Bijlage 1.5 Bijlagen deel 5 bij Toelichting ontwerpbestemmingsplan Heesch West
Tekst van het document
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West Toetsing Wet natuurbescherming en Natuurnetwerk Nederland
projectnummer 0419174.300 definitief revisie 03 25 mei 2021
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West Toetsing Wet natuurbescherming en Natuurnetwerk Nederland projectnummer 0419174.300 definitief revisie 03 25 mei 2021
Auteurs J.M. Kooijman C. Schellingen L.C. Smitskamp F. van Schie
Opdrachtgever Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
datum vrijgave 25-05-2021
beschrijving revisie 03 definitief
gecontroleerd Ir. J.W. van Veen
vrijgave Ir. H.A.M. van de Wetering
Inhoudsopgave 1
Blz.
Inleiding
1
Aanleiding Doel en onderzoeksvragen Leeswijzer
1 2 3
2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming
4
2.6.1 2.6.2 2.6.3
Algemeen Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Groenblauwe mantel Bescherming van houtopstanden Soortbescherming Soorten van de Vogelrichtlijn Soorten van de Habitatrichtlijn Andere soorten
4 4 5 6 6 7 7 7 8
3
Voornemen en gebiedsbeschrijving
9
Voornemen Gebiedsbeschrijving
9 11
Methodiek
13
4.3.1 4.3.2
Algemeen Bureauonderzoek Natura 2000 Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe mantel Beschermde houtopstanden Beschermde soorten Veldbezoeken Verkennend terreinbezoek Soortgerichte onderzoeken
13 13 13 13 14 14 15 15 16
5
Resultaten inventarisatie natuurwaarden
25
Natura 2000-gebieden Ligging Natura 2000-gebieden Beschrijving dichtstbijgelegen Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe mantel Ligging NNB- en GBM-gebieden Beschrijving NNB-gebieden Beschermde houtopstanden Beschermde soorten Vogels Zoogdieren
25 25 26 26 26 27 29 30 30 35
4
4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4
5.1.1 5.1.2 5.2.1 5.2.1.1
5.4.1 5.4.2
5.4.3 5.4.4 5.4.5 5.4.6 5.4.7 5.4.8
Amfibieën Reptielen Vissen Planten Overige soortgroepen Samenvatting beschermde soorten
46 47 47 50 50 51
6
Effectbeoordeling
52
6.6.1 6.6.2 6.6.3 6.6.4 6.6.5 6.6.6 6.6.7 6.6.8
Wijze van effectbepaling plan Storingsfactoren Natura 2000 - Voortoets Natuurnetwerk Brabant Beschermde houtopstanden Beschermde soorten Samenvattend overzicht relevante verstoringsfactoren Natura2000 Natuurnetwerk Brabant Verstoring door geluid Conclusie Toetsing beschermde houtopstanden Conclusie Toetsing beschermde soorten Vogels – Algemeen Vogels – Huismus Vogels – Sperwer Vogels – Steenuil Zoogdieren – Vleermuizen Zoogdieren –Marterachtigen Vissen – Grote modderkruiper Conclusie
52 52 53 58 60 60 61 62 62 62 65 66 67 67 67 68 69 69 70 72 73 73
7
Compenserende en mitigerende maatregelen
75
Mitigatieopgave Natura 2000 Compensatieopgave NNB Compensatie als gevolg van geluidverstoring Mitigatieopgave Beschermde houtopstanden Mitigatieopgave beschermde soorten Vogels – Huismus Vogels – Sperwer Vogels – Steenuil Vogels – Algemene broedvogels Zoogdieren – Vleermuizen Zoogdieren – Kleine marterachtigen, steenmarter en das Vissen – grote modderkruiper Concluderend: Effect compensatie/mitigatie in relatie tot uitvoerbaarheid Beschermde soorten
75 75 75 76 76 76 79 80 81 82 86 88 89 89
6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.2.4 6.2.5
6.4.1 6.4.2 6.5.1
7.2.1
7.4.1 7.4.2 7.4.3 7.4.4 7.4.5 7.4.6 7.4.7 7.5.1
7.6.1 7.6.2
Impulsen voor de natuur Tijdelijke inrichting (tijdelijke natuur) Permanente inrichting
91 91 91
8
Conclusies
94
Conclusies Natura 2000 NNB en Groenblauwe mantel Beschermde houtopstanden Conclusies soortenbescherming
94 94 94 95
Bronnen
96
9
Bijlagen Bijlage 1: Wettelijk kader Bijlage 2: Natura 2000-gebieden; ligging, Instandhoudingsdoelen en verstoringsfactoren Bijlage 3: Definitie storingsfactoren
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 revisie 03 Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
1
Inleiding Aanleiding De Gemeenschappelijke Regeling Heesch West, een samenwerking van de gemeenten ’sHertogenbosch, Bernheze en Oss, is voornemens om binnen een plangebied van 170 ha aan de zuidzijde van de A59 tussen ’s-Hertogenbosch en Heesch een 80 ha (netto) groot regionaal bedrijventerrein en bijbehorende infrastructuur te realiseren. Dit in 2 fasen: fase 1 50 ha, en, mocht de behoefte aangetoond zijn, op termijn fase 2 30 ha. In een ambitieuze, toekomstgerichte ontwikkeling biedt Heesch West ruimte aan middelgrote tot zeer grootschalige bedrijven, die elders in de regio geen passende huisvesting (meer) vinden. In belangrijke mate zijn dit bedrijven die nu al een regionale binding hebben en zich binnen de regio willen doorontwikkelen. Onder andere zijn dit (zeer) grootschalige logistiek en bedrijvigheid op het gebied van innovatieve concepten in de bouw, circulaire economie en duurzame energieoplossingen. Ook biedt het terrein ruimte voor regionale verplaatsers en topsectoren. . Naast het bedrijventerrein maken ook de ontsluiting en een ruime landschappelijke inpassing onderdeel uit van het bestemmingsplan. Het plangebied waarbinnen de ontwikkeling van Regionaal Bedrijventerrein Heesch West is voorzien, is weergegeven in Figuur 1.1 en 1.2.
Figuur 1.1. Ligging van het plangebied in de regio.
Blad 1 Figuur 1.2. Gedetailleerde begrenzing plangebied.
