Bijlage 1 Ertveldplas Noord_Toelichting
Tekst van het document
26
Uit het geuronderzoek blijkt dat in de voorgestelde situatie van ligging van de woonboten, geen hinderlijke geursituatie wordt verwacht. Voldaan wordt aan alle gangbare en vergunde geurnormen voor de bedrijven. Ten aanzien van toekomstige situaties zijn meeste type geurrelevante bedrijven mogelijk. Verder is er voldoende groeiruimte voor de bestaande bedrijven mogelijk. Uit het geuronderzoek blijkt geen hinderlijke geursituatie ter plaatse van de geplande ligplaatsen. Daarbij worden de belangen van de bestaande bedrijven niet geschaad en is nieuwvestiging van geur-producerende bedrijvigheid goed mogelijk. Dit aspect geur wordt in paragraaf 5.8 nader toegelicht. De voorgenomen situatie van ligplaatsen voor de woonboten is toelaatbaar. De belangen van de bestaande bedrijven worden hierdoor niet geschaad. Ook zijn toekomstige uitbreidingen van de bestaande bedrijven mogelijk en ook werken de ligplaatsen niet belemmerend voor nieuwvestiging van bedrijven.
5.2
Geluid
Inleiding Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader, dat van belang is bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen en ligplaatsen voor woonboten) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Planlocatie ligplaatsen De locatie van de ligplaatsen van dit plan is niet de locatie zoals deze nu (Q4 - 2022) het geval is. De ligplaatsen komen langs een deel van de noordoever te liggen (zogenaamde indikvariant), zodat de afstand tot het industrieterrein groter wordt. Deze variant is het resultaat van meerdere gesprekken met alle belanghebbenden op deze locatie en mede gebaseerd op een geluidsonderzoek. Het gegeven is dat om industrieterrein De Rietvelden - Ertveld een industriële geluidszone ligt (is bestemd) van 50 dB(A).
Dit betekent dat alle bedrijven tezamen niet meer geluid mogen produceren dan 50 dB(A) op deze geldende geluidszone. Deze geluidszone geeft enerzijds de bedrijven een wettelijke hoeveelheid aan geluidsruimte en anderzijds wordt het gebied buiten deze 50 dB(A) geluidszone beschermt tegen te veel aan geluid. Buiten de geluidszone van 50 dB(A) gelden er geen beperkingen voor geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen en woonboten. Het toelaten van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals woonboten/woningen, is in beginsel niet het doel van een geluidszone. Het doel van een geluidszone is namelijk het ruimtelijk scheiden van lawaai makende bedrijven en geluidsgevoelige objecten, zoals woningen. Het toestaan van woningen in de zone is tot op zekere hoogte en onder voorwaarden mogelijk, waarbij altijd een belangenafweging gemaakt moet worden. De woonboten bevinden zich binnen deze wettelijke geluidszone van 50 dB(A). Voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten in de zone geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en via een 'hogere waarde procedure' kan een hogere geluidsbelasting worden verleend/toegestaan tot maximaal 55 dB(A) (de maximale ontheffingswaarde). Het toestaan van woningen in de zone kan altijd, in meer of mindere mate, het bedrijfsbelang schaden.
In dat kader is de ligging van een 55 dB(A) contour industrielawaai bepaald op basis van de geluidszone en geluidverkaveling op industrieterrein 'De Rietvelden'. De geluidverkaveling vindt plaats op basis van dB(A)/m2. Voor de reeds bestaande bedrijven wordt daarbij uitgegaan van een standaard geluidwaarde afhankelijk van de in het bestemmingsplan toegestane milieucategorie: Voor categorie 5: 65 dB(A)/m2 (dagwaarde) Voor categorie 4: 55 dB(A)/m2 (dagwaarde) Voor categorie 3: 50 dB(A)/m2 (dagwaarde) Bij bedrijven met een hoger vergunde waarde dan de standaardwaarde, is uitgegaan van de vergunde waarde. 27
Op die manier behouden bestaande bedrijven hun geluidruimte. Voor de (in 2016) braakliggende terreinen is voor milieucategorie 5 een lagere geluidwaarde gehanteerd van 60 dB(A)/m2 in plaats van de hierboven genoemde standaard geluidwaarde. De bepaalde geluidscontour van 55 dB(A) is in onderstaand figuur weergegeven (gele stippellijn). Gebleken is dat de huidige bestaande ligplaatsen (Q4 – 2022) zich bevinden in een gebied waar de geluidsbelasting hoger kan zijn dan 55 dB(A). Daarmee zijn ze op de bestaande locatie niet vergunbaar, rekening houdend met de omliggende bedrijfsbelangen. Derhalve zijn de ligplaatsen van de woonboten 'opgeschoven' en 'ingedikt' tot een locatie verder weg van het industrieterrein, meer naar het oosten, waar de woonboten met minder dan 55 dB(A) worden belast. De hier optredende geluidsbelastingen (tot maximaal 55 dB(A)) van de industrie zijn namelijk wél te ontheffen/vergunnen. Dit is de voorgenomen locatie waarop dit plan is gebaseerd. Met een te verlenen hogere geluidswaarde tot 55 dB(A) zijn de woonboten op de geplande 'ingedikte' locatie vergunbaar. Belangen van bedrijvigheid (bestaand en bestemd) worden dan ook niet onevenredig geschaad. Deze nieuwe 'ingedikte' locatie – zoals met dit plan nu voorligt – zorgt tevens voor meer geurruimte voor zowel de bestaande als nieuwe geurproducerende bedrijven.
