CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 bestemmingsplan Weerscheut 47 Vinkel

Gemeenteraad 4 oktober 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Weerscheut 47 Vinkel24.916 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.4 30

Trillingen

Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem). Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron.

Het plangebied is niet gelegen op een afstand korter dan 100 meter vanaf een spoorweg. Het plangebied ligt wel binnen 100 meter vanaf een weg (Weerscheut). Er is geen trillingshinder ten gevolge van de Weerscheut bekend. Trillingshinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Verlichting

Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat de dichtstbij gelegen functie die lichthinder kan veroorzaken (sportpark) op circa 600 meter van het plangebied is gelegen. Op deze afstand is lichthinder ten gevolge van een sportpark niet aannemelijk.

5.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico’s – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico’s zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10−6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen 31

kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen.

Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit) Beleidsvisie externe veiligheid gemeente ‘s-Hertogenbosch De gemeente ‘s-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente ’s-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. Toetsing beleidsvisie De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van één nieuwe woningen in het buitengebied.

De bewoners worden als normaal zelfredzaam beschouwd. De nieuwe woning wordt beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C van de beleidsvisie externe veiligheid gemeente ’s-Hertogenbosch de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. Aangezien het beleid van 2010 is, is Vinkel nog niet op de kleurenkaarten opgenomen. Vinkel is pas later bij de gemeente ’s-Hertogenbosch gekomen. Met die reden kan niet getoetst worden aan het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Beschouwing risicobronnen Er zijn geen risicobronnen (inrichtingen, buisleidingen, transportroutes) aanwezig in de nabijheid van de ontwikkeling. Zie de afbeelding hieronder, welke een uitsnede van de risicokaart op 28 december 2020 betreft.

32

Dit betekent dat in het plangebied geen sprake is van een externe veiligheidsrisico ten gevolge van inrichtingen, buisleidingen of transportroutes. Er is geen verantwoordingsplicht aan de orde. Advies Veiligheidsregio: In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Deze afspraak is tevens opgenomen in de gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken. Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7

Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM 10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijk plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.

33

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 μg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 8 motorvoertuigwegingen per woning per etmaal (conform CROW, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer), daarmee maximaal 8 in totaal per etmaal, toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Zie onderstaand screenshot van de ingevulde NIBM-tool (datum 2 augustus 2021).

Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan. Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van ‘goede ruimtelijke ordening’ de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied onder respectievelijk 15 en 20 µg/m3 liggen. Zie de uitsnede (28 december 2020) van de GCN/GDN-kaarten hieronder.

34

Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 12 microgram/m3. Zie de uitsnede (28 december 2020) van de GCN/GDN-kaart hieronder.

Hiermee wordt ruim voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan. Het aspect ‘Lucht’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

35

5.8

Bodem

Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Bodemsituatie In februari 2021 is de locatie onderzocht door Van Oort Bodemonderzoek. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4). Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Met betrekking tot het thema ‘bodem’ zijn er geen belemmeringen voor de geplande bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling. Toelichting bij eventuele afvoer grond Als deze grond van de locatie wordt afgevoerd zijn de regels van het Besluit en bodemkwaliteit van toepassing.

Het is dan noodzakelijk voorafgaand de kwaliteit van de vrijkomende grond te onderzoeken. De bodemkwaliteit van de ontvangende grond mag niet verslechteren door grondverzet. Dit is onder andere vastgelegd in hoofdstuk 7 van de geldende Nota Bodembeheer 2019-2024 van de Omgevingsdienst Brabant Noord. Binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch worden in de bodem vrijwel overal geringe gehalten PFAS gemeten (diffuse belasting). Deze gehalten bevinden zich ruim beneden de (voorlopige) maximale waarden voor wonen en ruim beneden de risicogrenswaarde zoals vastgesteld door het RIVM. Op basis van de bij de gemeente ’s-Hertogenbosch beschikbare gegevens wordt er geen lokale bron voor PFAS verwacht op deze locatie. Voor het afvoeren en elders toepassen van vrijkomende grond afkomstig van deze locatie kan, afhankelijk van de bestemming, wel onderzoek naar PFAS noodzakelijk zijn. Voor eventueel grondverzet (afvoer van grond van de locatie of toepassen van grond op de locatie) zijn de bepalingen van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit van toepassing alsmede eventueel lokaal beleid ter plaatse van de toepassingslocatie. Uit de totale beoordeling blijkt dat de bodem geschikt is voor het toekomstige gebruik.

