CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

b1 Ruimtelijke Onderbouwing Zonnepark Roode Brug V5_1

Gemeenteraad 27 januari 2026, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Zonneparken aan de Roode Brug Rosmalen en Kerkdekske in Vinkel19.366 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afbeelding 16: Uitsnede kaart Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Zonneparken in het Landelijk gebied (Artikel 3.41) Het plangebied is in de Interim Omgevingsverordening aangewezen als Landelijk gebied. Artikel 3.41 schrijft het volgende voor met betrekking tot zelfstandige opstellingen van zonnepanelen:

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 28

Artikel 3.41 zonneparken in landelijk gebied Lid 1. Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: a. uit onderzoek blijkt dat de aanleg van het zonnepark noodzakelijk is omdat in onvoldoende mate voorzien kan worden in de behoefte voor duurzame energie: 1. door de ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie; 2. binnen Stedelijk gebied; 3. door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen; en 4. op gronden aansluitend op Stedelijk gebied. b. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit ; c. de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; d. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; e. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving. Lid 2. De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. de mate van meervoudig ruimtegebruik; b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; c. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen. Lid 3.

Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. b.

de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd; c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid geste De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities van de provincie Noord-Brabant. De randvoorwaarden die de provincie stelt worden in acht genomen door de initiatiefnemer. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities van de provincie Noord-Brabant. De randvoorwaarden die de provincie stelt worden in acht genomen door de initiatiefnemer. Ad 1. Nieuwvestiging van zelfstandige opstellingen a. De gemeente ’s-Hertogenbosch geeft aan zich in te zetten om te komen tot een duurzame energievoorziening. De ‘Visie Energielandschap’ is de uitwerking van de ambities van de RES Noordoost Brabant in ruimtelijk beleid en stelt voorwaarden aan locaties voor zonnevelden. Zoals gesteld in de ‘Visie Energielandschap’ is er binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch niet voldoende ruimte om de volledige energiebehoefte binnen het stedelijk gebied en/of op daken te vervullen. Derhalve is het noodzakelijk om grondgebonden zonneparken te ontwikkelen om de gestelde doelen te behalen.

Om de ontwikkeling van zonneparken ruimtelijk te kunnen sturen zijn er zoekgebieden aangewezen waar een zonnepark onder voorwaarden mogelijk is b. In de RES Noordoost Brabant en de gemeentelijke Visie Energielandschap en Selectieleidraad Zonnevelden worden zoekgebieden en aanvullende criteria gesteld voor mogelijke locaties voor het opwekken van zonne-energie. Voor zon-op-land initiatieven wordt in eerste instantie ingezet op locaties die aansluiten op grootschalige infrastructuur of aansluiten op het stedelijke gebied. De

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 29

locatie van voorliggend plan is direct tegen de A59 gelegen en sluit daarmee aan op het beleid van de gemeente ’s-Hertogenbosch. c. Voorliggend plan voorziet niet enkel in het opwekken van elektriciteit uit zonne-energie. De landschappelijke inpassing maakt de oude structuren van het landschap zichtbaar en draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit. In samenhang met de landschappelijke inpassing worden ook de natuurlijke kwaliteiten in het plangebied versterkt door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers met nieuwe poelen en het planten van gemengde struweelhagen, mantel-zoomvegetatie en kruidenrijk grasland. d. Voorliggend plan betreft een zonnepark van geringe omvang van 3,75 hectare, in het landschappelijk inpassingsplan (zie paragraaf 2.4) is rekening gehouden met de schaal- en karakteristieken van het landschap. e. Maatschappelijke meerwaarde wordt gecreëerd door het bieden van mogelijkheden van financiële participatie (zie paragraaf 2.3.6). f. Er is nog reeds overeenstemming met de netbeheerder over aansluiting van het zonnepark op het net, ook is hier reeds een aanbetaling voor gedaan. Netcapaciteit zal geen belemmering vormen voor de realisatie van voorliggend plan. Lid 2. De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a.

Voorliggend plan voorziet in meervoudig ruimtegebruik in de vorm van het ontwikkelen in nieuwe natuurwaarden binnen het plangebied zoals natuurlijke oevers met poelen, kruidenrijk grasland en mantel-zoomvegetatie. Dit zorgt voor een impuls voor de biodiversiteit voor zowel planten als diverse diersoorten. b. Door de beperkte omvang, het beperkte aantal omwonenden, ligging tegen de A59 en de gedegen landschappelijke inpassing (zie paragraaf 2.4) heeft het zonnepark op deze locatie weinig impact en draagt het bij aan de ruimtelijke kwaliteit. c. Initiatiefnemers bieden diverse mogelijkheden voor (financiële)participatie, zie paragraaf 2.3.6. Lid 3. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. De looptijd van het zonnepark bedraagt 25 jaar, dit is contractueel overeengekomen met de grondeigenaren en noodzakelijk voor een rendabele exploitatie van het zonnepark. b. Na verstrijken van de looptijd zal, zoals is vastgelegd met de grondeigenaar, het terrein in oorspronkelijke staat worden terug gebracht. c.

Hiervoor wordt een overeenkomst afgesloten tussen gemeente ’s-Hertogenbosch en initiatiefnemer.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 30

Afbeelding 17: Uitsnede kaart Stedelijke ontwikkeling en erfgoed (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Artikel 3.43 Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar In afwijking van Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: a. binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; d. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Het plangebied is gelegen binnen het gebied wat is aangewezen als ‘Verstedelijking afweegbaar’. Een zonnepark geldt echter niet als een stedelijke ontwikkeling 2. Het landschappelijke inpassingsplan voorziet in een kwaliteitsimpuls voor de gemeente en houdt tevens rekening met de structuren van het gebied en de naaste omgeving.

3.3.3 Conclusie provinciaal beleid Voorliggend plan is passend binnen het provinciaal beleid. Het plan voorziet in een bijdrage aan de energietransitie op een wijze die tevens bijdraagt aan opgaven op het gebied van onder andere klimaatadaptatie, biodiversiteit. Het plangebied sluit aan op het stedelijk gebied en draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit.

