b3 Bijlagenboek ruimtelijke motivering Dungense Polder
Tekst van het document
Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. Een Rode lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, sprinkhanen, krekels, korstmossen, land- en zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren. Volgens de actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn nabij de onderzoekslocatie de volgende Rode lijst soorten waargenomen: gele kwikstaart, koekoek, ransuil, torenvalk, bunzing, haas en kamsalamander. De ransuil, bunzing, haas en kamsalamander zijn eerder in deze rapportage al aan bod gekomen.
De gele kwikstaart, koekoek en torenvalk behoren tot de overige broedvogels zoals benoemd in paragraaf 4.1.2. Ten aanzien van Rode lijst soorten is het is voldoende om de maatregelen te treffen zoals beschreven in hoofdstuk 5. Door te voldoen aan de voorschriften uit hoofdstuk 5 met betrekking tot broedvogels en de algemene zorgplicht kan worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst. Door de natuur-inclusieve inrichting van het zonnepark in de toekomst zal mogelijk zelfs beter geschikt leefgebied ontstaan.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 29-01-2025
Versie D1
16/34
5
Toetsing aan soortenbescherming
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
5.1
Broedvogels
5.1.1
Jaarrond beschermde broedvogels
Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief De nesten van roofvogels zijn gedurende het hele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 4 van vogelnesten. Dit zijn nesten van vogels die ieder jaar terugkeren naar een specifiek nest. Volgens artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het verboden nesten van roofvogels te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. De (middel)grote nesten ten oosten van de onderzoekslocatie dienen mogelijk als vaste verblijfplaats van een roofvogelsoort. Het wordt aanbevolen om verstorende werkzaamheden met bijvoorbeeld lawaai producerende machines buiten het broedseizoen uit te voeren om eventuele verstoringen te voorkomen. Globaal kan voor het broedseizoen van deze soorten de periode februari tot augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien dit niet mogelijk is, is aanvullend onderzoek benodigd in de betreffende broedperiode van de betreffende soorten. Indien er actieve nesten van roofvogels aanwezig blijken te zijn, dienen maatregelen getroffen te worden. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd via het Omgevingsloket, middels een vergunningsaanvraag.
5.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien buiten het broedseizoen wordt gestart met de werkzaamheden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige op het gebied van vogels.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 29-01-2025
Versie D1
17/34
5.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. De watergang ten westen en de bomenrij en bosschage ten oosten van de onderzoekslocatie kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Deze elementen zullen behouden blijven in de toekomstige situatie, waardoor geen vliegroutes verstoord worden, vooropgesteld dat er geen additionele (bouw)verlichting plaatsvindt richting deze elementen. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken door gebruik te maken van aangepaste armaturen, waaronder een aangepaste lampenkap, amberkleurig licht en een naar beneden gericht lichtpunt.
5.3
Das
De das is een beschermde inheemse diersoort onder artikel 11.54, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een mogelijk in de buurt verblijvende das, kan de onderzoekslocatie gebruiken als foerageergebied. Het is daarom niet op voorhand uit te sluiten dat er door de voorgenomen ingreep negatieve effecten ontstaan voor de das. Dit dient middels nader onderzoek uitgezocht te worden. Indien blijkt dat de locatie onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied dan zijn maatregelen aan de orde welke worden vastgelegd in een activiteitenplan. Dit activiteitenplan dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie NoordBrabant, middels een ontheffingsaanvraag. Het onderzoek naar de functie van de onderzoekslocatie voor de das kan jaarrond uitgevoerd worden middels het plaatsen van cameravallen en een aantal gerichte terreininspecties. Daarnaast kan aanvullend gebruik worden gemaakt van gegevens van Stichting Das & Boom of Stichting Dassenwerkgroep Brabant.
5.4
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 29-01-2025
Versie D1
18/34
5.5
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 29-01-2025
Versie D1
19/34
6
Toetsing aan gebiedsbescherming
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
6.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Vlijmens Ven, Moer-putten & Bossche Broek, bevindt zich op circa 2,3 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie (figuur 6.1).
