Bijlage 1. Schets Ontwikkelpad Stedelijke Regio s-Hertogenbosch versie 24 mei 2022
Tekst van het document
29
ACHTERGROND. Waarom in dit ontwikkelprincipe forse inzet
op de spoorzones van ’s-Hertogenbosch en Oss en niet op die van andere plekken? In dit ontwikkelprincipe zetten we stevig in op de brede spoorzones van ’s-Hertogenbosch en Oss. Hiermee bouwen we voort op lessen uit het ontwerpend onderzoek en de doorrekening daarvan. Alleen binnen de brede spoorzones van ’s-Hertogenbosch en Oss zijn voldoende ingrediënten aanwezig om tot een schaalsprong in stedelijke nabijheid te komen (denk daarbij aan volop aanwezigheid van inwoners, voorzieningen en banen op wandel- en fietsafstand). Het verschil in verplaatsingsgedrag dat dit met zich meebrengt is nu al goed waar te nemen als we bijvoorbeeld kijken naar de verschillen tussen de gebieden binnen en buiten de ring van ’s-Hertogenbosch. Buiten de ring is de stedelijke nabijheid beperkt en daardoor de afhankelijkheid van de auto een stuk groter. Dit is bijvoorbeeld terug te zien in het verplaatsingsgedrag voor de wijk De Groote Wielen, die sterk leunt op de auto. Bovenstaande lessen zeggen overigens niet dat het onverstandig is om meer te bouwen rond de OV-knopen van de andere steden. Juist in deze gebieden zit namelijk in veel kernen ruimte voor inbreiding, verdichting en kwaliteitsverbetering en zijn er kansen voor het creëren van aantrekkelijke nieuwe woonmilieus die lokaal nog weinig beschikbaar zijn.
Bovendien zijn spoorzones de stedelijke visitekaartjes bij uitstek voor OV+fietsgeoriënteerde reizigers.
30
Stedelijke knoop in Vitale kernen
spoorzone Oss
Hoogstedelijk gemengd milieu ‘s-Hertogenbosch Waalwijk: HOV-knoop
Vitale kernen HOV-knoop
Vitale kernen
Uden
Spoorknoop Vught Vitale kernen
HOV-knoop Veghel Spoorknoop Boxtel
Ontwikkelprincipe 3 We zetten woningbouw in als meekoppelkans voor de brede binnenstedelijke en binnendorpse kwaliteitsopgave
31
Ontwikkelprincipe 3 We zetten woningbouw in als meekoppelkans voor de brede binnenstedelijke en binnendorpse kwaliteitsopgave
qua verplaatsingen steeds meer functioneert als één aaneengesloten stedelijk
Opgave – Tot 2040 wordt een groei van 47.000 woningen (+16%) in stedelijke regio
Polycentrische karakter van de regio
‘s-Hertogenbosch verwacht (prognose provincie Noord-Brabant en Rijk). Deze groei wordt bijna volledig verklaard door vergrijzing, huishoudensverdunning en buitenlandse migratie. Vergrijzing zorgt ervoor dat bijvoorbeeld in ’s-Hertogenbosch het aantal 65+’ers met 50% toeneemt. Afgezet tegen de gehele woningvoorraad is de nieuwbouwopgave relatief klein: bijna 90% van de woningvoorraad van 2040 staat er vandaag de dag al. De voorliggende opgaven gaan dus voor verreweg het grootste deel over aanpassingen die nodig zijn in de bestaande stedelijke en dorpse gebieden. Het overgrote deel van de woonwijken is naoorlogs. Deze naoorlogse wijken zijn als ‘eindbeeld’ ontworpen en hebben in de afgelopen decennia -in tegenstelling tot oudere wijken- nauwelijks ontwikkeldynamiek gekend. Ze bewegen niet mee met
netwerk.
•
inwoners •
Het stedelijke gebied van Oss (+Berghem) telt ongeveer 70.000 inwoners
•
De regio heeft 5 middelgrote kernen (>25.000 inwoners), namelijk: Waalwijk, Vught, Boxtel, Veghel en Uden
•
in 2000 een kwart van alle huishoudens uit 1 persoon bestond is de verwachting
•
•
inbreiding in de kernen kan bijdragen toevoeging van andere type woningen. •
komen veelal terecht op plekken waar niet veel voorzieningen nabij zijn. Hier moeten dus nieuwe voorzieningen worden gerealiseerd (in concurrentie met bestaande voorzieningen) of moet men meer reistijd accepteren (met het
voor voorzieningen, als het draagvlak voor infrastructuur daalt. Tegelijkertijd stijgt
risico dan men de lokale kern overslaat en direct naar de grotere stad reist). De
de optelsom aan opgaven waar deze wijken mee worden geconfronteerd (denk aan:
inbreidingsperspectieven dragen wel sterk bij aan versterken van het bestaande
energietransitie, klimaatadaptatie, mobiliteitsarmoede, etc.). Kortom: de vitaliteit van
(ten faveure van de grotere stad en het internet). Van oudsher hadden deze plekken een verzorgende functie voor een groter gebied, dat gaat steeds minder op nu Brabant
Veel voorliggende uitbreidingsplannen dragen niet per se bij aan voorzieningendraagvlak, blijkt uit de doorrekening van het Dashboard. Woningen
doordat er steeds minder mensen in dezelfde huizen wonen. Zowel het draagvlak
dorpen en middelgrote kernen in toenemende mate onder druk zijn komen te staan
De woonmilieus in de regio lijken sterk op elkaar. Er is sprake van veel grote eengezinswoningen in lage suburbane en dorpse dichtheden. Transformatie en
gebied feitelijk een inwonerskrimp kent. Het aantal inwoners per hectare daalt
In de regio wordt bovendien geconstateerd dat bovenwijkse voorzieningen in veel
Daarnaast telt de regio nog ongeveer 80 kleinere (dorps)kernen
Lessen ontwerpend onderzoek
dat dit in 2040 gegroeid is tot 40%. Resultaat hiervan is dat het bestaand stedelijk
onze woongebieden staat onder druk.
Er zijn 9 kleine kernen (9.000 – 25.000 inwoners): Zaltbommel, Drunen, Vlijmen, Heesch, Sint-Michielsgestel, Berlicum, Schijndel, Sint-Oedenrode en Boekel
het actuele tijdsbeeld en bieden als gevolg van huishoudensverdunning ruimte aan steeds minder inwoners in plaats van meer, zelfs in tijden van bevolkingsgroei. Waar
Het stedelijke gebied van ’s-Hertogenbosch (+Rosmalen) telt ongeveer 150.000
voorzieningenpakket. •
Woningbouw kan werken als hefboom voor de kwaliteitsslag in bestaande buurten (denk daarbij aan: meekoppelen kwetsbare wijken, energie, van veel verharding naar meer groen en blauw, meer ruimte maken voor lopen en fietsen, versterken van het voorzieningendraagvlak en groeien richting een diverser woningaanbod).
