CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ontwikkelkader Bloemenkampkwartier inclusief bijlagen

Gemeenteraad 1 april 2025, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Ontwikkelkader Bloemenkampkwartier26.761 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Realisatiefase De uitvoering van dit plan vindt gefaseerd plaats, verspreid over een periode van circa 10 jaar. Ten gevolge van de sloop- en/of bouwactiviteiten kan er mogelijk tijdelijk een zeer kleine stikstofdepositie plaatsvinden op het Natura 2000-gebied. Als dit het geval is dient er een ecologische voortoets te worden uitgevoerd waarmee wordt aangetoond dat er geen sprake is van een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dat Natura 2000-gebied. Tevens zijn er voor de sloop- en bouwactiviteiten maatregelen te treffen die negatieve effecten voorkomen dan wel beperken.

72

Voor projecten/aanvragen omgevingsvergunning waarbij gebruik gemaakt wordt van intern salderen, geldt voortaan een natuurvergunningsplicht, waarbij ook een passende beoordeling moet worden gemaakt. Het Ontwikkelkader betreft echter planvorming (en is nog geen project), waardoor nu nog geen vergunningplicht geldt. In de volgende fase kan bij de aanvraag omgevingsvergunning van projecten sprake zijn van een natuurvergunningsplicht. Conclusie Stikstof is een aandachtspunt bij de verdere ontwikkeling van het plan. Er is echter op basis van dit ontwikkelkader, in relatie met de vigerende wet- en regelgeving, geen indicatie dat de voorgestelde ontwikkelingen op voorhand niet uitvoerbaar zouden zijn. Milieueffectrapportage Het ontwikkelkader is kaderstellend voor latere besluiten en dus plan-MER-beoordelingsplichtig. Er is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Bij het Bloemenkampkwartier gaat het om een klein gebied op lokaal niveau. Het plangebied beslaat namelijk circa 0,025% van het totale grondgebied van de gemeente. Dit betekent dat in een plan-MER-beoordeling moet worden beoordeeld of sprake is van dergelijke aanzienlijke milieueffecten. Deze plan MER-beoordeling is als aparte bijlage bij het ontwikkelkader gevoegd. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkelingen niet leiden tot aanzienlijke milieugevolgen.

Er treden geen wezenlijke negatieve effecten op, of effecten kunnen afdoende worden voorkomen of beperkt door maatregelen. Het doorlopen van een plan MER-procedure is voor dit Ontwikkelkader dan ook niet noodzakelijk.

ONTWIKKELKADER BLOEMENKAMPKWARTIER

73

Bijlagen 1. 2. 3. 4.

Plan MER-beoordeling Bloemenkampkwartier Boominventarisatie Memo Parkeren Bloemenkampkwartier Memo Aanpak bezonningstudie Bloemenkampkwartier

ONTWIKKELKADER BLOEMENKAMPKWARTIER

74

Bijlage 1 Plan m.e.r. beoordeling Bloemenkampkwartier FEBRUARI 2025

Inhoudsopgave 1.

Inleiding 3 1.1 Aanleiding 3 1.2 Toetsingscriteria voor activiteiten in een plan-mer-beoordeling 4

2.

Kenmerken van het Bloemenkampkwartier 2.1 Ligging Bloemenkampkwartier en bestaand grondgebruik 2.2 Aard en omvang van de ontwikkeling 2.3 Gevoelige gebieden 2.4 Overige kenmerken 2.5 Cumulatie met andere gebieden

6 6 7 8 9 9

Kenmerken van de potentiële milieueffecten 3.1 Waarde en kwetsbaarheid van het gebied 3.1.1 Bodem 3.1.2 Archeologie 3.1.3 Cultuurhistorie 3.1.4 Verkeer en parkeren 3.1.5 Luchtkwaliteit 3.1.6 Geluid 3.1.7 Natuurbescherming 3.1.8 Water 3.1.9 Omgevingsveiligheid 3.1.10 Trillingen 3.1.11 Geur 3.1.12 Windhinder en schaduwwerking 3.1.13 Licht

12 12 12 13 13 14 14 17 19 21 22 23 23 23 24

3.

PLAN M.E.R. BEOORDELING BLOEMENKAMPKWARTIER

4.

3.2 Risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu 3.3 Bereik en aard van de effecten 3.4 Waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid 3.5 Cumulatieve aard van de effecten

24 24 24 24

Conclusie

25

2

1. Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente heeft een ontwikkelkader opgesteld voor de herontwikkeling van het Bloemenkampkwartier, welke kaderstellend is voor de verdere uitwerking van het plangebied. Voor het vaststellen van een kaderstellend plan is een plan m.e.r.-beoordeling noodzakelijk, waarin het bevoegd gezag moet beoordelen of er sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. De woonbuurt Bloemenkampkwartier is gelegen in de Brede Binnenstad, nabij de Markt. Het grenst aan het winkelcentrum Arena, de Kanaalboulevard langs de Zuid Willemsvaart en de Tolbrugstraat. Het gebied kenmerkt zich door verouderde bebouwing die niet meer voldoet aan de eisen van deze tijd. Daarnaast zijn er problemen met de openbare ruimte: bewoners en bezoekers voelen zich sociaal onveilig en het gebied wordt overheerst door auto’s en steen. Er is weinig groen. In het gebied liggen kansen om het woon- en leefklimaat van het gebied sterk te verbeteren, om veel betaalbare woningen toe te voegen en om het gebied beter te verbinden met het naastgelegen Gasthuiskwartier en de rest van de Brede Binnenstad. De woningbouwopgave en gewenste verdichting zijn onlosmakelijk verbonden met de opgave om een aantrekkelijk, veilig, groen en klimaatbestendig stukje binnenstad te maken.

Ook wordt de stedelijke opgave opgepakt op het gebied van mobiliteit, positieve gezondheid, energie en duurzaamheid. Door opgaven te combineren, is er een win-win situatie mogelijk voor de bestaande bewoners, nieuwe bewoners en de stad. Deze ambities wil de gemeente waarmaken door een samenwerking tussen de gemeente en woningcorporaties BrabantWonen en Mooiland.

PLAN M.E.R. BEOORDELING BLOEMENKAMPKWARTIER

Figuur 1: Plangebied Bloemenkampkwartier

De ontwikkeling betreft de bouw van totaal circa 465 nieuwe woningen, vooral betaalbare woningen. Daarnaast wordt er een kantoor gebouwd, wat kleinschalige plintfuncties waaronder een ontmoetingsruimte en mogelijk een kleinschalige horeca. De aanleg van een compleet nieuwe openbare ruimte is onderdeel van de ontwikkeling. Om de herontwikkeling mogelijk te maken, wordt verouderde bebouwing gesloopt: de voormalige Zusterflat en naastgelegen bedrijfspand (voorheen revalidatiecentrum), het voormalige Stadsarchief en totaal 159 woningen. De in -en uitgang van de parkeergarage wordt verlegd naar de Zuid-Willemsvaart. De ontwikkeling wordt gefaseerd uitgevoerd, over een periode van circa 10 jaar.

3

Plan-mer-beoordeling Het Ontwikkelplan Bloemenkampkwartier omvat een lokaal, klein1 plan dat kaders stelt aan mogelijk mer-plichtige of mer-beoordelingsplichtige activiteiten (zoals woningbouw) en/of kan leiden tot significant negatieve milieueffecten op omliggende Natura2000- gebieden. In een plan-mer-beoordelingsprocedure moet het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente 's-Hertogenbosch, afwegen of de voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot aanzienlijke (negatieve) milieueffecten op de omgeving, die zouden noodzaken tot het doorlopen van een (uitgebreide) plan-mer-procedure. Deze afweging om wel of geen plan-mer-procedure te doorlopen moet expliciet afgewogen en besloten worden door het bevoegd gezag: het plan-mer-beoordelingsbesluit. Het uitgangspunt (“geest van de wet”) hierbij is dat er in beginsel geen plan-mer-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij het bevoegd gezag bepaalt dat er sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten. Deze plan-mer-beoordeling biedt een beoordeling van de milieuthema’s op hoofdlijnen, passend bij het abstractieniveau van het ontwikkelplan. In een latere fase van de planvorming, bijvoorbeeld bij wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan of BOPA’s, wordt, indien nodig, een project-mer-beoordeling uitgevoerd.

