CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.5 Bijlagen deel 5 bij Toelichting ontwerpbestemmingsplan Heesch West

Gemeenteraad 16 juni 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Ontwerpbestemmingsplan Heesch West en ontwerpbestemmingsplan Facetplan geluidszone gezoneerd industrieterrein Heesch West35.060 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Mitigatieopgave Natura 2000 Ten aanzien van Natura 2000 worden alleen effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie verwacht. Deze effecten worden nader uitgewerkt in de passende beoordeling. In de passende beoordeling worden ook de mitigerende maatregelen besproken. De passende beoordeling betreft een aparte rapportage. In de Natuurtoets wordt hier niet verder op ingegaan.

Compensatieopgave NNB Onderstaand wordt de compensatieopgave voor het NNB uiteengezet (als gevolg van verstoring).

7.2.1

Compensatie als gevolg van geluidverstoring Voor het NNB-gebied dat te maken krijgt met een te hoge dB(A) aan geluid, dient (bij fysieke compensatie) voor 1/3 gecompenseerd te worden (interne richtlijnen van de provincie Noord Brabant (Provincie Noord-Brabant, 2014). Het oppervlakte van het NNB-gebied betreft in zijn totaliteit 0,31 hectare. Bij fysieke compensatie is de compensatieopgave 0,1 hectare (1/3 van 0,31 ha.). Tevens kan het financieel gecompenseerd worden. Totaal betreft de compensatieopgave voor bedrijventerrein Heesch West, 0,1 hectare. In Tabel 7.1 is aangegeven hoe hiertoe gekomen is (zonder daarbij uit te gaan van aanvullende mitigerende maatregelen). Tabel 7.1. Overzicht compensatieopgave NNB. Te beïnvloeden Oppervlakte natuurbeheertype aangetast NNB-gebied zuidzijde plangebied

N16.04 Vochtig bos met productie

0,31 ha.

Blad 75

Compensatie opgave

Totale compensatie opp.

1/3

0,1 ha.

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Mitigatieopgave Beschermde houtopstanden Als gevolg van het voornemen gaan bosschages die beschermd zijn in het kader van de Wnb met een oppervlakte van circa 2,5 hectare9 verloren. Deze bomen dienen 1 op 1 gecompenseerd te worden. Een logische invulling voor de compensatie houtopstanden is de groenstructuur die in het gebied wordt gerealiseerd. Een geschikte locatie hiervoor is bijvoorbeeld het centrale en het zuidelijke deel van het plangebied dat groen wordt ingericht (tevens met bomen) en de groene inprikkers (zie Figuur 3.1).

Mitigatieopgave beschermde soorten Als gevolg van het voornemen vinden diverse effecten plaats op beschermde soorten. Respectievelijk komen in deze paragraaf maatregelen aan bod voor de: Vogels (huismus, sperwer, steenuil en algemene broedvogels), zoogdieren (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, steenmarter, das en kleine marterachtigen) en de grote modderkruiper. Allereerst worden – indien deze aan de orde zijn – maatregelen genoemd die uitgevoerd dienen te worden ten behoeve van het waarborgen van de staat van instandhouding (SVI) van deze soorten. Daarnaast worden voor deze soorten maatregelen genoemd die in het kader van de zorgplicht uitgevoerd moeten worden. In paragraaf 7.5.2 is aangegeven hoe door middel van het uitvoeren van deze mitigatieopgave, aannemelijk is dat (de mitigatie en) het plan uitvoerbaar is. De belangrijkste conclusies zijn met een ‘• ‘ aangegeven en zijn dikgedrukt.

7.4.1

Vogels – Huismus Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI Als gevolg van het voornemen gaan (in de worst case-scenario) 40 huismusparen verloren. Conform het kennisdocument (BIJ12, 2017) dienen in de toekomstige situatie vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Aangezien een nieuwe verblijfplaats nooit dezelfde eigenschappen heeft als een bestaande verblijfplaats dient een overmaat aan verblijfplaatsen aangeboden te worden. Tevens dient de directe leefomgeving geschikt te zijn voor de soort. Hier volgt de volgende mitigatieopgave uit: • Aanbieden nestgelegenheden. Er dienen tenminste 80 verblijfplaatsen aangeboden te worden buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Mitigatie van de hoge aantallen nestlocaties huismussen kan in dit geval het beste met mussenhotels (zie Figuur 7.1), eventueel in combinatie met losse driedelige kasten. Een mussenhotel biedt ruimte voor 20 broedparen. Met mussenkasten zijn positieve ervaringen mee behaald in een vergelijkbare situatie (compensatie bedrijventerrein Medel bij Tiel). Aan de plaatsing van de verblijfplaatsen zitten verschillende voorwaarden zoals in relatie tot zonexpositie, hoogte en duurzaamheid. Ten tijde van het uitvoeren van de mitigatieopgave dient nauwkeurig voldaan te worden aan deze voorwaarden om de geschiktheid van de alternatieve verblijfplaatsen te bevorderen.

Als deze verblijfplaatsen tijdig voor de sloop worden aangeboden, kan de mitigatie ook als tijdelijke mitigatie worden gerekend. Inmiddels zijn er in het plangebied 4 mussenhotels geplaatst (zie verder). • Aanbieden geschikte leefomgeving. Hoge vegetatie dient in de omgeving aanwezig te zijn en de mogelijkheid tot zandbaden. De juiste omgeving kan gecreëerd worden in het nieuwe plan waar vervolgens vier mussenhotels geplaatst worden, uitgaande van 80 9

De feitelijke compensatieopgave wordt bepaald bij het indelen van de kadastrale gronden in relatie tot de houtopstanden.

Blad 76

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

alternatieve verblijfplaatsen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de functionele leefomgeving (o.a. zandplekken, wintergroene, dekking biedende vegetatie, voldoende foerageermogelijkheden) van de huismus. En het feit dat huismussen in de omgeving van mensen voorkomen en hier ook de omgeving van mensen prefereren. De locatie van de huismussencompensatie dient zorgvuldig gekozen te worden. Huismussen zijn echte cultuurvolgers en komen veelal voor in de nabijheid van mensen. Derhalve wordt geadviseerd om de huismusvoorzieningen aan te bieden bij woningen in de directe omgeving van het plangebied of wanneer mogelijk, in het plangebied zelf. Het behouden van enkele kavels in het plangebied biedt een kans voor het handhaven van de mussenpopulatie op deze locaties. Derhalve wordt geadviseerd om bij de kavels die behouden blijven (verspreid aan de zuidzijde van het plangebied) huismusvoorzieningen aan te bieden of te integreren in eventuele nieuwbouw of tijdens renovatie (natuurinclusief bouwen). Wanneer de originele bebouwing op de kavels niet gehandhaafd wordt, kunnen huismushotels worden voorzien. De voorzieningen dienen vrij aan te vliegen te zijn en nabij mensen gelegen te zijn (en niet omsloten te zijn door bos). Huismussen zijn honkvaste dieren en zijn vrijwel het gehele jaar rondom hun verblijfplaats te vinden.