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Voor het bedrijventerrein wordt een bestemmingsplan- en m.e.r.-procedure doorlopen. In het kader van deze ruimtelijke procedures dienen verschillende aspecten te worden onderzocht, waaronder natuur. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er dient onderzocht te worden of het plan effect heeft op beschermde soorten of beschermde gebieden (Wet natuurbescherming; Wnb en Natuurnetwerk Nederland; NNN). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties. Dit wordt gedaan op basis van een Natuurtoets. In deze rapportage zijn de resultaten van de Natuurtoets beschreven en wordt antwoord gegeven of het plan uitvoerbaar is.
Doel en onderzoeksvragen Het doel van voorliggende Natuurtoets is vierledig: 1. Het inventariseren van de in en rond het plangebied aanwezige ecologische waarden (Natura 2000-gebieden, NNN-gebieden, Groenblauwe mantel, beschermde houtopstanden en Wnb-beschermde soorten). 2. Het beschrijven van de effecten die Heesch West heeft op deze ecologische waarden. 3. Het opsporen van strijdigheden van het voorgenomen plan met de wetgeving en het beleid omtrent deze beschermde soorten en beschermde gebieden. 4. Bepalen of het plan uitvoerbaar is. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing of vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is en zo ja, of deze ontheffing of vergunning kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wet natuurbescherming. Echter, deze vragen zijn ook relevant voor het bestemmingsplan omdat in deze Natuurtoets wordt beoordeeld of ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan het op voorhand in redelijkheid duidelijk is dat de Wet natuurbescherming niet de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan. Het bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld nadat uit een Natuurtoets duidelijk is geworden of voor de activiteiten die volgen uit deze vaststelling de mogelijkheid bestaat tot het verkrijgen van een ontheffing of vergunning. Blad 2
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening in het bestemmingsplan het voornemen getoetst te worden aan de aanwezige ecologische waarden. De volgende onderzoeksvragen zijn van toepassing: • Welke in het kader van de Wnb beschermde soorten (en/of vaste rust- en verblijfplaatsen) komen voor in het beïnvloedingsgebied van het plan? o Vinden er als gevolg van de ontwikkeling die mogelijk gemaakt worden door het plan effecten plaats op deze soorten en worden daarbij verbodsbepalingen overtreden? o Is het plan uitvoerbaar in het kader van de Wnb? o Zijn, zo nodig, aanvullende voorwaarden in het plan aan de orde? • Komen in de beïnvloedingszone van het plangebied beschermde natuurgebieden (NNN en/of Natura 2000) of beschermde houtopstanden (Wnb) voor? o Zo ja, welke zijn dit en wat zijn de gevolgen van het plan hierop? o Dienen vervolgstappen in de vorm van een compensatieplan opgesteld te worden of zijn andere vervolgstappen aan de orde? Op bovenstaande vragen worden in de hoofdstukken 5, 6 en 7 een antwoord gegeven (zie ook de leeswijzer).
Leeswijzer De Natuurtoets is als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 1 geeft de aanleiding van de Natuurtoets en het planvoornemen; • Hoofdstuk 2 beschrijft het wettelijk kader; • Hoofdstuk 3 beschrijft het gebied en gaat in op het voornemen; • Hoofdstuk 4 geeft een toelichting op gebruikte methodieken in de Natuurtoets; • Hoofdstuk 5 gaat in op de ecologische waarden van en in de omgeving van het plangebied; • Hoofdstuk 6 beschrijft de effecten op beschermde gebieden en soorten, en toetst het plan aan de Wet natuurbescherming en het NNN; • In hoofdstuk 7 worden de mitigatieopgaven van beschermde soorten beschreven; • De Natuurtoets sluit af met de belangrijkste conclusies (Hoofdstuk 8).
Blad 3
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming Dit hoofdstuk beschrijft het wettelijk kader van Natura 2000 (paragraaf 2.2), het NNN (paragraaf 2.3), de Groenblauwe mantel (paragraaf 2.4), bescherming van houtopstanden (paragraaf 2.5) en de soortenbescherming (paragraaf 2.6) relevant voor voorliggende Natuurtoets. In de bijlage (Bijlage 1) is een uitgebreid overzicht gegeven van het beleidskader.
Algemeen De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000gebieden, soorten en houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb bestaan er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN of in Noord-Brabant: NNB) en de Groenblauwe mantel. De bescherming van het NNB verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving.
Natura 2000 Twee Europese richtlijnen, de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn(92/43/EEG), voorzien in de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden. In dat kader zijn onder meer speciale gebieden aangewezen die beschermd moeten worden. Deze zogenaamde Vogel- en Habitatrichtlijngebieden vormen samen het Natura 2000-netwerk. De afzonderlijke gebieden worden ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Het doel hiervan is om de aangewezen habitattypes en habitats van soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. In de Wet natuurbescherming zijn bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. De Europese richtlijnen verplichten de lidstaten gebieden aan te wijzen met speciale beschermingszones (de Natura 2000-gebieden). De lidstaten moeten maatregelen treffen om de kwaliteit van deze habitats en habitats van soorten niet te laten verslechteren of te voorkomen dat er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de (ontwerp-) aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden.
De instandhoudingsdoelstellingen beschrijven voor de (in ontwerp) aangewezen habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten in het gebied of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is, of dat het behoud er van op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Bij plannen of projecten in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase te onderzoeken of de ontwikkeling een significant negatief effect op de instandhoudings-doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dient hij ook de mitigerende maatregelen te betrekken die hij eventueel van plan is te nemen. Deze analyse heet een ‘passende beoordeling’. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit geen negatief effect heeft, kan het besluit worden genomen. Wanneer blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechterings- toets het besluit worden genomen.
Blad 4
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het besluit alleen worden genomen op grond van de ‘ADC-criteria’. Dit betekent dat de vergunning kan worden verleend als alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken, er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en de initiatiefnemer compenserende maatregelen tijdig treft.” Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur, geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Meestal verlenen de provincies de vergunningen, maar soms doet het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dit.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (in Noord-Brabant het Natuurnetwerk Brabant genoemd) is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden. Dit is onderdeel van de actieve soortbescherming uit de Wet natuurbescherming; bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. Om dit te realiseren is in de Wnb art. 1.12, lid 2 vastgelegd dat de provincies zorgen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het Natuurnetwerk Nederland. Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. De Ruimtelijke Verordening (geconsolideerde versie januari 2019) van de provincie NoordBrabant is op 25 oktober 2019 vervangen door de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
In de Interim omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant (2019) zijn regels voor het NNB opgenomen in paragraaf 3.2.3 (Artikel 3.15-3.25). Voor de natuurgebieden die behoren tot het NNB geldt het ‘nee, tenzij’-principe1. Het ‘nee, tenzij’-principe (Artikel 3.19) betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een zwaarwegend belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Het compensatiebeleid van provincie Noord-Brabant voor de gebieden die aangewezen zijn als NNB is vastgelegd in Artikel 3.22 van de Interim omgevingsverordening. Het regime ter bescherming van het NNB kent in de provincie Noord-Brabant externe werking. Dit houdt in dat niet alleen de effecten van activiteiten die gelegen zijn binnen de grenzen van NNB-gebieden beoordeeld en eventueel gecompenseerd moeten worden, maar ook (potentiële) effecten op NNB-gebieden die in de omgeving van het plangebied liggen (externe effecten). Dit laatste is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling een negatief effect heeft op de waarden van het NNB vanwege bijvoorbeeld geluid, licht of betreding.
