CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 3 Bijlagen deel 3 bij Toelichting ontwerpbestemmingsplan Heesch West A

Gemeenteraad 16 juni 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Ontwerpbestemmingsplan Heesch West en ontwerpbestemmingsplan Facetplan geluidszone gezoneerd industrieterrein Heesch West22.959 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Stand van Zaken Heesch-West m.b.t. Archeologie en Historische geografie Opsteller: d.d.:

Stefan Molenaar (Afdeling SO/Erfgoed) 11-05 2017

Ten behoeve van de ontwikkeling van het bedrijventerrein Heesch-West is in opdracht van de gemeente ’s-Hertogenbosch een archeologisch, historisch-geografisch en bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bedoeld om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van waardevolle archeologische vindplaatsen, historisch-geografische elementen en gebouwen. Op basis van deze informatie kan bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein zorgvuldig met deze waarden rekening worden gehouden. Dit overzicht beperkt zich tot de archeologische en historisch-geografische aspecten. De stand van zaken ,met betrekking tot de bouwhistorische aspecten zullen in een apart document worden toegelicht. Bureauonderzoek In 2013 is voor het hele plangebied een bureauonderzoek uitgevoerd door BAAC. Doel van dit bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting en een historisch-geografische inventarisatie. Uit de historisch geografische inventarisatie bleek dat in het plangebied een aantal historische wegen, waterlopen en erven aanwezig waren (figuur 1). Ten aanzien van archeologie is een onderscheid gemaakt in zones met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Op basis van de resultaten is t.a.v. archeologie een verkennend booronderzoek uitgevoerd.

Verkennend booronderzoek Tijdens het verkennend booronderzoek zijn in de zones met een hoge en middelhoge verwachting grondboringen uitgevoerd. Deze boringen moesten duidelijk maken of de archeologische verwachtingswaarden uit het bureauonderzoek klopten. Het booronderzoek is in fasen uitgevoerd omdat niet overal direct betredingstoestemming was. Uit het booronderzoek kwam naar voren dat de gebieden met een hoge en middelhoge verwachting grotendeels konden worden bijgesteld naar een lage verwachting. Een uitzondering gold hierbij voor een aantal zones langs de Zoggelsestraat, de Raktstraat en de Koksteeg (zie figuur 2). Het betreft voornamelijk terreinen in de directe nabijheid van oude boerderijplaatsen. Deze boerderijplaatsen zijn al zichtbaar op de kadastrale minuutkaart van 1832 en er kunnen in de ondergrond en directe omgeving oudere voorgangers aanwezig zijn. BAAC geeft in haar onderzoek ook nog een aantal andere zones met een hoge verwachtingswaarde aan maar de archeologisch adviseur van de gemeente ’s-Hertogenbosch en de archeologisch adviseur van de gemeente Bernheze zien hiervoor te weinig onderbouwing. Het bureauonderzoek en het verkennend booronderzoek is gerapporteerd: De Boer, E.A.M., C.C. Kalisvaart & K.H.J. Pepers, 2014. Gemeenten Bernheze en Maasdonk. Plangebied Heesch-West. Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase).

BAAC-rapport V-13.0045. Proefsleuvenonderzoek Voor de overgebleven zones met een hoge tot middelhoge verwachting geldt dat nog aanvullend proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is om te kunnen bepalen of hier daadwerkelijk behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Dit onderzoek is nog niet uitgevoerd omdat eerst duidelijk moest worden of deze zones ook daadwerkelijk bedreigd werden door de inrichting van het plangebied. Voor de te onderzoeken zones zijn al wel Programma’s van Eisen opgesteld.

Conclusie De reeds uitgevoerde onderzoeken hebben inzicht gegeven in de aanwezigheid van historischgeografische elementen en archeologische verwachtingsgebieden. Deze informatie zal moeten worden meegenomen en meegewogen bij de ontwikkeling van het plangebied. Indien de relevante archeologische zones worden bedreigd door de voorgenomen ingrepen zal gericht vervolgonderzoek noodzakelijk zijn om eventuele aanwezige vindplaatsen te kunnen behouden.

Figuur 1. Overzicht van de historisch-geografische elementen binnen het plangebied.

Figuur 2. Overzicht van de zones (roze) binnen het plangebied waar nog aanvullend onderzoek moet plaatsvinden indien er bodemverstorende ingrepen gepland zijn.

Gemeenten Bernheze en Maasdonk Plangebied Heesch-West

Auteurs: E.A.M de Boer MSc., MA. drs. C.C. Kalisvaart K.H.J. Pepers MSc.

Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) BAAC Rapport V-13.0045

september 2014

Status: concept

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

2

Colofon ISSN: Auteur(s): Veldmedewerkers: Cartografie: Redactie: Copyright:

1873-9350 mw. E.A.M de Boer, MSc., MA. dhr. drs. C.C. Kalisvaart dhr. W.A. Bergman mw. E.A.M de Boer, MSc., MA. mw. K.H.J. Pepers MSc. dhr. drs. C. Verbeek Gemeente 's-Hertogenbosch / BAAC bv te 'sHertogenbosch

Eindcontrole:

drs. J. de Winter

25-11-2013

Autorisatie (senior archeoloog):

drs. J. De Winter

25-11-2013

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente 's-Hertogenbosch en/of BAAC bv beide gevestigd te ‘s-Hertogenbosch.

BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 Fax: (073) 61 49 877 E-mail: denbosch@baac.nl

3

Postbus 2015 7420 AA Deventer Tel.: (0570) 67 00 55 Fax: (0570) 61 84 30 E-mail: deventer@baac.nl

Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

4

Inhoud Inhoud Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Ligging van het gebied 1.3 Administratieve gegevens 2 Bureauonderzoek 2.1 Werkwijze 2.2 Landschappelijke ontwikkeling 2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding 2.3.2 Historie 2.3.3 Archeologie 2.3.4 Historische-geografie en bouwhistorie 2.4 Archeologische verwachting 3 Inventariserend veldonderzoek 3.1 Werkwijze 3.2 Veldwaarnemingen 3.3 Verkennend booronderzoek 3.4 Veldwerk september 2014 3.5 Archeologische interpretatie 4 Conclusie en aanbevelingen 4.1 Conclusie en beantwoording onderzoeksvragen 4.2 Aanbevelingen 5 Geraadpleegde bronnen Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13

5

5 7 9 9 10 11 13 13 13 21 21 22 24 28 29 31 31 32 34 39 41 43 43 45 47 51

Overzicht van geologische en archeologische tijdvakken Concept bestemmingsplan Bedrijventerrein Heesch West Kadastrale kaart 1811-1832 Gemeentelijke archeologische verwachtingskaarten Gemeentelijke archeologische beleidskaart AMK-terreinen, waarnemingen en onderzoeksmeldingen Historische geografie Archeologische verwachting o.b.v. bureauonderzoek Boorpuntenkaarten Boorbeschrijvingen Vondstenlijst Archeologische verwachting o.b.v. verkennend booronderzoek Begrippenlijst

Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

6

Samenvatting In opdracht van de gemeente ’s-Hertogenbosch heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in het plangebied Heesch-West in de gemeenten Maasdonk en Bernheze. Uit het bureauonderzoek komt naar voren dat het plangebied op de overgang van een grote noordoost-zuidwest georiënteerde dekzandrug naar een laag gelegen dekzandvlakte met daarin een kleinere dekzandrug ligt. De hogere gronden waren in het verleden in gebruik als bouwlanden, terwijl in de dekzandvlakte een onontgonnen heidegebied en relatief jonge ontginningen lagen. De hogere gronden vormden van oudsher aantrekkelijke vestigingslocaties. Van de dekzandruggen zijn in de directe omgeving van het plangebied archeologische resten bekend, die dateren uit het mesolithicum en de bronstijd tot en met de nieuwe tijd. Van de lagere gronden zijn tot op heden geen archeologische vondsten bekend. Vermoedelijk waren deze gronden vanwege de vochtige omstandigheden minder geschikt voor permanente bewoning. Er heeft hier echter in de directe omgeving van het plangebied geen systematisch archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Pas met de ontginning van het gebied aan (vermoedelijk) het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw zijn ook in dit gebied boerderijen gebouwd.

