CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

4a405ca4-c4e4-4283-986c-e3f69344c065

Commissie OMGEVING 30 september 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Vlek 21 Boschveld27.155 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; 1. soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); 2. soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); 3 andere soorten (artikel 3.10).

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Betekenis voor het plangebied t.a.v. beschermde gebieden 51

Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de tussenliggende bebouwing is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Zie hiervoor ook hetgeen over stikstof is opgenomen in paragraaf 5.4.1. De voorgenomen plannen hebben door de aard van de werkzaamheden geen (significant) negatief effect op de kernkwaliteiten van het NatuurNetwerkBrabant. Quick scan flora- en faunaonderzoek

Om aan te kunnen tonen dat het planvoornemen niet in strijd is met beschermde natuurwaarden heeft Faunaconsult een inspectieonderzoek uitgevoerd (Flora- en Fauna inspectie voor sloop van de appartementencomplexen aan de Oude Vlijmenseweg (Boschveld) te Den Bosch d.d. 21 augustus 2019). Uit de quickscan blijkt dat er mogelijk algemeen voorkomende soorten aanwezig zijn in en rond de te slopen gebouwen zoals egels, konijnen, diverse soorten (spits)muizen en mogelijk gewone pad en bruine kikker. In Noord-Brabant geldt een vrijstelling voor deze soorten in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

Een aantal van de te slopen zeven appartementencomplexen bevatten mogelijk zomer-, kraam-, paar- of (massa)winterverblijven van beschermde vleermuizen. De te slopen garageboxen bevatten daarnaast mogelijk zomer-, kraam-, of paarverblijven van vleermuizen. Vleermuizen en hun verblijven zijn streng beschermd onder de Wnb. Nader onderzoek is dan ook noodzakelijk, conform het vleermuisprotocol. Aanvullend vleermuisonderzoek

Vanwege de gefaseerde sloop en beperkte geldigheidsduur van het flora-en faunaonderzoek wordt ook het aanvullende onderzoek gefaseerd uitgevoerd, te beginnen met het fase 1 en 2 van het plangebied (omgeving Copernicuslaan en Voltastraat). Het eerste aanvullende onderzoek is op 7 oktober 2019 verricht door Faunaconsult. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat er in de appartementengebouwen aan de Voltastraat twee zomerverblijven van de gewone dwergvleermuis zijn gevonden zijn, in fase 2 van Vlek 21. Paarverblijven zijn niet in het plangebied waargenomen. In fase 1 werden geen vleermuizen aangetroffen. Voor de vervolgprocedure is begin 2020 een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant vanwege het vernietigen van de beschermde rust en verblijfplaatsen in fase 2 Vlek 21. Vooruitlopend op de ontheffing zijn in april 2019 acht tijdelijke vleermuiskasten opgehangen aan de gevels van de aangrenzende grondgebonden woningen.

52

Afbeelding 5.10.1: Luchtfoto met aangetroffen zomerverblijfplaatsen gewone dwergvleermuis (rood omcirkeld) en de 8 tijdelijke voorzieningen. Nadere inspectie vleermuizen

De ODBN heeft begin 2021 geoordeeld dat er een nadere inspectie nodig is voor de twee oostelijke appartementenblokken aan de Copernicuslaan die in fase 1 worden gesloopt. Deze inspectie is in maart 2021 uitgevoerd door Econsultancy. Met behulp van een hoogwerker zijn alle gaten, stootvoegen, kieren, spleten en ruimte achter betimmeringen gecontroleerd en beoordeeld zijn op geschiktheid als verblijfplaats voor vleermuizen. Aanvullend is met een inspectiecamera gekeken of er mogelijk sporen van vleermuizen aanwezig waren. Gedurende de inspectie zijn diverse gaten en kieren langs de raamkozijnen en onder de daktrim aangetroffen die toegang bieden tot achterliggende ruimtes en daarmee verblijfplaatsen voor vleermuizen (kunnen) vormen. In de gaten en kieren die groot genoeg waren om te inspecteren met de inspectiecamera zijn geen vleermuizen of sporen van vleermuizen aangetroffen. Tijdens de sporeninspectie en tijdens het eerdere onderzoek van 2019 zijn er geen sporen van vleermuizen waargenomen, wat bij aanwezigheid van een kraam- of massawinterverblijfplaats vaak wel het geval zou zijn in verband met de grote aantallen individuen die dan van de bebouwing gebruik maken. Concluderend kan aangenomen worden dat in het meest oostelijk gelegen appartementengebouw (flat 1) zich geen kraam-, paar, of massawinterfuncties van vleermuizen bevinden.