Voor zover er externe effecten optreden vanwege de verspreiding van stoffen door de lucht of water vindt een afweging plaats in het kader van andere wet- en regelgeving. Daarom is dit expliciet in de regels uitgesloten (Artikel 3.16, lid 3).
1
Naast een Nee tenzij-afweging kan er sprake zijn van een kleinschalig ontwikkeling of een NNB/EHSsaldobenadering waarbij er geen onderbouwing aan de orde is van het dwingende belang en/of van alternatieven. Indien relevant wordt bekeken of deze van toepassing zijn voor het project.
Blad 5
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Groenblauwe mantel Naast het NNB zijn in de provincie Noord-Brabant gebieden aangewezen als groenblauwe mantel (Artikel 3.32 Omgevingsverordening). Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen. Een bestemmingsplan dat van toepassing is op de groenblauwe mantel: a) strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b) stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c) borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Ontwikkelingen in de groenblauwe mantel zijn mogelijk indien het gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie betreft, met een meer extensief karakter en die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap.
De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of/en landbouw passen minder bij het karakter van de groenblauwe mantel. Daarom gelden binnen de groenblauwe mantel voor deze initiatieven aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies.
Bescherming van houtopstanden De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft invulling aan de bescherming van houtopstanden die tot aan 1 januari 2017 vielen onder bescherming van de Boswet. De bescherming is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wnb. De Provincie is het bevoegd gezag. De bescherming betreft de houtopstanden die zijn gelegen buiten de bebouwde kom (Boswet) en die een oppervlakte hebben van meer dan 1.000 m2 (0,1 hectare). In de Wnb zijn geen regels opgenomen over houtopstanden die zijn gelegen binnen de bebouwde kom of met kleinere oppervlakte dan 1.000 m2. Bescherming van dergelijke houtopstanden is een taak van de gemeentelijke overheid. Voor bomen binnen de grenzen van de bebouwde kom Boswet, geldt dat deze niet zonder vergunning geveld mogen worden. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) regelt dit. Ten aanzien van het kappen van een boom of andere houtopstand bepaalt elke gemeente zelf of hiervoor een omgevingsvergunning nodig is. In de APV staan de regels voor het kappen van bomen. Veel gemeenten hanteren een minimale stamomvang op borsthoogte (1,30 meter hoog). Bij die hoogte en een bepaalde doorsnede moet dan een kapvergunning worden aangevraagd. De diameters kunnen variëren per gemeente en soms ook per boomsoort. Er zijn ook gemeenten waar weer helemaal geen kapvergunning nodig is.
Voor houtopstanden groter dan 1.000 m2 is veelal sprake van overlap met de gemeentelijke APV. Dit is bijvoorbeeld aan de orde wanneer monumentale bomen in bosbestanden van groter dan 1.000m2 of in rijbeplanting voorkomen en gelegen zijn buiten de grenzen van bebouwde kom Boswet/houtopstanden, ook beschermd zijn in het kader van een APV. Daarnaast kan de gemeente geen bebouwde kom Boswet/houtopstanden vastgesteld hebben. In dit geval geldt de Wnb (inclusief ontheffing) overal in de betreffende gemeente. Als de gemeente een APV heeft vastgesteld waarin bepalingen zijn opgenomen over de bescherming van houtopstanden en planregels over houtopstanden heeft opgenomen in haar bestemmingsplan, dan is de kans op
Blad 6
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
samenloop groot. De mate van overlap kan per gemeente verschillen en is dus maatwerk. Toetsing aan de APV valt buiten de scope van voorliggende toetsing. Voor houtopstanden die zijn beschermd in de Wnb geldt een meldingsplicht bij voorgenomen velling, en in principe tevens een herplantplicht. Herplant wordt in de regel ter plekke ingevuld (artikel 4.3, lid 1, 2). Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels . Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist, deze staan vermeld in art. 4.1 van de Wet natuurbescherming. Zo zijn wegbeplantingen bestaande uit populieren of wilgen uitgezonderd.
Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief Bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Bij voorliggende toetsing wordt tevens beoordeeld of soorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Onderstaand worden de verbodsbepalingen uit de Wnb per categorie uiteengezet.
2.6.1
Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1 Wnb) is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen wanneer als gevolg daarvan het nest zijn functie verliest. Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Vogelrichtlijn soorten 1. 2. 3. 4. 5.
2.6.2
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod op om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Blad 7
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Dieren behorend bij artikel 3.5 mogen niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Europees beschermde soorten 1.
2. 3. 4. 5.
2.6.3
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wnb, zie ook Bijlage 1. Voor soorten in bijlage A Wnb geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B Wnb geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Overig beschermde soorten 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Blad 8
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
3
Voornemen en gebiedsbeschrijving In dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op het voornemen binnen het plangebied Heesch West (paragraaf 3.1) waarna in paragraaf 3.2 een beschrijving wordt gegeven van het gebied.
