CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlage 3 - Bestemmingsplan Lage Diezebrug (toelichting en regels)

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Lage Diezebrug18.692 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.7

Bodem

De huidige Diezebrug wordt gesloopt en vervangen. De Lage Diezebrug wordt circa 50 meter ten noordwesten van de huidige brug aangelegd. Om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de bodem binnen de werkgrenzen is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd (Geonius, rapport MA180109.006.R01.V01, 29 november 2021).

31

Afbeelding 5.1 Kaart bodemonderzoek

Bodemkwaliteit oostzijde onderzoeksgebied Uit het onderzoek blijkt dat aan de oostzijde van de toekomstige brug (Orthenpoort) in de grond veelvuldig bodemvreemde bijmengingen voorkomen in de vorm van (baksteen)puin en kolengruis etc. De grond is overwegend licht verontreinigd met zware metalen, PAK, PBC en minerale olie. Plaatselijk zijn sterk verhoogde gehalten (> interventiewaarde) lood en koper aangetoond. De omvang van deze sterke verontreiniging is horizontaal en verticaal niet afgeperkt. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium gemeten. Bodemkwaliteit westzijde onderzoeksgebied Ter plaatse van de westzijde van de toekomstige brug (Kop van 't Zand) komen in de grond eveneens veelvuldig bijmengingen aan (baksteen)puin en kolengruis etc. voor. De grond is hier overwegend licht verontreinigd met zware metalen en PAK en plaatselijk vluchtige aromatische koolwaterstoffen. In het grondwater zijn plaatselijk sterk verhoogde concentraties minerale olie, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en vinylchloride gemeten. De gehele onderzoekslocatie is niet verdacht PFAS. Twee steekproefsgewijze grondanalyses bevestigen dit (de grond voldoet voor wat betreft PFAS aan de kwaliteitsklasse 'landbouw/natuur').

Conclusie in relatie tot de planprocedure De aangetoonde sterke verontreinigingen in grond en grondwater brengen in de huidige situatie geen onaanvaardbare risico's met zich mee. Saneren van de verontreinigingen is alleen nodig indien gegraven wordt ter plaatse van de sterk verontreinigde grond, of indien sterk verontreinigd grondwater wordt opgepompt bij een bronnering. Saneren van (delen) van deze verontreinigingen kan eenvoudig binnen het Besluit Uniforme Saneringen (BUS). Afhankelijk van de uiteindelijke werkzaamheden ter plaatse kan nader onderzoek naar de 32

omvang van de aangetoonde verontreinigingen nodig zijn. De kwaliteit van de bodem is voldoende onderzocht voor de ruimtelijke procedure. De milieuhygiënische kwaliteit vormt geen belemmering voor de economische haalbaarheid van het plan.

5.8

Water

Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch2021 Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke verordening bomen, water en groen 's-Hertogenbosch 2021. Daar waar op land bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer is, moet de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kunnen verwerken. Het is daarbij verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of af te wentelen op percelen van derden. Voor het vervangen van een brug (valt onder de regels vernieuwing verharding > 500 m2) geldt de eis van 60 mm berging. Voor de afwatering van de brug moet de eerste 60 mm geborgen worden en kan vervolgens infiltreren/vertraagd overstorten, of eventueel worden hergebruikt. Hemelwater van het brugdek rechtstreeks afwentelen op de Dieze is niet toegestaan.

Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas Op 19 november 2021 is het Waterbeheerplan 2022-2027 van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe het Waterschap die doelstellingen wil gaan halen. Het Waterbeheerplan (WPB) is uitgewerkt in de volgende drie programma's: 1. Waterveiligheid Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur en legger Waterschap 33

De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Onder de Omgevingswet staan deze regels in de Onderhoudsverordening. De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven, zie afbeelding 5.2.

Oppervlaktewater De Dieze is een A-watergang. Aan beide zijden van deze watergang geldt een beschermingszone met een breedte van 5 meter, gemeten vanaf de insteek ten behoeve van het doelmatig beheer en onderhoud, zie afbeelding 5.2. Binnen deze beschermingszone is de Keur van toepassing. Deze stelt onder andere beperkingen aan het aanbrengen van obstakels, in welke vorm dan ook. Het realiseren van obstakels binnen de beschermingszone mag alleen als hiervoor door het waterschap (water)vergunning is verleend. Een vergunning hiervoor wordt alleen verleend indien het beheer en onderhoud van de watergang niet belemmerd wordt. De bruggenhoofden van de Lage Diezebrug worden niet binnen de beschermingszone gerealiseerd. Het ontwerp van de brug wordt beoordeeld op invloed op de waterafvoerende capaciteit en waterberging, in het kader van de procedure van de watervergunning.

Afbeelding 5.2 Vastgestelde legger oppervlaktewater Waterschap Aa en Maas van het projectgebied

Profiel van vrije ruimte 34

Ter plaatse van de beoogde brug is in de legger een profiel van vrije ruimte opgenomen, waarbij wordt uitgegaan van een standaardbreedte van 25 meter aan weerszijden van de waterloop, gemeten vanaf de insteek. Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang, het aanbrengen van obstakels, in welke vorm dan ook is daar verboden. Het doel van het verbod is om genoeg ruimte te laten voor maatregelen de nodig zijn voor een klimaat robuust watersysteem, het uit te voeren beekherstel en de realisatie van een EVZ opgaven. Een vrijstelling kan worden verleend voor werken die eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen zijn. Dat is bij de voorgestelde brug niet het geval. Hiervoor geldt dat een watervergunning noodzakelijk is. Daarom is gemeente in overleg met het waterschap over de voorwaarden voor het verlenen van een watervergunning voor de Lage Diezebrug.