Voor het aspect wordt specifiek verwezen naar paragraaf 5.8.
Ingedikte locatie woonboten buiten de 55 dB(A) contour van het industrieterrein Industrielawaai Zoals gezegd liggen de woonboten op de voorgestelde 'ingedikte' locatie binnen de geluidszone van 50 dB(A) van het industrieterrein De Rietvelden. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. Het doel van zo'n geluidszone is tweeledig: Enerzijds worden geluidgevoelige functies (zoals woningen) beschermd tegen een te hoge geluidsbelasting vanwege industrielawaai. De zone vormt als het ware een buffer (ruimtelijke scheiding) tussen industriële activiteiten en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Zoals gezegd is de geluidsbelasting op de ingedikte locatie van de woonboten onderzocht. Deze bedraagt op deze locatie niet meer dan 55 dB(A).
28
Aangezien het treffen van maatregelen aan de geluidbron (de bedrijven op het industrieterrein), het stedenbouwkundig ontwerp (van de ligplaatsen en woonboten) en afschermende voorzieningen niet mogelijk zijn, is gemeente voornemens om voor de geplande ligplaatsen een 'hogere geluidswaarde' te verlenen. Deze hogere geluidwaarde zal voor iedere ligplaats 55 dB(A) bedragen. Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluids-onderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling van de ligplaatsen bevindt zich binnen de geluidszone van de A59. Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Onder voorwaarden is (voor Rijkswegen) een hogere waarde mogelijk tot 53 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel.
Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden: Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding) Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming) Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling) Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Voor geluidsbelastingen op gevels hoger dan 53 dB (als gevolg van de Rijksweg A59) kan formeel geen ontheffing worden verleend. De geluidsbelasting als gevolg van de A59 is voor onderhavig plan onderzocht (zie Bijlage 3 Akoestisch onderzoek woonboten Ertveldplas). Een belasting tot 50 dB treedt op ter plaatse van de 'ingedikte' ligplaatsen. Vanzelfsprekend zijn maatregelen aan de bron, de overdracht en bij de ontvanger onderzocht.
Maatregelen aan de bron in de vorm van minder verkeer of lagere rijsnelheid op de A59 zijn met betrekking tot de wegverkeerscirculatie zeer ingrijpend. Vanwege de beperkte omvang van het plan is het niet realistisch om deze aspecten nader te onderzoeken. Dit geldt eveneens voor een stiller type asfalt op deze A59. Deze (ingrijpende) maatregel is niet nader onderzocht aangezien dit niet realistisch is ten aanzien van de nodige kosten in relatie tot de omvang van het plan. Dit geldt ook voor maatregelen in de overdracht. Het aanbrengen van een geluidscherm langs een groot gedeelte van de A59 is niet realistisch vanuit financieel oogpunt ten aanzien van het aantal ligplaatsen voor woonboten dat gerealiseerd wordt. Het vergroten van de afstand tussen bron en ontvanger (de woonboot) is een andere optie om de geluidbelasting vanwege de autosnelwegen terug te brengen tot aan de maximale grenswaarde. In het ontwerp zijn de ligplaatsen op de Ertveldplas reeds zo ver als mogelijk gesitueerd van de A59. Tot slot is bekeken of er stedenbouwkundige maatregelen te treffen zijn dat zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat. Aangezien het hier ligplaatsen betreffen kan afscherming niet gegarandeerd worden. Daarnaast heeft een woonboot ook een beperkte afschermende werking naar andere woonboten.
Aangezien het treffen van maatregelen aan de geluidbron (de A59), afschermende voorzieningen en het stedenbouwkundig ontwerp geen optie zijn, is gemeente voornemens om voor de geplande woonbootligplaatsen een 'hogere geluidswaarde' te verlenen voor het optredende wegverkeerslawaai. Railverkeerslawaai
29
Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. De beoogde ligplaatsen voor de woonboten liggen buiten een onderzoekszone van het railverkeer. Dit aspect is hier niet aan de orde.
Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid - zowel voor industrielawaai als wegverkeerslawaai - geen belemmeringen geeft voor onderhavig plan voor de ligplaatsen van woonboten op basis van een persoonsgebonden overgangsrecht.
5.3
Trillingen
Bij trillingen gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillinghinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten zoals woningen. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Zwaar wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt meestal trillingen. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt meestal binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Buiten dit gebied treden bijna nooit voelbare trillingen op. De afstand tot eventueel zwaar verkeer, goederen over het spoor en industriele bedrijvigheid is hier beduidend groter dan 100 meter. Verder betreffen het hier geen woonobjecten op de bodem, maar op water. Woonboten op het water ondervinden altijd een vorm van golvende beweging, niet te verwarren met hinderlijke trillingen bij woningen op de vaste grond. Het aspect trillingen is hier niet aan de orde.
Er is in onderhavige situatie geen aanleiding tot het uitvoeren van een onderzoek.