Figuur 6.1
Ligging onderzoekslocatie (pijl) ten opzichte van Natura 2000 (gele vlakken).
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn echter op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 29-01-2025
Versie D1
20/34
6.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt wel in de directe nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 75 meter ten oosten van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 6.2
Ligging onderzoekslocatie (wit omlijnd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bruine vlakken
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 29-01-2025
Versie D1
21/34
7
Houtopstanden
In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in artikel 11.111 (Bal) buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 29-01-2025
Versie D1
22/34
8
Samenvatting en conclusies
Sweco heeft van Lightsource Renewable Energy opdracht gekregen voor het actualiseren van de quickscan Wet natuurbescherming aan de Bosscheweg (ong.) te ’s-Hertogenbosch (rapport 18181.002, Econsultancy, d.d. 15 februari 2022) tot een quickscan natuurwaarden onder de Omgevingswet. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren op de onderzoekslocatie. Het perceel wordt ecologisch ingepast en zal een functie krijgen in onder andere waterberging en verhoging van de biodiversiteit. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. Ook zijn de effecten op beschermde gebieden en houtopstanden weergegeven. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.
In de tabellen is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Tabel 8.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaan vraag
Bijzonderheden / opmerkingen**
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
buiten het broedseizoen starten met de werkzaamheden of voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen van boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief uitvoeren of aanvullend onderzoek naar genoemde soorten
verblijfplaatsen
in directe omgeving
nee
nee
nee
* voorkomen van additionele (bouw)verlichting richting de boom met spleet ten oosten
foerageergebied
minimaal
nee
nee
nee
-
vliegroutes
in directe omgeving
nee, mits*
nee, mits*
nee, mits*
* voorkomen van additionele (bouw)verlichting richting de watergang ten westen en de bomenrij en bosschage ten oosten van de onderzoekslocatie
Licht beschermd
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van soorten als konijn, haas en diverse muizensoorten
Streng beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek ten aanzien van de das
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van soorten als bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Grondgebonde n zoogdieren
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 29-01-2025
Versie D1
23/34
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaan vraag
Bijzonderheden / opmerkingen**
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplic ht
Natura 2000
2,3 km
mogelijk
ja
mogelijk
stikstofonderzoek benodigd
Natuurnetwerk Nederland
75 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
-
Conclusie
Op basis van onderhavige quickscan natuurwaarden dient voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor de das. In enkele bomen binnen de invloedssfeer van de onderzoekslocatie bevinden zich potentiële nestlocaties van boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en/of wespendief. Gezien deze bomen behouden blijven is het voldoende om verstorende werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van de betreffende soorten (buiten februari tot en met augustus). Indien dit niet mogelijk is, is aanvullend onderzoek ten aanzien van deze soorten benodigd. Gelet op de watergang ten westen en de bomenrij en bosschage ten oosten van de onderzoekslocatie, zijn overtredingen van de Omgevingswet te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting deze elementen tijdens de bouw- en eindfase dient te worden voorkomen. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te starten met de werkzaamheden buiten het broedseizoen.
Indien binnen het broedseizoen gestart gaat worden, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden is een stikstofonderzoek benodigd. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 29-01-2025
Versie D1
24/34
GERAADPLEEGDE BRONNEN Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017). Kennisdocument buizerd. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-002-KennisdocumentBuizerd-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 24 januari 2025 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Den Bosch, periode 2012-2022. NDFF. Geraadpleegd op 10 februari 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. RAVON (z.d.). Soortinformatie. Geraadpleegd op 10 februari 2022 van https://ravon.nl/Soorten/Soortinformatie. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 10 februari 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge (2015). Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 10 februari 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Zoogdiervereniging (z.d.). Zoogdiersoorten.
