4a405ca4-c4e4-4283-986c-e3f69344c065
Tekst van het document
5.3
Geluid 31
Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een bestemmingsplan een of meerdere geluidsgevoelige objecten mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (aanpassing weg) mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Naast toetsing aan de Wgh is ook het beleidsdocument 'Nota hogere grenswaarden gemeente 's-Hertogenbosch' (augustus 2010) getoetst. 5.3.1 Wegverkeerslawaai Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) heeft elke weg een geluidzone, tenzij de weg gelegen is binnen een woonerf of voor die weg een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Een geluidzone is het gebied aan weerszijden van een weg waarbinnen - bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een afwijking van een bestemmingsplan - moet worden nagegaan of de geluidsituatie bij woningen of andere geluidgevoelige functies in overeenstemming is met de geluidvoorschriften uit de Wgh.
De gemeente hanteert daarnaast een geluidbeleid met negen gebiedtypen waarbij aangesloten wordt bij de (akoestische) dynamiek van het gebied. Per gebiedtype is voor geluid een ambitie vastgesteld. Bij ontwikkelingen binnen deze gebieden geldt deze ambitie, naast de wettelijke voorkeurswaarde, als toetsingskader. Plangebied
Het plangebied wordt omsloten door een aantal gezoneerde binnenstedelijke wegen die een invloed hebben op de geluidsbelasting. In de wijk zelf zijn een beperkt aantal ontsluitingswegen (30 km/h) aanwezig. Vlek 21 ligt binnen het gebiedstype ‘Stromingszone’. Hiervoor geldt een ambitiewaarde behorend bij een onrustige geluidsklasse. Voor weglawaai bedraagt deze waarde 48 dB. De maximale toegestane waarde is 63 dB voor nieuwbouw waarvoor er een wijziging van het bestemmingsplan nodig is, en 68 dB bij vervangende nieuwbouw. Dit is de toegestane waarde behorend bij een lawaaiig geluidklasse.
Voor de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het weglawaai: “Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai, Bouwplan Boschveld vlek 21’ (AGEL Adviseurs, projectnummer 20190202 d.d. 19 maart 2020). Daarbij zijn de gezoneerde wegen (de Oude Vlijmenseweg-Oude Engelenseweg, de Rietveldenweg en de Boksheuvelstraat) beoordeeld. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de omliggende niet-gezoneerde wegen Coupernicuslaan, de Lorentzstraat, de Voltastraat, de Ampèrestraat en de Röntgenstraat beoordeeld. Het akoestisch onderzoek gaat tevens in op het industrielawaai afkomstig van het gezoneerd industrieterrein “De Rietvelden - Ertveld”. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het weglawaai hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door het verkeer op de Oude Vlijmenseweg. De overschrijdingen op de nieuwe appartementen variëren van 1 dB tot maximaal 6 dB, tot een geluidbelasting van maximaal 54 dB. Dit past binnen de maximaal te ontheffen waarde voor nieuwbouw in stedelijk gebied (gebiedtype Stromingszone). Ter plaatse van de 4 nieuwe grondgebonden woningen wordt de voorkeurswaarde van 48 dB niet overschreden.
Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor het weglawaai worden er in het plan maatregelen getroffen. Daarnaast is er een hogere waarde besluit nodig. De beschrijving van de voorgestelde maatregelen is te vinden onder het kopje ‘Cumulatie geluid’.
5.3.2 Railverkeerslawaai Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. Binnen het plangebied worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de zone van het spoortraject 's-Hertogenbosch-Utrecht / 'sHertogenbosch-Nijmegen / 's-Hertogenbosch-Tilburg/Eindhoven. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet relevant. 5.3.3 Industrielawaai Geluidszonering 32
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. Het doel van zo'n geluidszone is tweeledig: Enerzijds worden geluidgevoelige functies (zoals woningen) beschermd tegen een te hoge geluidsbelasting vanwege industrielawaai. De zone vormt als het ware een buffer (ruimtelijke scheiding) tussen industriële activiteiten en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. De geluidzone zelf vormt hierbij een aandachtsgebied voor geluid, waarin niet zonder meer nieuwe woningen (en andere geluidgevoelige objecten) mogen worden gebouwd.
Het andere doel van de geluidzone is het bieden van akoestische ruimte waarover bedrijven op het industrieterrein maximaal kunnen beschikken. Door het vastleggen van een geluidzone wordt wettelijk akoestische ruimte gecreëerd waarover de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein gezamenlijk maximaal kunnen beschikken zodat zij hun activiteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Een ruimtelijke scheiding tussen bedrijven en milieugevoelige bestemmingen vastleggen in het bestemmingsplan biedt daarmee zowel de omgeving (omwonenden) als bedrijven rechtszekerheid over de kwaliteit van het gebruik van hun kavel.
