Bijlage 1 bestemmingsplan Brabantbad (toelichting, regels)
Tekst van het document
Een nadere beschouwing van de cumulatieve geluidhinder – anders dan bronnen van het wegverkeer - is daarom niet aan de orde.
5.5
Trillingen
Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Er is geen wetgeving van toepassing op dit aspect. Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem).
Beoordeling Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. De woningen in het plangebied liggen op een afstand van circa 500 meter van de dichtsbijzijnde spoorweg. Gelet op deze afstand is een nadere beschouwing van het aspect trillingen niet noodzakelijk vanuit de spoorweg. Overigens liggen de nieuwe woningen (deels) wel binnen 100 meter van de doorgaande weg Van Grobbendoncklaan. Echter is er geen sprake van relevante oneffenheden in de weg, gaan er doorgaans geen zwaar beladen voertuigen over de weg en is hinder door trillingen dus ook vanaf deze weg niet aan de orde. Overige relevante trillinghinderveroorzakende functies zijn in de omgeving evenmin aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
53
5.6
Verlichting
Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Beoordeling Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat het gebouw op voldoende afstand tot omliggende percelen wordt opgericht. De in de omgeving aanwezige verlichting zal voornamelijk ten behoeve van de nodige verlichting van de openbare omgeving/ruimte zijn.. Bij het parkeerterrein zal mogelijk verlichting worden opgericht, maar deze zal gericht zijn op het parkeerterrein en slechts een beperkte uitstraling richting de omgeving hebben. De aanwezige bomen zorgen bovendien grotendeels voor afscherming. De in- en uitritten van de bovengrondse en half verdiepte parkeervoorzieningen zijn bovendien niet naar woningen in de omgeving gericht. Hinder als gevolg van verlichting is hier niet aannemelijk.
5.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe 54
veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid.
Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. Beoordeling Beschouwing risicobronnen Het plan maakt nieuwe kwetsbare objecten mogelijk en het aantal personen binnen het plangebied neemt toe. Er worden geen nieuwe risicobronnen geïntroduceerd. Op basis van de Risicokaart is een inventarisatie gemaakt van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Figuur 5.1 geeft de risicobronnen in de ruime omtrek van het plangebied weer.
55
Figuur 5.1: uitsnede Risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)
Raadpleging van de Risicokaart levert de volgende inzichten op. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied is een aantal Bevi-inrichtingen gelegen. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een inrichting ten behoeve van vervaardiging van machines en apparaten. Deze inrichting bevindt zich aan de Sigarenmakerstraat 9, op circa 1.290 meter van het plangebied. In deze inrichting is een bovengrondse propeen tank (8.000 liter) aanwezig. De PR 10-6 risicocontour bedraagt 43 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Het plangebied ligt tevens buiten het invloedsgebied van de risicobron. Ten zuidwesten van het plangebied, aan de Orthenstraat 302, bevindt zich een opslagkluis voor munitie. De opslagkluis bevindt zich op een afstand van circa 1.320 meter van het plangebied. De kluis beschikt niet over een PR 10-6-risicocontour en het invloedsgebied reikt niet over het plangebied. Aan de Victorialaan 10 bevindt zich sportcomplex het 'Sportiom'. Dit complex bevindt zich op circa 690 meter van het plangebied. In dit complex bevindt zich een koelinstallatie. De PR 10-6-risicocontour bedraagt 0 meter. Het invloedsgebied reikt niet over het plangebied. Tot slot bevindt zich aan de Pieter Langendijksingel 2, op circa 1.070 meter van het plangebied, een bedrijf ter vervaardiging van zuivelproducten.Ter plaatse bevindt zich een ammoniak koelinstallatie.
Voor deze installatie zijn echter geen risicoafstanden van toepassing. Buisleidingen Op een kleine 1.500 meter noordoostelijk van het plangebied is een buisleiding van de Gasunie gelegen (Z-523-01). De PR 10-6-risicocontour en het invloedsgebied van deze buisleiding reiken niet over het plangebied. Transportroutes (weg/spoor) Het plangebied ligt op circa 550 meter afstand van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen, en op ruim 2.200 meter van de A2 en van de A59. Over deze transportroutes vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6-risicocontouren van deze transportroutes reiken niet over het plangebied. Voor de A2 en de A59 geldt dat de volgende gevaarlijke stoffen worden vervoerd: LF1 (brandbare vloeistof), LF2 (brandbare vloeistof), LT1 (toxische vloeistof), LT2 (toxische vloeistof) en GT3 (toxisch gas). Voor deze stoffen geldt een hoogste invloedsgebied van 995 meter. Het plangebied valt hier niet binnen. Voor de spoorlijn geldt dat de volgende stoffen over de lijn worden vervoerd: A (brandbaar gas), B2 (toxisch gas), C3 (zeer brandbare vloeistof), D3 (toxische vloeistof) en D4 (zeer toxische vloeistof). Voor deze stoffen geldt een hoogste invloedsgebied van 4.000 meter. Het plangebied ligt binnen deze afstand.