Bij zomerverblijfplaatsen is het ‘moment van actie’ vaak erg kort, dit maakt het in sommige gevallen lastig deze waar te nemen. Zomerverblijfplaatsen in de noordelijke helft van flat 1 kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. Een exact aantal qua hoeveelheid zomerverblijfplaatsen kan niet worden gegeven. Voor de verdere aanpak wordt daarom uitgegaan van relatief veel zomerverblijfplaatsen. Ingeschat wordt dat er maximaal 6 zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in flat 1 aanwezig zijn. In de praktijk zijn dit er waarschijnlijk minder of mogelijk zelfs geen. Er wordt uitgegaan van de gewone dwergvleermuis omdat voornamelijk deze soort is waargenomen tijdens het uitgevoerde vleermuisonderzoek. 53

Omdat in de rapportage van het uitgevoerde vleermuisonderzoek van Faunaconsult staat beschreven dat op verschillende dagen rondom flat 2, baltsende gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen, kan naar de mening van Econsultancy niet worden uitgesloten dat in deze flat een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig is. Op basis van de waarnemingen in de rapportage van Faunaconsult blijkt dat er 1 paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig is in de bebouwing. Hiervoor dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming artikel 3.5 lid 2 en lid 4 te worden aangevraagd. Tijdelijke maatregelen

Voor het verstoren van de (mogelijk) aanwezige verblijfsplaatsen van de gewone dwergvleermuis dienen er mitigerende en compenserende maatregelen getroffen. Daarbij geldt een compensatiefactor 4 per aangetroffen verblijfplaats.

In flat 1 worden maximaal 6 zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis verwacht, hiervoor dienen er 24 tijdelijke voorzieningen geplaatst te worden. Daarbij geldt een gewenningstijd van minimaal 3 maanden binnen het actieve seizoen van de gewone dwergvleermuis voorafgaand aan het ongeschikt maken van de bebouwing. In flat 2 dient 1 paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis te worden gecompenseerd door 4 tijdelijke voorzieningen. Voor paarverblijfsplaatsen geldt een gewenningsperiode van minimaal 6 maanden.

In de omgeving zijn in het verleden (deels uit voorzorg) diverse vleermuiskasten gerealiseerd door BrabantWonen en de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Het betreffen totaal 14 kasten die geschikt zijn als vervangende zomerverblijfplaats. Alle tijdelijke kasten zijn voor april 2020 opgehangen en voldoen daarmee aan de gewenningstijd. De kasten hangen op tenminste drie meter hoogte, op onverlichte plaatsen en hangen binnen 200 meter van flat 1 (en 4). Daarnaast zijn sommige nabijgelegen flats geschikt als tijdelijke verblijfplaats voor vleermuizen. Dit heeft te maken met de vele open stootvoegen in het metselwerk die in verbinding staan met de spouw.

Afbeelding 5.10.2: Luchtfoto met flat 1 (wit kader) en flat 4 (paars kader) en tijdelijke vleermuiskasten. Ter plekke van de blauwe cirkels zijn 6 kasten opgehangen voor grotere zomerverblijfplaatsen, ter plekke van de roze cirkels de 8 kasten voor kleinere zomerverblijfsplaatsen. Deze tijdelijke kasten vallen binnen een straal van 200 meter (rode cirkel) rondom flat 1.

54

In de omgeving zijn door BrabantWonen ook 4 tijdelijke vleermuiskasten opgehangen die geschikt zijn als vervangende paarverblijfplaats. Deze kasten zijn voor april 2020 opgehangen en voldoen daarmee aan de vereiste gewenningstijd. De kasten hangen op tenminste drie meter hoogte, op onverlichte plaatsen en hangen binnen 200 meter van flat 2 (en 4).

Afbeelding 5.10.3: Luchtfoto met flat 2 (blauw kader) en flat 4 (paars kader) en tijdelijke vleermuiskasten. Ter plekke van de gele cirkels zijn 4 kasten opgehangen voor paarverblijfplaatsen. Deze tijdelijke kasten vallen binnen een straal van 200 meter (rode cirkel) rondom flat 2. Uit oogpunt van zorgvuldigheid heeft BrabantWonen opdracht gegeven aan Econsultancy om voor fase 2 (flat 3 en 4) en fase 3 (flat 5 en 6) een nieuw, protocollair vleermuisonderzoek uit te voeren. Dat onderzoek wordt uitgevoerd van april t/m september 2021. Op een later moment wordt er ook een vleermuisonderzoek verricht voor fase 4 (flat 7 en het garageblok). Op basis van de resultaten van deze onderzoeken wordt er, indien van toepassing, opnieuw een ontheffing aangevraagd en worden er mitigerende en compenserende maatregelen getroffen. De permanente vleermuiskasten in de, op dat moment reeds gerealiseerde, nieuwbouw spelen daarbij een belangrijke rol. Daarnaast wordt rekening gehouden met het aanbrengen van (aanvullende) tijdelijke nestkasten. Permanente voorzieningen

Ter compensatie voor de (mogelijke) verstoring van vleermuizen in flat 1 en 2 worden in de nieuwbouw de benodigde permanente nestkasten ingepast. Voor flat 1 worden minimaal 24 en voor flat 2 minimaal 4 inmetselstenen voor de gewone dwergvleermuis geplaatst. Daarnaast worden er extra inmetselstenen geplaatst (voor zowel zomer-, paar-, als kraamfuncties), als compensatie van nog te ontdekken vleermuisverblijven in de nog te onderzoeken flatgebouwen 3 t/m 6. De precieze locaties van de inmetselstenen dienen nog bepaald te worden, dit zal in overleg met de betrokken ecoloog gebeuren. Ook in de rest van de nieuwbouw komt nestgelegenheid voor vleermuizen. Aanvullend daarop worden in de nieuwbouw ook permanente nestkasten voor gierzwaluwen en huismussen ingepast. Hiermee wordt tevens voldaan aan het gemeentelijk beleid Groen en Klimaatbestendig ’s-Hertogenbosch 2021, en de doelstelling om natuurinclusief te bouwen. 55