5.4
Verlichting
Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat de meest relevante lichtbron – hier industrieterrein Rietvelden – zich op ruime afstand bevindt van de geplande ligplaatsen, namelijk op ruim 400 meter. Andere lichtbronnen zijn op deze locatie, nabij het buitengebied, afwezig. Hinder door te veel aan licht wordt hier niet verwacht.
5.5
Externe veiligheid
Wettelijk kader Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen, Dit heeft betrekking op inrichtingen(bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's overwogen moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. Toetsingskader De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
30
Binnen het toetsingskader van deze drie typen risicobronnen staan altijd drie kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. Daarnaast heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een 'uitvoeringskader Externe veiligheid' vastgesteld. Hierin zijn drie hoofdambities benoemd: Bedrijven met opslag van gevaarlijke stoffen op de juiste plaats. 's-Hertogenbosch wil dat de vestiging van nieuwe inrichtingen waar gevaarlijke stoffen opgeslagen of verwerkt worden mogelijk blijft, maar bestaande inrichtingen die geen belemmering vormen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of hoge risico's opleveren in de bestaande situatie kunnen blijven bestaan op de huidige plaats. Nieuwe inrichtingen moeten gesitueerd worden op een geschikte locatie met name op De Rietvelden of De Brand. Verantwoord ontwikkelen nabij risicobronnen door de aanpak van externe veiligheid te stroomlijnen en uniformeren. Optimalisatie van de beheersbaarheid creëert meer ruimte Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording risico's De gemeente 's-Hertogenbosch maakt 20 ligplaatsen mogelijk voor woonboten op de Ertveldplas. Het gaat hier om ligplaatsen via een persoonsgebonden overgangsrecht. Via het persoongebonden overgangsrecht is sprake van een uitsterfconstructie. De ligplaatsen zijn derhalve 'eindig' (daarmee niet permanent) te noemen.
In onderstaande afbeelding is de locatie van de woonboten zichtbaar op een luchtfoto. Daarnaast is een afbeelding uit de ev-signaleringskaart gezet, waarop de risico-volle activiteiten zichtbaar zijn in de directe omgeving.
In rood indiklocatie woonboten
Ligplaats voor de woonboten incl. risicocontouren (bron: EV-signaleringskaart)
De risicobronnen in de omgeving zijn geinventariseerd, beoordeeld en de optredende risico's beschouwd en verantwoord. Deze inventarisatie en verantwoording staan beschreven in een aanvullende bijlage 'Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording groepsrisico woonboten Ertveldplas' (Bijlage 4). Advies Veiligheidsregio Conform het vastgestelde uitvoeringskader is de veiligheidsregio gevraagd advies uit te brengen op het plan. Het advies (zaaknummer 2022-002258, d.d. 24 mei 2022) is in Bijlage 5 opgenomen. De relevante onderdelen uit deze brief zijn in de verantwoording opgenomen. Conclusies en restrisico Op basis van de inventarisatie van de risicobronnen, de verantwoording van optredende risico's en het ontvangen advies, kunnen onderstaande conclusies worden getrokken: De woonboten liggen niet binnen het plaatsgebonden risicocontour PR-10-6. Hiermee wordt voldaan aan het wettelijk kader. Het gaat hier om een beperkt aantal (48) personen (gem. 2,4 per woning). Het gaat hier om zelfredzame personen binnen het invloedsgebied van de aardgasleiding, het spoortraject
31
Vught-'s-Hertogenbosch/'s-Hertogenbosch-Nijmegen, en de A59. De bewoners zijn geïnformeerd over de risico voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure middels het toesturen van het concept ontwerpbestemmingsplan waar de verantwoording onderdeel van uitmaakt samen met het advies van de brandweer. Bij het toxisch scenario geldt dat ramen en deuren dienen te worden gesloten, om zo gedurende langere tijd binnen te kunnen verblijven totdat de gifwolk overgedreven is. Onduidelijk is of de aanwezige woonboten in voldoende mate afgesloten kunnen worden om bij een toxische wolk veilig binnen te kunnen verblijven. Het gaat hier over een plan waar sprake is van een persoonsgebonden ligplaats. De locatie is gezien vanuit externe veiligheid niet wenselijk, aangezien ontvluchten afzijdig van de bron (hogedrukaardgasleiding) niet anders kan dan via het water. Het gaat hier om een locatie die niet wenselijk wordt geacht vanuit externe veiligheid, vanwege de ligging aan de Ertveldplas waardoor er geen goede vluchtweg voorhanden is, onvoldoende bereikbaar is en waar inzet van de brandweer slechts beperkt mogelijk is. Aangezien het hier gaat om een tijdelijke situatie, door het persoonsgebonden overgangsrecht, is de situatie acceptabel. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
5.6
Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3.
Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 8,6 motorvoertuigwegingen per ligplaats per etmaal (conform CROW, richtlijn 381, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden. Uitgangspunt vrijstaande koopwoning), resulteert dit in maximaal (worstcase) 190 motorvoertuigbewegingen per etmaal voor 22 ligplaatsen (zoals een aantal jaren geleden nog aanwezig). Daarvan worstcase 20 voertuigbewegingen aan vrachtverkeer (11% van het totaal). Met deze getallen toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.
