Bijlage 1 - Bijlage 22 bij de Toelichting Oplegnotitie Natuurtoets GEANONIMISEERD
Tekst van het document
Wanneer de Ruitersdam zijn functie voor de vleermuizen zou verliezen, gaan twee vlieglijnen in de omgeving verloren (haaks op de Ruitersdam) en wordt een mogelijk belangrijke en lang gestrekte vliegroute verbroken. Ook licht- en optische verstoring kunnen de functie van de houtwal negatief beïnvloeden. Pagina 77
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Als gevolg van de herinrichting van het terrein tot bedrijventerrein komt er ten noorden van de Ruitersdam een ontsluitingsweg te liggen. Hiervoor zijn twee opties mogelijk: één direct ten noorden van de Ruitersdam en één op grotere afstand ten noorden van de Ruiterdam, direct ten noorden van Koksteeg 18. De optie met een ontsluitingsweg direct ten noorden van de Ruitersdam zal aan het begin en aan het einde door de houtwal van de Ruitersdam snijden (gering oppervlakteverlies). Dit (en de ontsluitingsweg in zijn algemeenheid) hoeft echter niet te leiden tot overtredingen van verbodsbepalingen gesteld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming, mits voldaan wordt aan een aantal eisen (zie ook paragraaf 7.4.5). Wanneer er geen lichtuitstraling plaatsvindt richting de houtwal langs de Ruitersdam en wanneer er geen grote – onoverbrugbare – gaten in de aaneengesloten beplanting plaatsvindt, kan de houtwal zijn functie behouden als belangrijke vliegroute en foerageergebied. Bij voorliggend rapport wordt uitgegaan dat aan deze eisen voldaan wordt bij de herinrichting van het plangebied (zie ook de inrichting van de weg afgebeeld in Figuur 3.1). Zoals in paragraaf 5.4.2 beschreven is, vormt met name de opgaande vegetatie en het zandpad in combinatie met de luwte van de vegetatie belangrijke aspecten die de houtwal tot een belangrijke vliegroute en foerageergebied maakt.
Dit wordt niet aangetast wanneer de ontsluitingsweg aan de noordzijde van de houtwal gerealiseerd wordt en er geen lichtuitstraling richting de houtwal plaatsvindt De optie met een ontsluitingsweg ten noorden van Koksteeg 18, op grotere afstand van de Ruitersdam heeft geen ruimtebeslag op de Ruitersdam. Door de grotere afstand worden bij deze optie ook geen negatieve effecten op de vliegroute door lichtstraling verwacht. Daarnaast geldt dat doordat de houtwal langs de groenzone (bestemming ‘groen’) ligt, de vliegroute en het foerageergebied niet onderhevig is aan wezenlijke invloeden van het bedrijventerrein (zoals lichtverstoring). De soorten concentreren zich rondom de boomstructuren en de gebouwen. Zodoende zijn overtredingen van verbodsbepalingen bij deze aspecten niet aan de orde. Een positief effect van de toekomstige inrichting is dat er een groot, nieuw foerageergebied ontstaat voor vleermuizen door de realisatie van de groene zone met waterpartijen (centraal in het plangebied en zuidwesthoek plangebied). Met name wanneer deze groen/waterzone natuurvriendelijk wordt ingericht (bijvoorbeeld met natuurvriendelijke oevers) ontstaat er ook aan de oevers een insectenrijk gebied welke als voedsel dient voor de vleermuizen.
Langs de wegen, die het gebied doorkruizen, zullen tevens laanstructuren aangelegd worden die voor de vleermuizen geleidende elementen vormen in het landschap. Tevens kunnen de soorten hier foerageren. Verstoring In het plangebied en op de randen van het plangebied (langs landschapselementen) komen vleermuizen met name foeragerend voor. Met name de zuidelijke houtwal bij de Ruitersdam (zie paragraaf 5.1.2) vormt een essentiële vlieg- en foerageerroute voor vleermuizen. Zoals hierboven reeds onderbouwd is, blijft de verstoring beperkt als gevolg van de herinrichting van het plangebied en worden er bij het opvolgen van de gestelde eisen geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (artikel 3.5) overtreden. Zie ook voor maatregelen Hoofdstuk 7. Wanneer deze zorgplichtmaatregelen opgevolgd worden zijn er ook tijdens de tijdelijke fase geen overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde.
Pagina 78
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
6.6.8
Zoogdieren –Marterachtigen
Storingsfactoren: oppervlakteverlies en verstoring.
Oppervlakteverlies Steenmarter Van de steenmarter (vermeld in artikel 3.10 Wnb, onderdeel A) is gebleken dat de soort twee verblijfplaatsen, de dakisolatie van Zoggelsestraat 118 en de dassenburcht op het terrein van de Zoggelsestraat 122, heeft in het plangebied. In Figuur 3.1 (toekomstige inrichting) te zien dat de Zoggelsestraat 118 en 122 nog niet zijn ingetekend op de kaart. Dit wil echter niet zeggen dat de situatie ter plaatse niet verandert na herontwikkeling van het terrein. Mogelijk wijzigt de invulling van de kavels naar een nieuwe situatie; de precieze toekomstige invulling van de kavels is vooralsnog onduidelijk. Mogelijk worden deze uitgegeven als bijvoorbeeld woonkavels of horecakavels en kan men de kavels vrij invullen (met eventuele sloop of graafwerkzaamheden tot gevolg). Het gevolg hiervan is dat niet met zekerheid uitgesloten kan worden dat de aanwezige verblijfplaatsen behouden blijven. Vanwege deze kanttekening wordt er in voorliggende toetsing vanuit gegaan dat de twee verblijfplaatsen van de steenmarter verloren gaan (worst-case benadering). De aantasting is een overtreding van de in artikel 3.10 genoemde verbodsbepaling (lid 1b). Als gevolg van de verstoring en herinrichting van het plangebied tot bedrijventerrein worden twee vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter in functie aangetast en vernietigd.