Voornemen Regionaal Bedrijventerrein Heesch West wordt een 50 tot maximaal 80 ha (netto uitgeefbaar) groot bedrijventerrein binnen een plangebied van circa 170 ha direct ten zuiden van de A59 ten westen van de kern Heesch. In het bestemmingsplan wordt 50 hectare (netto uitgeefbaar) bedrijventerrein rechtstreeks mogelijk gemaakt. In een 2e fase wordt ruimte geboden voor nog 30 hectare (netto uitgeefbaar). De 2e fase wordt pas uitgegeven als de behoefte hiervoor aangetoond is. In de periode voor uitgifte blijft de 2e fase agrarisch met de mogelijkheid de ruimte in te zetten voor duurzame energie (zonnepark). Regionaal Bedrijventerrein Heesch West gaat zich met name richten op bedrijven die veel ruimte nodig hebben, zoals (zeer) grootschalige logistiek, en bedrijvigheid op het gebied van innovatieve concepten in de bouw, circulaire economie en duurzame energieoplossingen. Daarnaast biedt het terrein ruimte voor regionale verplaatsers. Bestaande woningen op het bedrijventerrein verdwijnen, woningen direct langs het bedrijventerrein blijven, als milieutechnisch mogelijk, behouden. Bestaande groenstructuren/bomen blijven zoveel als mogelijk behouden. Een deel moet echter verdwijnen om grootschalige verkaveling en flexibiliteit hierin te creëren. Het bedrijventerrein wordt ontsloten aan de noordzijde. Hiervoor wordt de bestaande Bosschebaan opgewaardeerd.
De Bosschebaan sluit aan op de bestaande aansluitingen op de A59 bij Nuland en bij Heesch. Het bedrijventerrein kent een hoge duurzaamheidsambitie. Er wordt daarom om het bedrijventerrein veel ruimte gereserveerd voor robuuste landschappelijke groenzones: • centraal oost-west lopen door het bedrijventerrein • aan de west- en zuidwestzijde • langs de interne ontsluiting op het bedrijventerrein. In deze robuuste landschappelijke groenzones is ook ruimte voor andere functies en opgaven op het bedrijventerrein, o.a. waterberging en opwekking van duurzame energie. De robuuste landschappelijke groenzones worden zo ingericht dat ze ecologische meerwaarde hebben, niet alleen voor mitigatie van negatieve effecten op bestaande ecologische waarden, maar ook meerwaarde voor nieuwe soorten. In Figuur 3.1 is het beoogde stedenbouwkundige ontwerp voor Heesch West opgenomen. Voor een uitgebreide(re) beschrijving van Heesch West wordt verwezen naar het bestemmingsplan.
Blad 9
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Zonnepark Achterste Groes (autonoom)
Cereslaan-West (autonoom)
Heesch-west
Ontsluiting oost Ontsluiting west 1e fase 50 ha netto 2e fase
Groene Parksingels inprikker
Zonnepark Achterste Groes (autonoom)
Centrale parkzone
Westelijke parkzone
Tijdelijk Zonnepark
Zuidwestelijke parkzone
Figuur 3.1 Impressie mogelijke invulling regionaal bedrijventerrein (bron: Gemeenschappelijke regeling, 2021)
Blad 10
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Gebiedsbeschrijving Het plangebied (zie voor een impressie Figuur 3.1) voor het voorgenomen Regionaal Bedrijventerrein Heesch West ligt in het buitengebied van de gemeenten ‘s-Hertogenbosch en Bernheze, ten oosten van het stedelijk gebied van 's-Hertogenbosch, ten westen van het stedelijk gebied van Heesch en ten zuiden van de A59/ Oss. Het gebied betreft een buitengebied langs een snelweg en wordt gekenmerkt door een agrarisch karakter, met bijbehorende woonfuncties en lokale infrastructuur. Het gebied heeft landschappelijk gezien twee karakters. Het ligt op de overgang van het kleinschalige dekzandlandschap aan de oostzijde en een broekontginningslandschap van grotere afmetingen aan de westzijde. Het effect van de ruilverkaveling is hier duidelijk zichtbaar. Er is een aaneengesloten gebied met grote blokvormige kavels. Aan de oostzijde zijn juist kleinere langgerekte kavels te vinden. De lokale wegenstructuur bestaat uit de Bosschebaan, de Weerscheut, De Koksteeg, de Zoggelse Straat, Achterste Groes en de Raktstraat. De Achterste Groes en Rakstraat zijn doodlopende wegen. De Raktstraat is deels onverhard. Binnen het plangebied vormen de Kleine Wetering en de Vinkelsche Loop de belangrijkste waterlopen. Het gebied bevat verder nog enkele watergangen. Langs de waterlopen liggen bosschages en beplanting.
In en rond het plangebied is groen te vinden in de vorm van bosschages, houtwallen, bomensingels en solitaire bomen. Het gebied is agrarisch, maar niet rustig/stil: Het ondervindt in de huidige situatie al geluidhinder van de A59. Zie onderstaande foto’s (Figuur 3.2) voor een impressie van het plangebied.
Figuur 3.2. Impressie van het plangebied.
Blad 11
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Figuur 3.2. Impressie van het plangebied.
Blad 12
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
4
Methodiek Dit hoofdstuk beschrijft de methodiek die gehanteerd is tijdens het bureauonderzoek (paragraaf 4.2) en gedurende de veldbezoeken (paragraaf 4.3) van voorliggende Natuurtoets.
Algemeen Het onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten en ligging van beschermde gebieden is opgebouwd uit twee onderdelen: 1. Bureaustudie naar waarnemingen van beschermde soorten uit het (recente) verleden en ligging van beschermde gebieden in de invloedsfeer van het plan; 2. Veldbezoeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Allereerst is een eenmalig verkennend veldbezoek uitgevoerd om de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten in te schatten. Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek is aanvullend, soortspecifiek onderzoek uitgevoerd.
Bureauonderzoek 4.2.1
Natura 2000 Voor de Natura 2000-gebieden is middels de digitale kaartenviewer van de provincie NoordBrabant en de betreffende aanwijzingsbesluiten geïnventariseerd waar de gebieden liggen ten opzichte van het plangebied. Aanwijzigingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden (website LNV) zijn gebruikt voor het verzamelen van de relevante doelen. In de besluiten zijn de instandhoudingsdoelen voor habitattypen, habitat- en vogelsoorten opgenomen afhankelijk of het gebied aangewezen is als Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebied, soms aangevuld en een korte omschrijving van het voorkomen van het desbetreffende habitattype en/of soort. Eventuele beheerplannen en gebiedsanalyses zijn gebruikt om onder andere de kwaliteit en de knelpunten van een gebied te achterhalen. Op basis van deze gegevens in combinatie met het voornemen is bepaald of het voornemen negatieve effecten kan veroorzaken op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
4.2.2
Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe mantel Voor het bepalen van de ligging van het NNB en de Groenblauwe mantel (GBM) is gebruik gemaakt van de provinciale digitale interactieve kaarten. Hierin zijn de NNB/GBM-grenzen, ecologische verbindingen en de aangewezen natuurbeheertypen aangegeven. Voor het NNB geldt dat zowel bij directe als indirecte effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden sprake is van vervolgstappen. Hier is specifiek aandacht aan besteed bij de effectbeoordeling/afbakening storingsfactoren. Directe effecten uiten zich in ruimtebeslag op NNB-gebieden en zijn in m2 uit te drukken. Om te bepalen of indirecte effecten aan de orde zijn, wordt dit in voorliggende toetsing per vrijkomende storingsfactor (zoals licht, geluid en dergelijke) kwalitatief beoordeeld (paragraaf 6.2.2). Echter, voor de storingsfactor geluid wordt een geluidstoename als maat gebruikt bij de inschatting van (indirecte) verstoring en mogelijke compensatie. Bij de toetsing van eventuele geluidstoenames wordt in voorliggende toetsing uitgegaan van de normen van Reijnen & Foppen (1995, 1996), waarbij de volgende drempelwaardes gelden voor geluid: • 42 dB(A) voor bosvogels; • 47 dB(A) voor vogels van open gebied. Bij de voorliggende toetsing is niet de dosismaat LAeq-24 uur gehanteerd, maar de dosismaat Lden.
