CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Regionaal beleidsprogramma jeugd

Gemeenteraad 14 mei 2024, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Regionaal beleidsprogramma jeugd 2024 - 2028 Noordoost Brabant10.867 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Regionaal Beleidsprogramma Jeugd Regio Noordoost Brabant 2024-2028

Regionaal Beleidsteam

Regionaal Beleidsteam JEUGDHULP Ingrid de Vries, Rianne van Veldhuizen en Lisa Verhoeven REGIO NOORDOOST - BRABANT

Voor u ligt het Regionaal beleidsprogramma 2024-2028 voor jeugdzorg, samengesteld door het Regionaal beleidsteam Noordoost-Brabant. Dit document gaat over optimale samenwerking en is ook tot stand gekomen door goed teamwork. We verwachten daarom dat dit programma een krachtige bijdrage gaat leveren aan de versterking van het jeugdzorgbeleid in onze regio.

Inhoudsopgave 1 Inleiding 2 Samenwerking in Noordoost-Brabant 3 Trends en cijfers regio Noordoost-Brabant 4 Landelijke ontwikkelingen en relatie met beleidsprogramma 4.1 Landelijke Hervormingsagenda 4.2 Integraal Zorgakkoord (IZA) en Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) 4.3 Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming 5 Wat we meenemen uit het vorige beleidsplan 6 Opname van transformatie-opgaven in beleidsprogramma 7 Methodiek DIN 8 Strategische en operationele doelen van dit beleidsprogramma

4 6 12 14 14 18 19 20 22 24 26

2

Dit is een interactief document. Elk hoofdstuk is voorzien van een eigen icoon, wat het navigeren tussen de verschillende onderwerpen vergemakkelijkt. Een leerzame leeservaring toegewenst!

Knoppen om direct naar de hoofstukken te gaan

Knop om naar de homepage te gaan Knop om naar de inhoudsopgave te gaan Knop naar de begrippenlijst Begrippenlijst Gebruik van vaktermen en afkortingen is onvermijdelijk in dit Beleidsprogramma. Als leeshulpmiddel hebben we daarom een begrippenlijst toegevoegd, die via deze knop of op pagina 37 te raadplegen is.

3

In de Jeugdwet zijn aan gemeenten taken toebedeeld waarover gemeenteraden en colleges beslissingen moeten nemen. Om deze beslissingen richting te geven, vraagt de Jeugdwet van gemeenten om periodiek een plan vast te stellen. Dit beleidsprogramma is bedoeld om de regionale samenwerking op deze taken te sturen. Het verduidelijkt de regionale verantwoordelijkheden en taken die gaan over de toegang tot, inrichting, uitvoering en kwaliteit van specialistische jeugdzorg en jeugdbescherming. Rode draden Iedere jeugdige moet de kans krijgen om gezond en veilig op te groeien en zich te ontwikkelen tot zelfstandigheid. Deze centrale visie uit het beleidsplan 2020-2024 vormt ook de basis van dit nieuwe Regionaal beleidsprogramma. Allereerst introduceren we vier thema’s die als rode draden door de inhoud lopen.

Hoofdstuk 1 Inleiding

> Blijvend (van elkaar) leren – Leren is de drijfkracht van dit programma. We willen, méér dan we in het verleden hebben gedaan, leren van (ervaringen van) ouders en jeugdigen. Ook willen we als gemeenten leren van elkaar en van onze partners in de uitvoering. Bereid zijn om nieuwe mogelijkheden te onderzoeken en nieuwe inzichten toe te passen is de grondhouding van het beleidsprogramma. Deze innovatiebereidheid moet vervolgens ook in alle werkzaamheden merkbaar worden. > Deskundigheid en visie van ouders en jeugdigen benutten – Belangrijk aandachtspunt in dit programma: bij de analyse en aanpak van problematiek kan de deskundigheid en visie van het gezin en het brede netwerk van de jeugdige beter benut worden. Immers, in gezin en netwerk kunnen zowel de oorzaken als de oplossingen liggen. De jeugdige in het gezin is dan niet de enige persoon waarop onze aandacht gericht moet zijn. Daarnaast is jeugdzorg wellicht niet de enige optie voor verandering. Daarom willen we aansluitend een beweging maken van de inzet van specialistische jeugdzorg naar frequentere ondersteuning die in gemeenten aan de pedagogische basis te vinden is. In het ‘gewone leven’ dus. > Samenwerken met onderwijs – In dit gewone leven brengen kinderen veel tijd op school door. Samenwerking en afstemming met onderwijs is daarom cruciaal.

Dit benoemen we dan ook niet als losstaand strategisch doel, we integreren het in álle strategische doelen. Landelijk is er een beweging gaande richting inclusiever onderwijs. Het doel hiervan is álle kinderen, met en zonder beperking, achterstand, ziekte of probleem, naar dezelfde school te laten gaan. Liefst dicht bij huis. Dit vraagt om een goede verbinding tussen onderwijs en jeugdzorg.

4

Hoofdstuk 1 Inleiding

> Inspelen op landelijke trends en ontwikkelingen – In dit beleidsprogramma houden we sterk rekening met een aantal landelijke plannen en programma’s. We noemen de Landelijke Hervormingsagenda, het Integraal Zorgakkoord, het Gezond en Actief Leven Akkoord en het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Deze plannen geven (mede) richting aan de manier waarop we de komende jaren gaan werken met elkaar. Waar het gaat om de doelen die we stellen, de door ons gehanteerde terminologie en de planning van onze werkzaamheden, is er een directe relatie met de landelijke hervormingsplannen. Meer achtergrondinformatie over de vier thema’s vindt u verderop in dit document. We gebruiken dit om de programmadoelen te verduidelijken.

Opbouw van het document Het beleidsprogramma kent de volgende opbouw. Eerst beschrijven we de manier waarop in Noordoost-Brabant de regionale samenwerking op het gebied van specialistische jeugdzorg en jeugdbescherming is ingericht. Hierna vermelden we cijfers en trends die het verloop laten zien van de vraag naar gespecialiseerde jeugdzorg in onze regio. Landelijke ontwikkelingen zijn richtinggevend voor de opbouw en inhoud van het beleidsprogramma. Daarom geven we in het daaropvolgende hoofdstuk een overzicht van landelijke programma’s en (beleids)documenten in samenhang met onze programmadoelstellingen. Vervolgens kijken we kort terug naar de uitvoering van het beleidsplan 2020-2024. Hoe werken onderdelen van dit plan door in het huidige programma? Daarbij hebben we speciale aandacht voor het project Transformatie-opgaven. Na een uitleg over de DIN-methodiek waarmee de programmadoelstellingen tot stand zijn gekomen, volgt tot slot een uitwerking van de centrale visie naar strategische en operationele doelen. Van beleid naar uitvoering Het Regionaal beleidsprogramma 2024-2028 wordt ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraden. Na vaststelling volgt het opstellen van een uitvoeringsprogramma, inclusief een planning voor vier jaar. Ook dit uitvoeringsprogramma houdt rekening met de planning van landelijk opgestelde programma’s en met eventuele aanpassingen in de Jeugdwet.

De nationale ontwikkelingen en onze regionale acties grijpen in hoge mate in elkaar. Bepaalde voorwaardelijke zaken moeten landelijk afgerond zijn, willen we hiermee regionaal aan de slag kunnen.

5

Samenwerking op gemeentelijk niveau in het sociaal domein is geen nieuw fenomeen in de regio Noordoost-Brabant. Zo trekken de gemeenten in onze regio al vanaf de invoering van de Jeugdwet in 2015 samen op bij de inkoop van gespecialiseerde jeugdzorg. Dit hoofdstuk maakt duidelijk langs welke lijnen deze en nieuwe vormen van samenwerking lopen. Voor alle duidelijkheid – en om eventuele misverstanden te voorkomen – laten we hieronder zien uit welke tien gemeenten de regio Noordoost-Brabant sinds 1 januari 2024 bestaat, na diverse herindelingen in de afgelopen jaren.

Hoofdstuk 2

Samenwerking in Noordoost - Brabant

Centrumregeling: het formele kader van de samenwerking De samenwerking in de regio is formeel vastgelegd in de Centrumregeling Jeugdhulp Noordoost Brabant, een vorm van een gemeenschappelijke regeling. Binnen het samenwerkingsverband is de gemeente ’s-Hertogenbosch de centrumgemeente. Deze voert de regionale inkoop van de jeugdtaken uit en treedt namens de gemeenten op als inkopende partij.

