Bijlage 1 3 Bijlagen deel 3 bij Toelichting ontwerpbestemmingsplan Heesch West A
Tekst van het document
Op bijna 500 m ten noorden van het oostelijke deel van het plangebied is in 2010 door Becker en Van de Graaf een archeologisch booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 44357). Bij dit onderzoek zijn een intact esdek, een vuurstenen kling uit het mesolithicum en aardewerkfragmenten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen (ARCHIS-waarnemingsnr. 426763). is Op basis van dit onderzoek is een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen, dat in 2011 is uitgevoerd. Bij dit onderzoek zijn eveneens aardewerkfragmenten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd gevonden (ARCHIS-waarnemingsnr. 429987 en 433464). Het terrein bleek echter minstens 53
Miedema 2012. Mostert 2012 (concept). 55 Dans Easy, ARCHIS II. 56 Buesink 2008. 54
27
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
een halve meter te zijn afgegraven, waardoor er geen sporen zijn aangetroffen 57 (onderzoeksmeldingsnr. 48822). Aan de noord- en zuidzijde van het oostelijke deel van het plangebied zijn diverse waarnemingen en onderzoeken bekend. In het gebied zijn door particulieren vuurstenen artefacten uit het mesolithicum (ARCHIS-waarnemingsnr. 14272) en aardewerkfragmenten uit de middeleeuwen (ARCHIS-waarnemingsnr. 14272, 14273, 14274, 14276, 14278, 14290, 14294, 14640, 17211) en de nieuwe tijd (ARCHIS-waarnemingsnr. 14286 en 14290) gevonden. Tevens zijn grote hoeveelheden aardewerkfragmenten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd (ARCHISwaarnemingsnr. 14273, 14274, 14276, 14278, 14294, 17211, 39249, 39250 en 410111) aangetroffen. Er wordt tevens melding gemaakt van nederzettingssporen uit de ijzertijd (ARCHIS-waarnemingsnr. 36050). Van veel van deze waarnemingen is de exacte vondstlocatie niet bekend. Op circa 300 m ten zuiden van het plangebied zijn twee archeologische booronderzoeken uitgevoerd. In 2007 heeft RAAP in het gebied gooreerdgronden aangetroffen, die waren afgedekt met een ophoogpakket dat vermoedelijk is aangebracht om de natte bodem te verbeteren. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, waardoor is besloten geen vervolgonderzoek te adviseren (onderzoeksmeldingsnr. 22170).
Ook bij een naastgelegen booronderzoek dat in 2009 door Synthegra is uitgevoerd is geen vervolgonderzoek aanbevolen (onderzoeksmeldingsnr. 36596). Op 200 m ten zuidoosten is in 2011 door IDDS Archeologie een booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 47245). Bij dit onderzoek bleek dat de top van het dekzand is verstoord door verploeging of afgraving. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, waardoor is besloten geen 58 vervolgonderzoek te adviseren. Op 150 m ten noorden van het plangebied is in 2006 door BILAN een archeologisch booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 18780). Bij dit onderzoek werden intacte laarpodzolgronden aangetroffen met vuursteenartefacten uit het mesolithicum en aardewerkfragmenten uit de middeleeuwen (ARCHIS-waarnemingsnr. 425389). Derhalve is geadviseerd nader onderzoek uit te voeren.
2.3.4 Historische-geografie en bouwhistorie Evenals voor archeologische waarden zijn ook voor de cultuurhistorische waarden die aanwezig zijn in het landschap op verschillende niveaus kenmerken- en waardenkaarten opgesteld. Op landelijk niveau zijn bouwhistorische kenmerken inzichtelijk gemaakt via de Atlasleefomgeving. Op provinciaal niveau is in 2006 de CultuurHistorische Waardenkaart opgesteld, die in 2010 is herzien. Op deze kaart zijn de erfgoedwaarden van Noord-Brabant inzichtelijk gemaakt, waarbij het provinciaal cultuurhistorisch belang een belangrijke rol speelt. Met de aanduiding van cultuurhistorische landschappen wordt aangegeven wat de meest waardevolle gebieden van Brabant zijn en welke ontwikkeling de provincie hier voorziet. De meest kenmerkende gebieden van de cultuurhistorische landschappen zijn gekarteerd als de zogenaamde cultuurhistorische vlakken. Het plangebied behoort niet tot een gebied met een bijzondere cultuurhistorische waarde.
57 58
Van den Bos 2012. Koekkelkoren & Moerman 2011. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
28
Volgens deze kaarten bevinden zich in het plangebied geen waardevolle panden met een vastgestelde waarde (zoals rijksmonumenten, gemeentelijke 59 60 monumenten of MIP -panden). In het nieuwe bestemmingsplan zijn echter wel twee panden aan de Koksteeg aangeduid als een gebied met een cultuurhistorische waarde vanwege een aanduiding als gemeentelijk 61 monument. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn een aantal oude wegen in en rond het plangebied, waaronder het oude tracé van de A59, de Koksteeg, de Weerscheut, de Nieuwe Weerscheut, de Rijckevorselweg, de Raktstraat, de Zoggelsestraat en de Achterste Groes, aangeduid als historisch geografische lijnen van redelijk hoge waarde. 62
In bijlage 7 zijn de oude wegen, waterlopen en erven , die nu nog herkenbaar zijn in het landschap, weergegeven.
2.4 Archeologische verwachting Het plangebied ligt op de overgang van een grote noordoost-zuidwest georiënteerde dekzandrug naar een laag gelegen dekzandvlakte met daarin een kleinere dekzandrug. De hogere gronden waren in het verleden in gebruik als bouwlanden, terwijl in de dekzandvlakte een onontgonnen heidegebied en relatief jonge ontginningen lagen. De hogere gronden vormden van oudsher aantrekkelijke vestigingslocaties. Van de dekzandruggen zijn in de directe omgeving van het plangebied archeologische resten bekend, die dateren uit het mesolithicum en de bronstijd tot en met de nieuwe tijd. Van de lagere gronden zijn tot op heden geen archeologische vondsten bekend. Vermoedelijk waren deze gronden vanwege de vochtige omstandigheden minder geschikt voor permanente bewoning. Er heeft hier echter in de directe omgeving van het plangebied geen systematisch archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Pas met de ontginning van het gebied aan (vermoedelijk) het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw zijn ook in dit gebied boerderijen gebouwd. In en rond het plangebied hebben in het verleden op diverse locaties ontgrondingen plaatsgevonden. Het is echter niet altijd even duidelijk of ontgrondingsvergunningen in het plangebied daadwerkelijk ook zijn uitgevoerd.