2

ECLI:NL:RVS:2019:178

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 31

3.4 Regionaal beleid 3.4.1 Regionale Energie Strategie Noordoost-Brabant De gemeente ’s-Hertogenbosch maakt deelt uit van de energie regio Noordoost-Brabant. In de regio Noordoost-Brabant werken de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijck, Grave, ’sHertogenbosch, Landerd, Meierijstad, Mill en Sint Hubert, Oss, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Uden en Vught, de waterschappen Aa en Maas en De Dommel en de provincie Noord-Brabant samen aan de regionale uitwerking van het Klimaatakkoord. In de RES Noordoost-Brabant worden zoekgebieden voor wind- en zonneenergie aangewezen en worden handreikingen aan gemeenten gegeven om te helpen bij het maken van keuzes. De opgave voor de opwekking van duurzame energie in de regio Noordoost-Brabant t/m 2030 is het realiseren van 5,8 petajoule (PJ) (1,6 TWh) duurzaam opgewekte elektriciteit uit wind- en zonne-energie (grootschalige opwekking en zon-op-dak) en overige technieken zoals biomassa. Deze opgave is vervolgens opgesplitst in de bijdrage van de gemeenten die samen de regio Noordoost-Brabant vormen. Voor ’s-Hertogenbosch ligt de opgave voor 2030 op het opwekken van 0,35 TWh. Hiervan is reeds 0,05 TWh gerealiseerd, zit er nog 0,06 TWh ‘in de pijplijn’ en ligt er een resterende opgave van 0,3 TWh.

Afbeelding 18: Uitsnede kaart zoekgebieden zon (Bron: RES Noordoost-Brabant)

In de RES is een overwegingskader gegeven als handreiking aan de gemeenten. Dit overwegingskader helpt de gemeenten bij het maken van beleidsmatige keuzes op het gebied van duurzame energie. Het overwegingskader bestaat uit vijf pijlers: 1. Potentie: theoretische potentie op basis van techniek en wet- en regelgeving voor warmte en elektriciteit. 2. Landschap: behoud en versterking van belangrijke landschappelijke waarden en beleving en betekenis van de leefomgeving voor mens en dier. 3. Maatschappelijke kosten en baten: de effecten van de energietransitie uitgedrukt in ‘harde data’ (geld of andere kwantiteiten) gecombineerd met ‘zachte data’ (maatschappelijke effecten, leefbaarheid en kwaliteit).

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 32

4.

5.

Koppelkansen: gebiedsgerichte aanpak van kansen en knelpunten met andere (regionale - en lokale) opgaven, zoals landbouwtransitie, natuurlijkontwikkeling, goed waterbeheer en klimaatadaptatie. Het gaat om ruimtebeslag en het effectief benutten hiervan. Maatschappelijke acceptatie: het gaat om het betrekken van inwoners, bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties, waardoor de verandering in de leefomgeving door de energietransitie geaccepteerd wordt.

De energietransitie heeft grote invloed heeft op de beleving van het landschap en de leefomgeving. De RES gaat daarom ook in op de ruimtelijke aspecten die energietransitie met zich mee brengt. Bij het maken van keuzes zijn een fijne leefomgeving en zorgvuldig ruimtegebruik centrale uitgangspunten. Er moet gezocht worden mogelijkheden om de energietransitie te combineren met andere opgaven zoals klimaatadaptatie en het versterken van de biodiversiteit. Voor een efficiënt ruimtegebruik en behoud van de landschappelijke kwaliteit, ook na 2030, geeft de RES de volgende uitgangspunten: • Zorg voor regionale differentiatie door clustering: concentreren en leeghouden. Voor zon is de zonneladder NOB van toepassing. De clustering van wind voorkomt een spreiding door het gehele gebied. • Sluit natuurgebieden (Natura 2000, Natuur Netwerk Brabant) en bestaande bossen uit voor zonneweiden en windturbines. • Combineer en verbind opgaven: zie de energietransitie als onderdeel van een gebiedsopgave. • Gebruik de beschikbare ruimte meervoudig en efficiënt. • Zet energietransitie in als hefboom voor kwaliteitsverbetering van het gebied. • Beschouw de RES als een ontwerpopgave. • Sluit aan bij en/of ontwerp met gebiedsspecifieke kenmerken. • Sluit aan bij de landbouwkundige structuren. • Kies een passende plaatsingsstrategie (inpassing, aanpassing of transformatie).

• Wees zorgvuldig met cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren. • Wees voorzichtig met de ondergrond en het watersysteem. • Zorg voor draagvlak onder de bevolking. In de Zonneladder (zie hieronder) wordt een prioriteit van 1 (hoogste prioriteit) tot 5 (laagste prioriteit) gegeven voor (mogelijke) locatie voor zonneparken. Dit is een belangrijk instrument voor het maken van keuze met betrekking tot locaties voor het opwekken van zonne-energie. ZONNELADDER: 1. Daken, constructies en infrastructuur • daken, overkappingen, parkeerplaatsen • op infrastructurele werken (geluidsschermen e.d.) • verwerkt in infrastructurele werken 2. Onbenutte gronden in de bebouwde omgeving • onbenutte bouwlocaties, braakliggende terreinen • industriële waterbassins 3. Terreinen in landelijke gebied niet zijnde landbouwgrond of natuur • vliegvelden, defensieterreinen, waterzuiveringsterreinen • binnenwateren 4. Terreinen aangrenzend aan de bebouwde omgeving • randen van industrie-en haventerreinen • stads- en dorpsranden 5. Landbouwgrond in landelijk gebied • voorkeur voor gronden met een verbeteringsaanleiding, meervoudig ruimtegebruik Afbeelding 19: Zonneladder (Bron: RES Noordoost-Brabant)