Afbeelding 1. Overzicht gemeenten in de regio Noordoost-Brabant

6

Hoofdstuk 2

Samenwerking in Noordoost-Brabant

De samenwerkingsstructuur is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Dit past binnen het regionaal gedragen principe ‘lokaal wat kan en regionaal waar het moet of waar het effectief en efficiënt is’. Voor de inkoop van gespecialiseerde jeugdzorg is de Regionale Inkooporganisatie Zorg (RIOZ) gemandateerd. RIOZ is een afdeling van centrumgemeente ’s-Hertogenbosch, maar werkt voor de hele regio. RIOZ koopt specialistische jeugdzorg in, monitort het jeugdstelsel en beheert de overeenkomsten en relaties met gecontracteerde aanbieders. In 2022 is de Centrumregeling uit 2020 geëvalueerd. Belangrijke onderwerpen hierin waren: • het gewijzigde speelveld in de regio door gemeentelijke herindeling • de verwerking van de gewijzigde bekostigingssystematiek • het opnieuw vaststellen van de verdeelsleutel en de solidariteitsregeling • het realiseren van een meerjarig perspectief • het managen van beelden en verwachtingen Na de evaluatie is een nieuwe Centrumregeling 2024-2028 opgesteld. In de landelijke Hervormingsagenda Jeugd is vastgelegd dat beleid en financiering uitgevoerd moeten worden door ‘robuuste regio’s’. De voorwaarden waaraan een robuuste regio moet voldoen, liggen nog niet officieel vast. Toch zijn wij ervan overtuigd dat de gemeenten in de regio Noordoost-Brabant deze uitdaging aankunnen.

‘Maak specifiek helder op welk gebied je verandering wil. Dan is evaluatie mogelijk en komen we in een leerloop.’

7

Jeugdbescherming

Hoofdstuk 2

West Brabant West

Samenwerking in Noordoost-Brabant

West Brabant Oost Regio’s

Drie niveaus van regionale aansturing De samenwerking binnen de regio Noordoost-Brabant vindt op meerdere niveaus plaats. Deze zijn onderling met elkaar verbonden. Bovenaan staat het Regionaal Bestuurlijk Overleg Jeugd (RBO). Dit bestaat uit de portefeuillehouder Jeugd van elke gemeente, met een van de burgemeesters als onafhankelijk voorzitter. Het Regionaal regieteam (RT), met vijf leden en twee adviseurs, fungeert als filter tussen de twee andere lagen. Het adviseert het RBO over de beleidskaders voor jeugdbeleid en inkoop. Hiervoor baseren zij zich op de input van de tien gemeenten, het Regionaal beleidsteam, inkooporganisatie RIOZ en landelijke ontwikkelingen. Binnen de kaders die het RBO aangeeft, verleent het RT vervolgens opdrachten aan het Regionaal beleidsteam en stuurt RIOZ aan. Het Regionaal beleidsteam (RBT) vertaalt de ontvangen beleidsopdrachten naar uitvoerings- en projectplannen en realiseert deze. Het RBT bestaat uit beleidsmedewerkers van de tien gemeenten.

RBO (Regionale Bestuurlijk Overleg) Bestuurlijke afgevaardigden per gemeente en één onaankelijke burgemeester

RBT (Regionale Beleidsteam) Ambtelijke afgevaardigden per gemeente

RT (Regie Team) gezamenlijke vertegenwoording van de 10 gemeenten Toetsing op Haalbaarheid

Verstrekte opdracht

Onderwijs

Verstrekte opdracht Aanbieders

Toetsing op Haalbaarheid

OPDRACHTEN inkooporganisae RIOZ

Afbeelding 2. Regionale aansturing

Landelijk

Controllers Ouders en jeugdigen

Regio

RIOZ

8

Hoofdstuk 2

Samenwerking in Noordoost-Brabant

Hechte relatie met gespecialiseerde aanbieders De afgelopen jaren heeft de regio gebouwd aan een intensieve, gelijkwaardige samenwerking met gespecialiseerde jeugdzorgaanbieders. Voor het organiseren van optimale hulpverlening aan onze jeugd is zo’n hechte samenwerking essentieel. Net als tussen de gemeenten is de relatie met aanbieders robuust te noemen. In de dagelijkse praktijk wordt van uitvoerings- tot bestuursniveau voortdurend geschakeld over de wijze waarop we zorg voor onze jeugdigen effectief kunnen vormgeven. Dit doen we vanuit de in 2019 vastgestelde inkoopstrategie, via innovatieve EXPERTISEen op dialoog gerichte PLATFORM inkoopprocedures (2020/2021) en het project Transformatie-opgaven. Er valt geen kind tussen wal en schip en we zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor een passend aanbod. De contracten die onze regionale inkooporganisatie RIOZ beheert, zijn zó ingericht dat ze mee kunnen bewegen met de MELDPUNT actualiteit. Daarmee kunnen we als regio (gemeenten én aanbieders) soepel inspelen op ontwikkelingen die voortkomen uit de Landelijke Hervormingsagenda en uit inhoudelijke ontwikkelingen. Voorbeelden hiervan zijn de reikwijdtediscussie, REGIONAAL de invoering van landelijke contractstandaarden, de transitie Kleinschalig verblijf en de afbouw JeugdzorgPlus.

€

KE VOORZIENINGEN

ULP

VEILIGHEIDSTEAM



LOKAAL TEAM

GEZIN

Werkgroep Veiligheid in Afhankelijkheidsrelaties (ViA) In Noordoost-Brabant is in de periode 2019-2022 – lokaal en regionaal – een programma uitgevoerd gericht op het terugdringen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit gebeurde onder de vlag van het landelijk programma Geweld Hoort Nergens Thuis (GHNT). Diverse onderzoeken hebben aangetoond dat de aanpak deels heeft gewerkt, maar ook dat er méér nodig is. In juni 2022 is het programma GHNT opgegaan in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Het Toekomstscenario heeft een brede blik op alle leeftijden en op gezinnen/huishoudens met en zonder kinderen.

RECHTSPRAAK

ViA Veilig in Afhankelijkheidsrelaties Integrale aanpak Noordoost-Brabant

POLITIE

NOOT BIJ DE ILLUSTRATIE:

OPENBAAR MINISTERIE 9

Hoofdstuk 2

Samenwerking in Noordoost-Brabant

Ook de gemeenten in de regio Noordoost-Brabant hebben de ambitie om geweld in afhankelijkheidsrelaties sterker in te dammen. Daarom is de werkgroep Veiligheid in Afhankelijkheidsrelaties ingericht, die toewerkt naar een integrale aanpak. Om dit te bereiken, werken verschillende afdelingen van alle tien gemeenten samen, zoals Volwassenzorg in de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning), Jeugdzorg en Openbare orde en veiligheid. Zowel management, beleid, bestuur als uitvoering zijn hierbij betrokken. De werkgroep werkt op basis van een meerjarig uitvoeringsplan. Lokaal zijn de gemeenteraden en de colleges aan zet; afstemming tussen de tien gemeenten vindt plaats op bestuurlijke regiodagen. Verder is er een Stuurgroep Zorg en Veiligheid, waarbinnen gemeenten en partners vanuit zorg, straf en veiligheid hun regionale aanpak op strategisch niveau bespreken. Veilig Thuis en de Gecertificeerde instellingen voor Jeugdbescherming (GI’s) nemen ook deel aan de uitvoering van het ViA-programma. Deze zijn wat betreft contractering en financiering opgenomen in de Centrumregeling Jeugd; inkoop en accountmanagement zijn daarom ondergebracht bij RIOZ. Dit vraagt om nauwe afstemming tussen de werkgroep ViA, RIOZ en RBT. Op het punt van jeugdbescherming hebben het RBT en werkgroep ViA goede afspraken gemaakt.

Hierdoor is helder welke beleidsthema’s en uitvoeringstaken bij het RBT blijven en welke worden opgepakt binnen het uitvoeringsplan ViA.

‘Aanpak crisis zou binnen alle gemeenten hetzelfde geregeld moeten zijn.’

10

Hoofdstuk 2

Samenwerking in Noordoost-Brabant

Bovenregionale samenwerking De gemeenten in de regio Noordoost-Brabant hebben op twee dossiers samenwerkingsafspraken gemaakt met andere regio’s.

A. G  ecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming (en jeugdreclassering) De regio Noordoost-Brabant werkt hierin samen met de andere vier regio’s in Brabant bij inkoop (contractering), accountmanagement en beleid. Alle regio’s hebben hun eigen contract met GI’s gesloten, maar de contracten zijn wel gelijkluidend. Voor de afstemming en samenwerking is een structuur ingericht met een ambtelijke kerngroep en een stuurgroep. Vanuit de landelijke overheid en de inspectie is de laatste jaren veel bemoeienis met de GI’s. De Brabantse regio’s trekken in de gesprekken en onderhandelingen met de landelijke instanties en overheid samen op.