5.9

Geur

Industriële geur Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Het komt erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ‘het voorkómen van nieuwe geurhinder’ (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. In onderhavige situatie is geen sprake van industriële geurbronnen. Het aspect industriële geur is daardoor in onderhavige situatie verder niet relevant. Agrarische geur Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het plangebied, buitengebied, is geur hier een relevant aspect. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt.

Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd.

36

Geurbelasting kan op twee manieren worden uitgedrukt. Voor de geurbelasting van landbouwhuisdieren waarvoor geen zogenaamde geuremissiefactor is aangewezen, zijn er vaste afstanden vastgesteld. Onder geurbelasting als gevolg van intensieve veehouderij waar landbouwhuisdieren worden gehuisvest met een geuremissiefactor verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odourunits per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object, zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan in situaties worden berekend met het wettelijk vastgestelde luchtmodel V-stacks. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. De geurbelasting op een gebied is relevant voor een beoordeling van het woon- en leefklimaat en dient beschouwd te worden om bijvoorbeeld woningbouw te realiseren. Geur van veehouderijen heeft dus gevolgen voor het woon- en leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte. Veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en aan de in het Activiteitenbesluit genoemde minimaal aan te houden afstand(en) van opslagen van agrarische bedrijfsstoffen als kuilvoer en (drijf)mest tot geurgevoelige objecten. Verder dienen op grond van de Wet milieubeheer beste beschikbare technieken te worden toegepast.

Het Activiteitenbesluit geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van agrarische bedrijfsstoffen, zoals vrij liggende mestbassins. Voldoen aan de gestelde afstanden of aan het regime van de Wgv dient ter voorkoming van geurhinder. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om in afwijking van de wettelijk gestelde geurnorm en vaste afstanden zelf geurnormen en vaste afstanden vast te stellen om zodoende maatwerk te kunnen leveren voor een bepaalde omgeving. Door de gemeente Maasdonk is de ‘Geurverordening 2011’ vastgesteld, de gemeente ’s-Hertogenbosch heeft deze via een instandlatingsbesluit overgenomen. Het plangebied is in de geurverordening niet specifiek aangewezen, waardoor de geurnorm en de vaste afstanden voor de huisvesting van dieren volgens de Wgv van toepassing zijn. De te hanteren geurnorm voor een geurgevoelig object op onderhavige locatie is 14,0 ouE/m3. Voor cumulatieve geurhinder geldt in het plangebied (buitengebied) de norm zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant: 20,0 ouE/m3. De te hanteren vaste afstand tussen een veehouderij een geurgevoelige object in het buitengebied is 50 meter. Aanvullend gelden ingevolge het Activiteitenbesluit (artikel 3.46) nog normen in verband met de opslag van agrarische bedrijfsstoffen.

In lid 1 onder b is geregeld dat het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen plaats moet vinden op ten minste 50 meter afstand van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. In afwijking hiervan geldt voor afgedekt kuilvoer een afstand van 25 meter tot een geurgevoelig object (lid 6). De genoemde afstanden worden gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde punt van de plaats waar de agrarische bedrijfsstoffen zijn opgeslagen. Voor de opslag van mest geldt ingevolge artikel 3.51 van het Activiteitenbesluit voor mestbassins kleiner dan 350 m2 een vaste afstand van 50 meter afstand tot aan een geurgevoelig object. In de nabijheid van het plangebied, aan Weerscheut 49, ligt een melkveehouderij. Deze is gelegen op circa 60 meter van het plangebied (bouwvlak Weerscheut 49 tot aan beoogd bestemmingsvlak ‘Wonen’). Dit houdt in dat aan alle vaste afstanden die voor het bedrijf gelden (Activiteitenbesluit (i.v.m. opslag agrarische bedrijfsstoffen en mest) en Wgv/ Geurverordening 2011) worden gehaald. In de nabijheid van het plangebied, aan Weerscheut 16, ligt een vleesveehouderij. Dit is een intensieve veehouderij. Voor dergelijke bedrijven gelden in principe geen vaste afstanden maar moet de geurhinder worden berekend, omdat de dieren die gehouden worden een geuremissiefactor kennen.