32
Uitdraai NIBM-tool, mei 2022 Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied (locatie zandzuigerstraat en treurenburg) onder 20 µg/m3 liggen voor de beide stoffen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 12 microgram/m3. Hiermee wordt eveneens ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het voorliggend plan.
5.7
Bodem
Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door eventueel grondverzet. De ligplaatsen bevinden zich op het water. De relevant gevoelige functie wonen vindt derhalve niet plaats op de de bodem. De kwaliteit van de bodem op of nabij de ligplaatsen is voor de te bestemmen ligplaatsen niet relevant. Eventueel gebruik van de oever (behorend bij de woondoeleinden) voor is voor de kwaliteit van de bodem, gebruik en functie eveneens niet relevant te noemen.
33
5.8
Geur
Geur en hinder van geur kan een relevant aspect zijn bij ruimtelijke plannen. Een (toekomstige) bewoner (of de ondernemer) heeft belang bij een goed woon- en verblijfklimaat. Ten aanzien van gevoelige objecten gaat het er dus om dat een goed woon- en verblijfklimaat is gegarandeerd. Daarnaast dient voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad; de rechtspositie van de betrokkenen moet in stand blijven. Kortom: een geurproducerend bedrijf mag niet in haar belangen worden geschaad. Een woonboot (binnen een geregelde ligplaats) is een geurgevoelig object. Het is immers een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Nabij het plangebied liggen – op industrieterrein De Rietvelden - een aantal bedrijven/inrichtingen die vanwege de geuremissies en ligging maatgevend zijn voor een (individuele) geurbeoordeling op de ligplaatsen van de woonboten. De voor dit plan relevante geurproducerende bedrijven betreffen: De bierbrouwerij van Heineken De afvalwaterzuivering van Heineken Asfaltcentrale van Asfalt.nu Slachterij Vitelco. Bonda Veevoederfabriek Overige industriele bedrijven in de omgeving zijn vanwege de ruime afstand tot de woonboten het plangebied niet relevant voor een inhoudelijke geurbeoordeling.
Agrarische bedrijven – in de regel ook geurproducerende bedrijven – zijn niet aanwezig in de nabije omgeving. Om tot een juiste afweging voor het aspect geur (belangen en hinder) van deze relevante bedrijvigheid te komen is een onderzoek opgesteld (Royal Haskoning DHV, Actualisatie geuronderzoek Ertveldplas 's-Hertogenbosch, 7 april 2022, kenmerk BH9775-IB-NT-220407-1023). Dit onderzoek is te vinden in Bijlage 6. Door Royal Haskoning DHV is onderzocht wat ten aanzien van het aspect geur de uitbreidingsmogelijkheden en beperkingen zijn voor de bestaande geuremitterende bedrijven die zich ter hoogte van de Ertveldplas – op De Rietvelden - bevinden. Daarnaast is in beeld gebracht wat de geurcontour van eventuele nieuwe bedrijven op het bedrijventerrein Rietvelden kan zijn en hoe zich dat verhoudt ten aanzien van de vergunbaarheid met betrekking tot het aspect geur. Hiertoe zijn de gangbare geur-hindernormen beschouwd ter plaatse van de beoogde ligplaatsen. Hiertoe geeft het onderzoek antwoord op 4 specifieke vragen: 1. Conflicteren de optredende huidige geursituatie en de huidige ligging van de woonboten met elkaar? 2. Kan de huidige ligging van de woonboten leiden tot belemmeringen bij uitbreiding van de bestaande bedrijven op het industrieterrein of bij realisatie van nieuwe bedrijvigheid? 3.
Indien er sprake is van een knelpunt dan is de vervolgvraag of het opschuiven van een deel van de woonboten (indikvariant) een oplossing kan bieden? Onder de indikvariant wordt verstaan het opschuiven van de woonboten tot net buiten een maatgevende geluidscontour (van het industrieterrein) van 55 dB(A). Buiten deze contour is de afstand tot het industrieterrein groter - gunstig voor geur - en volgt een vergunbare situatie voor het aspect geluid. 4. Inzicht krijgen of er ten aanzien van geuremissie beperkende maatregelen aanknopingspunten zijn om voor bedrijven tot een betere vergunbare of inpasbare oplossing (meer ruimte voor uitbreidingsplannen) te komen. In het kort worden op de vragen onderstaande conclusies getrokken. Hierbij verwijzen we voor de inhoudelijke materie en beoordelingen naar het betreffende onderzoek van Royal Haskoning DHV.