Maatregelen voorafgaand aan de sloop Om het doden of verwonden van vleermuizen te voorkomen, moet er een aangepaste werkwijze worden gehanteerd. Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden moeten de invliegopeningen ongeschikt gemaakt worden om te voorkomen dat de verblijfplaatsen tijdens de werkzaamheden bewoond zijn. In de periode 15 april – 31 oktober dienen de in-/uitvliegopeningen bij elk (mogelijk) vleermuisverblijf te worden afgedicht met exclusion flaps. De exclusion flaps dienen tot aan de sloop te blijven hangen. Door middel van het opstellen van een ecologisch werkprotocol zullen de mitigerende en compenserende maatregelen worden geborgd.

Conclusie

Alle noodzakelijke maatregelen in het kader van de flora en fauna worden getroffen. Daarnaast zullen er aanvullende maatregelen worden getroffen waarbij het uitgangspunt is dat er natuurinclusief wordt gebouwd. Dit uitgangspunt is vastgelegd in de anterieure overeenkomst met BrabantWonen. In het vergunde bouwplan voor fase 1 is hier reeds in voorzien. Dit geldt ook voor de bouwplannen in de vervolgfases. Daarnaast wordt in de parkzone langs de Oude Vlijmenseweg beplanting toegevoegd met natuurwaarde en ecologische waarde. Met inachtneming van de verleende vergunning in het kader van de Wnb staat de wet Natuurbescherming de geplande activiteiten niet in de weg.

5.11

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.

56

Afbeelding 5.11: Uitsnede van plangebied uit Archeologische verwachtingskaart Onderzoek

In het plangebied zijn geen archeologische waarden of monumenten aanwezig. Het plangebied ligt in een zone met een lage archeologische verwachting. Dit betekent dat de kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische vindplaatsen laag is. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente valt het plangebied in legenda-eenheid 6 hetgeen inhoudt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is (met uitzondering van m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen). In dit specifieke geval is dus geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Conclusie

Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk omdat de kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische vindplaatsen laag is. Niettemin blijft wel de wettelijke meldingsplicht van archeologische vondsten van kracht. Dat betekent dat men bij het aantreffen van archeologische vondsten direct contact opneemt met de Afdeling SO/Erfgoed van de gemeente.

57

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten 6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke bestemmingen. Het bestemmingsplan 'Vlek 21 Boschveld' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken binnen het plangebied. Het bestemmingsplan maakt het bouwen en gebruik van circa 207 woningen, groen, wegen en water mogelijk waarvan reeds 60 wooneenheden via een aparte Wabo-procedure zijn mogelijk gemaakt. De toekomstige bouwplannen dienen te passen binnen de mogelijkheden van dit bestemmingsplan.

Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de gemeentelijke bestemmingsplannen. Onder paragraaf 6.2 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan.

6.2

Opzet van de regels

6.2.1 Inleidende bepalingen De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. 6.2.2 Bestemmingsbepalingen Groen

Binnen deze bestemming zijn in hoofdzaak groen en groenvoorzieningen, alsmede sport- en speelvoorzieningen, water en watervoorzieningen toegestaan. Ook fiets- en voetpaden zijn binnen deze bestemming toegelaten. Verkeer - Verblijfsgebied

Deze gronden zijn primair bestemd voor voorzieningen van verblijf. Wegen en parkeerplaatsen zijn hierbinnen niet toegestaan, hiervoor komt een aparte bestemming “Verkeer”. Fiets- en voetpaden, sport- en speelvoorzieningen, groen en bouwwerken ten behoeve van de bestemming mogen binnen deze bestemming wel worden gerealiseerd. Verkeer

Binnen deze bestemming mogen naast de toegestane functies en (bouw)werken die zijn toegestaan binnen de bestemming ‘Verkeer- Verblijfsgebied’ ook wegen en parkeerplaatsen worden aangelegd met bijbehorende (bouw)werken. Hiervoor wordt het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. Wonen

De woonbestemmingen in het plangebied maken de gewenste woningbouw mogelijk. Het bouw- en gebruikstype van de woningen (gestapeld of aaneengebouwd) zijn door middel van functieaanduidingen op de verbeelding en in de regels vastgelegd. Daarnaast zijn de maximale oppervlakten voor erfbebouwingen en de afwijkingsmogelijkheden van de bouwregels conform de gebruikelijke Bossche standaarden opgenomen. In verband met de geluidszonering van bedrijventerrein De rietvelden, is er een regeling opgenomen die voorkomt dat de woningen gebouwd en in gebruik genomen kunnen worden zonder adequat binnengeluidsniveau. Leiding - Gas 58

De aan de noordwest zijde van het plangebied aanwezige ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding is voorzien van een beschermende aanduiding op de verbeelding. In de regels wordt geborgd dat er in beginsel niet gebouwd mag worden binnen deze beschermingszone. Daarnaast geldt er een vergunningplicht voor diverse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden. De verdiepte waterretentievelden worden buiten de bestemming Leiding – Gas aangelegd, conform het advies van de Gasunie. 6.2.3 Algemene regels In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels aan de orde.