De grootte van de zone is afhankelijk van de benodigde of gewenste geluidruimte van het gezoneerde industrieterrein. In het bestemmingsplan moet de zone, die niet kleiner mag zijn dan de 50 dB(A) contour, worden vastgelegd. De geluidzone is daarmee het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de zonegrens (de 50 dB(A) contour). De zone is dus het gebied, behalve het industrieterrein zelf, waarbinnen vanwege dat industrieterrein een geluidsbelasting mag heersen van 50 dB(A) etmaalwaarde of meer. Deze eis is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh) en gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Gevolg hiervan is, dat bij ontwikkelingen op en rond het industrieterrein, rekening wordt gehouden met de geluidzone die om het industrieterrein is gelegen. De gemeente hanteert daarnaast een geluidbeleid met negen gebiedstypen waarbij aangesloten wordt bij de (akoestische) dynamiek van het gebied. Per gebiedstype is voor geluid een ambitie vastgesteld. Bij ontwikkelingen binnen deze gebieden geldt deze ambitie, naast de wettelijke voorkeurswaarde, als toetsingskader. Door een hogere waarde procedure kan het college van B&W een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) toestaan op geluidsgevoelige functies. Hiermee kan, onder strikte voorwaarden, de bouw van woningen binnen de geluidzone mogelijk gemaakt kan worden. Plan
Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van het industrieterrein De Rietvelden-Ertveld. Dit is een geluidgezoneerd industrieterrein zoals bepaald in de Wet geluidhinder. Dit houdt in dat er in het bestemmingsplan een 50 dB(A) contour is vastgesteld. Het geluid van alle bedrijven op het industrieterrein samen mag hier niet meer bedragen dan 50 dB(A).
Vlek 21 ligt binnen het gebiedstype ‘Stromingszone’. Hiervoor geldt een ambitiewaarde behorend bij een onrustige geluidsklasse. Voor industrielawaai bedraagt deze waarde 50 dB(A). De maximale toegestane waarde is afhankelijk van de situatie. Deze waarde bedraagt 55 dB(A) voor nieuwbouw waarvoor er een wijziging van het bestemmingsplan nodig is, 60 dB(A) bij vervangende nieuwbouw en in zeer uitzonderlijke gevallen 65 dB(A). Dit zijn de toegestane waardes behorend bij een lawaaiig geluidklasse. Uitgangspunt is dat de bestaande situatie niet wordt verslechterd. De nieuwbouw in Vlek 21 heeft een belangrijke afschermende functie voor de achterliggende woonbebouwing in Boschveld. Daarnaast wordt er vrijwel op de dezelfde plek teruggebouwd. Dit pleit ervoor om het geluid te beoordelen als vervangende nieuwbouw. De toename van het aantal woningen betekent echter dat er meer huishoudens binnen de geluidzone van het industrieterrein komen te wonen. Geconcludeerd wordt dat een maximale waarde van 60 dB(A) is toegestaan, maar dat deze waarde (al dan niet met maatregelen) wordt beperkt tot maximaal 55 dB(A) op de buitenruimtes. Voor de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het industrielawaai: “Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai, Bouwplan Boschveld vlek 21’ (AGEL Adviseurs, projectnummer 20190202 d.d. 19 maart 2020).
Het akoestisch onderzoek gaat tevens in op het weglawaai afkomstig van de (gezoneerde en ongezoneerde) wegen in de omgeving. 33
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) op de gevels van de nieuwe appartementen wordt overschreden. De overschrijding varieert van 1 dB tot maximaal 8 dB, tot een geluidbelasting van maximaal 58 dB(A). Dit past binnen de maximaal te ontheffen waarde van 60 dB(A). Er zijn echter maatregelen nodig omdat de geluidbelasting op de buitenruimtes moeten voldoen aan het ambitieniveau van 55 dB(A). Daarnaast zijn er maatregelen noodzakelijk, zodat iedere woning geluidluw kan spuien. Ter plaatse van de 4 nieuwe grondgebonden woningen wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor het industrielawaai worden er in het plan maatregelen getroffen. Daarnaast is er een hogere waarde besluit nodig. De beschrijving van de voorgestelde maatregelen is te vinden onder het kopje ‘Cumulatie geluid’. Cumulatie geluid
De akoestische afweging gebaseerd op enkel de Wgh is niet altijd afdoende voor de beoordeling of er sprake is van een aanvaardbare akoestische kwaliteit bij een geluidsgevoelige bestemming. In het geval dat een nieuwe geluidsgevoelige bestemming ook in de invloedsfeer van andere geluidsbronnen ligt, moet gekeken worden naar de akoestische kwaliteit als gevolg van alle geluidsbronnen samen (cumulatie). Cumulatie van geluid is dan ook de optelling van de geluiden die afkomstig zijn van verschillende bronnen. Binnen het plan worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Deze geluidsgevoelige bestemmingen ervaren meer dan één geluidbron boven de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting. Wordt een hogere-waardenprocedure gevolgd, dan moet het bevoegd gezag motiveren dat de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar is. Plangebied
Ten behoeve van de uitwerking van het plan is er een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd: “Onderzoek geluidwering gevel, Bouwplan Boschveld vlek 21’ (AGEL Adviseurs, projectnummer 20190202 d.d. 7 juli 2020). In dit onderzoek is tevens de gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen berekend. Deze waarde bedraagt tussen 49 dB en maximaal 61 dB. De 4 nieuwe grondgebonden woningen zijn niet betrokken. Deze woningen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van zowel het weglawaai als het industrielawaai. Uit het onderzoek blijkt tevens voor welke woningen een hogere waarde nodig is. Bij de lange woonblokken gaat het om de appartementen op de Noordelijke koppen en het aangrenzende appartement: per woonlaag 2 kopwoningen en het aangrenzende appartement. Bij de korte blokken gaat het om de appartementen aan de Noord- en Oostzijde: per woonlaag 4 appartementen.