In verband met het planvoornemen is voor dit bedrijf geen geurcontour berekend. Het bedrijf is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Het aspect geur vormt gezien de ervaringen met dergelijke bedrijven van geringe omvang in aantal dieren uitgedrukt in Odourunits op een dermate grote afstand geen belemmering voor het planvoornemen. Hieruit blijkt dat veehouderijen in de omgeving geen belemmering vormen voor het planvoornemen of andersom de ontwikkeling geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van nabijgelegen veehouderijen. Voor wat betreft de cumulatieve geurhinder in het plangebied is de regionale geurkaart van het ODBN gebruikt om te beoordelen in hoeverre sprake is van een acceptabele achtergrondsituatie. Hieronder is een uitsnede van de kaart opgenomen. Hieruit blijkt dat ter hoogte van het plangebied (rode cirkel), sprake is van een cumulatieve geurhinder van 5 tot 10 ouE/m3. Voldaan wordt aan de norm van 20 ouE/m3.

37

Het aspect ‘Geur’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10 Hoogspanningslijnen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.

De gemeente ’s-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Voor onderhavig plan geldt dat hoogspanningslijnen bijzonder ver buiten het plangebied liggen. Dit houdt in dat het nieuwe gevoelige object in het plangebied ver buiten een magneetveldzone ligt. Het aspect ‘Hoogspanningslijnen’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.11 Water In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting van dit bestemmingsplan. Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in ’s-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. 38

De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het Waterbeheerplan. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1.

Waterveiligheid;

Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2.

Klimaatbestendig en gezond watersysteem;

Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3.

Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:

 schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;  de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;  de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;  de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur In de Keur staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties (op een aantal onder de provinciaal bevoegdheid vallende categorieën na; zie art. 6.4 Waterwet.

De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:  Voorkom vervuiling van (regen)water;  Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden;  Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Vertraagde afvoer;  Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties;  Houdt rekening met waterschapsbelangen. Bijv. ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van keringen of watergangen, en dergelijke;  Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen;

39

 

Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein; Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water.

Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan.

Huidige situatie Situatie bebouwing en verhard oppervlak bestaande situatie In de huidige situatie is geen sprake van verhard oppervlak. Er is geen sprake van poelen en dergelijke, wel van een watergang die het perceel aan de zuid- en westkant van het plangebied afbakent. De watergang betreft een secundaire watergang (geen A-water). Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden, waterkeringen, leggerwatergangen, e.d. Keur- en leggerkaarten Op de afbeeldingen hieronder (uitsneden van de keur- en leggerkaarten) is zichtbaar dat in onderhavige situatie sprake is van een B-watergang op een deel van de rand van het plangebied.

40

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De afbeelding hieronder betreft een uitsnede van de viewer die de Interim omgevingsverordening NoordBrabant weergeeft. Zichtbaar hierop is dat het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied waar water voor menselijke consumptie gewonnen wordt. In verband hiermee stelt de provincie eisen aan bodemwerkzaamheden (rechtstreeks werkende regels) en stelt de provincie instructieregels aan de gemeente (om in acht te nemen bij het opstellen van bestemmingsplannen).

41

De initiatiefnemer zal als hij grondwerkzaamheden wil uitvoeren rekening moeten houden met de rechtstreeks werkende regels. Dat houdt onder andere in dat hij bij het uitvoeren van grond- en funderingswerken aan bepaalde specifieke regels moet voldoen zoals dat na graafwerkzaamheden hij het bodemprofiel moet aanvullen tot tenminste 3 meter onder het oude maaiveld volgens het oorspronkelijke bodemprofiel. Voor wat betreft de instructieregels aan gemeenten geldt dat in het juridisch bindende gedeelte van dit bestemmingsplan hieraan invulling is gegeven. Zo is de aanduiding ‘milieuzone grondwaterbeschermingsgebied’ op de verbeelding opgenomen, waaraan regels zijn gekoppeld die voortkomen uit de regels zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ten einde het grondwater te beschermen. Het gaat dan onder andere om regels die schadelijk uitloogbare bouwmaterialen verbieden. www.dewatertoets.nl Verder is voor het plangebied de watertoets ingevuld op www.dewatertoets.nl, zie bijlage 7 bij deze toelichting voor de samenvatting en het resultaat. Hieruit komt de conclusie dat de normale procedure van toepassing is. Dit houdt in dat het plan met het invullen van de gegevens op www.dewatertoets.nl voor wat betreft het waterschap nog niet is afgedaan. Het plan moet aanvullend nog worden voorgelegd aan het waterschap ter beoordeling.