Om deze reden kan het aanbieden van nestvoorzieningen op de locaties waar de soort al bekend mee is (zoals de te behouden kavels) leiden tot een spoedige (her)kolonisatie van huismussen. Rekening houden met bovenstaande eisen zijn in 2020 4 mussenhotels in plangebied geplaatst. De locaties van deze mussenhotels zijn weergegeven in figuur 7.1 en 7.2.

Figuur 7.1. Ligging geplaatste huismushotels (rode cirkels).

Blad 77

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Figuur 7.2. Al gerealiseerde mussenhotels op Heesch West.

Blad 78

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Maatregelen t.b.v. zorgplicht De activiteiten (sloop/nieuwbouw) en maatregelen (aanbieden nestvoorzieningen en leefgebied huismus) dienen gefaseerd in de ruimte en tijd uit gevoerd te worden. Zodoende kan er voor worden gezorgd dat er op elk moment voldoende functionerende nesten, rustplaatsen en leefgebied aanwezig blijven. Er moet ten alle tijden voor een gelijk aantal huismussen, voldoende verblijfplaatsen aanwezig zijn. Deze alternatieve verblijfplaatsen dienen tijdig aangeboden te worden. Tevens geldt hiervoor een gewenningstijd. Dat is de tijd waarin zowel de oorspronkelijke verblijfplaatsen als de nieuwe verblijfplaatsen (mussenhotel of kasten) tegelijkertijd aanwezig moeten zijn in een gebied. Deze voorzieningen moeten bereikbaar zijn voor de huismussen. Vanuit de delen die gehandhaafd blijven (in de omgeving van het plangebied; dan wel op de te behouden kavels) heeft de populatie de mogelijkheid te herstellen na een tijdelijke achteruitgang veroorzaakt door de activiteiten. Hierdoor kunnen huismussen verhuizen naar andere vrije gebieden of nieuw gecreëerde in de directe omgeving, voor zover die de juiste kwaliteit hebben (gekregen). Er moeten voldoende nestplaatsen functioneel blijven. Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen de huidige verblijfplaatsen diervriendelijk ongeschikt gemaakt te worden door ze tijdig dicht te maken.

Het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen vindt buiten de kwetsbare periode plaats (dus buiten de broedperiode en strenge vorstperiode). Dakpannen worden geheel verwijderd. Alle openingen onder dakgoten, kozijnen en bij eventuele gevelpannen worden afgedekt. De maatregelen dienen te worden begeleid door een ter zake kundige ecoloog.

7.4.2

Vogels – Sperwer Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI Als gevolg van het voornemen is de kans groot dat het nest van de sperwer zijn functionaliteit verliest. Vooralsnog zijn er geen succesvolle ervaringen bekend met het compenseren van een dergelijk nest (in de vorm van een kunstnest of –mand). Een sperwer maakt gebruik van oude – bestaande – nesten of bouwt ieder jaar een nieuw nest (Vogelbescherming). Om deze reden wordt ervan uitgegaan dat de sperwer in de omgeving van het plangebied een nieuwe nestplaats kan vinden en maken; dit gebied maakt onderdeel uit van zijn territorium. Met name aan de noordzijde van de A59 zijn veel bosschage met ondergroei aanwezig. Dit biotoop vormt een geschikt biotoop voor de soort. • Gezien de verwachting dat de soort in de omgeving van het plangebied een geschikte, nieuwe broedplaats kan maken binnen zijn territorium, is compensatie voor het nest van de sperwer naar waarschijnlijkheid niet nodig. Wel gelden zorgplichtmaatregelen (zie kopje hieronder). Maatregelen t.b.v. zorgplicht Om te voorkomen dat de soort verstoord wordt tijdens het broeden gelden de algemene richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 7.4.4. Er dient voorkomen te worden dat de soort tijdens het broeden en wanneer er jongen in het nest zijn, verstoord wordt.

Dit kan optreden tijdens de bouwwerkzaamheden en wanneer het gebied intensief in gebruik wordt genomen (gebruiksfase). Wanneer werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is (tijdens bouwfase) kan er voor gekozen worden om het nest onklaar te maken of de boom met het nest te verwijderen. Een aandachtspunt daarbij is dat de soort een nieuw nest kan bouwen in hetzelfde bosje wanneer er geen (continue) verstoring aanwezig is. (Het onklaar maken van het nest is ontheffingsplichtig).

Blad 79

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

7.4.3

Vogels – Steenuil Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI In de worst case scenario gaan twee nesten van de steenuil verloren. Conform het kennisdocument (BIJ12, 2017) dienen in de toekomstige situatie vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Tevens dient de directe leefomgeving geschikt te zijn voor de soort. Hier volgt de volgende mitigatieopgave uit: • Aanbieden nestgelegenheden. In de omgeving van het plangebied (buiten de invloedszone) dienen tenminste 6 nestkasten aangeboden te worden. Aan de plaatsing van de verblijfplaatsen zitten verschillende voorwaarden zoals in relatie tot verspreiding, veiligheid en duurzaamheid. Ten tijde van het uitvoeren van de mitigatieopgave dient nauwkeurig voldaan te worden aan deze voorwaarden om de geschiktheid van de alternatieve verblijfplaatsen te bevorderen. • Aanbieden nestkasten in geschikte leefomgeving. In de omgeving van de nieuwe nestplaats is het van belang dat er voldoende dekking en voldoende voedsel aanwezig is.

Wanneer dit niet voldoende aanwezig is, dient dit aangeboden te worden in de vorm van bijvoorbeeld het creëren van overhoeken – creëren van kruidenzomen – creëren van ruigten, bijvoorbeeld tussen een dubbele rij rasters – creëren van struwelen – creëren van takkenrillen, houtstapels, composthopen en mesthopen – creëren van kortgrazige percelen, zoals schapen- en paardenweitjes – creëren van hoogstamboomgaarden – aanplanten van struiken en bomen die noten of vruchten dragen en aanleggen van een poel of vijver met flauwe oevers. De locatie van de compensatie dient zorgvuldig gekozen te worden (eventueel in samenwerking met de uilenwerkgroep). Bij voorkeur dienen de vervangende verblijfplaatsen binnen het bestaande territorium in de directe omgeving en zo mogelijk op hetzelfde erf (kavel) als de oorspronkelijke verblijfplaats worden geplaatst, en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden staan. Zie voor enkele mogelijkheden Figuur 7.3. Steenuilen zijn honkvaste dieren en zijn vrijwel het gehele jaar rondom hun verblijfplaats te vinden. Om deze reden kan het aanbieden van nestvoorzieningen op de locaties waar de soort al bekend mee is (zoals de te behouden kavels waar de steenuil nu zijn nestplaats heeft), leiden tot een spoedige (her)kolonisatie van steenuilen.

Voorkomen dient te worden dat nieuwe steenuilkasten in een bestaand territorium van een andere steenuil wordt geplaatst. Maatregelen t.b.v. zorgplicht Wat betreft de maatregelen ten opzichte van de zorgplicht zijn deze in brede zin vergelijkbaar met die van de huismus. De activiteiten en maatregelen dienen gefaseerd in de ruimte en tijd uit gevoerd te worden. Er is sprake van een gewenningstijd waarin op elk moment voldoende functionerende nesten, rustplaatsen en leefgebied aanwezig blijven. Het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen vindt buiten de kwetsbare periode plaats (dus buiten de broedperiode en strenge vorstperiode) en het traject dient begeleid te worden door een deskundig ecoloog.