Uitgaande van een constante geluidsbron (voor verkeer en industrie een goede benadering) is er
Blad 13
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
een vast verschil van 6,4 dB tussen de geluidsbelasting uitgedrukt in de dosismaat LAeq-24 uur en de dosismaat Lden. Dit betekent dat een waarde van 42 dB(A) LAeq-24 uur overeen komt met 48,4 dB Lden en een waarde van 47 dB(A) LAeq-24 uur overeen komt met 53,4 dB Lden. De provincie Noord-Brabant conformeert zich aan deze drempelwaardes als het gaat om geluidseffecten op het Natuurnetwerk Brabant. Het oppervlakte natuur dat, als gevolg van de ingreep, te maken krijgt met een geluidsbelasting die hoger ligt dan deze normen, dient gecompenseerd te worden. De in de regel gebruikte compensatiefactor bedraagt 1/3 van het aan te tasten oppervlakte (Provincie Noord-Brabant, 2014).
4.2.3
Beschermde houtopstanden Aan de hand van de meest recent beschikbare luchtfoto’s en veldwaarnemingen is beschouwd of er binnen het plangebied houtopstanden geraakt worden die behoren tot houtopstanden groter dan 1.000 m2 of rijbeplanting betreffen met meer dan 20 bomen. Deze informatie is later stadium van plan- en besluitvorming (ontwerpbestemmingsplan) nog aangevuld/aangescherpt aan de hand van een bomeninventarisatie.
4.2.4
Beschermde soorten Afbakening soorten In het bureauonderzoek is specifiek gekeken naar soorten uit de Vogelrichtlijn (artikel 3.1; waaronder ook de vogelsoorten jaarrond beschermde nesten), soorten van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5) en ‘andere’ beschermde soorten (artikel 3.10). Een aantal soorten is door de provincies en het Rijk vrijgesteld en is opgenomen in provinciale vrijstellingen (zie tabel C en D in bijlage 1). Deze zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in de provincie dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt bij het voorliggende plan. Wel geldt de algemene zorgplicht. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding worden gegarandeerd. Hierbij kan gedacht worden aan het rekening houden met de kwetsbare seizoenen van deze soorten en de manier van werken (zoals het aanhouden van vaste rijroutes en het zorgen voor vluchtmogelijkheden voor de soorten). In de provincie Noord-Brabant zijn in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (hermelijn, bunzing en wezel) niet langer vrijgesteld.
Geraadpleegde bronnen NDFF Om een beeld te krijgen van de verspreiding en (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied, is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. De NDFF bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. In de NDFF zijn meer dan 100 databanken gebundeld. De gegevens brengen in beeld wat in een bepaald gebied bekend is over het voorkomen van planten- en diersoorten. Alle ingevoerde waarnemingen die in de NDFF zijn opgeslagen worden gevalideerd. Alleen goedgekeurde waarnemingen zijn zichtbaar in de NDFF. Bij het raadplegen van NDFF is nagegaan of er in de periode 2015-2020 beschermde soorten zijn aangetroffen in of nabij het plangebied en of deze zijn ingevoerd door derden. Een dergelijke tijdsperiode biedt inzicht in de meest recente natuurgegevens in een gebied. In de Wet natuurbescherming worden bij ontheffingsverlening veldgegevens tot vijf jaar oud (voor soorten die onder artikel 3.10 vallen) gehonoreerd om de aanwezigheid van soorten aan te tonen. Voor soorten die vallen onder artikel 3.1 en 3.5 (Beschermingsregime Vogel- en Habitatrichtlijn) mag dit maximaal drie jaar zijn. Het zoekgebied voor het opvragen van de NDFF-data betreft een cirkelvormig zoekgebied rondom het plangebied met een straal van circa 2,5 kilometer. Zodoende worden ook alle mobiele soorten in beeld gebracht.
Blad 14
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
In Hoofdstuk 5 is per soortgroep uiteengezet welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied bekend zijn vanuit het NDFF en of deze ook verwacht kunnen worden in het plangebied. Natuurrapporten uit het verleden Het voornemen voor en het planproces van Regionaal Bedrijventerrein Heesch West kent een lange voorgeschiedenis. Ten behoeve van het bedrijventerrein zijn in het verleden al een aantal ecologische onderzoeken uitgevoerd en rapportages opgesteld. De hierin opgenomen natuurgegevens zijn relevant voor de voorliggende rapportage aangezien zij, in aanvulling op de gegevens van de NDFF, een meer specifieke indicatie kunnen geven van de te verwachte soorten in het gebied. De volgende documenten zijn derhalve geraadpleegd ten behoeve van de verspreiding van beschermde soorten op en rond het plangebied: Aukema, R., 2004. Beschermde flora en fauna Heesch west. Onderzoek in het kader van de Flora- en faunawet. Natuurbalans - Limes Divergens BV, Nijmegen. In het rapport van 2004 is een groter terrein onderzocht dan het gebied waarbinnen in de huidige situatie ontwikkelingen plaatsvinden. Aukema, R & V. de Jong, 2015. Natuurtoets toekomstig bedrijventerrein Heesch West. Toetsing aan de flora en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Natuurbalans 0 Limes Divergens BV, Nijmegen.
