2. Bijlage 2 a Concept Ruimtelijke Onderbouwing (eerste deel)
Tekst van het document
De nieuwbouw sluit zoveel mogelijk aan op bestaande bebouwing, waarbij rekening wordt gehouden met noodzakelijke ruimte om op het terrein te kunnen manoeuvreren. De beschikbare ruimte wordt met de voorgenomen indeling van het bedrijf en de situering van de bebouwing, optimaal gebruikt. Daarnaast heeft de Adviescommissie voor Agrarische Bouwaanvragen (AAB) een positief advies afgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarmee is de noodzaak van de uitbreiding en het daarvoor benodigde ruimtebeslag nader aangetoond. Het advies van de AAB is als bijlage 3 bij deze onderbouwing opgenomen. Er is daarmee sprake van zuinig ruimtegebruik. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub b: Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3). Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub c: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een nieuwe stal buiten het huidige bouwvlak. Deze nieuwe stal wordt echter mogelijk gemaakt door middel van een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan, conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een dergelijke vergunning dient, bij een volgende herziening van het bestemmingsplan, te worden vastgelegd in een bestemmingsplan.
Wanneer de vergunning in een nieuw bestemmingsplan wordt vastgelegd door de gemeente zal een nieuw bouwvlak worden toegekend (maximaal 1,5 hectare) waarbinnen alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd. Na het vastleggen van de vergunde situatie in een nieuw bestemmingsplan is geen sprake van bebouwing buiten het bouwvlak. Feitelijk wordt de toestemming die wordt verkregen met de aangevraagde vergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van het bouwvlak. Zoals reeds in het voorgaande omschreven past deze uitbreiding binnen het maximaal toelaatbare ruimtebeslag dat vanuit de verordening mogelijk wordt gemaakt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 25
Ad. 3.6, lid 2: Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bestaand bouwperceel. Omdat dit bouwvlak onvoldoende ruimte biedt voor de voorgenomen ontwikkeling wordt hiervoor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan voldaan. Het bouwvlak zal daarbij in een volgend omgevingsplan feitelijk worden uitgebreid. De voorgenomen ontwikkeling kan voldoen aan het gemeentelijk ruimtelijk beleid volgens artikel 3.6, lid 1 onder a, onder 2 voor het uitbreiden van het bouwvlak. Daarnaast past de voorgenomen ontwikkeling binnen het maximale ruimtebeslag dat mogelijk wordt gemaakt vanuit het provinciale beleid zoals is verwoord in de Interim Omgevingsverordening. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b.
de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan. Aan deze voorwaarde(n) wordt voldaan. Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a.
de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie." 26
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 4 van deze onderbouwing) waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Ten slotte zal met de voorgenomen ontwikkeling (voormalige) bedrijfsbebouwing worden gesloopt ten behoeve van het stalderen. Om te voldoen aan de regels voor stalderen zal minimaal 3.960 m² aan (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing op een locatie binnen het stalderingsgebied worden gesloopt. Sloop van bebouwing is in artikel 3.9 van de verordening eveneens opgenomen als mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering van het landschap en is derhalve ook aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.
De sloop van de bebouwing elders in de gemeente ten behoeve van het stalderen zal daarbij eveneens leiden tot het beëindigen van een varkenshouderij elders in het gebied, waardoor op die plek het woon- en leefklimaat eveneens zal verbeteren. Ook dit draagt bij aan een verbetering van de kwaliteit. Aan deze voorwaarde(n) wordt voldaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
3.3.