EVZ- in combinatie met de KRW-opgaven Op de Dommel, StadsAa en de Dieze liggen opgaven voor het realiseren van een Ecologische Verbindingszone (EVZ) en vanuit de Kaderrichtlijn Water een opgave voor beekherstel. Het Waterschap hanteert voor de EVZ de doelsoorten: rivierprik, amfibieën algemeen, grote modderkruiper en bloemrijk schraalgrasland. Voor beekherstel zijn maatregelen nodig als het inbrengen van stroomsnelheidsvariatie door dood hout, moeras-draszones, beschaduwing en een bloemrijke oever. Voor de invulling van de EVZ opgaven in de stad 's-Hertogenbosch is realisatie middels stapstenen onvermijdelijk. Dat betekent voor de EVZ opgave dat deze langs de hele oever met een wisselende breedte zal worden ingevuld, een aaneengesloten ecologische zone heeft de voorkeur. In het ontwerp van de Lage Diezebrug is voor het invullen van de ecologische opgaven op de noordoever 10 meter ruimte gereserveerd tussen waterlijn en aanlanding van de brug. Een grotere overspanning van deze circa 16 meter brede brug heeft geen meerwaarde voor het functioneren als EVZ. Bij de iets verderop gelegen spoorbruggen en Royal Welshbrug (Nelson Mandelalaan) is weliswaar een overspanning van 25 meter oever gerealiseerd, maar onder deze bruggen is door schaduw en afvangen van neerslag door de bruggen nauwelijks vegetatie aanwezig en derhalve weinig voedsel, geen dekking of nestgelegenheid.

Daarnaast is bij de aanlanding van de Lage Diezebrug op de zuidoever 5 meter ruimte tussen waterlijn en brug en wordt de oever niet onderbroken door een bruggenhoofd. Aan beide zijden van het water is sprake van een goede uitgangssituatie voor de inrichting van de EVZ. Dit bestemmingsplan behelst enkel het realiseren van het bouwwerk brug en de aansluiting op de omliggende wegen. Op de oevers onder de brug wordt ruimte gelaten voor de realisatie en inrichting van de EVZ. Hiermee wordt de ontwikkeling van de EVZ niet onmogelijk gemaakt en wordt de situatie zelfs verbeterd ten opzichte van de bestaande situatie. De invulling van de oevers en talud wordt afgestemd op de verder planontwikkeling van de Bossche Stadsdelta. Ook het oeverprofiel en inrichting van de Dommel naar de bocht bij de zuidelijke aanlanding van de brug heeft geen betrekking op het bouwwerk brug en valt derhalve buiten het aandachtsveld van dit bestemmingsplan maar wordt meegenomen bij de uitwerking van de ontwikkeling van de Bossche Stadsdelta.

5.9

Duurzaamheid

De gemeente 's-Hertogenbosch heeft haar duurzaamheidsambitie vastgelegd in de nota Samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch (mei 2019). Hierin worden vier ambities uitgewerkt. a. Ambitie 1: Gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving b. Ambitie 2: CO2-neutrale gemeente c. Ambitie 3: Waardebehoud van grondstoffen d. Ambitie 4: Duurzame mobiliteit Vooral ambitie 3 Waardebehoud van grondstoffen, is relevant voor de aanleg van een nieuwe Diezebrug. Uitgangspunt voor realisering is dan ook een duurzaam ontwerp te maken dat voorziet in een minimaal materiaalgebruik en te werken met gerecycled beton. Daarnaast wordt gestreefd naar een circulair/demontabel ontwerp. Voor een beschrijving van duurzaamheid bij de nieuwe Lage Diezebrug wordt verwezen naar paragraaf 3.3 35

Duurzaamheid Lage Diezebrug.

5.10

Milieueffectrapportage

Er heeft een vormvrije mer-beoordeling plaatsgevonden. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Dit blijkt tevens uit de milieuparagraaf van dit bestemmingsplan. Het opstellen van een m.e.r. wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

5.11

Ecologie

Kader De bescherming van de biodiversiteit is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een plan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) én voor beschermde dier- en plantensoorten (soortenbescherming). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuur Netwerk Nederland en aanwijzing als Natte Natuurparel. Ook in dit kader is de provincie bevoegd gezag dat verklaart het gebruik van de aanduiding Natuur Netwerk Brabant (NNB). De Dieze valt onder het beheertype N04.02 Zoete Plas. De kwalificerende soorten van het beheertype N04.02 Zoete Plas behoren tot de soortgroepen planten, vissen en libellen.

Onderzoek Voor de ontwikkeling heeft een Quickscan ecologie plaatsgevonden (Quickscan soortbescherming Diezebrug, 's-Hertogenbosch, idverde Advies, 23 maart 2022). Het onderzoeksgebied van het onderzoek omvat de Diezebrug en de locatie van de nieuwe brug en loopt tot aan de gevels van de omliggende gebouwen.

Afbeelding 5.2 Onderzoeksgebied quickscan soortenberscherming

De Quickscan betreft een verkenning die bestaat uit een bronnenonderzoek en een veldbezoek. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, is een inschatting gemaakt van de aanwezige natuurwaarden en is 36

beoordeeld of het plan (negatieve) effecten kan hebben op beschermde soorten (effectenanalyse).

Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming beschermt naast soorten, ook natuurgebieden en houtopstanden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek ligt op circa 2,7 km afstand van het plangebied. Negatieve effecten door een eventueel hogere stikstofdepositie kunnen op grote afstand optreden. Om dit te voorkomen dient de bouw/aanleg van de nieuwe Diezebrug en de sloop van de huidige Diezebrug nagenoeg emissievrij uitgevoerd te worden. Het gebruik van de nieuwe Lage Diezebrug (afgezet tegen het gebruik van de huidige Diezebrug) zorgt voor een afname van de stikstofbijdrage op Natura 2000 gebieden en is derhalve geen belemmering. Zie paragraaf 5.12 Stikstof. Eventuele verandering in geluid, licht en trillingen ten gevolge van de bestemmingsplanherziening zal uitdoven, geabsorbeerd worden en/of overstemd worden door het tussenliggend stedelijk gebied, dan wel ten gevolge van de afstand, voordat dit het Natura 2000 gebied kan bereiken. Deze externe factoren zullen derhalve geen effect sorteren op het Natura 2000 gebied. De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant. Daarom is het toekomstige (gebieds-)ontwerp beoordeeld in een "Nee, tenzij-toets" (Toetsing NNB voor de Diezebrug, ’s-Hertogenbosch, idverde Advies, 27 juli 2023).

Daarin wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de voorwaarden voor een kleinschalige herbegrenzing zoals beschreven in de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant. Met de toekomstige realisatie van de Lage Diezebrug wordt een beperkte inbreuk gemaakt op de omvang van het Natuurnetwerk Brabant en ook de aantasting van natuurwaarden is beperkt. Er is geen sprake van blijvende knelpunten maar wel van kwaliteitsverbeteringen die leiden tot versterking van het NNB en EVZ ter plaatse.

Soortenbescherming De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek hebben een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van beschermde plant- en diersoorten gegeven. Het voorkomen van beschermde soorten van de soortgroepen vaatplanten, reptielen en ongewervelde diersoorten binnen het onderzoeksgebied zijn op voorhand uitgesloten. Voor vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen kan niet zonder meer worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden. Voor vogels en vleermuizen is nader onderzoek (Aanvullend onderzoek Diezebrug en woningen ’s-Hertogenbosch, idverde Advies, 18 augustus 2023). uitgevoerd. Met grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen moet bij de uitvoering van maatregelen rekening gehouden worden. Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat de noordelijke basculekelder fungeert als zomerverblijfplaats voor 1 tot maximaal 5 gewone dwergvleermuizen, één ruige dwergvleermuis en mogelijk één watervleermuis. Deze zomerverblijfplaatsen kunnen ook fungeren als milde winterverblijfplaats door mannetjes. Verder fungeert de noordelijke basculekelder als paarverblijfplaats voor de ruige dwergvleermuis. Met de sloop van de noordelijke basculekelder van de Diezebrug gaan verblijfplaatsen verloren van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.

Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk indien er in de toekomst toch voor wordt gekozen om de basculekelders te slopen. Vogelnesten met een permanent beschermde status (jaarrond beschermd) zoals van gierzwaluw en huismus, zijn niet aanwezig in de directe omgeving van het plangebied (de woningen). Met het uitvoeren van de geplande werkzaamheden worden dus geen verbodsartikelen van de Wet natuurbescherming overtreden.

Mitigerende maatregelen Uit de effectbeoordeling van de soortenbescherming blijkt verder dat aanvullende specifieke beschermende maatregelen noodzakelijk zijn om negatieve effecten te voorkomen of te beperken: 37

Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren/opstarten. Indien de werkzaamheden gedurende het broedseizoen (15 maart-15 augustus) van start gaan, wordt gecontroleerd (door een ecoloog) of het gebied vrij is van broedvogels. Wanneer broedvogels aanwezig zijn: contact opnemen met een ecoloog en bespreken wat de mogelijkheden zijn. Om te voorkomen dat stadsduiven of andere vogels tot broeden komen op de brug constructie onder de brug, zou deze ongeschikt gemaakt kunnen worden door bijvoorbeeld de onderzijde af te schermen met netten. Geadviseerd wordt om dergelijke maatregelen wel in overleg met een ecoloog uit te voeren. Indien algemeen voorkomende zoogdieren, amfibieën en vissen tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen dienen deze de mogelijkheid te krijgen om te kunnen vluchten door in één richting te werken, of als dit nodig is ze te verplaatsen buiten de invloedssfeer. Zorgplicht Te allen tijde geldt voor alle soortgroepen de algemene zorgplicht. Het is van belang dat iedereen bij de uitvoering van de werkzaamheden zich hiervan bewust is. Geadviseerd wordt om activiteiten die nadelig zijn voor in het wild levende dieren en planten (ongeacht bescherming), in redelijkheid zo veel mogelijk na te laten of maatregelen te nemen om onnodige schade aan deze soorten te voorkomen. Bij het aantreffen van diersoorten moeten deze de kans krijgen om de werkzaamheden te ontvluchten.

5.12

Stikstof

Voor het bepalen of de bouw/aanleg van de Lage Diezebrug, de sloop van de huidige brug en het gebruik van de nieuwe Lage Diezebrug (in plaats van de huidige brug) een activiteit is waarbij stikstof vrijkomt in een Natura 2000 gebied zijn AERIUS doorrekeningen gedaan. Er is een onderscheid gemaakt tussen aanleg en sloop enerzijds en het gebruik van de nieuwe Lage Diezebrug (afgezet tegen het gebruik van de huidige brug) anderzijds. Aanleg/sloop fase Uit een doorrekening met Aerius blijkt dat er een bijdrage te verwachten is op een Natura 2000 gebied als alle machines diesel aangedreven zijn. Slechts een klein deel van de machines kan diesel aangedreven zijn om een stikstofbijdrage op Natura 2000 gebieden te voorkomen. Conclusie is dat de bouw van de nieuwe Lage Diezebrug en de sloop van de huidige brug nagenoeg emissieloos moet worden uitgevoerd om in het kader van de Wet natuurbescherming geen bijdrage op een nabij gelegen Natura 2000 gebied te veroorzaken. Gebruiksfase Uit de verschilberekening tussen 2022 en 2033 is een jaarlijkse reductie te zien van de stikstofemissie. In 2033 komt deze neer op 0,14 mol/ha/jaar. Conclusie is dat het gebruik van de nieuwe Diezebrug (door enerzijds iets minder verkeer en een groeiend percentage emissieloos verkeer en anderzijds door het verminderen van de achtergrondconcentratie) er jaarlijks een reductie van de stikstofemissie op zal treden.