Afbeelding 4

Advies

NoordoostBrabant Hart van Brabant Ambtelijk Kernteam Jeugdbescherming

ZuidoostBrabant West Brabant West West Brabant Oost Regio’s

Bovenregionale stuurgroep

Iedere regio idem contract

Afbeelding 5

Advies

B. Instellingen voor gesloten jeugdzorg (JeugdzorgPlus) De regio Noordoost-Brabant werkt samen met de regio’s Hart van Brabant, Zuidoost- Brabant, Limburg Noord en Midden-Limburg in het Landsdeel Zuidoost Nederland. De vijf regio’s hebben een gezamenlijk contract met drie aanbieders van gesloten jeugdzorg. Ook is een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin bepaalde coördinerende taken zijn toebedeeld aan één grote gemeente (op dit moment de gemeente Roermond). Een ambtelijke werkgroep en een stuurgroep geven structuur aan de samenwerking.

Aanbieders per regio

NoordoostBrabant Hart van Brabant

1 Contract met Jeugdzorg

ZuidoostBrabant

Ambtelijke Ambtelijke Werkgroep Werkgroep JeugdzorgPlus JeugdzorgPlus

Jeugdzorg aanbieders

Bovenregionale Stuurgroep JeugdzorgPlus

NoordLimburg Midden Limburg West Midden Limburg Oost

Coördinatie en voorzitter

Gemeente Roermond

Coördinatie en voorzitter

11

Voor we verdergaan op inhoudelijke ontwikkelingen op landelijk en regionaal niveau, is het goed om eerst helder te krijgen hoe de vraag naar jeugdzorg in de regio Noordoost-Brabant verloopt. De laatste jaren zijn verschillende onderzoeksrapporten verschenen waarin de knelpunten in de jeugdzorg zijn geanalyseerd en adviezen zijn opgesteld. Het gaat dan onder meer over de snelle toename van het aantal jeugdigen dat gebruik maakt van jeugdzorg. Parallel hieraan zijn ook de uitgaven flink gestegen. Verder zitten jeugdigen langer in jeugdzorg en ook langer in jeugdzorg met verblijf. Er zijn veel nieuwe jeugdzorgaanbieders bijgekomen voor (lichte) ambulante hulp, maar de wachtlijsten voor hulp bij meer complexe problemen groeien. Met gegevens uit de Jaarrapportage 2022 van RIOZ verduidelijken we het gebruik van jeugdzorg in onze regio. > Het totaal aantal jeugdigen dat in de regio Noordoost-Brabant woont, daalde in 2022 licht (-0,4%). Deze daling lag iets hoger dan het landelijke gemiddelde (-0,31%). Afbeelding 6 laat zien dat in 2022 11,8% van de jeugdigen in onze regio jeugdzorg nodig had. Dit was iets meer dan in 2021, maar minder dan de landelijke stijging.

 

Hoofdstuk 3

Trends en cijfers regio Noordoost-Brabant











Afbeelding 6. Percentage jeugdigen in zorg afkomstig van RIOZ



 



  

Jaarrapportage 2022

12

Hoofdstuk 3 Trends en cijfers regio Noordoost-Brabant

Als we het hebben over zorggebruik, maken we in onze regio onderscheid tussen lichte en zware jeugdzorg. Lichte jeugdzorg valt uiteen in ambulante hulp, begeleiding, dag-hulp, orthopedagogische behandeling, pleegzorg en respijtzorg. Onder zware jeugdzorg rekenen we de verblijfsproducten en de alternatieven daarvoor. > Het aantal jeugdigen dat gebruik maakte van lichte jeugdzorg steeg in 2022 met 3%. Op pleegzorg na liep het aantal jeugdigen bij alle producten op. Vooral de toename bij ‘ambulant’ en ‘orthopedagogische behandeling’ sprong eruit. > Het aantal jeugdigen dat gebruik maakte van zware jeugdzorg daalde ten opzichte van 2021 met 7%. Deze daling was hier bij bijna alle producten zichtbaar. > Bij de maatwerkopdrachten is geconstateerd dat deze in 2022 met 13% terugliepen. Dit was een flinke daling, maar minder sterk dan in 2021. 87% van de maatwerkopdrachten werd toegekend aan niet-gecontracteerde aanbieders. Het ging daarbij vooral om maatwerk aangevraagd voor ambulante hulp. > Justitiële jeugdzorg (de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen) liet een afname in de aantallen zien. Deze afname heeft gevolgen voor de financiële positie van Gecertificeerde instellingen. Hier is landelijk aandacht voor. Het volgende hoofdstuk haakt verder aan op landelijke ontwikkelingen.

13

We hebben eerder al vastgesteld dat het Regionaal beleidsprogramma niet losstaat van landelijke ontwikkelingen op het gebied van jeugdzorg. In dit hoofdstuk introduceren we vier nieuwe nationale programma’s die van invloed zijn op wat we in de regio Noordoost-Brabant concreet gaan doen:

Hoofdstuk 4 L andelijke ontwikkelingen en relatie met beleidsprogramma

• • • •

Landelijke Hervormingsagenda (LHA) Integraal Zorgakkoord (IZA) Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) Toekomstscenario

4.1 Landelijke Hervormingsagenda In juni 2023 is de Landelijke Hervormingsagenda (LHA) vastgesteld, de grootste verandering in de jeugdzorg sinds 2015. In dit akkoord hebben Rijk, gemeenten, zorgaanbieders en zorgmedewerkers afspraken gemaakt over verbeteringen en besparingen in de jeugdzorg. De Hervormingsagenda is voorbereid door de zogeheten Vijfhoek, vanuit ieders eigen verantwoordelijkheid: cliëntenorganisaties en jongerenvertegenwoordigers, samenwerkende beroepsverenigingen jeugd, verenigingen van aanbieders, de VNG en het Rijk. De agenda loopt tot 2028. Knelpunten in de jeugdzorg In de aanloop naar de Hervormingsagenda verschenen talrijke onderzoeken en rapporten met analyses van de knelpunten in de jeugdzorg en adviezen hierover. Op deze data en rapporten is de agenda gebaseerd. Het aantal jeugdigen dat gebruik maakt van jeugdzorg is de afgelopen jaren in rap tempo toegenomen. Tegelijk zijn – door intensiever gebruik en hogere administratieve lasten – ook de uitgaven flink gestegen. Jeugdigen zitten langer in jeugdzorg, ook in jeugdzorg met verblijf, terwijl dit heel schadelijk kan zijn. Er zijn veel nieuwe jeugdzorgaanbieders bijgekomen voor (lichte) ambulante hulp, maar de wachtlijsten voor hulp bij meer complexe problemen groeien.

Al deze knelpunten hangen deels samen met ontwikkelingen in de jeugdzorg zelf, maar ook met veranderingen in de maatschappelijke context en in aanpalende domeinen (onderwijs, zorg voor volwassenen, veiligheid, sociale zekerheid). Deze constatering krijgt een vertaling in de aanpak.

14

Hoofdstuk 4

L andelijke ontwikkelingen en relatie met beleidsprogramma

Leidende principes van kwaliteit De Hervormingsagenda bevat een groot pakket maatregelen om jeugdzorg te verbeteren en financieel houdbaar te krijgen. Hiervoor zijn structurele investeringen in de kwaliteit en effectiviteit van jeugdzorg nodig. De LHA onderscheidt een aantal ‘leidende principes’ van kwaliteit: verbinding aangaan, samen beslissen, doen wat werkt, samen leren en verbeteren. Dit vraagt om grondig monitoren of acties het gewenste resultaat opleveren, de juiste selectie van data en ontwerp van een efficiënter financieringsmodel. Altijd zorg voor kwetsbaren Er komt een aanpassing van de Jeugdwet, die duidelijker maakt waarvoor kinderen en ouders specialistische jeugdzorg kunnen krijgen. Beperktere middelen en beperkte inzet van mensen dwingen vervolgens tot scherpe keuzes: wie komt in aanmerking voor professionele jeugdzorg en wie niet. De meest kwetsbare jeugdigen moeten daarbij altijd geholpen worden. Onder deze groep verstaat de LHA: kinderen in onveilige situaties, kinderen met ernstige gedragsproblemen en kinderen met een aandoening, stoornis of beperking, waarbij de inzet van specialistische jeugdzorg noodzakelijk is gezien de aard en de ernst van de hulpvraag. Samen (andere) keuzes maken Voor kinderen met lichte problematiek zijn lokaal vrij toegankelijke voorzieningen beschikbaar.