Op basis van verwachte verstoringen en de landschappelijke situatie is aan de hogere (dekzand)ruggen in het plangebied op de archeologische waardenkaarten van Bernheze en Maasdonk een hoge verwachting toegekend voor archeologische waarden (vuursteenvindplaatsen, nederzettingsresten en sporen van begraving) uit het laat-paleolithicum tot en met de middeleeuwen. Voor de vlakten geldt een lage verwachting. Van de gebieden met een hoge verwachting waar mogelijk een ontgronding of een diepe ontgraving voor een sanering heeft plaatsgevonden wordt de verwachting naar aanleiding van het bureauonderzoek bijgesteld naar middelhoog. Aan de erven uit het begin van de negentiende eeuw is een hoge verwachting toegekend voor archeologische waarden (nederzettingsresten) uit de nieuwe tijd en mogelijk de late middeleeuwen. Aan de reeds onderzochte gebieden is geen archeologische verwachting toegekend. Om de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te toetsen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in de gebieden met een (middel)hoge verwachting. Op de oude erven gelegen buiten de (flanken van de) hogere ruggen is geen booronderzoek uitgevoerd. Archeologische sporen op oude erven, zoals muurresten, uitbraaksleuven, waterputten en funderingen, worden namelijk gekenmerkt door een sterke mate van bodemverstoring.

Een verkennend booronderzoek is derhalve niet de geschikte methode om de behoudenswaardigheid van eventuele sporen in beeld te brengen. Het verkennend booronderzoek is in twee fasen uit gevoerd. De eerste fase is in november 2013 uitgevoerd. In dit stadium is echter niet voor elk perceel betredingstoestemming verleend. In september 2014 zijn de percelen, waar inmiddels betredingtoestemming is verleend ook onderzocht. 7

Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de onderzochte delen van het plangebied grotendeels bestaan uit een veelal dun pakket (verspoeld) dekzand op fluvioperiglaciale afzettingen. Het dekzand komt alleen voor op de plekken die relatief hoog in het landschap liggen en waar weinig aftopping van het oorspronkelijke leefoppervlak heeft plaatsgevonden. In slechts drie boringen zijn resten van een podzolbodem aangetroffen. Het oorspronkelijke leefniveau is vrijwel in het gehele onderzochte deel van het plangebied afgetopt tot in de C-horizont (afgetopte haar- of veldpodzolbodem) of het gebied was te nat voor podzolisatie (goor- of beekeerdgrond). In het zuidoostelijke deel van het plangebied zijn tenminste twee en mogelijk zelfs drie oude (boeren)erven aangeboord. De bodem ter plekke van de oude erven bestaat uit enkeerdgronden met een esdek, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten nog goed bewaard zullen zijn. In de naastgelegen akkers komen AC-profielen voor. Het betreft hier matig diep, afgetopte veldpodzol- of intacte gooreerdgronden. In een akker gelegen tussen de drie (boeren)erven zijn bodems gevormd in beekafzettingen aangetroffen. De gebieden met afgetopte veldpodzolbodems, gooreerdgronden, beekafzettingen en/of diep verstoorde bodemprofielen hebben een lage verwachting toegekend gekregen op de archeologische verwachtingskaart.

Ook de niet-onderzochte delen ter hoogte van de boringen 21, 22, 23, 61, 62 en 66 en ter hoogte van grote delen in het noordwestelijke deel van het plangebied hebben na extrapolatie van de boorgegevens een lage verwachting toegekend gekregen. De hoge verwachting uit het bureauonderzoek kan voor het gebied tussen de Raktstraat en de Zoggelsestraat van het plangebied grotendeels gehandhaafd blijven (complextypen: boerderijen met erven; 8,64 ha). Binnen de zone worden funderings- en/of muurresten, uitbraaksleuven, waterputten, kuilen, paalsporen en landbouw gerelateerde sporen vanaf 20 cm –mv ter plekke van de akker en vanaf circa 40 cm-mv op de bebouwde percelen verwacht. Voorafgaand aan het veldwerk was reeds bekend dat het gebied met een grotendeels hoge verwachting ten westen van de straat de “Weerscheut” vanwege het ontbreken van betredingstoestemming niet onderzocht kon worden. De (middel)hoge verwachting uit het bureauonderzoek blijft hier (vooralsnog) gehandhaafd. Het uiterst oostelijke deel van het plangebied, oostelijk van boring 71, heeft een middelhoge verwachting toegekend gekregen vanwege het feit dat hier de bodemopbouw nog niet duidelijk is. BAAC bv adviseert voor het gebied met een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.

De niet-onderzochte gebieden met een (middel)hoge verwachting dienen nader onderzocht te worden door middel van een verkennend booronderzoek. Voor de gebieden met een lage verwachting wordt geadviseerd geen nader vervolgonderzoek uit te voeren. Voor de zones waar volgens de eerste kadastrale kaart (boeren)erven hebben gelegen dient een archeologische dubbelbestemming in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Ter plekke van deze gebieden geldt een hoge verwachting op het aantreffen van historische en archeologische resten uit de (late middeleeuwen en) nieuwe tijd.

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

8

1

Inleiding

1.1 Onderzoekskader In opdracht van de gemeente ’s-Hertogenbosch heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in het plangebied Heesch-West in de gemeenten Maasdonk en Bernheze. Aanleiding voor het onderzoek is de bestemmingsplanwijziging (zie bijlage 2). In een deel van het gebied (141,5 hectare) zal door de gewijzigde bestemming in de toekomst grootschalige bodemverstoring kunnen plaatsvinden. Het betreft hier de gebieden met bestemming bedrijventerrein, agrarisch-1 (waar in de toekomst wellicht een 1 bedrijventerrein gepland is), verkeer en water. Bij eventuele toekomstige bodemverstoringen bestaat een gerede kans dat eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord of vernietigd worden. Het doel van een bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied aan de hand van bestaande bronnen. Met behulp van de verworven informatie wordt een specifiek archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om de intactheid van het bodemprofiel te bepalen.

Het verkennend onderzoek is in verband met het ontbreken van, en later verleende betredingstoestemming op bepaalde percelen in twee fasen uitgevoerd. De eerste fase is beschreven in de paragraven 3.2 en 3.3. De tweede fase in paragraaf 3.4. Tijdens het onderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen uit het Plan van 2 Aanpak te worden beantwoord: ▪

▪

▪ ▪

1 2

9

Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en zijn er gegevens bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied? Hoe is de bodemopbouw en is deze nog intact?

Mededeling C. van de Kreeke (gemeente ’s-Hertogenbosch). Van Putten & Merlidis 2012. Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

▪

In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm?

Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse 3 Archeologie versie 3.2 , het vigerende gemeentelijke beleid en het onderzoeksspecifieke Plan van Aanpak.

1.2 Ligging van het gebied Het plangebied ligt tussen Nuland, Geffen, Heesch en Vinkel in de gemeenten Bernheze en Maasdonk (provincie Noord-Brabant). Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de A59, in het westen door de Van Rijckevorselweg en de Weerscheut en in het zuiden door de Ruitersdam. Ten oosten van het plangebied bevindt zich de Cereslaan en de Zoggelsestraat. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 179,6 hectare. In figuur 1.1 is de ligging van het terrein weergegeven.

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied.