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Buitengebied Maasdonk De voormalige gemeente Maasdonk (tegenwoordig gemeente 's-Hertogenbosch) heeft op 16 december 2009 de Structuurvisie Buitengebied Maasdonk vastgesteld. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft voor dit gebied nog geen nieuwe structuurvisie opgesteld, waarmee de structuurvisie van de voormalige gemeente Maasdonk nog van toepassing is op de locatie. De structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar de nabije toekomst. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Ten aanzien van de landbouw wordt gesteld dat deze van groot belang is, enerzijds als voedselproducent en anderzijds als drager van het landschap. De gemeente streeft daarom naar goede randvoorwaarden om de bestaande agrarische bedrijven te behouden, waarbij duurzame en economisch rendabele landbouw wordt bevorderd. Voor de ontwikkeling van de landbouw wordt onderscheid gemaakt in gebieden waarin de ontwikkeling van de landbouw meer mogelijkheden heeft en gebieden waarin deze minder mogelijkheden heeft. Vanuit de structuurvisie is de locatie, zoals te zien in de volgende figuur, gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'GHS Landbouw (verwevingsgebied)'.
In deze gebieden staat de ontwikkeling van de landbouw centraal. De gewenste agrarische ontwikkelingen zijn namelijk goed te combineren met de landschappelijke openheid ten behoeve van kwetsbare soorten als weidevogels en dergelijke. Wel dienen bij uitbreiding van agrarische bedrijven de landschappelijke en natuurlijke belangen te worden meegewogen. In het kader daarvan wordt in de gebieden welke als GHS landbouw zijn aangemerkt in beginsel een uitbreiding van het bouwvlak tot maximaal 1,5 hectare toegestaan. 27
Uitsnede kaart Structuurvisie Buitengebied Maasdonk. Bron: Gemeente 's-Hertogenbosch. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een nieuwe stal en de aanleg van erfverharding buiten het bouwvlak. Deze nieuwe stal en verharding worden mogelijk gemaakt middels een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan, conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een dergelijke vergunning dient op termijn door de gemeente te worden vastgelegd in een bestemmingsplan. Dit gebeurt doorgaans bij een herziening van het geldende bestemmingsplan. Omdat bij het vastleggen van de aangevraagde vergunning in een bestemmingsplan een aanpassing van het bouwvlak nodig is wordt de voorgenomen ontwikkeling gezien als een uitbreiding van het bouwvlak. Als om de nieuwe stal heen een nieuw bouwvlak wordt geprojecteerd dan is sprake van een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare. Dit past binnen de mogelijkheden die worden geboden vanuit de beleidsuitgangspunten uit de structuurvisie. Voor wat betreft uitbreiding van een intensieve veehouderij wordt aangesloten bij het beleid van de provincie. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Provinciaal beleid" (paragraaf 3.2), past de voorgenomen ontwikkeling in het provinciale beleid, waarmee de ontwikkeling eveneens past binnen de uitgangspunten uit de gemeentelijke structuurvisie.
Gezien het voorgaande past dat de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Buitengebied Maasdonk van gemeente 's-Hertogenbosch.
3.3.2 Visie Duurzaam 's-Hertogenbosch In mei 2019 heeft de gemeente 's-Hertogenbosch de Visie Duurzaam 's-Hertogenbosch vastgesteld. De visie bevat de beleidsuitgangspunten met betrekking tot het verduurzamen van de gemeente en de doelstellingen om te voldoen aan de klimaatdoelstellingen van de overheid. In de visie staan vier thema's met betrekking tot duurzaamheid centraal, zijnde: Gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. CO2-neutrale gemeente (energie). Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit). 28
Duurzame mobiliteit. In het kader van deze thema's heeft de gemeente de ambitie om in 2050 geheel klimaatbestendig en CO2-neutraal te zijn. Gezonde, groene en k limaatbestendige gemeente: Een groene en natuurrijke omgeving draagt bij aan een prettig en gezond woon- en leefklimaat. Daarnaast speelt het groen een steeds grotere rol bij het klimaatbestendig ontwikkelen. Om in 2050 geheel klimaatbestendig te zijn is ruimte nodig voor voldoende waterbuffers. Daarnaast draagt groen bij aan het afvangen van broeikasgassen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient voldoende rekening gehouden te worden met de ontwikkeling van groen en voldoende ruimte voor de berging van water. Daarnaast wordt de realisatie van bijvoorbeeld groene daken gestimuleerd. Verder speelt een gezonde bodem en lucht een rol bij een gezonde en prettige woon- en leefomgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarbij worden nieuwe groene elementen in het gebied aangebracht. Daarmee wordt bijgedragen aan de realisatie van meer groen in de omgeving. De voorgenomen landschappelijke inpassing is nader uitgewerkt in een landschappelijk inrichtingsplan, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 4 van deze onderbouwing. Tevens wordt bij de voorgenomen ontwikkeling voorzien in voldoende ruimte voor de berging van (hemel)water.