Blad 80

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Figuur 7.3. Indicatieve aanduiding potentiële locaties voor steenuilkasten (rode cirkels); bij voorkeur bij bestaande verblijfplaatsen en buiten andere steenuilterritoria.

7.4.4

Vogels – Algemene broedvogels Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI Er geldt geen compensatieplicht bij het permanent verwijderen van algemene 10 broedvogelnesten voor de toekomstige inrichting. In de toekomstige situatie zal er door de groene inrichting in de zuidwesthoek van het plangebied een (nieuw) broedbiotoop ontstaan waar de vogels wederom hun nest kunnen bouwen. Ook kunnen hier (meer dan in de huidige situatie) watervogels tot broeden komen. Door de aanleg van ruigtes en bosschages in het plangebied kunnen vogels die hieraan gebonden zijn, hier een geschikt leefgebied in vinden. Maatregelen t.b.v. zorgplicht De volgende zorgplichtmaatregelen gelden voor algemene broedvogelnesten: • Werkzaamheden die aantasting van een nest en/of verstoring van de vogels kunnen veroorzaken, niet uit voeren in de broedtijd (de piek loopt circa van maart tot en met juli11) en daarbuiten indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Gezien de verwachting dat broedvogels tot broeden komen in het plangebied of directe omgeving is het in het kader van de zorgplicht van belang dat werkzaamheden die invloed hebben op het broedbiotoop buiten de broedperiode van vogels uitgevoerd worden. (voorkeursmaatregel) • Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het gebied dat beïnvloed wordt vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels.

Mocht dit niet mogelijk zijn dan geldt onderstaande maatregel. • Voorafgaand aan de werkzaamheden in het broedseizoen dient het gebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien 10

Zijnde niet jaarrond beschermde nesten.

11

Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.

Blad 81

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het werkgebied of de directe omgeving dan wordt het gebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden ter plaatse uitgesteld te worden tot nadat het nest niet meer in gebruik is.

7.4.5

Zoogdieren – Vleermuizen Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI (verblijfplaatsen) In de worst case scenario gaan vier zomer- en drie paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis verloren. Conform het kennisdocument (BIJ12, 2017) dienen in de toekomstige situatie vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. • Creëer (tijdelijke en permanente) duurzame verblijfplaatsen. Deze moeten in de toekomstige situatie (na realisatie) inwendig terug komen en/of geïntegreerd worden in de toekomstige bebouwing. Voor de aan te tasten paar- en zomerverblijfplaatsen moeten nieuwe (tijdelijke en permanente) verblijfplaatsen worden gecreëerd. Uitgangspunt is vier verblijfplaatsen per te verwijderen verblijf, zodat in ieder geval voor een vergelijkbaar aantal individuen voldoende voorzieningen voorhanden is. Er moet een netwerk aan verblijfplaatsen die geschikt zijn voor de betreffende functie in stand blijven. In totaal komt dit uit op 28 verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis en vier verblijfplaatsen voor de gewone grootoorvleermuis. Deze verblijfplaatsen kunnen in verschillende vormen terug komen (zie Figuur/kader 7.5). In ieder geval moeten voorzieningen aangeboden worden die in verblijfplaatsen voorziet voor minstens een viervoud van de oorspronkelijke aanwezige aantallen.

Op de volgende pagina’s is (gebaseerd op het Kennisdocument van BIJ12, 2017) in kaders aangegeven hoe deze verblijfplaatsen kunnen terugkomen in de nieuwe heringerichte situatie. Eisen waar de locaties van de aan te bieden verblijfvoorzieningen aan moeten voldoen zijn hieronder uiteengezet. Het wordt geadviseerd om zeker bij de te behouden kavels voorzieningen voor vleermuizen te plaatsen of te integreren in eventuele nieuwbouw of tijdens renovatie (natuurinclusief bouwen). Overige opties zijn bij de gebouwen in de directe nabijheid van het plangebied. (De gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis zijn gebonden aan in – door mensen in – gebruik zijnde gebouwen). De permanente verblijfplaatsen moeten: o Bij voorkeur binnen het kerngebied van de groep, en dan bij voorkeur zo dicht mogelijk – waar mogelijk – binnen 100 à 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats, worden geplaatst en dit buiten de invloedsfeer van de activiteiten. o een locatie hebben die gelijk is aan of beter van kwaliteit is dan de oorspronkelijke situatie wat betreft hoogte (bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte), aanvliegroute en vrije vliegruimte en de locatie is vrij van kunstlicht, vrij van verstoring en buiten bereik van predatoren. o zich allen inwendig in het gebouw bevinden of als een combinatie van inwendig en uitwendig (zie kader volgende pagina).

o verschillende microklimaten aanbieden (clustering met verschillende richtingen). o wat betreft de nieuwe locaties, afstemmen met functies die het gebied tot geschikt paargebied maken: (massa-) winterverblijfplaatsen, vliegroutes, foerageergebied en met al bestaande territoria van mannetjes. Voor deze afstemming kan het vleermuisonderzoek als basis gebruikt worden. In dit onderzoek (zie paragraaf 5.4.2) is weergegeven waar in de directe omgeving belangrijke functies voor vleermuizen aanwezig zijn. In 2020 zijn 4 mussenhotels geplaatst in het plangebied. In deze hotels zijn per hotel ook vleermuisverblijven geïntegreerd. Deze verblijven kunnen dienen als tijdelijke compensatie totdat nieuwe permanente verblijven zijn gerealiseerd.

Blad 82

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Figuur 7.4. Indicatieve aanduiding potentiële locaties voor vleermuiskasten (rode cirkels) indien bebouwing behouden blijft dan wel wanneer nieuwbouw gerealiseerd wordt. In het laatste geval kunnen vleermuisvoorzieningen in deze bebouwing geïntegreerd worden. Ook biedt een vleermuistoren (gele cirkels) een robuuste permanente voorziening.

Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI (vlieg- en foerageerroute) Voor de belangrijke vlieg- en foerageerroute langs de Ruitersdam (met name belangrijk voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis) dienen bepaalde eisen meegenomen te worden bij de inrichting van de optie waarbij de ontsluitingsweg direct ten noorden van de houtwal langs de Ruitersdam komt te liggen: • voorkom lichtuitstraling richting de omgeving en specifiek richting de houtwal langs de Ruitersdam. Gebruik bij voorkeur geen verlichting langs de weg of zeer minimale reflectiematerialen. • voorkom onoverbrugbare gaten in de vliegroute. Bij voorkeur dienen kruinen van bomen aaneengesloten te blijven en of dienen gaten van maximaal 5 á 10 meter te ontstaan. In geval van de optie waarbij de ontsluitingsweg verder van de Ruitersdam komt te liggen (ten noorden van Koksteeg 18), zijn geen maatregelen noodzakelijk. Door de ligging verder weg treedt er geen ruimtebeslag op de vliegroute op. Daarnaast worden er ook geen negatieve effecten door verlichting verwacht. Echter ook bij deze optie wordt geadviseerd om bij voorkeur geen verlichting of zeer minimale reflectiemiddelen te gebruiken. De ontsluitingsweg loopt in deze optie door de groen/waterzone heen die in de toekomstige situatie door vleermuizen als foerageergebied zal worden gebruikt.