Geraadpleegd op 10 februari 2022 van: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 21-01-2025
Versie D1
Bijlage 1 natuurwetgeving en doelen natura 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000.
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.
Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow).
Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 21-01-2025
Versie D1
Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van:
De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 21-01-2025
Versie D1
Bijlage 2 natuurwetgeving natuurnetwerk Nederland Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie is getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1 januari 2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.
In de Omgevingswet staan de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 en 5 Ow en artikel 7.6, lid 1 Bkl).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden.
Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen).
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 21-01-2025
Versie D1
Bijlage 3 Omgevingswet 8.1.1
Omgevingswet
AFDELING 2.6 BIJZONDERE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN § 2.6.3 Bijzondere bevoegdheden natuur en landschap
Artikel 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan nationale parken aanwijzen. 4. Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. 5. Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000- gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen.
AFDELING 5.1 DE OMGEVINGSVERGUNNING § 5.1.1 Verbodsbepalingen
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. b. c. d. e. f. g.
een afwijkomgevingsplanactiviteit, een rijksmonumentenactiviteit, een ontgrondingsactiviteit, een stortingsactiviteit op zee, een Natura 2000-activiteit, een jachtgeweeractiviteit, een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit,
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 21-01-2025
Versie D1
f.
een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven, 4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, g. een flora- en fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. § 5.1.2 Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag
Artikel 5.7 (aanvraag los of gelijktijdig) 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. 2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4. 3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.
8.1.2
Besluit kwaliteit leefomgeving
AFDELING 7.3 INSTRUCTIEREGELS MET HET OOG OP NATUURBESCHERMING § 7.3.1 Natuurnetwerk Nederland
Artikel 7.6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1. Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de wet, vormen, aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2. De militaire terreinen OT De Haar, OT De Vlasakkers, OT Havelte West, OT Leusderheide, OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide, genoemd in bijlage XIV, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd, maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland.
Artikel 7.8 (beschermingsregime)
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 21-01-2025
Versie D1
1. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet; en b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet. 2. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 3. Over militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, binnen het natuurnetwerk Nederland worden bij omgevingsverordening alleen regels gesteld die verzekeren dat tijdige compensatie plaatsvindt van de nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk door terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen.
8.1.3
Besluit activiteiten leefomgeving
AFDELING 11.1 ACTIVITEITEN MET MOGELIJKE GEVOLGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN OF BIJZONDERE NATIONALE NATUURGEBIEDEN § 11.1.1 Algemeen
Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; b. wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; c.
als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen; Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 21-01-2025
Versie D1
e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. AFDELING 11.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT DIEREN OF PLANTEN IN HET WILD § 11.2.1 Algemeen
Artikel 11.27 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1˚. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2˚. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3˚.
dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4˚. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 21-01-2025
Versie D1
3. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
Artikel 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren) Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
§ 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn
Artikel 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚.
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.
§ 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten
Artikel 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 21-01-2025
Versie D1
c.