Echter ligt het plangebied wel verder dan 200 meter van de spoorlijn en wordt er volstaan met het opstellen van een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen het plan en de risicobron dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Veilgheidsregio Voor kwetsbare objecten gesitueerd buiten de 325 meter van het spoor en de wegen, maar nog wel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen, geldt dat op een dergelijke afstand een ontwikkeling geen invloed meer heeft op de omvang van het groepsrisico. Het bestrijdbaarheidvraagstuk speelt hier niet of nauwelijks, omdat de bestrijding bij de bron plaatsvindt op ruime afstand van het plangebied. Binnenplans zou enkel nog aandacht kunnen worden besteed aan beheersbaarheidmaatregelen om de gevolgen van een toxisch scenario tegen te gaan, zoals mechanische afsluiting van gebouwen. In overleg met de regionale brandweer is echter besloten 56
dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld en dat het in het kader van de verantwoording van het groepsrisico niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer. Derhalve is geen advies betrokken/ingewonnen bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio.
Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het plangebied ligt alleen binnen effectafstand van het scenario toxische wolk. De kans daarop is klein. Mocht het toch gebeuren dan is binnen schuilen de beste zelfredzame strategie. Het ligt in de verwachting dat de aanwezige personen in voldoende mate zelfredzaam zullen zijn om zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. Daarnaast zijn aanvullende maatregelen mogelijk om de zelfredzaamheid verder te verbeteren, zoals het toepassen van risicocommunicatie en het verbeteren van de ontvluchtbaarheid, zodat van de risicobron af gevlucht kan worden. Er zijn in dit geval per gebouw meerdere vluchtroutes mogelijk door de ligging in een park. Ook vanuit de parkeergarage zijn meerdere vluchtroutes mogelijk. De mate van zelfredzaamheid wordt al met al voldoende geacht. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron.
De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Het plan heeft geen invloed op de mogelijkheden tot bestrijding bij de bron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontouren van risicobronnen, maar binnen het invloedsgebied van één transportroute. Het groepsrisico is in dit kader (beperkt) verantwoord. Het restrisico kan acceptabel worden geacht op basis van deze verantwoording.
5.8
Lucht
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2µg/m³) 57
Beoordeling Invloed initiatief op luchtkwaliteit Onderbouwd moet worden dat het plan onder de Regeling NIBM valt. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. Het plan voorziet in maximaal 195 woningen (plus maximaal 960 m² aan overige functies in de plinten) en blijft - gezien de rekenresultaten als gevolg van de verkeersgeneratie - ruimschoots onder de norm zoals vastgelegd in de Regeling NIBM. Figuur 5.2 geeft de resultaten van de NIBM-tool weer, waaruit dit blijkt. Een luchtkwaliteitsonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Figuur 5.2: resultaten NIBM-tool
Naast het voorgaande is ook het achtergrondniveau (de huidige situatie van de luchtkwaliteit) van belang. Met behulp van het Centraal instrument monitoring luchtkwaliteit is dit voor de meest nabijgelegen rekenpunten bepaald, zie de tabel in figuur 5.3. Hieruit blijkt dat de achtergrondwaarden ter plaatse van het plangebied (locatie Prins Hendrikpark / Van Grobbendoncklaan) voor fijnstof en NO2 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Ter plaatse van het plangebied is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Kenmerk meetpunt
N02 µg/m³
PM10 µg/m³
PM10 PM2.5 µg/m³ overschrijdings-d agen
Jaar
17278704_1238781
21,8
18,3
6,5
10,4
2020
17278704_1238785
20,6
18,1
6,3
10,3
2020
17278704_1238768
21,3
18,2
6,4
10,4
2020
Norm
40
40
35
25
Tabel 5.2: achtergrondwaarden luchtkwaliteit in omgeving plangebied, monitoringsjaar 2020 (bron: Centraal instrument monitoring luchtkwaliteit)
58
5.9
Bodem
Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Beoordeling Met dit bestemmingsplan worden drie woongebouwen met commerciële en/of maatschappelijke functies in de plinten mogelijk gemaakt ter plaatse van een voormalig sport- en zwemcomplex. Omdat er sprake is van een gevoelige functie, is een onderzoek naar de bodemkwaliteit in het plangebied noodzakelijk. Er is een vooronderzoek, gevolgd door een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Sweco Nederland B.V.. De rapportage is opgenomen in Bijlage 6. Hierna worden de onderzoeksresultaten besproken. Doel van de onderzoeken is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit op de locatie ten behoeve van de voorgenomen nieuwbouw.