Bij het toekennen van een verzoek om een hogere grenswaarde voor geluidgevoelige bestemmingen tot en met de geluidklasse “onrustig” worden de volgende criteria bij de afweging betrokken:
indien mogelijk moet de afstand tussen de geluidsbron en de nieuwe geluidsgevoelige bestemming worden vergroot; indien mogelijk moeten bronmaatregelen (bijvoorbeeld stillere wegdektypen) getroffen worden;’ indien mogelijk moeten overdrachtsmaatregelen worden getroffen; het stedenbouwkundig ontwerp dient zodanig vorm te worden gegeven dat zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat; in ieder geval bij woningen/appartementen dient de buitenruimte (tuin/balkon) te voldoen aan de ambitiewaarde van het betreffende gebied; de woning dient tenminste één geluidsluwe gevel te bezitten; bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in de geluidklasse “onrustig” dient bij een aanvraag om bouwvergunning een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Bouwbesluit waarbij voor de geluidsbelasting wordt uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting indien daar sprake van is.
Het vergroten van de afstand tot de Oude Vlijmenseweg en het industrieterrein De Rietvelden levert onvoldoende geluidreductie op en is ruimtelijk niet gewenst; het gaat ten koste van de pleinruimte tussen de nieuwbouw en de tegenoverliggende bebouwing. 34
Bronmaatregelen aan de Oude Vlijmenseweg (zoals het verlagen van de rijsnelheid of etmaalintensiteit, het weren van vrachtverkeer) leveren onvoldoende reductie op en zijn niet reëel. Bronmaatregelen voor het industrielawaai zijn vanwege de grootte van het industrieterrein niet reëel. Bovendien gaat het hier om een vastgelegd recht van de (bestaande of nieuwe) bedrijven om een bepaalde hoeveelheid geluid te mogen produceren.
Overdrachtsmaatregelen (zoals een andere wegverharding of geluidschermen) zijn financieel niet haalbaar en leveren geen/onvoldoende reductie op. Het voorgestelde plan voldoet goed als afscherming voor het achterliggend gebied.
Conclusie is dat de drie overige criteria in het plan opgelost dienen te worden, als randvoorwaarde voor de ontheffing hogere waarde geluid.
buitenruimtes die voldoen aan de ambitiewaardes van 48 dB voor het weglawaai en 55 dB(A) voor het industrielawaai; minimaal een geluidluwe gevel bij elke woning; een binnenwaarde van maximaal 33 dB voor weglawaai en 35 dB(A) voor industrielawaai, daarbij wordt de cumulatieve geluidbelasting betrokken.
Buitenruimte
Voor wat betreft de buitenruimte dienen deze te voldoen aan de ambitiewaardes van het gebied. Bij het toepassen van een scherm van 1,2 m, wordt hier niet op bij alle appartementen aan voldaan. Deze appartementen (in de lange woonblokken) worden uitgevoerd met een hoger scherm. Dit dient met een aanvullend/gewijzigd akoestisch onderzoek te worden aangetoond bij de definitieve aanvraag omgevingsvergunning. De hoogte van de schermen wordt bij de aanvraag omgevingsvergunning afgestemd op de benodigde geluidreductie, waardoor elke woning voldoet aan de eis van een geluidluwe buitenruimte en kan voldoen aan de eisen voor het nemen van een beschikking hogere grenswaarde geluid. Aan de zuidzijde van de korte woonblokken wordt op de begane grond een gezamenlijke buitenruimte gerealiseerd. Deze buitenruimte is als geluidluw aan te merken, waardoor alle appartementen in deze bouwblokken beschikken over een geluidluwe buitenruimte.
Afbeelding 5.3 Geluidbelaste balkons worden afgeschermd door glazen schermen 35
Geluidluwe gevel
Voor de realisatie van alle bouwblokken is een Hogere grenswaardebesluit nodig vanwege het wegverkeer van de Oude Vlijmenseweg, Boksheuvelstraat, Rietveldenweg en industrieterrein “De Rietvelden”. Niet alle appartementen hebben de beschikking over een geluidluwe gevel. Dit geldt voor de appartementen die aan de Noordzijde van de te realiseren gebouwen zijn gesitueerd. Om toch geluidluw te kunnen spuien wordt bij iedere verblijfsruimte een te openen deel voorzien van een voorzetraam. Uitzondering daarop zijn de balkons met te openen deuren, die reeds vanaf een geluidluwe buitenruimte kunnen spuien. Binnenwaarde
Voor de woningen waar de voorkeursgrenswaarde van de wegverkeer en/of het gezoneerd industrieterrein De Rietvelden-Ertveld wordt overschreden, dient bij de aanvraag om omgevingsvergunning aangetoond te worden dat aan de gestelde geluidseisen zoals genoemd in artikel 3.1 van het Bouwbesluit wordt voldaan. De karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies dient te worden bepaald conform NEN 5077, waarbij uitgegaan wordt van de gecumuleerde geluidbelasting. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is de vereiste binnenniveau gewaarborgd en is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat. Betekenis voor het besluitgebied
Er treedt in enige mate een overschrijding op van de toegestane geluidsnormen op de gevel. Deze overschrijding valt binnen de maximaal te ontheffen hogere waarden conform de 'Nota hogere grenswaarden gemeente 's-Hertogenbosch'. Het is noodzakelijk dat bij de omgevingsvergunning tevens een hogere waarde besluit wordt vastgesteld. De geluidsnormen (maximaal 33 dB voor weglawaai en 35 dB(A) voor industrielawaai) binnen in de nieuwe woningen wordt tevens verzekerd doordat de bouwactiviteit gelijktijdig met deze afwijkingsprocedure zal worden vergund en zodoende de toetsing van de gevelconstructie dan ook heeft kunnen plaatsvinden.
5.4
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: 1. 2. 3.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen 36
kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de Veiligheidsregio. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde veiligheidsmaatregelen genomen zijn.
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch
De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. In de beleidsvisie externe veiligheid zijn drie hoofdambities benoemd: 1.
2. 3.