het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Bosscheweg (ong.) te ‘s-Hertogenbosch Projectnummer 51027966 Datum 21-01-2025
Versie D1
Bijlage 3 - Aanvullend onderzoek das
RAPPORTAGE Aanvullend onderzoek das Kloosterstraat (ong.) en Bosscheweg (ong.) 's-Hertogenbosch
Rapport aanvullend onderzoek das Kloosterstraat (ong.) en Bosscheweg (ong.), 's-Hertogenbosch Opdrachtgever
Lightsource Renewable Energy Prins Bernhardplein 200 1097 JB Amsterdam
1
Rapportnummer
15497.004
Versienummer
D4
Status
Definitief
Datum
4 december 2023
Opsteller1
De heer T. van Beuningen, BSc
Kwaliteitscontrole
De heer ir. B.H.H. Verdijck
AVG
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................. FOUT! BLADWIJZER NIET GEDEFINIEERD. 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie .............................................................................. 3
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK .................................................................................................. 5
4
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 7
5
ONDERZOEKSRESULTATEN ........................................................................................................................ 8
6
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING.................................................................................................. 10
7
CONCLUSIE .............................................................................................................................................. 11
15497.004
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Lightsource Renewable Energy opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend onderzoek das aan de Kloosterstraat (ong.) en Bosscheweg (ong.) te 's-Hertogenbosch. Het aanvullend onderzoek das is uitgevoerd in het kader van een aanvraag strijdig gebruiken omgevingsvergunning en naar aanleiding van de resultaten van de quickscan Wet natuurbescherming die Econsultancy in februari 2022 voor beide locaties heeft uitgevoerd (rapport 18181.002, d.d. 15 februari 2022; rapport 15497.003, d.d. 21 februari 2022). Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
15497.004 versie D4
1 / 11
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocaties liggen aan de Kloosterstraat (ong.) (± 6,4 ha) en Bosscheweg (ong.) (± 6,7 ha) te 's-Hertogenbosch. In figuur 2.1 en 2.2 zijn de onderzoekslocaties weergegeven. De onderzoekslocaties liggen op circa 500 meter afstand van elkaar. De onderzoekslocatie bestaat in totaal uit zes agrarische percelen, waarvan twee graslanden en vier akkerpercelen.
Figuur 2.1
Ligging van de oostelijke onderzoekslocatie aan de Bosscheweg (wit omkaderd).
Figuur 2.2 Ligging van de westelijke onderzoekslocatie aan de Kloosterstraat (wit omkaderd).
15497.004 versie D4
2 / 11
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie De initiatiefnemer is voornemens om zonneparken te realiseren op de onderzoekslocaties. De percelen worden ecologisch ingepast en zullen een functie krijgen in onder andere waterberging en verhoging van de biodiversiteit (figuur 2.3 en 2.4). Deze verhoging van de biodiversiteit wordt behaald doormiddel van het realiseren van onder andere struweelhagen, grasland voor weidevogels, bloemrijke beheerpaden, natuurlijke oevers en aanvullen omliggende groenstructuren. Deze ecologische inpassingen en meer zijn omschreven in het projectvoorstel zonneweide Dungens polder en het projectvoorstel zonneweide Kloosterstraat (bron: Lightsourcebp, 12 maart 2021). Deze ecologische verbeteringen worden bij Lightsourcebp gewaarborgd in het biodiversiteit managementplan (figuur 2.5). Lightsourcebp vindt als bedrijf milieu, duurzaamheid en daarbij ecologie en biodiversiteit erg belangrijk. Zo voeren ze voor projecten geotechnisch onderzoek uit om aantasting van bodemkwaliteit te voorkomen en stellen ze een ecologisch plan op die de volledige voedselketen ondersteund. Daarnaast gebruikt Lightsourcebp ervaringen uit het buitenland (waar soortgelijke plannen al een eis zijn) om hier in Nederland een ecologisch plan op te stellen. Lightsourcebp stelt voor elke zonneweide een uniek plan op en noemt deze plannen biodiversiteit managmentplan (BMP).
Figuur 2.3 Projectvoorstel met ecologische inpassingen Kloosterstraat (bron: Figuur 2.4 Projectvoorstel met ecologische inpassingen Bosscheweg. (bron: Lightsourcebp). Lightsourcebp).
15497.004 versie D4
3 / 11
Figuur 2.5
Biodiversiteit management plan (bron: Lightsourcebp).