Deze vallen binnen een netwerk van bestaande voorzieningen en zijn gericht op het omgaan met problemen in het dagelijks leven. Dit vraagt om vertrouwen in en versteviging van de directe leefomgeving en sociale basis. Een doordachte aanpak op preventie is een andere voorwaarde voor succes. Wijkteams worden versterkt zodat zij zelf basiszorg kunnen bieden én een betere en bredere analyse kunnen maken. Samen met het gezin en/of het kind wordt beoordeeld wat nodig is en waar hulp geboden kan worden, binnen of buiten jeugdzorg. Bij inzet van specialistische jeugdzorg is het de bedoeling deze ook zo snel mogelijk weer af te schalen. Nauwere samenwerking met bijvoorbeeld het onderwijs moet ertoe leiden dat jeugdigen vaker met collectieve voorzieningen worden ondersteund. Uithuisplaatsingen willen we zoveel mogelijk voorkomen. Gemeenten worden verplicht bepaalde specialistische zorg regionaal in te kopen om beschikbaarheid en continuïteit van zorg slimmer te organiseren. Hierdoor is minder papierwerk nodig, wat medewerkers extra tijd oplevert voor directe zorg.

15

Hoofdstuk 4

L andelijke ontwikkelingen en relatie met beleidsprogramma

Van individu naar context Rode draad in de Hervormingsagenda is de verschuiving van de individuele focus (op het kind) naar een contextgerichte focus. De oplossing ligt in een goede pedagogische context, in onderwijs, bestaanszekerheid etc. Dit vraagt een heel andere benadering, vooral gericht op samenwerking over grenzen van sectoren heen. Verder is het cruciaal om aan te sluiten bij de leefwereld van jeugdigen. Het inzetten van ervaringsdeskundigheid en informele netwerken hoort daarbij. De regie ligt zoveel mogelijk bij jeugdige en gezin. De combinatie van een bredere maatschappelijke aanpak en verbetering van het jeugdhulpstelsel zelf moet leiden tot personele en financiële besparingen.

Regionale acties In de Hervormingsagenda zijn concrete acties opgenomen, op de volgende pagina weergegeven in een schema. Veel thema’s vragen om lokale acties. Voor ons regionale beleidsprogramma geven we weer wat er in regionaal verband kan en moet gebeuren. Daarbij geven we ook aan onder welke strategische doelen deze acties in het beleidsprogramma terug te vinden zijn.

‘Focus veel meer op ouders en niet zozeer op het kind.’

16

Hoofdstuk 4

L andelijke ontwikkelingen en relatie met beleidsprogramma

Thema’s/acties LHA

Inhoud

Gevolgen/opgaven voor regio

Beleidsprogramma 2024-2028

1. Reikwijdte Actie – Wetswijziging: gereed eind 2026

- Niet elke hulpvraag behoeft een (jeugd)zorgantwoord: lokaal sterke pedagogische basis inrichten, lokale aanwezigheid van basisvoorzieningen - Meest kwetsbare jeugdigen en gezinnen kunnen rekenen op integrale aanpak - Jeugdzorg die niet werkt niet meer inzetten en sturen op trajectduur - Bepaalde lichte ambulante hulp alleen nog in vrij toegankelijke vorm - Ontwikkeling verklarende analyse -In de Jeugdwet wordt beschreven welke hulp eronder valt

- Wetswijziging gereed staat gepland voor eind 2026. - Daarna implementatietraject in de regio (2027 en 2028) - Verklarende analyse implementeren

Doel 2, Doel 3 en Doel 4

2. Jeugdzorg steviger Verbinden aan aanpalende domeinen

-Problemen in de context van het gezin oppakken. Verbinding met onderwijs, volwassenen-GGZ, volwassenen-hulpverlening, gemeentelijke domeinen als schuldhulpverlening, wonen, Wmo, participatie

- Onderwijs-zorg-arrangementen doorontwikkelen - POH-GGZ jeugd verder uitbreiden in de regio en monitoren - Regionaal sturen op afspraken zorgverzekeraars inzake volwassenen-GGZ - Aanpak 16-27. Big 5

Doel 3

3. Stevige en kundige lokale teams en toegang Actie Rijk - Programma van eisen lokaal team: gereed eind 2023 Convenant Stevige lokale teams VNG

- Gemeentelijke toegang en lokale teams: -handelen met een brede blik op het hele gezin en de context -meer informele steunfiguren inzetten vanuit eigen netwerk van het gezin en de jeugdige -werken nauw samen met specialistische zorgaanbieders en vergroten daarmee hun vakbekwaamheid - Voldoen aan landelijk programma van eisen

- Inzet eigen netwerk prominent meenemen bij de afweging Doel 1, op specialistische jeugdzorg in te zetten: regionale lijn Doel 3 en Doel 6 hierin ontwikkelen - JIM-methodiek breed implementeren in de regio - Stimuleren ontwikkeling stevige lokale teams in de regio

4. Terugdringen residentiële jeugdzorg: zo thuis mogelijk

- Aanbieders uit verschillende domeinen werken nauw samen aan passende arrangementen - Afbouw en ombouw JeugdzorgPlus door realiseren kleinschalige regionale verblijfscapaciteit voor jeugdigen met complexe problematiek

- Ontwikkeling regionale visie op verblijf: stimuleren pleegzorg en gezinshuizen - Stimuleren ontwikkeling kleinschalig verblijf voor jeugdigen met complexe problematiek - Afbouw en ombouw JeugdzorgPlus (bovenregionaal)

Doel 3 en Doel 5

5. Kwaliteitsverbetering en blijvend leren

- Voortdurend leren en veranderen is vanzelfsprekend - Van een substantieel deel van de jeugdzorg is vastgesteld wat aantoonbaar werkt. Wat niet werkt wordt niet (meer) toegepast - Kwaliteitskaders voor belangrijke delen van jeugdzorg blijven bestaan

- Onder meer belangrijk onderdeel van nieuwe RET

Doel 1

6. Verbeteren van de organisatie en inkoop van specialistische jeugdzorg: regionalisering Actie - Toets robuustheid: gereed Q1 2024 Daarna tot eind 2025: vrijwillige regiovorming Daarna: verplichte regiovormin

- Versterken van de regio’s en opstellen van een regiovisie - Ministeriële regeling die vaststelt welke zorg landelijk en welke zorg regionaal wordt ingekocht - Regie voeren op regio-overstijgende transformatie

- We hebben een sterke regio met een regiovisie, we zijn georganiseerd volgens WGR (Wet gemeenschappelijke regeling) - Ministeriële regeling heeft mogelijk gevolgen voor inkoop Gecertificeerde instellingen en LTA: we werken al met alle Brabantse regio’s samen m.b.t. GI’s

Doel 2

7. Eenvoudiger uitvoering en inkoop, minder - Tijd en aandacht professionals moet primair uitgaan naar het administratieve lasten en aanpak negatieve effecten daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg marktwerking: standaardisering Actie - Uitwerken standaard productcodes en productomschrijvingen: gereed eind 2026 2027: wetgeving en vrijwillige implementatie 2028: verplichte implementatie

- Nieuwe inkoop is sterk gericht geweest op minder administratieve lasten - We werken samen met andere Brabantse regio’s aan verlichting administratieve lasten voor GI’s

Doel 2

8. Verbeteren inzicht in het functioneren van het jeugdstelsel met data en monitoring Actie - Ontwikkelen landelijke monitor: gereed Q1 2024. Daarna in 2024 en 2025 invoeren

- We hebben een regionaal dashboard dat wordt aangevuld met lokale data van de tien gemeenten. Mogelijkheden aansluiten bij landelijke monitoring onderzoeken. - We hebben een provinciale monitor inzake keten jeugdbescherming Mogelijkheden aansluiten bij landelijke monitoring onderzoeken

Totaal beleidsprogramma bij data en inzet van monitoring. DINmethodiek impl. periodieke evaluatie op basis van data

- De ambitie is te komen tot betere kwaliteit en beschikbaarheid van data en landelijke integrale monitoring, en zo inzicht genereren in de werking van het jeugdstelsel (meerjarig)

