CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 BOPA_Zonneveld Oude Baan-Oost Rosmalen 18 juni 24

Gemeenteraad 10 september 2024, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Ontwikkeling zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen16.611 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld: 

Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);

Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);

Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient een BOPA ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. In het NWP is er aandacht voor schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief is en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de

32

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

raakvlakken van water met andere sectoren. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee.

Beleid Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:

7. Waterveiligheid; Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.

8. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).

9. Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: 

schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;

de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;

de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;

de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

33

waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.

Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Planspecifiek Watertoets Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld. Het resultaat is toegevoegd als Bijlage 4. Hieruit komt naar voren dat voor het initiatief het doorlopen van een normale procedure bij het waterschap voldoende is.

Hemelwater Hemelwater dat op de zonnepanelen valt, stroomt af op de grond in infiltreert daar. De oprit wordt voorzien van halfverharding, waardoor hemelwater ter plaatse kan infiltreren. Daarnaast is het initiatief getoetst aan de Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021 (paragraaf 3.3.3).

Conclusie Het aspect water levert geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief.

4.2

Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf,

34

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek Een zonnepark is geen gevoelig object en de panelen zelf hebben geen milieueffect op de omgeving. Wel komt er een gecombineerde transformator / inkoopstation binnen het projectgebied. Het zonnepark krijgt een 2 MVA netaansluiting. In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is voor 'Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen <10 MVA' een milieucategorie 2 opgenomen. De maximale richtafstand daarvoor bedraagt 30 m (geluid). De transformatoren zijn beoogd op circa 50 m afstand van de meest nabijgelegen gevoelige bebouwing. Daarmee voldoet het initiatief aan de gestelde richtafstand en worden negatieve effecten van de transformatoren op in de omgeving gelegen gevoelige objecten uitgesloten.

4.3

Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek Voorliggend project maakt de ontwikkeling van een zonnepark mogelijk. Een zonnepark is geen bodemgevoelige functie, waarmee op voorhand kan worden gesteld dat de kwaliteit van de bodem in lijn is met het toekomstig functiegebruik. Vanwege de voormalige functie als vuistortlocatie is de vuilstort bovendien afgewerkt met een dikke laag schone grond (minimaal 0,5 m). Uit eerder onderzoek (begin 2021) blijkt dat, met name aan de randen van de stortlocatie) de stortlaagdikte

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

35

tussen de 0,7 en > 1,2 meter bedraagt, met een gemiddelde dikte van 0,91 m. Daarmee voldoet de bodem aan de minimale deklaagdikte. Ten aanzien van de uit te voeren bodemingrepen is een Notitie bodemingrepen opgesteld, vindbaar in Bijlage 5. De zonnepanelen rusten op het maaiveld, de bekabeling wordt weggewerkt in de schone deklaag. De onderliggende stortlaag wordt daarmee niet verstoord. Met de geplande opstelling kunnen de bestaande monitoringspeilbuizen aan de randen intact blijven. Gelet op het voorgaande wordt gesteld dat het zonnepark toelaatbaar is op deze locatie.

4.4

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de ‘omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit’ opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;

het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-

36

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: 

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit

bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;

bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Planspecifiek Gelet op het toekomstig gebruik van de locatie is de bijdrage van het initiatief aan luchtkwaliteit zeer summier te noemen. Het zonnepark zelf heeft geen effect. Hooguit neemt het aantal verkeersbewegingen in verband met installatie en reparatie van de zonnepanelen iets toe ten opzichte van de bestaande situatie. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, vergelijkbaar met ca. 1650 voertuigbewegingen, waarvan 2% vrachtwagens). Op basis van de te verwachten zeer beperkte toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het projectgebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

4.5

Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

37

activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: 

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);

Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);

Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);

Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw

Standaardwaarde

Grenswaarde

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en

2,0 ouE/m3

8,0 ouE/m3

3,0 ouE/m3

14,0 ouE/m3

8,0 ouE/m3

20,0 ouE/m3

14,0 ouE/m

35,0 ouE/m3

buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en nietconcentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Planspecifiek Een zonnepark is geen geurgevoelig object. Het zonnepark zorgt ook niet voor geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving. Negatieve effecten in het kader van geur kunnen daarmee op voorhand worden uitgesloten.