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 33

Tot slot sluit de RES Noordoost-Brabant aan bij de afspraken uit het Klimaatakkoord dat bij grootschalige zonen wind projecten (> 15 kWp) er sprake moet zijn van minimaal 50% eigenaarschap. Hierdoor worden niet alleen de lasten gedeeld, maar ook de lusten. Dit komt draagvlak voor grootschalige initiatieven ten goede. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan is passend binnen de uitgangspunten van de RES Noordoost-Brabant. Het plan voorziet in de opwekking van duurzame energie en, daarnaast is er sprake van meervoudig ruimtegebruik door het realiseren van nieuwe natuur binnen het zonnepark. Het plangebied is gelegen in een door de gemeenteraad van ’sHertogenbosch vastgesteld zoekgebied voor zon-op-land (zie afbeelding 19). Voor de realisatie van het zonnepark zal gebruik worden gemaakt van agrarische gronden. Deze gronden zijn echter pal aan de A59 gelegen. Doordat er voor de realisatie van het zonnepark gebruik wordt gemaakt van agrarische grond staat de locatie op trede 5 van de zonneladder. Het plan voorziet echter in meervoudig ruimtegebruik in de vorm van natuurontwikkeling in de vorm van natuurvriendelijke oevers met nieuwe poelen, mantel-zoomvegetatie, struweelhagen en kruidenrijk grasland.

Dit zorgt voor een impuls van de biodiversiteit en betere verbinding met omliggende NNB natuurgebieden en levert een bijdrage aan de klimaatadaptatie door meer ruimte te bieden voor waterberging en infiltratie in de bodem. De situering langs een grote verkeersader als een snelweg zorgt voor een geclusterde verstoring van het landschap, wat uiteindelijk als minder hinderlijk wordt ervaren dan een verspreide verstoring Zodoende sluit voorliggend plan aan op de uitgangspunten van de RES.

3.4.2 Conclusie regionaal beleid Het plan is passend binnen het beleid van de Regionale Energie Strategie Noordoost-Brabant. Het initiatief voorziet in de opwekking van elektriciteit uit zonne-energie op agrarische grond. Er wordt binnen het plan tevens gewerkt aan opgaven op het gebied van klimaatadaptatie en biodiversiteit. Maatschappelijke meerwaarde wordt verkregen door het versterken van het bestaande wandelpad. Door de ligging langs de A59 en de landschappelijke inpassing blijft de impact op de omgeving beperkt.

3.5 Gemeentelijk beleid In deze paragraaf zal worden ingegaan op het relevante (ruimtelijke) beleid van de gemeente ’sHertogenbosch, zoals dit is vastgelegd in beleidsstukken als de structuurvisie of omgevingsvisie en andere relevante nota’s op het gebied van landschap, energie en duurzaamheid. De regelgeving voortkomend uit het vigerende bestemmingsplan wordt buiten beschouwing gelaten. In paragraaf 1.3 is reeds het planologische regime aan bod gekomen. Op het moment van indienen van voorliggende aanvraag was de Ruimtelijke Structuurvisie “Stad tussen Stromen” (vastgesteld 28 januari 2014) van toepassing. Deze visie onderkent het belang van de energietransitie. Het opwekken van duurzame energie uit wind en zon wordt hierbij genoemd, maar zonder verdere uitwerking. In het kader van voorliggend plan is nadere toetsing aan de Ruimtelijke Structuurvisie derhalve niet van toegevoegde waarde.

3.5.1 Visie Energielandschap Op 7 juli 2020 is de structuurvisie ‘Visie Energielandschap’ vastgesteld door de gemeente ’s-Hertogenbosch. In deze visie is het beleid uitgewerkt om te komen tot een energie neutrale gemeente in 2050. Vanwege de grote ruimtelijke impact van zonnevelden en windmolens is er een speciale visie opgesteld die in gaat op de ruimtelijke aspecten van de energietransitie in het buitengebied van ’s-Hertogenbosch. Vanwege het diverse karakter van het buitengebied wordt er in de visie onderscheid gemaakt in meerdere deelgebieden.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 34

Afbeelding 20: Kaart deelgebieden (Bron: Visie Energielandschap ’s-Hertogenbosch)

In de Visie Energielandschap komt de zonneladder terug in enigszins versimpelde vorm met drie treden. De zonneladder stelt in de Visie Energielandschap voor om: 1. Eerst daken in te zetten voor zonnepanelen; 2. Vervolgens ruimte in stedelijk gebied en langs infrastructuur te benutten; 3. Pas als laatste over te gaan tot het plaatsen van zonnevelden in het buitengebied. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het plangebied is gelegen in het deelgebied Hooge Heide, door de A59 opgedeeld in Hooge Heide Noord en Hooge Heide Zuid. Hooge Heide is het landelijk gebied op de dekzandrug tussen Rosmalen, Nuland en Berlicum. Het is een overwegend droog gebied, maar wordt dooraderd door waterlopen als de Grote Wetering en Kleine Wetering. Hooge Heide Noord is gelegen op de flank van de dekzandrug, Hooge Heide Zuid is gelegen óp de dekzandrug. Dit gebied omvat naast bossen en natuurgebieden ook een aanzienlijk areaal jonge heideontginning. Het plangebied is gelegen in het overgangsgebied tussen bossen en het open heideontginningslandschap. Hooge Heide kent een afwisselend landschap van bos, heide, stuifzanden en open agrarisch gebied. Hier kunnen zonnevelden onder voorwaarden worden ingepast. De eventuele ontwikkeling van zonnevelden dient integraal worden benaderd. Hierbij kan worden gedacht aan: • • • •

Het versterken van de ruimtelijke structuur van het mozaïeklandschap door het aanplanten van houtwallen en houtsingels; De recreatieve gebruiksmogelijkheden te verruimen door de aanleg van wandelpaden; De ecologische kwaliteit te versterken door het toevoegen van nieuwe milieucondities zoals het realiseren van ecologische verbindingen of het toevoegen van een paddenpoel, en; Rekening houden met en/of versterken van cultuurhistorische waarden.

Voorliggend plan voorziet met de landschappelijke inpassing met gemengde struweelhagen langs de randen in versterking van de ruimtelijke structuur. Eveneens zorgen de struweelhagen zorgen met de te realiseren mantel-zoomvegetatie, kruidenrijk grasland en natuurvriendelijke oevers met nieuwe poelen voor verbetering van de ecologische kwaliteit / biodiversiteit en worden er nieuwe milieucondities toegevoegd. De historische verkavelingsstructuur, een cultuurhistorisch element wat verwijst naar de omliggende landgoederen, wordt

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 35

door het aanplanten van de struweelhagen weer zichtbaar gemaakt in het landschap. Met in acht name van het voorgaande kan gesteld worden dat voorliggend initiatief passend is binnen de Visie Energielandschap.