32
Principe
Aanzet voor interventies
•
•
We benutten bestaande voorzieningen, opgaven, kansen en behoeften in wijken en dorpen
Versnellingsagenda voor harde plannen en ‘zo goed als harde plannen’ die
om in het bestaande bebouwde gebied (snel) woningen te realiseren. Omgekeerd dragen
in lijn zijn met de strategie (zowel op thema’s welzijn en gezondheid, robuust
we met die woningbouwontwikkeling bij aan een evenwichtige en toekomstvaste
watersysteem, kwaliteitsopgave vitale buurten en kernen en bereikbaarheid)
woningvoorraad in de bestaande steden, dorpen, buurten en wijken. We
•
gebruiken de transformatie om te verrijken, te verduurzamen, te revitaliseren en
Ontwikkelen vitale stedelijke en dorpse centra. Ieder met eigen maat en schaal: •
te vergroenen en verblauwen (door meekoppelen brede opgave: o.a. kwaliteit,
en rond centrum/spoorzone. Koppelen aan nationale IC-knoop.
klimaatadaptatie, energietransitie, diversificeren van woningaanbod). •
•
Oss; stedelijke knoop in spoorzone. Kansen voor nieuwe economie, nieuwe
We bouwen naar behoefte en bieden verscheidenheid in woonmilieus. Zowel in
stedelijke woonmilieus, stedelijke voorzieningen. Kopppelen aan sprong in
de steden als dorpen. We zorgen dat de totale woonvoorraad past bij de groei in
IC-bediening.
eenpersoonshuishoudens, senioren en migranten. We voegen (hoog)stedelijkheid toe
•
Veghel, Uden, Waalwijk; nieuwe stedelijke knopen op snijpunt van
aan het kleurenpalet van de regio. We volgen in woningbouw de demografie, de
voorzieningen, wonen, en werken. Koppelen aan nieuwe HOV-knopen en
economie en maatschappelijke trends. Iedere kern, groot of klein, realiseert dus
bediening.
voor haar opgave. De bevolkingsprognoses zijn hierbij een middel, waarbij het
•
essentieel is te plannen op een bandbreedte omdat de toekomst er anders uit kan
Vught, Boxtel; knopen op het snijpunt van voorzieningen, wonen, en werken. Koppelen aan spoorbediening.
zien dan we nu voorzien. •
‘s-Hertogenbosch; hoogstedelijke gemengd milieu voor wonen en werken in
•
Kleinere kernen; kleinstedelijke en dorpse transformaties gericht op
Bij woningbouwontwikkeling zetten we de brede integrale regionale opgave voorop.
toevoegen appartementen, kwaliteit centra en toekomstvaste/flexibele
Uitleglocaties realiseren we alleen daar waar dat bijdraagt aan kwaliteit van
voorzieningen in de centra.
dorpen, landschap of groenblauwe opgaven. Dat gaat altijd over kleinschalige
•
Voor elke dorpskern en stad wordt een potentie-onderzoek gedaan naar de
ontwikkelingen tenzij de ontwikkeling door andere aspecten in zijn totaliteit
binnenstedelijke en binnendorpse kwaliteitsopgave. Gaat over: voor welke
een bijdrage levert aan duurzame verstedelijking. Uitleggen is geen middel tot
opgaven staat de kern (irt demografische ontwikkelingen, bereikbaarheid,
versnelling. Transformaties gaan minstens even snel. Vanwege de noodzaak tot
energietransitie, klimaatadaptatie, kwaliteit van de naoorlogse wijken), welke
snel bouwen maken we in ieder geval af wat in vergevorderd stadium is.
investeringen zijn er nodig om deze opgaven aan te pakken, welke blokkades zijn er in draagvlak, capaciteit, geld en risico’s (stikstof, energie) en hoe kan verstedelijking bijdragen aan de brede regionale opgave?
33
ACHTERGROND. De woningvraag gaat niet over natuurlijke
aanwas en ook niet over binnenlandse migratie
1980
2000
2020
2040
Van oudsher is natuurlijke aanwas (geboorte min sterfte) een belangrijke motor achter bevolkingsgroei. Deze motor is echter zo goed als stilgevallen. Ook de binnenlandse migratie is per saldo zeer beperkt tot nagenoeg 0. Waar komt de groei wel vandaan? De bevolkingsgroei wordt enerzijds bepaald door inkomende buitenlandse migratie, met daarbinnen de kennismigranten en arbeidsmigranten als dominante groepen. De andere grote motor achter de woningvraag is de huishoudensverdunning. Over dertig jaar is maar liefst 40 procent van de huishoudens in Brabant een eenpersoonshuishouden (dat was in 2000 nog een kwart). Zelfs als er geen inwoner meer bij komt, zijn er dus fors meer huizen nodig. De bevolkingspiramide van Brabant lijkt bovendien steeds minder op een piramide. Het aantal jongeren neemt af en de (oudere) top (van de bevolking) wordt breder. Verwacht wordt dat rond 2040 de vergrijzing haar hoogtepunt zal bereiken. Het aantal 75+ers zal (iets meer dan) verdubbelen tot 2050. We moeten het grotendeels doen met wat we al hebben. Circa 85% van de toekomstige woningen staat er al. De grootste uitdaging is daarom om de bestaande woningvoorraad geschikt te maken voor de toekomst.
Bron: Bevolkingsprognose Brabant
34
ACHTERGROND. Behoud en versterking vitale dorpskernen
liggen) en ontgroening (en in het verlengde daarvan verdunning van huishoudens).