38

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

4.6

Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort

Standaardwaarde, in dB.

Grenswaarde, in dB.

Rijks- en provinciale wegen. In Lden

50

60

Gemeente- en waterschapswegen. In Lden

53

70

Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden

55

65

Lden

50

55

Lnight

40

45

Industrieterrein

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en .3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluid door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: 

op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: o

op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw

o

op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

39

op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen en in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

In lijn met het Bkl dient bij het realiseren van geluidgevoelige functies gekeken te worden naar het aandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek Een zonnepark is geen geluidgevoelige functie zoals bepaald in het Bkl. De enige bronnen van geluid bij een zonnepark zijn de transformatoren. Deze geluidsbronnen zijn in paragraaf 4.2 Milieuzonering getoetst vanuit het aspect milieuzonering en daaruit blijkt dat het initiatief geen geluidhinder tot gevolg heeft.

4.7

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico

40

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

41

Planspecifiek De projectlocatie zal niet worden gebruikt als verblijfslocatie voor personen en is daarmee geen (beperkt) kwetsbaar object. Tevens worden met het plan geen risicobronnen mogelijk gemaakt die in het kader van externe veiligheid een nadere toelichting behoeven. Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect omgevingsveiligheid.

4.8

Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en de uitzondering in artikel 22.87a (in verband met agrarische bedrijvigheid) van de Bruidsschat.

Planspecifiek In de ruime omgeving van het projectgebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

4.9

Lichtreflectie

Lichtreflectie of schittering door zonnepanelen vindt plaats wanneer zonnestralen zó reflecteren op zonnepanelen, dat zij in het oog van een observeerder worden opgevangen. Drie factoren spelen hierbij een rol: 

De stand van de zon aan de hemel.

De opstellingshoek van de zonnepanelen.

De locatie van de observeerder ten opzichte van de panelen.

Enkel wanneer al deze drie factoren over een minimale bepaalde waarden beschikken is lichtreflectie mogelijk. Vervolgens zijn er meerdere factoren die bepalen hoe de reflectie wordt ervaren: 

De felheid van de reflectie.

De hoeveelheid achtergrondlicht.

42

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

De positie van de reflectie in het gezichtsveld van de observeerder.

De duur van de verlichting.

Planspecifiek Het zonnepark wordt opgericht in een bebost gebied. Langs de randen van het zonnepark wordt de bestaande landschappelijke inrichting behouden of worden nieuwe landschapselementen aangeplant. Daarnaast bevindt het zonnepark zich hoger dan het maaiveld. Vanuit alle windrichtingen is daarmee straks geen tot nauwelijks zicht op het zonnepark. Ook voor bewoners uit de omgeving geldt daarom dat reflectiehinder op voorhand is uit te sluiten.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect lichtreflectie.

4.10 Elektromagnetische straling Met betrekking tot elektromagnetische velden van zonneparken dient onderscheid gemaakt te worden tussen de panelen zelf en de omvormers. Het elektromagnetisch veld dat de zonnepanelen zelf opwekken is erg zwak. Om de laagspanning van zonnepanelen geschikt te maken voor het stopcontact is een omvormer nodig. Deze omvormers zorgen voor een magnetisch veld, dat ruim onder de blootstellingslimiet blijft. Daardoor geldt in algemene zin dat zonneparken geen negatieve gezondheidseffecten als gevolg hebben met betrekking tot dit thema.

Planspecifiek De transformatoren van het zonnepark zijn voorzien op circa 50 m van de dichtstbij gelegen woning. Deze bevinden zich daarmee op ruime afstand van de perceelsgrenzen (zie ook paragraaf 4.2). In aanvulling op de inleidende tekst uit voorliggende paragraaf blijkt uit onderzoek van het RIVM uit 2009 dat op meer dan 4 m van een transformatorhuis/-station het jaargemiddelde magnetische veldsterkte lager zal zijn dan 0,4 microtesla. Negatieve effecten in het kader van elektromagnetische straling zijn op voorhand uit te sluiten.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect elektromagnetische straling. 4.10.1 Kabels en leidingen Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 

gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;

aardgasleidingen afhankelijk van druk;

defensiebrandstoffen;

warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

43

Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

Conclusie Het aspect kabels en leidingen levert geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief. Het aanleggen van kabels levert geen belemmeringen op in het kader van bodem en archeologie.