Dit is in overtreding met de Wet natuurbescherming (artikel 3.10 genoemde verbodsbepaling (lid 1b)). Om deze reden is voor de voorgenomen activiteit een ontheffing Wnb (soortbescherming) noodzakelijk. Tevens dienen maatregelen getroffen te worden om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen en om aan de zorgplicht Wnb te voldoen. De soort kan tevens meeliften met de inrichtingsmaatregelen die getroffen moeten worden voor de kleine marterachtigen. Zie daarvoor Hoofdstuk 7. Das Ter hoogte van de Zoggelsestraat 122, de Ruitersdam en in de bosschage tussen de A59 en de Bosschebaan zijn door dassen in gebruik zijnde dassenburchten aangetroffen. De burcht van de Zoggelsestraat 122 bevindt zich binnen een kavel die nog ingetekend is op de toekomstige inrichtingskaart (zie Figuur 3.1). Alhoewel de kavel nog ingetekend is, wil dit echter niet zeggen dat de situatie ter plaatse van deze kavels niet verandert na herontwikkeling van het terrein. Mogelijk wijzigt de invulling van deze kavel naar een nieuwe situatie; de precieze toekomstige invulling van deze kavel is vooralsnog onduidelijk. Mogelijk worden deze uitgegeven als bijvoorbeeld bedrijfskavel, woonkavels of horecakavels en kan men de kavel vrij invullen (met eventuele sloop tot gevolg). Het gevolg hiervan is dat niet met zekerheid uitgesloten kan worden dat de aanwezige burcht behouden blijft.
De burcht in de bosschage ten noorden van het plangebied en aan de Ruitersdam worden niet direct aangetast door het voornemen, maar kunnen mogelijk indirect aangetast worden door aantasting/verlies van essentieel foerageergebied en versnippering van zijn leefgebied binnen het plangebied. Derhalve wordt in deze toetsing uitgegaan dat drie burchten hun functie verliezen (worst-case scenario). Als gevolg van de verstoring en herinrichting van het plangebied tot bedrijventerrein worden twee vaste rust- en verblijfplaatsen van de das in functie aangetast en vernietigd. Dit is in overtreding met de Wet natuurbescherming (artikel 3.10 genoemde verbodsbepaling (lid 1b)). Om deze reden is voor de voorgenomen activiteit een ontheffing Wnb (soortbescherming) noodzakelijk (in fase 2, ontwikkeling van 50 naar 80 ha). Tevens dienen maatregelen getroffen te worden om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen en om aan de zorgplicht Wnb te voldoen. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen (randvoorwaarden) uiteengezet. Pagina 79
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Oppervlakteverlies en verstoring Kleine marterachtigen – bunzing en wezel Bunzing Uit het nader onderzoek is gebleken dat de bunzing (vermeld in artikel 3.10 Wnb, onderdeel A) 1 territorium heeft in het zuiden van het plangebied ter hoogte van de Zoggelsestraat 122. Als gevolg van de herinrichting van het gebied zal de omgeving van deze kavel heringericht worden tot tijdelijk zonnepark. In Figuur 3.1 (toekomstige inrichting) is te zien dat de Zoggelsestraat 122 nog niet is ingetekend op de kaart. Dit wil echter niet zeggen dat de situatie ter plaatse niet verandert na herontwikkeling van het terrein. Mogelijk wijzigt de invulling van de kavel naar een nieuwe situatie; de precieze toekomstige invulling van de kavel is vooralsnog onduidelijk. Mogelijk wordt deze uitgegeven als bijvoorbeeld woonkavel of horecakavel en kan men de kavel vrij invullen (met eventuele sloop of graafwerkzaamheden tot gevolg). Het gevolg hiervan is dat niet met zekerheid uitgesloten kan worden dat de aanwezige territoria niet aangetast worden. Ook kan het territorium verstoord worden door de werkzaamheden en zijn functie verliezen. De bunzing is verstoringsgevoelig en heeft geleidende elementen nodig om zich door het landschap te verplaatsen.
Door de herinrichting en de verstoring ten noorden van de Zoggelsestraat 122 (tijdens de) zal het territoria – zonder aanvullende maatregelen – niet meer functioneren voor de soort. Vanwege deze kanttekeningen wordt er in voorliggende toetsing vanuit gegaan dat 1 territorium van de bunzing verloren gaat (worst-case benadering). De aantasting is een overtreding van de in artikel 3.10 genoemde verbodsbepaling (lid 1b). Als gevolg van de verstoring en herinrichting van het plangebied tot bedrijventerrein worden een territorium van de bunzing in functie aangetast en vernietigd. Dit is in overtreding met de Wet natuurbescherming (artikel 3.10 genoemde verbodsbepaling (lid 1b)). Om deze reden is voor de voorgenomen activiteit een ontheffing Wnb (soortbescherming) noodzakelijk. Tevens dienen maatregelen getroffen te worden om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen en om aan de zorgplicht Wnb te voldoen. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen (randvoorwaarden) uiteengezet. Wezel Van de wezel (vermeld in artikel 3.10 Wnb, onderdeel A) is gebleken dat de soort drie territoria heeft in het plangebied. De wezel is waargenomen bij een bosschage ten westen van het plangebied, een houtwal centraal in het gebied en een bosschage in het noorden van het plangebied. Het westelijke territorium wordt niet aangetast door het voornemen.