vraagt slimme strategie Kansen zijn er ook voor de Brabantse dorpen. De binding met het omliggende Rond 2050 zal naar verwachting in maar liefst twee op de drie gemeenten het
landschap is sterk, veel dorpen kennen een sterke identiteit, een rijk verenigingsleven
aantal inwoners teruglopen (provinciale prognose). Dit vraagt nu al slimme keuzes
en veel vrijwilligers. Ook de online-economie, werken op afstand, de nabijheid
maken om problemen op termijn te voorkomen. In bijzonder speelt dit vraagstuk
van de stedelijke markt met een onderscheidende woonkwaliteit zijn mogeljike
in de dorpen van Brabant, al zijn natuurlijk niet alle kleine kernen op een hoop te
troefkaarten. Het biedt de dorpen de gelegenheid economisch dynamisch te blijven
gooien qua opgaven en toekomstperspectief. Het kleine kernenvraagstuk gaat altijd
of te worden. Groei in werkgelegenheid komt voort uit recreatie en bedrijvigheid
over maatwerk. Desondanks toch een poging een aantal hoofdlijnen van de opgave
die leunt op het landschap of simpelweg op de beschikbaarheid van ruimte; van
langs te lopen. De leefbaarheid van het dorp komt in toenemende mate onder druk
manege, tot pannenkoekenhuis en van tuincentrum tot webshop. En van golfbaan,
te staan als gevolg van bijvoorbeeld vergrijzing, afnemend voorzieningendraagvlak
tot kaasboerderij met theetuin of tot caravanstalling. Nieuwe voorzieningen zoals
en de beperkt duurzame woonkwaliteit van de naoorlogse woningvoorraad (veel
winkels, recreatie en horeca richten zich niet alleen op het dorp maar op een breder
dorpen hebben een grote groei gekend tussen de jaren ‘60 en ‘80), de kwaliteit van
(stedelijk) verzorgingsgebied. Deze sectoren stellen wel andere vestigingseisen dan
de buitenruimte (in relatie tot de rol van de auto), energietransitie, wateroverlast en
de traditionele agrarische sector. De kwaliteiten die dat van een dorp vraagt kunnen
hittestress.
conflicteren met de huidige trends richting grootschalige agrarische bedrijvigheid, autodominantie en de beperkte ruimtelijke kwaliteit van oude en nieuwe werk- en
De economische relatie tussen dorp en land heeft een forse verandering ondergaan.
woonfuncties.
In de afgelopen (ruim) vijftig jaar is de werkgelegenheid in de agrarische sector teruggelopen. Ook veel werk in de agrarische keten en diensten ‘centraliseert’.
Wat nodig is voor de leefkwaliteit van de dorpen is dus een bredere agenda die gaat
Voor arbeidsintensieve (seizoens)werkzaamheden worden vaak arbeidsmigranten
over nieuwe economische dynamiek, slim omgaan met functie(mix) en voorzieningen,
ingezet. Gevolg is dat de arbeidsrelatie tussen de dorpen en de agrarische sector
investeren in nabijheid en kleinschaligheid en focus op de kwaliteiten die gaan
nog maar beperkt is. Het Brabantse dorp is steeds minder een autonome eenheid
helpen voor de toekomst. Mooi onderzoek wat hierop inspeelt is ‘Dorps Verdichten
en steeds meer een woonenclave in een groter stedelijk en suburbaan systeem.
- Hoe verdichten we op een compacte en gezonde manier in dorpen?’ (Provincie
Ook qua woningmarkt, waarbij nieuw aanbod vaak links- of rechtsom terecht komt
Utrecht, 2021) waarin wordt aangetoond dat belangrijke kansen voor verdichting
bij een bredere en merendeels welvarende doelgroep, die aangetrokken wordt door
vaak blijven liggen terwijl juist daar vaak de crux ligt voor het versterken van hechte
landelijke en dorpse woonkwaliteit. In de dorpen daalt het voorzieningenaanbod en
gemeenschappen, het versterken van de dorpsidentiteit, het aansluiten op dorpse
komen andere functies. Oorzaken zijn centralisatie van voorzieningen, toename van
schaal, creëren van pionierscultuur, productieplekken, landschappelijke verbindingen
e-commerce ten koste van fysieke winkels, een sterke vergrijzing (in 2040 is ongeveer
en gezonde en kindvriendelijke omgevingen.
een derde van de Brabantse bevolking 65+, in de dorpen zal dit aandeel fors hoger
35
Sint-Oedenrode 2000
ACHTERGROND. Er is geen tekort aan ruimte en
Het verhaal van Sint-Oedenrode centrum
het realiseren van een uitbreidingswijk gaat gemiddeld niet sneller dan binnenstedelijke transformatie
In het dorpshart van Sint-Oedenrode zijn tussen 2005 en 2020 bijna 350 nieuwe woningen toegevoegd (+55%). De inbreidingslocaties verschillen sterk van elkaar maar zijn allen op een vanzelfsprekende
Recent zijn er vier onderzoeken gedaan naar
manier in de bestaande dorpse sfeer ingepast. Ze
oplossingen voor de woningvraag in bestaande
sluiten qua functie, maat, oriëntatie en architectuur
steden en dorpen: Ruimte Zat in de stad (KAW
aan bij het bestaande. Ze voegen naast woningen ook
Architecten), Verdichtingsverhalen (College van
voorzieningen toe en hebben het mogelijk gemaakt
Rijksadviseurs), Dorps verdichten (Studioninedots)
openbare ruimte te verbeteren, onder meer door
en Bouwen aan leefomgevingskwaliteit (Vereniging
het maken van nieuwe voetgangersverbindingen
Deltametropool). De onderzoeken laten zien dat het
en het behoud van doorzichten richting het
inzetten op kwaliteitsverbetering van bestaande
Dommellandschap. Alles bij elkaar opgeteld is met
buurten leidt tot meer woningaanbod. Daar
de inbreidingsprojecten een substantiële bijdrage
profiteren zowel nieuwe en bestaande inwoners
geleverd aan het versterken van de kwaliteit van het
van. Het permanent aanpassen en vernieuwen
dorp.
Sint-Oedenrode 2020
van gebouwde buurten, dorpen en steden is een succesvol middel om ze levendig en bij de tijd te
Het verhaal van Sint-Oedenrode staat niet op
houden. Binnenstedelijk en binnendorps bouwen blijkt
zichzelf. In de 15 jaar tussen 2005 en 2020 zijn in
daarnaast ook nog eens twee keer zo snel te kunnen
sommige buurten 15%-100% aan extra woningen
als uitbreiden.
toegevoegd. Deze binnenstedelijke en binnendorpse kwaliteitsopgave is nog lang niet af. Casussen laten zien dat er in de regio nog altijd volop ruimte beschikbaar is om meer kwaliteit te maken. De verstedelijkingsvraag lijkt niet te zijn ‘waar raken we ze kwijt’, maar veel meer ‘aan welke brede opgave dragen ze bij’. Foto’s: Inbo
36
Ontwikkelprincipe 4 Verstedelijkingsopgave begint bij het bodem- en watersysteem
37
Ontwikkelprincipe 4 Verstedelijkingsopgave begint bij het bodem- en watersysteem
Lessen ontwerpend onderzoek •
Een deel van de geprojecteerde uitleggebieden komt terecht op plekken waar dat
Opgave – Regenwater dat in de regio, in Frankrijk en in België valt stroomt richting
onwenselijk is gedacht vanuit het watersysteem (bijvoorbeeld in de laaggelegen
het laagste punt en verzamelt zich via slootjes uiteindelijk in grote watergangen.
