CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Warmtepompcentrale Delft Toelichting Regels Bijlagen bij de regels 5658670

Commissie Ruimte en Verkeer 23 november 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft (coördinatieregeling) (nr. 2345712)31.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Warmtepompcentrale Delft

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Begrenzing plangebied 1.3 Opbouw plan

4 4 4 6

Hoofdstuk2 Ruimtelijke en stedenbouwkundige context 2.1 Bestaande situatie 2.2 Vigerend bestemmingsplan 2.3 Planbeschrijving 2.4 Stedenbouwkundige onderbouwing

7 7 7 7 9

Hoofdstuk3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijke beleid 3.5 Beleid Hoogheemraadschap van Delfland

10 10 12 13 13 18

Hoofdstuk4 Omgevingsaspecten en onderzoeken 4.1 Archeologie 4.2 Bodem 4.3 Ecologie 4.4 Externe veiligheid 4.5 Geluid 4.6 Trillingen 4.7 Landschap en cultuurhistorie 4.8 Lichthinder 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Geur 4.11 Verkeer en parkeren 4.12 Vormvrije m.e.r. -beoordeling 4.13 Water 4.14 Milieuzonering

20 20 21 22 24 25 29 29 30 30 32 32 33 33 36

Hoofdstuk5 Juridische planbeschrijving 5.1 Systematiek bestemmingen

38 38

Hoofdstuk6

41

Handhaving

Hoofdstuk7 Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid 7.1 Inspraak en overleg 7.2 Zienswijzen 7.3 Financiële uitvoerbaarheid

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 2

42 42 44 44

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Toelichting

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 3

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Het voornemen bestaan om op het campusterrein van de TU Delft naast de warmtekrachtcentrale (WKC) en Geothermie Delft (GTD) een warmtepompcentrale (WPC) te ontwikkelen ten behoeve van het Open Warmtenet Delft en de TU Delft. De locatie is in de actuele situatie nog een parkeerterrein gesitueerd aan de Leeghwaterstraat.

Afbeelding 1.1: ligging plangebied

1.2

Begrenzing plangebied

De begrenzing van het plangebied wordt gevormd door de Leeghwaterstraat ten westen, ter hoogte van de WKC aan de overkant van de Leeghwaterstraat. Ten noorden, oosten en zuiden ligt terrein behorende bij de TU Delft campus. De ligging van het plangebied is nader aangegeven op de afbeeldingen 1.2 en 1.3 op de volgende bladzijde.

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 4

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Afbeelding 1.2: Ligging en begrenzing plangebied op luchtfoto

Afbeelding 1.3: Ligging en begrenzing plangebied (in detail)

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 5

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

1.3

Opbouw plan

In de toelichting van dit bestemmingsplan wordt ingegaan op alle ruimtelijk relevante onderwerpen die in een toelichting aan bod moeten komen. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de ruimtelijke en stedenbouwkundige context van het gebied. Hoofdstuk 3 beschrijft beknopte samenvattingen van de relevante beleidskaders. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten aan de orde, hierbij wordt onder andere ingegaan op uitgevoerde onderzoeken. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Hierin wordt nader uitgelegd op welke wijze de planregels geïnterpreteerd moeten worden. Hoofdstuk 6 gaat in op handhaving en tot slot beschrijft hoofdstuk 7 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 6

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Hoofdstuk 2 2.1

Ruimtelijke en stedenbouwkundige context

Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied van Delft, op de TU Delft Campus naast de locaties van de warmtekrachtcentrale (WKC) en Geothermie Delft (GTD). Het is onderdeel van het kadastrale perceel sectie K nummer 3879. Zoals te zien is in afbeelding 1.2 bestaat het plangebied in de bestaande situatie uit parkeerterrein. De begrenzing van het plangebied wordt gevormd door de Leeghwaterstraat ten westen, ter hoogte van de WKC aan de overkant van de Leeghwaterstraat. Ten noorden, oosten en zuiden ligt terrein behorende bij de TU Delft campus. De dichtstbijzijnde woonbebouwing bevindt zich op een afstand van circa 85 meter ten noordwesten van de grens van het plangebied. De locatie is bereikbaar via de Leeghwaterstraat.