3

SIKB 2010. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

10

1.3 Administratieve gegevens Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Datum opdracht: Datum veldwerk: Datum eerste concept rapportage: Datum tweede concept rapportage: BAAC-projectnummer: Coördinaten:

Kaartblad: Oppervlakte plangebied: Oppervlakte onderzoeksgebied: Datering: Onderzoeksmeldingsnummer: Onderzoeksnummer: AMK-terrein: Waarnemingnummer(s): Vondstmeldingsnummer(s): Type onderzoek: Opdrachtgever:

Bevoegde overheden:

Adviseur namens bevoegde overheid Beheer documentatie: Beheer vondstmateriaal:

Uitvoerder:

Projectleider:

11

Noord-Brabant Bernheze en Maasdonk Heesch Heesch-West 20 februari 2013 5 en 6 november 2013 en 1 en 2 september 2014 22 november 2013 18 september 2014 V-13.0045 158.747/ 414.400 163.385/ 416.441 161.976/ 414.844 160.372/ 414.308 45E 179,6 ha 141,5 ha Laatpaleolithicum – nieuwe tijd 55898 47809 N.v.t. N.v.t N.v.t Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) Gemeente 's-Hertogenbosch dhr. S. Molenaar Postbus 12345 5200 GZ 's-Hertogenbosch 073-6155517 Gemeente Bernheze Gemeente Maasdonk Postbus 19 Postbus 5 5384 ZG Heesch 5386 ZG Geffen 0412-458888 073-5342100 Mw. A. Visser (Monumentenhuis Brabant) Bibliotheek Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en archief BAAC bv. Provinciaal Depot Bodemvondsten NoordBrabant Waterstraat 20 5211 JD 's-Hertogenbosch tel. 06-18303225 BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219 mw. E.A.M. de Boer, MSc, MA.

Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

12

2

Bureauonderzoek

2.1 Werkwijze Tijdens het bureauonderzoek zijn aan de hand van bestaande bronnen de historisch-geografische en bouwhistorische waarden in beeld gebracht en is een archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld. Bij de inventarisatie van de archeologische waarden is gebruik gemaakt van gegevens uit het Centraal Archeologisch Archief (CAA) en het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), zoals deze zijn opgenomen in het Archeologisch Informatie Systeem (ARCHIS). De provinciale cultuurhistorische waardenkaart is geraadpleegd, evenals de gemeentelijke archeologische verwachtings- en/of beleidskaarten. Met name voor de recentere archeologische periodes zijn diverse historische bronnen geraadpleegd. Daarnaast is contact opgenomen met de archeologisch adviseur van de gemeente Bernheze (mw. A. Visser (Monumentenhuis Brabant)), de gemeentelijk archeoloog van de gemeente Oss (dhr. R. Jansen) en de lokale heemkundekringen van Nuland (Heemkundewerkgroep Nuewelant), Heesch (Heemkundekring De Elf Rotten) en Geffen (Heemkundewerkgroep Vladerack) en de verantwoordelijke ambtenaren 4 van de gemeenten Maasdonk en Bernheze. Tevens is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand Nederland alsmede oude topografische kaarten en gegevens over ontgrondingen en saneringen.

Literatuur over de geologie, geomorfologie en de bodemopbouw van het onderzoeksgebied is eveneens bestudeerd om op basis van locatiekeuze-theorieën een uitspraak te doen over de kans op aanwezigheid van archeologische resten. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een synthese in de vorm van een specifieke archeologische verwachting en een beschrijving van de cultuurhistorische kenmerken van het gebied. Een opsomming van de geraadpleegde literatuur en gebruikte kaarten is terug te vinden in de literatuurlijst. Voor een tabel met een overzicht van geologische en archeologische tijdvakken wordt verwezen naar bijlage 1.

2.2 Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt in het centrale dekzandlandschap in het noordoostelijke deel 5 van de Roerdalslenk. De Roerdalslenk, ook wel Centrale Slenk genoemd, is een tektonisch dalingsgebied dat door breuken, de Feldbiss / Breuk van Vessem en de Peelrandbreuk, wordt begrensd. Ten zuidwesten en noordwesten ligging de tektonische opheffingsgebieden (horsten) van respectievelijk het Kempisch Hoog en de Peelhorst.

4

Telefonisch contact dhr. K. Hendriks (gemeente Bernheze) 12 maart 2013, telefonisch contact dhr. W. van Veghel (gemeente Maasdonk) 7 maart 2013. 5 Buitenhuis et al. 1991.

13

Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

In het vroegpleistoceen en het begin van het middenpleistoceen raakte de Roerdalslenk gevuld met overwegend grove zanden en grind (Formatie van Sterksel) aangevoerd door de Rijn en Maas. Door de tektonische opheffing en 6 kanteling van de Peelhorst werden de grote rivieren in het Cromerien gedwongen hun loop naar het oosten te verplaatsen en kwam een einde aan de fluviatiele sedimentatie in de slenk. Gedurende de ijstijden (glacialen) van het midden- en laatpleistoceen (Elsterien, Saalien en Weichselien) werd de Roerdalslenk geleidelijk opgevuld met 7 afzettingen van meer lokale oorsprong (Formatie van Boxtel ). Deze afzettingen kunnen globaal worden onderverdeeld in Brabants leem, fluvioperiglaciale afzettingen (smeltwaterafzettingen) en eolische afzettingen (löss en dekzand). Al deze afzettingen hebben in de Roerdalslenk een dikte van 15 tot (soms) 45 meter. 8

Brabants leem is in perioden met permafrost ontstaan uit door de wind aangevoerd materiaal waaruit door dooiwaterstroompjes de fijne deeltjes werden uitgewassen, die vervolgens werden afgezet in ondiepe vochtige depressies (dooimeren). Fluvioperiglaciale afzettingen, oftewel verspoelde dekzand- en rivierafzettingen, ontstonden wanneer aan het begin en eind van de glacialen, en dan voornamelijk in de zomermaanden, veel smeltwater vrijkwam. Dit water werd afgevoerd door een systeem van verwilderde geulen en beken, waarbij materiaal van het hoger gelegen Kempisch Hoog en Peelhorst naar de lager gelegen Centrale Slenk werd verplaatst. De afzettingen die hierbij tot stand kwamen, bestaan uit min of meer gelaagde zanden, met eventueel leemlagen en/of planten- en houtresten. Door het ontbreken van vegetatie werd in de droge en zeer koude glacialen door de wind sediment verplaatst en elders weer afgezet. In het Pleniglaciaal (MiddenWeichselien) werd zo het Oudere dekzand als een deken over het vrijwel vegetatieloze landschap afgezet. Het Oudere dekzand is vaak horizontaal gelaagd met lemige banden. Door de aanwezigheid van een grindrijk niveau, de zogenaamde Laag van Beuningen, dat is ontstaan door uitblazing van fijnere 9 delen , kan onderscheid worden gemaakt in het Ouder dekzand I en II.