polders)
Het water brengt de regio veel (landbouw, recreatie, natuur, leven), maar er zijn ook
•
Vanuit de Klimaatonderlegger gedacht is het belangrijk om bodemtype,
gevaren. Als de Dommel en de Aa te veel water afvoeren, en ook de Maas hoog staat,
hoogteverschillen en watersystemen maatgevend te laten zijn voor wat er lokaal
kan het water niet of slecht afgevoerd worden. Op het moment dat er niet genoeg
mogelijk is. De juiste functies op de juiste plek: ‘functie volgt peil’.
via het Drongelens kanaal kan worden afgevoerd (zoals in 1995) vult het gebied rond Heusden, Vught, ’s-Hertogenbosch en ’s-Michielsgestel zich met water. In het kader
Principe
van HoWaBo 1 is er 14 miljoen kuub waterberging gerealiseerd (Natte Natuurparel
•
Bodem- en Watersysteem is het ordenend principe voor de ruimtelijke
Moerputten en Vlijmens Ven, Bossche Broek, Vughtse Gement, Engelermeer,
ontwikkeling: bodemtype, hoogteverschillen en watersystemen zijn maatgevend voor wat
Helvoirts Broek, het Dynamisch Beekdal). Dit blijkt echter onvoldoende. In HoWaBo2
er lokaal mogelijk is. Niet alles kan overal, maar de juiste functies op de juiste plek:
is 36 miljoen kuub extra berging nodig. De urgentie ligt benedenstrooms bij
‘functie volgt peil’.
’s-Hertogenbosch maar oplossingen moeten ook worden gezocht in het vasthouden
•
Ons uitgangspunt is een watersysteem, waarin iedereen (bovenstrooms en
van water bovenstrooms. Met behulp van nieuwe waterreserveringsgebieden langs
benedenstrooms) zijn eigen broek ophoudt en problemen niet afwentelt (hier ligt een
de beken en tegelijkertijd door meer infiltratie in bovenstroomse dorpen en steden (in
relatie met de HoWaBo 2.0 opgave). Een watersysteem bovenstrooms (in
Eindhoven, Sint-Oedenrode, Boxtel en Sint-Michielsgestel voor het Dommelse deel –
het landelijk gebied) dat ruimte geeft aan beken en beekdalen waarin water
en in Helmond en Veghel voor het deel van de Aa).
vastgehouden kan worden en een watersysteem benedenstrooms (in de stad) waar we vanuit het principe van de spons zoveel mogelijk water bergen en
Naast het gevaar rondom het ‘teveel aan water’ speelt er ook nog het ‘tekort aan
langzaam afvoeren. Dat betekent: maximaal vasthouden, benutten, bergen en (als
water’ en samenhangend daarmee de waterkwaliteit. Door langere periodes van
echt niet anders kan) dan pas afvoeren van water.
droogte ontstaat verdorring, zetting en verschaling van de natuur. Ook het risico
•
Daarbij stellen we dat bij verdichting en transformatie ruimte gemaakt wordt voor
op bosbranden neemt toe. Daarnaast heeft droogte een nadelig effect op de
extra groen en blauw. Lokaal ontstenen en vergroenen, waarbij elke ontwikkeling
waterkwaliteit: er is minder water en vervuiling komt sneller in hogere concentraties
bijdraagt aan een klimaatbestendig en robuust watersysteem. Zo maken we de
voor. Ook groeien organismen sneller door hogere temperaturen. Zo is in de Dommel
regio stap voor stap meer waterrobuust, hittebestendig, aantrekkelijk en gezond.
bij lage afvoeren de waterkwaliteit lastig te borgen.
38
Aanzet voor interventies •
Procesaanpak: Klimaatonderlegger als basis (de lagenbenadering centraal): definieer de opgave met betrekking tot hitte, water en droogte (te nat, te heet, te droog, te
Het te doorlopen proces bij locatiekeuze en bepalen programma van eisen vanuit robuust watersysteem STAP 1. Op welke locatie bouwen?
vies) en stem optimale oplossingen af op de ondergrond en de situatie ter plekke. De Brabantse Klimaatonderlegger, inclusief de regionale versies van waaruit deze is opgebouwd, is gemaakt in het kader van de adaptatiedialogen voor klimaatadaptatie (Deltaplan ruimtelijke adaptatie). In deze klimaatonderlegger
STAP 2. Confrontatie met klimaatonderlegger. Aan welke klimaatopgave moet een bijdrage geleverd worden?
is geredeneerd vanuit eigenschappen van het landschap aangegeven welke klimaatrisico’s spelen en welke perspectieven er zijn om te ontwikkelen. Deze Klimaatonderlegger is de eerste stap bij verstedelijking. Het maakt namelijk inzichtelijk welke klimaatopgave er in een bepaald gebied speelt. •
Bouw daar waar het kan zonder de natuurlijke systemen te frustreren. Geen grootschalige uitbreiding in overstromingsgevoelige gebieden, in lage polders/ natte gebieden, langs de grote rivieren en in de beekdalen en ook niet in grondwaterbeschermingszones bij waterwingebieden. Ook op hoger gelegen zandgronden speelt een opgave met betrekking tot (grond)wateroverlast en grondwaterstand. Eventuele uitbreidingslocaties worden langs het ‘Stoplichtmodel voor nieuwe uitleglocaties’ gelegd waarbij geldt dat er niet in de ‘rode gebieden’ wordt gebouwd
STAP 3. Is er sprake van
en in de oranje gebieden alleen onder strikte voorwaarden. De noodzakelijke
inbreiding of uitbreiding?
maatregelen en financiële consequenties daarvan worden meegewogen bij de besluitvorming over mogelijke verstedelijking. •
Verdichten = vergroenen en verblauwen. Binnenstedelijk bouwen kan niet vrijblijvend: Inbreiding in binnenstedelijke en binnendorpse gebieden moet bijdragen
Uitbreiding STAP 4. Doorlopen Stoplichtmodel
STAP 4. Keuze in ambitieladder
voor nieuwe uitleglocaties.
binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding op basis van buurtopgave
aan sponswerking en waterberging (tegengaan lokale wateroverlast en hittestress): De verstedelijkingsopgave wordt gecombineerd met de onthardingsopgave: bij voorkeur streven we ernaar dat een buurt maximaal 70% verharding en minimaal 20% groen/blauw heeft. Dat komt neer op minimaal 0-20% extra groen/blauw bij iedere (her)ontwikkeling/verdichting (ontharding, vergroening, herinrichting -
Inbreiding
Doorzetten: ja/nee? STAP 5. Groen-blauwe maatwerkopgave in PVE op basis van locatiespecifieke klimaatopgave
afhankelijk van de opgave van de plek). Het betekent over de hele linie ingrijpen
39
in de grote stedelijke massa, ook in de naoorlogse wijken en bedrijventerreinen.