1.2 Toetsingscriteria voor activiteiten in een plan-mer-beoordeling Bij het beoordelen of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden de toetsingscriteria gehanteerd die zijn gebaseerd op Europese regelgeving. In bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.1 staan drie criteria met uitgangspunten per criterium benoemd: kenmerken van de projecten/activiteiten, plaats van de projecten/activiteiten en kenmerken van het potentiële effect.

Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • de omvang van het project; • de cumulatie met andere projecten; • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; • de productie van afvalstoffen; • verontreiniging en hinder; • risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. Plaats van de projecten Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bestaande grondgebruik; • de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; • het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: – wetlands – kustgebieden – berg- en bosgebieden – reservaten en natuurparken – gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/ EEG (= Habitatrichtlijn) – gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen over milieukwaliteit reeds worden overschreden – gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid – landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

1 De eisen aan een plan-mer-beoordeling (bijlage II van de Europese SMB-richtlijn) en een project-mer-beoordeling (bijlage III Europese mer-richtlijn) zijn tekstueel enigszins anders, maar inhoudelijk vergelijkbaar. In rechtspraak is dit bevestigd. PLAN M.E.R. BEOORDELING BLOEMENKAMPKWARTIER

4

Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); • het grensoverschrijdende karakter van het effect; • de waarschijnlijkheid van het effect; • de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn de kenmerken beschreven van het plangebied, de ligging en de ontwikkelopgave, in hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de effecten van het project. In hoofdstuk 4 wordt de conclusie getrokken.

PLAN M.E.R. BEOORDELING BLOEMENKAMPKWARTIER

5

2. Kenmerken van het Bloemenkampkwartier 2.1 Ligging Bloemenkampkwartier en bestaand grondgebruik Het Bloemenkampkwartier is gelegen in het noordelijk deel van de Bossche binnenstad en wordt begrensd door de Tolbrugstraat, Arena, Pastoor de Kroonstraat, Jan Heinsstraat en Zuid-Willemsvaart. Het plangebied is circa 3,2 hectare en heeft vooral een woonfunctie. Er staan in totaal zo’n 480 woningen, hoofdzakelijk sociale huur. In het souterrain van het woonblok aan de Mathildastraat is een ontmoetingsruimte voor de bewoners, met daarachter een gemeenschappelijke binnentuin. Midden in het plangebied staat het Stadsarchief. Na de verbouwing van het Groot Tuighuis in 2023 zijn de publieksfuncties en het kantoor verhuisd naar de Bethaniestraat, alleen de archiefstukken zijn nog aanwezig. Hiervoor is een locatie buiten het Bloemenkampkwartier gevonden. De voormalige Zusterflat en revalidatiecentrum Tolbrug (onderdeel van de locatie Zusterflat) is jaren tijdelijk in gebruik geweest, maar staat nu leeg in afwachting van de sloop. Het plangebied grenst direct aan het winkelcentrum Arena met een supermarkt, detailhandel en wat horeca. Onder de Arena ligt een openbare parkeergarage. Figuur 2: Ligging projectgebied aan de rand van de binnenstad

PLAN M.E.R. BEOORDELING BLOEMENKAMPKWARTIER

6

mobiliteit ligt op langzaam verkeer en openbaar vervoer. Dit doel wordt bereikt door stedelijke bebouwing te realiseren, toevoegen van volume/massa. Ook de Pastoor de Kroonstraat en de Tolbrugstraat krijgen een nieuwe inrichting. Er komt een parkje en de in -en uitgang van de openbare parkeervoorziening onder de Arena wordt verlegd van de Tolbrugstraat naar de Zuid-Willemsvaart. Hiervoor wordt een tunnelbak aangelegd die tevens dient als in -en uitgang voor de ondergrondse parkeervoorziening van de nieuwbouwlocatie Zusterflat. Tot slot worden de 178 woningen aan de buitenrand (Mooiland) grondig gerenoveerd.

Figuur 3: Projectgebied Bloemenkampkwartier (huidige situatie)

2.2 Aard en omvang van de ontwikkeling In het Bloemenkampkwartier worden circa 465 nieuwe woningen gerealiseerd: circa 140 woningen op de locatie Zusterflat en circa 325 woningen in het binnen­ gebied. Daarnaast wordt circa 1.000 à 1.200 m² BVO (bruto vloeroppervlak) kantoor ontwikkeld en 350 m² BVO gemengde, kleinschalige plintfuncties, waaronder een nieuwe ontmoetingsruimte voor de bewoners. Onderdeel van de ontwikkeling is de aanleg van nieuwe openbare ruimte. Het doel is een groener, klimaatbestendiger en leefbaardere woonbuurt, waarbij de nadruk van de

PLAN M.E.R. BEOORDELING BLOEMENKAMPKWARTIER

Figuur 4: Ligging Zusterflat, binnengebied en renovatie woningen

7

Natuurgebieden Het Bloemenkampkwartier ligt op circa 780 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, waar stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn (zie figuur 14). Het betreft Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. In dit Natura 2000-gebied is sprake van een overbelaste situatie doordat op verschillende habitats de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde (KDW) van dat habitat. Het projectgebied maakt zelf geen onderdeel uit van het NNN (Natuurnetwerk Nederland). Het dichtst bijgelegen natuurnetwerk is het gebied aan de Zuid-Willemsvaart en dat grenst aan het plangebied.

Figuur 5: Schetsplan nieuw Bloemenkampkwartier

2.3 Gevoelige gebieden Om te onderzoeken of belangrijke nadelige effecten op het milieu kunnen optreden, is ook van belang te weten in hoeverre de beoogde ontwikkeling Bloemenkampkwartier rekening houdt met de bescherming van gevoelige gebieden. Dit betreft zaken als natuurgebieden en cultuurhistorische en archeo­logische waarden.

Figuur 6: Ligging van Bloemenkampkwartier t.o.v. natuurnetwerk Nederland

PLAN M.E.R. BEOORDELING BLOEMENKAMPKWARTIER

8

Cultuurhistorie en archeologie Het gehele plangebied is cultuurhistorisch en archeologisch waardevol. Een uitgebreide toelichting op de historie is te vinden in het Ontwikkelkader Bloemenkampkwartier onder analyse in hoofdstuk 2. Weliswaar is er geen sprake van een archeologisch waardevol rijksmonument of cultuurhistorische beschermd stadsgezicht, in de ondergrond kunnen nog te beschermen waardevolle funderingen aanwezig zijn.

• de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma’s beïnvloedt; • de relevantie van het plan voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling (zie hoofdstuk 3); • de productie van afvalstoffen; • risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.

2.5 Cumulatie met andere gebieden Groen en water In het noordelijke deel van de Pastoor de Kroonstraat, langs het water van de Binnendieze staan prachtige volwassen bomen. Deze plek kan uitgroeien tot een belangrijk knooppunt in het groenblauwe netwerk van de binnenstad. Op deze plek wordt een parkje aangelegd, een fijne verblijfsplek voor de bewoners en omwonenden van het Bloemenkampkwartier. Het Bloemenkampkwartier wordt verbonden met het groenblauwe netwerk van de Brede Binnenstad. Daarnaast wordt er in het hele plangebied veel groen in alle vormen toegevoegd, van plantvakken, gemeenschappelijke binnentuinen, geveltuinen en daktuinen. Voor een nadere toelichting zie het Ontwikkelkader, in hoofdstuk 3 Visie Bloemenkampkwartier en hoofdstuk 5 Kaders en uitgangspunten, onder ‘Vergroenen met betekenis voor de buurt’.