Ad 1 Conflicteren de huidige geursituatie en de huidige ligging van de woonboten met elkaar? Kijkend naar de geurbelasting in de huidige situatie vanuit de bedrijven ter hoogte van de ligplaatsen van de
34
woonboten op de Ertveldplas geldt dat de Heineken brouwerij de hoogste (maatgevende) bijdrage heeft. Conclusie is daarbij dat de vergunde situatie van de Heineken brouwerij ten aanzien van het aspect geur niet in de knel komt op het moment dat de woonboten worden aangemerkt als 'niet aaneengesloten woonbebouwing'. Hierbij wordt opgemerkt dat - indien in dit buitengebied - de woonboten worden beschouwd als 'verspreid liggende woonbebouwing' er meer vergunbare geurruimte ontstaat dan het 'gevoeligere' aaneengesloten woonbebouwing. Voor de overige geuremitterende bedrijven doet zich ten opzichte van de ligging van de woonboten ten aanzien van het aspect geur eveneens geen knelpunt voor. Ad 2 Kan de huidige ligging van de woonboten leiden tot belemmeringen bij uitbreiding van de bestaande bedrijven op het industrieterrein of bij realisatie van nieuwe bedrijvigheid? Uit het onderzoek blijkt dat in relatie tot de woonboten er voor alle bedrijven groeiruimte beschikbaar is. indien wordt aangenomen dat toetsing van een toekomstige bedrijfssituatie plaatsvindt aan de geur-beleidsregels (voor de industrie) van de Provincie Noord-Brabant én de woonboten daarbij worden aangemerkt onder de omgevingscategorie 'gemengd'.
Opgemerkt wordt daarbij dat het er op lijkt dat andere geurgevoelige objecten (aaneengesloten bebouwing van de wijken De Kruiskamp en Boschveld) maatgevend zijn met betrekking tot de uitbreidingsmogelijkheden van Heineken. Conclusie is ook dat de meeste typen geurrelevante bedrijven zich op een van de (braakliggende) percelen op de Rietvelden kunnen vestigen. Ad 3 Indien er sprake is van een knelpunt dan is de vervolgvraag of het opschuiven van een deel van de woonboten (indikvariant) een oplossing kan bieden? Voor wat betreft de huidige situatie geldt dat met betrekking tot de Heineken Bierbrouwerij een conflicterende geursituatie kan ontstaan indien de woonboten als 'aaneengesloten bebouwing' wordt beoordeeld. In geval van het toepassen van de indikvariant valt deze onzekerheid ten aanzien van het aspect geur (toetsing aan wel of geen strengere norm op basis van type object/bebouwing) weg. Voor de uitbreidingsmogelijkheden van met name de Heineken brouwerij geldt dat om vergunbaarheid van de toekomstige bedrijfsactiviteiten er bij voorkeur wordt gekozen voor het zo ver mogelijk lokaliseren van de woonboten aan de oostelijke kant van de Ertveldplas. Ad 4 Inzicht krijgen of er ten aanzien van geuremissie beperkende maatregelen aanknopingspunten zijn om tot een betere vergunbare of inpasbare oplossing te komen.
Voor de diverse omliggende bedrijven zijn er verschillende mogelijkheden om tot een betere inpasbare oplossing te komen. Daarbij kan gedacht worden aan maatregelen die de vrijkomende geuremissie beperken. Daarnaast is het mogelijk om de verspreiding te optimaliseren (schoorsteenhoogte en bronlocatie). Maatregelen verschillend per bedrijfstak. Het is in een vergunningsituatie bij maatregelen altijd een afweging die gemaakt dient te worden tussen effecten op verschillende aspecten; geureffect, kosten en andere milieuaspecten. Conclusie Door de beoogde indikvariant is er voor bestaande en nieuwe geuremitterende bedrijven voldoende (geur)ruimte, zodat de belangen van de bedrijvigheid niet onaavaardbaar wordt geschaad.
5.9
Hoogspanningsleiding
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Overigens mogen (juridische geregelde) bestaande situaties volgens het Rijksadvies gewoon blijven bestaan. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.
Daarbij is het magneetveld in hart van de
35
hoogspanningslijn bijzonder veel hoger dan aan de uiterste randen. De ten noorden van het plangebied gelegen hoogspanningslijn betreft de 150 kVolt verbinding tussen de centrale van Geertruidenberg en het schakelstation in Orthen. Het betreft hier lijndeel 'Waalwijk - Den Bosch West'. De berekende (specifieke) magneetveldzone is hier 110 meter aan weerszijde van het hart van de hoogspanningslijn. Dit volgt uit een uitgevoerd onderzoek naar de 'specifieke magneetveldzone' (Berekening specifieke magneetveldzones nabij 150 Kv-hoogspanningslijn Ertveldplas, uitgevoerd door Omgevingsdienst ZuidOost-Brabant, 15 juni 2021, nummer 284258). Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 7. Dit betekent dat op 110 meter de waarde van 0,4 microTesla wordt bereikt. De buitenste rand van de ingedikte ligplaatsen bevindt zich op circa 80 meter van het hart van de hoogspanningslijn.
Weergave van de berekende magneetveldzone Vanwege de magneetveldzone is het niet wenselijk dat hier een permanente nieuwe woonsituatie wordt gecreërd. De in dit bestemmingsplan gekozen 'indikvariant' biedt dan ook geen permanente woonlocatie maar een uitsterfconstructie, via een persoonsgebonden overgangsrecht. Bij deze keuze speelt een rol dat de woonboten al lange tijd aan de Ertveldplas liggen, deels ook al binnen de magneetveldzone. Daarnaast is van belang dat de eigenaren van de woonboten de mogelijkheid is geboden hun woonboot te verplaatsen naar een andere locatie en dat de helft ook heeft aangegeven hiervan gebruik te gaan maken.