17

Hoofdstuk 4

L andelijke ontwikkelingen en relatie met beleidsprogramma

4.2 Integraal Zorgakkoord (IZA) en Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) Het IZA en het GALA hebben net als de LHA het doel de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg te borgen. In de twee akkoorden zit de beweging naar de voorkant van de zorg en van zorg naar gezondheid. De aandacht gaat daarbij uit naar: • • • • •

verbinding tussen kind en volwassenen inzet op vroegsignalering goede koppeling tussen informele en formele zorg versterking van de sociale basis koppeling tussen het medische en sociale domein en tussen onderdelen van het sociaal domein

Extra middelen voor sociaal domein Beide akkoorden kunnen extra middelen voor het sociale domein vrijmaken. In het IZA is onder strikte voorwaarden van de zorgverzekeraar geld beschikbaar voor onder meer impactvolle transformaties in de volwassenen-GGZ. Bij GALA gaat het om interventies als Kansrijke Start, de aanpak van overgewicht bij kinderen, mentale gezondheid en versterking van de sociale basis. Het LHA zoekt in de uitwerking aansluiting bij acties vanuit deze akkoorden. Voor kinderen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de integrale zorg bij somatische en psychische problemen vanuit Jeugdwet en Zorgverzekeringswet. Uitvoering van IZA en GALA De uitvoering van IZA vindt plaats in de zorgkantoorregio’s. De zorgkantoorregio Noordoost-Brabant bestaat uit twaalf gemeenten: de tien gemeenten die ook samenwerken in de jeugdzorgregio, plus de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel. De gemeente ’s-Hertogenbosch is als mandaatgemeente de spil in de uitvoering van IZA. Hiervoor wordt een Regioplan IZA Noordoost-Brabant opgesteld. Voor ons zijn vooral de inzet van de POH Jeugd (praktijkondersteuner) en de aansluiting bij volwassenenGGZ belangrijke aanknopingspunten met ons Regionaal beleidsprogramma. Vanuit het RBT houden we de aansluiting met de uitvoerders van IZA, zodat we elkaar kunnen versterken. GALA richt zich vooral op preventie en wordt lokaal uitgevoerd door gemeente en GGD.

18

Hoofdstuk 4

L andelijke ontwikkelingen en relatie met beleidsprogramma

4.3 Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming Het huidige stelsel gericht op bescherming van kinderen en volwassenen die onveiligheid of een ontwikkelingsbedreiging ervaren, is complex en knelt. Te vaak krijgen kinderen en volwassenen die dit nodig hebben geen passende, tijdige hulp. Ook is er te weinig samenhang tussen zorg voor kinderen en zorg voor volwassenen. Organisaties in dit veld (Veilig Thuis, Gecertificeerde instellingen, Raad voor de kinderbescherming) werken in estafette, waarbij het stokje steeds wordt doorgegeven en vaak een ronde opnieuw of te veel wordt gelopen. Om die reden is het Toekomstscenario ontworpen, waarin een nieuwe manier van werken wordt geïntroduceerd. In elf proeftuinen en regio’s wordt deze werkwijze uitgetest. Het doel: toewerken naar een nieuw stelsel waarin toezicht, wetgeving, financiering en sturing ten dienste staan van efficiëntere hulp en zorg voor kinderen en volwassenen. Het lokale wijkteam en een te vormen regionaal Veiligheidsteam zijn onderdeel van dit nieuwe stelsel.

‘Hulpverleners geven gezin en ouders even respijt.'

Een aantal acties uit het Toekomstscenario vindt plaats in nauwe samenhang met de LHA, in het bijzonder het versterken van de gemeentelijke toegangteams met expertise rondom veiligheid en bescherming. In gezinnen waar onveiligheid speelt, schuilt vaak een wereld van problemen achter de voordeur. Ook daar, juíst daar, moet de aanpak van schulden, huisvesting, volwassenzorg en jeugdzorg bij elkaar komen. In onze regio is de ontwikkeling richting Toekomstscenario neergelegd bij de werkgroep ViA. De regio Noordoost-Brabant is géén proefregio, maar er wordt hier al wel naar het Toekomstscenario toegewerkt. Zoals we in hoofdstuk 2 aangaven, werken de circuits van ViA en RBT/RBO nauw samen. Afstemming over het Toekomstscenario wordt hierin meegenomen.

19

In dit nieuwe Regionale beleidsprogramma sluiten we aan op de stappen die de afgelopen tien jaar al zijn gezet. Dit hoofdstuk blikt hierop terug, zodat voor iedereen duidelijk is waar we vandaan komen.

Hoofdstuk 5

Wat nemen we mee uit het vorige beleidsplan

In 2014 gingen de tien gemeenten in de regio Noordoost-Brabant de samenwerking aan op het gebied van de inkoop van gespecialiseerde jeugdzorg. Om dit te stroomlijnen werd een beleidsplan jeugdzorg vastgesteld voor de periode 2015-2018, waarin de nadruk lag op het doen slagen van de transitie. Dit beleidsplan werd in 2018 met één jaar verlengd. Voor de jaren 2020-2024 is vervolgens een nieuw vierjarig beleidsplan vastgesteld. Hierin werd geconcludeerd dat de transitie grotendeels was geslaagd. Tegelijk moest aan de benodigde transformatie – het inhoudelijk ontwikkelen van de jeugdzorg – nog hard gewerkt worden gewerkt. Daartoe formuleerde de regio een aantal ambities.

Transformatie-ambities toen en nu: • Goede ondersteuning voor jeugdigen, gezin en systeem • Het inrichten van een goede, toegankelijke en kwalitatieve Toegangsteams • Integrale ondersteuning die aansluit bij de integrale vraag (1 gezin, 1 plan) • Ondersteuning zo licht mogelijk • Ondersteuning zoveel mogelijk in de eigen omgeving dichtbij huis • Ondersteuning aansluitend bij leefwereld van de jeugdigen • Goede aansluiting op het gebied van onderwijs en hulpverlening en binnen de verschillende onderdelen van het sociaal domein • Toekomstbestendige jeugdzorgverlening, met aandacht voor overgang naar volwassenheid • Het waarmaken van de gemeentelijke verantwoordelijkheden in de veiligheidsketen • Verbeteren van de positie van jeugdigen en ouders • Meer ruimte bieden aan professionals door het verminderen van regeldruk De afgelopen jaren is aan de hand van deze ambities gewerkt en is vooruitgang geboekt. De ambities staan nog steeds recht overeind en zijn al stuk voor stuk in dit nieuwe beleidsprogramma voorbijgekomen.

20

Hoofdstuk 5

Wat nemen we mee uit het vorige beleidsplan

Opbouw nieuwe hulpvormen De gemeenten hebben vanaf 2020 tot en met 2023 een apart projectbudget beschikbaar gesteld voor het realiseren van een aantal urgente ‘transformatie-opgaven’. Door dit project hebben jeugdzorgaanbieders onder meer nieuwe hulpvormen kunnen opbouwen en zijn vanaf 2020 hulpvormen met verblijf afgebouwd. Een belangrijk speerpunt was het stimuleren van structurele opbouw van ambulante en gezinsgerichte zorg voor jeugdigen met een complexe hulpvraag. Met als doel: terugdringen van schaarste aan deze vorm van zorg en daarmee voorkomen van residentieel verblijf en klinische opname. In de genoemde periode zijn succesvolle projecten in het zorgaanbod geïmplementeerd en in het productenboek opgenomen. Vooruitlopen op landelijke acties Het is belangrijk om de komende jaren de lijn door te trekken die in het project Transformatie-opgaven in gang is gezet. Dat doen we alleen niet meer via een apart project. De doelstellingen kunnen goed meegenomen worden in de doelen en inspanningen van het nieuwe beleidsprogramma. In het volgende hoofdstuk laten we zien hoe. Daarnaast bouwt het nieuwe beleidsprogramma voort op wat is ontwikkeld en bereikt ten aanzien van ándere doelen en acties uit het beleidsplan 20-24. Deze doelen vinden we ook terug in recente landelijke programma’s als het LHA, IZA en Toekomstscenario Jeugdbescherming.

Dit betekent dat we als regio al goed aan de slag waren en nu, mét die landelijke stimulans, verder kunnen gaan op de ingeslagen weg.

‘Hoe kunnen we bouwen op wat er is, in plaats van telkens iets nieuws bedenken.’

21

Sinds 2018 werkt de regio Noordoost-Brabant aan de transformatie-opgaven en vanaf 2020 is hiervoor een speciaal budget beschikbaar gesteld. Het doel is het zorglandschap jeugdzorg te transformeren en ervoor te zorgen dat ook in de toekomst passende hulp aan jeugdigen geboden kan worden. De transformatie-opgaven liepen oorspronkelijk over acht sporen: 1) intersectorale samenwerking, 2) aanmeldroute verblijf, 3) uitbreiding gezinshuizen, 4) uitbreiding pleegouders, 5) uitstroom 16- tot 27-jarigen, 6) inzet specifieke expertise, 7) zorglandschap herijken en 8) gezamenlijk leren.