Historisch onderzoek Het historisch onderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725. In het kader van het historisch onderzoek zijn vragen gesteld die onder andere betrekking hebben op potentiële bronnen van bodemverontreiniging, asbestverdachtheid van de bodem en bodemlagen binnen de planlocatie. Hieruit is gebleken dat de grond (en het grondwater) mogelijk verontreinigd zijn door de aanwezigheid van ondergrondse tanks, restverontreinigingen afkomstig van het benzinestation ten oosten van het plangebied, verontreinigingen als gevolg van een afgebrande sporthal en een voormalige rotonde welke waarschijnlijk deels ter plaatse van het plangebied is gelegen. Ook is op basis van verstrekte informatie geconstateerd dat de locatie niet asbestverdacht is. Tot slot werd gesteld dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op basis van het historisch vooronderzoek onvoldoende bekend is. De aandachtspunten van de potentiële bronnen van bodemverontreiniging geven aanleiding verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Verkennend bodemonderzoek (veld- en laboratoriumonderzoek) Op basis van de resultaten van het historisch onderzoek is een verkennend onderzoek uitgevoerd, dat deels op maat is ingestoken en bestaat uit veld- en laboratoriumwerkzaamheden. Conform de aanpak van de NEN 5740 dient, op basis van de resultaten van het historisch onderzoek een onderzoekshypothese te worden vastgesteld.
Hierbij wordt de onderzoekslocatie zonodig onderverdeeld in deellocaties. In onderstaande tabel 5.3 is de indeling in deellocaties met de bijbehorende onderzoekshypothese en onderzoeksstrategie van het verkennend bodemonderzoek weergegeven.
Tabel 5.3 Te onderscheiden deellocaties met onderzoeksstrategie - verkennend bodemonderzoek
59
Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit het verkennend onderzoek blijkt dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ vanwege de aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater strikt genomen niet juist is. Er zijn over het algemeen licht verhoogde gehalten aangetroffen in de bodem (lood, koper, kwik, PAK, PCB en minerale olie) en het grondwater (barium, benzeen, naftaleen, dichloormethaan). Deze lage gehalten geven geen aanleiding tot het verrichten van nader onderzoek. Ten aanzien van twee deellocaties (ter plaatse van meetpunten in het noordwestelijke deel van het plangebied) is bij onderhavig onderzoek een nader onderzoek naar lood uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er van uitgegaan kan worden dat er geen verontreiniging met sterk verhoogde gehalten aan lood aanwezig is. Gezien de heterogeniteit van de grond is echter niet uit te sluiten dat plaatselijk, als gevolg van bodemvreemde bijmenging, (sterk) verhoogde gehalten aan lood in de grond aanwezig kunnen zijn. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek behoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het toekomstige gebruik van de locatie voor wonen.
Als aandachtspunt dienen echter bij de ontwikkeling van de locatie de volgende punten te worden meegenomen: ter plaatse van één peilbus is een matige verontreiniging met xylenen in het grondwater aanwezig. Indien ten behoeve van de ontwikkeling bemaling benodigd is, dient rekening gehouden met de eisen die van toepassing zijn in verband met het lozen van het grondwater. De grond bevat mogelijk plaatselijk verhoogde gehalten aan lood. Afhankelijk van de gevoeligheid van de bij herinrichting gehanteerde functie dient overwogen te worden om direct contact met braakliggende terreindelen te vermijden; het toepassen van een leeflaag kan in dat kader een optie zijn. De voormalige rotonde bevat teerhoudend asfalt en de hier onderliggende puinlaag is niet herbruikbaar als een niet-vormgegeven bouwstof. In verband met de herontwikkeling wordt aanbevolen de asfaltlaag en de puinfunderingslaag van de locatie te verwijderen en aan te bieden aan een erkend verwerker. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is vermoedelijk nog een ondergrondse HBO-tank aanwezig. In verband met de herontwikkeling wordt aanbevolen de HBO-tank van de locatie te verwijderen.
De kwaliteit van de grond betreft (bij toetsing aan Besluit bodemkwaliteit met uitzondering van de PFAS-parameters) grotendeels de klasse “Industrie”; er dient getoetst te worden of de huidige grond bij het toewijzen van braakliggende terreindelen geschikt is voor de nieuwe woonfunctie. Indien de bodem nabij de woontorens verhard wordt, is de klasse “Industrie” niet relevant in het kader van de ontwikkeling. Conclusie De bodemkwaliteit in het plangebied is middels een verkennend bodemonderzoek en historisch onderzoek, waarbij enkele monsters nader onderzocht zijn, voldoende in beeld gebracht. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. Nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan is niet noodzakelijk. Bij de verdere planvorming zijn er enkele aandachtspunten en aanbevelingen, waarmee rekening gehouden dient te worden. Deze staan de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
5.10
Geur
Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur(hinder) vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de omgeving van het plangebied, middenin een woongebied en op ruime afstand van agrarische bedrijven en gebieden, is geur hier geen relevant aspect. Veehouderijen zijn in de ruime omtrek niet aanwezig. Nader onderzoek kan achterwege blijven. Een goed woon- en leefklimaat is voldoende verzekerd.