2.2

Vigerend bestemmingsplan

Het vigerend bestemmingsplan is “TU Midden en Noord” (vastgesteld 25-04-2013). Het plan ligt binnen de bestemming “Maatschappelijk” en 'Verkeer' met dubbelbestemming “Waarde – Archeologie I”. Binnen de bestemming "Maatschappelijk" is de warmtepompcentrale voorzien. De warmtepompcentrale kan niet binnen deze bestemming worden gerealiseerd. Het realiseren van een leidingbrug is voorts niet mogelijk binnen de bestemming 'Verkeer' uit het bestemmingsplan 'TU Midden en Noord'. De voorgestane planontwikkeling past hiermee niet binnen het vigerend bestemmingsplan 'TU Midden en Noord'. Dit vormt de reden voor een planherziening. Daarnaast geldt als vigerend bestemmingsplan 'Geothermie Rotterdamseweg' (vastgesteld 10-03-2022). Een deel van het tracé voor een leidingbrug valt samen met de bestemming 'Gemengd' waarin geen mogelijkheid bestaat voor de realisatie van een leidingbrug richting de Warmtepompcentrale. Dit vormt mede de reden voor een planherziening. Tenslotte is het bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" van toepassing. In dat plan is een geluidzone opgenomen voor de bedrijven op Schieoevers Noord. De locatie ligt binnen deze zone.

2.3

Planbeschrijving

In het plangebied wordt een warmtepompcentrale (WPC) gerealiseerd ten behoeve van duurzame stadsverwarming voor de woningbouw in de gemeente Delft en het warmtenetwerk van de TU Delft. De WPC wordt gerealiseerd met twee doelen: Ophogen temperatuur van de geothermische warmte van ca. 75 à 80 graden Celsius naar max. 90 graden Celsius; Uitkoelen van de retourtemperatuur zodat het retourwater niet met ca. 55 graden Celsius maar met ca. 25 graden Celsius terug de diepe ondergrond in gaat. Dat leidt globaal tot een verdubbeling van de capaciteit van de geothermische warmtebron, waardoor veel meer afnemers van duurzame warmte kunnen worden voorzien De WPC zal uit 3 verdiepingen bestaan. De maximale thermische capaciteit is ca. 20-22 MWth, dit is o.a. afhankelijk van de temperatuur en het volume van de geothermiebron. Het maximale opgenomen elektrische vermogen is ca. 6,5 MW, voor het totaal van warmtepompen, transportpompen en overige installaties.

De centrale zal maximaal 12 warmtepompen bevatten. Iedere warmtepomp heeft een ammoniak inhoud van ca. 250 – 300 kg. De totale inhoud is dus max. 3.600 kg ammoniak indien de centrale full scope wordt gerealiseerd. De warmtepompen zullen worden opgesteld op 2 verdiepingen (6 per verdieping) in ruimtes die gescheiden zijn van de rest van het pand. bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 7

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Op het dak boven de warmtepompen worden ammoniak-scrubbers opgesteld voor situaties dat lekkage zou ontstaan.

Om de warmtepompcentrale te verbinden met de warmtekrachtcentrale en de geothermie locatie wordt rekening gehouden met een te realiseren leidingbrug. Deze kan worden gemaakt op de plaats zoals weergegeven in figuur 2.1 (gelijk aan figuur 1.3), maar het is ook mogelijk dat deze verbinding op korte afstand elders komt. Het nieuwe bestemmingsplan voorziet hiertoe in een zoekgebied voor de leidingbrug.

Figuur 2.1 Situatietekening met de leiding(brug) die van de WKC/Geothermie Delft naar de WPC loopt en waarvan de locatie nog niet vastligt. (Zie Leidingbrug)

In figuur 2.2 is een impressie van de WPC weergegeven.