•
•
Kwaliteit wordt bereikt wanneer de verschillende opgaven integraal worden
Transformatie daarvan is dus kernonderdeel van waterinclusief ontwikkelen (zie
opgepakt. Gemeente ‘s-Hertogenbosch, provincie en waterschap Aa en
voor dit punt de ambitieladder binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding).
Maas zijn momenteel bezig met de voorbereiding van een gezamenlijk
Momenteel lopen er binnen HoWaBo 2.0 verkenningen hoe de wateropgave
gebiedsvoorstel rondom de Dieze, waarin niet alleen wordt gekeken naar de
kan worden ingevuld. De urgentie ligt benedenstrooms bij ’s-Hertogenbosch
opgave vanuit HoWaBo 2.0 maar ook naar nieuwe woningbouw, de aanpak
maar oplossingen moeten ook worden gezocht in het vasthouden van water
van de spoorzone en de stikstofaanpak/GGA.
bovenstrooms. Met behulp van nieuwe waterreserveringsgebieden langs de beken en tegelijkertijd door meer infiltratie in bovenstroomse dorpen en steden (in Eindhoven, Sint-Oedenrode, Boxtel en Sint Michielsgestel voor het Dommelse deel – en in Helmond en Veghel voor het deel van de Aa).
40
De regionale Klimaatonderlegger als basis boomsoorten zullen als gevolg van verdroging verdwijnen. Dorpskernen - In potentie zijn dorpskernen geschikte gebieden om water te infiltreren. Echter door sterk versteende oppervlakten is daar in het verleden weinig ruimte voor vrij gemaakt, met alle gevolgen van dien. Ophoping van water in de lagere delen kan bij piekbuien tot aanzienlijke wateroverlast leiden. Ventileren binnen de compacte kernen is lastig. De warmte blijft er langer hangen waardoor, ondanks de verkoelende werking van de omgeving, alsnog hittestress wordt ervaren. Bedrijventerreinen - De bedrijventerreinen liggen vaak in de wat lagergelegen randen. Door de grote bebouwde oppervlakten is het hitteproducerend areaal daken aanzienlijk en dienen er zeer grote hoeveelheden neerslag te worden afgevoerd. De grote dakoppervlakten en stenige delen (met name parkeerplaatsen) zorgen ook voor veel hittestress. Het areaal wonen van Veghel ligt benedenwinds van deze bedrijventerreinen en ontvangt zo warme lucht vanuit het bedrijventerrein. Het klimaat verandert. Het wordt natter, het wordt droger, het wordt heter en het water is niet schoon genoeg. Als gevolg daarvan kan de Brabantse ‘ontwateringsmachine’ het vele water niet meer aan. Natuur en landbouw hebben last van verdroging. In de stad is steeds meer hittestress en is de (drink) waterkwaliteit onvoldoende.
WAT ZIEN WE IN DE KLIMAATONDERLEGGER? Roodbruine gebieden zijn de hoogstgelegen, droogste en meest hittestress gevoelige en zandige gebieden die het meest gevoelig zijn voor klimaatveranderingen. Dit uit zich in verstuiving en oxidatie van organische stof met verlies van watervasthoudend vermogen. Dit veroorzaakt een kettingreactie, waarbij de conditie van groen achteruitgaat en oogsten steeds vaker mislukken. De kansen in dit gebied liggen vooral in het omschakelen naar warme teelten en natuur die goed tegen droogte kunnen. Uitdaging in dit gebied is het op peil houden van het grondwater en verdere omzetting en uitspoeling van humus tegen te gaan. Vooral ondiep wortelende
Door relatief kleine maatregelen kan het tij worden gekeerd. Te denken valt aan bijvoorbeeld het toepassen van waterdoorlatende verharding en ruimte voor het creëren van water absorberende groenzones, bomen, groene gevels en daken. Oranje pijlen zijn een weergave van de hittestressgevoelige gebieden vanuit de heersende windrichting (ten zuidwesten van ‘s-Hertogenbosch). Deze liggen vooral op de hoge zandgronden en worden versterkt door verhard verstedelijkt gebied zoals bedrijventerreinen en kernen met weinig groen en veel verharding. De hogere zandige en vaak meer doorlatende delen in het landschap (geel) bestaan uit een bodem waarin water goed infiltreert maar die bij een steeds droger wordend klimaat wel gevoelig is voor langdurige droogte.
41
De humeuze eerdgronden op de hellingen tussen dorpen, steden en beekdalen (bruingroen) hebben een uitstekende sponswerking en houden veel water vast. Ze dragen bij aan een gunstig klimaat en hebben tegelijkertijd een verkoelend, infiltrerend en grondwater-voedend effect. De vlakke, licht hellende gebieden op de overgang van hoog naar laag (groen) vormen het meest stabiele en gunstige klimaat binnen de regio. Wel zal in de toekomst een herverkaveling nodig zijn, waarbij men van een afvoerend naar een water circulerend systeem toewerkt om de waterneutraliteit van de gemeente te vergroten en het grondwater robuust te voeden. Zo kunnen de lagergelegen kwelbossen geleidelijk aan worden gevoed. De laagstgelegen delen in een beekdal (blauwgroen) worden gevormd door natte bossen en zijn, door wisselende en terugtrekkende grondwaterstand, geleidelijk aan het verdrogen. Dit gaat ten koste van de bijzondere kwelwater gerelateerde natuur. De wisselende grondwaterstanden zorgen voor een beperking in het grondgebruik. In de laagten op beperkt doorlatende fijnzandige bodem (paars) zal water, dat niet snel
genoeg weg kan, sneller tot wateroverlast leiden. Dit zijn overigens ook de plekken waar de lucht blijft hangen met een slechtere luchtkwaliteit tot gevolg. De rivier en beekdalen bestaan vaak uit natte graslanden met een hoge natuurwaarde. Hier zorgen hoge grondwaterstanden voor een beperking in het grondgebruik. Er liggen meer kansen voor natuur en recreatie. Bij de kanalen is inlaat van gebiedsvreemd water en stagnatie van afstromend water een probleem. De rivier- en zeeklei gebieden (grijsblauw) hebben een beperkte infiltratiecapaciteit en zullen in toenemende mate de gevolgen ervaren van weersextremen en van afwenteling vanuit de bebouwde omgeving. Dit uit zich in wateroverlast en bij langdurige droogte ook droogtestress. Behoud en ontwikkeling van een goede sponswerking (lees voldoende humus in de bodem) is van wezenlijk belang om water te absorberen, langer vast te houden en de bodemvruchtbaarheid te bevorderen. Bouwen in deze overstromings- en wateroverlastgevoelige zone is niet mogelijk zonder aanvullende maatregelen als waterberging, funderingstechnieken, waterrijk groen en acceptatie van wateroverlast aan te bevelen. Hoe lichter de kleur hoe hoger en dus droger zij in het landschap liggen.