Hoofdstuk 6

Opname van transformatie-opgaven in beleidsprogramma

Onderwerpen uit de Transformatie-agenda Het resultaat van het rangschikken van transformatie-opgaven is dat – in samenwerking met aanbieders – nieuwe instrumenten, producten en structuren zijn gebouwd. Deze veranderen ons zorglandschap diepgaand. In 2023 kwam naar voren dat de acht sporen van het project elkaar deels overlappen. Hierom is een herstructurering toegepast naar vijf onderwerpen, waarvan we er drie kunnen inpassen in dit beleidsprogramma. Het betreft de volgende onderwerpen: A) Innovatie: waaronder IFACT, GGZ- trauma/hechting pleegkinderen, het verlengd nazorgtraject MST, doorontwikkeling RET, deeltijdverblijf LVB (licht verstandelijk beperkt) en J&O (Jeugd- en opvoedhulp), MST10-, KINGS en E-Health. B) Visie verblijf: gericht op uniformeren aanmeldroute verblijf, implementeren brede vraaganalyse/verklarende analyse en visie vaststellen kleinschalig verblijf. C) Doelgroep 16-27: waaronder netwerkversterkend werken, JIM, woonopgave, de doorbraakteams en de uitstroomprofielen.

22

Hoofdstuk 6 Transformatie-opgaven in het beleidsplan

Koppeling aan strategische doelen ‘Innovatie’ is in het beleidsprogramma ondergebracht onder strategisch doel 3, dat gaat over hulp die we integraal, dichtbij en gezinsgericht willen organiseren. ‘Visie verblijf’ valt ook onder strategisch doel 3 en daarnaast onder doel 5, waarbij we ernaar streven specialistische jeugdzorg thuis- en gezinsgericht te organiseren. De inhoud van het onderwerp ‘Doelgroep 16-27’ past ook bij meerdere strategische doelstellingen, namelijk doel 1 en 5. Doel 1 richt zich op verbetering van kwaliteit en effectiviteit van specialistische jeugdzorg. De overige twee onderwerpen uit de Transformatie-agenda worden door de regionale inkooporganisatie zorg (RIOZ) meegenomen in hun reguliere werkzaamheden. Dit betreft met name het verbeteren van de kwaliteit en beschikbaarheid van een aantal zorgproducten.

'Wees veel duidelijker over zaken als regie. Voorkom dat daar tijd en energie naar toe moet.’

23

We geven dit beleidsprogramma vorm met behulp van de DIN-methodiek. In dit hoofdstuk zetten we deze methodiek kort uiteen en leggen we uit waarom hiervoor is gekozen. Met behulp van deze methodiek hebben we, vanuit een centrale visie, strategische en operationele doelen vastgesteld. Het werken met de DIN-methode leidt tot programmatisch werken. Van visie naar meetbare acties In de recente evaluatie van onze Centrumregeling was programmatisch werken één van de belangrijke aanbevelingen. Bij programmatisch werken hoort een strakke monitoring van voortgang en resultaten, en op basis daarvan zo nodig periodiek bijstellen van de operationele doelen. We richten ons daarom op het zoveel mogelijk toepassen en nog verder ophalen van data in ons werk. Mede met hulp van die data koppelen we in het uitvoeringsprogramma kritische prestatieindicatoren aan de doelen. Daarmee komen we van visie en strategie tot concrete en meetbare acties. Hoe verwachten we dat verandering tot stand komt? DIN staat voor Doelen-Inspanningen-Netwerk. DIN is een veelgebruikt instrument bij programma’s die gericht zijn op het realiseren van maatschappelijk effect en waarbij geen pasklare oplossing of gebruiksaanwijzing bestaat voor de maatschappelijke opgave. Het DIN geeft inzicht in hoe verwacht wordt dat de verandering tot stand komt en welke inspanning aan welk doel bijdraagt.

De samenhang tussen doelen en inspanningen in een DIN ziet het zó uit:

Hoofdstuk 7 Methodiek DIN

DIN: Doelen Inspanningen Netwerk  

VISIE

Afbeelding 7

Visie

Afbeelding 7. DIN-structuur Een DIN start vanuit een hoofddoel van het programma, de visie. Concreter gezegd: de gewenste situatie in de toekomst. Vervolgens

Strategische Doelen

worden hieraan subdoelen gekoppeld: de strategische doelen. Strategische doelen faciliteren het bereiken van het hoofddoel. In een DIN worden ze geformuleerd als ‘ER-termen’: doelen waarin woorden zijn

Operationele Doelen

opgenomen als ‘beter’ en ‘minder’. Daarna maken we de doelen waar mogelijk en nodig SMART(er): Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden. Dit zijn de operationele doelen. Tot slot worden aan deze doelen inspanningen gekoppeld. Inspanningen zijn werkzaamheden

Inspanningen Projecten Processen

of activiteiten die vanuit het programma worden uitgevoerd.

24

Onze visie is : 'Iedere jeugdige krijgt de kans om gezond en veilig op te groeien en zich te ontwikkelen naar zelfstandigheid'.

Hoofdstuk 7 Methodiek DIN

Uitvoeringsprogramma voor inspanningen Onze visie – die we hebben meegenomen uit het vorige beleidsplan – is: ’Iedere jeugdige krijgt de kans om gezond en veilig op te groeien en zich te ontwikkelen naar zelfstandigheid’. Aan deze visie hebben we zes strategische doelen gekoppeld, die we specifieker hebben gemaakt met operationele doelen. De inspanningen die nodig zijn voor het bereiken van de operationele doelen nemen we op in een apart uitvoeringsprogramma. Uiteraard: voor zover we ze kunnen voorzien. Om het effect van de inspanningen te kunnen meten, verbinden we in het uitvoeringsprogramma kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) aan de operationele doelen. Op basis van tussentijdse evaluaties of gewijzigde omstandigheden kunnen operationele doelen tijdens de looptijd van het programma aangepast worden. Ook kunnen in diezelfde periode inspanningen worden toegevoegd. De zes strategische doelen blijven onveranderd; daarmee stemmen de gemeenteraden expliciet in voor de komende vier jaar.

Monitoren via kwalitatieve en kwantitatieve data Essentieel in het werken met een DIN is het uitvoeren van een onderzoek (monitor) naar de effecten van de inspanningen. Monitoring geeft – via kwalitatief goede, volledige en actuele data – inzicht in de voortgang van een opgave. De data bieden input voor tussentijdse sturing en voor het aangaan van gesprekken over de oorzaken van bevindingen. Het is van belang dat we het monitoringsproces meteen inrichten bij de start van het Uitvoeringsprogramma en dat we daartoe de benodigde tools en dashboards ontwikkelen. Tijdens de looptijd worden de juiste gegevens verzameld, die direct informatie leveren over de mate waarin een KPI is gerealiseerd. De data kunnen verschillend van aard zijn, afhankelijk van de opgave. Het kunnen kwantitatieve data zijn, zoals cijfermatige registratiegegevens of uitkomsten van vragenlijsten. Of kwalitatieve gegevens, zoals klantreizen. Belangrijk is dat de methode van dataverzameling aansluit bij de doelen die het programma voor ogen heeft en dat de methode aansluit bij de doelgroep.

25

Hoofdstuk 8

Strategische en operationele doelen van dit beleidsprogramma

Met inzet van de DIN-methode zijn voor dit programma 6 strategische en 18 operationele doelen vastgesteld. In dit laatste hoofdstuk geven we een overzicht van deze doelen. De doelen staan in willekeurige volgorde beschreven, er is géén sprake van prioritering. Dit geldt zowel voor de strategische als voor de operationele doelen.