Veldbezoeken 4.3.1
Verkennend terreinbezoek Naar aanleiding van de uitkomsten van voorgenoemde bureaustudie is middels een verkennend terreinbezoek bepaald in hoeverre de aanwezigheid van beschermde soorten aannemelijk gesteld kan worden op basis van aanwezig geschikt habitat. Dit onderzoek is nodig, aangezien de eerder uitgevoerde onderzoeken (Aukema, R., 2004; Aukema, R & V. de Jong, 2015) wettelijk niet meer geldig zijn en sinds 2017 de Wet natuurbescherming van kracht is. Naast directe waarnemingen is aan de hand van de aangetroffen biotopen een beeld geschetst van de verwachte aanwezige beschermde soorten. Dit is noodzakelijk omdat enkele seizoensgebonden soorten flora en fauna mogelijk niet kunnen worden waargenomen. Aan de hand van het aangetroffen biotoop en habitatvoorkeur(en) kunnen echter wel indicaties worden gegeven van het mogelijk voorkomen van deze soorten op de locatie. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Op 12 april 2018 is vanaf circa 9:00 uur een verkennend terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij bewolkt weer en een temperatuur van circa 16 °C.
Op 6 augustus 2018 is vanaf circa 20:00 uur een terreinbezoek uitgevoerd aan de oostzijde van het plangebied (terreinen rond de Voorste Groes en Bosschebaan) door een deskundig ecoloog van Antea Group bij zonnig weer en een temperatuur van circa 28 C°. Tijdens de terreinbezoeken is het plangebied te voet belopen en is het westelijke waterlichaam en zuidelijke watergang bemonsterd met een RAVON visnet. Gebouwen zijn vanaf de openbare ruimte bekeken en de bomen zijn bekeken met een verrekijker. Naar aanleiding van aanpassing van het ontwerp is op 26 januari 2019 een (eenmalig) aanvullend veldbezoek uitgevoerd naar beschermde soorten in een NNB-gebiedje ten zuiden van de Rekken en naar soorten langs de Ruitersdam. De terreinen zijn per voet belopen. Ook is in dit veldbezoek gezocht naar het voorkomen van een dassenburcht op een perceel dat niet eerder betreden kon worden.
Blad 15
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Op basis van de verwachtingen van het verkennend terreinbezoek zijn soortgerichte onderzoeken in gang gezet. De methodiek van deze soortgerichte onderzoeken staat hierna (paragraaf 4.3.2) beschreven.
4.3.2
Soortgerichte onderzoeken In onderstaande alinea’s wordt per soort(groep) uiteengezet welke werkwijzen zijn gebruikt om de functies van het gebied voor de beschermde soorten inzichtelijk te krijgen. Per soortgroep is op een kaart aangegeven waar onderzoek naar de betreffende soortgroep is uitgevoerd. De soorten en locaties zijn bepaald aan de hand van het verkennende terreinbezoek (paragraaf 4.3.1) en aan de hand van de uit de bureaustudie naar voren gekomen waarnemingen (Aukema, R., 2004; Aukema, R & V. de Jong, 2015; NDFF, 2013-2018). Er is, volgens de geldende protocollen, onderzoek uitgevoerd naar de volgende soorten: • Vogels met een jaarrond beschermd nest; • Zoogdieren; • Amfibieën; • Vissen. Hieronder wordt de methodiek per soortgroep uiteengezet. Aan het einde van deze paragraaf is een overzicht gegeven van de precieze data en weersomstandigheden tijdens de veldbezoeken. In Hoofdstuk 6 wordt aan de hand van de uitkomsten van de onderzoeken aangegeven wat de effecten vanuit de Wet natuurbescherming zijn (alvorens de storingsfactoren helder zijn geformuleerd). In een aantal gevallen zal de effectenbeoordeling een ‘worst case-scenario’ aanhouden, aangezien de precieze invulling van het bedrijventerrein vooralsnog niet volledig duidelijk is.
Wanneer onduidelijk is of essentieel leefgebied aangetast wordt, is hier bij de effectbeoordeling wel van uitgegaan (worst case-scenario). Vogels met een jaarrond beschermd nest Uilen Gezien de biotopen en de verwachting in het plangebied heeft het onderzoek zich gericht op de gebouwbewonende uilensoorten: de kerkuil en de steenuil. (Tevens is gelet op de ransuil, maar voor deze soort zijn in de onderzoeksgebieden geen geschikte broedlocaties aanwezig.) Het onderzoek naar de steenuil is uitgevoerd volgens de methode die is omschreven in het boek “Vogelinventarisatie” uitgegeven door Pudoc Wageningen en volgens de handreiking die is opgesteld in het kennisdocument van de steenuil (BIJ12, 2017b). In alle gebieden met woningen is onderzoek gedaan (zie Figuur 4.1). In maart en april 2018 zijn in totaal drie veldbezoeken uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van de steenuil vast te stellen. Tijdens deze veldbezoeken is gebruik gemaakt van een recorder waarmee de baltsroep van de steenuil is afgespeeld om daarmee een territorium-indicerende reactie van eventueel in het gebied voorkomende steenuilen uit te lokken. Eventuele waarnemingen zijn zoveel mogelijk per woning/gebouw genoteerd. In het plangebied is overdag gelet op de aanwezigheid van sporen (zoals braakballen, uitwerpselen/krijtstrepen en veren).
Voor de aanwezigheid van de kerkuil in het plangebied is navraag gedaan bij de lokale uilenwerkgroep Vinkel en Heesch. Zij hebben in 2018 in onder andere Heesch de bezetting van kerkuilterritoria in het gebied onderzocht. Huismus De aanwezigheid van nestlocaties van de huismus is onderzocht middels een inventarisatie van de aanwezige gebouwen in het gebied (zie Figuur 4.1). De inventarisatie is gebaseerd op het kennisdocument van de huismus (BIJ12, 2017a). In april en mei 2018 zijn twee bezoeken van in
Blad 16
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
totaal 3,5 uur per bezoek uitgevoerd om nestlocaties van de huismus vast te stellen dan wel uit te sluiten. De bezoeken zijn vanaf minimaal één uur na zonsopkomst uitgevoerd met een minimale tussenperiode van 10 dagen. Aan het einde van deze paragraaf is een overzicht gegeven van de precieze data en weersomstandigheden tijdens de veldbezoeken.