3.5.2 Selectieleidraad Zonnevelden Als uitwerking van de Visie Energielandschap en in samenhang met de Regionale Energie Strategie heeft de gemeente ’s-Hertogenbosch de Selectieleidraad Zonnevelden eerste tranche 100 hectare opgesteld. Aan de hand van deze leidraad kunnen de initiatieven voor de invulling van de ambities voor het opwekken van elektriciteit uit zonne-energie worden geselecteerd. De eisen uit de leidraad hebben met name betrekking op een integrale ruimtelijke visie waarin de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing, een goed woon- en leefklimaat en maatschappelijke meerwaarde worden aangetoond. Voortkomend uit het uitvoeringsprogramma van de Visie Energielandschap krijgen initiatieven voor zonnevelden op plassen en zonnevelden langs snelwegen voorrang. Wanneer er niet voldoende dergelijke initiatieven zijn komen plannen in aanmerking voor zonneparken langs andere grootschalige infrastructuurlijnen (bijv. spoorwegen), aansluitend op stedelijk gebied en als laatste zonneparken in kleinschalige landschappen. Daarnaast dienen initiatieven financieel en technisch haalbaar zijn. Gezien de krapte op het elektriciteitsnet dient hierover advies worden ingewonnen bij Enexis en/of Tennet. Daarnaast dient ieder plan minimaal 50% lokaal eigendom te garanderen.

Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het plangebied van zonnepark Roode Brug is direct aan de A59 gelegen, hiermee sluit het plan aan op het vereiste dat mogelijke locaties zijn gelegen aan grootschalige infrastructuur. Ten noorden van de A59 is het stedelijk gebied van Rosmalen gelegen en in oostelijke richting is het Autotron nabij gelegen. Hiermee sluit het plangebied ook aan op stedelijk gebied, of stedelijke functies. De nabijheid van o.a. het Autotron biedt ook kansen om de in het zonnepark opgewerkte elektriciteit te leveren aan het Autotron en andere omliggende bedrijven. Initiatiefnemers bieden mogelijkheid voor financiële participatie, waarbij lokale participanten voorrang hebben. Daarnaast voorziet voorliggend plan met de landschappelijke inpassing voor een impuls van de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit. Oorspronkelijke structuren worden weer zichtbaar in het landschap en gemengde struweelhagen, mantel-zoomvegetatie en kruidenrijk grasland zorgen voor een gemengd voedselaanbod en aantrekkelijk leefgebied voor diverse soorten vogels, insecten, zoogdieren en amfibieën.

3.5.3 Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021 In de verordening Bomen, Water en Groen (door de raad vastgesteld 9 maart 2021) bevat regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving met betrekking tot het vellen van houtopstanden, het lozen van gronden hemelwater en het verplicht realiseren van groen in het geval van verhardingstoename. De realisatie van een zonnepark wordt ook gezien als toename van verharding, waardoor de groennorm van toepassing is. Artikel 4.15 Verbod op het lozen van hemelwater 1 Het is verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2 De perceeleigenaar heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarvoor geldt dat: a. bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken;

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 36

b.

3.

4.

5.

bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van minder dan 500 m², de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 10 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken. Deze verplichting geldt niet indien voor de betreffende oppervlakte aan nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding, een groen dak wordt gerealiseerd met een minimale bergingscapaciteit van 25 mm per m². In afwijking van het tweede lid geldt dat indien een perceel is aangesloten op drukriolering de eigenaar van het betreffende perceel de verplichting heeft het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken. Indien voor het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding een vergunning voor een andere activiteit is benodigd, worden bij de aanvraag voor die vergunning de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een berekening van de wateropgave; b. een situatietekening van de hemelwatervoorziening. De hiervoor bedoelde hemelwatervoorziening dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van de nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding gerealiseerd te zijn. Aansluiting van de hemelwatervoorziening op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, dienen volgens de eisen van het college als beheerder te worden uitgevoerd.

Artikel 4.17 Kwaliteit te lozen hemelwater Het is verboden het afstromende hemelwater als bedoeld in artikel 4.15 te verontreinigen door het afspoelen of uitlogen van gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen. Artikel 4.20 Groennorm 1. Het is verboden meer dan 500 m2 nieuwe verharding te realiseren zonder daarbij te voldoen aan de groennorm die geldt voor een bepaald gebied, zoals opgenomen op de Groenkaart in bijlage 3 van deze Verordening, en te voldoen aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen in bijlage 4b van deze Verordening. 2. De groennorm wordt ingevuld aan de hand van de kwantitatieve groenscore, zoals opgenomen in bijlage 4a van deze Verordening. De kwalitatieve biodiversiteitsscore wordt bepaald aan de hand van bijlage 4b van deze Verordening. 3. Het college is bevoegd de kwantitatieve groenscore en de kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen op de in bijlage 4a en bijlage 4b bij deze Verordening te wijzigen. Artikel 4.21 Ontheffing groennorm 1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in artikel 4.20 indien redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan de groennorm of de minimaal te behalen kwalitatieve biodiversiteitscore. 2.