Tegelijkertijd zijn elders in het plangebied op basis van het hoogteverloop verdachte locaties aan te merken waarvoor geen ontgrondingsvergunningen zijn uitgegeven. Op basis van verwachte verstoringen en de landschappelijke situatie is aan de hogere ruggen in het plangebied een hoge verwachting toegekend voor archeologische waarden (vuursteenvindplaatsen, nederzettingsresten en sporen van begraving) uit het laatpaleolithicum tot en met de middeleeuwen. Voor de vlakte geldt een lage verwachting (zie bijlage 8). Van de gebieden met een hoge verwachting waar mogelijk een ontgronding of een diepe ontgraving voor een sanering heeft plaatsgevonden wordt de verwachting bijgesteld naar 63 middelhoog. Aan de erven uit het begin van de negentiende eeuw is een hoge
59
Monumenten Inventarisatie Project (MIP). CHW 2010, Atlasleefomgeving 2013, Gemeentelijke monumenten Maasdonk, Monumentenlijst Bernheze d.d. 04-06-2012. 61 Schriftelijke mededeling dhr. C. van de Kreeke, 8 maart 2013. 62 Gebaseerd op de kadastrale kaart 1811-1832. 63 Een aantal van deze gebieden heeft op de gemeentelijke verwachtingskaarten geen verwachting gekregen. Op basis van een bureauonderzoek is de bodemgesteldheid echter 60
29
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
verwachting toegekend voor archeologische waarden (nederzettingsresten) uit de nieuwe tijd en mogelijk de late middeleeuwen. Aan de reeds onderzochte gebieden is geen archeologische verwachting toegekend. Om deze archeologische verwachting te toetsen wordt een verkennend booronderzoek in de gebieden met een (middel)hoge verwachting uitgevoerd (zie bijlage 8). Hoewel niet uit te sluiten is dat in de gebieden met een lage verwachting archeologische waarden aanwezig zijn, zal hier, conform het gemeentelijk beleid, geen nader onderzoek plaatsvinden. Een deel van de gebieden met een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit de nieuwe tijd valt buiten het gebied waar volgens het gemeentelijk beleid archeologisch onderzoek verplicht is (paarse omlijning; bijlage 8). Een deel van deze erven zal relatief jong zijn (late achttiende, begin negentiende eeuw), waardoor ze archeologisch minder relevant zijn. Van een ander deel van de erven, met name degene die op de rand van de dekzandruggen liggen, is niet uit te sluiten dat ze een oudere oorsprong hebben. Op deze erven is een booronderzoek echter niet zinvol omdat de archeologische sporen een sterke mate van bodemverstoring met zich meebrengen. Derhalve wordt in deze fase van het onderzoek hier geen veldonderzoek uitgevoerd.
niet met zekerheid vast te stellen en is niet uit te sluiten dat hier, ondanks dat een ontgrondingsvergunning is afgegeven, toch nog een intacte bodem aanwezig is. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
30
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1 Werkwijze Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het bureauonderzoek. Hierbij is de tijdens het bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting in het veld getoetst. Bij het inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) is het plangebied Heesch-West onderzocht op de geomorfologische, geologische en bodemkundige karakteristieken. Ook geeft het booronderzoek informatie over het intact zijn van de bodem en daarmee informatie over de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. Vanwege het ontbreken van betredingstoestemming, de aanwezigheid van ondoordringbare (asfalt- en puin)lagen en de aanwezigheid van hekwerken is circa 60% van het totale gebied met een (middel)hoge verwachting, uitgezonderd de zones met een hoge verwachting op oude erven, niet onderzocht (zie bijlage 9). De boorresultaten van de omringende percelen/gebieden zijn geëxtrapoleerd om zodoende ook een globale uitspraak te kunnen geven over de bodemopbouw ter hoogte van de niet onderzochte gebieden. Op de oude erven gelegen buiten de (flanken van de) hogere ruggen is geen booronderzoek uitgevoerd. Archeologische sporen op oude erven, zoals muurresten, uitbraaksleuven, waterputten en funderingen, worden namelijk gekenmerkt door een sterke mate van bodemverstoring.
Een verkennend booronderzoek is derhalve niet de geschikte methode om de behoudenswaardigheid van eventuele sporen in beeld te brengen. Om inzicht te verkrijgen in de geologische en bodemkundige opbouw van de gebieden zijn gemiddeld zes boringen per hectare verricht met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. In de te onderzoeken gebieden binnen het plangebied zijn zo 68 boringen geplaatst. De boringen zijn uitgevoerd tot maximaal 2,20 m –mv (beneden het maaiveld). Ter plekke van enkele akkers was de vondstzichtbaarheid matig tot goed. Op deze percelen heeft inspectie van het maaiveld plaatsgevonden. De inspectie hield in dat het maaiveld tussen de te plaatsen boorpunten op eventueel aanwezige archeologische indicatoren is onderzocht. Ter plekke van de bebouwde, de met gras begroeide en de beboste percelen is de vondstzichtbaarheid ter plaatse zeer gering. Een oppervlaktekartering is in deze percelen derhalve niet uitgevoerd. Wel zijn eventueel aanwezige molshopen en slootkanten geïnspecteerd. De locaties van de boringen zijn ingemeten met GPS, waarbij de afwijking circa 2 meter bedraagt. De hoogteligging ten opzichte van NAP is uit het Actueel 64 Hoogtebestand Nederland gehaald.
64
31
AHN 2013. Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
Hoewel het verkennende onderzoek niet specifiek is gericht op het opsporen van archeologische indicatoren is wel op de aanwezigheid daarvan gelet. De bodemlagen zijn met de hand en op het oog onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Archeologische indicatoren (bv. aardewerk, huttenleem, vuursteen, metaal, houtskool en al dan niet verbrand bot) kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse of in de nabijheid van de boring met indicator. De bodemlagen zijn 65 66 lithologisch en bodemkundig beschreven. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden op 5 en 6 november 2013. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het veldonderzoek beschreven. De locaties van de boringen staan weergegeven op de boorpuntenkaart (bijlage 9). De maaiveldhoogte (in meters t.o.v. NAP) is per boring vermeld in de boorstaten (bijlage 10). Het aangetroffen vondstmateriaal staat weergegeven in bijlage 11. Een visueel overzicht van de conclusies van dit onderzoek is als verwachtingskaart te vinden in bijlage 12. Voor een overzicht van de gehanteerde begrippen wordt verwezen naar de begrippenlijst (bijlage 13).
3.2 Veldwaarnemingen Noordwestelijke deel Het onderzochte gebied in het noordwestelijke deel van het plangebied ligt ingebed tussen de Bosschebaan in het noorden, de Weerscheut in het westen en de Koksteeg in het oosten. Langs de wegen staan enkele bebouwde percelen (fig. 3.1a). Daarnaast is dit gedeelte van het plangebied in gebruik als paardenweide en als akker (fig. 3.1b). De rest van het noordwestelijke deel is in gebruik als akker (fig. 3.1 c en d).
65 66
NEN 1989. De Bakker en Schelling 1989. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
32
Figuur 3.1a (foto linksboven): Zicht op bebouwing op de hoek van de Koksteeg en de Bosschebaan genomen vanuit boring 20 kijkende in westelijke richting (d.d. 06-11-2013). Figuur 3.1b (foto rechtsboven): Zicht op de centraal gelegen akker in het noordwestelijke, onderzochte deel. De foto is genomen vanaf de Koksteeg kijkende in zuidwestelijke richting in de richting van de boringen 11 en 14 (d.d. 06-11-2013). Figuur 3.1c (foto linksonder): Zicht op akker genomen vanaf boring 123 in westelijke richting (d.d. 02-09-2014) Figuur 3.1d (foto rechtsonder): Zicht op de akker genomen vanaf de Koksteeg, richting boring 115 en verder (d.d. 02-09-2014).
Binnen het noordwestelijke deel van het plangebied is weinig reliëfverschil waarneembaar. Dit gedeelte van het plangebied ligt tussen 5,3 en 5,8 m +NAP. Wel liggen de historische wegen en de omringende bebouwde percelen hoger in het landschap dan de grootschalig ontgonnen en verkavelde akkers en graslanden.
Zuidoostelijke deel Het onderzochte gebied in het zuidoostelijke deel van het plangebied ligt globaal gezien tussen de Koksteeg in het westen, ten noorden en ten westen van de Zoggelsestraat en ten zuiden van de Raktstraat. Aan de Zoggelsestraat staan enkele bebouwde percelen, waaronder een (voormalig) nertsenbedrijf en een kleine boerderij (fig. 3.2a). Ter hoogte van de boringen 28 tot en met 31 ligt ook een bebouwd perceel. Het overige landgebruik bestaat uit akkers, een paardenweide en een verwilderde bosstrook (fig. 3.2b).
Figuur 3.2a (foto linksboven): Zicht op een bebouwd perceel aan de Zoggelsestraat genomen vanaf boring 25 kijkende in zuidelijke richting (d.d. 05-11-2013). Figuur 3.2b (foto rechtsboven): Zicht op een grootschalig akkergebied genomen vanaf boring 25 kijkende in oostelijke richting. Op de achtergrond is de verwilderde bosstrook zichtbaar (d.d. 05-11-2013). Figuur 3.2c (foto linksonder): Zicht op akker genomen vanaf boring 135 richting boring 136 (d.d. 02-09-2014). Figuur 3.2d (foto rechtsonder): Zicht op de akker genomen vanaf boring 143, richting boring 151 (d.d. 02-09-2014).