Onderzoeklocaties soortgericht onderzoek naar steenuil en/of huismus. Figuur 4.1. Overzicht onderzochte locaties voor gebouwbewonende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest; in dit geval huismus en steenuil. (bron: Antea Group, 2018, bron grens: Gemeenschappelijke Regeling, 2018, bron ondergrond: Globespotter)
Roofvogels (anders dan uilen) De methode voor het inventariseren van broedvogels met een jaarrond beschermd nest is gebaseerd op het kennisdocument van de buizerd (BIJ12, 2017d). Hierbij is rekening gehouden met een bredere onderzoeksperiode om de mogelijk voorkomende soorten boomvalken en sperwer ook volledig in het onderzoek mee te nemen. Om de aanwezigheid van een broedgeval en een territorium vast te stellen, zijn vier bezoeken aan het plangebied gebracht. Alle bezoeken zijn in de ochtend uitgevoerd. Per nest (in totaal waren het er vijf) is een half uur gemonitord. Daarbij is tevens gelet op de aanwezigheid van sporen die duiden op recent gebruik rondom of (wanneer mogelijk) op het nest. De onderzoeklocaties zijn weergegeven in Figuur 4.2.
Blad 17
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Grote (mogelijk jaarrond beschermde) nesten
Figuur 4.2. Overzicht onderzochte locaties voor boombewonende roofvogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. (bron: Antea Group, 2018, bron grens: Gemeenschappelijke Regeling, 2018, bron ondergrond: Globespotter)
Zoogdieren - Vleermuizen Onderzoek naar vleermuizen is in te delen in het inventariseren van zomer- en kraamverblijfplaatsen, zwermplaatsen, paarverblijfplaatsen, winterverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. In het kader (Figuur 4.3) zijn de definities gegeven van de belangrijkste functies die een gebied kan hebben voor vleermuizen. Per mogelijke functie is onderzoek verricht conform het in 2018 geldende Vleermuisprotocol 2017. De veldbezoeken zijn gericht op het al dan niet vaststellen van deze functies in het plangebied. Hieronder wordt de methodiek per functie uiteengezet. Zomer- en kraamverblijfplaatsen In de periode 15 mei - 15 juli 2018 is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van zomeren kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. De inventarisaties in deze periode bestonden uit vier (geclusterde) rondes, waarvan er twee in de vroege ochtend vanaf circa twee uur voor zonsopkomst zijn uitgevoerd. De overige twee rondes hebben 's avonds plaatsgevonden vanaf zonsondergang. Zwermplaatsen In de periode 1 augustus – 10 september 2018 zijn de woningen onderzocht op zwermende dieren in het kader van winterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze inventarisatie bestaat uit twee rondes van vier uur vanaf middernacht. Hiervan zijn alle rondes gecombineerd uitgevoerd met het onderzoek naar paarverblijven van vleermuizen.
Paarverblijfplaatsen In de periode 1 augustus - 15 september 2018 zijn drie (geclusterde) inventarisaties van twee uur uitgevoerd, teneinde paarverblijfplaatsen vast te stellen dan wel uit te sluiten. Hiervan zijn alle rondes gecombineerd uitgevoerd worden met het onderzoek naar zwermplaatsen van vleermuizen. Vliegroutes en foerageergebied De inventarisaties naar vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen zijn simultaan met de overige vleermuisinventarisaties uitgevoerd. Hierbij zijn de aanwezige vliegroutes en/of foerageergebieden op kaart ingetekend.
Blad 18
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Verblijfplaatsen/zwermgedrag Vleermuizen gebruiken gedurende het jaar meerdere typen voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen. Dit zijn zomerverblijfplaatsen, winterverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen en paarverblijfplaatsen. Het zwermgedrag is gedrag dat veel vleermuissoorten vertonen voordat zij een verblijfplaats binnenvliegen en dat zich kenmerkt door het herhaaldelijk naderen (aanvliegen) van de toegang van de verblijfplaats zonder deze definitief te betreden. Een zwermlocatie is een locatie waar dieren in herfst of voorjaar zwermen (vaak bij of in winterverblijfplaatsen). Foerageergebied Gebied waarbinnen een soort foerageert. Een foerageergebied is van essentieel belang voor het functioneren van de verblijfplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om de eventuele aantasting ervan op te vangen. Bij het verdwijnen van essentieel foerageergebied komt de functionaliteit van de verblijfplaats in het geding. Vliegroutes Vaste route vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied, waarvan minimaal 5% van de in de verblijfplaats aanwezige individuen gebruik maakt.
Een vliegroute is essentieel wanneer er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de verblijfplaats het betreffende foerageergebied te bereiken dan wel dat er wel een alternatieve vliegroute is, maar het gebruik hiervan kost vergeleken met de originele vliegroute teveel energie (te ver omvliegen of te onbeschut). Paarterritoria Territorium waarbinnen een mannelijke vleermuis baltst en deze verdedigt tegen andere mannetjes. Binnen een paarterritorium ligt de paarverblijfplaats. Baltsroep Sociaal geluid (roep) dat mannelijke vleermuizen gedurende de paartijd produceren met de functie om vrouwtjes te lokken en andere mannetjes af te weren. De baltsroep kan bestaan uit een werfroep en contactroep. Baltslocatie Een locatie waar de functie baltsen is en geen paarterritoria of paarverblijfplaatsen worden waargenomen. Figuur 4.3. Overzicht functies vleermuizen binnen een gebied.
De inventarisaties met betrekking tot vleermuizen zijn met behulp van een zogenaamde batdetector uitgevoerd. Er is gewerkt met de Petersson D240X of een vergelijkbare detector. Dit apparaat vangt de ultrasone geluiden van vleermuizen op en maakt deze hoorbaar voor het menselijk gehoor. Daarnaast biedt het apparaat de mogelijkheid geluiden op te nemen voor analyse achteraf. Enkele soorten zijn namelijk zeer moeilijk te determineren in het veld en vereisen een controle met behulp van analyse-software. Onderzoekgebieden (deelgebieden) Tijdens het vleermuisonderzoek zijn verschillende delen van het plangebied onderzocht. In totaal hebben zes door Antea Group ingezette ecologen het onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Zodoende is het plangebied afdoende inzichtelijk onderzocht. De onderzoeklocaties in het plangebied zijn gekozen op basis van de biotoopeisen van vleermuizen. Zo is geen onderzoek verricht op open velden en langs bomenrijen welke niet in het plan zijn opgenomen.
Blad 19
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Aangezien het onderzoek met zes onderzoekers is uitgevoerd was het niet ten alle tijden mogelijk om tegelijk in het veld aanwezig te zijn. Enkele onderzoeken zijn daarom uitgevoerd op verschillende data, doch altijd conform het geldende vleermuisprotocol. De deelgebieden zijn hieronder weergegeven in Figuur 4.4. De data waarop deze deelgebieden zijn bezocht, zijn weergegeven in Tabel 4.1.