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 8

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Figuur 2.2: Impressie warmtepompcentrale (zuidzijde)

Voor de warmtepompcentrale zullen graafwerkzaamheden worden uitgevoerd voor de fundering en kelders. De fundering zal worden gerealiseerd met schroefpalen (geen heiwerkzaamheden voorzien). Verder zullen er verhardingen worden aangelegd, alsmede bebouwing en installaties gerealiseerd. Watergangen worden niet aangetast en er zullen geen bomen gekapt of verwijderd worden.

2.4

Stedenbouwkundige onderbouwing

De geothermie productielocatie wordt gesitueerd naast de bestaande warmtekrachtcentrale en Geothermie Delft aan de Leeghwaterstraat en vormt daarmee een logisch cluster met deze al aanwezige of in ontwikkeling zijnde nutsvoorzieningen.

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 9

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft, in overeenstemming met de ministers van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Economische Zaken en Klimaat (EZK), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), en de staatssecretarissen van IenW, VWS en Defensie, de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) op 11 september 2020 vastgesteld.

De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Beoordeling en conclusie Het plan is in overeenstemming met de NOVI.

3.1.2

AMvB (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit het SVIR. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij Natuurnetwerk Nederland en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Volgens het Barro zijn er in het plangebied geen projecten van Rijksbelang aanwezig waarmee bij de vaststelling van dit plan rekening moet worden gehouden. bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 10

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Beoordeling en conclusie Het bestemmingsplan is met dit besluit in overeenstemming.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder voor duurzame verstedelijking is het kader voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden.

Overheden dienden bij de ladderversie van 1 oktober 2012 nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren met de volgende drie stappen: 1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; 2. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; 3. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.

Per 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd met als doel om de ladder te vereenvoudigen en de onderzoekslasten te verminderen, waarbij de effectiviteit van het instrument behouden blijft. Met deze wijzigingen is niet beoogd het doel van de regeling te wijzigen: voorkomen van ongewenste leegstand en overprogrammering, stimulering zorgvuldig ruimtegebruik en transparante besluitvorming.

De nieuwe ladder voor duurzame verstedelijking bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt. Artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro bepaalt het volgende: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een deel van de omvangrijke rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak met betrekking tot de ladder blijft ook na 1 juli 2017 van belang. De hoofdlijnen van die rechtspraak zijn door de Afdeling Bestuursrechtspraak in een overzichtsuitspraak (28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) opgenomen. Deze overzichtsuitspraak is bedoeld om de rechtspraktijk houvast te bieden bij de toepassing van de ladder.

Op basis van de omschrijving in het Bro betreft de ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling. Het plan bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 11

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft hoeft niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking te worden getoetst.

Beoordeling en conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking is geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid Holland

Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie (herzien op 15 maart 2022) is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities.

De Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: Een introductie op het Omgevingsbeleid, waarin opgenomen de ruimtelijke hoofdstructuur; De ontwikkelrichting die is opgenomen in het deel Ambities en sturing; Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor ruimtelijke kwaliteit; Samenhangende beleidskeuzes, integraal toegankelijk via de digitale raadpleegomgeving. Het beleid voor ruimte en mobiliteit bevat geen eindbeeld, maar wel ambities en doelen die de provincie samen met anderen wil realiseren.

Bovenregionaal warmtenetwerk Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt in het Nationaal Energieakkoord voor het realiseren van de nationale doelstellingen. Provinciaal belang vanwege de invloed op het leef- en vestigingsklimaat van de provincie. Noodzaak voor bovenlokale keuzes: warmtemarkt en -transport overstijgt gemeentegrenzen.