Als gevolg van de herinrichting van het gebied zal de directe omgeving van het centraal en noordelijk wezelterritorium heringericht worden tot bedrijventerrein en groenzone. De natuurlijke kenmerken van het noordelijk territorium gaan geheel verloren. De centrale houtwal blijft deels behouden, waardoor het tevens mogelijk is dat de exacte locatie van de verblijfplaats feitelijk behouden blijft. De wezel is echter verstoringsgevoelig en heeft geleidende elementen nodig om zich door het landschap te verplaatsen. Door de herinrichting en de verstoring (zowel tijdens de aanlegfase als mogelijk ook tijdens de gebruikssituatie) zal het noordelijke territoria – zonder aanvullende maatregelen – niet meer functioneren en het centrale territoria – zonder aanvullende maatregelen - geïsoleerd raken en niet meer functioneren voor de soort. Vanwege deze kanttekeningen wordt er in voorliggende toetsing vanuit gegaan dat 2 territoria verloren gaan (worst-case benadering). Als gevolg van de verstoring en herinrichting van het plangebied tot bedrijventerrein worden twee territoria van de wezel in functie aangetast en vernietigd. Dit is in overtreding met de Wet natuurbescherming (artikel 3.10 genoemde verbodsbepaling (lid 1b)). Om deze reden is voor de voorgenomen activiteit een ontheffing Wnb (soortbescherming) noodzakelijk.
Tevens dienen maatregelen getroffen te worden om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen en om aan de zorgplicht Wnb te voldoen. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen (randvoorwaarden) uiteengezet. Pagina 80
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
6.6.9
Zoogdieren – Eekhoorn
Storingsfactoren: oppervlakteverlies en versnippering
Oppervlakteverlies en versnippering Van de eekhoorn (vermeld in artikel 3.10 Wnb, onderdeel A) is gebleken dat de soort drie verblijfplaatsen, ter hoogte van de Raktstraat 5, Raktstraat 8, en de bosschage tussen de Bosschebaan en de A59, heeft in en nabij het plangebied. De bosschage tussen de Bosschebaan en de A59 wordt niet direct aangetast door het planvoornemen, dus dit eekhoornnest blijft behouden. Wel kan het nest zijn functie verliezen indien essentieel foerageergebied wordt aangetast door ruimtebeslag en/of versnippering. Van ruimtebeslag op essentieel foerageergebied is geen sprake bij het planvoornemen. Eekhoorns komen voor op locaties met voldoende voedsel. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden, aangevuld door knoppen, bladeren, bessen, schors, etc. Het (essentiële) foerageergebied van dit nest zal voornamelijk in de bosschage liggen, welke niet wordt aangetast door het voornemen. Effecten van versnippering kunnen niet worden uitgesloten. De weg tussen de groenzone aan de Bosschebaan en het plangebied wordt in de toekomst drukker, waardoor versnippering kan optreden. Hierom wordt uitgegaan van de worst-case scenario, waarbij ook het eekhoornnest in de bosschage zijn functie verliest. Het nest is omringd door andere bomen, waardoor licht/geluid e.d. gering zullen zijn.
De twee nesten ten hoogte van de Raktstraat 5 en Raktstraat 8 gaan wel verloren door het voornemen. Op de locaties van deze nesten worden een bedrijventerrein en groenzone gerealiseerd. Als gevolg van de herinrichting van het terrein tot bedrijventerrein en groenzone, zullen 3 verblijfplaatsen van de eekhoorn worden aangetast. De aantasting is een overtreding van de in artikel 3.10 genoemde verbodsbepaling (lid 1b). Als gevolg van de verstoring en herinrichting van het plangebied tot bedrijventerrein worden drie vaste rust- en verblijfplaats van de eekhoorn in functie aangetast en vernietigd. Dit is in overtreding met de Wet natuurbescherming (artikel 3.10 genoemde verbodsbepaling (lid 1b)). Om deze reden is voor de voorgenomen activiteit een ontheffing Wnb (soortbescherming) noodzakelijk. Tevens dienen maatregelen getroffen te worden om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen en om aan de zorgplicht Wnb te voldoen.
6.6.10
Vissen – Grote modderkruiper Storingsfactoren: oppervlakteverlies en verstoring.
Oppervlakteverlies De grote modderkruiper komt overal verspreid in de watergangen in het plangebied voor. De grote modderkruiper is beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.10). Een deel van de watergangen waar de soort in voorkomt, wordt gedempt voor de realisatie van het bedrijventerrein. Hierdoor verliezen deze watergangen hun functie voor de grote modderkruiper. Als gevolg van de herinrichting van het plangebied tot bedrijventerrein worden grote modderkruipers verstoord en worden vaste rust- en verblijfplaatsen van de soort aangetast en vernietigd. Dit is een overtreding van artikel 3.10, lid 1 uit de Wet natuurbescherming. Om deze reden is voor de voorgenomen activiteit een ontheffing Wnb (soortbescherming) noodzakelijk. Tevens dienen maatregelen getroffen te worden om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen en om aan de zorgplicht Wnb te voldoen. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen (randvoorwaarden) uiteengezet.
Pagina 81
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Verstoring Overige effecten als gevolg van het bedrijventerrein (met name geluidverstoring) wordt op de grote modderkruiper niet verwacht. De overdracht van geluid boven water (trillingen/golven in lucht) naar onder water (trillingen/golven in water) is namelijk zeer gering. Het wateroppervlak reflecteert het geluid. Hierdoor kunnen vissen onder andere verkeersgeluid niet horen. Dit kan ook worden afgeleid uit het feit dat in bermsloten van rijkswegen vaak vissen worden aangetroffen (Sweco, 2017). Significante verstoring van grote modderkuiper door onder andere verkeersgeluid is derhalve uitgesloten.