De locatie Bloemenkwartier maakt onderdeel uit van ontwikkeling van de Brede Binnenstad: de historische binnenstad en de Spoorzone. Er is veel vraag naar woningen, en er zijn dus veel woningbouwontwikkelingen. De Brede Binnenstad van 's-Hertogenbosch speelt een cruciale rol in het faciliteren van de lokale en regionale woningbouwopgave. Deze stedelijke locatie biedt mogelijkheden voor verdichting binnen het bestaande gebied, wat tevens positief bijdraagt aan de bestaande kwaliteiten.

2.4 Overige kenmerken De beoogde ontwikkeling bestaat vrijwel geheel uit woningbouw (+/- 465 appartementen) met een kleinschalig kantoor en plintfuncties, inclusief bijbehorende parkeervoorziening. Daarnaast wordt er nieuwe openbare ruimte aangelegd. De ontwikkeling heeft gezien de aard en omvang geen bijzondere kenmerken ten aanzien van: • de mate waarin het plan een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden alsmede wat betreft de toewijzing/ gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

PLAN M.E.R. BEOORDELING BLOEMENKAMPKWARTIER

Figuur 7: Positionering in de Brede Binnenstad (rood vlak)

9

Cumulatie is het tegelijk optreden van effecten waardoor het totaaleffect groter wordt. In het kader van het Bloemenkampkwartier kan er sprake zijn van twee soorten cumulatie: • binnen het project: cumulatie van effecten van de deelontwikkelingen samen; • met andere projecten in en rond het plangebied (autonome ontwikkelingen).

genoemd” en hoeven strikt genomen niet bij cumulatie betrokken te worden. Ditzelfde geldt voor trendmatige ontwikkelingen als klimaatverandering e.d. Van de autonome ontwikkelingen in figuur 8 zijn de volgende plannen vastgesteld maar nog niet (geheel) gerealiseerd: Paleiskwartier, het Gasthuiskwartier en fase 1 van EKP-Noord. Daarnaast is het bestemmingsplan Diezebrug onherroepelijk. De rest is al gerealiseerd of nog in planvorming.

Cumulatie is met name relevant als het effect van het Bloemenkampkwartier gering is en niet aanzienlijk, maar cumulatie met effecten van andere deelgebieden en/of projecten in de omgeving ervoor zorgt dat het totaaleffect groter en daarmee mogelijk wel aanzienlijk is. Als het effect van het plangebied Bloemenkampkwartier op zichzelf al aanzienlijk is, zijn sowieso maatregelen nodig om het effect te voorkomen dan wel te beperken (mitigatie). Daar verandert cumulatie met andere projecten niets aan. Cumulatie is ook niet relevant als het plangebied Bloemenkampkwartier geen negatieve effecten veroorzaakt, omdat er in dat geval geen basis is om aan­ vullende effecten te beschouwen of te combineren met die van andere projecten in de omgeving. Het gaat bij cumulatie om het toevoegende effect van andere deelgebieden en/of andere projecten op het effect van het Bloemenkampkwartier. Het gaat niet om een toetsing van de effecten van de omliggende projecten. Dat gebeurt in het kader van de plan- en besluitvorming voor die projecten. Om te bepalen of er sprake is of kan zijn van cumulatie met andere projecten is een inventarisatie gedaan van projecten in en rond het plangebied (zie figuur 8). Dit globaal, gericht op de grotere projecten met verwachte effecten en waarvan verwacht kan worden dat er sprake kan zijn van cumulatie.

Mer-technisch/juridisch hoeven bij cumulatie alleen die projecten betrokken te worden waarover een plan is vast­gesteld/ besluit is genomen (bv omgevingsplan of vergunning) maar die nog niet zijn gerealiseerd. Projecten die al zijn gerealiseerd behoren tot de achtergrond / huidige situatie. Projecten waarvoor planvorming is gestart maar waarover nog geen besluit is genomen worden “nog onzekere toekomstige ontwikkelingen

PLAN M.E.R. BEOORDELING BLOEMENKAMPKWARTIER

Figuur 8: Overzicht autonome ontwikkelingen rond Bloemenkampkwartier

Cumulatie van effecten van het Bloemenkampkwartier en/of overige stedelijke ontwikkelingen kan met name optreden op de aspecten verkeer en hinder­ aspecten, zoals geluid en luchtkwaliteit. Voor overige aspecten is het effect lokaal (bijvoorbeeld archeologie, bodem) of de onderlinge afstand te groot voor een gezamenlijk effect (bijvoorbeeld grondwater). In het verkeersmodel wordt er rekening gehouden met autonome ontwikkelingen (voor zover bekend bij het opstellen

10

van het model). Daarmee geeft het verkeersmodel naast de effecten veroorzaakt door het Bloemenkampkwartier te maken met de verkeersintensiteiten van alle ontwikkelingen samen. De toename van geluid van het Bloemenkampkwartier is naar verwachting dermate gering, dat ook in cumulatie met andere ontwikkelingen in de omgeving gering zal zijn. Ook de toename van uitstoot van luchtverontreinigende stoffen afkomstig van de toename aan verkeersbewegingen door het Bloemenkampkwartier is naar verwachting dermate gering, dat ook in cumulatie met andere ontwikkelingen in de omgeving het effect nihil zal zijn. Meer nog dan bij geluid geldt dat de luchtkwaliteit in de binnenstad van ’s-Hertogenbosch vooral bepaald wordt door de (landelijke) achtergrondconcentraties. Daar tegenover staat dat de huidige gasgestookte verwarmingsinstallaties (grotendeels) zullen worden vervangen door emissieloze installaties, wat een aanzienlijk positief effect heeft op de luchtkwaliteit. Conclusie is dat er geen sprake is van wezenlijke cumulatie van effecten van het Bloemenkampkwartier met andere ontwikkelingen in en rond de binnenstad en dat cumulatie daarmee niet leidt tot aanzienlijke negatieve milieueffecten. De ontwikkeling van het Bloemenkampkwartier betreft daarnaast een kleine ontwikkeling qua omvang (<1%) binnen het grondgebied van de gemeente ’s-Hertogenbosch.

De effecten van de planontwikkeling zijn er niet of hebben een beperkte omvang (zie conclusie in hoofdstuk 4) en zullen verwaarloosbaar zijn ten opzichte van de effecten van andere ontwikkeling binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch. Er is dus geen sprake van significante effecten door cumulatie door de toekomstige realisatie van de ontwikkeling Bloemenkampkwartier.

PLAN M.E.R. BEOORDELING BLOEMENKAMPKWARTIER

11

3. Kenmerken van de potentiële milieueffecten Dit hoofdstuk beschrijft de belangrijkste milieueffecten van het plan. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de nieuwe beoogde situatie uit het plan te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de bestaande situatie inclusief de effecten van autonome ontwikkelingen. In de directe omgeving van het plan zijn geen significante ontwikkelingen voorzien die van invloed kunnen zijn op de effectbeoordeling van het Bloemenkampkwartier.

Verder zijn twee onderzoeken (locatie C en D) uitgevoerd op onverdachte terreingedeelten (in kader van grondtransacties), waaronder de locatie bij de Zusterflat (locatie D). Bij dit laatste onderzoek (2017) is een verhoogd gehalte aan xyleen in de ondergrond aangetroffen. In nader onderzoek (2023) is de aanwezigheid van xylenen bevestigd in het grondwater. Voor het overige bevestigen deze onder­ zoeken de aanwezigheid van de "binnenstedelijke ophooglaag”.

3.1 Waarde en kwetsbaarheid van het gebied 3.1.1 Bodem Het plangebied is gelegen in de binnenstad. In de gehele binnenstad, en ook in het plangebied, is sprake van een “binnenstedelijke ophooglaag” van enkele meters. Vanaf de 12e eeuw is de binnenstad opgehoogd met grond, puin, stadsvuil en bagger. De (gemiddelde) bodemkwaliteit is licht tot matig verontreinigd (klasse “industrie”, Regionale bodemkwaliteitskaart, 2019). Lokaal kan sprake zijn van sterk verontreinigde, niet-toepasbare grond. In en direct grenzend aan het plangebied hebben in het verleden diverse mogelijk bodembedreigende bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden, met name gerelateerd aan het voormalige ziekenhuis (wasserij, werkplaatsen en opslag stookolie), aan de daarnaast gelegen voormalige garage (benzinetanks) en opslagplaats voor oude metalen. Deze verdachte locaties zijn onderzocht in de periode 2005-2006 (locatie A en B). De conclusie was enerzijds dat er geen sprake was van een saneringsnoodzaak. Anderzijds dat mogelijk wel sterk verontreinigde grond (zonder risico's bij toenmalig gebruik) aanwezig zou kunnen zijn.