60
5.11
Hoogspanningslijnen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.
Beoordeling De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005 en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Voor onderhavig plan is van belang dat hoogspanningslijnen niet in de omgeving aanwezig zijn. Het voorzorgsbeginsel staat de planontwikkeling dan ook niet in de weg.
5.12
Water
Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer Visie Groen en Klimaatbestendig Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld.
Waterbeheerplan 2022-2027 waterschap Aa en Maas Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerk t in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; 61
de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekk ing tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan.
hoe het
waterbeleid is
vertaald naar
Beoordeling Met de planontwikkeling neemt het verhard oppervlak toe. In de huidige situatie is een deel van het plangebied verhard, namelijk de parkeerplaats nabij het tankstation aan de oostkant van het plangebied. In de toekomstige siuatie zal het verhard oppervlak bestaan uit de drie woontorens, omliggende paden, bovengrondse parkeervoorzieningen en terreinverharding. Hemelwater en vuilwater Het afstromend hemelwater – afkomstig van de verhardingen in het plan – wordt gescheiden van het vuilwater en zal niet worden geloosd op de gemeentelijke vuilwaterriolering. Ter compensatie van de verhardingen zal een hemelwatervoorziening worden gerealiseerd, in de vorm van meerdere wadi's verdeeld over het park, met een capaciteit van minimaal 60 mm per m² nieuw/vernieuwd verhard oppervlak. Het afgekoppelde hemelwater zal via de hemelwatervoorzieningen (wadi's) bovengronds naar de plas Ijzeren vrouw nabij het plangebied afstromen. De plas kan daarbij worden gezien als overstort bij extreme neerslag. Via de wadi's kan het hemelwater geleidelijk infiltreren in de grond of vertraagd naar de plas afvoeren. Het doel hiervan is het voorkomen van overlast door hevige neerslag en het tegengaan van verdroging als gevolg van klimaatveranderingen. Het dak van de nieuwe half verdiepte parkeerstalling wordt voorzien van een forse laag groene bedekking (circa een halve meter grond met gazon).
Voor deze “verharding” wordt geen compenserende waterberging gerealiseerd aangezien de groene bedekking met grondlaag zal zorgen voor de nodige bergingscapaciteit. Het vuilwater zal gescheiden van het hemelwater worden afgevoerd. De nieuwbouw zal hiervoor op de riolering aangesloten moeten worden. Oppervlaktewater In het plangebied is momenteel geen oppervlaktewater aanwezig met een beschermde status volgens de Legger van het waterschap Aa en Maas. Er wordt geen nieuw oppervlaktewater gerealiseerd met het plan. Wel worden er meerdere wadi's voorzien (zie voorgaand). Grondwater Ruimtelijke planontwikkelingen mogen geen onevenredig negatieve effecten op het grondwater hebben. De nieuwbouw wordt, inclusief de halfverdiepte parkeerkelder, boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) gerealiseerd (met uitzondering van de fundering van de liftput). Het plan heeft geen invloed op de grondwaterstand van het omliggende gebied. Alleen een tijdelijke bronbemaling is nodig voor de realisatie van 62
het plan. Onevenredig negatieve effecten zijn uitgesloten. Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen (de beschermingszones van) een waterkering.
5.13
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Op dit moment werken we intensief aan het verduurzamen van onze gemeente 's-Hertogenbosch. Hierbij is de vast gestelde visie (2019) 'samenwerken aan een duurzaam 'Hertogenbosch' het kader en uitgangspunt. In de visie staan 4 belangrijke thema's genoemd: 1. Gezonde, groene en k limaatbestendige omgeving; 2. CO2-neutrale gemeente; 3. Waardebehoud van grondstoffen; 4. Duurzame mobiliteit. In onderstaande paragraaf is beschreven op welke wijze – per thema – het plan hieraan invulling geeft en een bijdrage levert aan het verduurzamen van onze gemeente.