5.13

Archeologie en cultuurhistorie

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt landschappelijk gezien in het dekzandlandschap maar grenst aan de noordkant direct aan het rivierenlandschap van de Maas. Midden in het plangebied loopt bovendien de (voormalige) bedding van de Dieze.

38

Afbeelding 5.3 Uitsnede Landschapskaart gemeente 's-Hertogenbosch

De stad 's-Hertogenbosch is aan het einde van de twaalfde eeuw gesticht op de plaats waar de Dommel en de Aa bij elkaar kwamen en gezamenlijk een natuurlijke dekzandrug doorsneden. Al in het eerste kwart van de dertiende eeuw wordt een eerste stadsommuring aangelegd. Door de explosieve groei in de beginperiode van de stad wordt al rond 1300 begonnen met de aanleg van een tweede stadsommuring die 1350 is voltooid. In het midden van de zestiende eeuw heeft de stad zijn volle omvang bereikt met de uitbreidingen van de Vughterdriehoek en het Hinthamereinde. In de zeventiende en de achttiende eeuw vinden er belangrijke aanpassingen plaats aan de vestingwerken. De Citadel wordt in de periode 1637-1642 aangelegd door de Staatse troepen als een dwangburcht om de katholieke Bosschenaren onder de duim te houden. De Citadel neemt een prominente plaats aan de rand van het plangebied. Voor de locatie Lage Diezebrug is van belang dat hier voorwerken zijn aangelegd naar het ontwerp van Menno van Coehoorn in de jaren 40 van de achttiende eeuw. Het belangrijkste voor het plangebied is de aanwezigheid van het ravelijn dat voor de Citadel is aangelegd. In de negentiende eeuw (1822) wordt dwars door de stad de Zuid-Willemsvaart aangelegd, die een belangrijke impuls vormt voor de industrie. In de twintigste eeuw verandert er in het gebied veel.

Aan de noordwestzijde van het ravelijn wordt in 1884 een insteekhaven aangelegd. Hierbij wordt één van de flankmuren van het ravelijn als kademuur van de insteekhaven gebruikt.

Verdedigingswerken Het plangebied grenst aan de oorspronkelijke middeleeuwse stadskern van 's-Hertogenbosch zoals die tot het einde van de negentiende eeuw bestaan heeft. Het betreft hier een deel van de tweede stadsommuring, daterend uit de eerste helft van de 14de eeuw. Het belangrijkste element hiervan is de westelijke toren van de 39

Boompoort (de oorspronkelijke toegang van de haven). De Citadel werd in de periode 1637-1642 aangelegd door de Staatse troepen als een dwangburcht om de katholieke Bosschenaren onder de duim te houden. De Citadel neemt een prominente plaats aan de rand van het plangebied. Voor de aanleg werd een groot deel van de stadsmuur gesloopt en een deel van de bebouwing langs de Orthenstraat. Hierdoor ontstond aan de stadzijde voor de Citadel een vrij schootsveld (het Plein of Esplanade) waardoor de Bosschenaren de dwangburcht niet ongezien konden benaderen (aanvallen). Ook werd de oorspronkelijke Orthenpoort die zich midden op het terrein van de Citadel bevond iets naar het zuidoosten (buiten de Citadel) verplaatst. Deze is thans niet zichtbaar maar bevindt zich in het gebied direct ten noorden van de Citadellaan. In de achttiende eeuw werden de plannen van Menno van Coehoorn uitgevoerd om de vestingstad 's-Hertogenbosch te versterken. Het plan hield in de aanleg van voorwerken op cruciale punten, onderdeel van dit plan was de aanleg van een ravelijn en enveloppe voor de Citadel. De werken werden in 1736 uitgevoerd.

Afbeelding 5.4 Plattegrond van Camp 1787, hierop de voorwerken naar ontwerp van Menno van Coehoorn aangelegd in de jaren 40 van de 18e eeuw

Met de opheffing van de vestingstatus van 's-Hertogenbosch in 1874 kwamen er mogelijkheden om de stad uit te breiden. Met de overdracht van de vestinggronden in 1890 van de staat aan het stadsbestuur konden de stadmuren en de bijbehorende aarden wallen afgebroken worden. De Citadel werd niet overgedragen maar bleef een militair gebouw tot 1982. Daarna werd het gerestaureerd en werd hier het Rijksarchief (thans BHIC) gevestigd.

Zuid-Willemsvaart Een zeer belangrijke 19e eeuwse ingreep in het gebied is de aanleg van de Zuid-Willemsvaart vanaf 1822. Bij de aanleg van dit kanaal werd de oostelijke toren van de Boompoort gesloopt en het aansluitende deel van de stadsmuur.

40

Afbeelding 5.5 schets 1819 voor de ligging van het tracé van de Zuid-Willemsvaart

Ook werd hier in 1880 één van de bastions van de Citadel gesloopt omdat deze de scheepvaart teveel belemmerde. De aanleg heeft zeer veel invloed gehad op het functioneren van de stad. Zo werden er bedrijfsgebouwen langs de Zuid-Willemsvaart en aan de noordwestzijde werden verschillende insteekhavens aangelegd. In 1884 werd de insteekhaven ten noordwesten van het ravelijn aangelegd. Het ravelijn heeft een lange tijd de functie gehad van stortplaats van straatslijk, vanwaar het dan naar elders werd afgevoerd. Na de aanleg van de haven bleef de noordwestelijk flankmuur de kademuur van deze haven vormen.