PLAN M.E.R. BEOORDELING

12

De ontwikkeling zelf leidt niet tot bodem- en/of grondwaterverontreiniging. In het kader van de ontwikkeling moet wel nader worden onderzocht en afgewogen of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie die erop is bedacht. Dat kan leiden tot een saneringsopgave. In dat geval verbetert de bodemkwaliteit. Uit de onderzoeken blijkt dat er op milieu hygiënische gronden geen beperkingen zijn tegen het voorgenomen plan/ nieuwe functies. Vanuit het milieuaspect bodem zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten.

Figuur 9: Onderzochte bodemlocaties

Naar verwachting is de bodemkwaliteit in het gebied geschikt voor niet-grondgebonden wonen (waaronder ook appartementsgebouwen vallen). Bij grondverzet en grondafvoer moet rekening gehouden worden met de mogelijke aanwezigheid van sterk verontreinigde grond en mogelijk hoge kosten. Nagenoeg het hele terrein moet onderzocht worden, om de geschiktheid voor toekomstige bestemming te verifiëren (bijvoorbeeld ten aanzien van xylenen) en in geval van grondverzet om inschatting te maken van (financiële) gevolgen. Bij de planontwikkeling is nader bodemonderzoek dan ook van belang.

PLAN M.E.R. BEOORDELING

3.1.2 Archeologie Het (hele) plangebied heeft een hoge archeologische verwachting. Conform het omgevingsplan is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen van 25 m2 of meer die de bodem dieper dan 50 cm onder het maaiveld zullen verstoren. In het verleden is er archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plekke van de Arena en deels onder het bouwblok aan de Mathildastraat. Daarbij zijn sporen van een overkluisde Diezetak, sporen van het Elisabeth Bloemenkampklooster en sporen van de Tolbrugkazerne aangetroffen. Daarnaast zijn er op andere plekken in het plangebied losse vondsten aangetroffen. Uit het onderzoek bleek dat er ook in diepere lagen in de bodem archeologisch sporenniveaus waren aangetroffen, tot zeker wel 4 meter onder het maaiveld. Voor dit plangebied met hoge archeologische verwachtingen wordt voorafgaand aan verstoring vervolgonderzoek gedaan. Hierdoor kan de afweging gemaakt worden om eventuele waardevolle archeologische waarden in situ te behouden, dan wel gedocumenteerd op te graven. Door zorgvuldig handelen zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 3.1.3 Cultuurhistorie Het plan vindt plaats in een cultuurhistorisch waardevol gebied. De historische ontwikkeling en kenmerken van het Bloemenkampkwartier zijn belangrijke ankerpunten die een hernieuwde identiteit kunnen geven aan de nieuwe ontwikkeling van dit binnenstedelijk gebied.

Kenmerkend is dat het grootste deel van het laaggelegen gebied lang groen en onbebouwd is gebleven. En toen er werd

13

gebouwd kwam er een klooster, kazerne, fabriek, kapel en ziekenhuis. Woningen werden pas in de loop van de 19e eeuw gebouwd. Tussen de bebouwing ontstonden contrasten in maat en schaal. Met de saneringsplannen na de tweede wereldoorlog en de verdere verdichting in de jaren ’80 van de vorige eeuw zijn grotere woonblokken toegevoegd. Het open karakter van het gebied is verloren gegaan, evenals de groene kwaliteit. Historische kenmerken die we willen inzetten in het plan zijn de hoogteverschillen, de contrasten in maat en schaal en de groene kwaliteit. Dit willen we doen op een manier die past bij de opgave van de huidige tijd. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 3.1.4 Verkeer en parkeren Het Bloemenkampkwartier ligt op steenworp afstand van de Markt. Winkels, horeca, culturele en maatschappelijke voorzieningen liggen op loop- en fiets­ afstand, en het gebied is goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Er wordt dan ook volop ingezet op de ambities voor de Brede Binnenstad: aantrekkelijk, groen en bereikbaar. Daarbij wordt de mobiliteitsaanpak voor de Brede Binnenstad gehanteerd: het gebied blijft goed bereikbaar met de auto maar lopen en fietsen heeft voorrang, gevolgd door het openbaar vervoer en deelmobiliteit.

Voetganger en fietser centraal In het plan komen goede fietsvoorzieningen en prettige langzaam verkeersroutes die goed aansluiten op het stedelijk netwerk van de Brede Binnenstad. Fietsen Nabij de woningen wordt gezorgd voor voldoende fietsenstallingen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met bijzondere fietsen en scootmobiels.

PLAN M.E.R. BEOORDELING

Openbaar vervoer Bloemenkampkwartier is goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Auto De in -en uitrit van de parkeergarage Arena verplaatsen we van de Tolbrugstraat naar de Zuid-Willemsvaart. Dit wordt tevens de entree van de stallingsgarage voor de bewoners en werkers van de nieuwbouw, Op termijn wordt de Tolbrugstraat autoluw, wat ook de voorkeur is voor de Pastoor de Kroonstraat. De auto­toegang van het parkeerterrein Carolushof verplaatsen we van de Pastoor de Kroonstraat naar de Zuid-Willemsvaart. Parkeren Boven het gezamenlijke parkeerterrein met deelmobiliteit komt een dek dat wordt ingericht als openbare ruimte. Op de locatie Zusterflat wordt het parkeren op eigen terrein opgelost, in een ondergrondse parkeergarage. Door deze maatregelen is de toename van het autoverkeer ten gevolge van het plan beperkt. Met het voorgenomen plan worden ongeveer 1.560 vervoerbewegingen per dag gegenereerd, een toename van 960 motorvoertuigbewegingen per dag ten opzichte van de referentiesituatie. Dit heeft geen negatief effect op het verkeersnetwerk van dit plan. Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 3.1.5 Luchtkwaliteit De stoffen in de lucht die schadelijk kunnen zijn voor onze gezondheid zijn onder andere fijnstof en stikstofoxiden.

Fijnstof PM 2,5, en PM 10 en NO2 zijn categorieën van luchtverontreinigende deeltjes die in de lucht zweven. De aanduidingen "PM 2,5" en "PM 10" verwijzen naar de grootte van de deeltjes, waarbij PM staat voor Particulate Matter (deeltjes). PM 2,5 zijn deeltjes met een diameter van

14

2,5 micrometer of kleiner, terwijl PM 10 deeltjes zijn met een diameter van 10 micrometer of kleiner. Stikstofdioxide is een ander type luchtverontreiniging dat ontstaat door verbrandingsprocessen in voertuigen, industrieën en verwarmings­ installaties. De gemeentelijke ambitie is om de luchtkwaliteit te verbeteren. Hiertoe heeft de gemeente ’s-Hertogenbosch in 2020 het Schone Lucht Akkoord ondertekend. Bij het aanbesteden van werkzaamheden in het openbare gebied hanteert de gemeente duurzaamheidseisen, die resulteren in een lagere uitstoot van lucht­ verontreiniging. Dit is onderdeel van het schoon en emissieloos bouwen (SEB), waar de gemeente een convenant van heeft ondertekend. Dit is een van de uitvoeringsmiddelen van het Schone Lucht Akkoord.