1. Gezonde, Groene en klimaatbestendige omgeving Binnen dit thema wordt aandacht besteed aan het opnieuw inrichten van de ruimtelijke omgeving, waarbij natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen en aanleggen belangrijke aspecten zijn. Het plan draagt in zijn geheel daarom bij aan een gezonde leefomgeving. Hierbij kan worden gedacht aan herstel en verbetering van de lokale biodiversiteit in het park en om de gebouwen alsook maatregelen ten gunste van de klimaatbestendigheid van dit gebied. Niet alleen voor nu of de komende jaren, maar ook voor de generaties die volgen. Er wordt ingezet met een hoge ambitie. Het project Brabantbad is gevestigd in het Prins Hendrikpark welke de plas De IJzeren Vrouw omsluit. Ooit ontstaan vanuit zandafgraving voor de wijk De Muntel maar in de loop der jaren ontwikkeld als een echt stadspark met veel groen. Vanuit die gedachten is bij het opstellen van de ambities voor de ontwikkeling veel rekening gehouden met haar gebruikers zoals wandelaars, sporters en ook buurtbewoners. De footprint van de woontorens is tot een minimum beperkt door in de lucht te bouwen, hiermee wordt de toename van verharding klein gehouden. Tevens is een half verdiepte stallingsgarage ontworpen, waarboven groenvoorzieningen worden gerealiseerd op een bodempakket van ca. 80 cm dik.
De groene afdekking van de parkeerstalling is klimaatadaptief te noemen, resulteert vanwege het groen in minder verharding en verkoeling in warme zomer maanden. Voor de ontwikkeling dient een aantal bomen verplaatst dan wel gekapt te worden. Daarvoor in de plaats zullen ook nieuwe bomen een plek in het park krijgen. Totaal gezien neemt het aantal bomen (en de diversiteit ervan) toe. Door het plaatsen van extra struiken, planten, bomen wordt – naast de biodiversiteit – ook de leefbaarheid versterkt. Groen bevordert namelijk de ontspanning en draagt bijzonder veel bij aan verkoeling in de zomer (hitte stres). Ook wordt groen ingezet als maatregel om te veel aan wind in het park tegen te gaan (windhinder). De bestaande parkeerplaats op maaiveld wordt aangepast en opnieuw aangelegd. Hierbij zullen grastegels gebruikt worden zodat in het groen geparkeerd kan worden. Tevens wordt het bestraat oppervlakte verminderd vanwege de doorlatende tegels en omdat het aantal m² parkeerplaats gereduceerd wordt. De afvoer van het hemelwater wordt gescheiden aangelegd van het vuilwater. Het hemelwater zal daardoor via een bovengrondse voorziening geïnfiltreerd worden in het groene park. Hierbij wordt gedacht aan een aantal wadi's die uiteindelijk zijn afvoer heeft op de waterplas IJzeren Vrouw.
Hierdoor wordt de gemeenteriolering ontlast, wordt het aanwezige groene park en grondwater voorzien van schoon hemelwater, en wordt zo een 63
duurzame waterhuishouding gecreëerd. Ook zal invulling worden gegeven aan het aspect 'natuurinclusief bouwen'. Onder natuurinclusief bouwen verstaan we het integraal ontwerpen en realiseren van gebouwen, in dit geval 3 woontorens, waarbij een gezonde leefomgeving (voor flora en fauna, en daarmee dus ook voor de mens) het ijkpunt is. Er zullen voorziening worden getroffen aan de buitenzijden van de woontorens, daar waar met name vogels, insecten en andere kleine dieren leven. Hun aanwezigheid versterkt de fauna. Het aandeel blijft niet beperkt tot het aanbrengen van nestvoorzieningen. Het zal een integraal scala aan maatregelen zijn in het gebied/park die tevens zorgen voor voldoende beschutting (in hagen, struiken of anders) en voedsel, en tevens mogelijkheden biedt dat dieren er kunnen overwinteren. Gezondheid gaat ook over het woon- en leefklimaat van nieuwe bewoners. De luchtkwaliteit ligt hier ruim beneden de luchtkwaliteitsnormen en toename van 'groen' en biodiversiteit dragen altijd bij een aan een verbetering hiervan. Voor wat betreft de optredende geluiden bevinden de nieuwe woonobjecten zich op afstand van de drukke Van Grobbendoncklaan dat de geluidssituatie ten goede komt.
Enige aanvullende voorzieningen zijn getroffen om het woon- en leefklimaat zowel in de woningen als in de buitenruimte (balkons) als 'goed' te kunnen betitelen, passend bij deze stadse omgeving (geluidsklimaat). Als laatste worden onder de woontorens sokkels gecreëerd welke met haar natuurlijke zitmogelijkheden zorgt voor ontmoeting, speelvoorzieningen en door de hoogte verschillen uitnodigt om actief gebruik te maken van de plek in een groene setting. Het geheel stimuleert mensen om te bewegen, te ontspannen en te ontmoeten en levert daarmee een algemene bijdrage aan een gezonde leefomgeving.