Dit gebeurt in het kader van het wettelijk vooroverleg. De reactie die het waterschap tijdens het vooroverleg geeft wordt vervolgens meegenomen in de verdere ontwikkeling van de plannen. Huidige verwerking hemelwater Op dit moment is geen sprake van verharding ter plaatse. Er is wel sprake van een secundaire watergang (B-water) op een deel van de rand van het perceel/ plangebied. Het water dat nu in het plangebied valt wordt direct geïnfiltreerd in de bodem of stroomt op natuurlijke wijze af richting het B-water. Verwerking afvalwater en type rioolstelsel Het plangebied is op dit moment voor de afvoer van vuil water niet aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Er is ook geen sprake van de afvoer van vuil water. Aanwezig oppervlaktewater In het plangebied is sprake van een secundaire watergang (B-water). Deze ligt op een deel van de rand van het plangebied, namelijk op de zuid- en westgrens van het plangebied. Grondwaterstand en maaiveldhoogte 42

De gemiddeld hoogste grondwaterstand is op basis van het Dino-loket 4,80 meter t.o.v. NAP. Het maaiveld ligt op 5,40 meter t.o.v. NAP. Waterkwaliteit Er zijn geen gegevens bekend over de waterkwaliteit van het water in de secundaire watergang (B-water). Aangezien het gaat om een grondwaterbeschermingsgebied en de regels die in dergelijke gebieden gelden, is het niet aannemelijk dat de waterkwaliteit benedenmaats is. Toekomstige situatie en waterbergingsopgave De grootte van het plangebied bedraagt zo’n 5709 m2. Het gedeelte wat verhard is ten behoeve van de bebouwing, in-/uitrit en parkeerplaatsen bedraagt in totaal 300 m2. Voor de woning is een oppervlakte van 110 m2 voorzien. Voor een aanbouw aan de woning/ buitenberging/ tuinhuis is 100 m2 gereserveerd en 90 m2 aan verharding voor in-/uitrit en terras. Conform de Verordening van de Gemeente ’s-Hertogenbosch afdeling 4.3 bedraagt de norm voor hemelwaterberging 10 mm, de nieuwe/ vernieuwde verharding blijft namelijk onder de 500 m2. De waterbergingsopgave voor dit plan is op basis daarvan 3 m3. Vanuit het waterschap gelden geen compensatie-eisen, omdat minder dan 500 m2 wordt verhard. Ontwerp nieuw watersysteem Schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk binnen het plangebied vastgehouden. Hemelwater Het hemelwater wordt vertraagd afgevoerd naar een wadi aan de achterzijde van het bestemmingsvlak ‘Wonen’.

De wadi heeft ruim voldoende bergingscapaciteit voor wat betreft de bergingsopgave vanuit de verharding die in het plangebied wordt gerealiseerd. Vanuit de wadi vindt vertraagde afvoer plaats via infiltratie in de bodem/ overloop op een nabijgelegen watergang). In extreme situaties is rondom de wadi/ sloot voldoende bergingscapaciteit aanwezig voor het tijdelijk opvangen van hemelwater (vloeiveld). De wadi is technisch uitgewerkt (zie bijlage 8 bij deze toelichting) en via het OLO aan het Waterschap voorgelegd. Afvalwater en riolering Het plangebied is op dit moment nog niet aangesloten op het riool. In de nabijheid van het plangebied is wel een vrij verval (gemengd) riool aanwezig. Het plangebied zal hierop voor wat betreft de lozing van vuil water afkomstig uit het plangebied worden aangesloten. Het bestaande vrij verval riool kan de toename van het vuil water afkomstig van één huishouden verwerken, er is voldoende capaciteit. Het is niet gewenst om voor wat betreft nieuwe situaties op het vrij verval riool overtollig hemelwater te lozen. Dit zal dan ook niet worden gedaan. Voor hemelwater is een alternatieve voorziening bedacht (wadi met overloop op sloot), zie voorgaande paragraaf. Oppervlaktewater Aan het huidige oppervlaktewater in het plangebied (B-watergang) wordt een poel toegevoegd met flauwe oevers, bedoeld voor fauna waarvoor het gebied potentieel geschikt is.