De World Health Organization (WHO) heeft in 2005 advieswaarden gepubliceerd die gezondheidskundige grenzen aangeven voor de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Op 22 september 2021 zijn door de World Health Organization (WHO) nieuwe advieswaarden voor de luchtkwaliteit gepubliceerd, deze zijn aanzienlijk verlaagd ten opzichte van de eerdere richtlijnen uit 2005. De herziene advieswaarden zijn gebaseerd op recent wetenschappelijk bewijs dat sterke verbanden heeft aangetoond tussen luchtverontreiniging en gezondheids­ effecten. De Europese Commissie heeft een voorstel gepubliceerd voor de nieuwe richtlijn luchtkwaliteit voor 2030. In Onderstaande tabel zijn de wettelijke grenswaarden, de WHO-advieswaarden voor luchtkwaliteit uit 2005 en 2021 en het voorstel voor de nieuwe richtlijn luchtkwaliteit naast elkaar weergegeven.

In de Omgevingswet is de belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit vastgelegd. De concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) zijn maatgevend voor de beoordeling van de luchtkwaliteit. De Omgevingswet bevat de rijksomgevingswaarden voor deze stoffen, deze zijn gebaseerd op de EU-richtlijn luchtkwaliteit 2008/50/EG.

Stof

Toetsingsperiode

Europese grenswaarde WHO Advieswaarde (2008) rijksomgevingswaarde (2005)

Nieuwe WHO Advieswaarde (2021)

Voorstel nieuwe EU-richtlijn luchtkwaliteit

NO2

jaargemiddeld

maximaal 40 μg/m3

maximaal 40 μg/m3

maximaal 10 μg/m3

maximaal 20 μg/m3

PM10

jaargemiddeld

maximaal 40 μg/m3

maximaal 20 μg/m3

maximaal 15 μg/m3

maximaal 20 μg/m3

PM2,5

jaargemiddeld

maximaal 25 μg/m3

maximaal 10 μg/m3

maximaal 5 μg/m3

maximaal 10 μg/m3

Figuur 10: Tabel met grenswaarde en advieswaarde luchtkwaliteit

PLAN M.E.R. BEOORDELING

15

Het naleven van deze advieswaarden is belangrijk om de negatieve gezondheids­ effecten van luchtverontreiniging te verminderen en de algehele kwaliteit van de lucht te verbeteren. De hoogste N02-concentratie is ca 25 ug/m3 langs de ZuidWillemsvaart. Dit ligt (ver) beneden de wettelijke norm en de WHO-advieswaarde 2005, maar (nog) boven de Europese en WHO advieswaarde 2021. Voor PM10 ligt de concentratie in een groot deel van het gebied beneden de 20 ug/m3. Dit ligt (ver) beneden de wettelijke norm en (nog) op de WHO-advieswaarde 2005 en Europese advieswaarde, maar (nog) boven de WHO advieswaarde 2021. PM2,5 ligt voor het hele gebied op 11 mg/m³, ook hier ligt de waarde onder de Europese advieswaarde, maar nog boven de WHO advieswaarde. Autonoom neemt de luchtkwaliteit toe door schonere mobiliteit en bedrijfs­ processen. De verwachting is dan ook dat de concentraties in de toekomst zowel onder de wettelijke Europese advieswaarden als onder de WHO-norm 2005 blijven. De WHO 2021 is dermate streng dat hieraan voldoen langer zal duren en meer landelijke maatregelen zal vragen. De lokale invloed hierop is beperkt. Het planvoornemen leidt naar verwachting niet tot een wezenlijke toename van luchtverontreiniging. De meest belangrijke bron, het wegverkeer, neemt niet aanzienlijk toe. In het plan worden een aantal maatregelen genomen die de lucht­kwaliteit verbeteren.

Met het vervangen van oude, bestaande panden en de renovatie van een fors aantal woningen in de buitenrand vermindert of verdwijnt de uitstoot afkomstig van verwarmingsinstallaties. Ook de inzet op duurzame mobiliteit, waarbij lopen en fietsen en het gebruik van (elektrisch) openbaar vervoer en deelmobiliteit wordt gestimuleerd, levert een positieve bijdrage aan de luchtkwaliteit. Autoverkeer wordt efficiënter afgewikkeld, via de ZuidWillemsvaart. De openbare ruimte in het binnengebied wordt autoluw. Daarnaast zorgen we voor een goede luchtkwaliteit onder het nieuwe parkeerdek. Naar verwachting is ontwikkeling van het Bloemenkampkwartier een “niet in betekenende mate (NIBM)” plan: het leidt naar verwachting niet tot een toename van de concentratie NO2 en PM10 groter is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de

PLAN M.E.R. BEOORDELING

omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De toename van verkeersintensiteit door de planontwikkeling is beperkt en draagt dus niet in betekende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging door wegverkeer. Met het voorgenomen plan worden ongeveer 1.560 vervoerbewegingen per dag gegenereerd. Het betreft voornamelijk lichte motorvoertuigen van personen die binnen het plan(gebied) zullen gaan wonen. Daarnaast zullen er bestelbusjes of een enkele vrachtwagen het plan moeten kunnen bereiken voor bevoorrading. Voor een worst case berekening is uitgegaan van een toename van 960 motorvoertuigbewegingen per dag, ten opzichte van de referentiesituatie. Omschrijving

Cijfers

Jaar van planrealisatie

2026

Extra verkeer als gevolg van het plan / Extra voertuigbewegingen (weekgemiddelde)

960

Extra verkeer als gevolg van het plan / aandeel vrachtverkeer

4%

Maximale bijdrage extra verkeer / NO2 in μg/m3

0,76

Maximale bijdrage extra verkeer / PM10 in μg/m3

0,11

Grens voor 'Niet In Betekenende Mate' in μg/m3

1,2

Conclusie: de bijdrage van het extra verkeer in niet-in-betekende mate: geen nader onderzoek nodig Figuur 11: Tabel met berekening extra verkeer ten gevolge van het plan (planperiode loopt van 2026-2036; 2026 is hiervan jaar met nog de hoogste bijdrage aan stof en NOx). Berekening op basis van: Grootschalige Concentratiekaarten Nederland rapportage 2023

Het voorgenomen plan draagt niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarbij de toekomstige situatie zich ruim binnen de bestaande normen voor luchtkwaliteit begeeft.

16

Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 3.1.6 Geluid De gemeente 's-Hertogenbosch wil een goede kwaliteit van de leefomgeving behouden en kansen benutten om, daar waar mogelijk en noodzakelijk, de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren en de blootstelling aan te veel aan geluid te verminderen. Indicatieve berekeningen tonen aan dat om te voldoen aan de landelijke wetgeving en het gemeentelijk beleid, maatregelen noodzakelijk zijn. Geluid van het wegverkeer Het plangebied Bloemenkampkwartier ligt buiten de geluidzone van het spoor. Er is wel sprake van weggeluid. Ontwikkeling van het Bloemenkampkwartier leidt tot een toename van inwoners, gebruikers, functies en verkeer in en rond het plangebied. Dit kan leiden tot een toename van geluidbelasting op de omgeving De toename van verkeer op het omliggend wegennet is niet dusdanig dat het leidt tot een wezenlijke toename van geluid. Deze toename is in de praktijk niet of nauwelijks waarneembaar. Op de Tolbrugstraat wordt het juist rustiger. Het plangebied wordt begrensd door twee wegen met een vrij hoge verkeers­ intensiteit: de Zuid-Willemsvaart en de Tolbrugstraat. Op basis van het stedenbouwkundig schetsplan en het voorlopig ontwerp van de locatie Zusterflat zijn indicatieve geluidsberekeningen uitgevoerd van het wegverkeersnetwerk.

Dit met als doel om inzicht te krijgen wat de geluidsbelasting op de geprojecteerde gebouwen zal zijn en of er (ontwerptechnische) opgaven uit voortkomen.