In het Laat Glaciaal (Laat-Weichselien) was de begroeiing weer wat dichter waardoor de verstuiving een meer lokaal karakter had en het zogenaamde Jonger dekzand werd afgezet in de vorm van langgerekte, voornamelijk ZW-NO georiënteerde ruggen. Het Jonger dekzand is meestal niet gelaagd. Gedurende 10 de interstadialen zijn plaatselijk leemlagen, veenlaagjes of bodems gevormd. Zo vond gedurende het Allerød-interstadiaal op de hogere terreindelen bodemvorming plaats, die nu nog te herkennen is als een grijswitte laag met houtskoolresten. Deze zogenaamde Laag van Usselo bevindt zich tussen het Jonger dekzand I11 en het Jonger dekzand II12. Aan het einde van het Weichselien en in het Holoceen werd het klimaat een stuk milder. Het systeem van ondiepe, verwilderde geulen en beken veranderde hierdoor in meanderende beken, die zich aanvankelijk in het landschap insneden. 6

Zie bijlage 1 voor een overzicht van de geologische perioden. Voorheen Formaties van Eindhoven en van Twente. 8 Bodem die tot op grote diepte permanent bevroren is. 9 Een zogenaamde desert pavement. 10 Relatief warme periode binnen een glaciaal. 11 Afgezet in het Oude Dryas-stadiaal. 12 Afgezet in het Jonge Dryas-stadiaal. 7

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

14

In de beekdalen werden zand en klei afgezet en vond lokaal veenvorming plaats 13 (Boxtel Formatie; Singraven Laagpakket ). Door de toenemende vegetatie kwam een eind aan de natuurlijke zandverstuivingen en raakten de dekzandruggen gefixeerd. Door het toedoen van de mens, door kappen, branden en ontginnen, konden plaatselijk opnieuw verstuivingen optreden (Boxtel Formatie; Kootwijk 14 Laagpakket ). Ook de bodemvorming, die door het mildere klimaat op grote schaal plaatsvond, 15 is grotendeels antropogeen beïnvloed. In de zeer arme gronden (met een leemgehalte van 10% of lager) van het Pleistocene zandgebied ontstond direct vanaf het begin van het Holoceen een humuspodzol (primaire podzolisatie). Op de iets rijkere gronden vormden zich in eerste instantie moderpodzolen. Door ontbossing voor de landbouw zijn plaatselijk echter ook de rijkere moderpodzolgronden tot de voedselarmere humuspodzolgronden gedegradeerd (secundaire podzolisatie). Deze ontwikkeling vond over het algemeen in toenemende mate vanaf het laatneolithicum plaats. Vanaf de late ijzertijd waren veel gebieden dermate uitgeloogd dat ze werden verlaten en men zich in mineralogisch rijkere of lemigere gebieden (met moderpodzolgronden) terugtrok. Deze laatste zones komen vaak overeen met de gebieden waar vanaf 16 de late middeleeuwen rondom de oude dorpen een esdek is ontstaan.

Volgens de geologische overzichtskaart ligt het plangebied grotendeels in een gebied waar fluvioperiglaciale afzettingen (Formatie van Boxtel) met een zanddek (Laagpakket van Wierden) voorkomt (kaarteenheid Bx6). Direct ten noorden van het westelijke deel van het plangebied bevindt zich een zone met dekzand (Laagpakket van Wierden; kaarteenheid Bx5). Het oostelijke deel grenst min of meer aan een gebied met stuifzand van het Laagpakket van Kootwijk 17 (kaarteenheid Bx1). Op de geomorfologische kaart (zie figuur 2.1) is te zien dat het uiterste noordelijke deel van het plangebied ligt op de zuidrand van een groot, langgerekt noordoost-zuidwest georiënteerd gebied met dekzandruggen al dan niet met oud-bouwlanddek (kaarteenheid 3L5). Het plangebied ligt grotendeels in een dekzandvlakte (kaarteenheid 2M13), die plaatselijk deels is verspoeld (kaarteenheid 2M9). Deze vlakte wordt doorsneden door een langgerekte dekzandrug al dan niet bedekt met oud-bouwlanddek (kaarteenheid 3K14), die zich vanaf Vinkel in het zuidwesten in noordoostelijke richting tot in het zuidoostelijke deel van het plangebied uitstrekt. Ten westen van deze dekzandrug, direct ten westen van het uiterste zuidwestelijke deel van het plangebied, bevindt zich een noordwest-zuidoost georiënteerde dalvormige laagte met veen (kaarteenheid 2R1).18

13

Voorheen Formatie van Singraven. Voorheen Formatie van Kootwijk. 15 Buitenhuis et al. 1991, Teunissen van Manen 1985, Bisschops, Broertjes & Dobma 1985, Berendsen 2004. 16 Spek 2004. 17 Geologische overzichtskaart 2010. 18 Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 (45) 1983, ARCHIS II. 14

15

Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de geomorfologische kaart (kaartblad 45, 1983).

Op de kaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is te zien dat het plangebied ten westen van een hoger gelegen gebied, de Peel, ligt. Het landschap helt vandaar globaal af in westelijke richting (zie figuur 2.2). Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich een hoger gelegen gebied. Gezien de steilrandjes op de perceelsgrenzen, zijn grote delen van dit gebied afgegraven. Dit geldt ook voor een hoger gelegen gebied dat vanaf het zuidoostelijke deel van het plangebied in zuidwestelijke richting loopt. Deze vermoedelijke afgravingen komen echter niet altijd overeen met de gebieden waarvoor een ontgrondingsvergunning is afgegeven. Daarnaast zijn er ook ontgrondingsvergunningen afgegeven, waar echter geen duidelijke afgraving in het hoogteverloop zichtbaar is. Bovendien zijn er plaatselijk ook percelen (erven) 19 opgehoogd.

19

AHN 2013; Ontgrondingen 1950-1998 2007. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

16

Figuur 2.2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland met de bekende ontgrondingsvergunningen (AHN 2013 en Ontgrondingen 19501998, 2007).

Volgens de bodemkaart (zie figuur 2.3) ligt het uiterste noordelijke deel van het plangebied op de zuidelijke rand van een groot gebied met hoge zwarte enkeerdgronden (kaarteenheid zEZ21) met afwisselend grondwatertrap VI20 en 21 VII . In het centrale deel komt dit bodemtype voor in associatie met laarpodzolgronden (kaarteenheid cHn21) met grondwatertrap III22/VII. Ten zuiden hiervan bevindt zich een gebied waar grotendeels beekeerdgronden 23 24 (kaarteenheid pZg21) voorkomen met grondwatertrap III, III *en IV . In het uiterste westelijke deel komen gooreerdgronden (kaarteenheid pZn21) voor met grondwatertrap IV. Ook in de buurt van het oostelijke deel van het plangebied komt dit bodemtype voor. In het zuidelijke deel van het plangebied bevindt zich een kleine zone met hoge zwarte enkeerdgronden (kaarteenheid zEZ21) en grondwatertrap VI. Aangrenzend bevinden zich laarpodzolgronden (kaarteenheid cHn21, grondwatertrap III en VI). Deze bodems gaan in het zuidwestelijke deel van het plangebied over in veldpodzolgronden (kaarteenheid Hn21, grondwatertrap III of V). In het uiterste zuidwestelijke deel raakt het plangebied aan een noordwestzuidoost georiënteerde strook waar moerige eerdgronden met een zanddek en moerige tussenlaag op zand voorkomen (kaarteenheid zWz). Deze bodems 25 hebben een hoge grondwaterstand (grondwatertrap II ).

20

Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) 40-80 cm -mv, gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) >120 cm –mv. 21 GHG >80 cm –mv, GLG >160 cm –mv. 22 GHG <40 cm –mv, GLG 80-120 cm –mv. 23 GHG 25-40 cm –mv, GLG 80-120 cm –mv. 24 GHG >40 cm –mv, GLG 80-120 cm –mv 25 GHG <40 cm –mv, GLG 50-80 cm –mv.

17

Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

In het gehele plangebied zijn de bodems ontstaan in leemarm en zwak lemig fijn

zand.26

Figuur 2.3 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland (kaartblad 45 W en O).

Toelichting bodemtypes Beekeerdgronden komen voor in de relatief laaggelegen zandgronden, zoals beekdalen. De gronden worden gekenmerkt door een donkere bovengrond (de A-horizont) van doorgaans 20 tot 30 cm dik direct op de C-horizont waar binnen 35 cm –mv roest voorkomt. De donkere bovengrond is ontstaan door een hoge productie van organisch materiaal en een geremde afbraak als gevolg van de lage, relatief natte ligging, waarna door vermenging met de bovenste grondlagen door kleine bodemdieren een donker gekleurde bovengrond is ontstaan. In de omgeving van dorpen komt plaatselijk een humushoudende bovengrond voor die door bemesting met materiaal uit de potstal dikker is dan 27 30 cm (maximaal 50 cm dik). Gooreerdgronden komen voor in de iets minder natte gebieden, zoals in bovenlopen en aan de randen van beekdalen of in kleine ingesloten laagten (vennen). De gronden worden gekenmerkt door een donkere, humeuze bovengrond (de A-horizont) van doorgaans 20 tot 30 cm dik direct op het moedermateriaal, waarin geen roest of roest dieper dan 35 cm –mv voorkomt. De donkere bovengrond is ontstaan door een hoge productie van organisch materiaal en een geremde afbraak als gevolg van de lage, relatief natte ligging, waarna door vermenging met de bovenste grondlagen door kleine bodemdieren een donker gekleurde bovengrond is ontstaan.