Bedrijven met opslag van gevaarlijke stoffen op de juiste plaats. 's-Hertogenbosch wil dat de vestiging van nieuwe inrichtingen waar gevaarlijke stoffen opgeslagen of verwerkt worden mogelijk blijft, maar bestaande inrichtingen die geen belemmering vormen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of hoge risico's opleveren in de bestaande situatie kunnen blijven bestaan op de huidige plaats. Nieuwe inrichtingen moeten gesitueerd worden op een geschikte locatie met name op De Rietvelden of De Brand. Verantwoord ontwikkelen nabij risicobronnen door de aanpak van externe veiligheid te stroomlijnen en uniformeren. Optimalisatie van de beheersbaarheid creëert meer ruimte
In het kader van het planvoornemen moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het besluitgebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Voor het besluitgebied en de omgeving is beoordeeld of er relevante bronnen van risico aanwezig zijn. Toetsing beleidsvisie
De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw. De bewoners worden als normaal zelfredzaam beschouwd. Deze woningen worden beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde 37
ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied, zie onderstaande aanduiding in de vestigingskaart kwetsbare objecten.
Afbeelding 5.4.1: Vestigingskaart kwetsbare objecten
Kwetsbare objecten zijn hierin wel toegestaan. Een standaard verantwoordingskader is hiervoor opgesteld in de beleidsvisie externe veiligheid. Beschouwing risicobronnen
De onderstaande risicobronnen zijn aanwezig in de nabijheid van de ontwikkeling: Inrichtingen
LPG-tankstation, Rietveldenweg 2 Op het nabijgelegen industrieterrein de Rietvelden is een LPG-tankstation v.d. Oetelaar, Rietveldenweg 2 aanwezig met een maximale doorzet van 1.000 m 3 per jaar. Het plaatsgebonden risico 10-6 betreft vanaf het vulpunt 45 m, vanaf het reservoir 25 m en vanaf de afleverzuil 15 m. Er bevinden zich binnen deze contouren geen kwetsbare objecten, zodat aan de normstelling van Bevi wordt voldaan. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Het plangebied valt eveneens niet binnen de risicocontouren van het LPG-tankstation, zodat er geen sprake is van een belemmering. Enthone, Koenendelseweg 29
Op het nabijgelegen industrieterrein De Rietvelden is aan de Koenendelseweg 29 Enthone gevestigd. Enthone is een bedrijf voor onder meer de ontwikkeling van processen en de levering van de bijbehorende chemicaliën ten behoeve van de galvanische industrie. Vanwege een chemicaliënopslag van meer dan 10 ton valt het bedrijf onder de werkingssfeer van het Bevi. Uit een kwantitatieve risicoanalyse voor dit bedrijf blijkt dat er een plaatsgebonden risico is. De risicocontour vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het groepsrisico blijkt laag te zijn en ruim onder de toetsingswaarde, de oriëntatiewaarde. Het invloedsgebied van dit bedrijf op de omgeving bedraagt 930 meter. Gezien de afstand van ongeveer 1.000 meter tussen het plangebied en deze inrichting is geen groepsrisico verantwoording noodzakelijk. Dit bedrijf is geen belemmering voor het planvoornemen.
Buisleidingen 38
Op 1 januari 2011 is het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb) in werking getreden. Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen met een externe veiligheidscontour is het Bevb van toepassing. Het Bevb bevat een verplichting om bij aardgasleidingen met druk van 16 tot 40 bar de ligging van de leiding en de bijbehorende belemmeringenstrook van ten minste 4 m aan weerszijden van de leiding vast te leggen in bestemmingsplannen. Binnen het gebied ligt een ondergrondse hogedruk gastransportleiding (Z517-10) van de Gasunie, met een maximale druk van 40 bar. Voor de leiding die in het plangebied ligt, wordt een belemmeringenstrook bestemd ten behoeve van de bescherming en het beheer van de leiding. De breedte van deze strook is 4 meter aan weerszijden van de leiding. Deze zone dient gevrijwaard te blijven van obstakels (dus geen gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en andere objecten die een belemmering opleveren voor de bereikbaarheid van de gasleiding). Deze zone is opgenomen op de plankaart en vertaald in de regels bij het bestemmingsplan.
In het Bevb is geregeld wanneer de risico's van de hogedruk-aardgastransportleiding moet worden beschouwd. Hiervoor is een rapportage “Beschouwing externe veiligheid, Boschveld ’s-Hertogenbosch” opgesteld door de Anteagroup, projectnummer 456383, d.d. 28 september 2020. Deze rapportage is in bijlage 10 weergegeven. In de beschouwing is voor de beoogde ontwikkeling ten aanzien van de hogedruk aardgastransportleiding een kwantitatieve risicoberekening (QRA) opgenomen. Hierbij is gekeken naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Afbeelding 5.4.2: Rode lijn is ligging van de aardgastransportleiding Plaatsgebonden risico (PR)
Voor wat betreft het PR bezitten de aardgasleidingen geen 10-6contour (PR contour = 0 meter). Er liggen dus geen kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden uit het Bevb. Het plaatsgebonden risico levert geen belemmeringen op.