2. CO2-neutrale gemeente De gebouwen van Brabantbad worden ontworpen conform de nieuwe regelgeving en voldoen derhalve aan BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Hierbij wordt een goede thermische schil met isolerend glas om de gebouwen geconstrueerd. Door de duurzame installaties met warmteterugwinning voor de ventilatie, LED-verlichting, aanwezigheidsdetectie etc. wordt het energieverbruik zo min mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt WKO (warmte koude opslag) toegepast welke verbonden is middels Aquathermie met de plas IJzeren Vrouw. Er wordt dus (confom de wet) niet op het aardgas aangesloten en dus ook geen aardgas verbruikt voor verwarming van de nieuwe woningen. Met de WKO-installatie wordt in de zomer koelte uit de plas gehaald om passieve koeling voor de appartementen te generen. En in de winter wordt warmte uit de bodem en plas getrokken om de appartementen te voorzien van warmte. Tevens wordt het warm-tapwater met de energie uit de plas opgewekt. Hiermee wordt met natuurlijke bronnen de energiehuishouding van het gebouw opgewekt. Het dak zal worden voorzien van PV-panelen (zonne-energie) om elektriciteit op te wekken.
3. Waardebehoud van grondstoffen Dit thema heeft alles te maken met 'circulair bouwen' en te gebruiken bouwmaterialen. Bij circulair bouwen wordt het principe van circulariteit toegepast op de bouw. We spreken van circulair bouwen als bij de totstandkoming van een gebouw zo min mogelijk nieuwe grondstoffen worden gebruikt en zo min mogelijk vervuiling plaatsvindt. Daarbij wordt gekeken naar de gehele keten en dus niet alleen naar de materialen die gebruikt worden. Van ontwerp, tot bouw, tot exploitatie van het gebouw. Voor de geplande woontorens wordt voor de ontwikkeling tijdens de engineringsfase bewust gekeken naar de toe te passen materialen, materialen te gebruiken met een zo beperk mogelijke milieubelasting en om het gebruik van grondstoffen zoveel mogelijk te beperken. Ook kijken we naar de toekomst: de toegepast bouwmaterialen zouden (door een volgende generatie) ook weer kunnen worden hergebruikt. Hoe wordt dit gedaan?
Reduceren van afval Om het materiaalgebruik zoveel mogelijk te beperken tijdens de realisatiefase wordt het ontwerp van Brabantbad volledig digitaal 3D getekend. Middels deze “digitale twin” wordt voorkomen dat faalkosten en onnodig materiaalgebruik ontstaat. Tevens is hierdoor het gebruik van prefab producten (welke in de fabriek 64
onder optimale omstandigheden worden gemaakt) toegepast kunnen worden. Hiermee is minder productieafval en minder tot geen verpakkingsafval. Een ander voordeel van prefab bouwen is dat beperkte opslag nodig is op de bouwplaats welke geen overlast geeft voor de omgeving en hiermee omgevingsvervuiling. Scheiden afval Daarnaast heeft de ontwikkelaar tijdens de bouw veel aandacht voor het scheiden van afval. Het afval zal duurzaam gescheiden en verwerkt worden, dan wel hergebruikt dan wel verbrand tot nieuwe energie. Hiermee krijgen materialen een nieuw leven en is de biologische kringloop (circulair) geborgd. Innovatie Vanuit de ontwikkelende partij wordt gewerkt aan nieuwe initiatieven: van platformen die materiaalstromen transparant maken tot oefenen met hoogwaardig hergebruik in eigen kantoor, van het opstellen van materialenpaspoorten tot circulair beton gebruiken, van milieuwinst opnemen in je business case tot recycling van materialen die vrijkomen bij onze onderhoudsprojecten. Kortom een ambitie om de uitstoot van CO2, stikstof en fijnstof binnen enkele jaren tot een minimum te beperken. Materialen en materialenpaspoort De milieuprestatie van de toe te passen materialen krijgen aandacht in het ontwerp van het gebouw. De MPG waarde is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw. Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het bouwmateriaal.
Dit kan zitten in de afkomst van de materialen (komen ze van ver of van dichtbij huis), hoeveelheid materialen, benodigde energie voor winning, productie of transport, maar ook of een materiaal veel of weinig onderhoud vraagt. De huidige MPG-waarde voor woningen (conform het Bouwbesluit) is 1,0. De verwachting is dat deze verlaagd wordt. Voor Brabantbad is de ambitie om in gezamenlijkheid te kijken om de MPG zo laag mogelijk te maken en tijdens de engineringsfase wordt de ambitie exact bepaald.