6.6.11
Conclusie In onderstaand overzicht (Tabel 6.9) is de hiervoor beschreven effectbeoordeling samengevat. Aangegeven is of tijdelijke en/of permanente effecten ontstaan als gevolg van het voornemen en welke vervolgstappen aan de orde zijn voor de relevante beschermde soorten. In Hoofdstuk 7 worden de mogelijk te nemen maatregelen uiteengezet. Tabel 6.9. Overzicht effectbeoordeling beschermde Wnb soorten.
Storingsfactor
Oorzaak
Oppervlakteverlies
Ruimtebeslag door herinrichting gebied ( realisatie bedrijventerrein, infrastructuur etc.)
Versnippering
Toename verkeersbewegingen Bossche weg en de aanleg van nieuwe wegen.
Verstoring door geluid
Verstoring door licht
Toename in geluidbelasting door bouwwerkzaamheden en bouwmachines maar ook door toenemend verkeer en industriële activiteiten Toename in licht door bouwactiviteiten die plaatsvinden buiten de daglichturen plus permanente inrichting als bedrijventerrein met mogelijk meer lichtmasten en ontsluitingsweg.
Effecten op welke soorten? Aanlegfase Buizerd, huismus, kerkuil, steenuil, broedvogels, vleermuizen, kleine marterachtigen (bunzing en wezel), steenmarter, das, eekhoorn en grote modderkruiper
Gebruiksfase
Vervolgstappen?
-
Maatregelen (t.b.v. gunstige staat van instandhouding en zorgplicht) treffen en ontheffing aanvragen
Wezel, das en eekhoorn
Wezel, das en eekhoorn
Maatregelen (t.b.v. gunstige staat van instandhouding en zorgplicht) treffen en ontheffing aanvragen
Algemene broedvogels en sperwer indien bosje komende jaren weer in gebruik is.
Sperwer indien bosje komende jaren weer in gebruik is.
Werken buiten de broedperiode. In geval van sperwer mogelijk ontheffing.
Vleermuizen (mogelijk)
Vleermuizen (mogelijk)
Maatregelen met name rondom de Ruitersdam
Pagina 82
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
7
Compenserende en mitigerende maatregelen In dit hoofdstuk wordt uiteengezet welke randvoorwaarden (maatregelen/ mitigatie- dan wel compensatieopgaves) gelden vanuit de wetgeving en het beleid als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied Heesch West. In paragraaf 7.1 komt Natura 2000 aan bod en in paragraaf 7.2 worden de vervolgstappen voor het Natuurnetwerk Brabant benoemd. Onder meer door deze vervolgstappen in de vorm van compensatie is het voornemen in relatie tot het NNB uitvoerbaar. In paragraaf 7.3 wordt ingegaan op de compensatieopgave met betrekking tot beschermde houtopstanden. De randvoorwaarden voor beschermde soorten (paragraaf 7.4) hebben zowel betrekking op maatregelen die de gunstige staat van instandhouding garanderen en die van belang zijn voor de permanente, toekomstige situatie van het gebied als op zorgplicht maatregelen. Deze randvoorwaarden dienen nader uitgewerkt te worden in een mitigatieplan. Wanneer voldaan wordt aan deze soortspecifieke maatregelen, vinden geen effecten plaats op de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten. Onder meer onder deze voorwaarden kan het bevoegd gezag (in dit geval de provincie Noord-Brabant) een ontheffing voor de ontwikkelingen afgeven (zie ook paragraaf 7.5). In paragraaf 7.6 is aangegeven welke impulsen de herinrichting van het plangebied teweeg brengen voor de natuur.
Mitigatieopgave Natura 2000 Ten aanzien van Natura 2000 worden alleen effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie verwacht. Deze effecten worden nader uitgewerkt in de passende beoordeling. In de passende beoordeling worden ook de mitigerende maatregelen besproken. De passende beoordeling betreft een aparte rapportage. In de Natuurtoets wordt hier niet verder op ingegaan.
Compensatieopgave NNB Onderstaand wordt de compensatieopgave voor het NNB uiteengezet (als gevolg van verstoring).
7.2.1
Compensatie als gevolg van geluidverstoring Voor het NNB-gebied dat te maken krijgt met een te hoge dB(A) aan geluid, dient (bij fysieke compensatie) voor 1/3 gecompenseerd te worden (interne richtlijnen van de provincie Noord Brabant (Provincie Noord-Brabant, 2014). Het oppervlakte van het NNB-gebied betreft in zijn totaliteit 0,31 hectare. Bij fysieke compensatie is de compensatieopgave 0,1 hectare (1/3 van 0,31 ha.). Tevens kan het financieel gecompenseerd worden. Totaal betreft de compensatieopgave voor bedrijventerrein Heesch West, 0,1 hectare. In Tabel 7.1 is aangegeven hoe hiertoe gekomen is (zonder daarbij uit te gaan van aanvullende mitigerende maatregelen). Tabel 7.1. Overzicht compensatieopgave NNB. Te beïnvloeden Oppervlakte natuurbeheertype aangetast NNB-gebied zuidzijde plangebied
N16.04 Vochtig bos met productie
0,31 ha.
Pagina 83
Compensatie opgave
Totale compensatie opp.
1/3
0,1 ha.
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Mitigatieopgave Beschermde houtopstanden Als gevolg van het voornemen gaan bosschages die beschermd zijn in het kader van de Wnb met een oppervlakte van circa 2,52 hectare6 verloren. Deze bomen dienen 1 op 1 gecompenseerd te worden. Een logische invulling voor de compensatie houtopstanden is de groenstructuur die in het gebied wordt gerealiseerd. Een geschikte locatie hiervoor is bijvoorbeeld het centrale en het zuidelijke deel van het plangebied dat groen wordt ingericht (tevens met bomen) en de groene inprikkers (zie Figuur 3.1).