42
(A) Stoplichtmodel voor nieuwe uitleglocaties De basis voor het ‘robuuste watersysteem’ is vastgelegd in de Klimaatonderlegger. Daarin staat een overzicht van de herkomst van de hoofdlandschappen, de hoge zandgronden met het bekenlandschap, het horst- en slenkgebied en de rivier- en zeekleipolders. Deze kaart vormt een goede basis voor het gesprek over locatiespecifieke (klimaat- en water)opgaven. We moeten anticiperen op toekomstige klimaatveranderingen. Keuzes die in de toekomst tot onomkeerbare schade en overlast gaan leiden moeten worden voorkomen (de inrichting valt immers nog aan te passen, een verkeerde locatiekeuze niet meer). Om de keuzes meer weloverwegen te maken presenteren we hier daarom aanvullend op de Klimaatonderlegger het Stoplichtenmodel voor locatiekeuze van nieuwe uitleglocaties. Er wordt gekeken naar 4 indicatoren waarin steeds wordt aangegeven of een gebied (gedacht vanuit de logica van het watersysteem) geschikt, onder voorwaarden geschikt of ongeschikt is voor nieuwe verstedelijking: •
Waterveiligheid (kwetsbaarheid bij overstromingen);
•
Wateroverlast (wateroverlast in relatie tot benodigde drooglegging/bouwpeil en kansen voor infiltratie);
•
Ruimte voor robuust watersysteem (ruimte voor water: reserveringsgebied waterberging en bergingsgebieden en bufferzones rondom waterlopen);
•
Hittestress (ventilatiemogelijkheden van verstedelijkt gebied).
•
Hoewel ook zeer relevant worden bodemgesteldheid (waaronder bodemdaling), verzilting, waterbeschikbaarheid (o.a. drinkwatervoorziening) en waterkwaliteit (vaak toegespitst op KRW) niet meegenomen in dit Stoplichtmodel. Deze indicatoren hebben voor verstedelijkingskeuzes onvoldoende onderscheidend vermogen op het schaalniveau van Brabant omdat ze bijvoorbeeld alleen op specifieke locaties spelen of veel overlap vertonen met wel opgenomen indicatoren. Neemt niet weg dat deze thema’s bij lokale afwegingen moeten worden meegewogen.
43
INDICATOR 1. Waterveiligheid Deze indicator kijkt naar de vraag “hoe kwetsbaar is een gebied voor overstromingen? Slecht scoren de gebieden die bij extreem hoogwater vanuit zee of de grote rivieren zoals de Maas of het Hollands Diep, kunnen overstromen bij het falen van een primaire waterkering. Hierbij is de schade in potentie in elk geval zeer groot en mogelijk zelfs levensbedreigend voor inwoners.
(1A: Extreem kleine kans)
Deze kaarten gaan over overstromingen uit rivier en zee. •
Extreem kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar overstroomt
•
Middelgrote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100 jaar overstroomt
(1B: Middelgrote kans)
Matig kwetsbaar (<0,5 meter - (forse) wateroverlast en schade maar
Matig kwetsbaar (<0,5 meter - (forse) wateroverlast en schade maar
niet direct levensbedreigend. Lokale maatregelen om overlast te
niet direct levensbedreigend. Lokale maatregelen om overlast te
voorkomen/beperken zijn vaak mogelijk)
voorkomen/beperken zijn vaak mogelijk)
Kwetsbaar (0,5-2,0 meter - Forse schade en in potentie
Kwetsbaar (0,5-2,0 meter - Forse schade en in potentie
levensbedreigend, evacuatie naar 1e verdieping)
levensbedreigend, evacuatie naar 1e verdieping)
Zeer kwetsbaar (>2,0 meter - Levensbedreigend, evacuatie naar 1e
Zeer kwetsbaar (>2,0 meter - Levensbedreigend, evacuatie naar 1e
verdieping niet toereikend)
verdieping niet toereikend)
Overstromingsdiepte | Extreem kleine kans (Bron: Klimaateffectatlas.nl, LIWO/ROR)
Overstromingsdiepte | Middelgrote kans (Bron: Klimaateffectatlas.nl, LIWO/ROR)
44
INDICATOR 2. Wateroverlast De mate waarin een gebied gevoelig is voor grondwateroverlast door hoge
Bovendien: hydrologisch neutraal bouwen door hemelwater niet aan te koppelen op
grondwaterstanden, is van belang om te bepalen of dit gebied zich leent voor
de riolering maar te infiltreren, is daar amper mogelijk (dus moet het dan afgevoerd
een voldoende drooglegging/bouwpeil voor toekomstige bebouwing. Gebieden
worden naar elders). In het kader van het grondwaterconvenant is afgesproken het
die gevoelig zijn voor grondwateroverlast zijn niet geschikt voor bebouwing en
grondwater omhoog te brengen. Gebieden die gevoelig zijn, zijn vooral gebieden
alleen met kostbare aanpassingen min of meer geschikt te maken, waarbij deze
waar kwel voorkomt of waar de gemiddelde hoogste grondwaterstand (in de
bebouwing in de toekomst gevoelig blijft met klimaatverandering.
toekomst) te dicht aan het maaiveld komt (en combinaties van beiden).
(3A: Grondwateroverlast)
(3B: Grondwaterstand)
Zeer geschikt (Infiltratie / wegzijgingsgebied)
Zeer geschikt (>140 cm onder maaiveld - geschikt)
Matig geschikt (Intermediair gebied)
Matig geschikt (100-140 cm onder maaiveld – in de toekomst mogelijk te
Minder geschikt (Kwelgebied)
nat voor bebouwing) Minder geschikt (<100cm onder maaiveld – in huidige situatie al te nat voor bebouwing)
LHM4.1 Gemiddelde Kwel-Inzijging 2011-2018 (NHI.nu dataportaal)
LHM4.1 GHG 2011-2018 (NHI.nu dataportaal)
45
INDICATOR 3. Ruimte voor robuust watersysteem
INDICATOR 4. Hittestress
Deze indicator combineert drie deelindicatoren. Als bebouwing in één van de
In het stedelijk gebied is het creëren van meer groen en blauw van belang. Maar
drie categorieën valt krijgt de waarde ‘binnen contour robuust watersysteem’. In deze gebieden is (in de toekomst) ruimte voor water nodig: (1) 1000m ruimte voor de rivier langs het hoofdsysteem, (2) Reserveringsgebied waterberging en bergingsgebieden, (3) 100 meter buiten regionale beken en rivieren.
ook in het buitengebied is hittestress een thema. Ventilatie is namelijk van groot belang. Warme lucht moet met koelere lucht de stad kunnen verlaten. Dat vraagt niet alleen een doordachte inrichting van de stad zelf, maar ook van het omliggende buitengebied. Op de aanvoerroute van die lucht is het niet verstandig om te verharden (bijv. met woningen of kassen) en zodoende hitte-eilanden te creëren.