Specifiek zijn bij de Algemene gebruiksregels, regels over parkeren opgenomen. In artikelen 9 en 10 zijn regels gesteld over het voldoen aan de parkeernormeringen conform de Nota Parkeernormeringen 2016 of diens opvolger. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan. 6.2.4 Overgang -en slotbepalingen In deze paragraaf zijn tot slot de overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.

59

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 Wro verplicht de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Voor de herontwikkeling van Vlek 21 is er een anterieure overeenkomst afgesloten tussen BrabantWonen en de gemeente. In deze overeenkomst zijn onder andere afspraken vastgelegd over de nieuwbouw, de fasering en de benodigde grondruil. Daarnaast zijn er financiële afspraken vastgelegd. Deze afspraken hebben betrekking op de dekking van de gemeentelijke plankosten, de bijdrage bovenwijks en de kosten voor de aanleg van parkeerplaatsen en waterberging in de openbare ruimte. De sloop en nieuwbouw wordt voor rekening en risico van BrabantWonen gerealiseerd. De aanleg van de openbare ruimte geschiedt voor rekening van de gemeente. De kosten hiervoor worden gedekt uit de gereserveerde GSB-middelen.

De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. Daarnaast is het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk en is het ook niet nodig om locatie-eisen te stellen. Gelet op het voorgaande en gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

60

Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg

Voor het plan is een participatietraject doorlopen met de direct betrokkenen. Om deze reden is geen formele inspraakprocedure nodig. Het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met diensten van het Rijk en de Provincie heeft beperkt plaatsgevonden, omdat er geen strijdigheden met beleid of belangen van deze partijen zijn. De resultaten van zowel het vooroverleg als de participatie zijn hieronder verwerkt.

8.1

Participatie

Participatie Fase 1 Vlek 21 Op 28 januari 2020 is een openbare informatiebijeenkomst georganiseerd voor de wijkraad en de bewoners en andere belanghebbenden van Vlek 21 en omgeving. Tijdens deze avond is het bouwplan van de 1e fase toegelicht, maar ook de totale ontwikkeling van Vlek 21. Fase 1 is immers niet los te zien van de vervolgfases. Dit geldt voor de stedenbouwkundige opzet, maar ook voor het woonprogramma en de herinrichting van de aangrenzende openbare ruimte. Daarnaast was het van belang om de huidige bewoners van Vlek 21 inzicht te bieden in de planning en fasering van de sloop en nieuwbouw. Medewerkers van BrabantWonen en de gemeente hebben tijdens deze avond veel vragen kunnen beantwoorden van de circa 50 aanwezigen. Zodoende hebben genodigden en andere geïnteresseerden kennis kunnen nemen van de totale herstructurering van Vlek 21 die met onderliggend bestemmingsplan planologisch mogelijk wordt gemaakt. Ook konden aanwezigen hun reactie geven op het totale plan. Het conceptbouwplan en de concept-ruimtelijke onderbouwing van fase 1 (met toelichting op het totale plan van Vlek 21) hebben op grond van de gemeentelijke Inspraakverordening vanaf 13 januari 2020 vier weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn kon een ieder een inspraakreactie indienen. Twee indieners hebben schriftelijk gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Een inspreker zou graag in dit gebied willen blijven wonen en vindt het heel fijn dat de woningen en openbare ruimte opgeknapt gaan worden. De tweede inspraakreactie is van de wijkraad OBB en raakt diverse onderwerpen die deels ook het vervolg van het project raken. Al deze onderwerpen zijn vervolgens met de OBB besproken en verwerkt in de nadere uitwerking van het plan. Ook in de bijbehorende bouwplannen en het inrichtingsplan van de openbare ruimte wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de wensen van de wijkraad. In het periodiek overleg tussen diverse vertegenwoordigers van Wijkraad OBB (Onafhankelijk Buurtplatform Boschveld), BrabantWonen en de gemeente staat de ontwikkeling van Vlek 21 dan ook op de agenda. Bewoners en andere belanghebbenden worden regelmatig geïnformeerd via de nieuwsbrief Wijkgericht Werken Boschveld. Participatie bestemmingsplan Vlek 21 Voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure is gebracht, heeft de wijkraad OBB de gelegenheid gehad om te reageren op de conceptversie van het ontwerpbestemmingsplan. Op 14 juli 2021 is er een gesprek georganiseerd om de reactie en vragen van de wijkraad te bespreken. Naar aanleiding van het gesprek, en een ingediende zienswije vanuit de Wijkraad OBB zijn de volgende wijzigingen in het bestemmingsplan aangebracht: Er komt naast de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ ook een bestemming ‘Verkeer’.