Bij de aanvraag om een ontheffing geeft de aanvrager een overzicht van de redenen waarom niet aan de groennorm of de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore kan worden voldaan. 3. Aan de te verlenen ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 37

Relatie met voorgenomen ontwikkeling Ten aanzien van de afvoer van hemelwater voldoet het zonnepark aan de regels zoals gesteld in artikel 4.15 van de verordening Bomen, Water en Groen. Hemelwater wordt niet afgevoerd op de riolering of openbaar terrein. Onder de opstellingen met panelen blijf het voor hemelwater mogelijk om te infiltreren in de bodem. De benodigde onderhoudspaden worden uitgevoerd in halfverharding en deze worden eveneens niet aangesloten op de riolering. Binnen het zonnepark worden geen uitloogbare materialen toegepast of stoffen gebruikt die het hemelwater kunnen verontreinigen. Hiermee wordt aan de regels van artikel 4.17 van de verordening voldaan. Het scoresysteem van de Verordening Bomen, Water en Groen voorziet niet in een systematiek voor zonnevelden waarbij sprake is van meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor kan redelijkerwijs niet aan de groennorm worden voldaan. Derhalve zal ontheffing van de groennorm worden aangevraagd. Hiervoor dient aangetoond te worden dat het plan wel bijdraagt aan de doelen van de verordening. Zoals in hoofdstuk 2.4 reeds is beschreven zal er samen met de realisatie van het zonnepark ook worden gewerkt aan landschappelijke en natuurlijke waarden. Rond de panelen zal kruidenrijk grasland worden gerealiseerd, worden nieuwe stuweelhagen, bomen en mantel-zoomvegetatie geplant.

Daarnaast wordt een nieuwe natuurvriendelijke oever aangelegd. Van het totale oppervlak van 3,77 hectare zal 1,92 hectare worden benut voor het plaatsen van opstellingen met panelen. De overige 1,85 hectare wordt natuurlijk ingericht. De licht op bodem opstelling in combinatie met een mengsel van grassoorten, met daarin ook soorten die goed tegen schaduw kunnen, zal in korte tijd zorgen voor een stevige begroeiing onder de opstellingen met panelen. Ook kan door de openingen tussen de panelen water goed verspreid over het plangebied infiltreren. Hiermee achten wij het aangetoond dat voorliggend plan in voldoende mate bijdraagt aan de doelen van de Verordening Bomen, Water en Groen.

3.5.4 Duurzaamheidsnota De gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch heeft in mei 2019 de duurzaamheidsnota ‘Samenwerken aan een duurzaam ’s-Hertogenbosch’ vastgesteld. Deze nota bevat ambities richting 2050 op het vlak van duurzaamheid, verdeeld over 4 thema’s, te weten; 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente; ’s-Hertogenbosch groen en klimaatbestendig in 2050 We gaan voor een vitale bodem en ondergrond, met een goede balans tussen benutten en beschermen We willen voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van de WHO Het geluidsniveau van weg- en railverkeer, bedrijvigheid, horeca en evenementen is beheersbaar 2. Co2-neutrale gemeente In 2050 is ’s-Hertogenbosch CO2 – neutraal In 2050 zijn de kringlopen in de landbouw gesloten In 2050 is ’s-Hertogenbosch CO2 – neutraal 3. Waardebehoud van grondstoffen In 2050 benutten we maximaal de waarde van grondstoffen In 2030 gebruiken we 50% minder primaire grondstoffen dan nu In 2050 is al ons afval grondstof voor de productieketen. 4. Duurzame mobiliteit In 2050 is al het vervoer schoon, slim en veilig Bij alle plannen dient aan de hand van de hierboven genoemde thema’s te worden beschreven op welke wijze het aspect duurzaamheid is meegenomen in het plan.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 38

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Gezonde, groene en klimaatbestendige stad Het zonnepark levert een bijdrage aan een gezonde, groene en klimaatbestendige stad door het vergroten van de biodiversiteit door onder meer de aanplant van struweelhagen, kruiden/bloemrijk gras, greppels met riet, een ruigteveld en een natuurvriendelijke oever langs de watergang langs de zuidelijke plangrens Energie- en Co2-neutrale gemeente Met de realisatie van het zonnepark wordt er door het opwekken van elektriciteit uit zonne-energie een bijdrage geleverd aan de ambitie om energie- en Co2-neutraal te zijn in 2050. Waardebehoud grondstoffen Het zonnepark wordt na de looptijd volledig ontmanteld. Door het toepassen van een schroef- of slagpalenfundering is ontmanteling eenvoudig. De restmaterialen (staal, kabels, technische installaties en panelen) worden volgens de dan geldende technieken hergebruikt en gerecycled. Duurzame mobiliteit Onder meer de groei van het aantal elektrische auto’s zal ook de vraag naar elektriciteit toenemen, waarvoor, bij voorkeur, ook duurzaam opgewekte elektriciteit beschikbaar is.

3.5.5 Conclusie gemeentelijk beleid Het initiatief voor zonnepark Roode Brug is passend binnen het gemeentelijk beleid. Het plangebied is gelegen langs infrastructuur (A59) en voorziet naast opwekking van duurzame energie ook in een impuls van de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit. . Ook draagt het plan bij de duurzaamheidsambities van de gemeente ’sHertogenbosch.

3.6 Conclusie Voorliggend plan is passend binnen het beleid van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente ’sHertogenbosch.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 39

4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling van het zonnepark Roode Brug op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora en fauna, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hieruit een conclusie getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.

4.2 Natuurwaarden Voortkomend uit de Wet natuurbescherming dient er rekening te worden gehouden met de verplichtingen op het gebied van soorten- en gebiedsbescherming. Ook spelen eventueel verplichtingen met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De voorgenomen ontwikkeling is door een ecoloog van Eelerwoude getoetst aan de Wet natuurbescherming en het NNN-beleid, zie bijlage 5 voor het separate rapport. De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag.

4.2.1 Soortenbescherming Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als haas en enkele algemene muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 40

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen3 uit te voeren. Ook in dit geval volstaat deze maatregel. Algemene zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.

4.2.2 Gebiedsbescherming Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Het plangebied is niet gelegen in beschermd natuurgebied. Gezien de aard en schaal van de ontwikkeling en de tussengelegen afstand tussen het gebied en Natura 2000 of NNB zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Omdat er sprake zal zijn van het gebruik van motorvoertuigen met stikstofemissies tijdens de aanlegfase kunnen effecten qua stikstofdepositie niet op voorhand worden uitgesloten.

Om aan te tonen dat de ontwikkeling niet leidt tot stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden, is een stikstofberekening benodigd, zie de bijbehorende rapportage in bijlage 5. De conclusie uit deze stikstofberekening is dat de significante negatieve effecten op voorhand zijn uit te sluiten, waarmee een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is en de ontwikkeling uitvoerbaar wordt geacht.