PLAN M.E.R. BEOORDELING

Figuur 12: Verandering verkeersintensiteit ten gevolge van het plan

Er heeft een indicatief akoestisch onderzoek plaatsgevonden door Cauberg Huygen d.d 17 september 2024 met referentienummer 11221-59888-01v2. In de indicatieve berekening is rekening gehouden met het extra verkeer op de Zuid-Willemsvaart ten gevolge van de nieuwbouw, de nieuwe in- en uitritten van de parkeergarage Arena en het vervallen van de autotoegang in de Pastoor de Kroonstraat naar het binnengebied van het Bloemenkampkwartier. Ook is rekening gehouden met de herinrichting van de Zuid-Willemsvaart tot Kanaalboulevard. Zowel de Zuid-Willemsvaart als de Tolbrugstraat zijn 30 km/h wegen.

17

Legenda Indicatieve geluidberekening groen

minder dan 53 dB onder de standaardwaarde

geel

tussen 53 en 58 dB

oranje

tussen 58 en 63 dB

rood

tussen 63 en 68 dB

paars

tussen 68 en 73 dB vanaf 71 Lden is er een overschrijding van de grenswaarde

bruin

hoger dan 73 dB overschrijding grenswaarde

Figuur 13: Indicatieve berekening op de gevels (dosismaat Lden), volgens de richtlijn

De grenswaarde wordt niet overschreden. Dit betekent dat rekening gehouden moet worden met geluid bij het stedenbouwkundig uitwerken van de gebouwen. Op diverse manieren kan geluidhinder worden beperkt, denk aan maatregelen bij de bron (stil asfalt en snelheidsbeperkingen), en maatregelen in de overdracht tussen bron en ontvanger (geluidschermen). Voor de Zuid-Willemsvaart geldt dat deze onlangs opnieuw is vormgegeven en bestraat en het binnenstedelijk geluidschermen plaatsen, vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet toepasbaar is. Nader onderzoek is nodig om de vereiste gebouwgebonden geluidsmaatregelen te bepalen. Bij nieuwbouw wordt bij het ontwerp zodanig rekening gehouden met het geluid dat kan worden voldaan aan een geluidluwe gevel bij (vrijwel) iedere woning. Aansluitend zal bij de verdere uitwerking maatregelen worden genomen waarmee kan worden voldaan aan het wettelijk binnengeluidsniveau met gesloten ramen en deuren. Dit wordt verder uitgewerkt in de BOPA’s procedures/ omgevingsvergunningaanvragen. Milieubelastende activiteiten Er zijn milieubelastende activiteiten in en rond het plangebied. Al deze bedrijfs­ matige milieubelastende activiteiten hebben “milieuruimte” nodig. Met milieu­ ruimte wordt de wederkerige afstand/ruimte aangeduid tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies, zoals woningen.

Het verleggen van de in/uitrit van de parkeergarage, de kleinschalige horeca, de supermarkt en detailhandel wordt meegenomen bij de nadere uitwerking van de gebouwen en de te doorlopen omgevingsvergunningsprocedures.

omgevingslawaai)

Uit het onderzoek blijkt dat de bestaande, te handhaven bebouwing en de toekomstige nieuwbouw een goede afscherming vormen voor de woningen in het binnengebied. Hier is sprake van een rustig woonmilieu. Bij de nieuwbouw op de locatie Zusterflat moet rekening worden gehouden met een geluidbelasting die hoger is dan de standaardwaarde. Dit geldt met name voor de gevels aan de ZuidWillemsvaart, Tolbrugstraat en plaatselijk ter plekke van de straat Bloemenkamp.

PLAN M.E.R. BEOORDELING

Cumulatie van geluid In het indicatief akoestisch onderzoek heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar het gecumuleerd geluid. Er heeft uitsluitend onderzoek plaatsgevonden naar de gemeentewegen. Bij nadere uitwerking zal voor de geluidgevoelige gebouwen tevens een berekening nodig zijn van het gecumuleerde geluid (industrielawaai, afkomstig van kleinschalige horeca, detailhandel, Arena, in- en uitrit van de parkeergarage).

18

Deze totale gecombineerde geluidbelasting geeft inzicht in de geluidsbelasting in het gebied.. Op die manier kan worden bepaald of de totale geluidsbelasting acceptabel is. Dit zal bij de uitwerking van de BOPA’s/omgevingsvergunningprocedures inzichtelijk worden gemaakt. Gezien de huidige gevelbelasting is de verwachting dat er sprake zal zijn van een acceptabel geluidniveau op de gevels. Gezamenlijk geluid Het gezamenlijk geluid omvat het totale geluid van verschillende bronnen, zoals wegen, spoorwegen, industrie. Deze worden ongewogen bij elkaar opgeteld. Deze waarde wordt gebruikt om de binnenwaarde te bepalen en de maatregelen die nodig zijn om te kunnen voldoen aan de binnenwaarde. Gezien de huidige gevelbelasting is de verwachting dat voldoende maatregelen kunnen worden toegepast om te voldoen aan de wettelijk vastgestelde binnenwaarde. Hinder aanlegfase Tijdens de realisatiefase kan sprake zijn van een tijdelijke toename van geluid­ belasting door bouwwerkzaam-heden en aan/afvoer van en bouwmaterieel en -materiaal door vrachtwagens. Vanuit het milieuaspect geluid zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten.

3.1.7 Natuurbescherming Voor het plangebied van het Bloemenkampkwartier is het een ambitie om een groene natuurinclusieve openbare ruimte en gebouwen te creëren. Een groene leefomgeving reduceert negatieve omgevingseffecten, het draagt bij aan een schonere lucht, zorgt voor meer koelte en een stillere omgeving. Het stimuleert bewoners om naar buiten te gaan, te tuinieren, te bewegen en elkaar te ontmoeten. Nieuwe ontwikkelingen, zoals in dit plangebied Bloemenkampkwartier, dienen rekening te houden met het behoud, uitbreiden en verbinden van bestaande groenstructuren. Ecologische barrières als wegen dienen waar mogelijk opgeheven te worden door het nemen van faunagerichte maatregelen. Daarnaast dient bij het ontwerp van gebouwen rekening gehouden te worden met de mogelijkheid tot het realiseren van faunavoorzieningen. Waar mogelijk wordt naast groen in het straatbeeld, gevelgroen ingezet voor vlinders, vogels en planten. Gebiedsbescherming Voor ieder initiatief / project / plan dient inzichtelijk te worden gemaakt of er significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Dit geldt voor zowel de aanleg- als de gebruikersfase van een plan of activiteit.

Hiertoe moet de initiatiefnemer een stikstofrapportage opstellen waaruit de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden blijkt conform een berekening met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator. Nabij het Bloemenkampkwartier is het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek gelegen, de minimale afstand bedraagt circa 800 meter. Dit Natura 2000-gebied is overbelast qua stikstofdepositie: de huidige achtergronddepositie op verschillende habitats is hoger dan de kritische depositiewaarde (KDW) van dat habitat. Derhalve dient aangetoond te worden dat het plan geen significant negatieve gevolgen heeft op de Natura 2000-gebieden.

PLAN M.E.R. BEOORDELING

19

Realisatiefase De plaatsvindende sloop- en bouwactiviteiten van dit plan gaan gepaard met stikstofemissies afkomstig van materieel en transportbewegingen. De uitvoering van dit plan vindt gefaseerd plaats, verspreid over een periode van circa 10 jaar. Desondanks kan er ten gevolge van de sloop- en/of bouwactiviteiten tijdelijk een kleine stikstofdepositie plaatsvinden op het Natura 2000-gebied. Indien dit het geval is dient er een voldoende gedegen ecologische voortoets te worden uitgevoerd waarmee wordt aangetoond dat er geen sprake is van significante negatieve gevolgen op het Natura 2000-gebied. Tevens zijn er voor de sloop- en bouwactiviteiten maatregelen te treffen die negatieve effecten voorkomen dan wel beperken, bijvoorbeeld door het gebruik van elektrisch bouwmaterieel.