39
Groepsrisico (GR)
Uit de groepsrisicoberekening blijkt dat met de beoogde ontwikkeling het groepsrisico zal toenemen. In zowel de huidige- als toekomstige situatie bevindt het groepsrisico zich onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt toe van 0,085 naar 0,090. Conform het Bevb kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Hiervoor worden de kwalitatieve elementen als zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd. De Veiligheidsregio heeft op 16 maart 2021 een veiligheidsadvies ‘BP Boschveld Vlek 21 fase 1 t/m 4’ uitgebracht. Dit advies is gebaseerd op het rapport QRA d.d. 28 september 2020 opgesteld door de Anteagroup, een actualisatie van het concept-rapport van 15 augustus 2019. Het veiligheidsadvies is toegevoegd in bijlage 4b en meegenomen in de beoordeling van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid is de mate waarin personen zich in veiligheid kunnen brengen (schuilen of vluchten) zonder hulp door hulpdiensten. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid zijn afhankelijk van de kwetsbaarheid van personen en de mogelijkheden het gebied te ontvluchten. Binnen het invloedsgebied van de hogedrukaardgastransportleiding in het plangebied bevinden zich woningen. De zelfredzaamheid van personen in deze woningen is doorgaans hoog. In genoemde objecten zijn geen groepen minder valide mensen te verwachten die in geval van een calamiteit niet in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen. Gerichte crisiscommunicatie met bewoners en andere aanwezigen kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Bij het optreden van een fakkelbrand is het belangrijk dat de aanwezige personen uit het gebouw kunnen vluchten. De voorgenomen ontwikkeling biedt voldoende ruimte voor de bewoners om veilig te kunnen vluchten (zuidoostelijke richting). Afhankelijk van de richting van de fakkelbrand kan er geschuild worden in de gebouwen of in de schaduw van de gebouwen (ten opzichte van de fakkelbrand).
Bestrijdbaarheid
Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden in geval van een incident, zijn de opkomsttijd, de bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid van belang. De lokale brandweer kan binnen 4 minuten objecten binnen het invloedgebied van de gasleiding bereiken. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid zijn slecht. Dit geldt in algemeenheid voor dit scenario (fakkelbrand als gevolg van graafschade). Een fakkelbrand kan alleen gedoofd worden door het sluiten van de gastoevoer. De brandweer wordt door de hoge hittestraling ook beperkt in haar optreden. De brandweer richt zich op het redden van slachtoffers, het koelen van panden in de omgeving en het bestrijden van secundaire branden.
Transportroutes (weg/spoor)
Binnen de gemeente 's-Hertogenbosch vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de rijkswegen A59 en de A2, een provinciale weg (N279) en incidenteel over enkele lokale wegen. Over de lokale wegen vindt nagenoeg alleen transport van brandbare vloeistoffen en LPG plaats als bevoorrading van autobrandstofverkooppunten plaatsvindt. Door de lokalisering van de LPG-tankstations nabij de ringwegen is veelal automatisch al sprake van korte en goede verbindingswegen van- en naar de LPG-tankstations en met de vervoerders zijn afspraken gemaakt om ook daadwerkelijk de meest veilige weg te nemen. In het geval van het LPG-tankstation aan de Rietveldenweg 2 wordt gebruikt gemaakt van de A59 en Rietveldenweg (zijnde de kortste en veiligste route vanaf het rijkswegenstelsel). Deze route ligt op voldoende afstand van het plangebied. Tevens is bij de beoordeling op basis van de VNG handreiking voor het toetsen van externe veiligheid transport gebleken dat met de bevoorrading via de aan- en afvoerroutes geen overschrijding van de veiligheidsnormering voor plaatsgebonden risico en groepsrisico plaats vinden. Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. 40
In de bij dit plan gevoegde beschouwing externe veiligheid dd. 16 maart 2021 zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedgebied van de buisleiding Z517-10 en het spoortraject Den Bosch-Eindhoven. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de rapportage. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. Advies Veiligheidsregio:
Bij wet is bepaald dat voor een ontwikkeling van kwetsbare objecten in de nabijheid van risicobronnen advies wordt gevraagd aan de Veiligheidsregio. Het advies dient te worden betrokken bij de onderbouwing en uitwerking van het plan. Voor onderhavig plan is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio, zie bijlage 4 De Veiligheidsregio onderschrijft de opgestelde verantwoordingsparagraaf van AnteaGroup. Gezien het feit dat de ontwikkeling dicht bij de buisleiding is gelegen, wordt aanvullend het volgende geadviseerd:
Verplicht de initiatiefnemer om potentiële kopers/huurders te informeren over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn vanen het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.
De gemeente heeft woningcorporatie BrabantWonen actief geïnformeerd over dit advies en de toezegging verkregen dat BrabantWonen de toekomstige bewoners van de woningen over de veiligheidsrisico’s zal informeren. Conclusies en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de buisleiding Z-517-10 en het spoortraject Den BoschEindhoven. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. De Gasunie heeft een advies gegeven om een extra regel op te nemen ter bescherming van de gasleiding, in die zin dat bij het realiseren van de waterberging rekening moet worden gehouden met de gasleiding, dat deze hierdoor niet wordt beschadigd. Dit advies is overgenomen.
Hoewel er enige mate van risico in de omgeving aanwezig is in het kader van externe veiligheid als gevolg van bedrijvigheid, de spoorzone en aardgastransportleiding, heeft dit niet tot gevolg dat afgezien zou moeten worden van het planvoornemen. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico en restrisico.
5.5
Lucht
5.5.1 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 vormt het aspect luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer de basis voor de besluitvorming in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Op basis van deze Wet luchtkwaliteit gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingscomponenten.