4.2.3 Bescherming houtopstanden Er zijn in het plangebied geen bomen aanwezig. Er worden daarom ook geen bomen verwijdert uit het plangebied als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden.

3 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 41

4.3 Archeologie Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied’, welke is vastgesteld op 29 juni 2001. Binnen dit bestemmingsplan kent het plangebied geen archeologische dubbelbestemmingen. In maart 2023 is door Laagland advies een bureauonderzoek uitgevoerd met als doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Zie bijlage 6 voor het rapport van dit onderzoek. Vanaf circa 1832 werd het terrein van het plangebied omschreven als heide en werd het plangebied doorsneden door ‘De Oude Postbaan’, een route die destijds reeds lange tijd aanwezig was. In de loop van de 19e eeuw is het plangebied ontgonnen.

Rond 1870 werden er sloten aangelegd waardoor het land gebruikt kon worden als bouwland. Het zuidelijke deel is voornamelijk in gebruik geweest als weiland. Het plangebied is nooit bebouwd geweest en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de bodem erg verstoord is. Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat er in het plangebied beperkt archeologische vondsten kunnen worden aangetroffen. Hoogstens kunnen er sporen van infrastructuur en sloten worden aangetroffen rond de voormalige postbaan. Dergelijke sporen hebben een lage archeologische waarde. Tevens is de kans gering dat eventuele archeologische waarden worden verstoord als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. De funderingspalen van de opstellingen met panelen zal slechts in beperkte mate leiden tot roering van de bodem. Op basis van het onderzoek is nader onderzoek niet aan de orde en wordt door het archeologisch bureau geadviseerd het plangebied vrij te geven. Hiermee wordt het voorgenomen initiatief uitvoerbaar geacht voor het aspect archeologie. Tot slot blijft te allen tijde de archeologische meldingsplicht van kracht. Dit betekent dat wanneer bij werkzaamheden archeologische vondsten worden aangetroffen waarvan kan worden aangenomen dat dit archeologische waardevolle vondsten betreffen, dit gemeld wordt bij het bevoegd gezag (conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11).

4.4 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten, naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen bij een afwijkingsbesluit in het kader van de Wro.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 42

Afbeelding 21: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (Bron: Provincie Noord-Brabant)

Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het plangebied kent zelf geen bebouwing van cultuurhistorische waarde, het landschap rond het plangebied kenmerkt zich echter wel door structuren van cultuurhistorische waarden.. Ten noorden van het plangebied, aan de noordzijde van de huidige A59, is Huize de Graef gelegen (het voormalige Heilig Hart-Klooster). Ondanks de scheiding door de huidige A59 zijn de structuren van het landgoed Mariaburg tot op de dag van vandaag terug te zien in het landschap. Het naastgelegen Autotron en het ten zuiden er van gelegen vakantiepark zijn gerealiseerd op wat voorheen landgoed Vinkeloord was. Ook het ten noordwesten van het plangebied gelegen Mariaoord is een terrein met cultuurhistorische waarde. In het ontwerp voor voorliggend plan worden de cultuurhistorische landschapselementen weer terug gebracht.

Afbeelding 22: Topografische kaart omgeving plangebied omstreeks 1870 (www.topotijdreis.nl)

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 43

Afbeelding 23: Topografische kaart omgeving plangebied omstreeks 1956 (www.topotijdreis.nl)

Afbeelding 24: Topografische kaart omgeving plangebied anno 2022 (www.topotijdreis.nl)

4.5 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het plangebied beoordeeld.

4.5.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit was 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 44

worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

4.5.2 Rijksbeleid Het nationale waterbeleid is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027 . De drie hoofdambities uit dit programma zijn; • Een veilige en klimaatbestendige delta; • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta, en; • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De genoemde ambities zijn in het programma uitgewerkt voor diverse thema’s zoals klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwaterverdeling en droogte en waterkwaliteit. Ook komt de samenhang met thema’s als natuur, bodem en ondergrond, landschap en energietransitie aan bod. Dit geeft het Nationaal Waterprogramma een integraalkarakter, in lijn met de toekomstige Omgevingswet.

4.5.3 Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant heeft een afzonderlijk beleidsdocument voor het provinciale waterbeleid; het Regionaal Water en Bodem Programma 2022 – 2027 (RWP), een uitwerking van de provinciale omgevingsvisie voor de thema’s bodem en water.. Aan de hand van dit programma streeft de provincie naar een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050, wat bestand is tegen extremen. Het RWP zet in op een systeemgerichte aanpak. Dat wil zeggen: • Een (deel)stroomgebied benadering waarbij water en bodem, het gebruik ervan, en eventuele ingrepen in samenhang worden bekeken; • Handelen en denken vanuit het integrale perspectief van de Provinciale Omgevingsvisie: diep, rond en breed; • Meerdere doelen slim met elkaar verbinden, zoals natuurherstel, klimaatadaptatie en wateraanbod voor landbouw, natuur en stedelijk gebied, cultuurhistorie, de energietransitie, verminderen van de milieudruk en dergelijke. Waar mogelijk wordt de inhoudelijke samenhang tussen de beleidsopgaven actief versterkt door deze zo veel mogelijk te combineren in een gezamenlijke aanpak; • Behoud van de beschermende mechanismen die in het water- en bodemsysteem van nature aanwezig zijn zoals de kleilagen die het diepere grondwater beschermen tegen vervuilingen. De basis van het bodem- en waterbeleid zijn de volgende zeven handelingsprincipes: 1. Watervoorraad in balans; 2.

Elke druppel telt; 3. Niet alles kan overal; 4. Brabant is in staat extreme weerssituaties op te vangen; 5. Bescherming van water- en bodemkwaliteit; 6. Gebruikers zijn maximaal verantwoordelijk; 7. Circulair denken en doen.