In de omgeving van dorpen komt plaatselijk een humushoudende bovengrond voor die door bemesting met materiaal uit de potstal dikker is dan 30 cm (maximaal 50 cm dik). Soms komt onder de A-horizont een zeer zwakke, diep doorgaande humuspodzol-B voor en in enkele gevallen een sterk gebleekte, vrijwel ijzerloze ondergrond. Ook

26 27

Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (45W en O) 1976 en 1984; ARCHIS II. De Bakker & Schelling 1989; Damoiseaux 1982. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

18

gronden waarvan de oorspronkelijke B-horizont door ploegen, diepe grondbewerking of vergraving is verdwenen, worden tot de gooreerdgronden 28 gerekend. Veldpodzolgronden zijn over het algemeen in een iets drogere context dan gooreerdgronden ontstaan. De bodems worden voornamelijk aangetroffen in (voormalige) heidegebieden, die pas door de opkomst van de kunstmest vanaf het eind van de negentiende eeuw konden worden ontgonnen. Voorheen was de uitbreiding van het bouwland afhankelijk van de hoeveelheid winbare mest. De gronden zijn onder natte omstandigheden ontstaan, maar hebben tegenwoordig voor een deel een diepe ontwatering. In een natuurlijke situatie hebben deze gronden meestal een humushoudende bovengrond van circa 10 cm dik. Door verploeging in gebieden die in gebruik zijn als akker of weide, is de E-horizont en/of een deel van de B-horizont opgenomen in de humeuze A-horizont, waardoor na verloop van de tijd een homogene, circa 30 cm dikke bouwvoor is ontstaan. In gebieden die in gebruik zijn als bos, is meestal maar een keer geploegd, waardoor de bovengrond heterogeen is gebleven. Onder de Ahorizont bevindt zich bij grondwatertrap VI of hoger over het algemeen een grijze E-horizont (uitspoelingshorizont). Hieronder komt een vrij compacte, scherp begrensde, donker(rood)bruine Bh-horizont voor met vrij veel organische stof.

Als de grondwaterstand hoger is (en de grondwatertrap dus lager), dan is de Ehorizont over het algemeen dunner of ontbreekt. De B-horizont is in deze situatie 29 dikker en gaat geleidelijk via een geelbruine BC-horizont over in de C-horizont. Hoge zwarte enkeerdgronden bevinden zich over het algemeen rondom oude dorpen en worden gekenmerkt door een humeuze bovengrond, het esdek, van 50 cm of dikker. Het esdek is ontstaan door eeuwenlange bemesting met potstalmest (zie figuur 2.4). Door variaties in de aard (soort plaggen, percentage minerale bestanddelen) en de hoeveelheid van de gebruikte mest, de duur van de ophoging en de oorspronkelijke ligging (nat of droog) vertoont het esdek grote verschillen in dikte, kleur, humusgehalte en textuur. Het esdek is vaak opgebouwd uit meerdere lagen. De bouwvoor (Aap-horizont), de recent geploegde laag, is meestal 20 à 30 cm dik en bestaat uit donkergrijsbruin tot zwart matig humeus zand. Daaronder bevindt zich vaak een of meerdere lagen (Aa-horizont), die over het algemeen lichter is en minder organische stof bevat. Op de overgang van het plaggendek naar de onderliggende natuurlijke ondergrond kan een lichtgrijsbruin gekleurde fossiele cultuurlaag (Ab-horizont) voorkomen van voor de introductie van de plaggenbemesting.

Deze laag wordt gekenmerkt door een vuilgrijze, onnatuurlijke kleur en de aanwezigheid van scherven en is vaak sterk aangetast door latere grondbewerking of grotendeels opgenomen in het plaggendek.

28 29

19

De Bakker & Schelling 1989; Damoiseaux 1982. De Bakker & Schelling 1989; Damoiseaux 1982. Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

Het oorspronkelijke bodemprofiel bestond in Noord-Brabant op de hogere delen van het dekzandlandschap uit holt- of haarpodzolgronden en in de lagere, nattere delen uit veldpodzolgronden (zie A). Tot de twaalfde-dertiende eeuw werden de hogere dekzandruggen gebruikt voor bewoning en de aanleg van akkers en grafvelden. Hierdoor werd de bovengrond van het oorspronkelijke bodemprofiel verstoord en ontstond een cultuurlaag. Palen, waterputten en voorraadkuilen lieten diepere sporen in het bodemprofiel achter (zie B). Omstreeks de dertiende eeuw werden de nederzettingen verplaatst naar de overgang van de hogere naar de lagere delen, langs of in de beekdalen. De reliëfrijke, hogere delen werden vanaf deze periode op grote schaal geëgaliseerd, zodat een groot aaneengesloten, vlakgelegen akkercomplex ontstond (zie C). Hierbij zijn de hogere delen van de zandgronden gedeeltelijk onthoofd, waardoor alleen de BC-horizont nog resteert. Het vrijgekomen zand werd gebruikt om de dekzandlaagten op te vullen, waardoor vaak het gehele (veld)podzolprofiel bewaard is gebleven. Fossiele akkerlagen uit deze periode zijn vrijwel uitsluitend op de flanken van de vroegere dekzandruggen bewaard gebleven. Vanaf ongeveer de vijftiende eeuw is men, in combinatie met de voornoemde egalisatie, begonnen met het bemesten van de akkers met materiaal uit de potstal.

Het rundvee stond in de potstal op een laag strooisel, dat bestond uit o.a. roggestro, plaggen en een mengsel van vergane bladeren, onkruid, bosstrooisel, e.d. Om de zoveel dagen werd een nieuwe laag strooisel in de stal gegooid dat vermengd raakte met de mest van de dieren. Als de potstal vol was werd de plaggenmest op het erf opgeslagen om verder te fermenteren, waarna het werd uitgereden over de akker. Hierdoor ontstond in de loop der eeuwen een dik, humeus dek, het zogenaamde esdek (zie D). De plaggendekken werden herhaaldelijk meerdere spaden diep gespit, waardoor de oude cultuurlagen vaak geheel in het onderste deel van het esdek zijn opgenomen (zie E). Door variatie in de gebruikte plaggen- en strooisel voor de potstal en spitactiviteiten kunnen in het esdek meerdere sublagen aanwezig zijn. 30

Figuur 2.4 Vorming van een esdek in archeologisch perspectief.

Vaak is onder het esdek nog een restant van het oorspronkelijke bodemprofiel aanwezig. Indien sprake is geweest van een snelle ophoging, bijvoorbeeld als 30

Theuws, Verhoeven & Van Regteren Altena 1988, Spek 2004. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

20

gevolg van egalisatiewerkzaamheden ten tijde van de ontginning, dan zal onder het esdek nog een intacte A-horizont aanwezig zijn van het oorspronkelijke bodemprofiel (het oude loopvlak). Deze laag onderscheidt zich door een hoger humusgehalte en een wat donkerder kleur. Door verploeging is de oorspronkelijke A-horizont echter meestal opgenomen in het esdek. Indien de oorspronkelijke bodem bestond uit een podzolbodem kunnen dieper nog een onverstoorde B- en/of BC- horizont voorkomen. Op grotere diepte gaat de B- of 31 BC-horizont over in het moedermateriaal (de C-horizont). Indien het esdek dunner is dan 50 cm, maar dikker dan 30 cm en er (restanten van) een (veld)podzolprofiel aanwezig is, dan worden de gronden gerekend tot de laarpodzolgronden. Deze gronden komen over het algemeen voor langs de 32 randen van de oude bouwlanden (hoge zwarte enkeerdgronden).