33
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
Het onderzochte gebied ligt relatief hoog in het landschap vergeleken met de westelijk en noordelijk gelegen niet onderzochte gebieden (tussen 6 en 6,5 m +NAP). Binnen het onderzochte gebied zelf liggen de bebouwde erven relatief hoog in het landschap. De hogere ligging kan worden gerelateerd worden aan de jarenlange woningbouw ter plekke van deze erven.
Noordoostelijke deel Het onderzochte gebied in het noordoostelijke deel van het plangebied ligt ten opzichte van de rest van het plangebied relatief hoog gelegen (tussen 6,1 en 6,9 m +NAP). Het noordoostelijke deel ligt ingebed tussen de A59 in het noorden en de Bosschebaan in het zuiden. Het landgebruik is divers te noemen. Ter hoogte van de boringen 61 en 62 was het plangebied in gebruik als hondentrimbaan, ter hoogte van de boringen 63, 64 en 65 als braakliggend terrein (fig. 3.3a), ter hoogte van boring 66 als industrieterrein, ter hoogte van de boringen 67,68, 69, 70 en 71 als akker en braakliggend terrein.
Figuur 3.3a (foto links): Overzichtsfoto van het braakliggende terrein ter hoogte van boring 61 (d.d. 06-11-2013). Figuur 3.3b (foto rechts): Overzichtsfoto van het braakliggende terrein ter hoogte van boring 69 kijkende in oostelijke richting (d.d. 06-11-2013).
Ter plekke van boring 61 lijkt het gebied te zijn vergraven vanwege het sterk geaccidenteerde oppervlak. Ter hoogte van de boringen 69 en 70 treedt stagnatie van oppervlaktewater op. Mogelijk heeft dit gedeelte van het plangebied te maken met wijstgronden, natte gronden die voorkomen rondom de Peelrandbreuk.
3.3 Verkennend booronderzoek Lithologisch gezien bestaat de C-horizont in het gehele gebied uit een opeenvolging van matig grof tot uiterst grof, licht(bruin)grijs tot grijsoranje, niet tot zwak lemig, zwak tot matig siltig, slecht gesorteerd zand. In circa 50% van de boringen, veelal gelegen op de hogere delen binnen het plangebied, wordt het slecht gesorteerde zand afgedekt door beter gesorteerd, matig siltig, lichtgeel tot geeloranje, matig fijn tot grof zand. Op basis van bekende geologische gegevens en lithologische eigenschappen kan worden geïnterpreteerd dat het hier om afzettingen behorende tot de Formatie 67 van Boxtel gaat. De grote lithologische variatie van het slecht gesorteerde zand duidt op afzettingen door water en wind op microschaal. Het betreft zogenaamde fluvioperiglaciale afzettingen die tijdens sneeuwsmelt gedurende het Weichselien op grote schaal ten westen van de Peelrandbreuk zijn afgezet. Tijdens het Laat-Glaciaal is vervolgens goed gesorteerd dekzand afgezet, die daarbij de hoger gelegen ruggen in het landschap heeft gevormd. Het ontbreken 67
De Mulder et al. 2003. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
34
van dekzand in circa 40% van de boringen op deze hoger gelegen ruggen duidt op aftopping/verstoring.
Noordwestelijke deel In het noordwestelijke deel bestaat de bodemopbouw hoofdzakelijk uit een 20 tot 45 cm dik, veelal zwak tot matig humeus, matig siltig, grijsbruin tot (donker)bruingrijs, matig grof zandpakket. Het betreft hier de bouwvoor (Aphorizont), die óf middels een scherpe grens overgaat in de C-horizont bestaande uit matig siltig, matig tot zeer grof zand óf middels een scherpe grens overgaat in een (donker)grijsgele, verploegde, gevlekte AC-menglaag (fig. 3.4).
Figuur 3.4 Gedetailleerde bodemprofielkaart geprojecteerd op het AHN.
Bij dit laatste bodemtype is de top van de C-horizont vermengd met de bovengelegen (opgehoogde) zwarte grond. Bij beide bodemtypes zijn, in tegenstelling tot de bodem ter plekke van boring 1, geen bodemhorizonten (E-, B(hs)- en/of BC-horizonten) behorende bij een podzolbodem aangetroffen. Beide bodemtypes kunnen worden geclassificeerd als afgetopte podzolbodems of nattere gooreerdgronden zonder duidelijke podzolisatie. In boring 1, die geplaatst is in een tuin op een bebouwd kavel, werd nog wel een duidelijk ontwikkelde humuspodzolbodem aangetroffen. De humuspodzol is aangetroffen in de top van het dekzand vanaf 25 cm –mv (5,5 m +NAP) en wordt gekenmerkt door een donkerbruine Bhs(humus- en ijzerinspoelings)-horizont, overgaande in een oranjebruine Bs(ijzerinspoelings)-horizont, overgaande in een bruingele BC-uitspoelingshorizont waaronder grof fluvioperiglaciaal zand voorkomt. Boring 1 is echter de enige locatie binnen het plangebied waar een nog compleet intacte podzolbodem is aangetroffen. Ter hoogte van boring 3 heeft het afdekkende humeuze dek een dikte van 50 cm (of meer). In dit geval is er bodemkundig sprake van een enkeerdgrond met een bijbehorende door de mens opgehoogd, humeus dek. In dit gedeelte van het plangebied is alleen ter hoogte van boring 3 sprake van een zogenaamde enkeerdgrond.
Het losse karakter van het afdekkende sediment in combinatie met de aanwezigheid van wortels en recent materiaal (plastic, aardewerk etc.) sluit de aanwezigheid van een esdek uit. Er is in dit geval waarschijnlijk sprake 35
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
van het recent opbrengen van mest ten behoeve van de bodemvruchtbaarheid van de aanwezige akker. De geplande boringen 4, 17, 21, 22 en 23 zijn komen te vervallen. De eerste twee vanwege de aanwezigheid van een erfverharding, waardoor hier geen handmatige boringen konden worden geplaatst. De laatste twee lagen in een perceel waaromheen een groot hek aanwezig was. Samenvattend is de bodem ter plekke van het noordwestelijke deel van het plangebied grotendeels afgetopt/vergraven tot in de C-horizont van de onderliggende eolische- en/of fluvioperiglaciale afzettingen. De aftopping van het oorspronkelijke reliëf is vermoedelijk het gevolg van de relatief jonge ontginningen ter plaatse van dit deel van het plangebied. De diepere e e verstoringen zijn vermoedelijk het gevolg van de 19 /20 eeuwse uitbreiding van de bebouwde percelen en bijbehorende bouw-, infrastructurele en egalisatiewerkzaamheden.
Zuidoostelijke deel In het zuidoostelijke deel wordt de bodemopbouw gekenmerkt door enerzijds, sterk opgehoogde, voormalige (boeren)erven op de hogere zandgronden en anderzijds door grootschalig, ontgonnen, voormalige natte heidegebieden met bijbehorende AC-profielen (fig. 3.5). Ter hoogte van de boringen 24, 25, 26, 27, 35, 36, 37 en 38 bestaat de bodemopbouw uit een 50 tot 100 cm dik pakket, matig siltig, matig humeus, (donker)bruingrijs, matig grof zand, waaronder veelal matig grof dekzand wordt aangetroffen. In het humeuze dek zijn in de boringen 27 en 37 diverse fragmenten (bouw)puin aangetroffen. Deze fragmenten zijn hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de voormalige bebouwing ter plaatse (zie bijlagen 3 en 8). In het afdekkende humeuze dek is lithologisch geen onderscheid waarneembaar. Vanwege de bekende historische gegevens, de egaal (donker)bruingrijze kleur en het aanwezige archeologische bouwpuin in het humeuze dek wordt verondersteld dat het hier om een esdek gaat. Ter hoogte van het bebouwde terrein aan de Raktstraat bestaat de bodemopbouw uit een 40 tot 60 cm dik, humeus, donkerbruin tot donkergrijs zanddek (Aa-horizont), waaronder dekzand voorkomt (C-horizont). Onder dit humeuze dek is in boring 30 een 105 cm dik pakket, donkergrijs, matig humeus, matig siltig zand aangetroffen, waarin mortel voorkomt (bijlage 10).