Het onderscheid tussen deze bestemmingen is dat alleen binnen de bestemming ‘Verkeer’ wegen en parkeerplaatsen zijn toegestaan. Uit de reacties van de wijkraad en de bewoners blijkt ook dat een spoedige aanpak van Vlek 21 zeer gewenst is. Er is sprake van veel verhuisbewegingen, tijdelijke bewoning en leefbaarheidsproblemen. De nieuwbouw maakt de gewenste doorstroming in de wijk mogelijk en verbetert de kwaliteit en uitstraling van de omgeving. De onzekerheid over de voortgang is groot, er is behoefte aan concrete stappen. Met de sloop van de eerste twee appartementengebouwen in het voorjaar 2021 wordt hier voor een deel aan tegemoet gekomen. De realisatie van de vervangende nieuwbouw is echter nog belangrijker. De omgevingsvergunning voor de nieuwbouw in fase 1 is inmiddels afgerond. Start bouw is gepland voor eind 2021. De voortgang van de rest van de nieuwbouw is afhankelijk van een succesvolle afronding van het bestemmingsplan Vlek 21 Boschveld en de uitverhuizing van de reguliere huurders in de sloopwoningen. 61

8.2

Vooroverleg en zienswijzen

Op basis van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de vooroverlegpartners. Uit contacten met het waterschap Aa en Maas is gebleken dat er geen waterhuishoudkundige aspecten als gevolg van dit planvoornemen in het geding zijn. Van de Provincie Noord-Brabant is via het digitale loket aangegeven dat het plan geen provinciaal belang kent, en om die reden niet hoeft inhoudelijk verder hoeft te worden voorgelegd. Wel is het ontwerp-bestemmingsplan aangemeld op het moment dat het ter inzage werd gelegd.

De Gasunie heeft een reactie ingediend tegen het ontwerp-bestemmingsplan, echter niet als zienswijze maar met het verzoek om de planregels zo aan te passen (en hiertoe is door de Gasunie een tekstvoorstel gedaan) dat binnen de zone van de gasleiding geen waterberging mag komen. Dit tekstvoorstel is overgenomen. Tegen het ontwerp-bestemmingsplan is een zienswijze ingediend door de Wijkraad OBB. Deze is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd, evenals de Notitie Zienswijzen Bestemmingsplan Vlek 21 Boschveld. Wij verwijzen hier kortheidshalve naar. Deze zienswijze heeft geleid tot enkele aanpassingen in de toelichting en een wijziging in de planregels, zodat het bestemmingsplan gewijzigd zal worden vastgesteld; Er komt naast de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ ook een bestemming ‘Verkeer’. Het onderscheid tussen deze bestemmingen is dat alleen binnen de bestemming ‘Verkeer’ wegen en parkeerplaatsen zijn toegestaan.

62

Regels

63

64

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Vlek 21 Boschveld met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002470-1101 van de gemeente 's Hertogenbosch; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.4 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 aaneengebouwde woning een woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer woningen, niet zijnde gestapelde woningen; 1.8 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de

voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.9 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.10 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.11 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.12 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Een bijgebouw kan zijn een aangebouwd bijgebouw in de vorm van een aanbouw of een uitbouw, dan wel een vrijstaand bijgebouw; 65

1.13 bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten 1.14 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder; een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd;

1.15 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.16 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.17 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.18 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.19 dak elke bovenbeëindiging van een gebouw; 1.20 dakopbouw een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag en een afstand van minimaal 1 meter tot de voorgevel; 1.21 detailhandel bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.22 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen;

1.23 dove gevel een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte; 1.24 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 66

1.25 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.26 geluidgevoelige ruimte geluidsgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2; 1.27 gestapelde woning een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen; 1.28 hoekperceel een perceel, gelegen aan een hoek van twee wegen c.q. het openbaar gebied; 1.29 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.30 1. 2. 3. 4.

horeca horeca van categorie 1: een bedrijf dat is gericht op het bieden van logies en hotels; horeca van categorie 2: het verstrekken van maaltijden voor gebruik ter plaatse (restaurantbedrijf, waaronder ook worden verstaan lunchrooms, eethuizen, bistro's, automaten, broodjeszaken en dergelijke); horeca van categorie 3: een bedrijf dat is gericht op het ter plaatse verstrekken van dranken, waaronder feestzalen; horeca van categorie 4: 4.1 elke voor het publiek, al dan niet tegen betaling toegankelijke lokaliteit, die in belangrijke mate is ingericht of wordt gebruikt voor het dansen, zoals discotheken en dancings, waarin al dan niet dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt; 4.2 inrichtingen waarin een speelautomatenhal zoals bedoeld in de wet op de kansspelen wordt uitgeoefend, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

1.31 huisvesting in verband met mantelzorg huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning;

1.32 kap de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm dan wel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°; 1.33 lessenaarsdak een eenzijdige kapconstructie waarbij het hoogste punt over de gehele, of nagenoeg de gehele lengte in één gevel is gelegen; 1.34 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.35

nok 67

het snijpunt van twee hellende vlakken. 1.36 openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.37 opslag (binnen) opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke; 1.38 voorerfgebied erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 1.39 voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen; 1.40 voorgevelrooilijn a. langs een wegzijde met een regelmatige ligging of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a.

bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn op 10 meter uit de as van de weg; 1.41 webwinkel een bedrijf dat zich toelegt op het (doen) leveren van goederen op schriftelijke, telefonische of elektronische order van klanten en dat op de bedrijfslocatie geen directe contactmogelijkheden (balie, showroom, afhaalcentrum) met klanten biedt; 1.42 woning een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden; 1.43 woonwagen voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst; 1.44 zijgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen;

68

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.3

a. b.

de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de laagste zijde van de kap.