2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding Het plangebied maakt deel uit van het Zuid-Nederlandse dekzandgebied. Dit landschap bestond van nature uit een afwisseling van dekzandruggen, dekzandvlaktes, beekdalen en vennetjes. Het dekzandgebied kent een lange bewoningsgeschiedenis, waarvan de eerste sporen teruggaan tot de laatste ijstijd (laatpaleolithicum B). Het laatpaleolithicum werd evenals het daaropvolgende mesolithicum gekenmerkt door rondtrekkende jagers-verzamelaars, die gebruik maakten van stenen en benen werktuigen. De mensen woonden in tijdelijke kampen, die zich over het algemeen op landschappelijke gradiënten bevonden. Door de bestaansbasis (jagen en verzamelen) en de grote mobiliteit was de invloed van deze mensen op het landschap gering. Dit veranderde toen men vanaf 4900 v.C. (neolithicum) geleidelijk het jagen en verzamelen verruilde voor een voedselvoorziening gebaseerd op akkerbouw en veeteelt. Door het verbouwen van voedsel werd men gebonden aan een bepaalde plek, werden stevigere onderkomens gebouwd en ging men aardewerk produceren en gebruiken. Zodra de bodem op een bepaalde plek uitgeput was, kapte men een nieuw stukje bos en verplaatste men de akkers en eventueel de boerderij. Als gevolg van de ontbossing ging de natuurlijke vruchtbaarheid van de armere bodems snel achteruit.

Het bos regenereerde daardoor plaatselijk vanaf het laatneolithicum na verlating van de akkers niet meer en er ontstonden heidevelden. Plaatselijk konden als gevolg van het kappen en afbranden van het bos zandverstuivingen ontstaan. Als gevolg van de ontbossing en akkerbouw was vanaf de late ijzertijd de bodemvruchtbaarheid in grote gebieden dermate afgenomen dat deze niet meer als woon- en landbouwgebied werden gebruikt en men zich terugtrok in de gebieden met een van nature hoge bodemvruchtbaarheid. Op de uitgeputte akkers zal na verloop van tijd secundair bos zijn gaan groeien, waarna deze gebieden werden gebruikt voor het verkrijgen van brandhout en dergelijke. De beekdalen waren lange tijd nog dichtbegroeide moerasbossen en speelden geen rol in het landbouwsysteem. Beekdalen en andere moerassige delen van het landschap werden wel gebruikt voor de winning van grondstoffen (zoals hout, leem, veen), als dump voor afval, voor rituele deposities, e.d.

31 32

21

De Bakker & Schelling 1989, Damoiseaux 1982. De Bakker & Schelling 1989, Damoiseaux 1982. Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

In de loop van de middeleeuwen nam de bevolking sterk toe, waardoor ook de behoefte aan landbouwgrond sterk toe nam en grote aaneengesloten bouwlandcomplexen ontstonden. Om aan de groeiende behoefte aan mest te kunnen voorzien, werden vanaf elfde of twaalfde eeuw ook de beekdalen ontgonnen en omgevormd tot wei- en hooilanden. In de veertiende en vijftiende eeuw werd de ontwatering van de beekdalen vervolgens verbeterd door de gronden te verdelen in smalle kavels die loodrecht op de beek lagen. Bovendien werd grond van de hogere dekzandruggen gebruikt om de randen van de beekdalen op te hogen. Om de beschikbare mest efficiënter te kunnen gebruiken, werd de mest vanaf de vijftiende eeuw vermengd met bosstrooisel en plaggen. De winning van het bosstrooisel en de plaggen leidde tot een vergaande aftakeling van de bossen, zodat uitgestrekte heidevelden ontstonden. Dit landschap, met een afwisseling van aaneengesloten bouwlandcomplexen, wei- en hooilanden in de beekdalen en grote heidegebieden bleef tot in de negentiende eeuw bestaan. Pas met de uitvinding van de kunstmest in de negentiende eeuw waren de heidevelden niet meer nodig voor de bemesting van de akkers en konden ze worden ontgonnen 33 voor de landbouw.

2.3.2 Historie Het plangebied lag in het begin van de negentiende eeuw op de zuidelijke rand van een groot, noordoost-zuidwest georiënteerd akkergebied, dat over het algemeen gekenmerkt werd door een netwerk van wegen, onregelmatige verkaveling en diverse nederzettingen, zoals Rosmalen, Nuland, Geffen en Heesch (zie bijlage 3). Op de rand van dit akkergebied en min of meer op de noordgrens van het plangebied liep een lange, rechte, noordoost-zuidwest georiënteerde weg, de Straatweg of Groote Baan van ‘s-Hertogenbosch naar Grave (de huidige A59). Deze weg boog in zuidelijke richting af, waarbij het plangebied werd doorsneden. De Straatweg vormde de opvolger van een oude doorgaande weg, De Oude Graafse Baan, die een meer slingerend verloop had. In het verlengde van het noordoost-zuidwestelijke deel van de weg bevond zich de Galge Steeg. Het grootste deel van het plangebied maakte deel uit van gebied dat in gebruik was als bouwland met plaatselijk percelen weiland en dat bekend stond als De Hei Kamp en De Raakt Zoggel. Dit gebied had een rationele inrichting met rechte wegen, zoals De Geffensche weer Scheut (de huidige Weerscheut), de Weg van Papendijk naar Heeschewinkel, de Zoggelsche Weg (de huidige Zoggelsestraat), de Kok Steeg en een aantal onbenaamde wegen (o.a. de huidige Raktstraat en de Achterste Groes).

Het gebied was verkaveld in strookvormige kavels, die over het algemeen gegroepeerd waren in blokvormige gebieden. Langs een aantal van de wegen in het plangebied bevond zich verspreide bebouwing, zoals langs de Groote Baan van ‘s-Hertogenbosch naar Grave en langs een aantal wegen in het zuidoostelijke deel van het plangebied . Deze laatste ijle bebouwingslinten vormden het gehucht Zoggel. Direct ten oosten van het plangebied bevond zich meer geconcentreerde bebouwing, het gehucht Nieuwe Erve. Dit toponiem wijst er, samen met de verkavelingswijze, op dat het gebied een relatief jonge ontginning is. Het gebied direct ten westen van dit gebied, en deels binnen het plangebied, was grotendeels onverkaveld. Het gebied stond bekend als De Rijt en Het Broek. Zoals

33

Barends et al. 2010; Spek 2004; Gerritsen & Rensink (red.) 2004. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

22

34

deze toponiemen al doen vermoeden was het een relatief nat gebied dat grotendeels bestond uit heide met plaatselijk weiland, zoals ter hoogte van De Vinkelsche Kampen. Het gebied werd doorsneden door een aantal rechte wegen, waaronder De Weg genaamd den Weerscheut (de huidige Nulandse Weerscheut) en de eerder genoemde De Ruiters Weg (de huidige Ruitersdam). Het natte karakter van de westelijke deel van het plangebied wordt bevestigd door de aanwezige waterlopen. Zowel De Ruiters Weg als de Groote Baan van ‘sHertogenbosch naar Grave werden geflankeerd door waterlopen. Ook langs de Kok Steeg bevond zich een waterloop, de Kleine Wetering, die een aftakking had naar De Vinkelse Kampen. Evenwijdig aan de Groote Baan van ‘s-Hertogenbosch naar Grave stroomde een waterloopje, dat achtereenvolgens bekend stond als Waterloopje De Run en de Reyt Sloot. Beide toponiemen zijn veel gebruikte 35 waternamen, die verwijzen naar een beek of waterloop.