Verstoring door verlichting dient daarom zo veel mogelijk te worden voorkomen.

Blad 83

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Verblijfplaatsen realiseren in spouwmuren Duurzame potentiële verblijfplaatsen kunnen in een spouwmuur worden gerealiseerd door deze toegankelijk en geschikt te houden voor vleermuizen. Het Bouwbesluit staat dit toe. Spouwmuren zijn onder meer geschikt als de gewone dwergvleermuis, afhankelijk van de temperatuur, de keuze heeft om of aan de zijde van de buitenmuur of aan de zijde van de binnenmuur te zitten. Is de vrije ruimte tussen isolatiemateriaal (inclusief platen) en de buitenmuur minder dan 1,5 tot 2 centimeter dan raken ze altijd de buitenmuur, hetgeen niet gunstig is omdat ze zich dan niet kunnen verplaatsen binnen deze ruimte. In nieuwbouw kunnen invliegopeningen worden gecreëerd door middel van stootvoegen van 1,5 tot 2 centimeter breed, bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte en moeten juist gepositioneerd zijn ten opzichte van de zon. Bij gebruik van isolatieplaten in de spouw is het relevant deze platen op te ruwen of stevig duurzaam kunststof gaas met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter te bevestigen. Als glaswol (en dergelijke) als isolatie wordt gebruikt, is het nodig dunne ruwe platen tegen het isolatiemateriaal aan te brengen, bijvoorbeeld houtwolcement.

Bij voorkeur hebben deze verblijfplaatsen een grootte van minimaal 50 x 80 centimeter en worden ze op de hoek van het gebouw gepositioneerd, zodat de vleermuis zich binnendoor van de ene naar de andere gevelzijde kan verplaatsen afhankelijk van de klimaatomstandigheden. In Figuur 1 is bovenstaande visueel weergegeven.

Figuur 1. Aanduiding realiseren verblijfplaatsen in spouwmuren (uit: Brochure Vleermuisvriendelijk bouwen, VZZ, 2011)

Verblijfplaatsen realiseren achter gevelbetimmering Verblijfplaatsen kunnen ook worden gerealiseerd door het aanbrengen van bij voorkeur meerlaagse gevelbetimmering (Figuur 2) of een plaat tegen de gevel zodat een ruimte van enkele vierkante meters wordt gecreëerd. Zowel de buitenmuur als de binnenzijde van de plaat of planken moeten ruw zijn. Als het een gladde buitenmuur betreft, moet eerst een ruwe achterwand bevestigd worden. Met latjes kan/kunnen plaat/planken zodanig worden bevestigd, dat aan de onderzijde een ruimte ontstaat van ongeveer 3 centimeter en aan de bovenzijde 1,5 centimeter. Het materiaal moet eveneens op voldoende hoogte (minimaal 3 meter) worden aangebracht. Figuur 7.1.a. Indicatie voorzieningen voor vleermuizen in permanent (Bij12, 2017)

Blad 84

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Figuur 2. Voorbeeld van gevelbetimmering welke geschikt is als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuizen (Bron: www.vleermuizenindestad.nl).

Verblijfplaatsen realiseren achter boeiboorden of sierlijsten Ook achter boeiboorden of sierlijsten kunnen gewone dwergvleermuizen verblijfplaatsen hebben. De hierboven omschreven criteria zijn hiervoor eveneens van belang. Het heeft een grote meerwaarde als de ruimte achter de boeiboorden van verschillende gevels met elkaar in verbinding staan, zodat vleermuizen overdag, afhankelijk van de temperatuur, van locatie kunnen wisselen. Verblijfplaatsen bij dakconstructies Een eenvoudige manier is om bij dakconstructies gebruik te maken van boeiboorden met een ruimte van 1 centimeter die toegang geven tot het dak. Ook kunnen speciale dakpannen en dergelijke worden toegepast. Verblijfplaatsen in muren door middel van inmetselkasten In Nederland zijn nog weinig positieve resultaten bekend van het gebruik van inmetselkasten (Figuur 3) door de gewone dwergvleermuis. Experimenteel, met monitoren van de bereikte resultaten, zou dit kunnen worden toegepast. Inmetselkasten moeten gekoppeld kunnen worden zodat een grote ruimte ontstaat waardoor de vleermuizen zich kunnen verplaatsen van de ene naar de andere kast.

Figuur 3. In te bouwen schakelkastenen als permanente mitigatiemaatregel (Kennisdocument en Vivara pro).

Figuur 7.5.b. Indicatie voorzieningen voor vleermuizen in permanente situatie.

Blad 85

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Maatregelen t.b.v. zorgplicht Wat betreft de maatregelen ten opzichte van de zorgplicht zijn deze in brede zin vergelijkbaar met die van de huismus en steenuil. De activiteiten en maatregelen dienen gefaseerd in de ruimte en tijd uit gevoerd te worden. Er is sprake van een gewenningstijd waarin op elk moment voldoende functionerende verblijfplaatsen aanwezig blijven. Het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen vindt bij voorkeur buiten de kwetsbare periode plaats en het traject dient begeleid te worden door een deskundig ecoloog. Daarnaast dient verstoring door verlichting zo veel mogelijk te worden voorkomen door in de actieve periode (maart – november) te werken tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij omliggende groenstructuren, oppervlaktewater en gebouwen onverlicht blijven.

7.4.6

Zoogdieren – Kleine marterachtigen, steenmarter en das Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI Door de voorgenomen herontwikkeling van het gebied gaat leefgebied van kleine marterachtigen (wezel), steenmarter en das verloren. Om permanente effecten te voorkomen, dient dit leefgebied van onder andere de wezel en das in de nieuwe situatie terug te komen. De steenmarter kan hiervan meeprofiteren. Er gelden de onderstaande randvoorwaarden voor het leefgebied van de soort: Aanleg van nieuwe schuilplaatsen. Omdat kleine marterachtigen snel afkoelen en ze kwetsbaar zijn voor predatoren, zijn vooral goed beschutte schuilplaatsen van groot belang. Deze schuilplaatsen (zie Figuur 7.6) moeten nabij hun jachtgebied liggen en niet in de buurt van plaatsen waar veel mensen (en hun honden) komen. Als schuilplaatsen kunnen takkenhopen gemaakt worden. In een territorium moeten meerdere schuilplaatsen aanwezig zijn. Een detaillering dient in het mitigatieplan opgenomen te worden. Aanleg nieuwe burcht. Indien de kraamburcht verdwijnt dient binnen de nieuw in te richten groene/waterrijke zone een nieuwe plek voor de burcht te worden aangeboden. Dit kan door een begroeide kunstburcht aan te bieden (zie figuur 7.7). De vervangende burcht moet minimaal een half jaar en bij voorkeur eerder aanwezig zijn voordat er gestart wordt met het ongeschikt maken van de burcht.