Mogelijk betreft het hier een gedempte (water)put. Ter plekke van boring 29 is het humeuze dek sterk gevlekt vanwege de ligging van deze boring tussen twee schuren in. Het betreft hier een plaatselijke verstoring van het bodemprofiel.
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
36
Figuur 3.5 Gedetailleerde bodemprofielkaart geprojecteerd op het AHN. Ter hoogte van boring 30 en nabij boring 39 zijn archeologische indicatoren aangetroffen.
De boringen 32, 33, 34, 39, 40 en 41 worden gekenmerkt door zogenaamde ACprofielen. Onder een 20 tot 40 cm dikke, egaal donkergrijze bouwvoor komt direct de C-horizont voor bestaande uit gelig dekzand op grover fluvioperiglaciaal zand. De top van het dekzand is in de boringen 34 en 39 licht vermengd (gemêleerd) en kan duiden op een (ouder) leefniveau. De aanwezigheid van dekzand duidt op een matig diepe aftopping. Ter hoogte van boring 39 zijn aan het oppervlak drie fragmenten roodbakkend, geglazuurd aardewerk uit de late middeleeuwen B tot en met de nieuwe tijd A (1250-1600 AD) aangetroffen en een groot fragment Steengoed uit de periode 1400 tot 1600 AD. Het betreft hier vermoedelijk nederzettingsafval/mestaardewerk behorende bij de boerenerven aan de Zoggelsestraat uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd. De bodems ten oosten van boring 40 ter hoogte van een akker en bosperceel vertonen vrijwel alle zogenaamde (recent opgehoogde) AC-profielen of diep verstoorde bodemprofielen. De A-horizont bestaat in deze boringen uit een 15 tot 85 cm dik, donker(geel)grijs, matig siltig, matig grof, egaal tot sterk vlekkerig zandpakket. De A-horizont ligt middels een scherpe grens op het onderliggende grijsgele tot (licht)bruingrijze sedimentpakket bestaande uit matig tot uiterst grof, matig tot uiterst siltig, veelal fluvioperiglaciale zand.
Op basis van de bodemopbouw kan worden geconcludeerd dat hier een pakket humeus zand is opgebracht. Dit humeuze zand is vermengd met het onderliggende zandpakket en vervolgens goed doorploegd vermoedelijk ter verbetering van de bewerkbaarheid en vruchtbaarheid van de oorspronkelijk tamelijk natte (gooreerd)bodem. Samenvattend bestaat de bodem ter plekke van en nabij de oude erven uit enkeerdgronden met een esdek dat dateert uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd. Ter hoogte van het bebouwde perceel aan de Rakststraat is in boring 30 mogelijk een archeologisch (sporen)niveau aangetroffen onder een tamelijk 37
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
recent humeus dek. Ten westen van boring 44 komen matig diep, afgetopte veldpodzolgronden voor. Ten oosten van boring 40 komen (recent opgehoogde) AC-profielen of diep verstoorde bodemprofielen voor.
Noordoostelijke deel In het noordoostelijke deel wordt de C-horizont gekenmerkt door veelal matig fijn tot zeer grof, slecht tot goed gesorteerd, (licht)bruingrijs tot geel zand. Het betreft hier een variatie van dekzand of fluvioperiglaciale afzettingen. Het voorkomen van dekzand is afhankelijk van de mate van aftopping van het oorspronkelijke leefoppervlak. In boring 71 komt veel roest voor bovenop het aanwezige dekzand. Hier is vermoedelijk sprake van wijstgronden.
Figuur 3.6 Gedetailleerde bodemprofielkaart geprojecteerd op het AHN.
Over het algemeen kan worden gesteld dat de bodem ter plekke van dit deel van het plangebied grotendeels verstoord/vergraven/opgehoogd is. De verstoringen zijn voornamelijk het gevolg van de bouw van bedrijven en industrie langs de A59. De verstoorde bovengrond bestaat voornamelijk uit puinrijk, gevlekt, matig humeus, grijsbruin tot (donker)grijsgeel zand. De basis wordt gevormd door een zeer scherpe grens naar het onderliggende (gele) zand. Ter hoogte van boring 71 bestaat de bodemopbouw uit een gooreerdgrond. Onder een 40 cm dikke humeuze bovengrond komt een roestrijke, oranjebruine Cg-horizont voor. Vanaf 70 cm –mv loopt dit roestrijke zand over in egaal (licht)geelgrijs dekzand. De roestvlekken zijn het resultaat van opwellend water dat in contact komt met zuurstof, waardoor ijzer neerslaat en een zogenaamde wijstgrond ontstaat. Het betreft over het algemeen tamelijk natte gronden (zie ook fig. 3.3b). Samenvattend is de bodemopbouw in dit gedeelte afgegraven tot ver in de Chorizont. Uitzondering hierop vormt het uiterst oostelijke deel, waar intacte gooreerdgronden voorkomen.
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
38
3.4 Veldwerk september 2014 Voor een groot deel van het plangebied was tijdens het oorspronkelijke veldwerk geen betredingstoestemming. Deze boringen zijn alsnog uitgevoerd in september 2014. In het noordwestelijk deel van het plangebied zijn de boringen 102 en 103 komen te vervallen wegens de ligging op het talud van de sloot. Boring 107 is komen te vervallen omdat hier geen betredingstoestemming was. Mogelijk moet deze boring in een later stadium nog worden geplaatst. Ten slotte is boring 114 komen te vervallen omdat deze ten noorden van de Bosschebaan gepland was, waar in eerste instantie geen werkzaamheden gepland zijn, waardoor dit deel van het plangebied niet verder onderzocht is. De boorpuntenkaart van deze tweede fase van het veldwerk is te vinden in bijlage 9 en de boorbeschrijvingen in bijlage 10. Hieronder volgt de beschrijving van het veldwerk van dit deel van het plangebied.
Noordwestelijke deel Boringen 100 t/m 130 liggen in het noordwestelijke deel van het plangebied. Over het algemeen bestond de (regelmatig geploegde) bouwvoor (Ap-horizont) in dit deel van het plangebied uit matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, matig grof zand. Deze laag is over het algemeen tussen de 10 en 50 cm dik. Hieronder is in het grootste deel van deze boringen direct de C-horizont met een scherpe overgang ten opzichte van de bouwvoor aangetroffen, die bestond uit matig siltig, geelgrijs, matig grof zand. Dit zand is geïnterpreteerd als verspoeld dekzand. Een uitzondering is boring 110, waar onder de A-horizont van 50 cm dikte een AC-menglaag is aangetroffen, die is geïnterpreteerd als een gebioturbeerde laag. Waarschijnlijk gaat het hier om een mollengang. Vanaf 60 cm –mv is de Chorizont aangetroffen. Boringen 105, 106, 111, 121 en 122 zijn direct naast de Bosschebaan of de Koksteeg geplaatst. De bodem is hier dieper verploegd dan in de overige boringen in dit deel van het plangebied, tot minstens 40 en tot maximaal 100 cm diepte. Hieronder is een verstoorde en zwak tot zeer sterk gevlekte AC-horizont aangetroffen, met matig siltig, lichtbruingrijs tot donkergrijs, matig grof zand. Vanaf minstens 55 en maximaal 120 cm –mv is de C-horizont aangetroffen, die hier eveneens uit verspoeld dekzand bestond.