41
Projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven op grond van het 'Besluit niet in betekenende mate (NIBM)' niet te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de Regeling niet in betekenende mate zijn bijdragen (luchtkwaliteitseisen) categorieën van gevallen aangewezen die per definitie niet in betekenende mate bijdragen. Voor deze categorieën van gevallen hoeft geen onderzoek plaats te vinden of hoeft niet aannemelijk gemaakt te worden dat ze niet in betekenende mate bijdragen. Eén van deze categorieën betreft de bouw van 1.500 woningen, waarbij is uitgegaan van een verkeersgeneratie van ten minste 7.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Met onderliggend bestemmingsplan wordt de bouw van in totaal 211 woningen mogelijk gemaakt. Het verkeer als gevolg van deze nieuwbouw ligt ruim beneden deze 7.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het project is daarmee aan te merken als Niet in betekende mate (NIBM). Ook uitgaande van het 3% criterium (toename maximaal 3% van het jaargemiddelde NO2 en PM10) is binnen het plangebied geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Tevens blijkt uit de landelijke Monitoringstool dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied ruimschoots onder de wettelijke maximale grenswaarden liggen. Hieruit blijkt dat ter hoogte van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan. 5.5.2 Stikstof De stikstofdepositie is berekend in de memo – Actualisatie onderzoek stikstofdepositie, betreft bouwplan Boschveld, vlek 21 te 's-Hertogenbosch, opgesteld door AGEL adviseurs, kenmerk 20190202, d.d. 21 december 2020”. De memo is in bijlage 5 weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt in de aanleg- en gebruiksfase. Aanlegfase
Op de locatie Vlek 21 in Boschveld te 's-Hertogenbosch wordt de bestaande bebouwing gesloopt en wordt nieuwbouw gerealiseerd. Zowel bij de sloop als bij de nieuwbouw wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Deze zorgen voor een emissie van stikstof. Uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gebruiksfase
De nieuwe gebouwen worden gasloos gerealiseerd en zorgen dan ook niet voor een emissie van stikstof. De situatie wordt hiermee in dit geval beter ten opzichte van de huidige situatie.
De toename aan verkeersbewegingen die met de gebruiksfase samenhangen is berekend. Uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Betekenis voor het plangebied
Uit de stikstofberekeningen blijkt de realisatie hiervan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat er geen sprake is van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming vormt dan ook geen belemmering.
De rechtelijke uitspraken van januari 2021 over stikstof hebben geen invloed op de berekeningswijze en resultaten van de stikstofdepositie. Er is geen sprake van een toename van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.
42
5.6
Bodem
Inleiding
Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Onderzoek
Bodemkwaliteit
Het gebied is in 1948 circa 2,5 meter opgehoogd met zand uit de Ertveldplas.
Vanuit historische informatie over het gebruik van het gebied zijn er geen aanwijzingen voor bodemverontreiniging.
Uit bodemonderzoek is gebleken dat de bodem ter plekke van het plantsoen in fase 1 sterk verontreinigd is met PCB's (voor ligging zie afbeelding 11). In het overige gebied zijn in de bodem licht verhoogde gehalten aan PCB's, zware metalen en PAK's aangetroffen. De oorzaak van de PCB's en overige stoffen is onbekend. De sterke PCB-verontreiniging levert geen risico's op voor de volksgezondheid en milieu bij gebruik van het terrein als plantsoen. Dit is beoordeeld door de GGD en vastgelegd in een beschikking op grond van de Wet Bodembescherming (College-besluit d.d. 25 juni 2019).
Afbeelding 5.6: Kadastrale kaart met ligging verontreiniging (bijlage bij besluit) Betekenis voor het plangebied
Conform gemeentelijk beleid zal de sterke PCB-verontreiniging gesaneerd worden in het kader van de herinrichting. Mogelijk is ook nog een beperkte PCB-verontreiniging aanwezig onder de bestaande appartementencomplexen en het blokje met de vier woningen en gemengde plint. Deze locaties worden na de sloop van de aangrenzende appartementen onderzocht en zo nodig ook gesaneerd. De bodem is geschikt voor de geplande woonfunctie of zal dat na sanering in ieder geval zijn. 43
De bodem is eveneens voldoende onderzocht om een omgevingsvergunning (bouwen) te kunnen verstrekken. De omgevingsvergunning zal pas in werking treden nadat voldaan is aan de vereisten die gelden voor de aanhoudingsplicht inzake (vermoeden van) ernstige bodemverontreiniging.
5.7
Water
In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting van dit bestemmingsplan. 5.7.1 Beleidskader Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer
De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in de nota ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig 2021. Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren; ook is hierin het hemelwaterbeleid vastgelegd. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de bijbehorende Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021. Doel is het voorkomen van overlast door hevige neerslag en het tegengaan van verdroging als gevolg van klimaatverandering. Het is dan ook verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. Het hemelwater dient in principe op eigen terrein te worden opgevangen en vastgehouden.
De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties (op een aantal onder de provinciaal bevoegdheid vallende categorieën na; zie art. 6.4 Waterwet. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:
Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater verwerken volgens de voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik 2. infiltratie/bergen 3. afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. (Grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
Daarnaast zien we water als kans voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. 44
Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan. 5.7.2 Watertoets Huidige situatie
De maaiveldhoogte in het plangebied ligt tussen 5,25 en 6,0 m + NAP. De grondwaterstand is redelijk constant en ligt rond de 2,8 m +NAP. Grondwaterbeschermingsgebied
Over een groot gedeelte van de wijk Boschveld ligt een grondwaterbeschermingszone, te weten een 'Boringsvrije zone' ten behoeve van industriële grondwaterwinning (Heineken). Hiervoor heeft de Provincie als bevoegd gezag specifieke regels gesteld. Dit geldt wanneer er werkzaamheden in de bodem worden verricht op een diepte van meer dan 10 meter en/of als er grondwater wordt toegevoegd of onttrokken. Bodemenergiesystemen dieper dan 80 meter zijn niet toegestaan.