Figuur 2.5 Ligging van het plangebied op een uitsnede van het Bonneblad omstreeks 1900.

In de loop van de negentiende eeuw is men vanuit de bestaande ontginningen geleidelijk De Rijt en het Broek gaan ontginnen als weiland (zie figuur 2.5). Ook 36 de bebouwing in en rond het plangebied is in deze periode uitgebreid. Omstreeks de Tweede Wereldoorlog was het gehele gebied in en rond het plangebied ontgonnen. In deze periode zijn tevens diverse wegen in het 37 plangebied aangelegd om het gebied beter te ontsluiten. Na de Tweede Wereldoorlog is de bebouwing in het plangebied langzamerhand 38 toegenomen en zijn de percelen geleidelijk vergroot. In de jaren zestig is de Groote Baan van ‘s-Hertogenbosch naar Grave verbreed en omgevormd tot een

34

Het toponiem ‘broek’ verwijst naar een moerassig en laaggelegen land, terwijl ‘rijt’ duidt op een waterloop (Beijers & Van Bussel 1996). 35 Beijers & Van Bussel 1996. 36 Topographische en Militaire kaart 1836-1843, Bonneblad 1868/1869/1870 en 1899. 37 Bonneblad 1907/1910/1913, 19221927/1928/ en 1943/1949, Topografische Karte 1942 en 1951. 38 Topografische kaart 1956.

23

Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

39

rijksweg. In de daaropvolgende jaren is de weg verder verbreed, waarbij tevens langs het noordoostelijke deel van het plangebied een nieuw tracé is aangelegd. Tegelijkertijd zijn langs de snelweg parallelwegen aangelegd, zoals de 40 Bosschebaan door het noordelijke deel van het plangebied. In de loop van de jaren zijn de erven in het plangebied steeds meer bebouwd geraakt en zijn plaatselijk ook nieuwe woningen verrezen. De huidige bebouwing in het plangebied dateert voornamelijk uit de jaren vijftig en zestig met over het algemeen jongere bijgebouwen. Plaatselijk bevinden zich nog gebouwen uit de 41 periode 1884 t/m 1943. Ondanks de toegenomen bebouwing is het plangebied nog steeds grotendeels onbebouwd en in gebruik als agrarisch gebied. Recentelijk hebben weer werkzaamheden aan de A59 plaatsgevonden, waarbij deze deels in zuidelijke richting is verplaatst en langs de noordwestgrens van het plangebied is komen te liggen. Tevens is in het uiterste westelijke deel een op- en 42 afrit aangelegd en is de parallelweg de Rekken gerealiseerd. De ontgrondingen die plaatselijk in het plangebied hebben plaatsgevonden (zie paragraaf 2.2) zijn op de oude kaarten niet terug te vinden. Plaatselijk hebben voor kleine percelen in het verleden saneringen plaatsgevonden. Dit hoeft echter niet te betekenen dat de bodem hier (diep) verstoord is.

Een sanering kan ook plaatsvinden door niet-destructieve methoden (bv. grondwateronttrekking) of 43 door afgraving van de bovengrond.

2.3.3 Archeologie Voor veel gebieden in Nederland zijn op verschillende niveaus (landelijk, provinciaal, gemeentelijk en/of regionaal) in het verleden archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Ook het plangebied valt binnen de kartering van enkele van deze kaarten. Het huidige beleid, dat van toepassing is op het plangebied, is gebaseerd op de gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten. In 2011 is door BAAC voor de gemeente Bernheze, waartoe het oostelijke deel van het plangebied behoort, een archeologische verwachtings- en beleidskaart opgesteld. Op de verwachtingskaart is aan het plangebied grotendeels een lage verwachting toegekend (zie bijlage 4). Het uiterste noordoostelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied valt binnen een hoger gelegen gebied, waaraan een middelhoge verwachting is toegekend. Aan de A59 en enkele aangrenzende ontgronde percelen is vanwege de verstoring geen archeologische verwachting gekoppeld. Op basis van deze verwachtingskaart is een archeologische beleidskaart opgesteld (zie bijlage 5). Voor de gebieden met een lage verwachting, de verstoorde gebieden, de gebieden zonder archeologische verwachting en de gebieden die archeologisch zijn vrijgegeven geldt geen onderzoeksplicht.

Voor de gebieden met een middelhoge archeologische verwachting geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 2 44 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2500 m . In 2010 is door Past2Present voor de gemeente Maasdonk een archeologische waarden en –verwachtingskaart opgesteld (zie bijlage 4). Op deze kaart heeft eveneens een groot deel van het plangebied een lage verwachting. Aan het uiterste noordelijke deel en een deel van het zuidelijke deel van het plangebied is 39

Topografische kaart 1967. Topografische kaart 1978. 41 BAG-viewer 2013. 42 Topografische kaart 1988 en 1991, ANWB 2004, Bing Maps 2013. 43 Bodemloket 2013. 44 Buesink, De Winter, Geerts & Bergman 2011. 40

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

24

een hoge verwachting toegekend. De gebieden waarvoor een ontgrondingsvergunning is afgegeven zijn gekarteerd als gebieden zonder 45 archeologische verwachting. Volgens de Erfgoedverordening van de gemeente Maasdonk zijn bodemverstoringen niet verboden in de gebieden zonder of met een lage archeologische verwachting. In gebieden met een hoge archeologische verwachting mag de bodem niet worden verstoord als de verstoring dieper dan 2 30 cm -mv en groter dan 200 m is. Indien de bodem toch dieper en groter dan de genoemde grenzen verstoord zal worden, dient een archeologisch onderzoek te 46 worden uitgevoerd. In en rond het plangebied zijn in het verleden daadwerkelijk archeologische waarden aangetroffen. In database van het RCE, ARCHIS II, zijn rond het 47 plangebied binnen een straal van 500 meter in een vergelijkbare landschappelijke context diverse archeologische vondsten bekend (zie bijlage 6). De lokale heemkunde verenigingen hebben geen aanvullende informatie 48 aangeleverd. Ook bij de adviseurs en stadsarcheologen van de (omringende) 49 gemeenten was geen aanvullende informatie van het gebied bekend. Archismeldingen In en direct langs het uiterste westelijke deel van het plangebied hebben in het verleden een groot aantal archeologische onderzoeken plaatsgevonden.

Zo heeft RAAP in 2000 in het kader van de omvorming van de provinciale weg N50 tot de rijksweg A59 langs de zuidzijde van de toenmalige N50 op meerdere locaties een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 10658, 10660, 10662, 10664, 10666, 10668 en 10670). Deze onderzoeken hebben een kleine overlap met het uiterste noordwestelijke deel van het plangebied. Bij het onderzoek zijn op diverse locaties archeologische vondsten gedaan. Het betreffen fragmenten gedraaid aardewerk uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd (ARCHIS-waarnemingsnr. 130953 en 130957), handgevormd aardewerk, dat niet nader gedateerd is dan Romeinse tijd-nieuwe tijd (ARCHIS-waarnemingsnr. 130955) en handgevormd aardewerk uit de middeleeuwen-nieuwe tijd (ARCHISwaarnemingsnr. 130956). Ten zuidwesten van het plangebied is bij dit onderzoek een fragment handgevormd aardewerk uit de vroege middeleeuwen-D gevonden (ARCHIS-waarnemingsnr. 130954). Ten zuidoosten van het plangebied is in Archis een waarneming geregistreerd die betrekking heeft met het booronderzoek. De locatie van deze waarneming komt niet overeen met de daadwerkelijke vondstlocatie; deze ligt langs de noordrand van het huidige plangebied. Het betreft een fragment handgevormd aardewerk uit de late bronstijd-ijzertijd (ARCHIS-waarnemingsnr. 130952).