41

Afbeelding 5.6 Plattegrond van Damen 1918 met daarop ingetekend het tracé van de brug uit de jaren 30

Met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart betekende dit ook dat de waterhuishouding aanzienlijk wijzigde. Het militaire verdedigingssysteem van inunderen werd aanzienlijk bemoeilijkt doordat het kanaal een onderbreking creëerde in de gesloten ring van vestingmuren. De aanleg van sluizen en muren (beren) rond de Citadel moest voorkomen dat het systeem van inunderen onmogelijk werd gemaakt. Met de ontmanteling van de vesting vanaf 1890 werd de Stadsdommel gekanaliseerd waarbij vrijwel het gehele Oliemolenbastion verdween. De aardwerken van het ravelijn evenals de enveloppe voor de Citadel werden afgegraven. Tot in de jaren 30 ging de hoofdroute van Eindhoven naar Utrecht dwars door de historische binnenstad, dwars over de Markt. In het Rijkswegenplan van 1931 werd besloten om een nieuw route van deze belangrijke weg ten noorden van de historische binnenstad aan te leggen door de toe vrij nieuwe wijk het Zand. Omdat dit een zeer ongewenste situatie was, werd toen besloten om deze route door de nieuwe wijk 't Zand te leggen en aan te sluiten op de Orthenseweg. Hiertoe moest over de Dieze een brug aangelegd worden. Deze brug werd aangelegd waarbij één van de pijlers als een bascule pijler werd uitgevoerd. Deze basculepijler heeft hoge monumentale waarden.

42

Archeologie In 2008 is een archeologische verwachtingskaart opgesteld voor het deel van de gemeente buiten de middeleeuwse stadskern van 's-Hertogenbosch. Deze kaart bevat niet alleen de reeds bekende archeologische vindplaatsen maar geeft ook een overzicht van de gebieden waar archeologische vindplaatsen verwacht kunnen worden, de zogenaamde verwachtingsgebieden. Gebieden waar de kans op het aantreffen van archeologie hoog is, worden aangeduid als gebieden met een hoge archeologische verwachting. Verder wordt nog een onderscheid gemaakt in gebieden met een middelhoge en gebieden met een lage archeologische verwachting. Of er ook daadwerkelijk archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, moet archeologisch onderzoek uitwijzen maar de verwachtingsgebieden geven al wel aan in welke mate met mogelijke archeologische resten rekening moet worden gehouden. In het kader van het project restauratie Vestingwerken is een onderzoek uitgevoerd om de exacte ligging van het ravelijn te bepalen. Dit heeft een redelijk inzicht gegeven over de ligging van het ravelijn. Helaas geven alle historische kaarten steeds een andere vorm en ligging van het ravelijn. Het archeologisch onderzoek heeft op een drietal punten de exacte ligging van het ravelijn vastgesteld. Op basis daarvan is met de plattegrond van Camp uit 1740 een reconstructie gemaakt van de ligging van het ravelijn.

Hierbij is de noordwestelijk flank (face) van het ravelijn het meest onzeker van de reconstructie. Deze kan mogelijk nog iets opschuiven richting het noordwesten.

Afbeelding 5.7 Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente 's-Hertogenbosch

Op de archeologische verwachtingskaart staan zones waar verdedigingswerken uit de 18e eeuw te verwachten zijn, deze hebben een hoge verwachting. Een deel van het ravelijn (de muur die tot het huidige maaiveld bewaard is gebleven) is gemeentelijk monument. Tevens bevindt zich ten noorden van het ravelijn een deel van de enveloppe van de voorwerken uit de 18de 43

eeuw. Van deze enveloppe zijn delen waaronder beschoeiingen (of mogelijk muurwerk) te verwachten. De ligging is echter zeer diep en het is dan ook niet te verwachten dat deze bij de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de brug worden aangetroffen.

Afbeelding 5.8 Plattegrond van Damen jaren 30 twintigste eeuw

Op afbeelding 5.8 is duidelijk te zien dat de aanlanding van de brug aan de noordoostzijde binnen de in 1878 aangelegde insteekhaven valt. Op basis van deze indicatieve projectie van de brug op de kaart van Damen kan gesteld worden dat aan de noordoostelijke aanlanding van de brug geen archeologische waarden meer aanwezig zijn aangezien deze met de aanleg van de insteekhaven in 1878 geheel verdwenen zijn.

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is in juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket).

44

Afbeelding 5.9 Archeologische beleidskaart gemeente 's-Hertogenbosch met daarop de projectie van de Lage Diezebrug

Ten behoeve van het bestemmingsplan Lage Diezebrug is geen aanvullend onderzoek uitgevoerd. Op basis van de beleidsnota valt het plangebied in de volgende categorieën: Categorie 4A: Voor alle bodemingrepen groter dan 1 m² en dieper dan 50 cm onder het maaiveld is een aanleg- bouw- of sloopvergunning vereist. In principe is behoud in situ van de archeologische resten voor deze terreinen het uitgangspunt. Dat betekent dat de funderingsdiepte en de plaats van de palen zoveel mogelijk wordt afgestemd op de aanwezige resten. Bouw van eventuele kelders wordt alleen vergund indien 45

is aangetoond dat hierdoor de archeologische resten niet of slechts in geringe mate worden aangetast. Onderzoeken < 25 m² of in het geval van bijgebouwen ondieper dan 1 meter onder het maaiveld worden door de gemeente uitgevoerd en betaald. Categorie 4F: Voor alle bodemingrepen groter dan 50 m² en dieper dan 50 cm onder het huidige maaiveld is een aanleg- bouw- of sloopvergunning vereist. Op basis van de verwachtingen en ervaringen kunnen de regels van de verschillende categorieën aangepast worden. Dit betekent dat de regels altijd soepeler worden dan de regels in het beleidsplan. Voor de bestemmingsplanregeling is aangesloten bij de regeling uit het vigerende bestemmingsplan aan de noordoostzijde van de Lage Diezebrug. Op basis van de projecties van historisch kaartmateriaal kan gesteld worden dat ter plaatse van het noordoostelijke landhoofd geen archeologische waarden meer aanwezig omdat hier bij het graven van de insteekhaven alle mogelijke archeologische waarden verdwenen zijn. Hier zal voor de aanleg van de brug geen archeologisch onderzoek nodig zijn. Aan de zuidoostzijde zijn zeker kansen om voorwerken uit de eerste helft van de 18de eeuw aan te treffen. Hier zal afhankelijk van de aard van de ingreep archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