Strategisch doel 1

Verbeteren kwaliteit en effectiviteit

In de regio verbetert de kwaliteit en effectiviteit van de specialistische jeugdzorg Operationele doelen A. O  p tactisch, strategisch en uitvoerend niveau wordt gewerkt volgens de leidende principes van kwaliteit. Kwaliteitsdenken en leren behoeft verdere ontwikkeling binnen de regio. De focus lag vooral op controle en beheersbaarheid. We willen kwalitatieve informatie verzamelen om zo te kunnen leren en ontwikkelen. We willen graag weten wat ‘werkt’ en wat niet. Op dit moment monitoren we binnen de regio doelrealisatie, tevredenheid van cliënten en uitval (jeugdigen die het zorgtraject niet afmaken). Dit willen we uitbreiden met informatie uit de leefwereldtoets en andere kwalitatieve informatie. We leveren ook informatie aan voor landelijke dataverzameling. Met elkaar bouwen we een lerende structuur. B. We willen meer gebruik maken van ervaringsdeskundigen. Ervaringsdeskundigen kunnen meerwaarde hebben voor zowel voor gemeenten als voor ouders en kinderen in de zorg. Informatie over good practises kan door gemeenten worden meegenomen in de contractbesprekingen met jeugdzorgaanbieders. Ook andere professionals kunnen leren van ervaringen van ouders en kinderen. Bij ouders en jeugdigen kan dit de ontvankelijkheid voor de inzet van een bepaalde zorgvorm vergroten.

We willen in de regio onderzoeken hoe we ervaringsdeskundigen breed kunnen inzetten in de beoogde lerende structuur. C. De regio betrekt ouders en jeugdigen actiever bij de beleidsvorming en bij de inrichting van regionale werkafspraken, zodat deze beter aansluiten op hun leefwereld. Ouders en jeugdigen kunnen via inspraak aangeven wat voor hén belangrijk is. Dat is nodig, omdat we hun perspectief nu vaak nog te weinig laten meewegen. In de voorgaande beleidsperiode hebben we een start gemaakt met jongerenparticipatie. Daarnaast zijn er afspraken met aanbieders over participatie van cliënten. We willen hiermee doorgaan en eenduidige afspraken maken tussen gemeenten en met aanbieders, om cliëntenparticipatie te bevorderen.

26

Hoofdstuk 8

Strategische en operationele doelen van dit beleidsprogramma

Met inzet van de DIN-methode zijn voor dit programma 6 strategische en 18 operationele doelen vastgesteld. In dit laatste hoofdstuk geven we een overzicht van deze doelen. De doelen staan in willekeurige volgorde beschreven, er is géén sprake van prioritering. Dit geldt zowel voor de strategische als voor de operationele doelen.

Strategisch doel 2

Beschikbaarheid specialistische jeugdzorg

Voor kwetsbare jeugdigen en gezinnen is passende specialistische jeugdzorg altijd direct beschikbaar Operationele doelen A. I n 2026 is voor jeugdigen, ouders en professionals duidelijk wat onder specialistische jeugdzorg wordt verstaan en welke vormen van jeugdzorg iedere gemeente minimaal vrij toegankelijk of collectief beschikbaar heeft. Steeds meer jeugdigen maken gebruik van specialistische jeugdzorg. Daardoor ontstaan wachtlijsten en stijgen de kosten. Wanneer ouders en jeugdigen méér dan nu gebeurt in een vroeg stadium gebruikmaken van vrij toegankelijk en collectief aanbod in de gemeente, kan dit de druk op de specialistische jeugdzorg verlagen. Op landelijk niveau wordt via wetgeving de reikwijdte van de jeugdwet ingeperkt (zie Landelijke Hervormingsagenda). Dit maakt duidelijk welke vormen van jeugdzorg hieronder vallen. De publieke infrastructuur van gemeenten moet hierop gaan aansluiten. Gemeenten richten samen met voorschoolse voorzieningen, onderwijs, jeugdzorg-aanbieders en sociale organisaties het vrij toegankelijke en collectieve aanbod voor jeugdigen en ouders in. Bij die inrichting moeten organisatieén financieringsvraagstukken aan de orde komen. Om hiermee daadwerkelijk de druk op de specialistische jeugdzorg te verminderen, is het van belang dat dit lokale aanbod effectief is.

De gemeenten in de regio willen samen afspraken maken over de inhoud en de kwaliteit van het lokale aanbod. b. Eind 2027 heeft de regio de landelijk gemaakte keuzes ten aanzien van uniforme inkoop en nieuwe wet- en regelgeving succesvol geïmplementeerd. In de Landelijke Hervormingsagenda is als doelstelling het uniformeren van de regionale inkoop van specialistische jeugdzorg opgenomen. Mogelijk worden aanvullende eisen gesteld aan de regionale samenwerking. De uniformering moet leiden tot minder administratieve lasten, meer eenduidigheid in de manier van werken en betere vergelijkbaarheid van hulpvormen. Deze ontwikkeling heeft invloed op de regionale opgave. Bovendien gaat het zorglandschap er door de inperking van de reikwijdte van de Jeugdwet anders uitzien. Ook dat heeft invloed op de invulling van de inkoopopdracht. We willen als regio de implementatie van de uniformering en de nieuwe wetgeving efficiënt organiseren. Dit willen we in nauwe samenwerking met de zorgaanbieders doen. 27

Hoofdstuk 8

Strategische en operationele doelen van dit beleidsprogramma

Met inzet van de DIN-methode zijn voor dit programma 6 strategische en 18 operationele doelen vastgesteld. In dit laatste hoofdstuk geven we een overzicht van deze doelen. De doelen staan in willekeurige volgorde beschreven, er is géén sprake van prioritering. Dit geldt zowel voor de strategische als voor de operationele doelen.

Strategisch doel 2

Beschikbaarheid specialistische jeugdzorg

Voor kwetsbare jeugdigen en gezinnen is passende specialistische jeugdzorg altijd direct beschikbaar Operationele doelen c. De regio onderzoekt welke vrij toegankelijke en collectieve hulpvormen gezamenlijk georganiseerd en gefinancierd kunnen worden. Door de inperking van de reikwijdte van de Jeugdwet zullen gemeenten een deel van de hulp die niet meer onder de Jeugdwet valt collectief en vrij toegankelijk gaan organiseren. Gemeenten willen onderzoeken welk gedeelte van dit aanbod zij gezamenlijk kunnen oppakken. Dit in het kader van het beperken van administratieve lasten voor aanbieders, en rekening houdend met krapte binnen de arbeidsmarkt. Voor de jeugdigen en gezinnen in de regio willen we zoveel mogelijk eenduidigheid in aanbod en werkwijzen realiseren. Het Rijk stimuleert deze regionale samenwerking. Hierbij zullen de gemeenten het onderwijs betrekken en onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor gezamenlijke ontwikkeling, inzet en financiering van zorgarrangementen.

28

Hoofdstuk 8

Strategische en operationele doelen van dit beleidsprogramma

Met inzet van de DIN-methode zijn voor dit programma 6 strategische en 18 operationele doelen vastgesteld. In dit laatste hoofdstuk geven we een overzicht van deze doelen. De doelen staan in willekeurige volgorde beschreven, er is géén sprake van prioritering. Dit geldt zowel voor de strategische als voor de operationele doelen. Strategisch doel 3

Dichtbij, integraal en gezinsgericht

Bij (gezins-)problematiek is hulp aan jeugdigen en gezin dichtbij, integraal en gezinsgericht Operationele doelen A. E ind 2026 is voor jeugdigen in de regio die geconfronteerd worden met leefdomein-overstijgende problematiek altijd passende hulp beschikbaar. Het jeugddomein is onlosmakelijk verbonden met het gemeentelijke sociaal domein en het zorgstelsel in brede zin. Dit betekent dat we ernaartoe willen dat problemen in de context van het gezin worden opgepakt. Jeugdzorg aan een kind is immers niet altijd passend, bijvoorbeeld omdat problemen worden veroorzaakt door stress of schulden van ouders. Hoewel we hier in regionaal verband aandacht aan besteden, komt intersectorale zorg maar moeilijk van de grond. We denken nog te veel in financieringsstromen en wat er vanuit dat kader (on)mogelijk is, in plaats van aan wat een jeugdige en gezin nodig heeft. Dit is een landelijk probleem en vraagt om een bredere blik en het steviger verbinden van jeugdzorg aan aanpalende domeinen als onderwijs, jeugdgezondheidszorg, volwassenen-GGZ en bestaanszekerheid. Op regionaal niveau veronderstelt dit het maken van afspraken over de grenzen van domeinen heen, en over rollen en verantwoordelijkheden die professionals en andere betrokkenen in staat stellen beter samen te werken.