4. Duurzame mobiliteit Bij de inrichting van het openbaar terrein is rekening gehouden met duurzame mobiliteit. Vanuit de gestelde parkeernormering per appartement zijn naast een standaard parkeerplaats (gebouwd op maaiveld) ook nieuwe vormen van deelmobiliteit opgenomen. Voor Brabantbad zijn 12 deelauto's voorzien in het parkeren op maaiveld. Deze elektrische auto's kunnen door bewoners gebruikt worden als vervoermiddel. Dit vervoersmiddel in beschikbaar naast de meer traditionele openbaar vervoersmiddelen zoals busverkeer en treinverkeer (beide op korte afstand van de locatie). Tevens is de ambitie om de verschillende vormen van deelmobiliteit in de toekomst verder uit te breiden, al naar gelang de behoefte. Bijvoorbeeld door gebruik van deelscooters of bakfietsen / elektrische fietsen (inclusief laadpalen). Door het monitoren van de markt wordt een passend product bij de omgeving geleverd.
5.14
Ecologie
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming 65
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artik el 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Beoordeling In het kader van dit bestemmingsplan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, omdat negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten zijn. De rapportage is opgenomen in Bijlage 8. Onderstaand worden de resultaten per onderdeel besproken.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, bevindt zich op 66
circa 1,3 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van drie woontorens betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Daarom is vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening, waarmee onderzocht wordt of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt, noodzakelijk. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 9. Uit de berekening blijkt dat het plan niet leidt tot stikstofdeposities >0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden, in zowel de realisatie- als in de gebruiksfase. Significant negatieve effecten op deze gebieden zijn uitgesloten. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 300 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast.
Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Wel dient het gemeentelijk kapbeleid in acht te worden genomen. In paragraaf 3.5 is beschreven op welke wijze met bomen in het plangebied wordt omgegaan, waarbij tevens het gemeentelijk beleid in acht wordt genomen. Soortenbescherming In de quickscan zijn de mogelijke aanwezigheid van en de (potentiële) effecten van het plan op beschermde soorten onderzocht. In onderstaande tabel in Tabel 5.4 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden. Verder is aangegeven wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Tabel 5.4: Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen
Uit het onderzoek blijkt dat soortgericht vervolgonderzoek niet noodzakelijk is. Het plan kan worden uitgevoerd met inachtneming van het bepaalde in de Wnb. Hieraan zijn enkele nadere voorwaarden gesteld in de uitvoering van het plan, onder meer wat betreft het bouwrijp maken in relatie tot het broedseizoen van vogels, alsmede de uitvoering van verlichting. Verder is de algemene zorgplicht te allen tijden van toepassing. Conclusie Het plan kan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd. Hierbij moeten de volgende voorwaarden in acht worden genomen: 67
Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen en open water te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten aanzien van in de waterplas voorkomende soorten is in het kader van de zorgplicht aandacht nodig voor de mogelijke effecten van de beoogde WKO-installatie; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
5.15
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden Gemeentelijk beleid De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart.
De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Beoordeling Cultuurhistorie Voor dit onderdeel is onder andere de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) relevant. De CHW geeft niet aan dat deze plek vanuit cultuurhistorie van provinciaal belang is. Op de kaart is het park als onderdeel van de Muntel wel meegenomen onder het kopje 'Overige cultuurhistorische informatie'. Het is daarbij geduid als 'historische stedenbouw'. De wijk De Muntel is door het rijk aangewezen als Rijksbeschermd stadsgezicht, maar de plas en het park (en dus ook onderhavig plangebied) maken daar geen onderdeel van uit. De geplande nieuwbouw past goed in de bestaande stedenbouwkundige structuur. Dit is in paragraaf 3.1.2 uitvoerig onderbouwd. In het plangebied en in de directe omgeving zijn voor het overige geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen of elementen aanwezig. Het onderdeel cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.
Archeologische waarden en verwachtingen De gemeente 's-Hertogenbosch heeft het bouwplan getoetst aan de archeologische waarden en verwachtingen om inzichtelijk te maken of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Onderstaande onderbouwing gaat hier verder op in. Het plangebied ligt op de locatie van het voormalige Brabantbad. Volgens de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente 's-Hertogenbosch geldt voor het terrein deels een lage en deels een hoge 68
archeologische verwachting. De lage verwachting is gebaseerd op het feit dat het gebied landschappelijk gezien altijd relatief laag en drassig is geweest. Dergelijke landschappen waren in het verleden geen aantrekkelijke locaties voor (permanente) bewoning. Op de kaart van Jacob van Deventer uit de 16de eeuw is duidelijk zichtbaar dat de doorgaande weg naar Hintham, de Hinthamersteenweg, door het plangebied loopt. De weg is verhoogd aangelegd en aan weerszijden zijn verschillende molenplaatsen te zien. De locatie van de molens is op de verwachtingskaart met stippen aangegeven. Huizen of boerderijen hebben waarschijnlijk niet aan deze weg gestaan. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) werden de vestingwerken gemoderniseerd. Rond 1618 werden aan de Hinthameruitleg twee bastions toegevoegd: bastion Hintham en bastion Muntel. Door het toevoegen van deze twee bastions veranderde het uiterlijk van de Hinthameruitleg drastisch. De bastions werden uitgegraven binnen de grenzen van de zestiende eeuwse stadsmuur en ten koste van de toen aanwezige huizen. De noordoostflank van de stad kwam hierdoor een stuk terug te liggen ten opzichte van de 16de eeuwse situatie. Door alle aanpassingen kwam de oude Hinthamerpoort te vervallen en kwam deze meer naar het zuiden te liggen (in de straat Hinthamereinde ter hoogte van de watertoren).