Een detaillering dient in het mitigatieplan opgenomen te worden. Aanleg van geleidende landschapselementen. Verbindingen kunnen op vele manieren tot stand worden gebracht zoals: natuurvriendelijke oevers, takkenmuren, houtwallen, droge begroeide greppels, sloten met ruig begroeide kanten etc.; Creëren van extra dekking. Dekking kan bestaan uit grote graspollen of andere planten, begroeide verlagingen in de grond, ruigte etc. In Figuur 7.8 zijn potentiële locaties weergegeven voor het aanbrengen van marterleefgebied. Maatregelen t.b.v. zorgplicht Naast bovenstaande randvoorwaarden voor het leefgebied dient tijdens de werkzaamheden zorgvuldig omgegaan te worden met de marterachtigen en dient rekening gehouden te worden met de gewenningstijd. Dit dient te gebeuren door bijvoorbeeld buiten de meest kwetsbare periode van de soort te werken/ het leefgebied ongeschikt te maken (dus werken aan het leefgebied buiten 15 maart – 1 september). Voor de das geldt dat werkzaamheden die de burcht kunnen beïnvloeden buiten de periode december – juli dienen te worden uitgevoerd.

Blad 86

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Figuur 7.5. Voorbeeld uitwerking creëren schuilplaats voor wezel. (Bron: RUD NHN, 2017).

Figuur 7.6. Voorbeeld van een kunstburcht. Bron Dasenboom.nl.

Blad 87

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Figuur

7.4.7

7.7.

Indicatieve aanduiding potentiële locaties (in bosschages/houtwallen die verbonden zijn).

voor

aanbrengen

marterleefgebied

Vissen – grote modderkruiper Maatregelen t.b.v. behouden gunstige SVI Als gevolg van de herinrichting gaat leefgebied van de grote modderkruiper verloren door de ontwikkeling. Conform het kennisdocument (BIJ12, 2017) dient in de toekomstige situatie vervangend leefgebied gerealiseerd te worden. Voor de soort geldt de volgende mitigatieopgave: • Creëer nieuw leefgebied. Er kan nieuw leefgebied voor grote modderkruipers worden gerealiseerd door het graven van nieuwe watergangen. Deze watergangen moeten een gelijke of betere kwaliteit voor de grote modderkruiper hebben of krijgen. Het functioneren van een nieuwe watergang kan bespoedigd worden door (een deel van) de aanwezige modderbodem en vegetatie van een te dempen watergang te verplaatsen naar de nieuw aangelegde watergang. • Het is van belang dat het nieuwe leefgebied tijdig voor de uitvoering van de activiteiten is gerealiseerd. Houd bij het realiseren van nieuw leefgebied rekening met de geringe concurrentiekracht van de grote modderkruiper ten opzichte van de andere vissoorten door een dusdanig milieu te creëren waar de grote modderkruiper zich in thuis voelt, maar de andere soorten niet. Bij voorkeur worden dan watergangen met gedeelten van voldoende ondiepte gecreëerd. De nieuw aan te leggen watergangen moeten bij voorkeur passend zijn bij de structuur en kenmerken van het omliggende landschap.

De locatie van de ingetekende uitstulpingen (centraal in het gebied; zie Figuur 3.1) kunnen geschikt leefgebied (gaan) vormen voor de grote modderkruiper). Van belang is dat er minimaal voor eenzelfde oppervlakte als verloren gaat, terug komt in het gebied. Daarbij moet de kwaliteit hetzelfde, of beter zijn dan de huidige watergangen.

Blad 88

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Maatregelen t.b.v. zorgplicht Net als bij de overige soorten dient in het kader van de mitigatie zorgvuldig in tijd en ruimte worden omgegaan met de soort. Alvorens de watergangen worden gedempt dienen bijvoorbeeld de vissen (en overige grote waterfauna) afgevangen te worden en overgeplaatst te worden naar geschikt leefgebied buiten het werkgebied. De vissen dienen tijdens de werkzaamheden te kunnen uitwijken richting open water (indien van toepassing). Een deskundig ecoloog dient betrokken te worden tijdens (en voorafgaand aan) de dempwerkzaamheden.

Concluderend: Effect compensatie/mitigatie in relatie tot uitvoerbaarheid 7.5.1

Beschermde soorten In Hoofdstuk 6 is geconstateerd dat een aantal verblijfplaatsen van beschermde soorten wordt aangetast door het voornemen en dat daarbij verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. Zonder een ontheffing in het kader van de Wnb, verleend door het bevoegd gezag, kunnen de activiteiten die de overtredingen veroorzaken, geen doorgang vinden. Dergelijke activiteiten kunnen doorgang vinden als de initiatiefnemer in het bezit is van een ontheffing Wet natuurbescherming – soortbescherming. Deze ontheffing kan verkregen worden indien onder meer onderbouwd wordt dat bij de activiteiten rekening gehouden wordt met de aanwezige beschermde soorten (een belangrijk criteria voor het verlenen van een ontheffing). In paragraaf 7.1 zijn hier de randvoorwaarden voor uiteengezet. Daarnaast dienen de activiteiten te voldoen aan twee overige criteria (er zijn geen andere alternatieven voor het voornemen en er is een wettelijk belang). Een ontheffing wordt dus verleend als voldaan is aan drie toetscriteria van de ontheffingsprocedure12. In de ontheffingsaanvraagprocedure zal onderbouwd moeten worden dat: 1. de gunstige staat van de soorten niet in het geding komt door het plan. 2. er geen alternatieven zijn voor het voornemen, waarbij de soorten minder geschaad worden. 3. er een wettelijk belang is.

Wanneer bovenstaande punten goed worden onderbouwd, wordt over het algemeen een ontheffing verleend voor de activiteiten en kunnen de activiteiten doorgang vinden. Om na te gaan of redelijkerwijs verwacht kan worden of een Wnb-ontheffing soortbescherming verleend wordt (en daarmee het bestemmingsplan uitvoerbaar is) bij voorliggend project, zijn voor de activiteiten de voorgenoemde drie belangrijkste toetscriteria hierna nader beschouwd. 1.

12

Gunstige staat van instandhouding is gegarandeerd: Er wordt zorgvuldig met de vaste rusten verblijfplaatsen van beschermde soorten in het plangebied omgegaan. Er zal worden gezorgd dat de werkzaamheden niet leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Dit zal worden voorkomen door te allen tijde (alternatieve) voorzieningen beschikbaar te stellen. Een leefgebied moet de soorten namelijk continu blijvend voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Om deze reden zal dan zowel voorafgaand aan de sloop en herinrichting van het terrein als na de herinrichting, alternatieve verblijfplaatsen en leefgebied aangeboden worden. Afhankelijk van de soortgroep zal dit voorafgaand de vorm

Zie de RVO-site voor de drie toetscriteria op basis waarvan een ontheffing verleend kan worden.