Boringen 119 en 129 zijn in het veld geplaatst, maar hebben hetzelfde verstoorde profiel als de hierboven beschreven boringen (verploegde A-horizont, liggend op een zeer sterk gevlekte AC-horizont, liggend op de onverstoorde C-horizont). Het gaat hier waarschijnlijk om een plaatselijke verstoring, gezien de omringende boringen niet diep verstoord zijn. Ten slotte is in boringen 123 en 125 onder de verploegde A-horizont van respectievelijk 35 en 55 cm dikte een 55 cm dik pakket matig siltig, donkergrijs, matig grof zand met wat resten riet aangetroffen. Dit pakket is geïnterpreteerd als een slootvulling. Hieronder is de C-horizont weer aangetroffen. Samenvattend is de bodem ter plekke van de aanvullende boringen in het noordwestelijke deel van het plangebied grotendeels afgetopt/vergraven tot in de C-horizont. Deze afzettingen zijn ook aangetroffen in de boringen in dit deel van het plangebied die in 2013 geplaatst zijn. De aftopping van het oorspronkelijke reliëf is vermoedelijk het gevolg van de relatief jonge ontginningen ter plaatse van dit deel van het plangebied. De bodem betreft een afgetopte haar- of veldpodzolbodem of, waar het gebied te nat was voor podzolisatie, een goor- of beekeerdgrond.
Zuidwestelijke deel 39
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
Boringen 131 t/m 141 liggen in het zuidwestelijke deel van het plangebied. In dit deel van het plangebied bestaat de bodem over het algemeen uit een regelmatig geploegde A-horizont (bouwvoor) met matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, matig grof zand. De bouwvoor is tussen de 30 en 50 cm dik. Onder de A-horizont is in de meeste boringen direct de C-horizont met een scherpe overgang ten opzichte van de bouwvoor aangetroffen, die bestond uit matig siltig, geelgrijs, matig grof zand. Dit is geïnterpreteerd als verspoeld dekzand. In de bovenste 10 tot 25 cm van de C-horizont komen in een deel van de boringen nog enkele ijzervlekken voor als gevolg van een wisselende grondwaterstand. Boring 137 is afwijkend van de overige boringen, omdat hier onder de 30 cm dikke bouwvoor een zeer sterk gevlekte, verstoorde AC-menglaag is aangetroffen met matig siltig, donkergrijsgeel, matig grof zand. Vanaf 50 cm –mv is de Chorizont waargenomen. Ook boringen 138, 140 en 141 wijken af van de overige boringen. Onder de Ahorizont van 40 tot 50 cm dikte is een pakket aangetroffen, dat bestond uit sterk siltig, sterk humeus, donkergrijs, matig fijn zand. Het betreft een slootvulling of mogelijk een opgevulde depressie. Op een diepte van circa 80 cm –mv zijn in boring 141 enkele fragmentjes roodbakkend aardewerk en steengoed (Westerwald) gevonden.
Ten slotte is boring 139 nog afwijkend van de overige boringen. Onder de bouwvoor van 25 cm is hier een Bs-horizont aanwezig, die bestond uit matig siltig, donkeroranjebruin, matig grof zand. Op 50 cm –mv is een BC-horizont aangetroffen met matig siltig, bruingeel, matig grof zand, waarna op 75 cm –mv de C-horizont is aangeboord. Samenvattend kan vastgesteld worden dat dit deel van het plangebied voor het grootste deel uit AC-profielen bestaat. Alleen in boring 139 is nog een podzolprofiel aangetroffen, wat wijst op een (meer) intacte bodem. De bodem betreft een afgetopte haar- of veldpodzolbodem of, waar het gebied te nat was voor podzolisatie, een goor- of beekeerdgrond.
Zuidoostelijke deel In het zuidoostelijke deel van het plangebied zijn de boringen 142 t/m 157 gezet. In boringen 142, 143, 152, 153, 156 en 157 bestaat de bouwvoor over het algemeen uit een regelmatig geploegde A-horizont met matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, matig grof zand. De bouwvoor is tussen de 25 en 35 cm dik. In boring 157 zijn in de bouwvoor baksteenresten aangetroffen. Onder de A-horizont is in de meeste boringen direct de C-horizont met een scherpe overgang ten opzichte van de bouwvoor aangetroffen, die bestond uit matig siltig, geelgrijs tot lichtbruingrijs, matig grof zand. Dit is geïnterpreteerd als verspoeld dekzand. In boring 152 is onder de A-horizont een Bs-horizont aangetroffen, die bestond uit matig siltig, oranjebruin, matig grof zand. Op 40 cm –mv gaat deze over in een BC-horizont met matig siltig, bruingeel, matig grof zand. Op 55 cm –mv is dan de C-horizont in het verspoeld dekzand aangetroffen. In boringen 156 en 157 is onder de A-horizont een gevlekte en verstoorde ACmenglaag aangetroffen, die bestaat uit matig siltig, lichtbruingrijs, matig grof zand. Op respectievelijk 60 en 65 cm –mv is de C-horizont in het verspoeld dekzand aangetroffen. De boringen 144 t/m 151, 154 en 155 vertonen een afwijkende opbouw van de bodem in vergelijking met de zojuist beschreven boringen.
Onder de bouwvoor van 30 tot 40 cm dik bevindt zich een 10 tot 50 cm dik pakket van sterk siltig, donkergrijs, matig grof zand. Deze afzettingen zijn vanwege het sterk siltige karakter en de kleur geïnterpreteerd als beekafzettingen. Ook de C-horizont Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
40
(vanaf 50-90 cm –mv) is geïnterpreteerd als een beekafzetting. Deze bestaat uit sterk siltig, oranjegrijs, matig grof, slecht gesorteerd zand. Opvallend is dat bij de boringen uit 2013 ten oosten van boring 152 en ten westen van boring 157 enkeerdgronden zijn aangetroffen. Deze zijn niet in de huidige boringen aangetroffen. De huidige boringen liggen echter op een andere akker, die waarschijnlijk in het verleden niet in gebruik is geweest, waardoor er zich hier geen esdek gevormd heeft. De bodems op dit veld betreffen waarschijnlijk afgetopte haar- of veldpodzolbodems. De meeste noordelijke boringen in dit deel van het plangebied, boringen 144 t/m 151, 154 en 155, bevatten in plaats van het verspoeld dekzand, dat in het overige deel van het plangebied overal voorkomt, beekafzettingen in de ondergrond. Waarschijnlijk betreft het hier de oude loop van een beek.
3.5 Archeologische interpretatie Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de onderzochte delen van het plangebied grotendeels bestaan uit een veelal dun pakket (verspoeld) dekzand op fluvioperiglaciale afzettingen. Het dekzand komt alleen voor op de plekken die relatief hoog in het landschap liggen en waar weinig aftopping van het oorspronkelijke leefoppervlak heeft plaatsgevonden. In boring 1 is een (deel van een) humuspodzolbodem aangetroffen behorende bij een haarpodzolbodem. In de aanvullende boringen zijn in boringen 139 en 152 een (rest van een) podzolprofiel aangetroffen. In alle andere boringen zijn geen resten van een podzolbodem aangetroffen. Het oorspronkelijke leefniveau is vrijwel in het gehele onderzochte deel van het plangebied afgetopt tot in de Chorizont (afgetopte haar- of veldpodzolbodem) of het gebied was te nat voor podzolisatie (goor- of beekeerdgrond). Ter plekke van het gebied ten oosten van boring 40 en in vrijwel het gehele noordoostelijke deel van het plangebied is de bodem tot (ver) in de C-horizont verstoord geraakt. De verstoringen van het bodemprofiel in deze gebieden zijn hoofdzakelijk het gevolg van ontginnings-, egalisatie- en ontgrondingswerkzaamheden van het oorspronkelijk natte gebied. In de overige delen van het plangebied komen plaatselijk diepere verstoringen voor.