5.10
Water
In deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer 36
Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. Naast de kans op meer wateroverlast neemt ook de kans op langdurige periodes van droogte toe. Gemeente 's-Hertogenbosch Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogenbosch kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2021 is de Visie Groen en Klimaatbestendig vastgesteld waarin staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en vergroenen zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. Waterschap Aa en Maas In het Waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: 1.
Waterveiligheid Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: a. schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; b. de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; c. de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; d. de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen.
Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Plan De 20 ligplaatsen bevinden zich op het water. Voor de woonboten is het realiseren van hemelwaterberging als compensatie voor extra verhard oppervlak hier niet aan de orde. De woonboten liggen immers gewoon op het water. Het hemelwater zal van de woonboten afvloeien in de Ertveldplas. Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen.
37
5.11
Groen en Bomen
Het beleid voor groen en bomen binnen onze gemeente is opgenomen in de 'Verordening bomen, water en groen 2021'. De wijze waarop we met hemelwater omgaan is eveneens opgenomen in dezelfde verordening. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering in onze gemeente beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van onze gemeente geborgd. Om groen en biodiversiteit in onze gemeente te bevorderen geldt via de Verordening een groennorm in de vorm van een te behalen 'groenscore'. Met de groenscore toetsen we of er voldoende groene elementen in het plan worden meegenomen. De uitwerking van deze groenscore is zowel kwantitatief in hoeveelheid groen (m2) als kwalitatief in de mate van biodiversiteit. Per gebied is een ondergrens van het percentage groen aangegeven. Met dit plan is geen sprake van toename van verhard oppervlak en dus geen afname van groen, in ieder geval minder dan 500m2 alsook geen kap van bomen. De aangehaalde Verordening is niet aan de orde. Het bestaande groen wordt met onderhavig plan gerespecteerd.
5.12
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vast gelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019). Met de vast gestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: 1. 2. 3. 4.
Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) CO2 neutrale omgeving (energie) Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) Duurzame mobiliteit
Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds aan het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om. Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam 's-Hertogenbosch. Het plan betreft geen ontwikkeling in de zin van woningbouw of ander soortige nieuwbouw of verbouw. Het plan betreft het (tijdelijk) toelaten van reeds bestaande en liggende woonboten op een net wat andere loctie met een persoongeboden overgangsrecht. De woonboten zijn bestaand, reeds gebouwd en kan voor wat dat betreft gezien worden als een vorm van circulair grondstoffen gebruik. Een nieuwe boot hoeft immers niet meer gebouwd te worden.
Het aspect 'verduurzaming' is bij deze reeds bestaande objecten zonder concreet moment of noodzaak voor verbouwing nu niet aan de orde. Dit geldt ook voor een eventuele compensatie voor extra verhard oppervlak ten gunste van de hemelwaterberging. Dit is bij een ligplaats op het water niet aan de orde. Ook een eventuele compensatie van groen vanwege extra verharding is bij dit plan niet relevant te noemen. Het aspect duurzaamheid is niet relevant te noemen binnen dit plan van ligplaatsen voor 20 reeds bestaande woonboten.
38
5.13
Gezondheid
De gemeente hecht belang aan een gezonde leefomgeving. De leefomgeving waarin mensen wonen, werken en leven heeft invloed op hun gezondheid. Uit onderzoek van het Rivm blijkt dat in Nederland gemiddeld bijna 6 procent van de ziektelast toe te schrijven is aan milieufactoren ('Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014'). Hiermee is milieu - na roken - een van de belangrijke determinanten die bijdragen aan de ziektelast . Fijn stof en geluidsbelasting leveren de grootste bijdrage aan de ziektelast door milieufactoren. Vrijwel overal in Nederland wordt aan de normen voor fijn stof en stikstofdioxide voldaan, maar het grootste deel van de ziektelast door deze stoffen is toe te schrijven aan blootstelling aan concentraties die onder de huidige normen liggen. Naast het beperken van de druk op de gezondheid door diverse omgevingsfactoren, zoals luchtverontreiniging of geluid, is het tevens belangrijk om aandacht te hebben voor de positieve invloed die de omgeving kan hebben op de gezondheid. Dit kan door in het plan bij de leefomgeving rekening te houden met verschillende thema's en belangen, zoals gezonde mobiliteit, natuur, groen en water, sport en spelen, openbare ruimte, milieukwaliteit, en binnenmilieu. De luchtkwaliteit voldoet op onderhavig planlocatie aan de normen. Het betreft tevens een omgeving met bijzonder veel groen (en water).
Hittestress komt hier in mindere mate voor door de afwezigheid van bebouwing en verstening nabij. Daartegenover staat, zoals eerder al aangehaald, dat de locatie is gelegen binnen de invloedsfeer van het zware industrieterrein De Rietvelden - Ertveld met een geluidsbelasting boven de wettelijke voorkeursgrenswaarde en de ligging binnen de magneetveldzone van een hoogspanningsleiding. Dit laatste is ook de reden om hier wonen niet permanent toe te staan, maar uitsluitend via een persoonsgebonden overgangsrecht (uitsterfconstructie). Daarmee wordt voorkomen dat steeds nieuwe mensen in deze situatie kunnen gaan wonen.
5.14
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. ad b. Het plangebied ligt in stedelijk gebied.