De provincie zet zich in voor de realisatie van een bovenregionale warmte infrastructuur, als essentieel onderdeel van een goed functionerende warmtemarkt waarin de vraag naar warmte kan worden vervuld door een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorziening. De provincie streeft naar een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie in 2020 in Zuid-Holland, conform de Europese en nationale doelstellingen om een CO2-reductie te realiseren van 20% in 2020 ten opzichte van 1990 en een energie-efficiëntiebesparing van 20% in 2020 ten opzichte van 2007.

In Zuid-Holland is veel restwarmte uit de industrie beschikbaar. Ook is de Zuid-Hollandse bodem geschikt voor geothermie. Het bestaande transportnet heeft nog onvoldoende capaciteit om vraag en aanbod bij elkaar te brengen.

Beoordeling en conclusie De provincie zet in op het vergroten van het aandeel duurzame energie uit de bodem (aardwarmte en warmte-koudeopslag). Het voornemen is hiermee in overeenstemming met het provinciale beleid.

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 12

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft 3.2.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland bevat de verplichting om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen 'ladder voor duurzame verstedelijking' te doorlopen. Hierop is al nader ingegaan in paragraaf 3.1.3.

3.3

Regionaal beleid

We willen in Nederland in 2030 de helft minder CO2 uitstoten ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot zelfs met 95% zijn afgenomen. Deze nationale doelstelling is vastgelegd in het Klimaatakkoord. De decentrale overheden (in de onderhavige regio 23 gemeenten, 4 waterschappen en de provincie Zuid-Holland) hebben zich verbonden aan het Klimaatakkoord. In de Regionale Energie Strategie (RES) vertaalt de energieregio Rotterdam Den Haag de afspraken uit het Klimaatakkoord in regionale ambities en oplossingsrichtingen. De RES is een strategie voor de regio en brengt de plannen van decentrale overheden bij elkaar. De RES wordt gebruikt om lokaal beleid en plannen verder uit te werken en in verbinding te brengen met de (inter)nationale opgave. Hoe dat gebeurt bepaalt iedere partij zelf.

In de RES is o.a. opgenomen dat de regio de beschikbare rest- en aardwarmte wil benutten in een toekomstbestendige energiemix. De potentie van aardwarmte in de regio wordt geschat op 23 tot 33 PJ.

Beoordeling en conclusie Het bestemmingsplan is met dit beleid in overeenstemming.

3.4

Gemeentelijke beleid

3.4.1

3.4.1

Omgevingsvisie Delft 2040 'Samen maken we de stad'

Op 15 juli 2021 heeft de raad de Omgevingsvisie Delft 2040 vastgesteld. In deze visie staat wat voor stad Delft in de toekomst wil zijn. De gemeente geeft in deze visie de gewenste ontwikkeling weer van de leefomgeving binnen de gemeente. Dit is de omgeving waarin de Delftenaar woont, werkt en zijn/haar vrije tijd doorbrengt. De omgevingsvisie is de eerste stap van de invoering van de Omgevingswet in Delft. De omgevingsvisie Delft 2040 vervangt de Stadsvisie en de Ruimtelijke Structuurvisie Delft 2030.

De kwaliteiten die van Delft een aantrekkelijke stad maken, worden behouden door ze verder te verrijken en te versterken. De Delftse kernwaarden zijn: historie, technologie, innovatie, creativiteit en de verbonden stad. Het Delftse erfgoed (oud en nieuw) speelt een grote rol in de aantrekkelijkheid, identiteit en het vestigingsklimaat van de stad. Samengevat gaat de Omgevingsvisie uit van het volgende: Delft zet tot 2040 in op het toevoegen van 15.000 woningen. Delft voorziet tot 2040 in een groei van 10.000 banen. Delft maakt gebruik van de substantiële kansen van kennisintensieve bedrijven en van een kennisgedreven en ambachtelijke 'maakindustrie'. Deze nieuwe maakindustrie biedt arbeidskansen voor een brede doelgroep in Delft en de regio. Het feit dat in Delft technisch onderwijs op mbo, hbo en academisch niveau aanwezig is maakt Delft uniek en versterkt de kansen van het Delftse bedrijfsleven. Delft koestert de huidige bedrijven, kleinschalige economie en biedt waar mogelijk groeiruimte aan bestaande bedrijvigheid. De TU is en blijft een belangrijke partner en is in 2040 zowel sociaal als fysiek beter met de stad verbonden. Delft is in 2040 hard op weg om in 2050 energieneutraal en klimaatbestendig te kunnen zijn. Om daar te komen, zet Delft in op energiebesparing, een warmtenet en zonne-energie. Delft zet in op een mobiliteitstransitie.