Mitigatieopgave beschermde soorten Als gevolg van het voornemen vinden diverse effecten plaats op beschermde soorten. Respectievelijk komen in deze paragraaf maatregelen aan bod voor de: Vogels (huismus, buizerd, steenuil, kerkuil en algemene broedvogels), zoogdieren (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, steenmarter, das, wezel, bunzing en eekhoorn) en de grote modderkruiper. Allereerst worden – indien deze aan de orde zijn – maatregelen genoemd die uitgevoerd dienen te worden ten behoeve van het waarborgen van de staat van instandhouding (SVI) van deze soorten. Daarnaast worden voor deze soorten maatregelen genoemd die in het kader van de zorgplicht uitgevoerd moeten worden. In paragraaf 7.5.2 is aangegeven hoe door middel van het uitvoeren van deze mitigatieopgave, aannemelijk is dat (de mitigatie en) het plan uitvoerbaar is. De belangrijkste conclusies zijn met een ‘• ‘ aangegeven en zijn dikgedrukt.
7.4.1
Vogels – Sperwer Geadviseerd wordt om het bosje ter hoogte van nest 2 te monitoren op de aanwezigheid van de sperwer. Indien deze opnieuw tot broeden komt zijn vervolgstappen nodig. Maatregelen t.b.v. zorgplicht Om te voorkomen dat de soort verstoord wordt tijdens het broeden gelden de algemene richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 7.4.4. Er dient voorkomen te worden dat de soort tijdens het broeden en wanneer er jongen in het nest zijn, verstoord wordt. Dit kan optreden tijdens de bouwwerkzaamheden en wanneer het gebied intensief in gebruik wordt genomen (gebruiksfase). Wanneer werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is (tijdens bouwfase) kan er voor gekozen worden om het nest onklaar te maken of de boom met het nest te verwijderen. Een aandachtspunt daarbij is dat de soort een nieuw nest kan bouwen in hetzelfde bosje wanneer er geen (continue) verstoring aanwezig is. (Het onklaar maken van het nest is ontheffingsplichtig).
6
De feitelijke compensatieopgave wordt bepaald bij het indelen van de kadastrale gronden in relatie tot de houtopstanden. Pagina 84
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
7.4.2
Vogels – Buizerd Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI Als gevolg van het voornemen gaat een nest van de buizerd verloren. Vooralsnog zijn er geen succesvolle ervaringen bekend met het compenseren van een dergelijk nest (in de vorm van een kunstnest of –mand). De buizerd heeft meerdere nesten in een territorium en gebruiken elk jaar een ander nest. Daarnaast knappen ze ook oude nesten van andere roofvogels op (Vogelbescherming). De buizerd is recent begonnen met broeden in het plangebied, in voorgaande onderzoeken is de soort niet broedend waargenomen. Om deze reden wordt ervan uitgegaan dat de buizerd in de omgeving van het plangebied een nieuwe nestplaats kan vinden en maken. De groenzone die gerealiseerd wordt, is een geschikte locatie voor de buizerds om te nestelen. Maar ook op bestaande locaties die bij het voornemen behouden blijven, bestaan broedmogelijkheiden. Met name aan de noordzijde van de A59 zijn veel bosschage met ondergroei aanwezig. Dit biotoop vormt een geschikt biotoop voor de soort. Gezien de verwachting dat de soort in de omgeving van het plangebied een geschikte, nieuwe broedplaats kan maken binnen zijn territorium, is compensatie voor het nest van de buizerd naar waarschijnlijkheid niet nodig. Wel gelden zorgplichtmaatregelen (zie kopje hieronder). Maatregelen t.b.v. zorgplicht Het ongeschikt maken van het nest is ontheffing plichtig.
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient het nest ongeschikt gemaakt te worden door de boom te rooien. Het ongeschikt maken van de verblijfplaats vindt buiten de kwetsbare periode plaats (dus buiten de broedperiode). De maatregelen dienen te worden begeleid door een ter zake kundige ecoloog.
7.4.3
Vogels – Huismus Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI Als gevolg van het voornemen gaan (in de worst case-scenario) 30 huismusparen verloren. Conform het kennisdocument (BIJ12, 2017) dienen in de toekomstige situatie vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Aangezien een nieuwe verblijfplaats nooit dezelfde eigenschappen heeft als een bestaande verblijfplaats dient een overmaat aan verblijfplaatsen aangeboden te worden. Tevens dient de directe leefomgeving geschikt te zijn voor de soort. Hier volgt de volgende mitigatieopgave uit: Aanbieden nestgelegenheden. Er dienen tenminste 60 verblijfplaatsen aangeboden te worden buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Mitigatie van de hoge aantallen nestlocaties huismussen kan in dit geval het beste met mussenhotels (zie Figuur 7.1), eventueel in combinatie met losse driedelige kasten. Een mussenhotel biedt ruimte voor 20 broedparen. Met mussenkasten zijn positieve ervaringen mee behaald in een vergelijkbare situatie (compensatie bedrijventerrein Medel bij Tiel). Aan de plaatsing van de verblijfplaatsen zitten verschillende voorwaarden zoals in relatie tot zonexpositie, hoogte en duurzaamheid. Ten tijde van het uitvoeren van de mitigatieopgave dient nauwkeurig voldaan te worden aan deze voorwaarden om de geschiktheid van de alternatieve verblijfplaatsen te bevorderen.