Daarmee wordt voorkomen dat er bij hevige regenval onvoldoende bergingscapaciteit beschikbaar is, waarmee eventuele wateroverlast door hevige regenval zoveel mogelijk wordt beperkt. Daarnaast zorgt een goede waterberging voor een aanvulling van het grondwater, waarmee verdroging wordt tegengegaan. Hiermee wordt bijgedragen aan het klimaatbestendig ontwikkelen. Ten slotte wordt bij de voorgenomen ontwikkeling voorzien in emissiebeperkende maatregelen, waardoor de uitstoot van fijnstof, ammoniak en stikstofoxiden zal afnemen. Dit draagt bij aan een gezondere bodem en lucht en daarmee aan een gezonder woon- en leefklimaat in de omgeving. CO2-neutrale gemeente: Door het toenemende gebruik van fossiele brandstoffen sinds de industriële revolutie zijn er steeds meer broeikasgassen zoals CO2, methaangas en lachgas in de lucht gekomen. Dit heeft nadelige gevolgen voor het klimaat, waardoor het gebruik van fossiele brandstoffen en de uitstoot van broeikasgassen zoveel mogelijk moet worden teruggedrongen. De gemeente wil de energietransitie zoveel mogelijk stimuleren. Daarbij wordt geïnvesteerd in duurzame en innovatieve manieren voor het opwekken van duurzame energie. Voor wat betreft de landbouw streeft de gemeente naar een duurzame landbouw met zoveel mogelijk gesloten kringen, waarbij zo min mogelijk schadelijke stoffen worden uitgestoten.
Ter plaatse heeft de initiatiefnemer reeds voorzien in zonnepanelen op de daken van de bestaande bedrijfsbebouwing en wekt daarmee op duurzame en klimaatbestendige wijze energie op. De nieuw op te richten stal zal constructief geschikt worden gemaakt voor de aanleg van zonnepanelen op het dak. Vooralsnog wekt de initiatiefnemer ruim voldoende duurzame energie op om te kunnen voorzien in de eigen energiebehoefte. Mocht op termijn meer capaciteit nodig zijn dan kan het dak van de nieuw te bouwen stal eveneens van zonnepanelen worden voorzien. Daarnaast worden bij de voorgenomen ontwikkeling emissiebeperkende maatregelen getroffen die de uitstoot van broeikasgassen verminderen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verduurzaming van de sector en de doelstellingen voor het terugbrengen van de uitstoot van broeikasgassen van de gemeente. Waardebehoud van grondstoffen: De verwerking van afval kost veel tijd en geld en levert vaak problemen op voor het milieu. Er zijn kansen 29
om afval te voorkomen en grondstoffen te hergebruiken, bijvoorbeeld door het verbeteren van het proces tot het selecteren van hoogwaardige grondstoffen uit het afval, waar ook vraag naar is vanuit de markt. Verder dient maatschappelijk verantwoord te worden ingekocht. Daarbij wordt de markt gestimuleerd tot het leveren van duurzame en innovatieve producten en diensten. Tevens wordt hergebruik en recycling van stoffen gestimuleerd. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden maatregelen getroffen (emissiebeperkende maatregelen) om de uitstoot van schadelijke stoffen (afvalstoffen) zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast is de sector voortdurend aan het zoeken naar nieuwe manieren voor het op innovatieve en duurzame wijze uitoefenen van de landbouw, bijvoorbeeld in de vorm van circulaire landbouw. De initiatiefnemer sluit zich waar mogelijk zoveel mogelijk aan bij de innovatieve en duurzame wijze van ondernemen door met de voorgenomen ontwikkeling een gesloten bedrijf te realiseren in combinatie met de andere locaties. Door een gesloten bedrijf te realiseren ontstaat een gesloten kringloop waarbij aan- en afvoer van buitenaf wordt beperkt en afvalstoffen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarmee is daarmee sprake van een vorm van circulaire landbouw.