Het mobiliteitssysteem gaat veranderen, zodat Delft de bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 13

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig blijft. De ruimte voor de infrastructuur in de stad wordt beter benut door voorrang te geven aan ruimte-efficiënte, schone, slimme en veilige mobiliteit. De fysieke leefomgeving moet bijdragen aan de gezondheid van iedere Delftenaar. Delft dringt negatieve milieueffecten terug en richten zich op een gezond ingerichte leefomgeving. Het buitengebied is altijd goed bereikbaar. In 2040 is de buitenruimte in en om de stad voor mens, plant en dier op minimaal hetzelfde kwaliteitsniveau als nu. In 2040 bestaat het begrip 'afval' niet meer. Delft functioneert dan als een circulair systeem voor grondstoffen. Om de positie van de historische en culturele stad te versterken, investeert Delft in kwalitatieve cultuurvoorzieningen, attracties, evenementen, een verantwoorde ontwikkeling van toerisme en in het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte. Delft koestert zijn erfgoed en zet ook bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in op het doorvertalen van de rijke historie van Delft. Erfgoed in Delft is bekend en 'beleefbaar', waar je ook bent in de stad. Ter versterking van de wijkeconomie en het borgen van de duurzame vitaliteit van wijken wordt bij nieuwe gebiedsontwikkelopgaven ten minste 10% van het te realiseren aanbod in de wijk bestemd voor werk en maatschappelijke voorzieningen.

Delft streeft naar een vitale mix van wonen en werken, zowel in de wijken als in de werkgebieden. Hierdoor kan er een klimaat ontstaan van dynamische stedelijke gemengde gebieden. Delft heeft in 2040 hoogwaardige, passende en toegankelijke voorzieningen die nodig zijn voor zorg, welzijn, cultuur, onderwijs en sport. Delft streeft naar een goede spreiding van voorzieningen en clustert waar mogelijk. Prettig samenleven vindt Delft belangrijk. In 2040 is Delft een stad waar iedereen ertoe doet, meedoet, elkaar kan ontmoeten en de kans krijgt zich te ontwikkelen. De te realiseren openbare ruimte en voorzieningen draagt hieraan bij. In Delft is ook ruimte een schaars goed. Keuzes die worden gemaakt, moeten altijd bijdragen aan de versterking van meerdere kwaliteiten van de stad en het gebied Conclusie Deze planontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en hetgeen de gemeente in de toekomst wil.

3.4.2

3.4.2

Convenant 2016-2026TU Delft en gemeente Delft

Op 1 november 2016 hebben de bestuurders van de TU Delft en de gemeente Delft het 'Convenant 2016-2026 TU Delft en gemeente Delft' ondertekend voor de verdere ontwikkeling van campus en stad. Het doel van de samenwerking is het vormen van een sterke combinatie van stad en universiteit die internationaal concurrerend is. Het convenant is uitgewerkt in drie thema's: 1. Stad als campus, campus als stad; 2. Ecosysteem voor kennis en economie; 3. Universitaire gemeenschap, stad en inwoners. Conclusie Deze planontwikkeling past bij het bouwen van een Delfts 'ecosysteem van kennis en economie'.