Geschikt - Buiten contour robuust watersysteem
Creëren van nieuwe verstedelijking en verharding is hier onwenselijk
In principe ongeschikt - Binnen robuust watersysteem
(in hittestress contouren - op aanvoerroute van lucht)
Datalagen: Rijkswateren, Dijktrajecten, Beekdalen (Nationaal Georegister), Interim Omgevingsverordening Provincie Noord-Brabant | Waterberging (Nationaal Georegister)
Stedelijk Hitte-eiland effect (RIVM, 2017) & Hittelint (Klimaatonderlegger)
46
(B) Ambitieladder binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding De brede ambitie is om ‘regenwater in het eigen gebied vast te houden: dus geen
aantrekkelijke leefmilieus en het tegengaan van hittestress. Om de binnenstedelijke
afwenteling van een effect van binnen naar buiten de stad en niet afwentelen van
en binnendorpse opgave inzichtelijk te maken stellen we de ambitieladder
realisatiekosten voor de korte termijn naar hogere beheer- en adaptatiekosten
binnenstedelijke en binnendorpse inbreiding voor (de beschreven maatregelen zijn ter
op middellange termijn. Daarbij gaat het niet alleen maar om het voorkomen
illustratie om gevoel te krijgen voor de orde van grootte en zijn berekend op basis
van wateroverlast, maar zeker ook om infiltratie van water ter aanvulling van het
van een aantal casestudies in buurten uit verschillende tijdslagen).
Brabantse grondwater. De laatste droge jaren hebben laten zien hoe belangrijk dat is. Eén van de hoofdoorzaken van de huidige druk op het grondwater is de inrichting
Streefwaarde voor de buurt is >20% groen/blauw en <70% verharding. Dat komt voor
van het bestaand stedelijk gebied.
groen opgezette naoorlogse wijken neer op 0-5% vergroenen en betekent voor
Binnenstedelijk en binnendorps ligt er daarom de noodzaak een groen-blauwe
versteende bedrijventerreinen, groenarme wijken en centrumgebieden (in stad en
opgave te realiseren. Ook in het kader van een positieve bijdrage aan gezondheid,
dorp) minimaal circa 15-20% extra groen en blauw.
Ambitie 0
Ambitie 1
Ambitie 2
Ambitie 3
Ambitie 4
Ambitie 5
- groen/blauw Denk aan: Ruimte voor
+ 0-5% groen/blauw Denk aan: Vergroening
+ 5-15% groen/blauw Denk aan: In hele buurt
+ 15-30% groen/blauw Denk aan: In hele buurt
+ 30-70% groen/blauw Denk aan: In hele buurt
+ >70% groen/blauw Denk aan: Stad te gast in
groen en blauw neemt
en verblauwing van
minimaal een vijfde van
transformatie naar groen-
alle daken vergroenen,
de natuur. ‘Horizontale
af als gevolg van nieuwe ontwikkelingen.
individuele straten, gebouwen en tuinen
alle straatverharding vergroenen (nieuwe
blauwe leefstraten en verspreid over de buurt
inclusief een deel van de gevels en een vijfde van
stadsdelen’ komen ten goede aan groen en
(hier en daar tegels eruit en groen erin).
bomen, watervertragende groenstroken,
individuele vergroening van tuin en gebouw
het straatprofiel.
blauw. Verticaal ruimte voor groene gevels.
waterdoorlatende
(groene gevels en daken,
verharding, geveltuinen en groene hagen).
waterdaken, waterpleinen, geveltuinen, waterlopen, groenstroken en wadi’s).
47
Groene hoofdstructuur
Duurzame Polder
en stadsrandzone
Hooge Heide
Maashorst
Meer ruimte voor water
Focusgebied stikstofaanpak
Ontwikkelprincipe 5 Groen en blauw groeien mee met verstedelijking
48
Ontwikkelprincipe 5 Groen en blauw groeien mee met verstedelijking
Lessen ontwerpend onderzoek •
Onze regio kenmerkt zich door relatief veel buitengebied dat sterk gedomineerd
Opgave – De stedelijke regio ’s-Hertogenbosch kent een veelkleurigheid aan
word door bodem- en beeklandschappen van Aa, Dommel en kanaal en
landschappen, ieder met zijn eigen karakteristieken. De regio kent een overgang van
Natura 2000 gebieden. De relatie tussen stad en land is sterk bepalend voor
laag (rivierklei) naar hoog (zand). De aanwezigheid van de Maas en het moerasgebied
de aantrekkelijkheid van onze regio. Kenmerkend is ook de nabijheid en de
rondom ’s-Hertogenbosch is sterk verschillend van de zandverstuivingen en
verwevenheid van het stedelijk gebied met het omliggende landelijke gebied. Die
bossen in Kampina, de Loonse en Drunense duinen of de Maashorst. In de regio
vullen elkaar aan en kunnen niet zonder elkaar. Meer dan 90% van onze inwoners
tref je rivieren, plassen, bossen, zandverstuivingen, diverse beekdalen en kleine
heeft binnen 750 meter toegang tot meer dan 5 hectare groen. Daarbij draagt
populierenbossen. Het groen is vrijwel overal nabij. De situering van ‘s-Hertogenbosch
het landschap in grote mate bij aan het economisch vestigingsklimaat, met als
is uniek. Nergens liggen natuur en stad zo dicht bij elkaar. De regio kent snelle stad-
kenmerkende signatuur het Van Gogh Nationaal Park.
landverbindingen, men loopt bijvoorbeeld vanuit ‘s-Hertogenbosch eenvoudig het
•
Deze nabijheid van groen neemt in elk perspectief af. Om tegenwicht te bieden
Bossche Broek in en vanuit Zaltbommel de uiterwaarden. Tegelijkertijd zit hier ook
aan deze trendontwikkeling samen laten gaan met substantiële toevoeging groen
nog potentie: de natuurgebieden voelen soms ver weg, maar liggen vaak nabij. Stad
en blauw
en landschap liggen op veel plekken met de rug naar elkaar toe. Er zit potentie in het
•
Veel ontwikkelingen komen terecht in stikstofgevoelig gebied. Hier is een aanpak nodig irt het mobiliteitsvraagstuk en de landbouwtransitie.
verder uitnutten van groen en landschap in de stad, in het beleefbaar en toegankelijk maken ervan, via onder meer tuin- en straatgroen, plantsoenen, parken en scheggen.