Blad 89

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

hebben van duurzame vleermuiskasten, nestkasten, marterhopen etc. en in de toekomstige situatie – in het geval van vleermuizen en huismus – ook waar mogelijk in inwendige voorzieningen. Er bestaan in de omgeving van het plangebied mogelijke locaties om bijvoorbeeld kasten op te hangen; het betreft hier een vergelijkbaar gebied als in het plangebied nu aanwezig is (karakter: buitengebied). Ook kunnen zelfstandige mussen- en/of vleermuistorens aangeboden worden; zowel buiten als in het plangebied. Deze kunnen bij in de nabijheid aanwezige groenelementen dan wel vliegroutes worden aangeboden wat de acceptatie kans van de alternatieve verblijfplaatsen vergroot. In het plangebied zijn al reeds 4 mussenhotels met geïntegreerde vleermuisverblijven geplaatst. Ook kan er na inrichting van het plangebied - met voldoende waterpartijen - voldoende leefgebied voor de grote modderkruiper terug komen. Zowel beschutte en ondiepe voortplantingsplaatsen als diepe winterverblijfplaatsen kunnen gerealiseerd worden. Kleine marterachtigen stellen waterpartijen ook op prijs en zullen door de groene inrichting (zowel door houtwallen, bosschages als bosranden) een geschikt leefgebied in het plangebied kunnen hebben. Door het aanleggen van marterhopen hierbinnen ontstaat een functioneel leefgebied voor de soorten.

Wel moet goed worden afgestemd op welke locaties dit mogelijk is, gezien de omvang van het plangebied. Indien noodzakelijk worden de betreffende maatregelen tijdig genomen. Tevens wordt tijdens de sloopwerkzaamheden zorgvuldig met de eventueel huidig aanwezige nestplaatsen omgegaan (zoals werken buiten de kwetsbare periodes en het soortvriendelijk ontmantelen van de verblijflocaties). Zie ook voorgaande paragrafen. 2.

Geen alternatieven: In een langdurig proces zijn verschillende afwegingen met betrekking tot mogelijke alternatieven wat betreft locatie en inrichting belopen. Zie ook het bijbehorend Bestemmingsplan. Het voornemen en de locatie voor Regionaal Bedrijventerrein Heesch West is al in 2004 voor de eerste keer ruimtelijk-planologisch vastgelegd in het Uitwerkingsplan Waalboss van de provincie Noord-Brabant. De locatie, ten zuiden van de A59 op de grens van ’s-Hertogenbosch, Bernheze en Oss, is het resultaat geweest van het locatieonderzoek in 2005 in een zogenaamde strategische milieubeoordeling (een plan-m.e.r. “avant la lettre”) en in 2006 ruimtelijk planologisch vastgelegd in het Structuurplan Regionaal Bedrijventerrein Heesch West. De locatie is overgenomen in daaropvolgende provinciale streekplannen en in 2014 in de Structuurvisie ruimtelijke ordening. De voordelen van de locatie blijven onverminderd geldig: een goede ontsluiting op de A59, een ligging met een minimale hinder op woningen/woonkernen op de omgeving en een ligging in een gebied met relatief weinig andere belemmeringen vanuit bijvoorbeeld water, veiligheid e.d. Het regionale bedrijventerrein heeft een (boven) regionale uitstraling en ligt als een zelfstandige eenheid in het landschap. Ruimtelijk gezien is het wenselijk dat het bedrijventerrein niet direct aansluit bij Heesch of Vinkel.

Dat zijn namelijk kernen met een lokaal karakter en uitstraling. Er is elders in de regio geen locatie beschikbaar met een vergelijkbare mogelijkheid voor de beoogde zeer grootschalige kavels, met een vergelijkbare ontsluiting op een snelweg, met een vergelijkbare minimale hinder op (grote) bewoningsconcentraties en met minder effect op beschermde soorten. De in en rond Heesch West aangetroffen soorten zijn niet uniek in de regio, komen overal voor en zullen elders op vergelijkbare wijze en omvang worden aangetast bij realisatie van een bedrijventerrein soortgelijk aan Heesch West. Wat betreft de werkwijze zal afgestemd worden op de aanwezigheid van de aanwezige beschermde soorten. De werkzaamheden in het gebied worden uitgevoerd zodat geen tot minimale effecten aan de orde zijn voor soorten. Ook zal de planning van de werkzaamheden die effect hebben op beschermde soorten afgestemd worden op de betreffende soorten. Kortom er zijn geen locatiealternatieven, geen inrichtingsalternatieven of overige alternatieven mogelijk met wezenlijk andere effecten.

3.

Er is een wettelijk belang: Voor het bestemmingsplan geldt dat dit plan met name wordt uitgevoerd in het kader van het groot openbare belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard (belang uit artikel 3.8, lid b 3 van de Wnb). Voor vogels zal het gaan om

Blad 90

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

het belang in het kader van de Volksgezondheid (artikel 3.3, lid 4). Dit in het kader van een aanzienlijke werkgelegenheid die een dergelijk bedrijventerrein met zich meebrengt. Regionaal Bedrijventerrein Heesch West gaat zich met name richten op bedrijven die veel ruimte nodig hebben zoals (zeer) grootschalige logistiek. Tevens wil het ruimte bieden aan andere ruimtevragende bedrijvigheid op het gebied van circulaire economie, energie en nieuwe concepten in de bouw. Het bedrijventerrein wordt duurzaam ingericht met inbegrip van zonnepanelen en -parken. Op basis van deze punten kan voldaan worden aan de criteria van het bevoegd gezag. Onder deze voorwaarden is, mede door het voorzien van effectieve soortgerichte maatregelen, de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in het geding en wordt verwacht dat een ontheffing wordt verleend.

Impulsen voor de natuur 7.6.1

Tijdelijke inrichting (tijdelijke natuur) De inrichting van het plangebied (zoals weergegeven in Figuur 3.1) zal niet in één keer plaatsvinden. Waarschijnlijk worden bepaalde kavels eerder uitgegeven dan anderen. Wel worden grote terreinen naar verwachting in één keer bouwrijp gemaakt. Voordat deze terreinen definitief ingericht gaan worden, liggen ze braak. Eén van de mogelijkheden voor dergelijke braakliggende terreinen betreft het terrein/de terreinen aanwijzen en eventueel beheren als tijdelijke natuur. Hierdoor wordt niet alleen bij het uiteindelijke plan een impuls gegeven aan de biodiversiteit, maar gebeurt dit ook tijdelijk. Wat is Tijdelijke natuur? Tijdelijke Natuur is natuur die spontaan, uit zichzelf ontstaat, met de wettelijke toestemming om deze op een later tijdstip weer te verwijderen. Dit kan op terreinen waarop de eindbestemming nog niet (geheel) is gerealiseerd, maar wel vaststaat. Dit gebeurt met goedkeuring vanuit de Wet natuurbescherming. Het gebied kan voorafgaand via een ontheffing of via de gedragscode onder Tijdelijke Natuur gebracht worden.