3.4.3

Nota Parkeernormen 2018

De gemeente Delft heeft op 20 april 2018 de 'Nota Parkeernormen 2018: Auto- en fietsparkeren bij bouwontwikkelingen' vastgesteld. In deze nota worden de geldende parkeernomen voor tal van functies binnen de gemeente Delft beschreven. De nota geeft invulling aan de behoefte van de gemeente Delft om binnen bouwontwikkelingen meer ruimte voor flexibiliteit te creëren.

Het parkeernormenbeleid van de gemeente is erop gericht om bij bouwontwikkelingen in voldoende parkeercapaciteit voor zowel de auto als de fiets te voorzien. Om deze doelstelling te bereiken maakt de bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 14

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft gemeente Delft onderscheid tussen drie pijlers: 1. Toekomstvast: parkeeroverlast wordt niet alleen bij de eerste gebruikersgroep van een functie voorkomen, ook voor de volgende gebruikersgroepen wordt dit gewaarborgd; 2. Gebiedsgericht: niet voor ieder gebied in Delft geldt dezelfde vraag naar parkeerplaatsen, indien van toepassing kunnen lagere parkeernormen voor zowel de auto als de fiets gehanteerd worden; 3. Flexibiliteit: opdat rekening gehouden kan worden met de specifieke karakteristieken van een bouwontwikkeling en de specifieke karakteristieken van de beoogde gebruikersgroepen. Voor bouwontwikkelingen op de Campus TU Delft is de Parkeervisie Campus TU Delft 2018 en de bijbehorende Beleidsregels Parkeren Campus TU Delft van toepassing. Bij toetsing van aanvragen voor omgevingsvergunningen op de TU Campus zijn deze parkeervisie en beleidsregels leidend 3.4.4

Parkeervisie Campus TU Delft 2018

De Parkeervisie Campus TU Delft 2018 is een integrale visie met als doel het creëren van een parkachtig en autoluw binnengebied met een prettige en veilige omgeving voor fietsers en voetgangers. In deze parkeervisie wordt het kader aangegeven waarbinnen het parkeervraagstuk van de TU Campus zich afspeelt: de gebiedsontwikkeling, de bereikbaarheid van de campus en de parkeerstrategie. Vervolgens zijn de beleidsregels geformuleerd voor het parkeren van auto en de behoefte aan stallingsplekken voor fietsen. De beleidsregels vormen het feitelijke toetsingskader voor aanvragen van een omgevingsvergunning.

3.4.5

Mobiliteitsprogramma Delft 2040

Het gemeentelijke mobiliteitsbeleid is vastgelegd in het 'Mobiliteitsprogramma Delft 2040: Ons Delft, duurzaam bereikbaar'. In dit beleid wordt ingezet op een mobiliteitstransitie om een gezonde doorgroei van de stad mogelijk te maken met een goede bereikbaarheid. Hiervoor is een nieuwe balans nodig tussen de toenemende mobiliteitsvraag en de schaarse openbare ruimte in de stad. Door een verandering van het mobiliteitssysteem en aansturen op aanpassing van mobiliteitskeuzes kan Delft de komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig blijven.

De belangrijkste pijlers van het mobiliteitsbeleid zijn: Ruimte geven door ruimte te maken en de kwaliteit van de openbare ruimte te verbeteren: - Meer verblijfsruimte (zoals pleinen en groen) en minder ruimte voor verplaatsen; - Meer ruimte voor de voetganger en de fiets; - Ruimte maken door minder autoritten; - Ruimte maken door minder autoparkeren. Meer schone en actieve/gezonde verplaatsingen in de vorm van lopen of fietsen. Verkeersnetwerken en hun onderlinge samenhang aanpassen, zodat lopen aantrekkelijker wordt en de fiets en het openbaar vervoer in snelheid, gemak en veiligheid een meer aantrekkelijk alternatief worden voor de auto. Innovatieve vormen van vervoer stimuleren die bijdragen aan de doelstellingen van het mobiliteitsprogramma, zoals deelmobiliteit en nieuwe vervoermiddelen. Tegengaan van 'vervoersarmoede'. Verbeteren van de verkeersveiligheid. Bij de verdere uitwerking van het mobiliteitsbeleid is het niet mogelijk of nodig om overal in de stad dezelfde maatregelen te nemen. Het is daarom van belang om voor maatwerkoplossingen te kiezen: de plek in de stad bepaalt de mobiliteitsaanpak. De TU Delft heeft daarnaast een eigen mobiliteitsvisie bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 15