Bij de bouw van de te realiseren stal zullen daarnaast, waar dit vanuit bedrijfseconomisch perspectief haalbaar en verantwoord is, maatschappelijk verantwoord ingekochte materialen en duurzame bouwmaterialen worden gebruikt. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de gemeente voor het waardebehoud van grondstoffen. Duurzame mobiliteit: De gemeente streeft naar een schone, veilige en leefbare gemeente, die voor iedereen bereikbaar is. Nieuwe ontwikkelingen die kansen bieden aan een duurzame mobiliteit worden zoveel mogelijk gestimuleerd. Duurzame mobiliteit geeft de kans om de bereikbaarheid en leefomgevingskwaliteit van de gemeente in balans te houden. Duurzame mobiliteit zal, door een toenemend gebruik van elektrische voertuigen, leiden tot een verminderde uitstoot van CO2 en stikstofoxiden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een bijdrage aan een verduurzaming van de mobiliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een beperkte groei van het aantal verkeersbewegingen, waarmee sprake is van een beperkte toename van verkeer met niet-elektrische voertuigen. Deze toename is echter zeer beperkt.
3.3.3 Afsprakenkader kwaliteitsverbetering landschap In 2015 is in samenwerking met de provincie Noord-Brabant en de gemeenten in de regio Noord-Oost Brabant het afsprakenkader kwaliteitsverbetering landschap voor die regio vastgesteld. In het afsprakenkader is het beleid ten aanzien van de bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen opgenomen. In het afsprakenkader is nader uitgewerkt op welke wijze voorzien dient te worden in een investering in de ruimtelijke kwaliteit bij verschillende initiatieven. In het afsprakenkader is onderscheid gemaakt in drie categorieën. Deze zijn als volgt: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist; Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief; Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. In het afsprakenkader zijn lijsten opgenomen met ontwikkelingen in categorie 1 en 2.
Ontwikkelingen die niet op deze lijst zijn opgenomen zijn vanuit het afsprakenkader per definitie aan te merken als 30
ontwikkelingen in categorie 3. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een afwijking van het geldende bestemmingsplan om de bouw van een nieuwe stal en de aanleg van verharding buiten het huidige bouwvlak mogelijk te maken. Het totale ruimtebeslag past echter nog binnen 1,5 hectare. Bij de ontwikkeling van een volgend omgevingsplan zal het bouwvlak worden uitgebreid naar maximaal 1,5 hectare, waarmee in principe sprake is van de vergroting van het bouwvlak ter plaatse tot maximaal 1,5 hectare. In de lijst met ontwikkelingen in categorie 2 van het afsprakenkader is het volgende opgenomen: "voor zover de locatie is gelegen in het agrarisch gebied, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer." Het vergroten van een agrarisch bouwvlak tot maximaal 1,5 hectare in het agrarisch gebied (waarin de locatie is gelegen) is daarmee aan te merken als een ontwikkeling in categorie 2 uit het afsprakenkader. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing.
Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 4 van deze onderbouwing) waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Daarmee is sprake van een goede landschappelijke inpassing, waarmee aan de voorwaarden voor een ruimtelijke ontwikkeling in categorie 2 van het afsprakenkader wordt voldaan. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de voorwaarden en uitgangspunten uit het Afsprakenkader kwaliteitsverbetering landschap voor de regio Noord-Oost Brabant.
31
Hoofdstuk 4 4.1.