Deze diepere verstoringen zijn het gevolg van lokale bouwwerkzaamheden tijdens de e e 19 /20 eeuw. De gebieden met afgetopte veldpodzolbodems, gooreerdgronden en/of diep verstoorde bodemprofielen hebben een lage verwachting toegekend gekregen op de archeologische verwachtingskaart (bijlage 12). Ook de niet-onderzochte delen ter hoogte van de boringen 21, 22, 23, 61, 62 en 66 en ter hoogte van grote delen in het noordwestelijke deel van het plangebied hebben na extrapolatie van de boorgegevens een lage verwachting toegekend gekregen. Deze locaties liggen óf in een zone met grootschalige afgravingen óf in een gebied dat reeds van oudsher te nat moet zijn geweest voor permanente vestiging van de sedentair levende mens. Daarnaast is het oorspronkelijke leefoppervlak in vrijwel het gehele plangebied afgetopt als gevolg van ontginning van het oorspronkelijke natte heide- en bosgebied. Hierdoor kan de kans op het aantreffen van resten van tijdelijke vestigingsplekken van jagers en verzamelaars alsook die van sedentair levende mensen vanaf het neolithicum tot aan de vroege middeleeuwen binnen het plangebied worden verwaarloosd. In het zuidoostelijke deel van het plangebied zijn tenminste twee en mogelijk zelfs drie oude (boeren)erven aangeboord (bijlage 12). De bodem ter plekke van de oude erven bestaat uit enkeerdgronden met een esdek, waardoor eventueel 41
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
aanwezige archeologische resten nog goed bewaard zullen zijn. In de naastgelegen akkers komen AC-profielen voor. Het betreft hier matig diep, afgetopte veldpodzol- of intacte gooreerdgronden. Diepere grondsporen kunnen hier nog worden aangetroffen. Op basis van enkele archeologische indicatoren die zijn aangetroffen op deze akker worden ter plekke van en rondom de boerenerven, met uitzondering van het gedeelte van het gebied waar beekafzettingen voorkomen, archeologische resten verwacht vanaf de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd (A). De hoge verwachting uit het bureauonderzoek kan voor dit gedeelte van het plangebied gehandhaafd blijven (complextypen: boerderijen met erven; 8,64 ha). Binnen de zone worden funderings- en/of muurresten, kuilen, paalsporen, uitbraaksleuven, waterputten en landbouw gerelateerde sporen vanaf 20 cm –mv ter plekke van de akker en vanaf circa 40 cm-mv op de bebouwde percelen verwacht. In het gebied waar de beekafzettingen zijn aangetroffen is de kans op archeologische resten zeer klein. Voor dit deel van het gebied geldt dan ook een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Ter hoogte van het bebouwde perceel aan de Rakststraat is in boring 30 mogelijk een archeologisch (sporen)niveau aangetroffen onder een vermoedelijk recent humeus dek.
In dit archeologische sporenniveau is veel mortel aangetroffen tot een diepte van 165 cm –mv. Mogelijk betreft hier een voormalige waterput. Dit deel van het gebied heeft daarom een hoge archeologische verwachting. Voorafgaand aan het veldwerk was reeds bekend dat het gebied met een grotendeels hoge verwachting ten westen van de straat de “Weerscheut” vanwege het ontbreken van betredingstoestemming niet onderzocht kon worden. Ook in de aanvullende boringen is dit stuk niet onderzocht, omdat het ten noorden van de Bosschebaan ligt, waar vooralsnog geen werkzaamheden zullen worden uitgevoerd. De (middel)hoge verwachting uit het bureauonderzoek blijft hier (vooralsnog) gehandhaafd (bijlage 12). Het uiterst oostelijke deel van het plangebied, oostelijk van boring 71, heeft een middelhoge verwachting toegekend gekregen vanwege het feit dat hier de bodemopbouw nog niet geheel duidelijk is.
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
42
4
Conclusie en aanbevelingen
4.1 Conclusie en beantwoording onderzoeksvragen Hieronder volgt een beantwoording van de onderzoeksvragen zoals gesteld in 68 het PvA : Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Het plangebied ligt op de overgang van een grote noordoost-zuidwest georiënteerde dekzandrug naar een laag gelegen dekzandvlakte met daarin een kleinere dekzandrug. De hogere gronden waren in het verleden in gebruik als bouwlanden, terwijl in de dekzandvlakte een onontgonnen heidegebied en relatief jonge ontginningen lagen. De hogere gronden vormden van oudsher aantrekkelijke vestigingslocaties. Van de dekzandruggen zijn in de directe omgeving van het plangebied archeologische resten bekend, die dateren uit het mesolithicum en de bronstijd tot en met de nieuwe tijd. Van de lagere gronden zijn tot op heden geen archeologische vondsten bekend. Vermoedelijk waren deze gronden vanwege de vochtige omstandigheden minder geschikt voor permanente bewoning. Pas met de ontginning van het gebied aan (vermoedelijk) het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw zijn ook in dit gebied boerderijen gebouwd.
Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en zijn er gegevens bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Volgens de bodemkaart ligt het uiterste noordelijke deel van het plangebied op de zuidelijke rand van een groot gebied met hoge zwarte enkeerdgronden met afwisselend grondwatertrap VI en VII. In het centrale deel komt dit bodemtype voor in associatie met laarpodzolgronden (kaarteenheid cHn21) met grondwatertrap III/VII. Ten zuiden hiervan bevindt zich een gebied waar grotendeels beekeerdgronden (kaarteenheid pZg21) voorkomen met grondwatertrap III, III en IV. In het uiterste westelijke deel komen gooreerdgronden (kaarteenheid pZn21) voor met grondwatertrap IV. Ook in de buurt van het oostelijke deel van het plangebied komt dit bodemtype voor. In het zuidelijke deel van het plangebied bevindt zich een kleine zone met hoge zwarte enkeerdgronden (kaarteenheid zEZ21) en grondwatertrap VI. Aangrenzend bevinden zich laarpodzolgronden (kaarteenheid cHn21, grondwatertrap III en VI). Deze bodems gaan in het zuidwestelijke deel van het plangebied over in veldpodzolgronden (kaarteenheid Hn21, grondwatertrap III of V). In het uiterste zuidwestelijke deel raakt het plangebied aan een noordwestzuidoost georiënteerde strook waar moerige eerdgronden met een zanddek en moerige tussenlaag op zand voorkomen (kaarteenheid zWz).
Deze bodems hebben een hoge grondwaterstand (grondwatertrap II). 68
43
Van Putten en Merlidis 2012. Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
In en rond het plangebied hebben in het verleden op diverse locaties ontgrondingen plaatsgevonden. Het is echter niet altijd even duidelijk of ontgrondingsvergunningen in het plangebied daadwerkelijk ook zijn uitgevoerd, terwijl tegelijkertijd elders op basis van het hoogteverloop verdachte locaties zijn aan te merken. Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied? Op basis van verwachte verstoringen en de landschappelijke situatie op basis van de gemeentelijke verwachtingskaarten is aan de hogere ruggen in het plangebied een hoge verwachting toegekend voor archeologische waarden (vuursteenvindplaatsen, nederzettingsresten en sporen van begraving) uit het laat-paleolithicum tot en met de middeleeuwen. Voor de vlakte geldt een lage verwachting (zie bijlage 8). Van de gebieden met een hoge verwachting waar mogelijk een ontgronding of een diepe ontgraving voor een sanering heeft plaatsgevonden wordt de verwachting naar aanleiding van het bureauonderzoek bijgesteld naar middelhoog. Aan de erven uit het begin van de negentiende eeuw is een hoge verwachting toegekend voor archeologische waarden (nederzettingsresten) uit de nieuwe tijd en mogelijk de late middeleeuwen. Aan de gebieden die reeds voor het volledige onderhavige onderzoek (dus zowel het 2013 en 2014 gedeelte) al onderzocht waren, is geen archeologische verwachting toegekend.