4.11 Explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het projectgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid rekening gehouden te worden met Ontplofbare Oorlogsresten (OO). Hiertoe heeft de gemeente ’s-Hertogenbosch een Nota Ontplofbare Oorlogsresten opgesteld. Hierin staat beschreven hoe er op een veilige en proportionele manier met OO moet worden omgegaan en op welke manier er moet worden omgegaan met de bijdrageregeling van het Gemeentefonds.

Onderzoek naar OO dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Bij het uitvoeren van werkzaamheden wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van de Nota.

4.12 M.e.r.-beoordeling De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Beoordeling of een M.e.r. procedure of beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project voldoet aan de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.

44

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. o

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.

o

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Planspecifiek Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van een zonnepark. Dit zou onder een stedelijk ontwikkelingsproject kunnen vallen. Daarnaast volgt uit artikel 11.6, derde lid, onder d, juncto artikel 11.8, derde lid van het Omgevingsbesluit dat een omgevingsvergunning ‘omgevingsplanactiviteit’ onder de besluiten als genoemd in kolom 4 bij categorie J11 kan vallen. Echter, omdat zonneparkprojecten niet als milieubelastende activiteit zijn aangemerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), kunnen negatieve effecten ten aanzien van de omgeving als gevolg van het zonnepark op voorhand worden uitgesloten. Het initiatief is daarmee niet mer-plichtig.

4.13 Conclusie veilige en gezonde fysieke leefomgeving De Omgevingswet benoemt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nadrukkelijker in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.

Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

45

Hoofdstuk 5

Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Zorgvuldig ruimtegebruik

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarnaast is de vraag of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik relevant in het kader van het provinciaal beleid (paragraaf 3.2.2).

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het mogelijk maken van een zonnepark. Uit jurisprudentie (ABRvS 23 januari 2019; ECLI:NL:RVS:2019:178) blijkt dat een zonnepark op voorhand niet aangemerkt kan worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Een nadere toets aan de ladder is daarmee niet aan de orde.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde

46

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet.

Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek Cultuurhistorie Binnen het projectgebied en in de omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten (rijks- of gemeentelijke monumenten) gelegen die door onderhavig initiatief kunnen worden beïnvloed.

Archeologie Voor het noordelijke deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht bij bodemverstorende ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm onder het huidige maaiveld. De aan deze bestemming gekoppelde middelhoge verwachting is op de meest actuele verwachtingskaart van de gemeente ’s-Hertogenbosch komen te vervallen. In plaats daarvan is voor deze locatie een onbekende verwachtingswaarde opgenomen, waarvoor aanvullend onderzoek nodig is.

Binnen het projectgebied was voorheen een vuilstort aanwezig. De vuilstort was van 1960 tot 1986 in gebruik voor met name de stort van huishoudelijk- en bedrijfsafval. Hierna is het terrein opgehoogd met een dikke laag schone grond en in gebruik genomen als landbouwgrond (hooiland). Het zonnepark wordt op deze dikke laag schone grond opgericht. De zonnepanelen rusten op het maaiveld, de bekabeling wordt weggewerkt in de schone laag grond. Dit is grond die is aangevoerd na beëindiging van de vuilstort. Deze grond beschikt daarmee niet over waardevolle archeologische resten. Nader onderzoek is, gelet op de ondiepe werkzaamheden en situatie ter plaatse, niet aan de orde.

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

47

5.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

48

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: 

er soorten aanwezig zijn; en

welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 6. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.

Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden wordt de algemene zorgplicht te allen tijden in acht genomen. In paragraaf 3.3.3 is getoetst aan de gemeentelijke groennorm.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000. Het projectgebied ligt op circa 7 km afstand tot het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Uit de Quickscan blijkt dat negatieve effecten in het kader van gebiedsbescherming, gelet op de afstand en de aard van het initiatief, op voorhand kunnen worden uitgesloten. Ten aanzien van het aspect stikstof zijn berekeningen middels de AERIUS-calculator (Bijlage 7 en Bijlage 8) uitgevoerd. Als gevolg van de ontwikkelingen is er zowel in de gebruiksfase als aanlegfase geen sprake van stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebied groter dan 0,00 mol/ha/j. Het opstellen van een passende beoordeling is daarmee niet aan de orde. Onder het provinciaal beleid, zie paragraaf 3.2.2, is nader ingegaan op de gevolgen van voorliggend project op het Natuur Netwerk Brabant.