2.4 de hoogte van een dakopbouw: vanaf de afdekking van de bovenste bouwlaag tot aan het hoogste punt van de dakopbouw. 2.5 de hoogte van een kap: vanaf de bovenkant goot, boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot aan het hoogste punt van de kap. 2.6 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk of ingeval dat geen gevelvlakken of scheidingsmuren aanwezig zijn, de oppervlakte vanaf de buitenzijde van het dak neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.8 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen. 2.9

a. b.

peil: voor een hoofdgebouw met aangebouwde bijgebouwen: de hoogte van de kruin van de aan het bouw perceel grenzende weg; voor andere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.

69

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3

Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.

3.2

groen en groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; fiets- en voetpaden en langzaam verkeer; speelvoorzieningen; aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals sportvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, straatmeubilair, kunstobjecten, nutsvoorzieningen, verhardingen, terrassen en standplaatsen. ter plaatse van de aanduiding ‘waterberging’ het realiseren van een wadi of andersoortig watersysteem ten behoeve van een goede waterhuishouding, waarbij de grenzen van deze aanduiding met 6 meter rondom mogen worden overschreden, behalve binnen de gronden bestemd voor de aardgastransportleiding (bestemming Leiding-Gas), voor zover dit nodig is voor een goede waterhuishouding. Bouwregels

3.2.1 Algemeen Voor het bouwen geldt algemeen dat in of op deze gronden uitsluitend voor deze bestemming mag worden gebouwd. 3.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. b.

de maximale oppervlakte van een gebouw is 30 m 2; de maximale bouwhoogte is 3 meter.

a.

de maximale bouwhoogte van kunstobjecten en bouwwerken voor verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer is 10 meter; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 5 meter;

3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: b.

70

3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e.

een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

71

Artikel 4

Verkeer

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.

72

wegen en wegverkeer; fiets- en voetpaden en langzaam verkeer; verblijfsgebied en verblijf; verkeersvoorzieningen; ongebouwde parkeervoorzieningen; aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals sport- en speelvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, nutsvoorzieningen, groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, standplaatsen en terrassen.

Artikel 5

Verkeer - Verblijfsgebied

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

5.2

fiets- en voetpaden en langzaam verkeer; verblijfsgebied en verblijf; voorzieningen ten behoeve van het verkeer, niet zijnde wegen en parkeerplaatsen; aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals sport- en speelvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, nutsvoorzieningen, groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, standplaatsen en terrassen. Bouwregels

5.2.1 Algemeen Voor het bouwen geldt algemeen dat in of op deze gronden uitsluitend voor deze bestemming mag worden gebouwd. 5.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. b.

de maximale oppervlakte van een gebouw is 30 m 2; de maximale bouwhoogte is 3 meter;

a.

de maximale bouwhoogte van kunstobjecten en bouwwerken voor verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer is 10 meter; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 5 meter;

5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: b.

5.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e.

een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

73

Artikel 6

Wonen

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. 6.2

wonen in de vorm van woningen, niet zijnde woonwagens; aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 6.5.2; ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde, niet zijnde gestapelde woningen toegestaan; tuinen, erven en terreinen; aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groen en groenvoorzieningen, parkeer- en verkeersvoorzieningen. Bouwregels

6.2.1 Algemeen Voor het bouwen gelden de volgende regels: a.

in of op deze gronden mag uitsluitend voor deze bestemming worden gebouwd.

a. b. c.

de hoofdgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd; een bouwvlak mag volledig worden bebouwd; ter plaatse van de aanduidingen 'aaneengebouwd' en 'gestapeld' mogen respectievelijk uitsluitend aaneengebouwde woningen dan wel gestapelde woningen worden gebouwd; de maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven; de maximale goot- en nok-hoogte is op de verbeelding aangegeven;

6.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

d. e.

6.2.3 Bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.

b. c. d. e. f. g. h. i. j.

bijgebouwen en overkappingen mogen binnen het bouwvlak en in het achtererfgebied worden gebouwd; voor bijgebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak gelden de bouwregels in 6.2.2; voor bijgebouwen en overkappingen in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, gelden de regels onder d tot en met j; het maximale bebouwingspercentage van het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 50%; van het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, moet een aaneengesloten oppervlakte van minimaal 25 m² onbebouwd blijven; de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 75 m², onverminderd van het bepaalde onder e; de maximale bouwhoogte is 3,3 meter; als met hellende dakvlakken wordt gebouwd, is de maximale goothoogte 3,3 meter, de maximale bouwhoogte 5 meter en de maximale dakhelling 50°; bijgebouwen en overkappingen met één hellend dakvlak mogen uitsluitend worden gebouwd als een aanbouw tegen de zij- en/of achterkant van het hoofdgebouw (aankapping); hierbij is de maximale goothoogte 3,3 meter, de maximale bouwhoogte 5 meter en moet het hoogste punt tegen de zijen/of achterkant van het hoofdgebouw worden gesitueerd; dakterrassen zijn niet toegestaan.

6.2.4 Bouwwerken geen gebouwen of overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a.

b. 74

bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, mogen, met uitzondering van erfafscheidingen, uitsluitend binnen het bouwvlak en in het achtererfgebied worden gebouwd; het maximale bebouwingspercentage van het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 50%;

c. d. e. f.

de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 75 m², onverminderd van het bepaalde onder b; de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen op en voor de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 1 meter; de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 2 meter; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter.