Het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten &Bossche Broek ligt met 2,7 kilometer het dichts bij de planlocatie. Op een grotere afstand liggen de ' Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen' en het gebied 'Rijntakken'. Om eventuele gevolgen op het gebied van stikstof in beeld te brengen op Natura2000 gebieden is een stikstofberekening uitgevoerd (Caubergh-Huygen, 25 februari 2022, stikstofberekening woonboten op de Ertveldplas). Zie hiervoor Bijlage 8. De gewenste ontwikkelingen in het plangebied hebben géén significant
39
negatief effect op Natura 2000-gebieden. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde. Vorm vrije mer beoordeling Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Deze beoordeling blijkt uit de milieuparagraaf die alle relevante milieu-aspecten beschrijft en beschouwt van dit bestemmingsplan. Het opstellen van een m.e.r. wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5.15
Ecologie
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale
40
verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Beoordeling Dit bestemmingplan biedt de mogelijkheid aan de woonbootbewoners die al geruime tijd aan de Ertveldplas liggen, op een deel aan de noordoever van de plas te blijven liggen op basis van een persoonsgebonden overgangsrecht. Dit betekent dat een groot deel van de oever die nu in gebruik is als ligplaatsen voor woonboten vrij komt. Hier zal op korte termijn natuurontwikkeling in het kader van de Groene Delta worden bevorderd (zie ook paragraaf 4.3.2).
Daarnaast is dit bestemmingsplan gericht op beëindiging van deze woonbootlocatie op termijn, zodat ook op lange termijn mogelijkheden voor natuurontwikkeling gaan ontstaan.
5.16
Archeologie
Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassingwaren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden Gemeentelijk beleid De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart.
De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Beoordeling In het geldende bestemmingsplan Buitengebied is voor de oever / dijk al een dubbelbestemming Archeologie opgenomen. Deze bestemming is in dit bestemmingsplan overgenomen. Hierdoor zijn graafwerkzaamheden met een bepaalde oppervlakte en diepte alleen toegestaan na het verkrijgen van een vergunning. Daarbij zal dan getoets worden aan de archeologische waarden. Overigens zijn in het kader van dit bestemmingsplan geen grote graafwerkzaamheden te verwachten.
41
42
Hoofdstuk 6 Juridisch bestuurlijke aspecten In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
6.1
Planmethode
Dit bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de woonboten die met een uitsterfconstructie op de Ertveldplas mogen blijven liggen. Er wordt mogelijk gemaakt dat bewoners op een deel van de plas mogen blijven wonen op basis van een persoonsgebonden overgangsrecht.
6.2
Opzet van de regels
In deze paragraaf wordt ingegaan op de opzet van de planregels. De regels van het bestemmingsplan zijn verdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1. Inleidende regels Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels Hoofdstuk 3. Algemene regels Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Het bestemmingsplan omvat twee bestemmingen: 'Natuur' en 'Water' en drie dubbelbestemmingen ('Waarde Archeologie', 'Leiding - Gas' en 'Waterstaat - Waterkering').
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsbepalingen Bestemming Natuur De oever bij de Ertveldplas heeft de bestemming 'natuur' gekregen. Dat sluit aan bij de huidige bestemming die deze gronden nu reeds hebben. Bestemming Water De Ertveldplas heeft de bestemming 'water' gekregen, eveneens conform de huidige bestemming. Binnen deze bestemmingen is middels een aanduiding aangegeven (specifieke vorm van wonen -
43
persoonsgebonden overgangsrecht) dat het gebruik van een ligplaats voor een woonboot door de huidige hoofdbewoners mag worden voortgezet,. Daaraan zijn wel voorwaarden verbonden. Dubbelbestemmingen Overeenkomstig het geldende bestemmingsplan, zijn over het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie', 'Leiding - Gas' en 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Daarmee wordt beoogd respectievelijk de archeologische waarde, de veiligheid van de gasleiding en behoud van de dijk te waarborgen. Hoofdstuk 3 Algemene regels In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouw- en gebruiksregels en de algemene afwijkingsregels aaan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen In deze paragraaf zijn tot slot de algemene, overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden. Specifiek zijn hier ook de regels van het persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen
44
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in het herplaatsen in oostelijke richting van woonbootbewoners die niet verplaatst worden naar de Van Veldekekade (indikvariant). Voor de bewoners wordt hiervoor een persoonsgebonden overgangsrecht vastgelegd. Voor de verplaatsingskosten is een krediet beschikbaar met dekking 50% bewoners en 50% gemeente. Dit bedrag is exclusief plankosten welke ten laste van de algemene middelen van de geldende begroting komen.
45
46
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg
8.1
Omgevingsdialoog
Over de oplossingsrichting voor de woonboten aan de Ertveldplas is voorafgaande aan de formele procedure van dit bestemmingsplan veel gesproken met belanghebbenden. In dit verband verwijzen wij naar paragraaf 3.2. Daarnaast is het concept ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de belanghebbende partijen rondom de Ertveldplas.
8.2
Vooroverleg
Over het plan is het overleg ex artikel 3.1.1. Bro gevoerd met Provincie, Waterschap Aa en Maas en met de Gasunie. De door de gemeente ingevulde inventarisatie geeft de Provincie geen aanleiding tot het maken van omerkingen. Waterschap AA en Maas heeft geconcludeerd dat het bestemmingsplan geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Van de Gasunie is geen reactie ontvangen.