Houtopstanden Het initiatief voorziet niet in kapwerkzaamheden.

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

49

5.4

Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een toename aan functies zorgt voor extra verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek Het zonnepark wordt aan de noordkant ontsloten op de Oude Baan-Oost. Daarmee is het zonnepark goed bereikbaar voor monteurs en eventuele hulpdiensten. Met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking en het aantal benodigde parkeerplaatsen kent dit project geen effect. De verkeersaantrekkende werking van het zonnepark ontstaat alleen door monteurs die, indien nodig, langskomen voor onderhoud (circa 12 per jaar). Vergeleken met de huidige mogelijkheden van de locatie (landbouw) leidt dit voor een verbetering van de verkeersaantrekkende werking en daarmee de verkeerssituatie ter plaatse. Een zonnepark genereert ook geen permanente parkeerbehoefte. Aan de noordkant, langs de oprit, is voldoende ruimte aanwezig waar onderhoudsmedewerkers hun wagens kunnen parkeren.

Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico’s voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

50

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

Planspecifiek Een zonnepark is geen gevoelige functie in het kader van klimaatverandering. Hinder als een gevolg van wateroverlast, hittestress, droogte en overstromingen zijn daarmee niet aan de orde. Het toevoegen van een zonnepark leidt nauwelijks tot een toename van verhard oppervlak. Water kan hiermee nog altijd in de bodem infiltreren. Daarnaast voorziet het initiatief in het versterken van groen, waarmee negatieve gevolgen van klimaatverandering kunnen worden tegengegaan.

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

51

Hoofdstuk 6

Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. Bij de reguliere procedure bestaat de mogelijkheid voor bezwaar en (hoger) beroep. Bij de uitgebreide procedure bestaat geen mogelijkheid voor bezwaar. Daar bestaat de mogelijkheid zienswijzen en (hoger) beroep tegen het ontwerpbesluit in te dienen. Bij voorliggend initiatief is er sprake van de reguliere procedure.

6.1

Participatie

Inspraak De visie energielandschap van de gemeente ’s-Hertogenbosch schrijft voor dat participatie in het planproces essentieel is. Door de omgeving vroegtijdig bij het initiatief te betrekken kan veel weerstand worden voorkomen. Te vaak voelen partijen zich ‘gepasseerd’ of ‘niet gehoord’ waardoor zij op voorhand de hakken in het zand zetten. Omwonenden en andere belanghebbenden zijn actief betrokken ten aanzien van financiële participatie. In het participatieplan uit Bijlage 9 wordt uitgelegd tot welke invulling van financiële participatie het project is gekomen en hoe dit in overeenstemming is met de beleidsuitgangspunten van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Daarnaast is in deze bijlage een verslag van de omgevingsdialoog opgenomen. Uit de omgevingsdialoog blijkt dat de meerderheid van de belangstellenden zich kon vinden in de plannen voor het zonneveld.

Overleg In het kader van bestuurlijk vooroverleg wordt het plan toegestuurd aan de belanghebbende instanties, zoals de provincie en het waterschap.

6.2

Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften zijn mogelijk voor zover ze betrekking hebben op het gebied waar de

52

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

vergunningaanvraag op ziet én voor zover de voorschriften betrekking hebben op de aangevraagde ontwikkeling.

De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Ook wordt de landschappelijke inpassing juridisch verankerd in deze overeenkomst. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

53

Bijlagen

54

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

Landschapsplan

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

55

NNB-toets

56

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

Scoreformulier groennorm

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

57

Digitale watertoets

58

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

Notitie bodemingrepen

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

59

Quickscan Flora en Fauna

60

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

AERIUS-berekening (aanlegfase)

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

61

AERIUS-berekening (exploitatiefase)

62

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

Participatieplan Oude Baan-Oost

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

63

64

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

65

66

Zonneveld Oude Baan-Oost, Rosmalen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14307549/1