6.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e.

6.4

6.4.1 a.

b.

c. d. e.

f.

g.

6.4.2 a.

een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Afwijken van de bouwregels

Bijgebouwen en overkappingen Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.3 onder a voor een bijgebouw, of overkapping in het voorerfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het voorerfgebied is 25 m²; 2. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 3. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. 4. als een bijgebouw of overkapping naast de zijgevellijn van het hoofdgebouw op hoekperceel wordt gebouwd, gelden ook de volgende voorwaarden: het bijgebouw of de overkapping moet worden gebouwd achter de denkbeeldige (verlengde) lijn die het snijpunt van de voorgevellijn en de zijgevellijn raakt en die ligt onder een hoek van 45° ten opzichte van de voorgevellijn maar die niet door het bouwvlak van het betreffende hoofdgebouw heen gaat; de voorgevel van een aangebouwd bijgebouw moet evenwijdig zijn aan de voorgevel van de hoofdbebouwing; de maximale breedte van een aangebouwd bijgebouw is 3 meter; er kunnen nadere eisen worden gesteld aan de minimale afstand van het bijgebouw tot de naar de openbare weg gekeerde zijdelingse perceelsgrens vanuit het belang van de stedenbouwkundige opzet van de omgeving, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden, bezonning en het uitzicht van de naastgelegen

erven. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.3 onder e, voor een kleiner onbebouwd deel van het achtererfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is kleiner dan 50 m²; 2. de oppervlakte van het hoofdgebouw is kleiner dan 40 m²; 3. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 4. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.3 onder i en h voor een bouwhoogte tot 5,5 meter, onder de volgende voorwaarden: 1. het bijgebouw of de overkapping ligt naast en tussen hoofdgebouwen; 2. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 3. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast.

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.4 onder a voor een bouwwerk, geen gebouw of een overkapping zijnde, in het voorerfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het voorerfgebied is 25 m²; 2. de maximale bouwhoogte is 3 meter; 3. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 4. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. 75

b.

6.5

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.4 onder e voor een hogere erfafscheiding, onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale bouwhoogte van een erfafscheiding op en/of voor de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 1,5 meter; 2. de maximale bouwhoogte van een erfafscheiding achter de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 2,5 meter; 3. de erfafscheiding heeft een open, pergola-achtige constructie. Specifieke gebruiksregels

6.5.1 Strijdig gebruik Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval begrepen: a. b.

aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten die publieksaantrekkend zijn; kamerbewoning.

a.

de beroeps- of bedrijfsactiviteit moet ondergeschikt zijn aan de woonfunctie: maximaal 35% van de vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen samen mag voor de beroeps- of bedrijfsactiviteit worden gebruikt, tot in totaal 50 m 2; de beroeps- of bedrijfsactiviteit moet naar aard, omvang en uitstraling passen in de woonomgeving; de beroeps- of bedrijfsactiviteit mag niet vergunningplichtig zijn volgens artikel 2.1 lid 1 sub e van de Wabo en niet meldingplichtig volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer; degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteit uitoefent, moet bewoner van de woning zijn; horeca en detailhandel zijn niet toegestaan, met uitzondering van beperkte detailhandel als ondergeschikte functie van de beroep- of bedrijfsactiviteit en onder de voorwaarde dat te koop aangeboden goederen en/of producten een relatie hebben met de beroeps- of bedrijfsactiviteit.

6.5.2 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit Een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit als bedoeld in 6.1 onder b moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

b. c. d. e.

6.5.3 Voorwaardelijke verplichting Voor het gebruik van gronden en gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor deze bestemming geldt de volgende voorwaardelijke verplichting: a.

6.6

a.

b.

c.

76

het gebruik als bedoeld in 6.1 is uitsluitend toegestaan na realisatie en met instandhouding van de geluid reducerende maatregelen die zijn genoemd in de onderbouwing van de Ontheffingsprocedures Hogere waarde geluid als bedoeld in Bijlage 1 bij deze regels.

Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.5.1 voor het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een publieksaantrekkende beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis, onder de voorwaarden als bepaald in 5.5.2 en onder de voorwaarde dat het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeers- en parkeersituatie. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.5.2 onder c voor het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit die meldingplichtig is volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer, onder de voorwaarde dat de beroeps- of bedrijfsactiviteit naar aard, omvang en uitstraling past in de woonomgeving: bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de afwijking moet vaststaan dat een goed woon- en leefklimaat op omliggende woonpercelen gegarandeerd is. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.5.3 onder a als in plaats van de geluidreducerende maatregelen die zijn genoemd in de onderbouwing van de ontheffingsprocedures Hogere waarde geluid’, als genoemd in Bijlage 1 bij deze regels, andere geluidreducerende maatregelen worden gerealiseerd en instandgehouden die vergelijkbare of betere geluidreducerende eigenschappen bezitten.

Artikel 7

Leiding - Gas

7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van een ondergrondse hoge druk aardgas (transport)leidingen met een strook van 4 meter aan weerszijden van de aangeduide leiding. De regels van dit artikel gaan voor op de regels die volgens andere artikelen op deze gronden van toepassing zijn.