4.5.4 Waterschapsbeleid Het Waterschap Aa en Maas heeft in het Waterbeheerplan de hoofdlijnen van het beleid voor de periode 2022 – 2027 uitgezet. De kernwerkzaamheden van het waterschap zijn: • Goede bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas • Een hydrologisch en ecologisch goed functionerend watersysteem, óók in extreem droge en extreem natte tijden

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 45

• Goed transport en een goede zuivering van het afvalwater in ons werkgebied Naast deze kerntaken richt het waterschap zich in de periode 2022 – 2027 onder meer op het versterken van de Maaasdijken, het vergroten van de robuustheid van het riviersysteem en het verkleinen van de veiligheidsopgave. Voorliggend plan is, voor zover relevant, passend binnen het waterbeheerplan van het waterschap. Watertoets Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Hiervoor is de watertoets procedure ontwikkeld. Deze watertoets vormt de basis voor de planbeoordeling door het waterschap en het wateradvies. Uit de digitale watertoets is naar voren gekomen dat voor de gehele ontwikkeling de normale procedure van toepassing is (zie bijlage 7). Het totale plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied en er zijn watergangen in beheer van het waterschap aanwezig. Waterhuishouding Voorliggend plan heeft geen negatieve invloed op de waterkwaliteit en ecologie. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Legger van het Waterschap Aa en Maas te zien, met daarin het plangebied aangegeven. Zoals op de kaart te zien is, zijn in het plangebied geen watergangen in beheer van het waterschap aanwezig. Enkel de (primaire) watergang ten zuiden van de Graafsebaan is in beheer van het waterschap.

Deze watergang en de bijbehorende beschermingszone vallen echter buiten het plangebied. Deze vormen derhalve geen belemmering voor voorliggend plan. Verder wordt er onder de zonnepanelen geen gesloten verharding aangelegd. Hierdoor kan het regenwater tussen de panelen vrij infiltreren in de bodem. Ook komt er in het gehele plangebied geen afvalwater vrij. Voorliggend plan heeft zodoende geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit en door de ontwikkeling van natuur zelfs een positieve invloed op de ecologie. Het plangebied is wel gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied (zie ook paragraaf 3.3.2.). Door o.a. gebruik te maken van niet uitloogbare materialen heeft voorliggend plan geen negatieve gevolgen voor het grondwater. Tevens wordt er geen grondwater onttrokken. Bij Provincie Noord-Brabant wordt een melding ingediend voor voorliggende ontwikkeling in relatie tot het grondwaterbeschermingsgebied.

Afbeelding 25: Uitsnede kaart Legger Waterschap Aa en Maas (Bron: Waterschap Aa en Maas)

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 46

4.5.5 Gemeentelijk beleid Plan water en riolering De gemeente ’s-Hertogenbosch heeft in haar ‘Plan water en riolering’ (augustus 2022) benoemd hoe zij om wil gaan met klimaatverandering en gevolg daarvan op de waterhuishouding. Zo beschrijft het Plan water en riolering (PWR) hoe de opgaves, van droogte en veel neerlag, komende planperiode (2023-2028) aangepakt worden voor zwel riolering als hemelwatervoorzieningen. Zo wil de gemeente komende jaren ruimte benutten voor waterberging, alsmede hemelwater zo goed mogelijk scheiden. Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021 De Verordening Bomen Water en Groen van de gemeente ’s-Hertogenbosch bevat de regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving met betrekking tot het vellen van beschermde houtopstanden, het lozen van gronden hemelwater en het verplicht realiseren van groen in het geval van verhardingstoename. Omdat hemelwater vrij kan infiltreren tussen de rijen met panelen geldt een zonnepark niet als verharding. Er hoeft derhalve geen aanvullende bergingsvoorziening te worden gerealiseerd. Zoals de regels uit de verordening stellen wordt het zonnepark niet aangesloten op de riolering. Regenwater wordt binnen het plangebied opgevangen en ter plekke geïnfiltreerd in de bodem. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met voorliggend plan wordt rekening gehouden het de ambities uit het PWR.

Zo wordt, zoals hierboven al is aangegeven, onder de zonnepanelen geen gesloten verharding aangelegd. Hierdoor kan het regenwater tussen de panelen vrij infiltreren in de bodem, waarmee geen sprake is van verharding. Ook komt er in het gehele plangebied geen afvalwater vrij. Bij neerslag ontstaat ruimte om water in het plangebied in de bodem te laten infiltreren. Hiermee past voorliggend plan binnen de ambities van het Plan water en riolering. Daarnaast wordt het zonnepark niet gezien als verharding, wat maakt dat de bepalingen uit de Verordening Bomen, Water en groen niet van toepassing zijn.

4.6 Conclusie Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de aspecten natuur, archeologie, cultuurhistorie en water geen belemmering vormen voor de realisatie van voorliggend plan.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 47

5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Bij nieuwe initiatieven dienen de ruimtelijk relevante milieuaspecten te worden onderzocht. Deze aspecten worden in dit hoofdstuk behandeld. De relevantie aspecten waar op in wordt gegaan zijn: - Bodem - Geluid - Luchtkwaliteit - Geur - Externe veiligheid - Explosieven - Bedrijven en milieuzonering - Verkeer en parkeren - Vormvrije m.e.r.-beoordeling - Leidingen - Lichtreflectie - Elektromagnetische straling

5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan moet worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik.

Afbeelding 26: Uitsnede bodemkwaliteitskaart (Bron: www.bodemloket.nl)

Relatie met voorgenomen ontwikkeling In een deel van het plangebied is in het verleden verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat aanvullend onderzoek niet nodig is. Het perceel is tot op heden in gebruik voor akkerbouw. Het is aannemelijk dat er ook in de niet onderzochte delen geen sprake is van bodemverontreiniging. Een zonnepark

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 48

is geen gevoelige functie. Wat betreft het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling en is nader bodemonderzoek niet aan de orde. Daarnaast wordt rekening gehouden met de mogelijke effecten op de bodem. De zonnepanelen worden middels dunne stalen palen bevestigd met de grond. Hiervoor zijn geen funderingen benodigd. Hiervoor wordt voor het grootste deel gebruik gemaakt van recyclebare materialen en bevatten de zonnepanelen geen uitlogende materialen (zie ook paragraaf 4.5.4). Voorafgaand aan de bouwfase van het zonnepark voert de initiatiefnemer altijd een bodemonderzoek uit als nulmeting van het plangebied.

