal vrijkomen, wordt geadviseerd dit aan te bieden bij een daartoe erkende verwerker. De conclusies over de fundatie en onderliggende bodem van het nieuwe tracé zijn:
Het onderzochte fundatiemateriaal heeft een gemiddelde dikte van 38 cm; Het fundatiemateriaal bestaat wat betreft samenstelling uit een afwisseling van slakken, repac en puin; In het fundatiemateriaal is op indicatieve basis analytisch geen asbest aangetoond; Het fundatiemateriaal is (op indicatieve basis) niet toepasbaar in het kader van hergebruik; De bodem onder het fundatiemateriaal bestaat uit zand. Onder de betreffende zandlaag is een klei- en veenlaag aangetroffen; In de bodem onder het fundatiemateriaal zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen; De grond is licht verontreinigd met PAK, PCB en minerale olie.