1
2 6
3
4
5
Figuur
4.4.
Deelgebieden waar vleermuisonderzoek Bron ondergrond: Qgis.
is
verricht.
Bron:
Antea
Group,
2018.
Zoogdieren - Marterachtigen (steenmarter en kleine marterachtigen) Onderzoek naar de kleine marterachtigen en steenmarter is uitgevoerd op basis van de Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming (Bouwens, 2017). Het onderzoek naar de mogelijk aanwezige bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel heeft primair plaatsgevonden met behulp van een zogenaamde mostela en jigglers. In Figuur 4.5 is aangegeven op welke locaties in 2018 onderzoek is uitgevoerd. Dit zijn de locaties die geschikt biotoop bieden voor de soorten en/of waar zogeheten wissels (veel belopen dierenpaden) aanwezig zijn. In 2019 is aanvullend marteronderzoek uitgevoerd op de terreinen aan de westzijde en nabij de Ruitersdam. Mostela De mostela is een standaard cameraval welke in een behuizing met twee openingen geschikt voor marterachtigen is geplaatst. In de behuizing is vervolgens geurstof en lokvoer aangebracht. Deze cameraval is gedurende het optimale seizoen (maart – augustus) per locatie zes weken actief geweest waarbij de benodigde tijd is verdubbeld buiten het optimale seizoen. Dat wil zeggen dat de cameraval in de periode augustus – maart 12 weken actief is geweest.
Blad 20
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Jiggler De jiggler is een cameraval, welke gericht staat op een thee-ei, welke bevestigd is aan een stevig ijzerdraad. In het thee-ei is een lokstof van sardientjes geplaatst. Deze cameraval is per locatie zes weken actief geweest waarbij de benodigde tijd is verdubbeld buiten het optimale seizoen (maart – augustus). Tijdens de overige inventarisaties is specifiek gelet op sporen, prooiresten en individuen van prooidiersoorten voor de marterachtigen. Het onderzoek naar marterachtigen heeft plaatsgevonden in de periode 6 juli – 21 december 2018.
Onderzoekgebieden voor het soortgericht onderzoek naar marterachtigen Locatie van een marterbox (Mostela) Locatie van een wildcamera met lokstof (Jiggler) Figuur 4.5. Overzicht onderzochte locaties in 2018 ten behoeve van onderzoek naar marterachtigen.
Amfibieën Binnen het plangebied werden verschillende beschermde amfibiesoorten verwacht. In het plangebied is gewerkt conform de geldende inventarisatieprotocollen van RAVON (Groeneveld et al., 2011) en het protocol van BIJ12 (voor de poelkikker). In Figuur 4.6 zijn de onderzoekgebieden voor het soortgericht amfibieënonderzoek weergegeven. De poelkikker en de alpenwatersalamander werden in het gebied verwacht. In het hiernavolgende is de methodiek per soort uiteengezet.
Blad 21
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Figuur 4.6. Overzicht onderzochte locaties ten behoeve van het amfibieënonderzoek. (bron: Antea Group, 2018, bron grens: Gemeenschappelijke Regeling, 2018, bron ondergrond: Globespotter)
Poelkikker De beste methode om poelkikkers te inventariseren is op basis van kooractiviteit bij het voortplantingswater (zie ook hieronder de toelichting van deze methode). De meest geschikte maanden hiervoor zijn mei en juni. Vooral ’s avonds, als het niet te koud is, vindt in die maanden kooractiviteit plaats, maar ook overdag op warme, zonnige dagen. Tijdens twee avondbezoeken, in de goede tijd en onder goede weersomstandigheden, is het plangebied geïnventariseerd op de aanwezigheid van poelkikkers. Daarnaast is eenmaal op een geschikte dag volwassen dieren geïnventariseerd (o.a. kooractiviteit, plonzen in het water) door middel van vangen met behulp van een schepnet. Vangen (en weer vrijlaten) van volwassen dieren is uitgevoerd in de periode van half april tot en met juni 2018 (BIJ12, 2017a). Alpenwatersalamander De beste methode om alpenwatersalamanders te inventariseren is door de dieren te vangen (en los te laten) gedurende de waterfase (periode: april – eind mei). De dieren verblijven in deze periode in het water en zijn bezig met baltsen en het afzetten van eieren. Later in het jaar (junijuli) is geschept naar larven. De dieren zijn geïnventariseerd met behulp van een schepnet.
Toelichting methodieken Kooractiviteit Tijdens het luisteren naar kooractiviteit is langs het gehele traject op circa elke 50 meter, minimaal vijf minuten stilgestaan om te luisteren naar kooractiviteit. Er is bewust gekozen voor deze methode, omdat het plangebied op enkele locaties langs druk bereden wegen is gelegen. Door geluidsoverlast van weggebruikers en werk op het platteland, was het niet altijd mogelijk om dieren direct te horen.
Blad 22
Natuurtoets Regionaal Bedrijventerrein Heesch West projectnummer 0419174.300 25 mei 2021 definitief Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West
Scheppen met een RAVON-net Voor het vangen van dieren is de schepmethode met een RAVON-net ingezet waarbij het net naar het midden van het water wordt uitgegooid en vervolgens over de bodem, naar de onderzoeker toe, naar de kant wordt getrokken. Op deze wijze worden ook veel andere dieren gevangen, welke een bijdrage kunnen leveren aan de indruk op de kwaliteit van het water. Na inventarisatie zijn de dieren weer vrijgelaten in het water. Zoeken naar ei-afzet Tijdens de veldbezoeken is ook gezocht naar ei klompen. Hiervoor is langs de waterkant in het water gekeken, vaak met behulp met een zaklamp om extra zicht te creëren. Vissen Binnen het plangebied werd de grote modderkruiper verwacht. Voor deze soort is gewerkt conform de geldende inventarisatieprotocollen van RAVON. De meest effectieve methode om grote modderkruipers vast te stellen is met behulp van eDNA. eDNA bemonstering Er zijn 20 subsamples genomen over een traject van 50-100 meter of rondom een te bemonsteren waterlichaam. Deze 20 subsamples zijn vervolgens gemengd in een steriele samplingzak. Vanuit deze samplingzak is een sample van 90 mL genomen, dat wordt verdeeld over 6 buizen die tot twee derde gevuld zijn met alcohol en een buffer. De buizen zijn vervolgens geanalyseerd in het laboratorium (Datura, 2018).