Hoe is de bodemopbouw en is deze nog intact? Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de onderzochte delen van het plangebied grotendeels bestaan uit een veelal dun pakket (verspoeld) dekzand op fluvioperiglaciale afzettingen. Het dekzand komt alleen voor op de plekken die relatief hoog in het landschap liggen en waar weinig aftopping van het oorspronkelijke leefoppervlak heeft plaatsgevonden. In boringen 1, 139 en 152 is een (deel van een) humuspodzolbodem aangetroffen behorende bij een haarpodzolbodem. In alle andere boringen zijn geen resten van een podzolbodem aangetroffen. Het oorspronkelijke leefniveau is vrijwel in het gehele onderzochte deel van het plangebied afgetopt tot in de C-horizont (afgetopte haar- of veldpodzolbodem) of het gebied was te nat voor podzolisatie (goor- of beekeerdgrond). Ter plekke van het gebied ten oosten van boring 40 en in vrijwel het gehele noordoostelijke deel van het plangebied is de bodem tot (ver) in de C-horizont verstoord geraakt. De verstoringen van het bodemprofiel in deze gebieden zijn hoofdzakelijk het gevolg van ontginnings-, egalisatie- en ontgrondingswerkzaamheden van het oorspronkelijk natte gebied. In de overige delen van het plangebied komen plaatselijk diepere verstoringen voor. Deze diepere verstoringen zijn het gevolg van lokale bouwwerkzaamheden tijdens de e e 19 /20 eeuw.
In het zuidoostelijke deel van het plangebied zijn tenminste twee en mogelijk zelfs drie oude (boeren)erven aangeboord. De bodem ter plekke van de oude erven bestaat uit enkeerdgronden met een esdek, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten nog goed bewaard zullen zijn. In de naastgelegen akkers komen AC-profielen voor. Het betreft hier matig diep, afgetopte veldpodzol- of intacte gooreerdgronden. In de akker tussen deze drie (boeren)erven is op basis van het aanvullend booronderzoek duidelijk geworden dat hier geen fluvioperiglaciale afzettingen maar beekafzettingen voorkomen. In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm? e e In de gebieden met een (middel)hoge verwachting en ter hoogte van de 18 /19 eeuwse erven worden eventueel aanwezige archeologische resten bedreigd door Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
44
de voorgenomen ontwikkelingen en dient voorafgaand aan de werkzaamheden een aanvullend archeologisch onderzoek plaats te vinden. Voor de nietonderzochte gebieden met een (middel)hoge verwachting wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren. Voor het gebied met een hoge verwachting in het zuidelijke deel wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren, waarbij de nadruk dient te liggen op het karteren van eventueel aanwezige resten ter hoogte van de (voormalige) boerenerven. Voor de gebieden met een lage verwachting bestaat een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten “in situ”. Voor deze gebieden wordt geadviseerd geen nader vervolgonderzoek uit te voeren.
4.2 Aanbevelingen BAAC bv adviseert voor het gebied met een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (Bijlage 12; 7,0 ha). De tijdens onderhavig onderzoek niet-onderzochte gebieden met een (middel)hoge verwachting dienen nader onderzocht te worden door middel van een verkennend booronderzoek (Bijlage 12; 4,3 ha). Voor de gebieden met een lage verwachting bestaat een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten “in situ”. Voor deze gebieden wordt geadviseerd geen nader vervolgonderzoek uit te voeren (Bijlage 12; 16,3 ha). e e Voor de 18 /19 eeuwse boerenerven (paars gestippelde zones in bijlagen 8 en 12) dient een archeologische dubbelbestemming in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Ter plekke van deze gebieden geldt een hoge verwachting op het aantreffen van historische en archeologische resten uit de (late middeleeuwen en) nieuwe tijd. Bovenstaand advies dient beoordeeld te worden door de bevoegde overheid (gemeenten Maasdonk en Bernheze) en leidt tot een selectiebesluit. Dit advies betekent niet dat reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten.
Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC bv wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE) conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988.
45
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
46
5
Geraadpleegde bronnen Bakker, H. de & J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Staring Centrum, Wageningen. Barends, S. et al., 2010. Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Beijers, H. & G.J. van Bussel, 1996. Van d’n Aabeemd tot de Zwijnsput.
Toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500 in naamkundig en nederzettingshistorisch perspectief. Van Bussel Document Service. Berendsen, H.J.A., 2004. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. (Fysische geografie van Nederland). Assen: Koninklijke Van Gorcum. Bisschops, J.H., J.P. Broertjes & W. Dobma. 1985. Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Eindhoven West (51W). Haarlem; Rijks Geologische Dienst. Bos, P.A. van den, 2012. Kraaijenven, Geffen. Gemeente Maasdonk.
Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. B&G rapport 1310. IDDS Archeologie, Noordwijk. Buesink, A., 2008. Gemeente Maasdonk. Plangebied Rijksweg te Nuland. Archeologisch bureauonderzoek. BAAC rapport V-08.0167. BAAC bv, Deventer. Buesink, A., J. de Winter, H.M.M. Geerts & W. Bergman, 2011. Gemeente
Bernheze. Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. BAAC rapport V09.0195. BAAC bv, ’s-Hertogenbosch. Buitenhuis, A. et al., 1991. Geomorfologische gesteldheid van Midden en Oost Noord-Brabant. Rapport 121. Staring Centrum, Wageningen. Daele, B. van & R.J.M. van Genabeek, 2004. Maasdonk, Nuland, Poort van Den Bosch. Begeleiding en definitief onderzoek. BAAC rapport 03.139. BAAC bv, ’sHertogenbosch. Damoiseaux, J.H., 1982. Bodemkaart van Nederland. Schaal 1:50.000. Toelichting bij kaartblad 49 Oost Bergen op Zoom. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Dautzenberg, S., S.J. Kluiving. & C.. Witteveen, 2002. Aanvullende Archeologische
Inventarisatie (AAI). Heiduinen, Vinkel, Geffen, Nuland-Noord, Nuland-Zuid (Gemeente Maasdonk). BILAN-rapport 2002/12. BILAN, Tilburg.
47
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
Gemeente Maasdonk, 2010. Erfgoedverordening 2010. Te raadplegen via http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Maasdonk/7 2902/72902_1.html, 6 maart 2013. Gerritsen, F. en E. Rensink (red.), 2004. Beekdallandschappen in archeologisch perspectief. Een kwestie van onderzoek en monumentenzorg. Nederlandse Archeologische Rapporten 28. ROB, Amersfoort. Koekkelkoren, A.M.H.C. & S. Moerman, 2011. Broekhoek 44a – Cereslaan 6,
Heesch. Gemeente Bernheze. Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. B&G-rapport 1260. IDDS Archeologie, Noordwijk. Miedema, F.R.P.M., 2012. Nuland. Plangebied Bestemmingsplan Nuland Oost.
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC rapport V-12.0117. BAAC bv, Deventer. Mostert, M., 2012 (concept). Maasdonk – Nuland, bestemmingsplan Oost. Inventariserend onderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). BAAC bv, ’sHertogenbosch. Mulder, E.F.J., de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff bv, Groningen/Houten. Nederlands Centrum van Normalisatie, 1989. Classificatie van onverharde grondmonsters. NEN 5104. Delft. Polman, S.P. & J.A.M. Roymans, 2000. Rijksweg 59 Rosmalen-Geffen, provincie
Norod-Brabant. Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI). RAAPrapport 554. RAAP bv, Amsterdam. Putten, M.J. van & T. Merlidis, 2012. Onderzoeksvoorstel – Plan van Aanpak
Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) Plangebied Bedrijventerrein Heesch-West te Heesch. BAAC bv, ’sHertogenbosch. Roode, S. van, 2010. Archeologische verwachtingskaart Gemeente Maasdonk. Past2Present rapport 511. Past2Present, Woerden. SIKB, 2010. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.2. Structuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB), Gouda. Spek, T., 2004. Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch geografische studie. Matrijs, Utrecht. Teunissen van Manen, T.C., 1985. Bodemkaart van Nederland 1:50.000.