Cultuur- en bouwhistorie Direct aan de zuidzijde van het plangebied is de structuur en bebouwing uit de periode van de aanleg van 't Zand nog herkenbaar en aanwezig. Het gebied kwam pas rond 1900 tot ontwikkeling. Het was lang een moerassig gebied direct buiten de vesting aan de noordwestelijke zijde, waar de Dieze de stad verliet. De kop van 't Zand, het meest noordelijke deel van de wijk, met de ligging aan de Dieze, Buitenhaven en de haven bij het spoor, vooral ingericht als industriegebied. Met de voortgaande industrialisatie was deze ruimte welkom. Uit de periode van de industriële periode zijn de voormalige meelfabriek (Buitendijkstraat 2) en IJzergieterij (Buitendijk 2-3) beschermd als monument (respectievelijk rijksmonument en gemeentelijk monument). De niet beschermde panden uit dezelfde bouwperiode in de directe omgeving van deze monumenten zijn cultuurhistorisch van belang.

46

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de bestemmingen.

6.1

Planregels

De regels zijn ingedeeld in 4 hoofdstukken. Hoofdstuk 1 Inleidende regels bevat 2 artikelen. Het eerste artikel geeft een omschrijving van enkele in de regels gehanteerde begrippen. Het tweede artikel geeft aan hoe ten aanzien van maten, oppervlakte en inhoud gemeten moet worden. In Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels wordt de bestemming behandeld. In de bestemming is aangegeven welke doeleinden/functies zijn toegelaten op de gronden en wat en hoe er mag worden gebouwd. In Hoofdstuk 3 Algemene regels worden de algemene regels behandeld. Dit zijn onder meer de afwijkingsmogelijkheden en algemene aanduidingsregels. In Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels worden de overgangs- en slotregels aangegeven. Hoofdstuk1 - Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk2 - Bestemmingsregels De bestemmingsregels betreffen de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan (= het gebruik).

In een aantal gevallen is een specificering opgenomen van de toegestane functie, welke correspondeert met aanduidingen op de verbeelding. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsregels. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen. 47

Artikel 3 Verkeer Het hele plangebied heeft één bestemming 'Verkeer'. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen met een functie voornamelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer, fiets- en voetpaden, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarbij is geregeld dat de gronden aan de noordzijde van de Dieze bestemd zijn voor de aanleg van een ecologische verbindingszone om zo deze zone mogelijk te maken onder de brug langs de Dieze. Ook geldt voor deze gronden dat zij ook bedoeld zijn voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Daarnaast is ten behoeve van de Dieze (het water) en de daarbij behorende ecologische waarden een aanduiding 'water' opgenomen. Met de aanduiding 'water' is aangegeven dat de gronden naast de algemeen toegestane verkeersfuncties, tevens zijn bestemd voor: 1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; 2. behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; 3. zoekgebied voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone; 4. de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen; 5.

recreatief medegebruik waaronder recreatievaart; Het onder de brug doorstromende water wordt hiermee erkend, alsmede het gebruik van het water. Daarnaast maakt de Dieze maakt onderdeel uit van Natuur Netwerk Brabant, (deels) als ecologische verbindingszone, attentiezone waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Punt 2 geeft invulling aan de eisen die de provincie stelt ten behoeve van het Natuur Netwerk Brabant: Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken. Daarnaast geeft punt 3 invulling aan de regels van de provincie om bij Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone waarin is bepaald dat een bestemmingsplan strekt tot verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van ten minste 50 meter in Stedelijk Gebied. Omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden Ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone' en 'water' is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; het aanbrengen van drainage.

Door middel van het bovenstaande wordt het behoud en beheer van de ecologische verbindingszone en van watersystemen geregeld en beschermd tegen ondoelmatig gebruik. Artikel 4 Waarde - Archeologie - 1 en Artikel 5 Waarde - Archeologie - 4 (dubbelbestemmingen) Het bestemmingsplan heeft een regeling opgenomen ter bescherming van de te verwachten archeologische waarden in twee verschillende dubbelbestemmingen. De regeling is gedifferentieerd per archeologische verwachtingszone. Waar de verwachtingswaarde hoger is, worden strengere eisen gesteld aan het uitvoeren van werkzaamheden onder maaiveld. Er zijn twee dubbelbestemmingen opgenomen waarbij een verschillende oppervlaktemaat geldt, maar de dieptemaat hetzelfde is. De regeling is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan 'Orthenpoort' voor de noordwestzijde van het plan. Voor de zuidzijde is overeenkomstig de verwachtingswaarde aangesloten bij de regeling van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 1. Waarde - Archeologie - 1: minimale oppervlakte 25 m² en diepte 2 meter Waarde - Archeologie - 4: minimale oppervlakte 100 m² diepte 2 meter Hoofdstuk3 - Algemene regels In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsregels, aanvullende regels gesteld. 48

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingssregels uit de bestemming nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Bijvoorbeeld een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van schakelkastjes (nutsgebouwtjes) in het openbare gebied. 8.4

Hoofdstuk4 - Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht In de overgangsrechtregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 11 Slotregel In de 'Slotregel' is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.

