2. ODBN_Programmabegroting_2026_HR2
Tekst van het document
1
Programmabegroting 2026
Maart 2025, 's-Hertogenbosch
ODBN Programmabegroting 2026
2
Voorwoord
3
Geachte bestuurders, raads- en statenleden, Voor u ligt de programmabegroting voor 2026, het document dat de koers van onze organisatie voor 2026 bepaalt. Dit is een begroting in een tijd van zowel uitdagingen als kansen. We staan voor belangrijke opgaven ten aanzien van onze leefomgeving. Tegelijkertijd moeten we zorgvuldig omgaan met onze financiële middelen, zodat we een toekomstbestendige en robuuste organisatie blijven. Bij het opstellen van deze begroting hebben we gestreefd naar een evenwicht tussen ambitie en realisme. We investeren in nieuwe technieken om nog meer risicogericht en efficiënter te kunnen werken. Dit alles doen we met een scherp oog voor de financiële houdbaarheid, waarbij we verantwoord omgaan met de beschikbare middelen. Maatschappelijk groeit de belangstelling voor een gezonde leefomgeving. Het wantrouwen van burgers ten aanzien van de legaliteit van milieubelastende activiteiten, met name de zorg over uitstoot van stoffen, neemt toe. Tegelijkertijd neemt de bestuurlijke druk toe op de kosten van onze taakuitvoering. Het zogenaamde ‘ravijnjaar’ dwingt onze deelnemers keuzes te maken ten aanzien van beleid en uitvoering. Dat raakt ons ook.
In aanloop naar de begroting van 2025 hebben wij onze verantwoordelijkheid genomen door een bezuiniging door te voeren, wat resulteerde in een aanzienlijk lagere kostenstijging en de indexatie grotendeels door de ODBN zelf wordt gedragen. Voor onze deelnemers heeft dit geleid tot een voordeel van € 1.400.000. Efficiëntiemaatregelen zijn noodzakelijk om bezuinigingen minder impact te laten hebben op de leefomgeving. De ODBN onderkent haar verantwoordelijkheid om taken kostenefficiënter in te richten, zoals we ook in 2025 hebben gedaan door circa € 500.000 te besparen op overhead. Onze deelnemers kunnen uiteraard keuzes maken in de taken die aan ons worden opgedragen, mits binnen de redelijke grenzen van gemaakte afspraken. De groeiende maatschappelijke belangstelling dwingt bevoegde gezagen ook tot meer transparantie van informatie, die vaak niet voor iedereen beschikbaar is en altijd de gewenste kwaliteit heeft. De ODBN kan hieraan alleen gaan voldoen door meer te investeren in informatievoorziening en data gestuurd werken. Dit vraagt om een verbeterde verzameling, ordening en ontsluiting van data. Verder heeft de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie (AI) en robotisering (RPA) een versnelling doorgemaakt. Waar AI ooit begon als een geleidelijke innovatie met trendy toepassingen, zijn de mogelijkheden nu enorm toegenomen.
Dit zou een revolutionaire technologische ontwikkeling kunnen zijn met grote maatschappelijke impact. De inzet van AI en RPA kan oplossingen bieden voor bestuurlijke en maatschappelijke uitdagingen.
De afgelopen jaren hebben we hierin al eerste initiatieven genomen maar in 2026 willen we hierin een grote stap zetten. Dit betekent op onderdelen een fundamentele andere manier van werken. Bij de vaststelling van de jaarstukken 2024 doen we het voorstel om budget vrij te maken om deze ontwikkelingen te financieren. Op termijn zal deze extra eenmalige investering leiden tot aanzienlijke efficiëntievoordelen. Deze laten zich nu nog moeilijk kwantificeren, maar zullen we wel gaan rapporteren. Later in het traject moeten de maatregelen ook dekking genereren voor toekomstige investeringen in efficiencymaatregelen. Belangrijker nog is dat de ODBN een robuuste organisatie blijft die anticipeert op maatschappelijke thema’s. Een bekend gezegde luidt; Als je doet wat je deed, krijg je wat je had. En dat is precies wat we niet willen. Met deze begroting geven we invulling aan onze taken en ambities, met oog voor kostenbeheersing, innovatie en kwaliteit.
Jan Lenssen, Directeur Omgevingsdienst Brabant Noord
ODBN Programmabegroting 2026
4
Inhoud
5
Voorwoord
2
Declarabiliteit en Productiviteit
77
Inleiding
6
Tariefontwikkeling
80
I
Beleidsbegroting
8
Overzicht incidentele baten en lasten 2026
83
Programma’s
10
Uiteenzetting financiële positie
84
1.
Programma Regionale Dienstverlening en Collectieve Ontwikkelingen
10
Deelnemersbijdrage 2026
88
1.1 collectieve taken
10
Baten en lasten per taakveld
90
1.2 SSIB
13
1.3 ISV sanering wegverkeerslawaai
13
Geactualiseerde risicoanalyse
94
1.4 Milieuklachtencentrale (MKC)
14
Afkortingenlijst
96
1.5 Beheer stortplaatsen
15
Programma Individuele Dienstverlening
17
2.1 Uitvoering van onze kerntaken
18
2.2 Natuurbescherming
25
2.3 Specialistische dienstverlening
28
2.4 mobiliteit
33
Programma Bedrijfsvoering
35
2.
3.
Paragrafen
42
1.
Paragraaf Weerstandsvermogen & Risicobeheersing
42
2.
Paragraaf Financiering
48
3.
Paragraaf Bedrijfsvoering
51
4.
Paragraaf Wet open overheid
54
5.
Paragraaf Verbonden Partijen
55
Niet van toepassing zijnde paragrafen
57
II
Financiële begroting
58
Financiële samenvatting
60
Uitgangspunten Begroting 2026
63
Baten en lasten begroting 2026-2029
65
Toelichting op baten en lasten 2026
68
Programma Regionale Dienstverlening en collectieve Ontwikkelingen
68
Programma Individuele Dienstverlening
69
Programma Bedrijfsvoering
71
Reserves
73
Samen Sterk in Brabant
74
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
Bijlagen
92
ODBN Programmabegroting 2026
6
Inleiding
7
De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) is een gemeenschappelijke regeling van 11 overheden: 10 gemeenten in Noordoost-Brabant en de provincie Noord-Brabant (onze deelnemers). Samen dragen we een gedeelde verantwoordelijkheid voor een schone, duurzame en veilige leefomgeving voor mensen, dieren en planten. Als verlengstuk van het lokale en provinciale bestuur voert de ODBN een deel van de wettelijke overheidstaken op dit gebied uit. Bij de ODBN werken uitvoeringsexperts op het gebied van vergunningen, toezicht, handhaving en diverse specialismen zoals geluid, bodem, asbest, natuur, omgevingsveiligheid, luchtkwaliteit, geur en mest. De ODBN heeft op de genoemde terreinen een adviserende taak en werkt aan innovatie en ontwikkeling. De taak rondom de groene wetten voert de ODBN voor heel Brabant uit. Vanuit het kantoor in ’s-Hertogenbosch werken meer dan 300 collega's dagelijks aan een schone, duurzame en veilige leefomgeving, nu en in de toekomst. Dat is onze missie.
Oss
's-Hertogenbosch Bernheze Vught
SintMichielsgestel
Boxtel
Meierijstad
Maashorst
Land van Cuijk
Boekel
Onze leefomgeving is divers en een actueel thema voor elke inwoner en ondernemer. Als deskundige uitvoeringsorganisatie signaleren en agenderen we de voortdurende veranderingen in onze leefomgeving. Dit betekent doorlopende ontwikkeling en vernieuwing van ons werk. Onze deskundige medewerkers op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) werken binnen de kaders van de wetten van milieu, natuurbescherming, bouwen en wonen. Zo kunnen we de gemeenten in Noordoost-Brabant en de provincie Noord-Brabant professioneel en met kennis van zaken adviseren. De ODBN richt zich op samenwerking; binnen de eigen organisatie, met gemeenten, de Provincie en andere relevante organisaties. Gemeenten en de Provincie voelen zich als eigenaar en als opdrachtgever betrokken. Dat is onze visie. Als ODBN zijn we primair een uitvoeringsorganisatie van VTH-taken. We streven naar continue verbetering van de kwaliteit en investeren in de deskundigheid van onze medewerkers, ons belangrijkste kapitaal. Naast de uitvoering van VTH-taken adviseren wij steeds meer over de effecten van beleid in de praktijk. Door ons werk zien we wat er in de leefomgeving gebeurt. Ook Brabant breed en landelijk dragen we onze expertise uit en staat onze leefomgeving in Brabant Noord centraal. Kortom onze ambitie is: Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
“De ODBN is dé deskundige uitvoerder op het terrein van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Vanuit onze kennis van de praktijk adviseren wij over milieu en natuur en de uitvoerbaarheid en effecten van beleid.“
Leeswijzer De begroting bestaat uit twee onderdelen: de beleidsbegroting en de financiële begroting. In de begroting schetsen wij onze verwachtingen voor 2026: zowel financieel als beleidsinhoudelijk. Als eerste leest u de beleidsbegroting. In dit deel beschrijven we onze beleidsvoornemens voor 2026, mede aan de hand van de ontwikkelingen die op ons afkomen. In het tweede gedeelte van de beleidsbegroting wordt ingegaan op de verplicht voorgeschreven paragrafen, uiteraard voor zover deze van toepassing zijn op de ODBN. In het tweede deel vindt u de financiële begroting. Deze start met de financiële samenvatting waarin de hoofdlijnen van de financiële ontwikkelingen verwoord zijn. In de delen daarna worden de (meerjaren-)ramingen gepresenteerd en wordt er getoond waar de afwijkingen zitten. Ook de staat van incidentele baten en lasten en de geprognosticeerde balans zijn in dit deel terug te vinden. P&C cyclus De P&C-cyclus van de ODBN kent drie programma's die leidend zijn voor de indeling van de beleidsbegroting. De P&C-cyclus van de ODBN kent drie programma's die leidend zijn voor de indeling van de beleidsbegroting. 1. Het eerste programma heet Regionale Dienstverlening en collectieve ontwikkelingen. Dit programma gaat over de taken die de ODBN voor de regio uitvoert, zoals de collectieve taken en Samen Sterk in Brabant (SSiB). 2.
Het programma Individuele Dienstverlening gaat over de dienstsverlening aan een deelnemer van zowel de wettelijke basistaken als de verzoektaken die een deelnemer bij de ODBN heeft belegd. Ook zijn hierin de opdrachten opgenomen die buiten de werkprogramma's vallen. 3. Het laatste onderdeel betreft het programma Bedrijfsvoering. Hierin zitten vooral de organisatorische zaken beschreven. De begroting is de nadere concretisering van de Kadernota 2026, waarin wij de ontwikkelingen hebben geschetst die op ons afkomen. In de begroting gaat het om de beleidsinhoudelijke en financiële voornemens van de ODBN als geheel. Daarbij gaan we niet in op de situatie per deelnemer. De concrete werkzaamheden die wij voor elk van onze deelnemers uitvoeren, worden uitgewerkt in de gemeentelijke werkprogramma's en de provinciale opdracht.
ODBN Programmabegroting 2026
8
I Beleidsbegroting
9
2
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
10
1 Programma’s
11
1 Programma Regionale Dienstverlening en Collectieve Ontwikkelingen Inhoud Programma De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) voert het programma Regionale Dienstverlening en Collectieve Ontwikkelingen uit. Hierin zijn werkzaamheden opgenomen die worden uitgevoerd voor het collectief aan deelnemers. De volgende onderwerpen maken onderdeel uit van dit programma: ➜ Collectieve Taken waarin de ontwikkelopgaven en innovatieve initiatieven voor de ODBN worden toegelicht en begroot ➜ Samen Sterk in Brabant (SSiB) ➜ Overige regionale werkzaamheden (voormalig RMB) - Sanering verkeerslawaai (ISV) - Beheer en nazorg (voormalige) stortplaatsen ➜ Diverse ontwikkelingen die van invloed zijn op diverse onderdelen in deze begroting. Beleidskaders/richtlijnen OMSCHRIJVING
DATUM
EXPIRATIEDATUM
HUIDIGE WET TEN VOOR OMGEVINGSWET Omgevingswet
1 januari 2024
Omgevingsbesluit
1 januari 2024
Besluit kwaliteit leefomgeving
1 januari 2024
Besluit activiteiten leefomgeving
1 januari 2024
Omgevingsregeling
1 januari 2024
1.1 Collectieve Taken Een belangrijk onderdeel van het programma Regionale Dienstverlening is het jaarlijks op te stellen Programma Collectieve Taken. In dit programma schetsen we de ontwikkelingen waar we het komende jaar op willen sturen, onder meer via de inzet van Team Innovatie & Ontwikkeling. Het Programma Collectieve Taken richt zich op innovatie en –ontwikkeling van onze VTHA- opgaven, kwaliteitsverbetering en het stimuleren van het efficiënter uitvoeren van de primaire taken.
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
In de Kadernota 2026 zijn veel inhoudelijke ontwikkelingen geschetst die de ODBN en haar deelnemers in 2026 zullen gaan raken. We schreven daarin over de verwachte ontwikkelingen op de terreinen agrarisch, industrie, bodem, water, energie, data gedreven werken, strafrecht en externe veiligheid. Het is niet zinvol om al deze inhoudelijke ontwikkelingen in deze begroting te herhalen. Wel is het duidelijk dat veel van de genoemde inhoudelijke ontwikkelingen ook in 2026 zullen vragen om een verdere ontwikkeling en innovatie van de VTH-taakuitvoering door de ODBN. Hoe we dat willen gaan doen en waar we in 2026 nieuwe accenten willen leggen, dat werken we in de tweede helft van 2025 uit in het Programma Collectieve Taken 2026. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opstarten van nieuwe programma’s, projecten, advisering of andersoortige activiteiten. Maar ook om het voortzetten van bestaande (ontwikkel)activiteiten en projecten die bijdragen aan het bereiken van onze doelstellingen. Het opstellen van het programma Collectieve Taken is een interactief proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van de input van medewerkers en managers, maar waarbij ook onze deelnemers – via het Regionaal Strategisch Platform – intensief worden betrokken.
In onze gemeenschappelijke regeling is opgenomen dat aansturing en uitvoering van de collectieve taken geschiedt na besluitvorming hierover bij de vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur. Door het vaststellen van deze begroting worden hiervoor dus middelen beschikbaar gesteld voor 2026 (conform dezelfde systematiek als in eerdere jaren). Het programma collectieve taken 2026 wordt in december 2025 ter vaststelling voorgelegd aan het algemeen bestuur.
ODBN Programmabegroting 2026
12
Naar verwachting zal het programma collectieve taken ook in 2026 worden opgedeeld in vijf herkenbare deelopdrachten, namelijk het verbeteren/ontwikkelen van (1) Vergunningverlening, (2) Toezicht & Handhaving, (3) Specialismen & Advies, (4) Data gedreven werken en (5) Overige activiteiten. In deze deelopdrachten worden meerdere ontwikkelactiviteiten gebundeld die dat thema raken, en dus bijvoorbeeld gericht zijn op het verder ontwikkelen/verbeteren van vergunningverlening. De restcategorie 'overig' wordt gebruikt voor activiteiten die meerdere thema's raken en voor andere taken zoals het opstellen van de kadernota. Ook het monitoren van de voortgang van de doelstellingen uit de Uitvoerings- en handhavingsstrategie wordt opgepakt vanuit deze deelopdracht. In 2026 zal in de bestuursrapportages aandacht worden besteed aan de voortgang van de activiteiten op de verschillende deelopdrachten van het Programma Collectieve Taken. Op deze manier willen we in de P&C-stukken meer aandacht geven aan de resultaten die we bereiken dankzij het Programma Collectieve Taken. Ten slotte, in de Kadernota 2026 merkten we op dat de ODBN in 2023, 2024 en 2025 voor ontwikkeling/innovatie gebruik kon maken van extra financiële middelen, dankzij een subsidie (Spuk IBP) die door het ministerie van I&W beschikbaar werd gesteld.
We maakten toen duidelijk dat dit geen structureel budget is, wat betekent dat – bij het wegvallen van deze subsidie vanaf 2026 – het huidige ambitieniveau niet meer gehandhaafd kan worden. Ook biedt het huidige budget collectieve taken geen ruimte voor extra of nieuwe ambities waarvoor extra formatie nodig zou zijn, zoals m.b.t. beleidsvoorbereiding. Desalniettemin kiezen we er nu niet voor om in deze begroting voor te stellen om het budget collectieve taken in 2026 te verhogen. Daarbij houden we rekening met de oproep van de deelnemers om "geen nieuwe beleidsvoornemens te begroten" i.v.m. het ravijnjaar. Voor wat betreft de wens van de deelnemers dat de ODBN ook de taak uitvoeringsgericht milieuadvies vaker op mag pakken (zie ook paragraaf 3.3), heeft het algemeen bestuur inmiddels besloten dat er vooralsnog gewerkt zal worden met losse orders. Dit betekent dat ook hiervoor in 2026 geen verhoging van het budget collectieve taken noodzakelijk is.
1.2 SSIB
13
Voor de uitvoering van toezicht en handhaving in het Brabantse buitengebied werken de handhavingspartners in Noord-Brabant samen in het samenwerkingsverband Samen Sterk in Brabant (SSiB). Ter versterking van het samenwerkingsverband en ter ondersteuning van de uitvoering, is het handhavingsteam van SSiB opgericht. Het handhavingsteam is onder het formele werkgeverschap van de ODBN geplaatst. Om de partners zicht en invloed te geven op het samenwerkingsverband en de werkzaamheden van het handhavingsteam, is de stuurgroep opgericht. In de stuurgroep worden alle partners uit het samenwerkingsverband vertegenwoordigd. Hierin is bepaald dat het handhaven op wildcrossen, afvaldumpingen en stroperij de prioriteiten van het handhavingsteam zijn. SSiB legt inhoudelijke verantwoording af binnen de stuurgroep. De partners binnen het samenwerkingsverband dragen met een financiële bijdrage bij aan de instandhouding van het handhavingsteam van SSiB. De omgevingsdiensten OMWB en ODZOB hebben de bekostiging van SSiB vanaf 2025 structureel in hun begroting opgenomen. De Provincie heeft een aanvullende opdracht aan het handhavingsteam van SSiB verstrekt voor de jaren 2024 en 2025 t/m 2027. De overige deelnemers dragen hun bijdrage rechtstreeks af aan de ODBN. SSiB legt jaarlijks inhoudelijk verantwoording af in het jaarverslag (Zie www.ssibbrabant.nl).
De inhoudelijke aansturing van SSiB vindt plaats door de stuurgroep SSiB. In deze begroting hebben we de eerste belangrijke stap gemaakt voor de ontvlechting van SSiB uit de financiële begroting van de ODBN. In programma 3 Bedrijfsvoering zijn daarom alleen nog de baten voor het aandeel overhead dat SSiB genereert opgenomen. Zolang SSiB geen aparte entiteit is, is het nog aan het Algemeen Bestuur van de ODBN om de begroting van SSiB formeel vast te stellen. De inhoudelijke aansturing ligt bij de stuurgroep SSiB. Daarom is in deze begroting van de ODBN, na de toelichting op de baten en lasten van de 3 programma’s, de complete begroting van SSiB als aparte paragraaf opgenomen.
1.3 ISV sanering wegverkeerslawaai Ook in 2026 gaan we verder met de geluidsanering van diverse woningen in het werkgebied van de ODBN. Het is onze verwachting dat we de verschillende saneringslijsten per 2027 afgehandeld hebben. Dit project wordt bekostigd uit verkregen subsidies en uit de bestemmingsreserve ISV.
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
14
1.4 milieuklachtencentrale (MKC)
1.5 Beheer stortplaatsen
Voor de gemeenten en de provincie voert de ODBN de milieuklachtenregeling uit. Burgers kunnen melding doen bij de milieuklachtencentrale als zij overlast ervaren van bedrijven of (particuliere) handelingen die (mogelijk) in strijd zijn met de wetgeving, bijvoorbeeld wanneer sprake is van geluidsoverlast, geuroverlast of bodemverontreiniging. De MilieuKlachtenCentrale (MKC) is een samenwerkingsconstructie van de Brabantse omgevingsdiensten. De MKC zet de klacht vervolgens door naar de betrokken omgevingsdienst. De burger wordt mondiger en dat zien we terug in stijgende landelijke klachtenpatroon. In onze regio hebben we ook jaren te maken gehad met een stijging in het aantal klachten. Vanaf 2022 hanteren we een andere werkwijze, die we in 2024 verder hebben uitgebouwd. Dit heeft tot gevolg dat sinds 2022 het aantal klachten jaarlijks daalt. In 2024 zijn we met een nieuw systeem voor de registratie van milieuklachten gaan werken. Daarnaast hebben we een voorportaal ingericht waarin medewerkers de klachten beoordelen en voorbereiden voor de toezichthouders. Sindsdien worden vanuit het voorportaal klachten ook zelfstandig afgehandeld waardoor geen extra toezicht nodig is. De beschikbare informatie gebruiken we om bedrijven waarover veel klachten binnenkomen, oplossingsgericht met maatwerk en een gerichte aanpak te controleren.
Deze informatie wordt ook gebruikt voor het prioriteren van te bezoeken bedrijven en branches voor gericht toezicht. De komende jaren proberen we de klachten steeds beter te analyseren om in kaart te brengen wat er werkelijk speelt, zodat we steeds beter in kunnen schatten hoe en waarom het klachtenpatroon zich ontwikkelt zoals het zich ontwikkelt.
Eén van de resterende verantwoordelijkheden van de voormalige RMB-taken is de eeuwigdurende nazorgplicht voor de gesloten stortplaats Voorste Heide. De financiering van deze activiteit wordt gedekt vanuit de voorziening. De kosten worden voornamelijk bepaald door de inzet van gespecialiseerde bedrijven. Daarnaast wordt verwacht dat de ODBN hier ongeveer 100 uur aan zal besteden.
15
In deze begroting hebben we voor het eerst ook een toevoeging aan de voorziening opgenomen. Op basis van de eeuwigdurende nazorgplicht wordt jaarlijks de benodigde omvang van de voorziening berekend voor de komende 100 jaar. Aangezien er jaarlijks onderhoudskosten uit de voorziening gehaald worden en we jaarlijks ook geconfronteerd worden met prijsstijgingen, verwachten we dat er een dotatie aan de voorziening nodig is. Op basis van de geldende prijsindexering voor 2026 hebben we daarom in deze begroting een budget geraamd voor deze dotatie. Dat wil niet zeggen dat dit bedrag standaard aan de voorziening toegevoegd wordt en dat de omvang van de voorziening onbeperkt blijft groeien. Het benodigde doelvermogen wordt ieder jaar van de voorziening opnieuw bepaald aan de hand van een RINAS-berekening. Is dit doelvermogen hoger dan de voorziening dan zal er een dotatie aan de voorziening plaatsvinden om deze gelijk te brengen aan het benodigde vermogen. Wanneer het benodigde vermogen lager is dan de omvang van de voorziening, leidt dit tot een vrijval uit de voorziening ten gunste van het resultaat van de ODBN.
Wat gaan we doen in 2026? In 2026 zullen we het werken met het nieuwe klachtenregistratiesysteem verder door ontwikkelen en de data die beschikbaar komt beter benutten. Deze doorontwikkeling moet gaan leiden tot meer inzicht in de aard en de trends van de klachten waardoor we hier effectiever op in kunnen spelen. We zullen meer inzetten op preventie, bijvoorbeeld door indien mogelijk het contact te faciliteren tussen de klager en de veroorzaker van de klacht. Hier kan een preventieve werking vanuit gaan. Daarnaast wordt het aantal klachten meegewogen in verschillen VTHA-instrumenten zoals de risicogerichte prioritering van toezicht. Welke onzekerheden kennen we? Door meer inzicht in de aard en trends van de klachten te krijgen kan dat (in aanvang) leiden tot extra inzet van toezicht en handhaving teneinde trends te doorbreken. Door de maatschappelijke situatie, de mogelijk groter wordende mondigheid van burgers, het bewuster zijn van je rechten en minder sociale tolerantie zou het aantal klachten kunnen toenemen.
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
16
2 Programma Individuele Dienstverlening
Wat mag het kosten? REGIONALE DIENST VERLENING EN COLLECTIEVE ONT WIKKELINGEN BEDRAGEN X € 1.000,-
REKENING 2024
BEGROTING 2025
BEGROTING 2026
Personeel
2.923
2.496
970
Bedrijfsmiddelen
1.011
690
306
TOTAAL LASTEN
3.934
3.186
1.276
Collectieve taken
882
904
930
Samen Sterk in Brabant
2.669
2.889
0
Overige regionale programma's
1.228
555
558
TOTAAL BATEN
4.779
4.348
1.489
844
1.162
213
SALDO
Toelichting In deze begroting zijn de uren en daarmee de lasten en baten van Samen Sterk in Brabant niet opgenomen in het programma Regionale dienstverlening en collectieve ontwikkelingen. Dit heeft effect op de personeelslasten, de budgetten voor bedrijfsmiddelen en de baten gekoppeld aan SSiB.
Inhoud Programma Het programma Individuele Dienstverlening sluit aan op de individuele opdrachten die we met onze deelnemers vaststellen. Het gaat om onze kerntaken: vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van milieu, natuurbescherming, ruimtelijke ontwikkeling en omgevingsrecht (advies). Voor de basistaken geldt dat deelnemers deze bij de ODBN neer dienen te leggen. Voor de (overige) verzoektaken geldt dat de deelnemer zelf de afweging maakt of deze taken in eigen beheer uitgevoerd worden, of en in welke omvang dat deze belegd worden bij de ODBN. Beleidskader/richtlijnen OMSCHRIJVING
DATUM
EXPIRATIEDATUM
HUIDIGE WET TEN VOOR OMGEVINGSWET Wet milieubeheer
1 maart 1993
Omgevingswet
1 januari 2024
Draaiboek deelproces milieubeheer
25 september 2017
Voor de uitvoering van het programma Regionale Dienstverlening zijn in deze begroting 11.775 uren opgenomen. Dit zijn 7.294 uren voor Collectieve Taken, 3.241 uren voor SPUK THE, 1.000 uren voor sanering verkeerslawaai en 234 uren voor overige regionale taken. NB. De uren van SPUK THE en sanering verkeerslawaai zijn alleen voor 2026 opgenomen. Taakvelden Om op landelijk niveau begrotingen van overheidsorganisaties te kunnen aggregeren is door het Rijk een uniforme set van taakvelden vastgesteld. De activiteiten uit het programma Regionale Dienstverlening hebben betrekking op: Taakveld 1.1 Taakveld 7.3 Taakveld 7.4
➜ Crisisbeheersing ➜ Beheer stortplaatsen ➜ Milieubeheer
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
17
18
2.1 Uitvoering van onze kerntaken
19
Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn onze kernactiviteiten samen met onze meer specialistische taken op het gebied van onder andere asbest, energie en bodem en onze specialistische adviserende dienstverlening. 2.1.1 Uitvoerings- en Handhavingsstrategie In 2025 werken we onder de nieuwe Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2025-2028 (UHS), de opvolger van het voormalige Regionaal Operationeel Kader Toezicht & Handhaving) ROK-TH en het Regionaal Operationeel Kader Vergunningverlening (ROK-VV). De U&H-strategie vormt het kader waarbinnen uitvoering wordt gegeven aan vergunningverlening, toezicht en handhaving. De U&Hstrategie is gebaseerd op een omgevingsanalyse waarin de voornaamste ontwikkelingen in onze omgeving zijn geschetst. De U&H-strategie bevat een set doelstellingen voor onze taakuitvoering. Op deze doelstellingen zullen we jaarlijks de voortgang monitoren, en zo nodig de doelstellingen bijstellen. Onderdeel van de nieuwe U&H-strategie is een jaarlijkse terugkerende analysesystematiek waarmee de problemen bij het naleven van de milieuwetgeving in kaart worden gebracht en inhoudelijke prioriteiten gesteld worden. Het doel van dit analysemodel is om de beschikbare capaciteit van de ODBN dáár in te zetten waar de risico’s en het te bereiken effect het grootst zijn.
Jaarlijks worden bestaande inhoudelijke prioriteiten voor vergunningverlening, toezicht en handhaving geëvalueerd en waar nodig bijgesteld, gebruikmakend van de kennis van de medewerkers en de informatie die uit data gedestilleerd kan worden. Dit gebeurt in nauwe afstemming met de deelnemende gemeenten, waarbij ook bestuurlijke prioriteiten worden meegewogen. 2.1.2 Vergunningverlening Als ODBN verzorgen we de vergunningverlening en ontheffingen op het gebied van milieu voor onze deelnemers. Onder vergunningverlening verstaan we: het voorbereiden van beschikkingen tot het verlenen, wijzigen, intrekken of weigeren van omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu en het beoordelen van meldingen, het voorbereiden van beschikkingen (toestemming om andere gelijkwaardige maatregelen te treffen) en het opstellen van (maatwerk) voorschriften. In 2026 voeren we onze taken voor wat betreft vergunningverlening uit in overeenstemming met de nieuwe U&H-strategie. Voor de provinciale taken geldt daarnaast het ‘Instrumenteel kader vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht’.
De Omgevingswet heeft een grote impact op de uitvoering van vergunningverlening. Voor bepaalde activiteiten is de vergunningsplicht komen te vervallen en zijn deze nu meldingsplichtig en/of informatieplichtig. Het omgekeerde vindt ook plaats, zoals bij veehouderijen. Omdat proceduretijden onder de Omgevingswet kort zijn heeft dit een impact op de uitvoering. We hanteren hierbij een risicogerichte aanpak waarbij vergunningaanvragen in beginsel voorrang krijgen boven andere taken die onder de vergunningverleningstaak vallen. De activiteiten die onder een vergunningsplicht vallen zijn, gezien de uitgangspunten van de Omgevingswet, immers per definitie risicovol. Daarnaast dragen we zorg voor actuele vergunningen door rekening te houden met de best beschikbare technieken en inzichten. Samen met de deelnemers zullen we ook ervaring opdoen door te bekijken of er in voorkomende gevallen juist “scherper vergunnen” wenselijk is. Verder zien we dat de vergunningverlener binnen het stelsel van de Omgevingswet steeds meer adviseert over de (on)mogelijkheden van een vergunningsaanvraag of melding. De kans is groot dat er ook in 2026 door de “stikstofproblematiek” nog vergunningen in behandeling zijn die nog onder het oude wettelijke stelsel vallen. Daarom is het effect van de Omgevingswet in de praktijk nog niet geheel zichtbaar.
Dat betekent bijvoorbeeld dat nog geen uitsluitsel gegeven kan worden over de mogelijke verschuiving van vergunningverlening naar toezicht- en handhaving waar in het verleden vanuit werd gegaan. Deze verschuiving zou samenhangen met het feit dat onder het nieuwe stelsel veel activiteiten die vergunningplichtig waren, meldingsplichtig zijn geworden. Dat zou consequenties kunnen hebben voor de werkvoorraad van onze vergunningverleners, maar de precieze gevolgen voor onze capaciteit en prioritering worden pas helder als we wat langer onder de Omgevingswet hebben gewerkt. Wat ook meespeelt is dat er op het gebied van vergunningverlening voor veehouderijen juist in meer gevallen een vergunningplicht geldt en daarnaast op dit vlak ook het toe te passen uitvoeringsbeleid nog niet helder is. Om meer ontwikkelingen mogelijk te maken, is het ook de verwachting dat inzet op intrekkingen nadrukkelijker aan de orde zal zijn.
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
20
Wat gaan we doen in 2026? We optimaliseren de interne en externe samenwerking. Daarvoor zoeken we de samenwerking en afstemming met onze deelnemers. We voeren gemeentelijke vergunningverlening uit volgens de Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2025-2028. Provinciale vergunningverlening voeren we daarnaast uit volgens het ‘Instrumenteel kader vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht’. We zetten nadrukkelijk in op intrekkingen, actuele vergunningen en passen indien wenselijk het “scherper vergunnen” toe.
We zien dat het werk van onze vergunningverleners steeds complexer wordt. Dit komt deels doordat we een deel van de taken – met name de meldingen – risicogericht oppakken. Dat betekent dat de relatief eenvoudige zaken bijvoorbeeld administratief afgehandeld kunnen worden. Wat overblijft is de complexere casuïstiek, die een groter beroep doet op onze kennis en kunde. We constateren dat in onze regio verschillend wordt omgegaan met de ruimte die de Omgevingswet laat voor het heffen van leges. Het zou goed zijn als onze deelnemers in ogenschouw nemen dat de grote regionale verschillen in het heffen van leges niet bijdragen aan een gelijk speelveld. Voor de komende jaren hebben we een belangrijke uitdaging in het dempen van de grote schommelingen in onze werkvoorraad. We zien dat ons werk steeds vaker hele grote pieken kent, tegenover periodes waarin bijvoorbeeld de vergunningverlening stagneert. Een voorbeeld daarvan is die van de stallendeadline, waarbij veel vergunningsaanvragen tot het laatste moment zijn uitgesteld, met alle gevolgen van dien voor onze werkvoorraad. Gelet op de ontwikkelingen rond stikstof is het niet uit te sluiten dat we in de toekomst met vergelijkbare pieken en dalen geconfronteerd worden.
Welke onzekerheden kennen we? Het is nog niet duidelijk welke impact de Omgevingswet in samenhang met de “stikstofproblematiek” gaat hebben op de capaciteitsvraag en werkvoorraad van vergunningverlening. We blijven de werkvoorraden goed monitoren en evalueren dit met onze deelnemers. Een piekbelasting aan aanvragen kan een verdringing in werkzaamheden voor vergunningverlening betekenen waardoor prioriteiten in de werkzaamheden moeten worden gesteld. Over deze prioritering zal worden gecommuniceerd met onze deelnemers. De eerste resultaten van het project actualiseren van vergunningen zijn nog niet bekend. Onduidelijk is daarmee welk effect het actualiseren van vergunningen heeft op de benodigde capaciteit. Mogelijk dat ook hierbij prioritering plaatsvindt zoals eerder genoemd.
2.1.3 Toezicht Naast vergunningverlening verzorgt de ODBN het toezicht op naleving van de milieuregels. In 2026 voeren we onze toezichttaken uit onder de Uitvoerings- en handhavingsstrategie (UHS 20252028). Net als voor vergunningverlening geldt voor toezicht dat we onze provinciale toezichttaken daarnaast blijven uitvoeren in overeenstemming met het Instrumenteel kader vergunningverlening, toezicht en handhaving. Vanuit onze toezichthoudende rol willen we daar zijn waar we het verschil kunnen maken. Binnen toezicht groeit het belang van het zogenoemde ‘risicomodel milieutoezicht’. Het risicomodel bestaat uit drie factoren – kans op overtreding, milieueffect en de tijd sinds de laatste controle – die tezamen leiden tot een risicoscore. Met deze scores kan een slimme selectie van bedrijven gemaakt worden en kan het toezicht daar plaatsvinden waar de (milieu)risico’s het grootste zijn. Bovendien kan tijdens het toezicht meer aandacht worden besteed aan de belangrijkste risico’s. De komende jaren werken we aan verbeteringen in het risicomodel, onder andere door gericht controles uit te voeren om ook de datakwaliteit die ten grondslag ligt aan het model te verbeteren. Daarnaast zetten we in op innovatie, zoals het gebruik van drones bij ons toezicht en bijvoorbeeld het op afstand beoordelen van luchtwassers.
Hierbij maken we gebruik van onze steeds betere informatiepositie om gerichtere controles uit te kunnen voeren en data te kunnen gebruiken. In de toekomst is het te voorzien dat we ook gebruik maken van nieuwe technieken als AI om onze toezichttaken doeltreffender en doelmatiger uit te kunnen voeren.
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
21
22
Voor toezicht wordt het werk onder de Omgevingswet complexer. De toezichthouder krijgt meer te maken met doelvoorschriften en maatregelen voor milieubelastende activiteiten die niet meer concreet in de wet zijn opgenomen. Hierdoor moet de toezichthouder frequent gebruik gaan maken van de specifieke zorgplicht. Toezichthouders moeten bovendien steeds meer rekening houden met het evenredig- en gelijkheidsbeginsel. Een uitgangspunt van de Omgevingswet is ook dat initiatiefnemers nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid nemen. Bedrijven met een systeem van beheersing en controle, zoals een milieumanagementsysteem kunnen we middels systeemgericht toezicht controleren. Dit systeem moet tijdig signaleren wanneer er een (dreigende) overtreding is. Het bedrijf kan de overtreding dan zelf voorkomen en schade aan het milieu beperken. Voorwaarde voor systeemgericht toezicht is dat er werkafspraken zijn tussen het bevoegd gezag en het bedrijf. Het systeemgericht toezicht kan mogelijk leiden tot een efficiënter gebruik van onze toezichtcapaciteit. Dit vraagt andere competenties van onze toezichthouders. Voorgaande betekent net als voor vergunningverlening dat het toezichtwerk complexer wordt.
Niet alleen moet een toezichthouder ook kunnen toezien op doelen en op de hoogte zijn van de best beschikbare technieken om deze te toetsen, het risicomodel heeft immers in zich om snel bij de relatief ‘zwaardere’ zaken uit te komen. Onderlinge afstemming en kennisdeling zal daarom belangrijker worden om onze toezichthouders te helpen dat zoveel mogelijk uniform toezicht wordt opgepakt. Verder zal de implementatie van de Uitvoerings- en handhavingsstrategie steeds meer vorm krijgen.
Wat gaan we doen in 2026? W e voeren onze gemeentelijke toezichtstaak uit overeenkomstig de Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2025-2028. W e voeren onze provinciale toezichtstaak uit overeenkomstig het ‘Instrumenteel kader vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht’. W e blijven het informatiegestuurd werken door ontwikkelen. Hierdoor kunnen we nog effectiever optreden en het toezicht toespitsen op de grootste milieurisico's en het naleefgedrag. Daarmee komen we tot een meer geüniformeerde aanpak van toezicht op de milieubelastende activiteiten. W e blijven ons richten op het steeds beter inzetten van innovatieve technische middelen zoals drones.
2.1.4 Handhaving Handhaving – zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk – is één van onze instrumenten waarmee we bijdragen aan een schone, veilige en duurzame leefomgeving. Hoewel handhaving nooit een doel op zichzelf mag zijn, is het wel een belangrijk middel wanneer naleving van de weten regelgeving uitblijft. Handhaving vraagt om intensieve samenwerking tussen de diverse handhavingspartners. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om verschillende instanties in de zogenoemde strafrechtketen – denk aan de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de omgevingsdiensten – maar ook om samenwerking binnen de ODBN, tussen toezichthouders, juristen en boa’s. Gezamenlijk dragen we zorg voor de handhaving van het omgevingsrecht. In 2026 werken we verder aan de samenwerking met onze handhavingspartners. De contacten met de strafrechtelijke handhavingspartners zijn goed. We constateren echter ook dat er kansen zijn om de samenwerking op tactisch en strategisch niveau te intensiveren. Daartoe heeft de ODBN in samenspraak met de andere Brabantse omgevingsdiensten opdracht gegeven tot het nader uitwerken van de overlegstructuur op het gebied van strafrechtelijke handhaving.
We verwachten de formele overlegstructuur in 2025 vast te stellen en te implementeren met onze strafrechtelijke handhavingspartners, waarna we gezamenlijk zullen toewerken naar gedeelde handhavingsdoelen en -prioriteiten en goed afgestemde werkwijzen. Dit proces wordt geïnitieerd in 2025, maar zal naar verwachting een doorloop kennen in 2026. Op casusniveau weten wij onze strafrechtelijke partners goed te vinden. Ook in 2026 nemen we deel aan het vaste zakenoverleg milieu bij het Functioneel Parket in Den Bosch samen met de drie Brabantse omgevingsdiensten, de NVWA, IL&T, Waterschappen Aa en Maas en De Dommel, Rijkswaterstaat en het milieuteam van de politie. Daarnaast stemmen we regelmatig af met de milieuagenten in onze regio.
Welke onzekerheden kennen we? N et als bij vergunningverlening genoemd weten we niet wat de impact van de “stikstofproblematiek” is op toezicht. Ontwikkelingen zullen we communiceren met onze deelnemers.
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
23
24
25
Intern werken we aan de verbetering van de afstemming tussen medewerkers binnen toezicht en handhaving. In 2026 hebben we twee jaar gewerkt met de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO), de opvolger van de LHS. In 2024 hebben we een project afgerond waarmee we de LHSO hebben geïmplementeerd binnen de organisatie. De komende jaren verwachten we de vruchten te plukken van de in dat kader tot stand gekomen nieuwe werkwijzen, -afspraken en -processen. We verwachten dat de nieuwe werkwijzen, processen en interne werkafspraken zullen resulteren in een effectievere inzet van ons bestuurs- en strafrechtelijk instrumentarium en in het aantal potentiële strafzaken.
Wat gaan we doen in 2026? B egin 2026 zullen we de nieuwe werkwijze rond de LHSO evalueren en waar nodig bijstellen. We blijven de samenwerking onderling en met de instanties in de strafrechtketen optimaliseren en intensiveren. Dit doen we onder andere door de overlegstructuur te formaliseren en toe te passen. Door een verbeterde toepassing van de LHSO en de geïntensiveerde samenwerking met onze handhavingspartners verwachten we in 2026 een toename van de inzet van strafrecht. De interne capaciteit voor strafrecht is hierop afgestemd. We verwachten dat de nieuwe overlegstructuur in 2026 zal resulteren in een gezamenlijke prioritering en verder afgestemde werkwijzen en – processen, en daarmee tot een effectievere en efficiëntere inzet van ons handhavingsinstrumentarium. Welke onzekerheden kennen we? De doorontwikkeling en intensivering van de strafrechtelijke handhaving kan binnen onze organisatie leiden tot meer zaken en in het verlengde daarvan tot meer gemaakte uren. Indien dit het geval is communiceren we dit tijdig aan onze deelnemers. De capaciteit bij het OM kan ertoe leiden dat een bepaalde zaken geprioriteerd worden en andere niet door het OM worden opgepakt. Dit is een bekend knelpunt dat al langer speelt en onderstreept het belang van nauwe samenwerking met onze handhavingspartners.
Zo kunnen we gezamenlijk prioriteren en borgen we dat we kansrijke zaken prioriteren en bij andere zaken primair uitgaan van ons bestuursrechtelijke instrumentarium.
2.2 Natuurbescherming De ODBN verzorgt namens de provincie Noord-Brabant de VTH-taken met betrekking tot de bescherming van flora en fauna. Of meer concreet de bescherming van planten, dieren, leefgebieden, bossen en andere houtopstanden in Noord-Brabant. Daarnaast wordt ook de opgave op het onderdeel natuur steeds meer ingevuld door de ODBN. Het groeiende belang van natuur heeft daarom consequenties voor de rol van de ODBN. Dit zien we onder andere terug bij de toenemende vraag vanuit onze deelnemers naar ondersteuning voor het toepassen en uitvoeren van de Omgevingswet voor natuuractiviteiten. De Omgevingswet gaat nadrukkelijk uit van het mogelijk maken van allerhande ontwikkelingen. Het beschermen van de fysieke leefomgeving gaat echter niet altijd goed samen met maatschappelijke ontwikkelingen zoals isolatie, bouw en renovatie van gebouwen in verband met de klimaatopgave en de woningbouwopgave. Hierbij kunnen immers beschermde flora en fauna worden aangetast. 2.2.1 Gebiedsbescherming (Natura 2000) De landelijke stikstofproblematiek heeft een grote invloed op onze taakuitvoering. De uitspraken van de RvS van 18 december 2024 over intern salderen hebben ook in 2026 nog een groot effect op de uitvoering. De vergunningverlening stokt namelijk doordat het bestaande wettelijk kader en beleid ontoereikend zijn om de doelstellingen uit de habitatrichtlijn te behalen.
Om vergunningverlening weer op te kunnen pakken is het nemen van een pakket van geborgde maatregelen die verslechtering van Natura 2000-gebieden uitsluiten noodzakelijk. Dit kunnen Rijksmaatregelen en provinciale maatregelen zijn. Verwacht wordt dat besluitvorming rondom een pakket van geborgde maatregelen op zich laat wachten, waardoor de vergunningverlening on hold blijft.
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
26
Als ODBN denken we ondanks de uitdagingen graag mee hoe we ontwikkelingen mogelijk kunnen maken en hoe wij ons zo effectief mogelijk inzetten totdat vergunningverlening weer mogelijk is. Zo pakken wij onze rol als uitvoeringsdeskundige door in gesprek te blijven met de beleidsmakers bij de provincie, maar ook door landelijk onze visie op de problematiek en mogelijke oplossingen aan te dragen. Daarnaast kan in de tweede helft van 2026 conform beleid het intrekken van latente ruimte gaan plaatsvinden. Als ODBN bereiden we ons in de eerste helft van 2026 voor op deze werkzaamheden. De verwachting is dat het intrekken van latente ruimte leidt tot extra juridische procedures. Verder bereiden we ons voor op de start van vergunningverlening zodat we de reeds ingediende aanvragen zo effectief mogelijk af kunnen handelen. 2.2.2 Flora, fauna en houtopstanden De uitvoering voor wat betreft flora en fauna, staat in grote mate onder invloed van belangen op andere thema's, zoals de woningbouwopgave en de energietransitie. Dat groeiende belang heeft consequenties voor de rol van de ODBN. Vaak wordt pas naar de impact op de natuur gekeken als plannen gereed zijn. Waardoor tijdens de planontwikkeling potentiële koppelkansen vaak onbenut blijven. Om daar verandering in te brengen zal onze rol meer aan de voorkant (moeten) komen te liggen.
Zodat we kunnen meedenken hoe we de biodiversiteit bij voorgenomen projecten kunnen verbeteren en vergunbaar maken, in plaats van in gevaar brengen.
De provincie Noord-Brabant ondersteunt gemeenten middels de ‘Bijdrageregeling versterking biodiversiteit en versnelling energiebesparing’. Gemeenten kunnen met de bijdrageregeling onder andere toewerken naar een Soortenmanagementplan (SMP). Met een SMP kunnen gemeenten beschermde diersoorten in kaart brengen. Zo kunnen ze in één keer een goed leefgebied voor al deze diersoorten maken en de biodiversiteit versterken. Als een gemeente een SMP heeft, kunnen ook inwoners en woningcorporaties daar gebruik van maken. Dit bespaart tijd en geld, en zorgt ervoor dat ze sneller aan de slag kunnen. De ODBN is onderdeel van het proces om bij deze gebiedsgerichte aanpak tot een vergunbare situatie op gemeentelijk niveau te komen. Bomen en bossen vervullen belangrijke en unieke functies in onze fysieke leefomgeving, zoals onder andere het invangen van fijnstof, de opslag van koolstofdioxide, het bergen van water of het verminderen van grote temperatuurschommelingen in stedelijk gebied en het vormen van een belangrijk leefgebied voor tal van planten en diersoorten. Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. De bescherming van houtopstanden is een onderdeel van de Omgevingswet en door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang.
Waar voorheen voornamelijk gekeken werd naar het behouden en waar mogelijk vergroten van het bestaande bosareaal, is nu steeds vaker de kwaliteit van het bos - en dan met name het voorkomen van de aantasting van die kwaliteit - het onderwerp van gesprek bij de uitvoering van de vth-taak.
Wat gaan we doen in 2026? W e verzorgen de VTH-taken op het onderdeel natuur namens de provincie. W e zetten in op het intrekken van latente ruimte. W e bereiden ons voor op het moment dat vergunningverlening weer opgepakt kan worden. D oor onze VTH-uitvoering en deelname aan uitvoeringsbeleid blijven wij ons hard maken voor de bescherming van de Brabantse natuur. Welke onzekerheden kennen we? We blijven de ontwikkelingen op het gebied van het stikstofdossier ook in 2026 nauwlettend in de gaten houden. We verwachten een grote inzet van onze medewerkers, maar kunnen deze op dit moment nog niet exact ramen. Wanneer hier meer duidelijkheid over is, wordt dit meegenomen in de gesprekken met onze deelnemers.
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
27
28
2.3 Specialistische dienstverlening 2.3.1 Ruimtelijke ordening, geluid, externe veiligheid, lucht & geur De ODBN voert voor haar deelnemers ook specialistische milieu(advies)taken uit om onder andere de doelstellingen uit de Uitvoerings- en handhavingsstrategie te realiseren. Daaronder vallen taken op het gebied van ruimtelijke ordening, geluid, externe veiligheid, lucht & geur. De specialistische dienstverlening speelt zowel bij onze vergunningverlening als het toezicht. Daarnaast wordt er rechtstreeks aan onze deelnemers geadviseerd en werken we aan uitvoeringsgerichte milieuadvisering. Alle deelnemers hebben een (grote) woningbouwopgave. Hierbij wordt zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk gezocht naar ruimte. De specialisten van ruimtelijke ordening toetsen de initiatieven aan een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL). Denk daarbij aan de gevolgen voor omgevingswaarden zoals geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. ETFAL komt voort uit de Omgevingswet en vervangt het toetsen op een goede ruimtelijke ordening. ETFAL vraagt een bredere blik dan toetsen op een goede ruimtelijke ordening en heeft tot doel het stimuleren van de veilige, schone en gezonde leefomgeving. Binnen ODBN is advies op dit thema een aparte verzoektaak.
Sinds begin 2025 zijn we begonnen met uitvoeringsgerichte milieuadvisering waarbij we bevoegde gezagen, kunnen helpen bij de totstandkoming van beleidsvorming en planontwikkeling. Bijvoorbeeld bij het opstellen van het omgevingsplan, het formuleren van regels en/of omgevingswaarden. Vanwege onze specialistische kennis verwachten we als ‘kennispartner’ steeds belangrijker te worden. Op basis hiervan is een toename van alle advies- en alle onderzoeks- en meettaken te verwachten. Dit geldt zowel voor de specialistische adviezen, als ook voor het meer integraal beschouwen van vraagstukken vanuit verschillende taakgebieden tegelijkertijd door de specialisten van ruimtelijke ordening. Uniformiteit in de omgevingsplannen is van groot belang voor de uitvoerbaarheid van onze VTH(A)-taken. Als ODBN kunnen we adviseren bij de totstandkoming van de omgevingsplannen, waarbij onze inzet wel afhankelijk is van de beschikbare capaciteit van onze specialisten voor uitvoeringsgerichte milieuadvisering. Hiervoor hebben deelnemers de mogelijkheid om individueel een verzoektaak te sturen. Niettemin is duidelijk dat enige samenwerking en afstemming in de regio onontbeerlijk is om efficiënt te kunnen werken onder de Omgevingswet.
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
Wat gaan we doen in 2026? W e voeren onze (verzoek)taken op het gebied van RO- en milieuspecialismen uit voor onze deelnemers. W e gaan meer sturen op een gezonde leefomgeving door - Het helpen voorkomen van milieuhinder (geluid, geur). - Het ondersteunen van de verbetering van de luchtkwaliteit. W e gaan meer investeren in het actief uitdragen van kennis richting onze deelnemers door middel van het organiseren van inhoudelijke kennissessies. W e gaan de Basis Geluid Emissie vastleggen voor alle deelnemers. Welke onzekerheden kennen we? W e zien dat de (inter)nationale normen steeds stringenter worden en er steeds vaker rechterlijke uitspraken worden gedaan met consequenties voor onze VTH-uitvoering en RO-verzoektaken. Het is hierbij onze verwachting dat dit (op termijn) leidt tot een toename van vooral adviesverzoeken en specialistische kennisvragen vanuit een deel van onze deelnemers. V oor EV komen er waarschijnlijk voor 2026 aanpassingen in de regelgeving. Dit kan invloed hebben op het werk van de specialisten omdat er mogelijk nieuwe risicovolle activiteiten komen. Hierdoor kan die activiteit meer uren gaan kosten dan begroot. D e situatie op de arbeidsmarkt maakt het in het werkgebied VTH(A) lastig om de personele capaciteit op orde te houden.
Er is een kwalitatief en kwantitatief tekort aan specialisten en deze situatie blijft de komende jaren bestaan. Bij een steeds complexer wordende beleidsmatige, specialistische en juridische context, wordt het tekort steeds maar nijpender. Het zal steeds moeilijker worden om het personeelsbestand op orde te houden om VTH(A)-taken adequaat in te vullen, waardoor het concentreren van taken bij een omgevingsdienst naar verwachting nog aantrekkelijker zal worden voor bevoegde gezagen. Dit zou kunnen leiden tot een toename van VTH-verzoektaken, overige verzoektaken, en collectieve taken. E en eventuele toe- of afname van EFTAL-gerelateerde taken, zal samenhangen met het tempo van het maken van omgevingsplannen door het bevoegd gezag en het al dan niet doorgaan van ruimtelijke projecten, en het beroep dat opdrachtgevers daarbij wensen te doen op de ODBN. D e Omgevingswet geeft gemeenten meer ruimte om met omgevingswaarden te werken in het omgevingsplan om zo ontwikkelingen mogelijk te maken of juist de natuur/milieu te beschermen. De kennis en data over emissies van bedrijven en kennis over (milieu) omgevingswaarden liggen voornamelijk bij de ODBN. Bij het maken van het omgevingsplan en het invulling geven aan de omgevingswaarden zal bij het ontwerp al gekeken moeten worden naar milieu in plaats van toetsen achteraf. Dit vraagt om een andere wijze van samenwerken.
ODBN Programmabegroting 2026
29
30
2.3.2 Bodem Namens de gemeenten, als primaire beheerders van de bodemkwaliteit, houden we risicogericht toezicht op grondstromen, saneringen onder de Omgevingswet en de kwaliteit van bouwstoffen zoals puingranulaat, immobilisaten en staal- en zinkassen. Dit doen we binnen het beschikbare budget. We willen meer zicht krijgen op illegale grondstromen en deze indammen door meer aandacht te geven aan ketentoezicht en risicogericht te handelen als de kwaliteit van de bodem in gevaar komt. Daarnaast is er continu afstemming met de grondwaterbeheerder, de provincie, bij verontreinigingen van het grondwater. Samenwerking en afstemming met provincie, waterschappen, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) en Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) is vanzelfsprekend voor een goede taakuitvoering van de gemeentelijke basistaken. Onder andere het overgangsrecht Wet bodembescherming en de bescherming van het (grond)water kan alleen goed worden uitgevoerd in samenwerking met andere overheden. Toezicht en handhaving bij saneringen is onder de Omgevingswet een basistaak. Naast de bodemtaken kan de ODBN desgewenst namens de gemeentelijke deelnemers verzoektaken op het gebied van bodem uitvoeren, zeker gelet op onze kennispositie.
Hoewel we meer zicht hebben op de omvang van de bodemtaken voor de gemeenten zijn de hoeveelheid meldingen ook sterk afhankelijk van het kennisniveau van adviesbureaus, aannemers en gemeenten zelf. De ODBN zet daarom ook sterk in op kennisdeling. De hoeveelheid werkzaamheden en het kennisniveau, dat voor uitvoering noodzakelijk is, betekent ook dat er continu gekeken wordt naar het verhogen van het (eigen) kennisniveau en, daar waar nodig, uitbreiding van de capaciteit. De rol van en bijdrage van de ODBN aan de vijfde tranche van de Basisregistratie Ondergrond (BRO) zal medio 2025 pas duidelijk worden en kan leiden tot het aantrekken van extra capaciteit binnen bodem als de ODBN de registratietaken (inclusief van het Bodeminformatiesysteem) naar zich toetrekt.
31
2.3.3 Sloop & asbest De inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft ervoor gezorgd dat de asbest- en slooptaken zijn uitgebreid. Het beoordelen van meldingen en het toezicht op sloop met asbestverwijdering behoort tot onze basistaken en het beoordelen van meldingen en het toezicht op sloop zonder asbestverwijdering zijn verzoektaken. De in de Omgevingswet opgenomen informatieplicht zorgt ervoor dat er veel administratieve handelingen ontstaan in het proces. Onderdeel van deze plicht zijn de risicomatrix, het sloopveiligheidsplan, de gegevens van de veiligheidscoördinator en de stikstofmaatregelen. De inzet op risicogericht werken wordt met behulp van de asbestsloop planningstool gepland. Komend jaar zal gekeken worden of er mogelijkheden zijn om aan te haken bij een landelijk te ontwikkelen dashboard. Hierdoor komen we nog vaker op locaties waar de risico’s voor de leefomgeving hoog zijn.
Wat gaan we doen in 2026? Voor alle gemeenten behandelen wij de asbesttoezichttaken; Voor alle gemeenten behandelen wij de afhandeling sloopmeldingen en slooptoezichttaken Welke onzekerheden kennen we? D e vernieuwde EU-regels over meetmethoden en vergunningensystemen moeten vóór 21 december 2025 zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het is nog onzeker wat er gaat gebeuren met de wijzigingen in de asbestregels, mogelijk hebben deze invloed op het werkprogramma 2026.
Wat gaan we doen in 2026? V oor de gemeenten is en blijft duidelijk hoe de ODBN handelt binnen al haar bodemtaken. Nieuwe bodemthema’s zoals microplastics en nieuwe stoffen zoals PFAS worden door de vakgroep bodem met de gemeenten besproken en zoveel als mogelijk gezamenlijk opgepakt. De ODBN kijkt met de gemeenten mee naar het onderwerp ‘bodem en bouwstoffen’ in het omgevingsplan. Welke onzekerheden kennen we? D e rol en bijdrage aan de Basisregistratie Ondergrond (BRO) is nog onzeker.
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
32
33
2.3.4 Energie De toegenomen urgentie voor klimaat en energie heeft de afgelopen jaren geleid tot groeiende prioriteit voor energietoezicht en een intensivering van de uitvoering. Voor de financiering ontvangen omgevingsdiensten van het Rijk een specifieke uitkering (SPUK-THE) tot en met 2026. De SPUK-THE regeling vereist dat de financiering van deelnemers gedurende de uitvoering minimaal op hetzelfde niveau blijft. In 2026 zorgen we voor een maximale benutting en een correcte formele afronding van de SPUKTHE-regeling. Het toezicht is gericht op naleving van de energiebesparingsplicht en zoveel mogelijk energiebesparing. Tijdens het toezicht adviseren we doelgroepen over wettelijke verplichtingen en kansen. In 2026 kunnen we voor het eerst gebruik maken van de wettelijke mogelijkheid energieverbruiksgegevens van bedrijven op te vragen bij netbeheerders. Samen met de monitoring van energiebesparing uit toezicht levert dat waardevolle informatie voor informatiegestuurd toezicht. Behalve toezicht houden we rekening met een verdere groei aan verzoektaken voor advisering bij beleidsontwikkeling, over omgevingsplannen en voor initiatieven in de energietransitie. Dat gaat dan bijvoorbeeld over aspecten van hinder, veiligheid en milieu rondom initiateven voor waterstof, energieopslag, warmtepompen, warmte, wind- en zonneparken, bodemenergie etc.
In 2026 treffen we voorbereidingen voor de uitvoering na 2026, want dan gaat één en ander wijzigen. Het Rijk heeft een vervolgregeling voor SPUK-THE aangekondigd en ook nieuwe wetgeving: ➜ de energiebesparingsplicht in het Bal en Bbl wordt aangescherpt. De verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, die zich binnen 5 jaar terugverdienen, wordt vanaf 1 juli 2027 een terugverdientijd van 7 jaar. De wetwijziging zal ook rekening houden met de aanbevelingen van de landelijke Rekenkamer1 en een uitgevoerde evaluatie. Mogelijk leidt dat tot nog meer wijzigingen; ➜ de Europese Energy Efficiency Directive (EED) legt overheidsorganisaties op hun energieverbruik jaarlijks met 1,9% te verminderen (artikel 5) en jaarlijks 3% van de overheidsgebouwen te renoveren naar de nieuwbouweis (artikel 6); ➜ de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD IV) bevat een breed pakket aan eisen voor nieuwe gebouwen (‘zero emission buildings’), bestaande gebouwen (minimale energieprestatie en renovatiepaspoort), zonne-energie, laadinfrastructuur en energielabels;
In 2026 voeren we het gesprek met de deelnemers over de uitvoering van toezicht op deze nieuwe wetgeving, de vervolgregeling SPUK-THE en het vervolg van energietoezicht in het werkprogramma en provinciale opdracht. ➜ De ODBN draagt bij aan de energiebesparingsambities van de deelnemende gemeenten door het uitvoeren van energietoezicht bij informatie- en onderzoeksplichtige en ETS-bedrijven en de gerealiseerde energiebesparing als gevolg daarvan te monitoren. ➜ We vragen energieverbruiksgegevens van bedrijven op bij netwerkbedrijven en gebruiken die gegevens om informatiegestuurd toezicht te optimaliseren; ➜ Het energietoezicht wordt gefinancierd uit de specifieke uitkering toezicht en handhaving energie (SPUK-THE), het gemeentelijk werkprogramma en de provinciale opdracht 311; ➜ We ronden in 2026 de uitvoering van de SPUK-THE regeling af en gaan in gesprek met de deelnemers over de uitvoering na 2026; ➜ We houden rekening met een groei aan verzoektaken voor advisering bij beleidsontwikkeling, over omgevingsplannen en rond initiatieven in de energietransitie.
2.4 Mobiliteit Sinds 1 juli 2024 is de registratieverplichting Werkgebonden Personenmobiliteit (WPM) van kracht. Sindsdien zijn organisaties met 100 of meer werknemers en alle publieke rechtspersonen zoals gemeenten, provincies en ministeries verplicht jaarlijks per 1 juli te rapporteren over hun zakelijke en woon-werkverkeer in het afgelopen jaar. Mocht uit de rapportages blijken dat de CO2 besparingsdoelen voor 2030 niet worden gehaald, dan volgt na 2026 mogelijk normering.
1
‘De energiebesparingsplicht 2008-2023: hoge ambities, onbekend resultaat’, algemene rekenkamer, november 2024
Meebewegen in een beweeglijke leefomgeving
ODBN Programmabegroting 2026
34
Het toezicht en handhaving van de WPM is als basistaak bij omgevingsdiensten belegd. Naast toezicht op het indienen van de rapportage betreft het ook een globale inhoudelijk beoordeling van rapportages.
3 Programma Bedrijfsvoering
35
Inhoud programma
Wat gaan we doen in 2026? In 2026 ziet de ODBN toe op naleving van de regeling Werkgebonden Personenmobiliteit (WPM).
Programma Bedrijfsvoering heeft betrekking op de bedrijfsvoering en is relevant voor u als eigenaar. De algemene organisatie betreffende trends worden toegelicht in dit programma. Waar mogelijk zijn deze vertaald in kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s). De technische onderbouwingen worden elders in de begroting gegeven. Volgens het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) is in deze begroting ook een paragraaf gewijd aan bedrijfsvoering specifieke onderwerpen. In dit programma zijn de begrote baten en lasten van de interne financiering en de algemene dekkingsmiddelen opgenomen.