Bij een dergelijke aanvraag via de provincie of Stichting Tijdelijke Natuur kan indien voldaan is aan een aantal voorwaarde (zoals inzicht geven in de huidige aanwezigheid beschermde soorten en tijdig een werkprotocol aanleveren met maatregelen die uitgevoerd worden voordat het terrein definitief wordt ingericht) het gebied de aanwijzing Tijdelijke natuur krijgen. In de praktijk In de praktijk is er op het Tijdelijke Natuurterrein de keuze tussen ‘niets doen’ of het nemen van inrichtings- en of beheermaatregelen die de biodiversiteit bevorderen of extensief recreatief gebruik mogelijk maken. Niets doen houdt in dat het terrein met rust gelaten wordt. Ook kunnen inrichtingsmaatregelen genomen worden zoals het realiseren van steilwanden, poelen, het afgraven van een overbemeste bovenlaag (m.n. op landbouwpercelen), e.d. en aan maatregelen voor recreanten, zoals een eenvoudig wandelpad. Noodzakelijk beheer is toegestaan. Impuls aan biodiversiteit Tijdelijke Natuur biedt bij uitstek kansen aan zogeheten pioniersoorten, aangezien zij snel kunnen profiteren van snel wisselende omstandigheden. Maar ook soorten met een relatief beperkt verspreidingsvermogen profiteren van Tijdelijke Natuur. Deze soorten krijgen via Tijdelijke Natuur de mogelijkheid tot het bereiken van nieuwe leefgebieden, of tot uitwisseling van geïsoleerde populaties.

Blad 91

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

7.6.2

Permanente inrichting In de permanente situatie vormen, naast de bedrijfsmatige inrichting van het terrein, ook elementen als recreatief groen, natuur en water een integraal onderdeel van het in te richten terrein. Door deze inrichting worden er – naast de uit de Wet natuurbescherming verplichte voorzieningen voor de natuur – ook overige kansen geboden om meer waarden voor de natuur te creëren. Centraal en in het zuidelijke deel van het plangebied is ruimte voor natuurverweving. Hier komt een landschapspark met een combinatie van water en natuur. Het open water en de oever/rietzones bieden een geschikt rust-, foerageer- en broedgebied voor water- en (mogelijk) moeras- en rietvogels. Wanneer de inrichting van het water verschillende dieptes en vegetatiegradiënten herbergt, biedt dit voor verschillende vis- en amfibiesoorten een geschikt leefgebied. Vissen en amfibieën hebben gedurende hun leven en gedurende verschillende seizoenen variërende leefgebieden en waterdieptes nodig. Zo bieden ondiepe, vegetatieve zones schuil- en opgroeigebieden voor jonge vissen en amfibieën. Diepe delen kunnen daarentegen dienen als winterverblijfplaats voor verschillende vissoorten. Om bermen en stroken in het plangebied een impuls voor de biodiversiteit te geven kunnen maatregelen worden toegepast die zijn gericht op het creëren van een soortenrijke (bloemrijke)vegetatie.

De maatregelen hangen samen met inrichting en beheer van de stroken. Met betrekking tot de inrichting geldt dat doorgaans een afwerking van de bodem met een schrale toplaag een goede voorwaarde biedt voor het ontstaan van een soortenrijke vegetatie. De (gebruikte) grond (toplaag) van bermen en groenstroken is bepalend voor de duurzame ontwikkeling van dergelijke schralere vegetaties. Het maaibeheer van de bermen draagt bij aan het bereiken en behouden van schrale omstandigheden. De bermen dienen daarom extensief gemaaid te worden (1 à 2 keer per jaar) waarbij het maaisel wordt afgevoerd zodat een schraal karakter kan ontstaan. De verschraalde bodem biedt meer ruimte voor verschillende plantensoorten en verhoogt de biodiversiteit (zowel flora als faunasoorten). Bij inrichting van de bermen kan een zaadmengsel voor vlinders en bijen worden toegepast dat aansluit bij de bodemkundige en klimatologische groeiomstandigheden ter plaatse. In het geval van voorliggend gebied kan bij het inzaaien tevens de kans worden benut om de soorten die verloren gaan bij de aanleg terug te brengen. Bij het uitkiezen van eventuele zaadmengsels dient een ter zake kundige betrokken te worden.

Om verblijfplaatsen voor insecten te stimuleren in het plangebied kan een insectenhotel, -wal of muur geplaatst worden die door solitaire insectensoorten gebruikt wordt om nesten in te maken en kunnen eventueel dienen als overwinterlocatie. De beleving van de natuur kan bevorderd worden door de gebruikers van het terrein te informeren over de plaatselijke waarden. Zo kan bij biotopen (moerassen/oevers, bosschages) en/of bij natuurvoorzieningen informatieborden worden voorzien die de (toegevoegde) waarde van de natuur aangeeft voor het gebied. Onderstaand is aan de hand van de locatie in het plangebied de gewenste inrichting aangegeven (inclusief de relevante soorten en de mogelijkheden om de mitigatieopgave, zoals in paragraaf 7.4 is opgenomen, hiermee te combineren).

Blad 92

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Centrale groenzone Doelsoorten Inrichting

Natte / moerasnatuur Vissen, amfibieën, marters, watervogels, rietvogels, waterspitsmuis Groots, ruig en nat moeras met combinatie van stromend water voor vissen (noordzijde), poelen voor amfibieën, plas-dras / riet (centraal) en overgang nat/droog voor marterachtigen (zuidzijde), vernatting van oost naar west

Mitigatiemogelijkheden

Ja: voor grote modderkruiper, marterachtigen

Westelijke groenzone

Open en (water) natuur Oevergebonden soorten: vissen, amfibieën, oevervogels Open, gevarieerd aangesloten open water (vissen) en geïsoleerde poelen (amfibieën), liefst in kralensnoer Ja: voor marterachtigen/grote modderkruiper,

Doelsoorten Inrichting Mitigatiemogelijkheden

Zuidelijke groenzone Doelsoorten Inrichting Mitigatiemogelijkheden

Parkstrips Doelsoorten Inrichting

Mitigatiemogelijkheden Aandachtspunten

Koksteeg zuid Doelsoorten Inrichting Mitigatiemogelijkheden

Ontsluiting/infra Doelsoorten Inrichting Mitigatiemogelijkheden Aandachtspunten

Gevarieerde bosnatuur Bosvogels, Steenuil/Kerkuil, Buizerd/ Sperwer, Specht, marterachtigen Droog gevarieerd bos met open plekken en blader/houthopen e.d Ja: voor marterachtigen, steenuil, sperwer, vleermuizen Landschappelijke / cultuurlijke natuur Insecten, broedvogels, vleermuizen Robuust, ruimte voor verwildering (geen opgesnoeide bomen en gladgemaaide grasvelden). Robuuste opgaande groenstructuren in midden parkstrips: hoog opgaande bomen omgeven door mantelzoomvegetatie overgaand in kruidenrijk / bloemrijk grasland. Aan randen meer openheid (i.v.m. zichtbaarheid bedrijven, (sociale) veiligheid), groepjes bomen met ondervegetatie. Watergangen mogen/kunnen droogvallen Beperkt Voorkomen lichtuitstraling (i.v.m.