Een periode van twee jaar wordt als realistisch tijdspad aangehouden om deze ‘bredere blik’ en ‘stevigere verbinding met aanpalende domeinen’ voor alle jeugdigen met domein-overstijgende problematiek in de regio te organiseren. b. In geval van specialistische jeugdzorg wordt deze, zoveel mogelijk, in de directe leefomgeving van de jeugdige georganiseerd. Het zo dichtbij als mogelijk organiseren van jeugdzorg draagt bij aan voorkómen van problematiek. Ook kan het eigen netwerk (waar mogelijk) betrokken blijven en worden versterkt, wat bijdraagt aan een duurzame afbouw van hulp. Voor een groot aantal jeugdigen en gezinnen zijn (hoog)specialistische jeugdzorgvormen echter onvoldoende of niet tijdig beschikbaar. Laat staan beschikbaar in de eigen regio, dorp of stad. Verschillende initiatieven tonen aan dat het organiseren van (specialistische) jeugdzorg in de directe leefomgeving vraagt om een herijking van waar hulp het beste kan plaatsvinden. Om dit te bereiken zijn maatregelen nodig op het gebied van regionale samenwerking en regionaal contracteren. Verder blijft gebruik van het cliëntperspectief van belang bij het realiseren van passende hulp. Dit is een doorlopend punt van aandacht. Uitzonderingen op het zo dichtbij mogelijk organiseren van hulp moeten gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld in het kader van veiligheid. 29

Hoofdstuk 8

Strategische en operationele doelen van dit beleidsprogramma

Met inzet van de DIN-methode zijn voor dit programma 6 strategische en 18 operationele doelen vastgesteld. In dit laatste hoofdstuk geven we een overzicht van deze doelen. De doelen staan in willekeurige volgorde beschreven, er is géén sprake van prioritering. Dit geldt zowel voor de strategische als voor de operationele doelen. Strategisch doel 3

Dichtbij, integraal en gezinsgericht

Bij (gezins-)problematiek is hulp aan jeugdigen en gezin dichtbij, integraal en gezinsgericht Operationele doelen c. Het is duidelijk in welke gevallen de regie bij uitzondering niet bij het gezin ligt. Het is soms nodig dat iemand van buiten het gezin samen met hen kijkt naar wat nodig is, en verbindingen legt met het bestaande informele en formele netwerk rondom de jeugdigen. Voor de voortgang van de hulpverlening is het cruciaal dat betrokkenen weten wie dit op welk moment is. Echter, het bepalen van een regievoerder blijkt in de praktijk ingewikkeld. Door verschillen in verwachting over wat een regievoerder doet en de verschillende opinies over de overdraagbaarheid van deze rol, zijn betrokkenen terughoudend in het voeren van regie. Discussie hierover wordt met name gevoerd door zorgaanbieders en verwijzers. Het landelijke standpunt hierover is dat de regie over de eigen behandeling zoveel mogelijk bij de jeugdige en het gezin blijft of daar terugkomt. Dit veronderstelt dat regie voeren overdraagbaar is en per situatie kan verschillen. Om de samenwerking tussen verwijzers en zorgaanbieders op dit punt te bevorderen, is het maken van afspraken hieromtrent noodzakelijk. Welke afspraken we precies hebben te maken, vraagt om nader onderzoek. Voor regie bij situaties waarbij veiligheid in het geding is, vindt de uitwerking door de werkgroep ViA en RBT plaats. d.

Er is nauwe en gestructureerde samenwerking tussen de jeugdige en het gezin, onderwijs, gemeentelijke toegang en gespecialiseerde jeugdzorg. Primair verantwoordelijk voor het beter organiseren en beschikbaar stellen van jeugdzorg zijn de (netwerken van) zorgaanbieders, (samenwerkende) gemeenten en het Rijk vanuit haar stelselverantwoordelijkheid. Jeugdigen, ouders en partners in het onderwijs vormen een belangrijke toetssteen voor de kwaliteit. Om alle betrokken partijen in staat te stellen een bijdrage te leveren aan een effectief zorglandschap is onderlinge samenwerking (jeugd, ouders, zorgaanbieder en onderwijs) essentieel. Dit gebeurt niet op één plaats of moment. Dit vraagt om voortdurende inzet van allerlei betrokkenen en een duidelijke verantwoordelijkheid van partijen. Het veld waarin we ons bewegen is echter complex georganiseerd. Er zijn veel samenwerkingen en initiatieven ontstaan, wat het ingewikkeld maakt en waardoor we elkaar soms ook niet begrijpen. Zo spreken we binnen jeugdzorg en onderwijs

30

Hoofdstuk 8

Strategische en operationele doelen van dit beleidsprogramma

Met inzet van de DIN-methode zijn voor dit programma 6 strategische en 18 operationele doelen vastgesteld. In dit laatste hoofdstuk geven we een overzicht van deze doelen. De doelen staan in willekeurige volgorde beschreven, er is géén sprake van prioritering. Dit geldt zowel voor de strategische als voor de operationele doelen. Strategisch doel 3

Dichtbij, integraal en gezinsgericht

Bij (gezins-)problematiek is hulp aan jeugdigen en gezin dichtbij, integraal en gezinsgericht Operationele doelen nog niet altijd dezelfde taal. Het overbruggen van verschillen is lastig gebleken. Daar waar we elkaar juist hadden moeten vinden, zijn we door de verschillen steeds meer vast gaan houden aan eigen inzicht, met langs elkaar heen werken tot gevolg. Door de inperking van de reikwijdte van de Jeugdwet vanaf 2024 en het verplichtstellen van regionale samenwerking helpt het Rijk ons om hier iets aan te doen. Samenwerking moet echter ook gefaciliteerd worden in werkprocessen en contractuele afspraken. Daarnaast vragen aspecten in de uitvoering om uniforme taal en een centraal gecoördineerde aanpak. Welke afspraken we daar precies over kunnen maken, vraagt om nader onderzoek. e. De regio stimuleert het gebruik van de gedeelde vraagverheldering of verklarende analyse met het gezin en zijn netwerk ten behoeve van de prioritering van hulp. De beroepsverenigingen en aanbieders van zorg zijn in 2023 in afstemming met Rijk, gemeenten en Associatie Wijkteams gestart met de ontwikkeling van een kwaliteitskader voor het doen van een brede analyse (triage/verklarende analyse).

Voor kinderen met meervoudige en/of complexe problematiek die minder vaak voorkomt en in situaties waarin veiligheidsproblemen spelen, moet de verklarende analyse alle facetten van de hulpvraag in kaart brengen. Dit gaat leiden tot snellere inzet van passende hulp. Hoewel de exacte toepassing van de verklarende analyse nog niet is uitgewerkt, wordt de bedoeling erachter door zowel verwijzers als zorgaanbieders omarmt. Bovendien ondersteunt het Rijk het afwegingsproces met wet- en regelgeving. Naar verwachting vergemakkelijkt dit de toepassing van een dergelijk kader. De toepassing van de vraagverheldering of verklarende analyse is een opdracht voor verwijzers en aanbieders. Wij zien als regio een taak om dit te stimuleren en te faciliteren. Welke afspraken precies gemaakt kunnen worden, vraagt om nader onderzoek.

31

Hoofdstuk 8

Strategische en operationele doelen van dit beleidsprogramma

Met inzet van de DIN-methode zijn voor dit programma 6 strategische en 18 operationele doelen vastgesteld. In dit laatste hoofdstuk geven we een overzicht van deze doelen. De doelen staan in willekeurige volgorde beschreven, er is géén sprake van prioritering. Dit geldt zowel voor de strategische als voor de operationele doelen. Strategisch doel 3

Dichtbij, integraal en gezinsgericht

Bij (gezins-)problematiek is hulp aan jeugdigen en gezin dichtbij, integraal en gezinsgericht Operationele doelen f. Het gezinsplan wordt als uitgangspunt gebruikt voor inzet van hulpverlening op verschillende leefdomeinen. In het kader van effectieve hulp aan een jeugdige is het van belang dat er met een brede blik wordt gekeken naar het gezin en de context. Dit vraagt om de uitvoering van een brede analyse samen met jeugdigen en ouders. Het gezinsplan is daarmee een uitgangspunt voor de (verdere) inzet van zorg. In de praktijk verloopt dit echter anders. Eenmaal in zorg blijkt het gezinsplan en daarmee het gezinsgericht handelen al snel plaats te maken voor een aanpak gericht op het individu en meestal alleen de jeugdige. Naast de vraag of dit passend is, worden analyses en uitvragen herhaald en/of (deels) opnieuw uitgevoerd. Dit leidt mede tot bureaucratie in het zorgsysteem. Door efficiënter om te gaan met de bestaande informatie zoals het gezinsplan, kan dit worden voorkomen. Het verplicht stellen van het gebruik van het gezinsplan is echter niet genoeg. Het overnemen van elkaars informatie vraagt om vertrouwen in elkaars professionaliteit en om een cultuuromslag, waarbij betrokkenen ouders en het netwerk durven aan te spreken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13956247/1