Grondwater en maaiveldhoogte Het initiatief heeft geen effect op de grondwatersituatie (kwaliteit en kwantiteit). Aangaande de kwaliteit worden de regels die hiervoor in grondwaterbeschermingsgebieden van kracht zijn nageleefd. Voor wat betreft de maaiveldhoogte wordt – voor zover het gaat om de woonkavel – hetzelfde bouwpeil aangehouden als voor het naastgelegen perceel (nr. 45) van toepassing is. Hiervoor is een ophoging van de toekomstige woonkavel van 30-50 centimeter benodigd. Het gedeelte van het plangebied dat wordt ingericht voor het landschapsplan behoudt de maaiveldhoogte die het nu heeft. Beschermingszones, waterkeringen ed. Het plangebied betreft een grondwaterbeschermingsgebied. De regels die hierop van toepassing zijn bestaan uit rechtstreeks werkende regels die in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan. Deze zijn rechtstreeks van toepassing op initiatiefnemers. Verder zijn in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant instructieregels aan gemeenten opgenomen hiervoor. Die regels zijn doorvertaald in dit bestemmingsplan. De initiatiefnemer dient voorafgaand aan de werkzaamheden een melding te maken naar de provincie (via de ODZOB). 43

Waterkwaliteit Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. Hiertoe zijn in de regels van dit bestemmingsplan regels gesteld om dit te borgen. Beheer en onderhoud Het plangebied is in beheer en onderhoud bij de particuliere eigenaren van het terrein. Het plangebied kent geen openbaar karakter. Conclusie In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plan ‘Weerscheut 47 Vinkel’ bepaald en ingevuld met een passende inrichting van het watersysteem voor hemelwater, grondwater, afvalwater en oppervlaktewater. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.

5.12 Duurzaamheid We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente ’s-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de ‘visie duurzaam ’s-Hertogenbosch’ (mei 2019). Met de vastgestelde visie zet gemeente ’s-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema’s: 1. 2. 3. 4.

Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) CO2 neutrale omgeving (energie) Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) Duurzame mobiliteit

Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om. Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam ‘s-Hertogenbosch. Ten aanzien van het planvoornemen is per thema beschreven op welke wijze hier invulling wordt gegeven: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging en vergroening)

44

Een gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving is een speerpunt dat de gemeente ’s-Hertogenbosch najaagt. Via de vaststelling van het beleidsplan ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig stimuleert de gemeente dit. Via de bijbehorende Verordening hemelwater, bomen en groen dwingt de gemeente hetgeen zijn minimaal vereist af. Zo kent de verordening aangaande waterberging een minimum bergingseis in geval verharding wordt toegevoegd en is een groennorm (kwantiatief en kwalitatief) van toepassing. In het plangebied wordt invulling gegeven aan dit beleid. Er wordt een substantieel deel van het plangebied (meer dan 50%) ingericht als landschapsplan. Het landschapsplan is bijgevoegd bij deze toelichting. Het gaat om een gebiedseigen inrichting ter bevordering van de biodiversiteit. Daarnaast biedt het een klimaatadaptieve oplossing, het hemelwater (meer dan vereist) afkomstig uit het plangebied wordt hier (tijdelijk) geborgen. 2. CO2 neutrale omgeving (energie) Energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheidsambities van de gemeente ’sHertogenbosch. De gemeente heeft – naast de visie – ook doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en ’s-Hertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050.

Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energieambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat we als gemeente een serieuze bijdrage leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente. Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 2021 moet nieuwbouw voldoen aan zogenaamde ‘BENG-eisen’ voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. Het bestuursakkoord 2018-2022 zet bij ontwikkelingen in om vooruit te lopen op de landelijke norm (zoals deze zich nu laat aanzien). Dit houdt in dat ontwikkelingen (nieuwbouw) op dit moment dienen aan te sluiten bij de toekomstige BENG-norm. De ambitie is en blijft een energieneutrale bebouwde omgeving in 2035.

Voor de ontwikkeling van het planvoornemen (één nieuwe woning) geldt dat deze conform de landelijke wetgeving moet voldoen aan BENG. Hieraan wordt voldaan. Daarbij geldt dat aanvullend op de BENG-eisen net wat meer wordt gedaan doordat een bodempomp met energielabel A+++ wordt toegepast in plaats van de meer reguliere toepassing van een luchtwaterwarmtepomp die energie technisch gezien minder duurzaam is. Verder is ook een zonneboiler onderdeel van de techniek van de ontwikkeling.