Als deze verblijfplaatsen tijdig voor de sloop worden aangeboden, kan de mitigatie ook als tijdelijke mitigatie worden gerekend. Inmiddels zijn er in het plangebied 4 mussenhotels geplaatst (zie verder). Aanbieden geschikte leefomgeving. Hoge vegetatie dient in de omgeving aanwezig te zijn en de mogelijkheid tot zandbaden. De juiste omgeving kan gecreëerd worden in het nieuwe plan waar vervolgens vier mussenhotels geplaatst worden, uitgaande van 60 alternatieve verblijfplaatsen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de functionele leefomgeving (o.a. zandplekken, wintergroene, dekking biedende vegetatie, voldoende foerageermogelijkheden) van de huismus. En het feit dat huismussen in de omgeving van mensen voorkomen en hier ook de omgeving van mensen prefereren. Pagina 85
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
De locatie van de huismussencompensatie dient zorgvuldig gekozen te worden. Huismussen zijn echte cultuurvolgers en komen veelal voor in de nabijheid van mensen. Derhalve wordt geadviseerd om de huismusvoorzieningen aan te bieden bij woningen in de directe omgeving van het plangebied of wanneer mogelijk, in het plangebied zelf. Het behouden van enkele kavels in het plangebied biedt een kans voor het handhaven van de mussenpopulatie op deze locaties. Derhalve wordt geadviseerd om bij de kavels die behouden blijven (verspreid aan de zuidzijde van het plangebied) huismusvoorzieningen aan te bieden of te integreren in eventuele nieuwbouw of tijdens renovatie (natuurinclusief bouwen). Wanneer de originele bebouwing op de kavels niet gehandhaafd wordt, kunnen huismushotels worden voorzien. De voorzieningen dienen vrij aan te vliegen te zijn en nabij mensen gelegen te zijn (en niet omsloten te zijn door bos). Huismussen zijn honkvaste dieren en zijn vrijwel het gehele jaar rondom hun verblijfplaats te vinden. Om deze reden kan het aanbieden van nestvoorzieningen op de locaties waar de soort al bekend mee is (zoals de te behouden kavels) leiden tot een spoedige (her)kolonisatie van huismussen. Rekening houden met bovenstaande eisen zijn in 2020 4 mussenhotels in plangebied geplaatst. De locaties van deze mussenhotels zijn weergegeven in figuur 7.1 en 7.2.
Figuur 7-1 Ligging geplaatste huismushotels (rode cirkels)
Pagina 86
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Figuur 7-2 Al gerealiseerde mussenhotels op Heesch West.
Pagina 87
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Maatregelen t.b.v. zorgplicht De activiteiten (sloop/nieuwbouw) en maatregelen (aanbieden nestvoorzieningen en leefgebied huismus) dienen gefaseerd in de ruimte en tijd uitgevoerd te worden. Zodoende kan er voor worden gezorgd dat er op elk moment voldoende functionerende nesten, rustplaatsen en leefgebied aanwezig blijven. Er moet ten alle tijden voor een gelijk aantal huismussen, voldoende verblijfplaatsen aanwezig zijn. Deze alternatieve verblijfplaatsen dienen tijdig aangeboden te worden. Tevens geldt hiervoor een gewenningstijd. Dat is de tijd waarin zowel de oorspronkelijke verblijfplaatsen als de nieuwe verblijfplaatsen (mussenhotel of kasten) tegelijkertijd aanwezig moeten zijn in een gebied. Deze voorzieningen moeten bereikbaar zijn voor de huismussen. Vanuit de delen die gehandhaafd blijven (in de omgeving van het plangebied; dan wel op de te behouden kavels) heeft de populatie de mogelijkheid te herstellen na een tijdelijke achteruitgang veroorzaakt door de activiteiten. Hierdoor kunnen huismussen verhuizen naar andere vrije gebieden of nieuw gecreëerde in de directe omgeving, voor zover die de juiste kwaliteit hebben (gekregen). Er moeten voldoende nestplaatsen functioneel blijven. Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen de huidige verblijfplaatsen diervriendelijk ongeschikt gemaakt te worden door ze tijdig dicht te maken.
Het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen vindt buiten de kwetsbare periode plaats (dus buiten de broedperiode en strenge vorstperiode). Dakpannen worden geheel verwijderd. Alle openingen onder dakgoten, kozijnen en bij eventuele gevelpannen worden afgedekt. De maatregelen dienen te worden begeleid door een ter zake kundige ecoloog.
7.4.4
Vogels – Kerkuil Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI In de worst case scenario gaat één nest van de kerkuil verloren. Conform het kennisdocument (BIJ12, 2017) dienen in de toekomstige situatie vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Tevens dient de directe leefomgeving geschikt te zijn voor de soort. Hier volgt de volgende mitigatieopgave uit: Aanbieden nestgelegenheden. In de omgeving van het plangebied (buiten de invloedszone) dienen tenminste twee nestkasten aangeboden te worden. Aan de plaatsing van de verblijfplaatsen zitten verschillende voorwaarden zoals in relatie tot verspreiding, veiligheid en duurzaamheid. Ten tijde van het uitvoeren van de mitigatieopgave dient nauwkeurig voldaan te worden aan deze voorwaarden om de geschiktheid van de alternatieve verblijfplaatsen te bevorderen. De locatie van de compensatie dient zorgvuldig gekozen te worden (eventueel in samenwerking met de uilenwerkgroep). Bij voorkeur dienen de vervangende verblijfplaatsen binnen het bestaande territorium in de directe omgeving en zo mogelijk op hetzelfde erf (kavel) als de oorspronkelijke verblijfplaats worden geplaatst, en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden staan. Voorkomen dient te worden dat nieuwe kerkuilkasten in een bestaand territorium van een andere kerkuil wordt geplaatst. Maatregelen t.b.v.