15497.004 versie D4
4 / 11
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK
Uit de quickscan Wet natuurbescherming is geconcludeerd dat er enkel voor de das een aanvullend onderzoek benodigd is. Potentieel in de buurt verblijvende dassen kunnen de onderzoekslocatie gebruiken als foerageergebied. Het was daarom niet op voorhand uit te sluiten dat er door de voorgenomen ingreep negatieve effecten zouden ontstaan voor de das. Hiervoor is een aanvullend onderzoek uitgevoerd en is onderhavig rapportage opgesteld. Indien er werkzaamheden plaats zullen vinden aan de sloot en/of begroeiing aan de westzijde van de onderzoekslocatie aan de Kloosterstraat dienen maatregelen, om negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter en kleine marterachtigen te voorkomen, te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Aangezien Lightsourcebp er in de planrealisatie rekening mee houdt dat deze watergang niet aangetast wordt worden negatieve effecten tegenover steenmarter en kleine marterachtige uitgesloten. In enkele bomen binnen de invloedssfeer van de onderzoekslocatie aan de Bosscheweg bevinden zich potentiële nestlocaties van boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en/of wespendief. Gezien deze bomen behouden blijven is het voldoende om verstorende werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen Lightsourcebp heeft aangegeven dat er buiten het broedseizoen gestart wordt.
Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve effecten op boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en/of wespendief zullen plaatsvinden. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te starten met de werkzaamheden buiten het broedseizoen. Lightsourcebp heeft aangegeven dat er buiten het broedseizoen gestart wordt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve effecten op algemene broedvogels zullen plaatsvinden. Gelet op de watergang en bomenrijen grenzend aan de onderzoekslocaties, zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming te vermijden als mogelijke vliegroutes en verblijfplaatsen functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting deze elementen tijdens de bouw- en eindfase dient te worden voorkomen. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken. Lightsourcebp heeft aangeduid de additionele (bouw)verlichting te voorkomen, hiermee zijn negatieve effecten tegenover vliegroutes niet te verwachten.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.
15497.004 versie D4
5 / 11
15497.004 versie D4
6 / 11
4
ONDERZOEKSMETHODIEK
Ten aanzien van de das is een inspectie uitgevoerd van het (voor de das geschikte) gebied rondom de onderzoekslocatie (figuur 4.1). Hierbij is gelet op de aanwezigheid van burchten, dassenpijpen en sporen als wissels, prenten, latrines, mest- en snuitputjes. Door middel van een leefgebiedanalyse is in kaart gebracht waar zich de bestaande burcht(en) en geschikte foerageergebieden bevinden. De leefgebiedanalyse zal uit moeten wijzen of de onderzoekslocatie deel uitmaakt van het essentiële leefgebied van de das.
Figuur 4.1
Onderzochte gebied (wit omkaderd) met daarin de onderzoekslocaties (rood omkaderd).
15497.004 versie D4
7 / 11
5
ONDERZOEKSRESULTATEN
Op 19 september 2023 is een veldbezoek uitgevoerd naar gebruiksindicaties van de das op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. In de omgeving van de onderzoekslocatie op circa 500 meter zijn twee dassenburchten aangetroffen (zie figuur 5.1).
Figuur 5.1
Ligging van de onderzoekslocatie (wit omkaderd) ten opzichte van de aangetroffen burchten (das figuren) en de aangetroffen sporen (rode punten).
Uit de sporen gevonden op 19 september 2023 is af te leiden dat de twee burchten actief in gebruik zijn door de das omdat deze recent belopen waren, weinig blad bevatten en vers vergraven zand bij de pijpen aanwezig was (zie figuur 5.2 en 5.3).
15497.004 versie D4
8 / 11
Figuur 5.2 Dassenburcht op circa 500 meter van de onder- Figuur 5.3 Dassenburcht op circa 500 meter van de onderzoekslocatie met verse gebruikssporen. zoekslocatie.
Op de westelijke planlocatie zijn pootafdrukken van de das waargenomen (zie figuur 5.4). Op de oostelijke planlocatie zijn geen dassensporen aangetroffen. In de directe omgeving zijn echter wel sporen in de vorm van neusputjes aangetroffen, respectievelijk op 150 en 500 meter van de oostelijke planlocatie (zie figuur 5.6). Door de aangetroffen sporen in combinatie met het feit dat de planlocaties zich binnen 1500 meter van de burcht bevinden kan gesteld worden dat beide planlocaties onderdeel uitmaken van het foerageergebied van de das.