Figuur 14: Projectgebied Bloemenkampkwartier t.o.v. Natura-2000 gebied (geel)

Gebruikfase Op basis van de uitgangspunten van dit ontwikkelkader blijkt een toename van het aantal woningen en daarmee ook een toename van het aantal plaatsvindende verkeersbewegingen. Voor wat betreft het gasverbruik is te concluderen dat dit in het gebied zeer sterk afneemt. In het gebied wordt slecht geïsoleerde bebouwing gesloopt: de voormalige Zusterflat met de bijbehorende bedrijfsruimte, het Stadsarchief en totaal 159 woningen. Deze bebouwing wordt vervangen door totaal circa 465 nieuwe, gasloze woningen, een kantoor en plintfuncties. Daarnaast worden 178 verouderde woningen grondig gerenoveerd. Uit screening van het programma van dit ontwikkelkader en de opgenomen uitgangspunten volgt op dit moment dat er voor de gebruikfase sprake is van een verbetering van de stikstofsituatie. De stikstofemissies zijn in de huidige situatie in totaliteit lager dan in de nieuwe toekomstige situatie.

PLAN M.E.R. BEOORDELING

Conclusie Stikstof is en blijft wel voor alle ontwikkelingen een aandachtspunt en mogelijk risico, gezien de grote “reikwijdte” van het stikstofeffect en de vanuit rechtspraak steeds strenger wordende regels hoe met stikstof om te gaan. De verwachting is dat het aspect stikstof geen belemmering zal vormen voor de ontwikkelingen in het Bloemenkampkwartier. Dit komt door de enorme afname van het gasverbruik en daarmee de totale stikstofemissie in dit plangebied. Binnen dit plan zal sprake zijn van intern salderen, waarbij de stikstofemissie in de nieuwe situatie wordt verminderd met de stikstofemissie in de oude situatie. Voor dit plan wordt de situatie dus zelfs beter. Er geldt voor plannen geen vergunningsplicht natuur. Conclusie is dat er geen aanzienlijke milieueffecten ten gevolge van stikstof zijn te verwachten. Door de uitspraken van december 2024 van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt voor intern salderen een natuurvergunningsplicht, de zogenaamde Natura 2000-activiteiten. De provincie Noord-Brabant is het bevoegd gezag voor deze vergunningverlening. Hiervan kan sprake zijn bij de aanvraag omgevingsvergunning van projecten.

20

Soortenbescherming Aanwezige soorten moeten conform de wet- en regelgeving beschermd worden. Een flora- en faunaonderzoek dient hiertoe uitgevoerd te worden. Afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek worden de eventuele vervolgstappen bekend. Voor de locatie Zusterflat is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde doelsoorten. Hierbij zijn twee paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Ten zuidwesten van de Zusterflat is een zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen waargenomen. Daarnaast is aan de westzijde, langs de straat Bloemenkamp. een vliegroute voor vleermuizen waargenomen. Ten behoeve van de sloop en nieuwbouw op de locatie Zusterflat zijn inmiddels mitigerende en compenserende maatregelen getroffen en is er een ontheffing in het kader van de wet Natuurbescherming verleend. Ook voor de te renoveren woningen en omgeving is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. In het onderzoeksgebied zijn verblijfsplaatsen en paarterritoria van de gewone dwergvleermuis aangetroffen: vier zomerverblijfplaatsen, zes massa­ winterverblijfplaatsen en drie paarterritoria. Afhankelijk van de werkzaamheden aan de bebouwing zijn er maatregelen nodig. Dit wordt nader uitgewerkt. Tot slot wordt er in het resterende deel van het plangebied een flora- en fauna­ onderzoek uitgevoerd.

Mochten er beschermde doelsoorten worden aangetroffen, dan worden er mitigerende en compenserende maatregelen getroffen. Tevens dient per initiatief aangetoond te worden hoe het bijdraagt aan de actieve soortbescherming. Deze is gericht op het actief sturen op essentiële condities en natuurlijke processen, zoals het beschermen, herstellen en in stand houden van biotopen en leefgebieden voor soorten in voldoende gevarieerdheid en omvang, ook buiten de Natura 2000-gebieden. In combinatie met de ambities uit de gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig 2024 dient het gebied ontwikkeld te worden op basis van de habitateisen van de ambassadeurssoorten. In het bij-

PLAN M.E.R. BEOORDELING

zonder dient het plan bij te dragen aan de gebouwbewonende soorten (zoals bijv. vleermuizen, huismussen en zwaluwen) door middel van natuur inclusief bouwen. Vanuit het aspect natuurbescherming zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 3.1.8 Water Uitgangspunt is om de hoeveelheid groen in het plangebied te vergroten. Dit vindt plaats door de hoeveelheid verharding te minimaliseren. Het doel is om de auto uit het straatbeeld te laten verdwijnen en om meer groen in de openbare ruimte te realiseren. Het hemelwater kan hierdoor ook infiltreren. Hittestress is een groot probleem in een versteende omgeving. Er dient gezorgd te worden voor voldoende verkoeling. Dit kan gerealiseerd worden door voldoende grote bomen te plaatsen en/of rekening hiermee te houden in het stedenbouwkundig ontwerp, waardoor schaduwwerking op openbaar toegankelijk gebied ontstaat. Bij de selectie van materialen dient rekening gehouden te worden met de opwarming ervan. Waterberging Het doel is om wateroverlast te voorkomen bij extreme buien, droogte tegen te gaan, hittestress te voorkomen en beleefbaar groen te creëren. Schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk binnen het plangebied vastgehouden en wordt afgekoppeld van het rioolstelsel. Het is niet toegestaan om hemelwater op een a-watergang af te voeren. Kortom dient het hemelwater binnen het projectgebied opgevangen en geïnfiltreerd te worden.

Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: Besparen/hergebruik, dan infiltreren en vasthouden, bovengronds bergen, ondergronds bergen, vertraagd afvoeren. De richtlijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is een bergingscapaciteit van minimaal 70 mm per m2 nieuw initiatief. Om verdroging van het groen in droge

21

periodes te voorkomen geldt er een aanvullende eis van minimaal 10 mm infiltratie (van de 70mm) per m2 nieuwe of vernieuwde verharding. Dit is hemelwater bij een normale regenbui. Tevens gelden er vereisten uit de Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021 waar aan voldaan wordt. De hemelwateropgave gaat hand in hand met groen. Er kan worden voorzien in een hemelwaterberging middels de aanleg van een groen- of tuindak met een berging van minimaal 25 liter per m2. Het water wordt dan vertraagd afgevoerd. Ten aanzien van het milieuaspect water dient rekening gehouden te worden met bovengenoemde uitwerkingsprincipes. Daarnaast is afstemming noodzakelijk met het waterschap. Voorkomen van wateroverlast Het Bloemenkampkwartier is in de loop van de tijd opgehoogd maar het binnengebied ligt nog steeds zo’n 1,5 à 2,5 meter lager dan de omgeving. Het grondwater staat relatief hoog en bij regenbuien moet het water met een gemaal worden weggepompt. Het is een kwetsbaar gebied waar nu snel wateroverlast kan optreden. Dit wordt versterkt door de steeds grotere intensiteit van buien door klimaatverandering.

Beschermde waterwaarden Het plangebied ligt niet in of nabij een innamepunt voor drinkwater, waterwin­gebied en grondwater beschermingsgebied. De ontwikkeling van het Bloemenkampkwartier heeft hier dan ook geen effecten op. KRW De watergangen Aa, Dommel en Dieze zijn aangewezen als KRW (Kader Richtlijn Water)-oppervlaktewaterlichaam. Voor KRW oppervlaktewaterlichamen gelden doelstellingen om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. De ontwikkeling van het Bloemenkampkwartier leidt niet tot verontreiniging van de waterlopen heeft daarmee geen negatieve effecten op de KRW. Vanuit het milieuaspect water zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten.

De herontwikkeling van het Bloemenkampkwartier grijpen we aan als kans om het gebied klimaatbestendig te maken. Het gebied wordt koeler en beter bestand tegen droogtes en piekbuien. Dit vergt creatieve oplossingen in het laaggelegen, van oorsprong moerassig gebied. De ambities uit het Gebiedspaspoort Groen en klimaatbestendig 's-Hertogenbosch zijn hierbij leidend. Hemelwater koppelen we af. Deels houden we dit zo lang mogelijk vast en infiltreren of hergebruiken het water in het gebied, bijvoorbeeld voor het bewateren van de beplanting of voor toiletspoeling. Overtollig hemelwater wordt afgevoerd naar de hoger gelegen buitenranden om te laten infiltreren en/of vertraagd af te voeren. Uitgangspunt van de ontwikkeling is dat er geen waterschade optreedt bij extreme regenbuien.