5.3 Geluid Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan: • De normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen. • Bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. • Op en rond het plangebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat Wet geluidhinder Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Een zonnepark is geen geluidgevoelige functie. Met de realisatie van het zonnepark worden ook geen geluidgevoelige functies aangebracht, waardoor het zonnepark zelf geen bescherming tegen geluidsoverlast vereist.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de richtafstanden uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' valt de voorgenomen ontwikkeling onder de categorie 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA'. Voor transformatorstations met een vermogen minder dan 10 MVA geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid. Binnen het zonnepark wordt een transformator van 1,75 MVA en inkoopstation geplaatst. Dit betekent dat wordt geadviseerd om, op basis van een goede ruimtelijke ordening, een afstand van 30 meter aan te houden ten opzichte van geluidsgevoelige functies (zoals burgerwoningen). De dichtstbijzijnde gevoelige (woon)bestemming is gelegen aan de Graafsebaan 123B, op circa 190 meter van het zonnepark. De technische installaties worden op meer dan 30 meter gerealiseerd vanaf de dichtstbijzijnde woningen, waardoor er geen sprake zal zijn van geluidshinder door de installaties in het zonnepark. Een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geluid kan worden gegarandeerd.

5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 49

Voor ontwikkelingen die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, is geen onderzoek nodig naar de luchtkwaliteit. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling ‘in betekende mate’ bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepark. De verkeersbewegingen die de ontwikkeling van een zonnepark met zich mee brengt, zijn alleen tijdens de aanlegfase merkbaar. In deze fase is er tijdelijk sprake van een grotere toename van verkeersbewegingen. Nadat de bouw van het park is afgerond daalt het aantal verkeersbewegingen weer naar de oude situatie. Zelfs tijdens de bouwperiode blijft het aantal verkeersbewegingen ruimschoots onder de 800 per dag. Daardoor leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling als ‘niet in betekenende mate’ worden gezien. Gelet op het voorgaande wordt gesteld dat nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

5.5 Geur Ten aanzien van het aspect geur wordt geconcludeerd dat het zonnepark geen bron van mogelijke geuroverlast is. Tevens is het zonnepark geen geurgevoelig object wat beschermd dient te worden tegen geuroverlast van buitenaf.

5.6 Lichtreflectie Het zonnepark bestaat onder andere uit de realisatie van pv-panelen, welke het zonlicht opvangen. Hierdoor is het mogelijk dat het zonlicht zorgt voor schittering van de pv-panelen. Indien er sprake is van schittering door de pv-panelen, dan is dat op moment dat de zonnestralen zo erg reflecteren op de pv-panelen, dat de lichtweerkaatsing in het oog waargenomen kan worden. Voor de lichtweerkaatsing zijn twee soorten licht, welke gereflecteerd kunnen worden. Dit betreffen direct licht en diffuus licht. Direct licht wordt al meest hinderlijk ervaren, doordat direct bestaat uit zonlicht welke niet weerkaatst of afgebogen wordt. Bij reflecties van direct licht kan de schittering, ondanks de beperkte kans, in een uiterst geval zorgen voor verblinding. Diffuus licht is licht dat is verstrooid, doordat het bijvoorbeeld door wolken heen schijnt. Het licht komt hierbij niet uit één plek. Verblinding door diffuus licht is zeer onwaarschijnlijk. Het licht dat weerkaats wordt heeft altijd dezelfde uitgaande hoek als ingaande hoek (zie afbeelding 27). Hierdoor zijn factoren, zoals hoogte, oriëntatie en de hellingshoek van de pv-panelen van belang voor de lichtweerkaatsing. Daarnaast zijn ook de locatie van de waarnemer en de hoogte en hoek van de zon relevant voor de lichtweerkaatsing.

Zonnepark Roode Brug | Eelerwoude | 50

Afbeelding 27. Bij reflectie van zonlicht is de inkomende hoek altijd gelijk aan de uitgaande hoek, ten opzichte van een loodrechte lijn op het oppervlak van het paneel (opstelling betreft een impressie).

Relatie met voorgenomen ontwikkeling In het zonnepark worden pv-panelen van de modernste generatie toegepast. Zo wordt zonlicht bij deze pvpanelen optimaal geabsorbeerd. Zodoende wordt de kans op schittering als gevolg van lichtweerkaatsing op de panelen beperkt. De panelen hebben een vlakke ligging met een kleine hellingshoek, waarmee enige restschittering/glinstering wordt geminimaliseerd. Zo wordt het licht als het ware naar boven gekaatst. Daarnaast wordt het zonnepark landschappelijk ingepast met onder andere nieuw struweel en bomen, waardoor het zicht (en daarmee ook mogelijke hinder van reflectie) gedeeltelijk wordt weggenomen. Door de huidige opstelling van de panelen en landschappelijke inpassing van het zonnepark op voorgesteld plangebied wordt mogelijke reflectie bepekt, waarmee naar verwachting geen sprake is van hinder voor een waarnemer op hoogte van het maaiveld. Daarnaast wordt geen hinder verwacht voor omringede woningen of omringende wegen. Hiermee vormt het aspect lichtreflectie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de risico's voor de omgeving ten gevolge van een ongeval bij de productie, opslag en het transport van gevaarlijke stoffen en de kans dat hierbij dodelijke slachtoffers vallen. In het geval van een ruimtelijk plan dient het milieuaspect externe veiligheid onderzocht te worden. Het plan voornemen kan risicobronnen in het kader van externe veiligheid mogelijk maken en of bestaande risicobronnen kunnen invloed hebben op het plan. Deze risico's moeten worden beschouwd om te onderzoeken of het planvoornemen voldoet aan de geldende normen. Beleidskader Het landelijke beleidskader valt uiteen in verschillende besluiten en regelingen voor de verschillende type risicobronnen. Risicobronnen in het kader van Externe veiligheid zijn inrichtingen (bedrijven met gevaarlijke stoffen), infrastructuur zoals auto-, spoor- of vaarwegen, en buisleidingen voor het transport van aardgas.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16347869/1