Figuur 5.4 Pootafdruk van de das op Figuur 5.5 Vraatsporen op circa 700 Figuur 5.6 Graafputjes op circa 150 westelijke onderzoekslocatie. meter van de onderzoekslocatie. meter van de onderzoekslocatie.
15497.004 versie D4
9 / 11
6
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING
De das is een beschermde inheemse diersoort en is tevens opgenomen in onderdeel A, behorende bij artikel 3.10, eerste lid, van de nationaal beschermde dier- en plantensoorten volgens de Wet natuurbescherming. Als gevolg van de voorgenomen plannen gaat zonder het nemen van maatregelen mogelijk de functie verminderd worden van op dit moment 6,4 hectare primair foerageergebied en 6,7 hectare secundair foerageergebied van de das. De initiatiefnemer is reeds voornemens om de zonneparken biodivers in te richten. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen zullen echter specifieke inrichtings- en beheersmaatregelen voor de das uitgewerkt dienen te worden. Deze maatregelen dienen in een ecologisch werkprotocol uitgewerkt te worden en de bijbehorende maatregelen dienen opgenomen te worden in het inrichtingsplan en beheersplan. De initiatiefnemer is voornemens om 6,6 hectare te bedekken met zonnepanelen. Door het treffen van maatregelen kunnen de zonnevelden mogelijk een secundaire foerageerfunctie voor de das behouden. De initiatiefnemer is voornemens om de overige 6,5 hectare van de planlocatie biodivers in te richten voor verschillende doelsoorten amfibieën, weidevogels en grondgebonden zoogdieren (paragraaf 2.2).
In het huidige plan van Lightsourcebp wordt geschikt primair foerageer- en leefgebied gecreëerd voor de das in de vorm van: struweelhagen die dienen als foerageermogelijkheid, schuilplaats en looproute voor de das; grasland voor weidevogels biedt ook jaarrond een voedselbron voor de das; natuurlijke oevers zullen als beschutting en rustzones voor dassen dienen; aanvullen omliggende groenstructuren bevordert het verplaatsen tussen foerageer- en leefgebied. De maatregelen welke getroffen worden voldoen aan de eisen zoals gesteld in het kennisdocument van de das (BIJ12, 2017).
15497.004 versie D4
10 / 11
7
CONCLUSIE
Econsultancy heeft van Lightsourcebp opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek, ten aanzien van de das, Kloosterstraat (ong.) en Bosscheweg (ong.) te 's-Hertogenbosch. Het aanvullend onderzoek das is uitgevoerd in het kader van de potentiële herontwikkeling (realisatie zonneparken) van de onderzoekslocatie. Om de effecten van de ingreep op de das volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming was er meer informatie nodig ten aanzien van de das. Ten aanzien van primair en secundair geschikt foerageergebied wordt geen compensatie nodig geacht mits de nieuwe situatie in wordt gericht zoals in paragraaf 2.2 wordt beschreven. Het huidige plan van Lightsourcebp creëert een erg geschikte toekomstige situatie voor de das. Om te waarborgen dat deze plannen gerealiseerd worden zal een ecologisch werkprotocol opgesteld worden. Het toekomstige zonnepark wordt geschikt en toegankelijk gemaakt voor de das volgens kennisdocument (Kennisdocument Das BIJ12, 2017). Voor de realisatie van de zonneparken is geen ontheffing nodig, ten aanzien van de das, wel zal een ecologisch werkprotocol opgesteld worden waarmee gewaarborgd wordt dat de locatie ingericht wordt als in paragraaf 2.2 (het plan van Lightsourcebp) beschreven wordt.
Econsultancy Boxmeer 4 december 2023
15497.004 versie D4
11 / 11
Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Broedseizoen Voor het broedseizoen staat in de wet geen vaste periode. De looptijd verschilt per soort en varieert per jaar. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 augustus. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden.
Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied.
Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.