3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) De bebouwing in het plangebied wordt uitgevoerd in natuurlijke materialen die niet uitlogen (i.v.m. het grondwaterbeschermingsgebied). Het gaat om baksteen, gebakken pannen, hout et cetera. Uit de voor de bouwvergunning uit te voeren MPG-berekening blijkt welke materialen precies worden gebruikt, wat een indicatie geeft voor het hergebruik ervan. 4. Duurzame mobiliteit Het betreft hier een particuliere ontwikkeling gelegen in het buitengebied. Het plangebied is niet direct aangesloten op het OV-netwerk. Ook is er geen sprake van meerdere huishoudens die samen in hun mobiliteitsbehoefte kunnen voorzien. Denk aan een deelautoconcept of iets dergelijks. Wel worden in het plangebied voorzieningen getroffen voor het elektrisch kunnen laden van een auto. Gezien de ontwikkeling en de ligging ervan is dit het hoogst haalbare.

5.13 Milieueffectrapportage Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: 45

a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). In overweging kan worden genomen of het initiatief een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. betreft, echter kan afgaande op jurisprudentie (201901439/1/R1) worden beoordeeld dat dit gezien de aard en de omvang van de ontwikkeling niet het geval is. De omvang is te klein (minder dan 12 woningen), het ruimtebeslag beperkt. Het initiatief komt gezien voorgaande motivatie daarom niet voor in bijlage C of D van het Besluit m.e.r. en is met die reden niet m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Verder blijkt uit dit hoofdstuk van deze toelichting dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu aan de orde zijn die de relevantie voor het opstellen van een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling aantoont. ad b. Het plangebied ligt op meer dan 10 km van de meest nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden te weten Rijntakken, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten. Een Aerius-berekening voor onderhavige ontwikkeling om dit aan te tonen is niet aan de orde, omdat één vrijstaande woning wordt ontwikkeld op zandgronden op een afstand van meer dan 7 kilometer tot een Natura-2000 gebied. Uit ervaring blijkt dat in dergelijke situaties onder gemiddelde omstandigheden de stikstofdepositie onder 0,00 mol/ha/jaar is (Rijksoverheid, Handreiking woningbouw en AERIUS, januari 2020, publicatie 20400607). Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.

5.14 Ecologie Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;

46

2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.

Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoek Gebiedsbescherming vanuit Wet natuurbescherming Binnen 10 kilometer van het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden gelegen.

Gezien de ruime afstand tot aan Natura 2000-gebieden en de kleinschalige aard van de ontwikkeling is de kans nihil dat de ontwikkeling effect heeft op enig Natura-2000 gebied. Een Aerius-berekening voor onderhavige ontwikkeling om dit aan te tonen is niet aan de orde, omdat één vrijstaande woning wordt ontwikkeld op zandgronden op een afstand van meer dan 7 kilometer tot een Natura-2000 gebied. Uit ervaring blijkt dat in dergelijke situaties onder gemiddelde omstandigheden de stikstofdepositie onder 0,00 mol/ha/jaar is (Rijksoverheid, Handreiking woningbouw en AERIUS, januari 2020, publicatie 20400607). Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het dichtstbij gelegen gedeelte van het Natuur Netwerk Brabant ligt op circa 1 kilometer afstand. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling is de kans nihil dat de ontwikkeling effect heeft op dit of andere gedeelten van het Natuur Netwerk Brabant. Hieronder is een uitsnede van de kaart ‘natuur en stiltegebieden’ behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant opgenomen, waarop het Natuur Netwerk Brabant rondom het plangebied zichtbaar is.

47

Soortenbescherming Om te inventariseren in hoeverre in het plangebied beschermde soorten in het kader van de Wet Natuurbescherming aanwezig zijn is door Nipa milieutechniek een quickscan naar flora en fauna (soorten) uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 5). De conclusies van het onderzoek zijn als volgt. “Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van de Weerscheut te Vinkel, kan worden uitgesloten dat de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden (NNB/Natura 2000). Op basis van de quickscan is een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna, ons inziens, niet noodzakelijk. Voor de geplande activiteiten is geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en zijn geen compenserende maatregelen nodig.” Conclusie Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.15 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader 48

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Onderzoek Vinkel is na vaststelling van de archeologische verwachtingskaart bij het grondgebied van de gemeente ’sHertogenbosch gevoegd. Dit betekent dat Vinkel niet op de gemeentelijke verwachtingskaart is opgenomen. De voormalige gemeente Maasdonk, waar Vinkel onderdeel van was, heeft haar archeologiebeleid grotendeels verankerd in de bestemmingsplannen door dubbelbestemmingen ter bescherming van de eventuele archeologische waarden op te nemen.