vleermuizen): bijvoorbeeld verlichting aan bedrijfspanden naar beneden richten, verlichting van groenzone in de richting van bedrijven in plaats van andersom, geen verlichting bij de optie van de zuidelijk ontsluitingsweg door de groenzone (direct ten noorden van de Koksteeg 18), gebruik vleermuisvriendelijke verlichting (Groene) verbinding richting centrale groenzone Landschappelijke / cultuurlijke natuur cultuurvolgers, huismussen, vleermuizen, marterachtigen, amfibieën Behoud bomen, inrichting groen en water waar kan (maar minder potentie dan in parkstrips) Ja: voor huismus, steenuil, vleermuizen, marterachtigen Weg-begeleidende natuur Vlinders, bijen, (overige insecten), broedvogels Kruidenrijk/bloemenrijk grasland Natuurvriendelijke oevers langs Kleine Wetering Niet Zoveel mogelijk beperken van lichtuitstraling

Blad 93

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

8

Conclusies De Gemeenschappelijke Regeling Heesch West is voornemens om samen een nieuw regionaal bedrijventerrein te ontwikkelen langs de A59 bij Heesch. Voor het bedrijventerrein wordt een bestemmingsplan- en m.e.r.-procedure doorlopen. In het kader van deze ruimtelijke procedures dienen verschillende aspecten te worden onderzocht, waaronder natuur. In het kader hiervan is voorliggende Natuurtoets opgesteld. De toets heeft zich gericht op de volgende beschermde natuurwaarden: Natura 2000 (verankerd in de Wet natuurbescherming), Natuurnetwerk Brabant (Baro), beschermde houtopstanden (Wnb) en beschermde soorten (Wnb). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies per natuuraspect uiteengezet.

Conclusies Natura 2000 Op de negatieve effecten op Natura 2000-gebieden wordt ingegaan in de passende beoordeling. Dit is een aparte rapportage.

NNB en Groenblauwe mantel Aantasting en compensatieplicht Het voornemen leidt tot verstoring op één NNB-gebieden. De aantasting vindt plaats op NNBgebied dat is aangewezen als N16.04 Vochtig bos met productie. Voor NNB-gebieden geldt dat de wezenlijke kenmerken en waarden (o.a. in de vorm van natuurbeheertypen) niet zonder meer aangetast mag worden en dat onderbouwd moet worden waarom alternatieven of maatregelen die een gunstig(er) effect hebben op het NNB niet voorhanden zijn. De effecten als gevolg van de verstoring zonder aanvullende maatregelen leiden tot een compensatieopgave van 0,1 hectare. Dit kan fysiek of financieel. Als er fysiek gecompenseerd wordt moet dit in aangewezen, maar nog niet gerealiseerd NNB, bij voorkeur in de omgeving en dient een compensatieplan opgesteld te worden. Er ligt geen Groenblauwe mantel binnen het plangebied. Het planvoornemen veroorzaakt geen negatieve gevolgen op dit gebied waardoor er geen vervolgstappen vanuit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant aan de orde zijn. Conclusie uitvoerbaarheid Het voornemen is uitvoerbaar wanneer de optredende negatieve effecten dusdanig worden gecompenseerd dat negatieve effecten niet meer aan de orde zijn. Dit dient dan als zodanig beschreven en geborgd te worden in het bestemmingsplan.

Beschermde houtopstanden Aantasting en compensatieplicht In het plangebied zal ongeveer 2,5 hectare oppervlakte beschermd houtopstand gekapt moeten worden ten behoeve van de realisatie van het voornemen. Hiervoor geldt een meldingsplicht. Een melding over de kap kan worden gedaan bij de provincie Noord-Brabant. Ten gevolge van de kap van beschermde houtopstanden geldt ook een compensatie/herplantingsplicht. Deze bomen dienen 1 op 1 gecompenseerd te worden. De compensatie dient geborgd te worden. Een logische invulling voor de compensatie houtopstanden is de groenstructuur die in het plangebied wordt gerealiseerd. Een geschikte locatie hiervoor is bijvoorbeeld de bomenstrook welke aan de zuidrand van het gebied is ingetekend, het centrale deel of bij de parkstrips (zie Figuur 3.1).

Blad 94

Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West

Conclusie uitvoerbaarheid Wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden (borging, melding en compensatie) vormt de bescherming van houtopstanden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Conclusies soortenbescherming Aantasting leefgebied, compensatieplicht en kansen voor nieuwe natuur In het plangebied is essentieel leefgebied van een aantal beschermde soorten aanwezig. Door het voornemen zal dit leefgebied in het plangebied plaatsmaken voor een bedrijventerrein. Van de volgende soorten13 zal het leefgebied aangetast worden: ❖ Vogels met een jaarrond beschermd nest – huismus, sperwer en steenuil (artikel 3.1 Wnb); ❖ Algemene broedvogels (artikel 3.1 Wnb); ❖ Zoogdieren – vleermuizen (artikel 3.5 Wnb), kleine marterachtigen, steenmarter en das (artikel 3.10); ❖ Vissen – grote modderkruiper (artikel 3.10). Als gevolg van het aantasten van het leefgebied worden verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Voor een dergelijke overtreding is een ontheffing Wet natuurbescherming – onderdeel soortenbescherming nodig. Derhalve dient voor de genoemde soorten een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag (provincie Noord-Brabant; Omgevingsdienst Brabant Noord). De ontheffingsaanvraag kent een doorlooptijd van 20 weken (13 standaard + mogelijk 7 weken verlenging) waarna door het ODBN een besluit genomen wordt. Vervolgens ligt het besluit 6 weken ter inzage.

Onderdeel van de ontheffingsaanvraag is onder meer een 1) mitigatieplan waarin beschreven staat welke maatregelen getroffen moeten worden om onder andere de gunstige staat van instandhouding van de soorten te waarborgen, 2) een alternatievenafweging waarin onderbouwd is dat er geen alternatieven aan de orde zijn die op de soorten een gunstiger effect hebben en 3) een onderbouwing van het belang van het voornemen. Bij voorliggende toetsing is beredeneerd dat voldaan kan worden aan deze drie voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming. Doordat in het plangebied zorgvuldig wordt omgegaan met de betreffende soorten (zowel door de inrichting, planning als werkwijze van de activiteiten) wordt gezorgd dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. De inrichting zoals deze nu voor ogen is (zie Figuur 3.1) draagt bij aan het opnieuw creëren van leefgebied van deze soorten. De groene inprikkers, groene zone, waterberging, bosschages en houtwallen bieden voor een aantal soorten (zoals vleermuizen, marterachtigen en grote modderkruiper) een geschikt leefgebied. Voor deze en overige soorten worden nieuwe leefgebieden/verblijfplaatsen gecreëerd in – of in de omgeving van het plangebied.

De kavels die behouden blijven aan de zuidzijde en zuidwestzijde in het plangebied kunnen een belangrijke rol spelen in de mitigatieopgave voor bepaalde gebouwbewonende soorten (huismus, steenuil en vleermuizen). Conclusie uitvoerbaarheid Wanneer zorgvuldig omgegaan wordt met het leefgebied van deze soorten en dit middels een ontheffingsaanvraag geborgd wordt, is de zekerstelling van de uitvoering van het plan vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming, soortbescherming gewaarborgd.

13

In 2019 wordt de aanwezigheid van vleermuizen, das en marterachtigen onderzocht in de nog niet reeds onderzochte terreinen. Mogelijkerwijs worden verbodsbepalingen overtreden indien verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hieruit volgen dan maatregelen voor het vervolg.

Blad 95

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10218519/1