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uibreiding van een intensieve varkenshouderij. Ten aanzien van een varkenshouderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 200 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object betreft de bedrijfswoning aan de Kerkdijk 4a. Het bouwvlak van de initiatiefnemer zal met de voorgenomen ontwikkeling niet dichter op het bouwvlak van de Kerkdijk 4a komen te liggen. De afstand van de nieuw te bouwen stal tot het bouwvlak van de Kerkdijk 4a bedraagt ongeveer 110 meter. Hiermee wordt aan alle richtafstanden, behalve aan die voor geur, voldaan. Van de richtafstanden kan, mits goed gemotiveerd, worden afgeweken. De woning aan de Kerkdijk 4a betreft een woning behorende bij een (intensieve) veehouderij. Voor woningen die op of na 19 maart 2000 bij een veehouderij behoren of hebben behoord geldt een aangepaste bescherming op het gebied van geur. In plaats van een geurnorm wordt op deze woningen uitgegaan van een vaste afstand op het gebied van geur.
Deze vaste afstand van een dierenverblijf tot deze woningen bedragen 100 meter als de betreffende woning binnen de bebouwde kom is gelegen en 50 meter als de betreffende woning buiten de bebouwde kom is gelegen. De betreffende woning aan de Kerkdijk 4a is buiten de bebouwde kom gelegen. Met een afstand van de gewenste nieuwe stal tot het bouwvlak van de Kerkdijk 4a van ongeveer 110 meter wordt ruimschoots aan deze vaste afstand voldaan, waarmee geen sprake is van onevenredige hinder op het gebied van geur. Nabij de locatie zijn enkele burgerwoningen gelegen. De dichtstbijzijnde burgerwoning, de woning aan de Heeseind 44, is (gemeten van bouwvlak van de initiatiefnemer tot bestemmingsgrens van de woning) op een afstand van ongeveer 127 meter van de locatie gelegen. Het bouwvlak van de initiatiefnemer komt echter niet dichterbij de betreffende woning te liggen. De uitbreiding vindt aan de van deze woning afgekeerde zijde van de locatie plaats. Daarmee wordt de betreffende woning niet verder beperkt. De afstand van de gewenste nieuw te bouwen stal tot het bouwvlak van de betreffende woning bedraagt daarnaast ongeveer 200 meter, waarmee aan de richtafstanden wordt voldaan. Ook voor de woningen aan de Heeseind 42 en 42a geldt dat de afstand van het bouwvlak van de 32
initiatiefnemer tot aan de bestemmingsgrens van de betreffende woningen minder dan 200 meter bedraagt. Ook ten aanzien van deze woningen zal het bouwvlak van de initiatiefnemer niet dichterbij de woningen komen te liggen. De voorgenomen uitbreiding vindt namelijk aan de van deze woningen gekeerde zijde van de locatie plaats. Ten aanzien van deze woningen bedraagt de afstand van de gewenste nieuw te bouwen stal tot aan de bestemmingsgrenzen van de woningen meer dan 200 meter, waarmee ten aanzien van deze woningen eveneens aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan. Ten slotte is nabij de locatie de agrarische bedrijfswoning aan de Kerkdijk 5 gelegen. De afstand van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan het agrarisch bouwvlak aan de Kerkdijk 5 bedraagt ongeveer 154 meter. Ook dit betreft een woning die op of na 19 maart 2000 bij een veehouderijbedrijf behoort of behoorde. Daarmee geldt voor geur de vaste afstand. Ten aanzien van deze woning wordt aan de richtafstanden, behalve aan die voor geur, voldaan. Ook deze woning is buiten de bebouwde kom gelegen, waarmee een vaste afstand geldt voor 50 meter. Aan deze vaste afstand wordt ruimschoots voldaan, waarmee ter plaatse geen onevenredige geurhinder zal worden ondervonden. Voor het overige zijn er binnen 200 meter van de locatie geen gevoelige objecten gelegen.
Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot onevenredige milieuhinder aan de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen.
Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied. De voormalige gemeente Maasdonk heeft in 2011 de geurverordening gemeente Maasdonk vastgesteld. Bij de gemeentelijke herindeling in 2015 is de gemeente Maasdonk opgeheven en is de kern Nuland bij de gemeente 's-Hertogenbosch gaan behoren. Gemeente 's-Hertogenbosch heeft een besluit genomen om de geurverordening Maasdonk uit 2011 in stand te laten, waarmee de geurnorm van de voormalige gemeente Maasdonk van kracht is. Vanuit deze verordening zijn, in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling, de volgende wijzigingen ten aanzien van de Wgv van toepassing: op de burgerwoningen aan de Heeseind te Nuland geldt, in plaats van de wettelijke norm van 14 odeurunits per kubieke meter lucht (ouE/m³), een aangepaste norm van 10 ouE/m³; op de gevoelige objecten voor zover gelegen binnen de bebouwde kom in het plangebied Nuland West geldt, in plaats van de wettelijke norm van 3 ouE/m³, een aangepaste norm van 5 ouE/m³; 33
op gevoelige objecten voor zover gelegen buiten de bebouwde kom in het plangebied Nuland West geldt, in plaats van de wettelijke norm van 14 ouE/m³, een aangepaste norm van 5 ouE/m³; op gevoelige objecten in het woongebied Nuland Oost geldt, in plaats van de wettelijke norm van 3 ouE/m³, een aangepaste norm van 5 ouE/m³; de vaste afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot gevoelige objecten in het woongebied Nuland Oost, in plaats van de wettelijk bepaalde afstand van 100 meter, een aangepaste afstand van 50 meter; op gevoelige objecten voor zover gelegen binnen de bebouwde kom van het woon- en werkgedeelte van Nuland West geldt, in plaats van de wettelijke norm van 3 ouE/m³, een aangepaste norm van 6,5 ouE/m³; op gevoelige objecten voor zover gelegen buiten de bebouwde kom van het woon- en werkgedeelte van Nuland West geldt, in plaats van de wettelijke norm van 14 ouE/m³, een aangepaste norm van 6,5 ouE/m³. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een geurberekening gemaakt met het verspreidingsmodel V-stacks vergunningen en V-stacks gebied. Uit deze berekening blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling aan de in de geurverordening gestelde normen kan worden voldaan. Voor de rapportage met de resultaten van de uitgevoerde berekeningen wordt verwezen naar bijlage 8 van deze onderbouwing.
Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting Voor het berekenen van de bijdragen van industriële, agrarische punt- of oppervlaktebronnen aan de bestaande of toekomstige concentraties is in Nederland standaard rekenmethode 3 (SRM3) voorgeschreven. Het gaat daarbij om de stoffen die genoemd worden in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5 (luchtkwaliteitseisen). ISL3a is geschikt voor berekeningen van oppervlaktebronnen voor fijnstof en van puntbronnen voor fijnstof en NO2.
Voor berekeningen aan agrarische inrichtingen zijn de emissiefactoren gebruikt zoals deze bekend zijn gemaakt door het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). 34
Om aan te tonen of sprake is van een grootschalig negatief effect op de luchtkwaliteit is een ISL3a berekening gemaakt. Hierop zijn de wettelijke normen van 40 µg/m³ voor fijnstof en 35 dagen voor het aantal overschrijdingsdagen van toepassing. Uit de berekening blijkt dat aan deze normen wordt voldaan. Hiermee betreft het een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de negatieve effecten op de luchtkwaliteit. Voor de volledige berekening en de resultaten daarvan wordt verwezen naar bijlage 9 van deze onderbouwing. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. 4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen.
Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
4.1.4 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Er is daarmee op de locatie geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien de volksgezondheid. Er is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het houden van geiten en/of pluimvee. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van de volksgezondheid op het gebied van pluimvee en/of geiten. Ter plaatse worden varkens gehouden.
Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 2.0' zoals is opgesteld door de provincie Noord-Brabant, de verschillende omgevingsdiensten van Brabant en de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) van Brabant, kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen. Hierin zijn richtafstanden opgenomen voor varkenshouderijen (en pluimveehouderijen) waarbinnen een nadere afweging van de mogelijke risico's op de volksgezondheid nodig is wanneer er sprake is van het oprichten van gevoelige objecten. Voor varkenshouderijen bedraagt deze afstand 200 meter. Ten aanzien van gevoelige objecten in de omgeving zal het bouwvlak van de initiatiefnemer niet dichterbij de betreffende objecten komen te liggen. De voorgenomen uitbreiding vindt aan de van de betreffende objecten af gelegen zijde van de locatie plaats. Derhalve is om de afstand tot gevoelige objecten te bepalen uitgegaan van de afstand van de gevel van de gewenste nieuw te bouwen stal tot het bouwvlak en/of bestemmingsvlak van de betreffende gevoelige objecten. De agrarische bedrijfswoning aan de Kerkdijk 4a is binnen 200 meter van de gewenste nieuw te bouwen stal gelegen. Omdat deze woning behoort bij een intensieve varkenshouderij zal de gewenste uitbreiding van het bedrijf van de initiatiefnemer niet leiden tot een verhoging van de risico's op het gebied van volksgezondheid.