zorgplicht Wat betreft de maatregelen ten opzichte van de zorgplicht zijn deze in brede zin vergelijkbaar met die van de huismus. De activiteiten en maatregelen dienen gefaseerd in de ruimte en tijd uit gevoerd te worden. Er is sprake van een gewenningstijd waarin op elk moment voldoende functionerende nesten, rustplaatsen en leefgebied aanwezig blijven. Het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen vindt buiten de kwetsbare periode plaats (dus buiten de broedperiode en strenge vorstperiode) en het traject dient begeleid te worden door een deskundig ecoloog. Pagina 88
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
7.4.5
Vogels – Steenuil Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI In de worst case scenario gaat 1 verblijfplaats van de steenuil verloren. Conform het kennisdocument (BIJ12, 2017) dienen in de toekomstige situatie vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Tevens dient de directe leefomgeving geschikt te zijn voor de soort. Hier volgt de volgende mitigatieopgave uit: Aanbieden nestgelegenheden. In de omgeving van het plangebied (buiten de invloedszone) dienen tenminste 3 nestkasten aangeboden te worden. Aan de plaatsing van de verblijfplaatsen zitten verschillende voorwaarden zoals in relatie tot verspreiding, veiligheid en duurzaamheid. Ten tijde van het uitvoeren van de mitigatieopgave dient nauwkeurig voldaan te worden aan deze voorwaarden om de geschiktheid van de alternatieve verblijfplaatsen te bevorderen. Aanbieden nestkasten in geschikte leefomgeving. In de omgeving van de nieuwe nestplaats is het van belang dat er voldoende dekking en voldoende voedsel aanwezig is.
Wanneer dit niet voldoende aanwezig is, dient dit aangeboden te worden in de vorm van bijvoorbeeld het creëren van overhoeken – creëren van kruidenzomen – creëren van ruigten, bijvoorbeeld tussen een dubbele rij rasters – creëren van struwelen – creëren van takkenrillen, houtstapels, composthopen en mesthopen – creëren van kortgrazige percelen, zoals schapen- en paardenweitjes – creëren van hoogstamboomgaarden – aanplanten van struiken en bomen die noten of vruchten dragen en aanleggen van een poel of vijver met flauwe oevers. De locatie van de compensatie dient zorgvuldig gekozen te worden (eventueel in samenwerking met de uilenwerkgroep). Bij voorkeur dienen de vervangende verblijfplaatsen binnen het bestaande territorium in de directe omgeving en zo mogelijk op hetzelfde erf (kavel) als de oorspronkelijke verblijfplaats worden geplaatst, en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden staan. Zie voor enkele mogelijkheden Figuur 7.3. Steenuilen zijn honkvaste dieren en zijn vrijwel het gehele jaar rondom hun verblijfplaats te vinden. Om deze reden kan het aanbieden van nestvoorzieningen op de locaties waar de soort al bekend mee is (zoals de te behouden kavels waar de steenuil nu zijn nestplaats heeft), leiden tot een spoedige (her)kolonisatie van steenuilen.
Voorkomen dient te worden dat nieuwe steenuilkasten in een bestaand territorium van een andere steenuil wordt geplaatst. Maatregelen t.b.v. zorgplicht Wat betreft de maatregelen ten opzichte van de zorgplicht zijn deze in brede zin vergelijkbaar met die van de huismus. De activiteiten en maatregelen dienen gefaseerd in de ruimte en tijd uit gevoerd te worden. Er is sprake van een gewenningstijd waarin op elk moment voldoende functionerende nesten, rustplaatsen en leefgebied aanwezig blijven. Het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen vindt buiten de kwetsbare periode plaats (dus buiten de broedperiode en strenge vorstperiode) en het traject dient begeleid te worden door een deskundig ecoloog.
Pagina 89
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Figuur 7-3. Indicatieve aanduiding potentiële locaties voor steenuilkasten (rode cirkels); bij voorkeur bij bestaande verblijfplaatsen en buiten andere steenuilterritoria.
7.4.6
Vogels – Algemene broedvogels Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI Er geldt geen compensatieplicht bij het permanent verwijderen van algemene7 broedvogelnesten voor de toekomstige inrichting. In de toekomstige situatie zal er door de groene inrichting in de zuidwesthoek van het plangebied een (nieuw) broedbiotoop ontstaan waar de vogels wederom hun nest kunnen bouwen. Ook kunnen hier (meer dan in de huidige situatie) watervogels tot broeden komen. Door de aanleg van ruigtes en bosschages in het plangebied kunnen vogels die hieraan gebonden zijn, hier een geschikt leefgebied in vinden. Maatregelen t.b.v. zorgplicht De volgende zorgplichtmaatregelen gelden voor algemene broedvogelnesten: Werkzaamheden die aantasting van een nest en/of verstoring van de vogels kunnen veroorzaken, niet uit voeren in de broedtijd (de piek loopt circa van maart tot en met juli8) en daarbuiten indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Gezien de verwachting dat broedvogels tot broeden komen in het plangebied of directe omgeving is het in het kader van de zorgplicht van belang dat werkzaamheden die invloed hebben op het broedbiotoop buiten de broedperiode van vogels uitgevoerd worden. (voorkeursmaatregel) Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het gebied dat beïnvloed wordt vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels.
Mocht dit niet mogelijk zijn dan geldt onderstaande maatregel. Voorafgaand aan de werkzaamheden in het broedseizoen dient het gebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het werkgebied of de directe omgeving dan wordt het gebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden ter plaatse uitgesteld te worden tot nadat het nest niet meer in gebruik is. 7
Zijnde niet jaarrond beschermde nesten.