7.2 Bouwregels Binnen deze dubbelbestemming mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de in lid 6.1 bedoelde leiding worden gebouwd: 7.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de andere bestemmingen van deze gronden, onder de volgende voorwaarden: a. b. c.

de veiligheid van en vanwege de leiding mag niet worden geschaad; hiertoe vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder. een omgevingsvergunning slechts wordt verleend indien geen (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die de veiligheid kunnen schaden of de continuïteit van de energievoorziening in gevaar kunnen brengen: 1. het aanbrengen van hoogopgaande en/of diepwortelende beplanting, waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting; 2. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; 3. het verrichten van grondroeractiviteiten (bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normaal spit- en ploegwerk; 4. diepploegen; 5. het indrijven van voorwerpen in de bodem; 6. het aanbrengen van gesloten verhardingen; 7. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen; 8. het aanleggen van waterlopen of het afgraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; 9. het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. b. Het verbod onder a geldt niet voor de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden: 1. voorkomen op de beplantingslijst van de leidingbeheerder; 2. mechanisch worden uitgevoerd en daarmee vallen onder de werking van de Wet Informatie Uitwisseling Ondergrondse Netwerken; 3.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; 4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; 5. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en). c. De werken en werkzaamheden als bedoeld onder a zijn slechts toelaatbaar indien door die werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de belangen van de gasleidingen en/of energievoorziening niet onevenredig worden aangetast of kunnen worden aangetast. d. Voor een beslissing over een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wint het bevoegd gezag voorafgaand schriftelijk advies in van de leidingbeheerder.

77

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 8

Anti-dubbeltelregel

Artikel 9

Algemene bouwregels

a.

a.

b.

c. d. e. f. g.

78

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Bij de toepassing van de bouwregels in dit plan worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwregels- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer bedraagt dan 1 meter. Voorwaarde daarbij is dat, indien sprake is van overstekende daken en soortgelijke delen van gebouwen, deze bouwdelen zich op een minimale hoogte van 2,40 m boven het maaiveld bevinden, of, voor zover deze bouwdelen boven een rijstrook zijn gelegen, deze bouwdelen zich op een minimale hoogte van 4,20 m boven maaiveld bevinden; een overschrijding van de in het plan opgenomen bouwhoogten met maximaal 2 meter is toegestaan voor zover het ondergeschikte bouwdelen betreft zoals liftkokers en ventilatiekanalen.

Voorwaarden daarbij is dat deze ondergeschikte bouwonderdelen zodanig worden geplaatst dat ze geen onevenredige afbreuk doen aan het straat- en bebouwingsbeeld; tenzij in de regels anders is bepaald, mag binnen een bouwvlak in één laag beneden peil worden gebouwd; bouwwerken - ondergronds en bovengronds - voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, zijn toegestaan, mits niet hoger dan 2 m en - indien bovengronds geplaatst - het oppervlak niet meer dan 4 m2 bedraagt; Bouwwerken die op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan met een daartoe verleende vergunning binnen het plangebied aanwezig of opgericht zijn of kunnen worden opgericht maar die in strijd zijn met dit bestemmingsplan, worden geacht aan dit bestemmingsplan te voldoen. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen staat vast dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd, overeenkomstig de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormering 2016; Als de beleidsregels als bedoeld onder f wijzigen, wordt met die wijziging rekening gehouden.

Artikel 10 a.

b.

c. d.

Algemene gebruiksregels

Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de bestemmingen van dit plan. Het gebruik van gronden en gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de bestemmingen in dit plan is uitsluitend toegestaan als voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd en gehandhaafd, overeenkomstig de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormering 2016. Als de beleidsregels als bedoeld onder b wijzigen, wordt met die wijziging rekening gehouden; Tenzij in de regels anders is bepaald, is een webwinkel alleen toegestaan als geen afhaalpunt wordt gerealiseerd en geen uitstalling van goederen plaatsvindt.

79

Artikel 11

Algemene aanduidingsregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen geldt ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie', dat een op grond van de aangewezen bestemmingen toelaatbaar gebouw, of de uitbreiding daarvan, die kan worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object, slechts mag worden gebouwd indien de geluidbelasting vanwege het industrieterrein De Rietvelden - Het Ertveld op de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

80

Artikel 12

Algemene afwijkingsregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels en verbeelding van het plan ten behoeve van: a. b. c. d. 1. 2. e.

het afwijken van voorgeschreven maten ten aanzien van goot- en/of bouwhoogten met maximaal 10% geringe afwijkingen van bestemmingsgrenzen, bouwvlakken en maatvoeringsblakken tot een maximum van 3 meter; bouwwerken ten dienste van nutsvoorzieningen, zoals transformatorhuisjes, elektriciteitsvoorzieningen, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer met een maximale bouwhoogte van 5 meter en een maximum oppervlakte van 50 m2; voor een grotere bouwhoogte van gebouwen vanwege plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, onder de volgende voorwaarden: de maximale oppervlakte van de plaatselijke verhoging is 10% van het dakoppervlak; de maximale hoogte van de plaatselijke verhoging is 4 meter. toepassing van a t/m d is alleen mogelijk indien het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast.

81

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10610233/1