Het plangebied is opgenomen in het bestemmingsplan buitengebied Maasdonk, waarin de beschreven ‘dubbelbestemmingen – systematiek’ is toegepast. Het plangebied heeft hierin echter geen dubbelbestemming toegekend gekregen. Dit betekent dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van een archeologische verwachting. Op basis hiervan kan worden gesteld dat in het plangebied geen archeologische waarden worden verwacht. Archeologisch onderzoek is met die reden niet aan de orde. Bovenstaande ontslaat de ontwikkelende partij echter niet van haar zorgplicht. Ingeval tijdens graafwerkzaamheden archeologische vondsten worden gedaan moet dit ingevolge de Erfgoedwet worden gemeld. Het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.16 Gezondheid In ruimtelijke plannen wordt gezondheid steeds nadrukkelijker meegewogen. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens- en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel microorganismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 2.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen varkens-, en/of pluimveehouderijen aanwezig. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd.

Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren 49

laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. Binnen 2 km van het plangebied is een geitenhouderij gelegen. De gemeente ‘s-Hertogenbosch moet een zorgvuldige afweging maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Afweging Op basis van de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” kan een dergelijke afweging worden gedaan. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de beoordeling uitvoert, of dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht. Uit toetsing aan het stappenplan volgt dat geen advies van de GGD nodig is voor dit plan. Er wordt voldaan aan de normen voor geur en fijn stof. Daarnaast worden geen bijzondere gevoelige personen gehuisvest.

Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Stap 1 Endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 2.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling bestaat uit één nieuwe woning en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/ leefklimaat Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij Er zijn geen bedrijven met meer dan één diersoort als bedoeld in de opsomming van stap 4a.

Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen en overige veehouderijen Binnen een straal van 2 kilometer bevindt zich een geitenhouderij. Binnen een straal van 1 kilometer bevinden zich geen pluimveehouderijen. Er zijn geen andere veehouderijen aanwezig welke een verhoogd gezondheidsrisico veroorzaken. 50

Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Er is bij de bewoners in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid. De ontwikkeling vindt plaats op 600 meter van een geitenhouderij. Tussen de geitenhouderij en het plangebied zijn reeds meerdere woningen gelegen. Het aantal gevoelige objecten in deze straal rondom de geitenhouderij neemt door de ontwikkeling niet significant toe. De GGD kan op dit moment niet anders adviseren dan hetgeen in het VGO-3 rapport staat. Het opvragen van een GGD-advies is met die reden niet nodig. De initiatiefnemers tevens toekomstige bewoners van het plangebied zijn op de hoogte van de mogelijke risico’s die aan de orde zijn bij bewoning van een woning in de nabijheid van een geitenhouderij. Ze hebben de risico’s gewogen en geaccepteerd. De initiatiefnemers zijn gevraagd eventuele (toekomstige) kopers van de risico’s op de hoogte te stellen. Doordat de initiatiefnemers op de hoogte zijn van de mogelijke gezondheidsrisico’s die bewoning in de nabijheid van een geitenhouderij met zich meebrengt en het feit dat het aantal gevoelige objecten rondom de geitenhouderij in de straal waarbinnen het plangebied ligt niet significant toeneemt vindt de gemeente het in verband met het aspect ‘gezondheid’ aanvaardbaar om een woning in het plangebied toe te voegen.

51

Hoofdstuk 6

Juridisch-bestuurlijke aspecten

6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke bestemmingen. Het bestemmingsplan ‘Weerscheut 47 Vinkel’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken binnen het plangebied. Het bestemmingsplan maakt het gebruik en de bouw van één grondgebonden woning en landbouw mogelijk. Het toekomstige bouwplan en gebruik dient te passen binnen de mogelijkheden van dit bestemmingsplan. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de gemeentelijke bestemmingsplannen, meer in het bijzonder het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Maasdonk’. Onder paragraaf 6.2 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11790849/1