PLAN M.E.R. BEOORDELING

22

3.1.9 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid betreft het voorkomen en beperken van risico's voor mensen en het milieu als gevolg van mogelijke incidenten met gevaarlijke stoffen, branden, explosies of andere calamiteiten in de leefomgeving. Dit omvat zowel preventieve maatregelen als responsstrategieën om de gevolgen van dergelijke incidenten te minimaliseren. De omgevingsveiligheid bij Bloemenkampkwartier bestaat uit een gifwolk aandachtsgebied dat ligt over het plangebied (gifwolkaandachtsgebied is bepaald op 1,5 km bij ministeriele regeling (Bkl 5.12 lid 4)). De ontwikkelingen bij het Bloemenkampkwartier omvatten geen nieuwe risicobronnen. Bij stedelijke ontwikkelingen wordt het risico van ongelukken met gevaarlijke stoffen zorgvuldig meegewogen, en veiligheidsmaatregelen zijn bedoeld om de gevolgen voor mensen binnen risicogebieden te beperken.

uitzetten van de mechanische ventilatie bij aanwezigheid van de toxische wolk, zodat eenieder binnenshuis veilig is. Vanuit het milieuaspect omgevingsveiligheid zijn er geen aanzienlijke milieu­ effecten te verwachten. 3.1.10 Trillingen Vaak spelen in de nabijheid van het spoor trillingen een rol voor personen in gebouwen. Om trillinghinder te voorkomen worden dan constructieve maatregelen genomen om deze te voorkomen. Echter is hier geen sprake van een nabijgelegen (200 m) spoor. Vanuit het milieuaspect trillingen zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 3.1.11 Geur Geur valt onder de afweging van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Dit met als doel om bedrijven niet te belemmeren in de bedrijfsvoering en om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de geurgevoelige gebouwen (voor menselijk wonen of menselijk verblijf) te hebben. Bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid sluit de gemeente aan bij de nieuwe provinciale Beleidsregel Omgevingsrecht.

Figuur 15: Signaleringskaart externe veiligheid

Bedrijven kunnen geurhinder veroorzaken bij woningen. In de nabijheid van het Bloemenkampkwartier zijn horecagelegenheden aanwezig. De horeca moet voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de bruidsschat. Hiermee is geurhinder in voldoende mate voorkomen. Nieuwe (horeca) bedrijven worden in de toekomstige situatie eveneens getoetst aan de dan geldende wet- en regel­ geving.

De omgevingsveiligheid bij het Bloemenkampkwartier vereist geen specifieke aandacht vanwege de risico’s die samenhangen met het vervoer van gevaarlijke stoffen over het nabijgelegen spoor. De maatregel die hier wordt genomen is het

Vanuit het milieuaspect geur zijn daardoor geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten.

PLAN M.E.R. BEOORDELING

23

3.1.12 Windhinder en schaduwwerking In het plangebied wordt nieuwbouw ingepast in een stedelijke woonbuurt in de binnenstad. De hoogte van de nieuwbouw in het binnengebied wordt maximaal 4 lagen met een functionele kap van 2 lagen (maximaal 20 meter hoog). Op de locatie Zusterflat is de bouwhoogte maximaal 6 à 7 bouwlagen: 20 à 23 meter. De hoeken van de Zuid-Willemsvaart zijn maximaal 5 lagen (17 meter). Op bijzondere plekken in de openbare ruimte en routes zijn accenten toegestaan met een bouwhoogte van 7 à 8 bouwlagen (23 à 26 meter). In het middendeel van de gevel langs de Zuid-Willemsvaart is een zoekruimte aangeduid om (deels) maximaal 9 lagen in te passen: maximaal 29 meter. De nieuwbouw is stedelijk maar sluit qua hoogte goed aan op de omgeving. Ook de bestaande bebouwing heeft een hoogte van 4 tot 6 lagen (maar met een iets lagere verdiepingshoogte). De bestaande ‘hoogbouw’ Pastoor de Kroonstraat en de voormalige Zusterflat zijn hoger: respectievelijk 8 en 9 lagen op een verdiepte plint. Naast nieuwbouw wordt er in het plan veel groen ingepast. Naar verwachting heeft het plan geen negatieve gevolgen op het windklimaat. Door vergroening en het inpassen van voldoende schaduwplekken wordt hittestress tegengegaan/ verminderd. Daarbij wordt het Gebiedspaspoort Groen en klimaatbestendig gehanteerd: de openbare ruimte heeft minimaal 30% schaduw.

Een te grote opwarming van woningen in de zomer wordt zoveel mogelijk voorkomen. De nieuwbouw moet voldoen aan de wettelijke TOjuli-eis van maximaal 1,2. Passief koelen heeft daarbij de voorkeur. Vanuit het milieuaspect wind en schaduwwerking zijn geen aanzienlijke milieu­ effecten te verwachten. 3.1.13 Licht Ontwikkeling van het Bloemenkampkwartier leidt niet tot wezenlijke nieuwe lichtuitstralende bronnen. Ook ondervindt het plangebied geen wezenlijke lichthinder vanuit de omgeving. Voor het thema ‘licht’ worden er daarom op voorhand geen aanzienlijke milieugevolgen verwacht.

PLAN M.E.R. BEOORDELING

3.2 Risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu Met de beoogde realisatie van 465 betaalbare woningen wordt positief bijgedragen aan de vraag van woningzoekenden. Het Bloemenkampkwartier draagt bij eraan bij dat je fysiek en mentaal goed in je vel zin. En je vindt er gemakkelijk aansluiting bij anderen. De fysieke leefomgeving waarin men opgroeit, woont en werkt is dus van grote invloed op de gezondheid. Een gezonde fysieke leefomgeving draagt bij aan de gezondheid van mensen door gezond gedrag te bevorderen en mensen tegen risico’s te beschermen. Een gezonde leefomgeving bij de ontwikkeling van Bloemenkampkwartier houdt onder andere in: • bevorderen /uitnodigen tot bewegen (wandelen, spelen), elkaar ontmoeten en ontspannen; • bevorderen klimaatbestendigheid (groen voor tegengaan van hittestress en wateroverlast); • bevorderen gebruik van duurzame en gezonde materialen (gezondheidsbelang gekoppeld aan circulariteit). • een goede toegang tot diverse voorzieningen • goede bescherming op milieukwaliteit (lucht en geluid, waarbij het uitgangspunt is “kunnen slapen met een raam open”). Nieuwe ontwikkelingen dienen met behulp van groen zo ingericht/ontworpen te worden dat het uitnodigt tot spelen, bewegen en ontmoeten. Er wordt zorggedragen voor voldoende koeling door schaduw te creëren, vergroenen en biodiversiteit zorgt daarbij voor een positieve beleving bij mensen.

Daarnaast is in de voorgaande paragraven aangetoond dat het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om die reden draagt het plan bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens en milieu. Vanuit het milieuaspect gezondheid zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten.

24

3.3 Bereik en aard van de effecten

3.5 Cumulatieve aard van de effecten

Het bereik van het effect van het plan Bloemenkampkwartier, met de beoogde ontwikkeling van 465 woningen is lokaal. Directe effecten zijn beperkt tot de directe omgeving van het plan. Significant negatieve effecten op het milieu zijn uitgesloten, zie de analyse per milieuaspect.

Het kan bij projecten zo zijn, dat er effecten optreden die op zich geen belemmering vormen, maar die in combinatie met effecten van andere, nabij­ gelegen projecten, toch significant negatief kunnen zijn. Daarom moet ook worden beschouwd of er mogelijke significante negatieve effecten zijn in cumulatie met andere projecten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15130438/1