Afbeelding 5.7.1: Ligging boringsvrije zone (blauw) en projectgebied (rode kruis) Riolering In een deel van Boschveld is een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Ter plaatse van de Buijs Ballotweg ligt een klein onderbemalingsgebied, waar een gemengd stelsel ligt. In de nabije toekomst zal heel Boschveld afgekoppeld worden. Betekenis voor het plangebied
In het nieuwe plan vindt geen onderkeldering plaats van de nieuwe gebouwen, er is geen bronbemaling nodig bij bouwrijp maken van het terrein. Ook worden vooralsnog geen bodemenergiesysteem toegepast maar lucht/water- of ventilatiewarmtepompen. Mocht er in de latere fases alsnog een bodemenergiesysteem worden toegepast dan zal hier een melding (bij gesloten systemen) of vergunning (bij open systemen) nodig zijn. 45
Wateropgave
In het plan is rekening gehouden met een robuuste en klimaatadaptieve inrichting met minimaal 60 mm waterberging en/of infiltratie per m2 nieuwe verharding. Daarbij is uitgegaan van circa 10.700 m2 (bebouwd en onbebouwd verhard oppervlak), de hoeveelheid verharding in het concept-inrichtingsplan met het maximum aantal parkeerplaatsen (134 stuks). De wateropgave komt daarmee op circa 640 m3. Het definitieve verharde oppervlak is nog afhankelijk van de definitieve inrichtingskeuze van de openbare ruimte, maar is waarschijnlijk gunstiger omdat er minder parkeerplaatsen worden aangelegd. De infiltratievelden in de parkzone hebben (meer dan) voldoende capaciteit om extra water te kunnen bergen. Maatregelen
De perceelsgrenzen liggen, zowel in de bestaande als de nieuwe situatie, strak tegen de bebouwing aan. Er is dan ook nauwelijks ruimte voor waterberging op het eigen perceel. De herinrichting van de aangrenzende openbare ruimte is integraal onderdeel van de herontwikkeling. Daarom is besloten om de opgave voor de waterberging op te lossen in de parkzone ten noorden van de appartementen. Dit heeft tevens het voordeel dat verdroging van het park wordt beperkt. In het park worden door de gemeente drie grote infiltratievelden aangelegd die gezamenlijk de wateropgave kunnen bergen. Bestaande bomen worden daarbij gespaard. Het onderhoud en beheer is in handen van de gemeente.
Het hemelwater wordt afgekoppeld. Hemelwater van het openbaar gebied wordt via het hemelwaterriool (wordt aangebracht in de bestaande stratenstructuur) naar het nabijgelegen Westerpark afgevoerd. Het hemelwater dat op de daken van de nieuwe appartementen valt, wordt afgevoerd naar de nieuwe infiltratievelden De (globale) locatie van de infiltratievelden is als groene contour in het onderstaande inrichtingsplan ingetekend. In de tekening zijn de afmetingen van de velden aangegeven. De diepte wordt afgestemd op de benodigde capaciteit voor waterberging.
Afbeelding 5.7.2: In het park komen infiltratievelden voor het regenwater Conclusie
46
In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied bepaald en ingevuld met een passend ontwerp voor hemelwater, grondwater en afvalwater [en oppervlaktewater].
5.8
Duurzaamheid en Energie
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Klimaatverandering
Het klimaat verandert. In Nederland krijgen we volgens de meest recente KNMI-modellen in de toekomst te maken met meer extreme weersomstandigheden zoals langere droge periodes, heftigere buien (met mogelijk meer onweer, neerslag, hagel en wind) en gemiddeld zal de temperatuur stijgen. Door hierop tijdig te anticiperen en aanpassingen door te voeren aan de fysieke leefomgeving van de stad en adaptief gedrag van haar inwoners te ondersteunen, blijft de stad van de toekomst veilig en leefbaar.
Gemeente ’s-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vast gelegd in de ‘visie duurzaam ’s-Hertogenbosch’ (mei 2019). Met de vastgestelde visie zet gemeente ’s-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema’s: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving Dit thema is verder uitgewerkt in de nota ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig 2021 2. CO2 neutrale omgeving (energie) 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) 4. Duurzame mobiliteit
Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om. Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam ‘s-Hertogenbosch. Ook woningcorporaties hebben ambities ten aanzien van duurzaamheid en energie. Hierover zijn afspraken vastgelegd in het Duurzaamheidsakkoord 2021-2025, de Meerjarige Prestatieafspraken 2021-2025 en de Uitvoeringsagenda 2021. Ten aanzien van dit plan is per thema beschreven op welke wijze hier invulling wordt gegeven:
1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging en vergroening)
Het plangebied wordt naast de beoogde woningbouwcontouren en de te realiseren parkeerplaatsen ingericht voornamelijk als groen en als waterbergingsgebied. De openbare ruimte krijgt een beter gevoel van sociale veiligheid en er worden speelplekken en ontmoetingsplekken gerealiseerd. Met de bomen wordt tevens schaduw gecreëerd wat hittestress kan voorkomen en/of kan verminderen. Dit alle draagt bij aan een omgeving dat de gezondheidsbeleving van de omwonenden zal bevorderen en het klimaat ten goede zal komen. Het behoud van bomen en het planten van nieuwe bomen zal samen met het bergen van hemelwater bijdragen aan de groene beleving van het gebied en zal tevens zorgdragen voor het bevorderen en/of in stand houden van de biodiversiteit. De gebouwen worden voorzien van nest- en vleermuiskasten (natuurinclusief 47
bouwen). Kortom een plan dat bijdraagt aan de gemeentelijke doelstellingen.