6.2

Mogelijkheid onteigening

De aanlanding van de brug op het Werfpad is momenteel in particulier eigendom. Voor de realisatie van het plan is het noodzakelijk dat de gemeente deze grond in bezit krijgt, vrij van alle gebruik. De gemeente is in onderhandeling met de eigenaar van de grond teneinde deze aan te kopen. Indien de onderhandelingen niet tot minnelijke verwerving leidt, kan de gemeente overgaan tot het starten van een onteigeningsprocedure.

49

50

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid De Lage Diezebrug dient gezien de staat van onderhoud van de bestaande Diezebrug op korte termijn gerealiseerd te worden. Deze nieuwe brug is gelegen in het project (gebiedsontwikkeling) Bossche Stadsdelta en onlosmakelijk verbonden met de planning van het project Bossche Stadsdelta. De kosten van het realiseren van de Lage Diezebrug zijn opgenomen in het Structuurfonds. De planning is dat de nieuwe brug eind 2026 in gebruik wordt genomen.

51

52

Hoofdstuk 8 Participatie Participatie gebiedsontwikkeling Bossche Stadsdelta Innovatief participatietraject De keuze om de bestaande Hoge Diezebrug te vervangen door een lage brug en te verplaatsen naar een locatie circa 50 meter ten westen is gemaakt bij de vaststelling van het Gebiedsperspectief Bossche Stadsdelta. Voor dit Gebiedsperspectief Bossche Stadsdelta is in 2019 een uitgebreid en innovatief participatietraject doorlopen. We hebben de hele stad uitgenodigd om hieraan deel te nemen. Gestart is met het Kort en Krachtig festival en het wekelijkse Open Huis op donderdag. Vervolgens hebben deelnemers vanuit maatschappelijke, private en publieke organisaties zich gezamenlijk gebogen over belangrijke vraagstukken voor de gebiedsontwikkeling in de tweedaagse Citizens Science Labs en is er gediscussieerd over scenario's ter uitwerking hiervan op de Ren je Rot-avond. Ook het Waterschap Aa en Maas en de Provincie Noord-Brabant is bij elke stap van het participatietraject actief en inhoudelijk betrokken geweest.

Inspraak en vooroverleg Het concept van het Gebiedsperspectief Bossche Stadsdelta heeft vervolgens in 2020 ter inzage gelegen in het kader van de gemeentelijke Inspraakverordening. Binnen deze termijn van terinzagelegging bestond voor een ieder de gelegenheid om een inspraakreactie (schriftelijk dan wel mondeling) met betrekking tot het plan in te dienen. Ook was er een webinar (online presentatie) over het concept Gebiedsperspectief Bossche waarbij ruimte was voor het stellen van vragen via de chat. Verder is naast de lopende afstemming in het participatietraject met Waterschap Aa en Maas en provincie Noord-Brabant het concept Gebiedsperspectief in het kader van het vooroverleg aan deze partijen toegestuurd. Er zijn 20 inspraakreacties ingediend waarvan het overgrote deel afkomstig is van grondeigenaren en gebruikers van het gebied. Bijna alle insprekers onderschrijven de ambities van het Gebiedsperspectief. Wel zijn er enkele kritische kanttekeningen geplaatst op de aanlanding van de nieuwe brug en de verdere route van de Binnenstadsring. De betreffende reacties zijn afgewogen, maar hebben niet geleid tot een aanpassingen van de ligging en route van de nieuwe Lage Diezebrug. Er is voor gekozen om de nieuwe brug te richten op het gemeentelijk monument IJzergieterij.

Deze oriëntatie heeft als verkeerskundig voordeel dat de auto- en busbeweging richting het Brugplein vloeiend kan worden vormgegeven. Hierdoor houden we het verkeer ook aan de buitenkant van het gebied. In het Gebiedsperspectief rijdt het verkeer langs het water, zorgvuldig ingebed in een aantrekkelijk straatprofiel met een brede groene oever dat na de sloop van de huidige brug kan worden gerealiseerd. De route, als onderdeel van de Binnenstadsring, sluit op deze manier logisch aan op de Brugstraat en Koninginnenlaan. 53

Vervolg gebiedsontwikkeling Voor het vervolg van de gebiedsontwikkeling Bossche Stadsdelta (uitwerking naar stedenbouwkundig plan en nader haalbaarheidsonderzoek) werkt gemeente samen met alle grondeigenaren en geïnteresseerde potentiële partijen die initiatieven willen ontplooien in het gebied om te komen tot de ontwikkeling van het gebied.

Communicatie / participatie inrichting Lage Diezebrug Participatie over de inrichting van de Lage Diezebrug gaat plaatsvinden met de omgeving, zowel aan het begin van de Planstudiefase als verderop in het traject voordat de Realisatiefase ingaat. Het gaat dan met name over de uitstraling van de brug en mogelijk over de verkeerskundige aansluitingen op de omliggende infrastructuur.

54

Regels

55

56

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Lage Diezebrug met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002505-1401 van de gemeente 's Hertogenbosch; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.6 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.7 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.8 bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten;

57

1.9 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.10 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

58

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.3 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk of ingeval dat geen gevelvlakken of scheidingsmuren aanwezig zijn, de oppervlakte vanaf de buitenzijde van het dak neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.4 peil: a. voor een hoofdgebouw met aangebouwde bijgebouwen: de hoogte van de kruin van de aan het bouw perceel grenzende weg; b. voor andere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.

59

60

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3

Verkeer

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h.

i.

j.

wegen en wegverkeer; fiets- en voetpaden en langzaam verkeer; verblijfsgebied en verblijf; verkeersvoorzieningen; groen en groenvoorzieningen; oeverbeschoeiingen, taluds en bermen; kunstwerken en kademuren; uitsluitend langs het water aan de noordzijde van de Dieze (onder de brug / weg) tevens voor: 1. de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone voor de ontwikkeling en instandhouding van natuurlijke en ecologische functies en voorzieningen, zodanig dat voor flora en fauna verbindingen ontstaan tussen andere natuur- en/of natuurontwikkelingsgebieden buiten het plangebied; 2. de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen; ter plaatse van de aanduiding 'water' uitsluitend ter plaatse van de Dieze (onder de brug / weg) tevens voor: 1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; 2. behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; 3. zoekgebied voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone; 4. de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen; 5. recreatief medegebruik waaronder recreatievaart; aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals speelvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, nutsvoorzieningen, groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, standplaatsen en terrassen.

61

3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen Voor het bouwen geldt algemeen dat in of op deze gronden uitsluitend voor deze bestemming mag worden gebouwd. 3.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de maximale oppervlakte van een gebouw is 50 m2; b. de maximale bouwhoogte is 3 meter. 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de maximale bouwhoogte van bruggen is, gerekend vanaf een peil van 0 meter + N.A.P., 8,5 meter tot aan het hoogste punt van het brug-/wegdek en 9,75 meter tot aan het hoogste punt van relingen op de brug, met dien verstande dat de bouwhoogte voor andere bouwwerken zoals bedoeld in 3.2.2 onder b en onder 3.2.3 onder b en c op de brug wordt gemeten vanaf het brug-/wegdek; b. de maximale bouwhoogte van kunstobjecten en bouwwerken voor verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer is 10 meter; c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 5 meter. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e.

een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden ter plaatse van de aanduidingen 'ecologische verbindingszone' en 'water' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden; b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; c. het aanbrengen van drainage. 3.4.2 Uitzonderingen Het in 3.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. verband houden met de verwezenlijking, het behoud en het beheer van de ecologische verbindingszone en/of de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. 3.4.3 Toelaatbaarheid a. De in 3.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien daardoor, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de ecologische verbindingszone en/of de belangen van watersystemen. b.

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in 3.4.1 onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de natuurlijke en ecologische waarden kunnen worden behouden. 62

Artikel 4

Waarde - Archeologie - 1

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden. 4.2 Bouwregels Voor het bouwen geldt dat binnen deze dubbelbestemming geen bouwwerkzaamheden zijn toegestaan, met een grondoppervlakte groter dan 25 m² en dieper dan 2 meter beneden maaiveld. 4.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2 voor bouwwerkzaamheden groter dan 25 m² en dieper dan 2 meter, onder de volgende voorwaarden: a. er moet een door deskundigen opgesteld rapport worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; b. als uit het rapport onder a blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting tot het laten begeleiden door een erkend archeoloog van de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring; c.

een rapport onder a is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder b is overeenkomstig van toepassing. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of het slopen van een bouwwerk a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. grondwerkzaamheden groter dan 25 m² en dieper dan 2 meter beneden maaiveld, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage; 2. graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. aanleggen van leidingen dieper dan 2 meter beneden maaiveld; 4. slopen van bouwwerken en/of funderingen; 5. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. b. Het verbod onder a geldt niet voor werken of werkzaamheden: 1. die het normale onderhoud en beheer betreffen; 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; 3. die mogen worden uitgevoerd op grond van een geldige vergunning. 4.

die door deskundigen worden verricht in het kader van archeologisch onderzoek als bedoeld onder e. c. Het verbod onder a geldt niet als op grond van de Erfgoedwet, de Monumentenwet of de Monumentenverordening een vergunning is vereist of als overige bepalingen van de Monumentenwet van toepassing zijn op grond van een aanwijzing als archeologisch monument. d. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 63

e. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door deskundigen opgesteld rapport overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd. f. Als uit het rapport onder e blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog. g. Een rapport onder e is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder f is overeenkomstig van toepassing. 4.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen doordeze bestemming te laten vervallen als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

64

Artikel 5

Waarde - Archeologie - 4

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden. 5.2 Bouwregels Voor het bouwen geldt dat binnen deze dubbelbestemming geen bouwwerkzaamheden zijn toegestaan, met een grondoppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 2 meter beneden maaiveld. 5.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2 voor bouwwerkzaamheden groter dan 100 m² en dieper dan 2 meter, onder de volgende voorwaarden: a. er moet een door deskundigen opgesteld rapport worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; b. als uit het rapport onder a blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting tot het laten begeleiden door een erkend archeoloog van de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring; c.

een rapport onder a is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder b is overeenkomstig van toepassing. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of het slopen van een bouwwerk a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. grondwerkzaamheden groter dan 100 m² en dieper dan 2 meter beneden maaiveld, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage; 2. graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. aanleggen van leidingen dieper dan 2 meter beneden maaiveld; 4. slopen van bouwwerken en/of funderingen; 5. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. b. Het verbod onder a geldt niet voor werken of werkzaamheden: 1. die het normale onderhoud en beheer betreffen; 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; 3. die mogen worden uitgevoerd op grond van een geldige vergunning. 4.

die door deskundigen worden verricht in het kader van archeologisch onderzoek als bedoeld onder e. c. Het verbod onder a geldt niet als op grond van de Erfgoedwet, de Monumentenwet of de Monumentenverordening een vergunning is vereist of als overige bepalingen van de Monumentenwet van toepassing zijn op grond van een aanwijzing als archeologisch monument. d. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 65

e. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door deskundigen opgesteld rapport overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd. f. Als uit het rapport onder e blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog. g. Een rapport onder e is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder f is overeenkomstig van toepassing. 5.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door deze bestemming te laten vervallen als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13425530/1