Principe Het landschap is niet onveranderlijk en kwaliteit is geen vanzelfsprekendheid. Van
•
We dragen bij aan herstel en versterking van natuur, landschap, cultuur en erfgoed
oudsher is land- en tuinbouw een belangrijke speler in het ommeland. Deze sector
door groene dooradering van het landschap, concentratie van verstedelijking,
staat voor grote opgaven. Veel agrariërs zoeken naar een nieuw, volhoudbaar
het verbinden van natuurgebieden, ontsnipperingsmaatregelen en zuinig
toekomstperspectief. Op plekken waar agrarische bedrijven stoppen dreigt
ruimtegebruik.
leegstand, verdozing en verrommeling van het landschap (bijvoorbeeld als gevolg
•
Grote kracht van de regio is dat kenmerkende en waardevolle natuur goed
van onzorgvuldige inpassing van duurzame energie, industrie, of ruimte-voor-
toegankelijk is en dat ze dicht bij de steden gelegen zijn. Deze waarde willen
ruimte-villabouw ter compensatie voor het stoppen van agrarische bedrijven).
we verder uitbouwen als onderscheidend kenmerk voor de lokale kwaliteit
Klimaatverandering zet de natuur verder onder druk (denk aan verdroging op de
en identiteit van wonen en leven. We willen daarom een aaneengesloten
hoge zandgronden) en ook de stikstofproblematiek laat zich gelden. Dat is vooral in
groennetwerk creëren voor plant en dier vanuit het landschap tot in de
natuurgebieden een probleem. De biodiversiteit neemt hier af.
haarvaten van het stedelijk gebied. Onze focus ligt bij het bovenstaande op drie schaalniveaus;
49
•
Kwaliteitsverbetering van het buitengebied We zetten verder in op het Brabants
de Diezemonding en het Engelermeer versterken we de mogelijkheden voor
natuurnetwerk. Het ontwikkelen van duurzaam toerisme, beleving en
recreatief gebruik. We vergroten de groene beleving door natuurgebieden met
betekenisgeving (inclusief bereikbaarheid en bezoekbaarheid) hoort daarbij.
elkaar te verbinden.
Tegelijkertijd werken we toe naar toekomstbestendige grondgebonden
•
Ontwikkeling stadsrandzones en stad-land verbindingen (irt verduurzaming van
natuurinclusieve landbouw en gezond voedsel met toegevoegde
landbouw, recreatie en natuurkwaliteit). Groene verbindingen tussen het centrum
landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit en zoeken we ook naar nieuwe
en de natuurgebieden als groenblauwe aders van het hart naar de longen van de
economische dragers in het buitengebied. We doen dit door een integrale
kern:
aanpak, met het bekensysteem als ondergrond voor opgaven zoals
•
Noord-zuid en oost-west groene dooradering Waalwijk
klimaatadaptatie laten landen, in combinatie met toegevoegde waarde voor
•
Groene dooradering ’s-Hertogenbosch (rondom Bossche Broek, Dieze, Aa
landschap, biodiversiteit, transitie landbouw, gezond voedsel en versterking •
en kanaalzones – Zuid-Willemspark)
natuur.
•
Groene dooradering Boxtel (langs Dommel en Beerze)
Structuuringrepen in het verstedelijkt gebied (parken, groene wiggen,
•
Dooradering Oss (oost-west verbinding Oss-Noord en verbinding tussen
natuurbruggen, een aaneengesloten netwerk van ommetjes, etc.). Deze
•
station, Maashorst en Herperduin)
zorgen voor een groene dooradering in ’s-Hertogenbosch, Boxtel, Oss, Uden,
•
Groene dooradering Uden (noord-zuid en oost-west)
Veghel en Waalwijk.
•
Groene dooradering Veghel (Aa in en rondom het centrum en een nieuwe
Vergroening lokaal (groen tot in de haarvaten van buurt, straat, tuin en
oost-west verbinding: groene trapezium van Aa-Broeken naar Geerbosch)
gebouw – horizontaal en verticaal). Dit toont zich overal vanaf de voordeur,
We koppelen de stikstofaanpak (nabij Natura2000 gebieden) aan kwaliteitsverbetering
op de straat, tegen de gevel en op het dak. Het biedt koelte, nestplekken,
in de groene stadsrandzones (waar circulaire landbouw, recreatie en natuurkwaliteit
recreatieve en belevingswaarde, enz. Lokale en natuurinclusieve
onderdeel van zijn). Daardoor ontstaat voor stedelingen een aantrekkelijke buffer
oplossingen zijn overal de standaard. Ze geven een ruimtelijke impuls en
tussen natuurgebieden, stedelijke activiteiten en landbouw. Dit kan er lokaal voor
vormen de drager van gebiedskwaliteit. Door de stad verder te ontwikkelen
zorgen dat bepaalde functies moeten worden uitgeplaatst.
wordt deze groener. Aanzet voor interventies •
We benadrukken en versterken de waarde van onze natuurgebieden Kampina, Vlijmens Ven, Gement, Moerputten, Maasuiterwaarden, Maashorst en Het Bossche Broek, de Loonse- en Drunense Duinen. In de samenwerking binnen Van Gogh Nationaal Park voegen we hier nieuwe landschapsparken aan toe: Hooge Heide, Maashorst en De Duurzame Polder. In onze plannen voor het Kanaalpark,
50
ACHTERGROND. Stedelijk verdichten en vergroenen
is niet óf-óf maar én-én Het lijkt een tegenstelling: én meer woningen en banen én meer ruimte voor groen en blauw. Maar praktijkvoorbeelden laten zien dat het een juist slecht zonder het ander kan. Denk bijvoorbeeld aan Haverleij in ’s-Hertogenbosch waar anders dan in andere wijken uit dezelfde tijdsperiode woningen dicht opeen zijn gebouwd. Hierdoor is niet de gehele wijk bebouwd met rijen eengezinswoningen maar zijn er kleine bebouwde eilanden ontstaan in een ‘zee van groen’. Een ander principe zien we in de verstedelijkte gebieden. Juist door meer woningen, bedrijven en voorzieningen dicht bij elkaar te bouwen (meervoudig bestemmen) is hier in de buitenruimte minder ruimte nodig voor rijdende en stilstaande auto’s en komt er juist meer ruimte vrij voor vergroening. Verdichting kan dus bijdragen aan meer ruimte voor lokaal vergroenen. En het zorgt er ook nog eens voor dat er buiten stad en dorp ruimte overblijft voor waterberging, recreatie- en natuurgebied.
51