Om hittestress te voorkomen als gevolg van veel verstening en asfalt liggen bij (her)ontwikkeling in de bestaande stad kansen voor een klimaatadaptieve inrichting. Vooral het aanleggen van groen en aanplanten van bomen zorgt voor verkoeling. Voor bomen is het belangrijk dat ze voldoende ondergrondse groeiruimte krijgen en altijd van voldoende water zijn voorzien. Voor een klimaatadaptieve inrichting van het plan worden onderstaande maatregelen uitgevoerd:
Behoud van vrijwel alle bestaande bomen en toevoegen van nieuwe bomen en beplanting Vergroening van de pleinen Afkoppeling van hemelwater en inpassen van 3 infiltratievelden.
De mens staat centraal bij de uitvoering van dit plan. Door het uitvoeren van deze maatregelen zal het plangebied bijdragen aan het welbevinden van de omwonenden. Zowel de bebouwing als de inrichting van het openbaar gebied dragen hier aan bij. 2. CO2 neutrale omgeving (energie)
Energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheids-ambities van de gemeente ’s-Hertogenbosch. De gemeente heeft – naast de visie – ook doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaatneutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en ’sHertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat we als gemeente een serieuze bijdrage leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente. Woningen
Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 2021 moet nieuwbouw voldoen aan zogenaamde ‘BENG-eisen’ voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. Het bestuursakkoord 2018-2022 zet bij ontwikkelingen in om vooruit te lopen op de landelijke norm (zoals deze zich nu laat aanzien). Dit houdt in dat ontwikkelingen (nieuwbouw) op dit moment meer moeten omvatten dan alleen het voldoen aan de BENG-norm. De ambitie is en blijft een energieneutrale bebouwde omgeving in 2035 en een CO2 neutrale woningvoorraad in 2050.
De omgevingsvergunning van fase 1 van Vlek 21 is in 2020 afgegeven. Op dat moment was het uitgangspunt een EPC van 0,4. De nieuwbouw van fase 1 gaat echter uit van (minimaal) BENG. Ook bij de nieuwbouw die later wordt ontwikkeld, worden ambitieuze energiemaatregelen nagestreefd die verder gaan dan de wettelijke regelgeving die van toepassing is op het moment van de aanvraag omgevingsvergunning. Uitgangspunt blijft het Duurzaamheidsakkoord en de Prestatieafspraken tussen de woningcorporaties en de gemeente. Nieuwe technieken worden waar mogelijk toegepast om een beter energieniveau te behalen. Verschillende ingrepen dragen bij aan de duurzaamheid van het plan: 48
De schil van de nieuwbouw (gevel/dak/fundering) wordt goed geïsoleerd; De daken worden optimaal benut voor het opwekken van zonne-energie. Dit is mogelijk door hiervoor zoveel mogelijk dakvlak beschikbaar te houden; Er wordt een lucht/water en/of ventilatiewarmtepomp toegepast; Om oververhitting te beperken wordt zonwerend glas toegepast; De kozijnen worden deels van aluminium, deels van hout; In de algemene ruimtes wordt LED-verlichting toegepast, terugdimmend en voorzien van schemer- en/of bewegingsensoren. Grondstoffen worden zoveel mogelijk hergebruikt (zie hieronder)
3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit)
Uitgangspunt is het hergebruik van grondstoffen. Bij de sloop van de bestaande gebouwen wordt opdracht verstrekt aan partners onder de voorwaarden dat 80% van het uitkomend materiaal gerecycled in de bouwkolom terugkomt. Er wordt dus niet zomaar gesloopt maar inzet is gericht op demontage en hergebruik, zo mogelijk op dezelfde locatie, in de nieuwbouw. Dit draagt bij aan het waardebehoud van grondstoffen. 4. Duurzame mobiliteit
Op de parkeerplaatsen worden laadpunten voor elektrische auto’s gerealiseerd. Tevens wordt het plangebied gebruiksvriendelijk gemaakt voor voetgangers. Het fietsparkeren voor de bewoners wordt inpandig opgelost. Bezoekers kunnen hun fiets stallen in de openbare ruimte. Nabij de appartementengebouwen komen voldoende stallingsplekken. Kortom met het planvoornemen wordt op verschillende manieren rekening gehouden met duurzame toepassingen en past hiermee binnen de gestelde ambities van de gemeente 's-Hertogenbosch om in 2035 de gebouwde omgeving klimaatneutraal te laten zijn.
5.9
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Wet -en regelgeving
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Met ingang van 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen (zie onderstaand). Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft niet gepubliceerd te worden. Aanmelding en besluit
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2).
Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien het een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare betreft, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van circa 211 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat geen m.e.r. nodig is, maar wel een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' van toepassing is. Deze is hieronder opgenomen.
49
Het project betreft de herbouw van een zevental appartementengebouwen en 4 grondgebonden woningen met in totaal circa 211 woningen. Het betreft een ruimtelijke ontwikkeling die wat betreft hinder op de omgeving beperkt is. Het project wordt gerealiseerd op de bestaande contouren van de huidige appartementengebouwen centraal gelegen binnen het bestaande, stedelijke gebied van de stad 's-Hertogenbosch. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Dit blijkt tevens uit de milieuparagraaf (Hoofdstuk 5) van dit bestemmingsplan. Het bevoegd gezag besluit derhalve dat geen milieueffectrapportage hoeft te worden gemaakt.
50
5.10
Ecologie
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dieren plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, getoetst moeten worden op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.