Uit het booronderzoek is vastgesteld dat de bodem ter hoogte van het uiterste westelijke deel van het huidige plangebied (d.w.z. ten westen van de Nulandse Weerscheut) bestaat uit beekeerdgronden, waarbij het oorspronkelijke reliëf is geëgaliseerd. Plaatselijk, zoals in het uiterste westelijke deel van het huidige plangebied, is de bodem geheel verstoord. Ten oosten hiervan komen veldpodzolgronden voor, die zijn afgedekt met een esdek. De hogere delen zijn 45

Van Roode 2010. Gemeente Maasdonk 2010. 47 In bijlage 5 zijn de gegevens uit ARCHIS binnen een straal van 3 km weergegeven. In deze paragraaf worden alleen de gegevens in de directe omgeving van het plangebied beschreven die een grote relevantie voor het plangebied hebben. 48 Schriftelijk informatieverzoek Heemkundewerkgroep Nuewelant (Nuland), Heemkundekring De Elf Rotten (Heesch) en Heemkundegroep Vladerack (Geffen) 22 februari 2013. 49 Mondelinge informatie dhr. R. Jansen (gemeentearcheoloog Oss)19 maart 2013, mondelinge informatie mw. A. Visser (Monumentenhuis Brabant) 7 maart 2013. 46

25

Plangebied Heesch-West, gemeenten Maasdonk en Bernheze

afgetopt (humeuze bovengrond van circa 50 cm) en de lagere delen zijn opgevuld (humeuze bovengrond tot 110 cm dik). Op basis van de resultaten van dit onderzoek zijn drie vindplaatsen aangewezen, waarvan er 1 direct ten noorden van het plangebied lag (vondst van prehistorisch aardewerk). Ter plaatse van de vindplaatsen is geadviseerd vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een begeleiding, terwijl het resterende deel van het toenmalige plangebied is 50 vrijgegeven. In 2003 is deze archeologisch begeleiding door BAAC uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 5202). Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische sporen uit de prehistorie aangetroffen. Wel werd een schaapskooi met potstal uit de zeventiende of achttiende eeuw aangetroffen, waarna besloten is een definitief archeologisch onderzoek uit te voeren (onderzoeksmeldingsnr. 5648). De schaapskooi lag in een vochtig gebied, dat over het algemeen onaantrekkelijk was voor menselijke bewoning. In het gebied werden naast sporen ook aardewerkfragmenten uit de periode vanaf de eerste helft van de zeventiende eeuw gevonden (ARCHIS-waarnemingsnr. 401006). Alleen het uiterste zuidelijke deel van dit onderzoek valt binnen het huidige plangebied. Hier zijn destijds geen 51 relevante sporen gevonden. Direct ten noorden van dit onderzoek hebben nog drie onderzoeken plaatsgevonden.

Zo heeft Synthegra in 2008 en 2009 een archeologisch bureauen booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 32315 en 33268). In het plangebied is in de humeuze bovengrond een fragment aardewerk aangetroffen, dat niet nader gedateerd kon worden dan Romeinse tijd-nieuwe tijd (ARCHISwaarnemingsnr. 421068). Uit het onderzoek bleek echter dat het gebied in het verleden volledig is afgegraven, waardoor geen vervolgonderzoek werd geadviseerd. Op een aangrenzend terrein heeft BILAN in 2006 een archeologisch booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 1878). Het gebied bleek te zijn afgegraven, waardoor eveneens geadviseerd is geen vervolgonderzoek uit te voeren. Uit het onderzoek bleek dat het plangebied is ontgrond. Er werd echter nog een vermoedelijk ontginningsgreppel (herkenbaar als een donkere laag) aangetroffen met baksteen- en aardewerkfragmenten uit de periode 1300-1500 n.C. Gezien de ontgronding zullen alleen nog diepe grondsporen aanwezig zijn en is geen vervolgonderzoek geadviseerd (ARCHIS-waarnemingsnr. 425387). In 2001 is door BILAN een archeologisch booronderzoek uitgevoerd in vijf deelgebieden, waaronder twee ter hoogte van de A59 (onderzoeksmeldingsnr. 20412). Op basis van dit onderzoek is geadviseerd vervolgonderzoek uit te voeren. In het zuidelijke deel, ter hoogte van de huidige weg, werden beekeerdgronden en een klein deel met veldpodzolen aangetroffen.

De veldpodzolen waren afgedekt met een dun plaggendek. In het gebied werden aardewerkfragmenten uit de zeventiende tot en met de twintigste eeuw aangetroffen, die waarschijnlijk met de plaggenbemesting in het gebied terecht zijn gekomen. Op basis van deze resultaten is geadviseerd in dit deel van het 52 plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. In het gebied ten noorden van de A59 werden aanwijzingen voor sterke verstoring van de natuurlijke ondergrond door egalisatie en ontgronding aangetroffen, waardoor aan dit gebied een lage archeologische verwachting is toegekend. In april 2012 heeft BAAC in verband met het bestemmingplan Nuland-Oost voor de noordzijde van de A59 een archeologisch bureau- en verkennend 50

Polman & Roymans 2000. Van Daele & van Genabeek 2004. 52 Dautzenberg, Kluiving & Witteveen 2002. 51

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

26

booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 51876). Uit dit onderzoek bleek dat in het plangebied hoge zwarte enkeergronden aanwezig zijn, die plaatselijk waren verstoord, maar vaak nog een oude akkerlaag of restant van een podzolprofiel bevatten. Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. Aan het plangebied is grotendeels een middelhoge tot hoge archeologische verwachting toegekend. Op basis van dit onderzoek is 53 vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven geadviseerd. In september 2012 heeft BAAC het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 53268). Bij dit onder zoek zijn vier vindplaatsen aangetroffen. Het betreffen mogelijke nederzettingsporen uit de late middeleeuwen-B die zijn afgedekt door (plaatselijk) een laag stuifzand en een dik esdek, agrarische sporen uit de nieuwe tijd, karrensporen en bestrating van een noordoost-zuidwest georiënteerde weg en sporen van bewoning uit de nieuwe tijd. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat de vindplaats met middeleeuwse nederzettingssporen behoudenswaardig is en is geadviseerd om (bij verstoring) de resten op te 54 graven. Inmiddels is door BAAC in april 2013 een opgraving uitgevoerd ter plaatse van de middeleeuwse vindplaats (onderzoeksmeldingsnr. 56322). De uitwerking van dit onderzoek is nog gaande.

In 2011en 2012 zijn voor een aantal gebieden aan de noordzijde van de A59 archeologisch bureau- en booronderzoeken uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 44874, 46575 en 53740). De resultaten van deze onderzoeken zijn echter niet 55 beschikbaar. In 2008 is door BAAC voor een klein gebied ten noorden van de A59 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnr. 28729). Op basis van dit onderzoek is een hoge verwachting voor archeologische waarden uit het laatpaleolithicum tot en met de nieuwe tijd toegekend en is geadviseerd een 56 karterend booronderzoek uit te voeren. In en grenzend aan het centrale deel van het plangebied hebben in het verleden nauwelijks archeologische onderzoeken plaatsgevonden en zijn evenmin veel warnemingen bekend. Op ruim 350 m ten noorden van het centrale deel van het plangebied bevindt zich een waarneming die gebaseerd is op archief onderzoek en die betrekking heeft op een versterking uit de middeleeuwen-nieuwe tijd (ARCHIS-waarnemingsnr. 414261). Iets oostelijker is op 150 m ten noorden van het plangebied door ArcheoPro een archeologisch booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmeldingnr. 40803). Bij het onderzoek bleek dat de bodem als gevolg van afgraving tot in de C-horizont is verstoord. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Derhalve is geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10218515/2