Toelichting bij de kaartbladen 50 Oost Tilburg en 51 West Eindhoven. Wageningen.
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
48
Geraadpleegde kaarten ANWB, 2004. Topografische atlas Noord-Brabant 1:25.000. ANWB, Den Haag Bodemkaart van Nederland 1:50.000, kaartblad 45 West ’s-Hertogenbosch (herzien) en 45 Oost ’s-Hertogenbosch. 1984 en 1976. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Bonneblad, No. 569 Driel, 570 Oss, 588 Rosmalen en 589 Nistelrode, 1868/1869/1870, 1899, 1907/1910/1913, 1922/1927/1928 en 1943/1949. http://watwaswaar.nl. Topographische en Militaire kaart 1836-1843, In: Caspers, T. & H. Stam, 2008.
Historische topografische Atlas Noord-Brabant ±1836-1843 schaal 1:25.000. Uitgeverij Nieuwland, Tilburg. CHW, 2010. Cultuurhistorische Waardenkaart, http://atlas.brabant.nl/, 7 maart 2013. Dienst van het kadaster en de openbare registers, 2013. Apeldoorn. Geologische overzichtskaart van Nederland, 2010. NITG-TNO. Te raadplegen via http://www.dinoloket.nl/. Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. Kaartblad 45 ‘-Hertogenbosch. 1983. Stichting voor Bodemkartering/ Rijks Geologische Dienst, Wageningen/Haarlem. Kadasterkaart (minuutplan en OAT), 1811-1832. http://watwaswaar.nl. Ontgrondingen 1950-1998. 2007. Provincie Noord-Brabant. Topografische kaart van Nederland. Kaartblad 45E, 1956, 1967, 1978, 1988 en 1991. http://watwaswaar.nl. Topografische Karte der Niederlande 1:50.000, 1942 en 1951, In: B.C. de Pater & B. Schoenmaker, 2005. Grote Atlas van Nederland 1930-1950. Zierkikzee/ Utrecht/ ’sGravenhage: Uitgeverij Asia Maior/Atlas Maior/ Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap/ Nederlands Instituut voor Militaire Historie.
Geraadpleegde websites AHN, Actueel Hoogtebestand Nederland. http://www.ahn.nl, 28 februari 2013. ARCHIS II, het registratie- en informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. http://archis2.archis.nl/archisii/html/index.html, 28 februari 2012. Atlasleefomgeving, https://www.atlasleefomgeving.nl/, 7 maart 2013. BAG-viewer, http://bagviewer.geodan.nl/index.html, 7 maart 2013. Bing Maps, http://www.bing.com/maps, 1 maart 2013.
49
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
Bodemloket, http://www.bodemloket.nl, 6 maart 2013. Dans Easy, https://easy.dans.knaw.nl/ui/home, 6 maart 2013. Gemeentelijke monumenten Maasdonk, http://www.maasdonk.nl, 7 maart 2013. Monumentenlijst Bernheze d.d. 04-06-2012, http://www.bernheze.org, 7 maart 2013.
Overige bronnen Gemeente Bernheze, telefonisch contact dhr. K. Hendriks, 12 maart 2013. Gemeente ’s-Hertogenbosch, schriftelijke mededeling dhr. C. van de Kreeke, 8 maart 2013. Gemeente Maasdonk, telefonisch contact dhr. W. van Veghel, 7 maart 2013. Gemeentelijk archeoloog gemeente Oss, telefonisch contact 19 maart 2013. Heemkundekring De Elf Rotten, schriftelijke informatieaanvraag aan secretaris, 22 februari 2013. Heemkundewerkgroep Nuewelant, schriftelijke informatieaanvraag secretariaat, 22 februari 2013. Heemkundewerkgroep Vladerack, schriftelijke informatieaanvraag aan dhr. Van Zandvoort, 22 februari 2013. Monumentenhuis Brabant, telefonisch contact mw. A. Visser, 7 maart 2013.
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
50
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13
51
Overzicht van geologische en archeologische tijdvakken Concept bestemmingsplan Bedrijventerrein Heesch West Kadastrale kaart 1811-1832 Gemeentelijke archeologische verwachtingskaarten Gemeentelijke archeologische beleidskaart AMK-terreinen, waarnemingen en onderzoeksmeldingen Historische geografie Archeologische verwachting o.b.v. bureauonderzoek Boorpuntenkaarten Boorbeschrijvingen Vondstenlijst Archeologische verwachting o.b.v. verkennend booronderzoek Begrippenlijst
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
50
Bijlage 1
Overzicht van geologische en archeologische tijdvakken
51
Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
52
Bijlage 1: Geologische en archeologische tijdvakken MIS
1
11.650 12.850 LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
13.900 14.030
Laat
Laat
30.000
60.000
75.000
Weichselien (ijstijd)
14.640
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm) LaatPleniglaciaal (zeer koud)
2
MiddenPleniglaciaal (koud)
3
VroegPleniglaciaal (zeer koud)
4
Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel) Formatie van Kreftenheye (Rijn)
VroegWeichselien (gematigd koud)
Pleistoceen
Kwartair
5a
117.000
5b 5c 5d
130.000
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6-10
Holsteinien (warme periode)
11
Elsterien (ijstijd)
12
Cromerien (warme periode)
1322
Pre-Cromerien
23104
Midden
410.000
Midden
370.000
Eem Formatie (Interglaciaal) Formatie van Drente (Glaciaal) Formatie van Urk (Rijn) Formatie van Peelo (Glaciaal)
475.000
2.600.000
Vroeg
Vroeg
850.000
Formatie van Sterksel (Rijn)
Chrono-, zuurstofisotopen- en lithostratigrafie voor Noordwest-Europa naar De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Berendsen (2008) en Cohen et al. (2009). Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor Cultuurhistorisch Erfgoed (RCE). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2008). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Formatie van Beegden (Maas)
Holoceen (warmer wordend klimaat)
Lithostratigrafie
Formatie van Boxtel (eolisch en lokaal terrestrisch)
Chronostratigrafie
Formatie van Stamproy (eolisch en lokaal terrestrisch)
Ouderdom (jr) 0 = 1950 n. Chr.
Ouderdom (kal. jaren BP1)
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
Vegetatie
Archeologische perioden (kal. jaren v/n. Chr.) Nieuwe tijd (1500-1950 n. Chr.)
450 Vb2 1150
1250
1962
Laat
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
1950
Holoceen
2900
5700
Subboreaal koeler droger
5000
7250
10.250
9000
10.750 10.150
13.900
11.900
14.030
12.100
14.640
12.450
130.000
300.000 (v. Chr.)
1
14
117.000
C-methode loopt tot 43.000 jaar BP
35.000 (v. Chr.)
75.000
III
Loofbos eik en els overheersen, relatief veel iep en linde. Het percentage den neemt af
Boreaal warmer
II
den overheerst, daarnaast hazelaar, eik, iep, linde, es
Preboreaal warmer
I
eerst berk en later den overheersend
Late Dryas
LW III
Parklandschap (subarctisch)
Allerød
LW II
LaatWeichselien (Laat-Glaciaal) Weichselien (ijstijd)
10.950
Laat-Pleistoceen
12.850
MiddenPleistoceen
11.650
Loofbos. Eik, els en hazelaar overheersen; beuk vanaf IVb >1% en grotere invloed landbouw (granen)
Atlanticum warm vochtig 8000
Vroeg
8700
IVa
Midden
3950
IVb
Vroege Dryas Bølling
dennen- en berkenbossen open parklandschap
LW I
Romeinse tijd (12 v.Chr. – 450 n. Chr.)
Bronstijd (2000 – 800 v. Chr.)
Neolithicum (5300 – 2000 v. Chr.)
Mesolithicum (8800 – 5300 v. Chr.)
Laat-Paleolithicum (35.000 – 8800 v. Chr.)
open vegetatie met kruiden (bijvoet) en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra