CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bijlage 2 a Concept Ruimtelijke Onderbouwing (eerste deel)

Gemeenteraad 1 februari 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Ruimtelijke Onderbouwing Kerkdijk 7-9 Nuland25.524 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren.

Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Om aan te tonen of ter plaatse sprake is van mogelijk voorkomende beschermde soorten is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door een ecologisch onderzoeksbureau. Uit de uitgevoerde quickscan blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van beschermde soorten flora en fauna. Voor de volledige rapportage van de quickscan wordt verwezen naar bijlage 13 van deze toelichting. Op basis hiervan kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. Provincies stellen daarbij zelf regels op ter bescherming van het NNN.

De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB), waarvoor het eigen regels ter bescherming ervan heeft opgesteld. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 610 meter van de locatie.

43

Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in het NNN/NNB is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Tevens zal de ammoniakemissie met de voorgenomen ontwikkeling alleen maar afnemen.

44

Uitsnede kaart Wav-gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.

4.3.

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is vastgelegd in een dubbelbestemming in het geldende bestemmingsplan. Ter plaatse van de locatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting'.

Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 1.000 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van ingrepen van meer dan 1.000 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld, waarmee een nadere motivatie nodig is waaruit blijkt dat met de gewenste ontwikkeling geen archeologische resten worden geschaad. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat de middelhoge verwachting, zoals deze is vastgesteld tijdens het bureauonderzoek kan worden bijgesteld naar laag. Binnen het plangebied is er sprake van vlakvaaggronden die zijn gevormd op een dekzandvlakte. Binnen het plangebied is alleen in het uiterste zuiden enige mate van bodemvorming waargenomen, welke is afgetopt door de huidige bouwvoor. Verder zal deze dekzandvlakte onder dusdanig vochtige omstandigheden hebben verkeerd in de periode Laat-Paleolithicum - Late Middeleeuwen dat het gebied een lage verwachting kent op het de aanwezigheid van archeologische waarden uit deze periodes. Op basis van historisch kaartmateriaal is bewoning daterend in de Nieuwe Tijd binnen het plangebied eveneens onwaarschijnlijk.

Op basis van de resultaten van het veldonderzoek bestaat er in archeologisch opzicht geen bezwaar tegen de voorgenomen bouw van een stal en sloot in het plangebied. Er geldt immers op basis van onderhevig archeologisch bureau- en booronderzoek een lage archeologische verwachting. Er hoeven hiermee, ten behoeve van de archeologische monumentenzorg (AMZ) geen aanvullende maatregelen te worden genomen. Op het moment dat tijdens graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht (conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11) deze vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid (gemeente ‘s-Hertogenbosch). Voor het gehele archeologische onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 14 van deze onderbouwing. Hiermee is het niet aannemelijk dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad. Indien alsnog (toevals)vondsten worden gedaan dan zullen deze terstond aan het bevoegd gezag worden gemeld. 45

4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie verschillende cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Provincie Noord-Brabant. Nabij de locatie is de bebouwing aan de Kerkdijk en de Heeseind aangemerkt als historische stedenbouw. Het betreft het historisch bebouwingslint met daarin ook enkele monumentale of historische panden. De voorgenomen ontwikkeling zal geen wijzigingen of aantastingen aan de bebouwing in het bebouwingslint. Daarnaast zal de nieuw te bouwen stal worden opgericht aan de van de historische bebouwing af gekeerde zijde van het bedrijf. Het bouwvlak van de initiatiefnemer zal ook niet dichter op de historische bebouwing komen te liggen. Hiermee zal geen sprake zijn van een aantasting van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en/of het historische bebouwingslint. De Kerkdijk is aangemerkt als historisch geografische lijn met redelijk hoge waarde. De voorgenomen ontwikkeling zal geen wijzigingen aan de Kerkdijk en/of aan de structuur ervan tot gevolg hebben. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op de van de weg gekeerde zijde van het bedrijf. De structuur van de Kerkdijk, en daarmee de structuur van de historisch geografische lijn zal met de voorgenomen ontwikkeling dan ook niet worden geschaad. Een deel van de beplanting langs de Kerkdijk en de Heeseind is aangemerkt als historisch groen. De voorgenomen ontwikkeling zal geen wijzigingen aan de structuur van het historisch groen tot gevolg hebben.

Met de voorgenomen ontwikkeling zal door het treffen van emissiebeperkende maatregelen 46

worden voorzien in een afname van de ammoniakuitstoot. Dit betreft een verbetering voor de omgeving en het historisch groen. Met de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen sprake zijn van een aantasting van het historische groen. De locatie is gelegen in een cultuurhistorisch vlak en landschap. Het betreft de regio Maaskant. De regio Maaskant maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met zandige oeverwallen en donken en lager gelegen open komgronden. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door een brede dekzandrug die de overgang met het Brabant van het zand markeert. De oude dorpen en steden in de regio liggen op de oeverwallen en donken en op de flanken van de dekzandrug in het zuiden. De laaggelegen komgebieden werden extensief gebruikt. In de middeleeuwen zijn de rivierkleigronden bedijkt. Om de wateroverlast in de komgebieden tegen te gaan zijn grote weteringen aangelegd, zoals de Hertogswetering. Door de aanleg van dijken resteerde minder ruimte voor het water van de Maas en is een complex stelsel van overlaten ontwikkeld. Een deel van het Maaswater stroomde binnendijks door de lage komgebieden naar het westen (de Beerse Maas). De nederzettingen en de oude cultuurgronden werden door dijken tegen overstromingen van de Beerse Maas beschermd. Door verbeteringen in het stroombed van de Maas kon de Beerse Overlaat in 1942 worden gesloten.

De komgronden waren vanouds als grasland in gebruik. Vanwege de regelmatige overstromingen was het gebied onbebouwd. De open rivierkleipolders worden geflankeerd door oeverwallen en donken. Het grondgebruik op deze hogere delen is gevarieerder dan in de polders. Het landschap vormt door de bebouwing en opgaande begroeiing een groot contrast met de open kleipolders. In de oostelijke Maaskant wordt de overgang met de dekzandrug gemarkeerd door de lintbebouwing van Kruisstraat, Heeseind en Geffen. De buitendijkse gebieden zijn grotendeels als landbouwgrond in gebruik, maar de uiterwaarden worden steeds belangrijker voor natuurontwikkeling en recreatie. De afwisseling van open en meer besloten gebieden is ook nu nog kenmerkend voor het landschap van de oeverwallen. In de kommen zijn na de landinrichting moderne, grootschalige veehouderij bedrijven ontstaan. De strijd tegen het water en de voortdurend terugkerende overstromingen van de Beerse Maas hebben de inrichting en het gebruik van het gebied bepaald. De regio heeft een grote cultuurhistorische betekenis doordat de strijd tegen het water zich nog zo goed in het huidige landschap laat herkennen. Van belang in de regio zijn de openheid in de polders, de dijken, de weteringen, de sluizen en de gemalen, de oude Maasmeanders en wielen, de eendenkooien, de kloostercomplexen en de verdedigingswerken.

De provincie streeft in dit gebied naar behoud van het waardevolle landschap door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio. Daarbij wil de provincie de cultuurhistorische waarden in de samenhang verder toeristisch-recreatief ontsluiten. De voorgenomen ontwikkeling zal de toeristisch-recreatieve doelstellingen in het gebied niet in de weg staan. Door een afname van de ammoniakemissie welke wordt bereikt met emissiebeperkende maatregelen zal sprake zijn van een verbetering van de milieusituatie in het gebied. Dit geeft wellicht meer kansen voor de verdere ontwikkeling van de toeristische en recreatieve sector. Daarnaast is de voorgenomen ontwikkeling relatief kleinschalig van aard, waarbij de nieuwe bebouwing in compacte vorm en samenhang met de bestaande aanwezige bebouwing wordt opgericht. Er is geen sprake van een overschrijding van de maximale bebouwingsmogelijkheden zoals mogelijk worden gemaakt vanuit het ruimtelijk beleid. Daarmee zal de impact op het landschap beperkt blijven en is geen sprake van een onevenredige aantasting van de waardevolle structuur van het landschap. Daarmee zal het cultuurhistorische landschap niet onevenredig worden aangetast. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. 47

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4.

Verkeer en parkeren

Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt.

4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Kerkdijk. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren.

Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

48

4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een varkenshouderij met een nieuwe stal. Het aantal gehouden zeugen en gespeende biggen zal met de gewenste ontwikkeling toenemen. Het houden van vleesvee, jongvee en paarden zal met de voorgenomen ontwikkeling komen te vervallen. In de huidige situatie is sprake van een aantal verkeersbewegingen ten behoeve van het bedrijf. Dit is zowel voor de varkenshouderij als voor het houden van het andere ter plaatse gehouden vee. Gemiddeld zijn daarbij de volgende verkeersbewegingen te onderscheiden: 2 vrachtwagens per week voor de aanvoer van voer en bijproducten, wat resulteert in gemiddeld 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer; 3 vrachtwagens per week voor de afvoer van dieren, wat resulteert in gemiddeld 6 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer; 1 vrachtwagen per week voor de aanvoer van diverse hulpstoffen (dieselolie, propaan, zwavelzuur) en de afvoer van afvalstoffen (vooral spuiwater), wat resulteert in gemiddeld 2 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer; 2 vrachtwagens per dag voor de afvoer van mest, wat resulteert in gemiddeld 28 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer; 1 vrachtwagen per week voor de afvoer van kadavers, wat resulteert in gemiddeld 2 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer.

4 tractoren per week voor inzet van materieel elders (landbewerking, etc.), wat resulteert in gemiddeld 8 verkeersbewegingen per week met tractoren. 15 personenauto's/bestelauto's voor bezoekers en het leveren van overige goederen en diensten (dierenarts, adviseurs, onderhoud, etc.), wat resulteert in gemiddeld 210 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. 4 auto's per dag ten behoeve van privéverkeer als gevolg van de bedrijfswoning, wat resulteert in gemiddeld 56 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Totaal: Gemiddeld 332 verkeersbewegingen per week, waarvan gemiddeld 42 met vrachtverkeer en gemiddeld 8 met tractoren. In de gewenste situatie zal het aantal verkeersbewegingen ietwat wijzigen, omdat niet langer vleesvee, jongvee en paarden worden gehouden en omdat het aantal gehouden varkens toeneemt.

In de gewenste situatie zal sprake zijn van gemiddeld het volgende aantal verkeersbewegingen per week: 2 vrachtwagens per week voor de aanvoer van voer en bijproducten, wat resulteert in gemiddeld 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer; 2 vrachtwagens per week voor de afvoer van dieren, wat resulteert in gemiddeld 6 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer; 1 vrachtwagen per week voor de aanvoer van diverse hulpstoffen (dieselolie, propaan, zwavelzuur) en de afvoer van afvalstoffen (vooral spuiwater), wat resulteert in gemiddeld 2 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer; 3 vrachtwagens per dag voor de afvoer van mest, wat resulteert in gemiddeld 42 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer; 1 vrachtwagen per week voor de afvoer van kadavers, wat resulteert in gemiddeld 2 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. 4 tractoren per week voor inzet van materieel elders (landbewerking, etc.), wat resulteert in gemiddeld 8 verkeersbewegingen per week met tractoren. 16 personenauto's/bestelauto's voor bezoekers en het leveren van overige goederen en diensten (dierenarts, adviseurs, onderhoud, etc.), wat resulteert in gemiddeld 224 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. 4 auto's per dag ten behoeve van privéverkeer als gevolg van de bedrijfswoning, wat resulteert in gemiddeld 56 verkeersbewegingen per week met personenvervoer.

Totaal: Gemiddeld 344 verkeersbewegingen per week, waarvan gemiddeld 56 met vrachtverkeer en gemiddeld 8 met tractoren.

49

In de gewenste situatie zal daarmee sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen met 12 per week. Dit betreft een toename van nog geen twee verkeersbewegingen per dag. Dit betreft geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen.

4.5.

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap). De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd.

Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Ontwikkelingen dienen waar mogelijk hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid.

Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Voor een optimale inpassing van plannen met een uitbreiding van het verhard oppervlak is het noodzakelijk het waterschap in een vroeg stadium te betrekken. Dit geldt zowel voor kleine als grote plannen.

Alleen op deze wijze kunnen waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk zorgen voor het behoud van de robuustheid van het watersysteem en kan wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk worden beperkt. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de Digitale Watertoets doorlopen. Hieruit blijkt dat bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van de normale procedure. Het waterschap wordt vroegtijdig bij de 50

plan- of projectvorming betrokken.

4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een intensieve varkenshouderij met een nieuwe stal. Deze nieuwe stal komt buiten het huidige bouwvlak te liggen en wordt aangevraagd middels een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op termijn zal deze vergunning in een nieuw bestemmingsplan worden vastgelegd, waarbij het bouwvlak zal worden uitgebreid (maximaal 1,5 hectare) tot een passende omvang waarbinnen de nieuwe stal past. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie).

Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak niet toeneemt of met minder dan 500 m² toeneemt is geen aanvullende compensatie nodig. Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met meer dan 500 m², maar minder dan 10.000 m², dient compenserende waterberging te worden toegepast. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de rekenregel. Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met 10.000 m² of meer dient in overleg met het waterschap maatwerk te worden toegepast. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een nieuwe stal worden gebouwd en nieuwe erfverharding worden aangelegd. Ten behoeve van de bouw van de nieuwe stal zal echter ook bestaande erfverharding worden verwijderd. In de huidige situatie is ongeveer 6.089 m² aan bebouwing en ongeveer 3.676 m² aan erfverharding aanwezig. In totaal is daarmee in de huidige situatie ongeveer 9.765 m² aan verhard oppervlak aanwezig. In de gewenste situatie zal ongeveer 9.395 m² aan bebouwing en ongeveer 3.474 m² aanwezig zijn. In de gewenste situatie zal het verharde oppervlak ongeveer 12.869 m² bedragen. De totale toename van het verharde oppervlak zal daarmee ongeveer 3.104 m² bedragen. Ter plaatse zal het verhard oppervlak daarmee toenemen met ongeveer 3.104 m².

Voor een dergelijke toename dient de rekenregel te worden toegepast. De rekenregel luidt als volgt: "toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 = te compenseren waterberging (in m³)." De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden. Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor ½ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Tenslotte geeft gevoeligheidsfactor ¼ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) aan dat met ¼ van de berekende capaciteit kan worden volstaan. Zoals te zien in de volgende figuur is de gevoeligheidsfactor op de locatie ½. Op de plaats waar de nieuw te bouwen stal zal worden gebouwd, zoals rood is omcirkeld in de volgende figuur, bedraagt de gevoeligheidsfactor echter 1. Derhalve zal met gevoeligheidsfactor 1 worden gerekend voor compensatie van de toename van het verharde oppervlak.

51

Uitsnede kaart gevoeligheidsfactoren. Bron: Waterschap Aa en Maas. Op basis van de toename verhard oppervlak (ongeveer 3.104 m²) en de gevoeligheidsfactor ter plaatse van de nieuw te bouwen stal (gevoeligheidsfactor 1) kan de rekenregel als volgt worden ingevuld: "3.300 x 1 x 0,06 = 186,24 m³". Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee een compensatie van minimaal 186 m³ aan aanvullende waterberging nodig. In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat de gemeente 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem wil creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Vanuit de gemeentelijke verordening is het niet toegestaan hemelwater te lozen op de riolering. Hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt.

Initiatiefnemers hebben, bij een toename van het verharde oppervlak, een vrije keuze over de te hanteren voorziening voor het verwerken van hemelwater op eigen terrein. Daarbij geldt echter het volgende: "De minimale te realiseren hemelwatervoorziening moet 60 mm (per m² verhard oppervlak) kunnen verwerken; In de binnenstad is de vereiste hemelwatervoorziening 30 mm (per m² verhard oppervlak);" Voor compensatie geldt verder de volgende voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater: 52

1. 2. 3. 4.

hergebruik; infiltreren in de bodem; bergen; afvoeren.

Voor wat betreft compenserende waterberging geldt vanuit de gemeentelijke verordening hemelwater en grondwater dezelfde norm (60 millimeter per m² toename verhard oppervlak) als die van het waterschap. Daarmee geldt vanuit de gemeentelijke verordening eveneens een compensatie die de initiatiefnemer moet realiseren van 186 m³. Compensatie zal plaatsvinden door middel van waterberging. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.2). Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; een bergingsvoorziening gerealiseerd. De locatie is aangesloten op een drukriolering, waar uitsluitend het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Hemelwater en het overige afvalwater mogen hier niet op worden geloosd. Het bedrijfsafvalwater (afvalwater, reinigingswater stallen en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard) wordt opgevangen in de binnen de inrichting aanwezige mestkelders onder de stallen. De mestkelders beschikken over voldoende capaciteit hiervoor. Bij de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd op de drukriolering.

Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt. Het hemelwater zal middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar de omliggende bergingsvoorzieningen. Er zal geen sprake zijn van het lozen van hemelwater op de drukriolering. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling 198 m³ aan compenserende waterberging nodig. Het is van belang dat de gewenste bergingsvoorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt uitgevoerd, zodat het water ruimte heeft te infiltreren of vertraagd af te stromen naar het oppervlaktewater. Zoals te zien in de volgende figuur bedraagt de GHG ter plaatse tussen de 40 en 80 centimeter onder het maaiveld (gemiddeld 60 centimeter onder het maaiveld).

53

Uitsnede kaart grondwaterstanden. Bron: Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland van Wageningen Universiteit en Research. Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak ter plaatse zal door de initiatiefnemer ter plaatse een nieuwe greppel aan de oostzijde van de locatie worden aangelegd. Deze greppel zal voldoende groot worden aangelegd om de gestelde capaciteit van 186 m³ te kunnen bergen. De aan te leggen greppel is nader uitgewerkt in het ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling opgestelde landschappelijk inrichtingsplan, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 4 van deze onderbouwing. Verder zal met de voorgenomen ontwikkeling een deel van een B-watergang worden gedempt. Vanuit het beleid van het waterschap dient deze watergang minimaal één op één te worden gecompenseerd. De betreffende watergang zal worden verlegd en om de locatie heen worden geleid. Daarbij zal deze minimaal één op één worden gecompenseerd. Op de gewenste plaats voor de aan te leggen voorziening voor waterberging is vanuit het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting' van toepassing. Binnen deze gebieden dient nader onderzoek naar de archeologische waarden plaats te vinden wanneer sprake is van een bodemingreep van meer dan 1.000 m² en dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld.

De oppervlakte van de aan te leggen greppel bedraagt niet meer dan 1.000 m². Echter maakt de greppel deel uit van de gehele ontwikkeling. Omdat bij de gehele ontwikkeling sprake is van een bodemingreep van meer dan 1.000 m² en dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld dient nader onderzoek naar archeologische waarden en resten plaats te vinden, waarin ook de gronden ter plaatse van de aan te leggen greppel zijn meegenomen. Zoals eveneens nader omschreven in de paragraaf "Archeologie" (paragraaf 4.3.1) is een dergelijk onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat de aan te leggen sloot niet zal leiden tot een mogelijke aantasting van archeologische waarden en/of resten. Voor het archeologische onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 14 van deze onderbouwing. Voor de gewenste ontwikkeling is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een ontheffing op de Keur van het Waterschap en/of een Watervergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt gelijktijdig met de aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd en maakt onderdeel uit van de voorliggende aanvraag.

De ontheffing van het waterschap op de Keur en de daarbij noodzakelijke Waterwetvergunning is inmiddels verkregen. De beschikking hiervan is opgenomen in bijlage 15 van deze onderbouwing. 54

55

Hoofdstuk 5 5.1.

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub b en/of c van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro.

In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend project betreft een afwijking met omgevingsvergunning op de bepalingen uit het bestemmingsplan "Buitengebied Maasdonk 2012" van gemeente 's-Hertogenbosch (voorheen de gemeente Maasdonk) conform de procedure zoals is opgenomen in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het kader van deze procedure wordt de ontwerp omgevingsvergunning voor eenieder ter inzage gelegd. Tijdens deze terinzage termijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Wanneer het besluit en de vergunning met bijbehorende onderbouwing ter inzage ligt wordt gepubliceerd 56

op de gebruikelijke wijze.

5.2.1 Dialoog met de omgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening en een maatschappelijk gedragen initiatief is het van belang om een zorgvuldige dialoog met de omgeving te voeren, waarbij omwonenden en belanghebbenden op de hoogte worden gebracht van de plannen en waarbij deze in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren. Vanuit de ruimtelijke procedure kan hierbij worden gekozen voor een inspraak moment of voor een zogenaamde omgevingsdialoog. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is gekozen voor het houden van een omgevingsdialoog in plaats van inspraak. Vanwege de beperkingen door het Corona virus heeft er geen fysieke bijeenkomst plaatsgevonden maar zijn de omwonenden in een straal van 350 meter schriftelijk van het plan op de hoogte gesteld door middel van een brief van de initiatiefnemer. In de brief wordt het plan in het kort toegelicht en wordt de relatie van het plan met de locatie Rijckevorselweg 4 te Vinkel nader toegelicht. Daarbij wordt met name uitgelegd hoe de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan een duurzame en gesloten varkenshouderij, waarbij de biggen die worden geboren op de andere locaties grootgebracht kunnen worden op de locatie aan de Kerkdijk.

Verder wordt toegelicht dat de locatie aan de Kerkdijk wordt omgezet naar een locatie voor het houden van zeugen, waarbij de huidige afdelingen waarop biggen worden gehouden worden omgezet naar afdelingen voor het houden van zeugen. Tevens is toegelicht dat voor de gewenste bedrijfsvoering een nieuwe zeugenstal nodig is. De locatie daarvan is nader weergegeven in een afbeelding die in de brief is opgenomen. De initiatiefnemer heeft de aangeschreven omwonenden gevraagd de brief te ondertekenen. Daarbij is duidelijk gemaakt dat het daarbij uitsluitend gaat om het tekenen dat de brief is ontvangen en is gelezen en dat de omwonenden op de hoogte zijn van de plannen. Verder is daarbij duidelijk gemaakt dat niet hoeft te worden getekend voor een akkoord op de plannen en dat ondertekening van de brief geen beperking van de eventuele juridische mogelijkheden van de aangeschreven omwonenden betreft. De initiatiefnemer heeft in de brief verder ruimte gelaten om eventuele opmerkingen, vragen, aanbevelingen of bezwaren die de omwonenden hebben te noteren en kenbaar te maken in een daarvoor aangegeven venster. Verder zijn de aangeschreven omwonenden geattendeerd op het feit dat de dialoog onderdeel uitmaakt van de omgevingsdialoog die onderdeel uitmaakt van de procedure voor de omgevingsvergunning, waarvan voorliggende ruimtelijke onderbouwing eveneens deel uitmaakt.

Acht van de aangeschreven omwonenden hebben voor ontvangst getekend. Geen van hen heeft echter gebruik gemaakt van het noteren van eventuele opmerkingen, vragen, aanbevelingen of bezwaren. De gehouden dialoog met de omgeving heeft dan ook niet geleid tot aanpassingen van het gewenste initiatief en/of de voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De brief die is verzonden aan omwonenden in een straal van 350 meter en de ingekomen ondertekende brieven zijn verwerkt in een verslag van de dialoog met de omgeving, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 10 van deze onderbouwing. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in dit verslag echter onherkenbaar gemaakt. De gemeente is overigens wel in bezit van de volledige versie van het verslag.

5.2.2 Vooroverleg In het kader van de te voeren ruimtelijke procedure heeft vooroverleg plaatsgevonden met de wettelijke vooroverleg partners. In het kader van het vooroverleg is de voorgenomen ontwikkeling met de voorliggende ruimtelijke onderbouwing kenbaar gemaakt aan de provincie Noord-Brabant, het waterschap Aa en Maas en de Veiligheidsregio Brabant-Noord. De aangeschreven vooroverleg partners hebben allen op het plan gereageerd. Hieronder is kort samengevat op welke wijze de verschillende vooroverleg partners hebben gereageerd en of de reacties hebben geleid tot een eventuele aanpassing van de plannen en/of een aanvulling op de voorliggende ruimtelijke onderbouwing.

57

5.2.2.1 Reactie provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft het initiatief en de voorliggende ruimtelijke onderbouwing met bijlagen getoetst aan de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Omdat de locatie in het (gemengd) landelijk gebied is gelegen is nader getoetst aan de artikelen 3.49 (veehouderij in landelijk gebied) en 3.50 (nieuwe dierenverblijven bij een veehouderij). De provincie geeft hierbij aan dat aan de bepalingen uit deze artikelen wordt voldaan. Zij maken echter op het onderdeel geur de opmerking dat het bedrijf dan wel geen substantiële bijdrage aan de geurbelasting in de omgeving levert, waardoor er geen compensatie benodigd is van de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting, maar dat wel sprake is van een overbelaste omgeving waarin de locatie is gelegen. Daarbij geeft de provincie aan dat het amoveren elders (in de regio Heesch-West vanuit de locatie Rijckevorselweg 4 te Vinkel) in een wat wijdere omgeving ook een gunstig effect heeft, zij het op een andere schaal en dat dit een argument voor het bijdragen aan het terugdringen van de geurbelasting binnen de provincie kan zijn.

Daarnaast merkt de provincie op dat, gelet op artikel 2.66 van de Interim Omgevingsverordening, de bedrijfsvoering kennelijk ook bedoeld is om in 2024 geheel aan de dan geldende eisen te kunnen voldoen en dat daarmee ook een verbetering wordt behaald. Daarnaast maakt de provincie nog de opmerking dat de omgevingsdialoog is uitgevoerd, maar dat zij graag ook nog willen weten tot waar in de omgeving omwonenden zijn benaderd. Dit is nader opgenomen in het verslag van de dialoog met de omgeving en zal nog nader aan de provincie worden toegelicht. Ten slotte maakt de provincie nog de opmerking dat de locatie in het stalderingsgebied is gelegen en dat, op basis van artikel 3.52 van de Interim Omgevingsverordening, elders nog 3.960 m² aan stallen voor het houden van hokdieren gesloopt zal moeten worden en dat deze sloop binnen hetzelfde stalderingsgebied moet plaatsvinden als waarin de locatie is gelegen. Hiervoor moet voorafgaand aan de vaststelling van de omgevingsvergunning een bewijs van aan de provincie worden overhandigd. De bewijsstukken zullen hiervoor nog tijdig aan de provincie worden overhandigd. Op basis van het voorgaande heeft de vooroverlegreactie van de provincie Noord-Brabant niet geleid tot aanpassingen van het plan en/of de voorliggende ruimtelijke onderbouwing.

Wel zal de provincie nog voor vaststelling van de omgevingsvergunning en bewijs van staldering worden overhandigd. 5.2.2.2 Reactie waterschap Aa en Maas Het waterschap Aa en Maas heeft het voorgenomen initiatief en de voorliggende ruimtelijke onderbouwing met bijlagen getoetst aan de hand van de Keur en het beleid inzake de afwikkeling van hemelwater. Het waterschap heeft opmerkingen gemaakt op het omleggen van een van de watergangen in het plangebied. De nieuw te bouwen stal komt namelijk op een plaats van een bestaande B-watergang te liggen en deze dient één op één te worden gecompenseerd. Deze compensatie geldt bovenop de te compenseren waterberging als gevolg van de toename van het verharde oppervlak. Voor het overige kon het waterschap instemmen met het plan en de voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Voor wat betreft de B-watergang is in overleg met het waterschap gekeken hoe deze compensatie het beste kan plaatsvinden. De betreffende watergang zal worden omgelegd, waarbij deze om de locatie en de nieuwe stal heen zal komen te liggen. Daarbij is de om te leggen watergang minimaal één op één gecompenseerd. Voor het omleggen van de betreffende watergang is inmiddels een Waterwetvergunning aangevraagd en verkregen. Het waterschap is inmiddels dan ook akkoord met de voorgenomen ontwikkeling.

In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing is in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.2) in het kort opgenomen hoe met de betreffende B-watergang wordt omgegaan. De reactie van het waterschap heeft voor het overige niet geleid tot aanpassingen aan het voorgenomen initiatief. 5.2.2.3 Reactie Veiligheidsregio Brabant-Noord De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft de voorgenomen ontwikkeling en de voorliggende ruimtelijke onderbouwing met bijlagen getoetst aan het risicoprofiel en aan brandveiligheid. 58

Daarbij heeft de veiligheidsregio aangegeven dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een wijziging in het risicoprofiel ter plaatse en dat er daarmee geen aanleiding is tot het geven van een nader advies in relatie tot de ruimtelijke aspecten. Wel heeft de veiligheidsregio de opmerking geplaatst dat er onvoldoende bluswater in de omgeving aanwezig is en dat voor een goede brandveiligheid daarom aanvullende maatregelen nodig zijn. Op basis van het advies ten aanzien van brandveiligheid van de veiligheidsregio is het bouwplan van de nieuwe stal aangepast, waarin aanvullende maatregelen voor brandveiligheid zijn meegenomen. Het aangepaste bouwplan is inmiddels door de veiligheidsregio beoordeeld en akkoord bevonden. De reactie van de Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft voor het overige niet geleid tot aanpassingen aan het voorgenomen initiatief en/of de voorliggende ruimtelijke onderbouwing.

5.3.

Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10921295/1