De bewoners van deze woning worden vanuit het eigen bedrijf reeds eerder blootgesteld 35
aan mogelijk schadelijke stoffen. Daarnaast worden met de voorgenomen ontwikkeling emissiebeperkende maatregelen genomen om de uitstoot van schadelijke stoffen zoveel mogelijk terug te dringen. Daarbij zal de uitstoot van zowel fijnstof als van ammoniak afnemen, waarmee de uitstoot van mogelijk risicovolle stoffen, zoönosen en endotoxinen eveneens zal afnemen. Hiermee is geen sprake van een onevenredige verhoging van de gezondheidsrisico's ten aanzien van de agrarische bedrijfswoning aan de Kerkdijk 4a. Voor het overige zijn binnen 200 meter van de gewenste nieuw te bouwen stal geen gevoelige objecten gelegen. Er is daarmee geen sprake van een onevenredig volksgezondheidsrisico ten aanzien van omliggende gevoelige objecten.
4.1.5 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
4.1.5.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. 4.1.5.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving.
Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. 36
Binnen de indicatieve richtafstanden zoals zijn opgenomen in de handreiking van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor het aspect geluid bij intensieve veehouderijen, welke 50 meter bedraagt, zijn geen gevoelige objecten gelegen. Daarmee kan de inrichting, ook met een eventuele marginale toename van het ter plaatse geproduceerde geluid, blijven voldoen aan de gangbare normen voor geluid. Eventuele hinder naar de omgeving is, mede gezien de grote afstand tot gevoelige objecten (in ieder geval ver buiten de richtafstand van 50 meter), dan ook niet te verwachten. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.
4.1.6 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. 4.1.6.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven. 4.1.6.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.5) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
4.1.7 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 37
4.1.7.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Nabij de locatie zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen welke mogelijk kunnen leiden tot verhoogde risico's. De locatie is daarmee niet in het invloedsgebied van een mogelijke risicovolle inrichting gelegen. 4.1.7.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water en/of door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Op grotere afstand van de locatie (op ongeveer 550 meter) is een spoorlijn gelegen welke in het Basisnet Spoor is opgenomen. Daarnaast zijn, eveneens op grotere afstand van de locatie (op ongeveer 795 meter en op ongeveer 930 meter), twee buisleidingen voor het transport van aardgas gelegen. De afstand van de betreffende spoorlijn en buisleidingen is echter dusdanig groot dat de locatie niet in het invloedsgebied van deze transportroutes is gelegen. In de directe omgeving van de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen.
De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen en/of hoogspanningsverbinding. 4.1.7.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. 38
De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
4.1.8 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
4.1.9 Directe ammoniakschade Bij een intensief varkens- of pluimveebedrijf kan sprake zijn van directe ammoniakschade. Dit is de schade die ammoniak uit de stallen van dergelijke bedrijven kan veroorzaken aan gewassen die verbouwd worden nabij de stal. In het Activiteitenbesluit Milieubeheer is ammoniakschade echter niet opgenomen omdat dit wordt gezien als bedrijfsschade in plaats van als milieuschade. Het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek heeft in 1981 het rapport “Stallucht en Planten” opgesteld. Hierin worden de gevolgen van ammoniak uit dergelijke bedrijven op verschillende gevoelige planten en/of bomen uiteengezet. In dit rapport zijn richtafstanden opgenomen tussen de stallen en gevoelige planten en/of bomen. Indien gewenst kan in het bestemmingsplan rekening gehouden worden met de in het rapport genoemde afstanden tussen bedrijfsmatige boomkwekerijen en de stallen. In 1996 is het rapport aangevuld met het rapport "Effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen, update van een risicoschatting" van het Instituut AB-DLO van het voormalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV). In november 1998 is door middel van een mailing aan de Nederlandse gemeenten algemene bekendheid aan dit rapport gegeven.