8
Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn. Pagina 90
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
7.4.7
Zoogdieren – Vleermuizen Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI (verblijfplaatsen) In de worst case scenario gaan vier zomer-, zes paar- en één kraamverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis verloren. Conform het kennisdocument (BIJ12, 2017) dienen in de toekomstige situatie vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Creëer (tijdelijke en permanente) duurzame verblijfplaatsen. Deze moeten in de toekomstige situatie (na realisatie) inwendig terug komen en/of geïntegreerd worden in de toekomstige bebouwing. Voor de aan te tasten kraam-, paar- en zomerverblijfplaatsen moeten nieuwe (tijdelijke en permanente) verblijfplaatsen worden gecreëerd. Uitgangspunt is vier verblijfplaatsen per te verwijderen verblijf, zodat in ieder geval voor een vergelijkbaar aantal individuen voldoende voorzieningen voorhanden is. Er moet een netwerk aan verblijfplaatsen die geschikt zijn voor de betreffende functie in stand blijven. In totaal komt dit uit op 44 verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis. Deze verblijfplaatsen kunnen in verschillende vormen terug komen (zie Figuur/kader 7.5). In ieder geval moeten voorzieningen aangeboden worden die in verblijfplaatsen voorziet voor minstens een viervoud van de oorspronkelijke aanwezige aantallen.
Op de volgende pagina’s is (gebaseerd op het Kennisdocument van BIJ12, 2017) in kaders aangegeven hoe deze verblijfplaatsen kunnen terugkomen in de nieuwe heringerichte situatie. Eisen waar de locaties van de aan te bieden verblijfvoorzieningen aan moeten voldoen zijn hieronder uiteengezet. Het wordt geadviseerd om zeker bij de te behouden kavels voorzieningen voor vleermuizen te plaatsen of te integreren in eventuele nieuwbouw of tijdens renovatie (natuurinclusief bouwen). Overige opties zijn bij de gebouwen in de directe nabijheid van het plangebied. (De gewone dwergvleermuis is gebonden aan in – door mensen in – gebruik zijnde gebouwen). De permanente verblijfplaatsen moeten: o Bij voorkeur binnen het kerngebied van de groep, en dan bij voorkeur zo dicht mogelijk – waar mogelijk – binnen 100 à 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats, worden geplaatst en dit buiten de invloedsfeer van de activiteiten. Bij de kraamverblijfplaats is dit binnen 50 meter. o een locatie hebben die gelijk is aan of beter van kwaliteit is dan de oorspronkelijke situatie wat betreft hoogte (bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte), aanvliegroute en vrije vliegruimte en de locatie is vrij van kunstlicht, vrij van verstoring en buiten bereik van predatoren. o zich allen inwendig in het gebouw bevinden of als een combinatie van inwendig en uitwendig (zie kader volgende pagina).
o verschillende microklimaten aanbieden (clustering met verschillende richtingen). o wat betreft de nieuwe locaties, afstemmen met functies die het gebied tot geschikt paargebied maken: (massa-) winterverblijfplaatsen, vliegroutes, foerageergebied en met al bestaande territoria van mannetjes. Voor deze afstemming kan het vleermuisonderzoek als basis gebruikt worden. In dit onderzoek (zie paragraaf 5.4.2) is weergegeven waar in de directe omgeving belangrijke functies voor vleermuizen aanwezig zijn. In 2020 zijn 4 mussenhotels geplaatst in het plangebied. In deze hotels zijn per hotel ook vleermuisverblijven geïntegreerd. Deze verblijven kunnen dienen als tijdelijke compensatie totdat nieuwe permanente verblijven zijn gerealiseerd.
Pagina 91
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 november 2021 revisie 04 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Figuur 7-4. Indicatieve aanduiding potentiële locaties voor vleermuiskasten (rode cirkels) indien bebouwing behouden blijft dan wel wanneer nieuwbouw gerealiseerd wordt. In het laatste geval kunnen vleermuisvoorzieningen in deze bebouwing geïntegreerd worden. Ook biedt een vleermuistoren (paarse cirkels) een robuuste permanente voorziening.
Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI (vlieg- en foerageerroute) Voor de belangrijke vlieg- en foerageerroute langs de Ruitersdam (met name belangrijk voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis) dienen bepaalde eisen meegenomen te worden bij de inrichting van de optie waarbij de ontsluitingsweg direct ten noorden van de houtwal langs de Ruitersdam komt te liggen: voorkom lichtuitstraling richting de omgeving en specifiek richting de houtwal langs de Ruitersdam. Gebruik bij voorkeur geen verlichting langs de weg of zeer minimale reflectiematerialen. voorkom onoverbrugbare gaten in de vliegroute. Bij voorkeur dienen kruinen van bomen aaneengesloten te blijven en of dienen gaten van maximaal 5 á 10 meter te ontstaan. In geval van de optie waarbij de ontsluitingsweg verder van de Ruitersdam komt te liggen (ten noorden van Koksteeg 18), zijn geen maatregelen noodzakelijk. Door de ligging verder weg treedt er geen ruimtebeslag op de vliegroute op. Daarnaast worden er ook geen negatieve effecten door verlichting verwacht. Echter ook bij deze optie wordt geadviseerd om bij voorkeur geen verlichting of zeer minimale reflectiemiddelen te gebruiken. De ontsluitingsweg loopt in deze optie door de groen/waterzone heen die in de toekomstige situatie door vleermuizen als foerageergebied zal worden gebruikt.
Verstoring door verlichting dient daarom zo veel mogelijk te worden voorkomen.
Pagina 92