47
48
Bijlagen
49
Bijlage 1 Advies Wet verduidelijking voorschriften woonboten
50
Hekkelman Advocaten N.V.
Postbus 1094
Prins Bernhardstraat 1
6501 BB Nijmegen
6521 AA Nijmegen
T 024 - 382 83 84
www.hekkelman.n1
advocatuur@hekkelman.n1
1-lekkel advocaten I notarissen
Aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch t.a.v. de heer T. Habraken Postbus 12345 5200 GZ 'S-HERTOGENBOSCH
Irk
Per e-mail: t.habraken@ts-hertogenbosch.n1 Nijmegen, 17 september 2020 Ons kenmerk
Telefoonnummer
Den Bosch/Advies woonboten 20201062 - 1968538/1 - TL/
024 - 382 83 38
Faxnummer
t.lam@hekkelman.nl
024 - 382 83 88
Geachte heer Habraken, In uw e-mail van 6 augustus 2020 heeft u mij gevraagd de gemeente 's-Hertogenbosch te adviseren over de betekenis van de 'Wet verduidelijking voorschriften woonboten' voor de woonboten die in de Ertveldplas een ligplaats hebben. Hierna treft u mijn advies aan. 1. Inleiding en vraagstelling Ter plaatse van de Ertveldplas geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Dit bestemmingsplan staat woonboten niet toe.' In de afgelopen jaren is de gemeente, samen met de betrokken partijen, bezig geweest om tot een planologisch-juridische regeling te komen voor de betreffende woonboten. In het raadsbesluit van 11 juli 2017 heeft de raad — grofweg — voor een tweeledige oplossing gekozen: 1) de aanwezige woonboten worden onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht, zodat de ten tijde van de peildatum in de woonboten woonachtige personen hun woonboot kunnen blijven bewonen, en 2) de Van Veldekade wordt aangewezen als woonbootlocatie, zodat de bewoners de mogelijkheid hebben om te verhuizen naar een locatie waar zij permanent in een woonboot kunnen wonen. Later is gebleken dat ook de Rosmalense Plas mogelijk geschikt is als woonbootlocatie. Op 4 november 2019 hebben burgemeester en wethouders het voorontwerpbestennnningsplan 'Woonbootlocaties Van Veldekade en Rosmalense Plas' ter inzage gelegd.
1 Zie daarover ook de uitspraak van de Afdeling over dit bestemmingsplan: AbRS 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2285. Hekkelrnan advocaten en notarissen is de handelsnaam waaronder Hekkelman Advocaten N.V. (KvK nr. 09170462) en Hekkelman Notarissen NV. (Kvi< nr. 09170507), beide statutair gevestigd te Nijmegen, ieder voor eigen rekening werken. Op onze dienstverlening zijn van toepassing de algemene voorwaarden (zie www.hekkelman.n1) waarin onder andere een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen.
1-lekkel m rij, Pagina
2/8
In de inspraakreactie van 1 december 2019 is, met verwijzing naar het advies van 11 februari 2019 dat ik voor de gemeente Nijmegen heb opgesteld, gewezen op de 'Wet verduidelijking voorschriften woonboten'. De toepasselijkheid van deze wet zou tot gevolg hebben dat de woonboten die in de Ertveldplas liggen legaal aanwezig zijn. De Bewonersvereniging Ertveldplas heeft deze wet, wederom met verwijzing naar mijn eerdergenoemde advies, recent ook onder de aandacht van de gemeenteraad gebracht. Tegen deze achtergrond wilt u weten wat de betekenis van de 'Wet verduidelijking voorschriften woonboten' voor de woonboten in de Ertveldplas is. 2.
Beantwoording
2.1 Algemeen Voor een uitgebreide bespreking van (de parlementaire geschiedenis bij en de rechtspraak van de bestuursrechter over) de Wet verduidelijking voorschriften woonboten (hierna: 'de Wvvw/), verwijs ik naar mijn advies van 11 februari 2019 dat zich in uw dossier bevindt en ook bij de raad bekend is. Ik volsta in dit advies met een aantal meer inleidende opmerkingen en bezie vervolgens de betekenis van de Wvvw voor de betreffende woonboten. Ik betrek daarbij uiteraard de relevante actuele ontwikkelingen van na mijn advies van 11 februari 2019. 2.2 Wet verduidelijking voorschriften woonboten 'Bouwwerken' in de zin van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: 'de Wabo') zijn (in beginsel) omgevingsvergunningplichtig. In de uitspraak van 16 april 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: 'de Afdeling'), anders dan daarvoor, geoordeeld dat een woonboot (onder omstandigheden) een 'bouwwerk' is.2 De koerswijziging van de Afdeling had tot gevolg dat nagenoeg alle circa 10.000 woonboten in Nederland illegaal waren.3 Die consequentie achtte de regering niet aanvaardbaar. Op 1 januari 2018 is de Wvvw in werking getreden. Vertrekpunt in het wetsvoorstel was - kort gezegd - het wegnemen van de voor eigenaren en gebruikers van bestaande woonboten nadelige gevolgen van de uitspraak van de Afdeling.