Voor de stadspoort bevond zich een ravelijn dat werd beveiligd door een groot hoornwerk aan de voorzijde. De oude Hinthamersteenweg werd buiten gebruik gesteld en vervangen door de huidige Graafseweg. De zones met een hoge verwachting in het plangebied, zijn gebaseerd op de verwachte aanwezigheid van restanten van de Stelling 1629. In 1629 werd de stad 's-Hertogenbosch belegerd door de Staatse troepen van Frederik Hendrik. De stadhouder legde rondom de stad twee ringen van gesloten linies aan bestaande uit aarden wallen, greppels en forten. De binnenste ring (contravallatielinie) had als doel om de stad vanachter een veilige dekking te kunnen beschieten en met loopgraven (approches) te naderen. De buitenste ring (circumvallatielinie) was vooral bedoeld om een eventueel ontzettingsleger te kunnen afweren. Door het afdammen van waterlopen richting de stad en door het gebruik van watermolens kon Frederik Hendrik het gebied rond de stad droogleggen en zo makkelijker een aanval doen op de stadsmuren. De stellingwerken die in en rond het plangebied hebben gelegen maakten onderdeel uit van loopgraven waarmee het bezettingsleger probeerde om de stad zo dicht mogelijk te benaderen om zo een bres in de stadsmuur te slaan. De poging om de stad langs deze kant in te nemen mislukte maar een vergelijkbare actie ter plaatse van de Vughterpoort had wel succes.
Op 14 september 1629, na een beleg van slechts 5 maanden, capituleerde de stad 's-Hertogenbosch en kwam het onder het bewind van de Republiek. Vermoedelijk zijn de meeste linies kort na het beleg geëgaliseerd om te voorkomen dat ze opnieuw zouden worden gebruikt door een ontzettingsleger. Op enkele plaatsen zijn echter nog lang sporen zichtbaar geweest in het verloop van dijken, de percelering of het slotenpatroon. Door de aanleg van de zandwinplas de IJzeren Vrouw aan het begin van de 20ste eeuw is een deel van de Stelling 1629 en de voormalige Hinthamersteenweg voorgoed verdwenen. Conclusie Behalve door de aanleg van de IJzeren Vrouw, zijn ook door de bouw en sloop van de gebouwen in het plangebied grootschalige en diepe bodemverstoringen opgetreden. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat in het plangebied nog intacte resten van bijvoorbeeld de Hinthamersteenweg, molenplaatsen en/of de Stelling 1629 zijn te verwachten. Om die reden wordt voor de realisatie van de nieuwbouwplannen geen archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Mochten er tijdens de werkzaamheden wel archeologische resten tevoorschijn komen, dan is men wettelijk verplicht deze te melden bij de stadsarcheoloog van 's-Hertogenbosch. In figuur 5.3 is een uitsnede opgenomen van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch (herziening momenteel in voorbereiding).
69
Figuur 5.3: Uitsnede van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch (in voorbereiding). De lichtgroene lijn met de oranje bufferzone geeft de locatie van de Stelling van 1629 weer. De gele zone betreft het gebied met een lage archeologische verwachting. Het blauwe vlak met de arcering geeft de locatie van het voormalige Brabantbad aan dat thans is gesloopt. In de lichtblauwe lijn de contour van de nieuwe woontorens en half verdiepte parkeervoorziening aan.
5.16
Explosieven
Bij het uitvoeren van werkzaamheden bestaat het risico op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten (OO) als gevolg van de Tweede Wereldoorlog. In de gemeente 's-Hertogenbosch is een gemeentebreed vooronderzoek naar OO uitgevoerd. Dit onderzoek heeft geleid tot een verwachtingenkaart met verdachte gebieden waar mogelijk OO op/in de (water)bodem zijn achtergebleven. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft op basis van dit onderzoek beleid vastgesteld in de Nota Ontplofbare Oorlogsresten. Hierin is opgenomen hoe bij grondroerende werkzaamheden veilig en proportioneel met de risico's door OO moet worden omgaan. Beoordeling Op basis van het vooronderzoek bestaat in een deel van het plangebied waar bodemroerende werkzaamheden beoogd zijn de kans om OO in de bodem te vinden (zie figuur 5.4).