Tevens is de bijbehorende notitie "Risico van gewasschade in de directe omgeving van ammoniakbronnen” van AB-DLO van 23 juli 1997 bekend gemaakt. De vraag is in hoeverre ook dit rapport en deze notitie bij de beoordeling van directe ammoniakschade afkomstig van een vergunningplichtige inrichting betrokken dient te worden. Hierover heeft de Raad van State een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat deze notitie bij beoordeling van plannen of projecten ten behoeve van een varkens- en/of pluimveebedrijf niet gehanteerd hoeft te worden. De richtafstanden uit het rapport “Stallucht en Planten” kunnen echter toegepast worden bij ontwikkeling van een dergelijk intensief veehouderijbedrijf. Het rapport 'Stallucht en Planten” geeft richtafstanden van 50 meter tussen stallen en gevoelige planten en bomen (zoals coniferen) en 25 meter tussen stallen en minder gevoelige planten en bomen. Nabij de locatie zijn geen bedrijfsmatige boomkwekerijen gelegen welke directe ammoniakschade zouden kunnen ondervinden van het bedrijf van de initiatiefnemer. Hiermee zal geen sprake zijn van directe ammoniakschade.
39
4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.
Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is, om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is, een vormvrije aanmeldingsnotitie milieueffectrapportage ingediend bij de gemeente. Op basis van deze vormvrije aanmeldingsnotitie heeft de gemeente een besluit genomen dat met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige milieueffecten te verwachten zijn en dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Voor het betreffende besluit van de gemeente wordt verwezen naar bijlage 11 van deze onderbouwing.
4.2.
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
40
4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Rijntakken) is gelegen op een afstand van ongeveer 8,4 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de ammoniakemissie van het bedrijf, door het treffen van emissiebeperkende maatregelen, afnemen van 3.259,12 kilogram per jaar (kg/j) naar 1.643,15 kg/j. Dit is een concrete afname van de ammoniakemissie van het bedrijf met 1.615,97 kg/j. Daarnaast zal de uitstoot van stikstofoxiden afnemen van 158,29 kg/j naar 150,79 kg/j. Dit is een concrete afname van de uitstoot van stikstofoxiden met 7,50 kg/j. Deze afnames zijn berekend met een verschilberekening in de Aerius Calculator. Voor de resultaten van deze verschilberekening wordt verwezen naar bijlage 12 van deze onderbouwing. Gezien de ammoniakemissie en de stikstofoxiden emissie van het bedrijf (aanzienlijk) zal afnemen zal er geen sprake zijn van een verhoogde depositie op de betreffende gebieden. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee zal de uitstoot van stikstofoxiden als gevolg van de bij het bedrijf behorende verkeersbewegingen eveneens niet in onevenredige mate toenemen. De bijdragen van het verkeer tijdens de gebruiksfase meegenomen in de berekeningen met het rekenprogramma Aerius Calculator.
Zoals blijkt uit de resultaten die zijn opgenomen in bijlage 12 van deze onderbouwing zal het aandeel verkeer ten behoeve van het 41
voorgenomen project niet leiden tot een projecteffect (niet meer dan 0,00 mol per hectare per jaar). Naast de emissie van ammoniak en stikstofoxiden vanuit verkeersbewegingen zijn effecten als licht, geluid en trillingen mogelijk van invloed op de betreffende gebieden. Mogelijk kunnen dergelijke effecten tijdens de bouw van de gewenste nieuwe stal optreden. Op een afstand van ongeveer 8,4 kilometer zullen dergelijke effecten echter, voor zover deze plaatsvinden, op de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk.
Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren 42