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft opgesteld: 'Visie Mobiliteit en Bereikbaarheid: Campus TU Delft – 2018-2028', waarin een visie, strategie en samenhangend pakket aan maatregelen worden genoemd om de verplaatsingen van, naar en over de campus efficiënt, betrouwbaar en veilig te faciliteren.

3.4.6

Nota Delft Energieneutraal 2050: Uitvoeringsprogramma 2017-2020

Delft staat aan de vooravond van een grote transitie in de energievoorziening. Waar nu nog grotendeels aardgas wordt gebruikt voor de verwarming van de woningen, warm tapwater en koken zal binnen enkele decennia de omslag gemaakt zijn naar een duurzame en hernieuwbare vorm voor warmte. De transitie in de energievoorziening heeft urgentie. Delft wil in 2050 geen CO2-emissie meer van fossiele brandstoffen, oftewel bijna 56.000 woningen en circa 6.000 bedrijven moeten worden voorzien van hernieuwbare warmte en elektriciteit.

In het Uitvoeringsprogramma 2017-2020 geeft de gemeente Delft invulling aan bovenstaande uitdaging. Het aardgasvrij maken van de eerste wijken in Delft in combinatie met de overgang naar een alternatieve vorm van warmtelevering is daarbij een van de invullingen. De geothermiebron van de TU Delft, die in voorliggend plan als warmtebron wordt gebruikt, is in de uitrol van het lokaal warmtenet een belangrijke stap. De in potentie beschikbare warmte is goed voor circa 8.000 woningen/woningequivalenten.

Conclusie Met voorliggend plan wordt een activiteit gefaciliteerd die een bijdrage levert aan een in ontwikkeling zijnde duurzame energiesector door middel van een warmtepompcentrale in combinatie met het opwekken van aardwarmte. Hiermee past de ontwikkeling binnen het uitvoeringsprogramma.

3.4.7

Kadernota 2023

In de Kadernota 2023 is één van de belangrijke opgaven voor de stad benoemd: de energietransitie. Delft heeft een duidelijke ambitie: in 2050 is Delft energieneutraal. Het Warmteplan, zoals door de raad vastgesteld op 16 december 2021, wordt ingezet als routekaart naar duurzame warmte. Voor de lokale opwekking van duurzame elektriciteit wordt een strategie opgesteld. In de ontwikkeling van gebieden wordt voorzien in de basisinfrastructuur voor energie. De aanleg van WarmtelinQ en Geothermie Delft is nu aan de orde. Verwacht wordt dat hiermee duurzame warmte geleverd gaat worden. Medio 2024 staat de realisatie van het Open Warmtenet in Voorhof en Buitenhof gepland. Dan gaan de eerste panden van woningcorporaties over van gas naar duurzame warmte. De Warmtepompcentrale betreft een ondersteundende en samenhangende voorziening voor het warmtenet. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de Kadernota 2023.

3.4.8

Nota Groen 2012-2020

In 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Groen Delft 2012-2020 en het daarbij horende Uitvoeringsprogramma nota Groen Delft 2012-2020 vastgesteld. Het beleid is niet bedoeld als bindend kader maar moet ervoor zorgen dat het groenbelang voldoende wordt betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid stelt eisen aan de afweging tussen ruimteclaims die bij ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvindt. Het uitgangspunt is dat aantasting van groene en ecologische waarden zoveel mogelijk wordt voorkomen. Een evenwichtige verhouding tussen groen en bebouwing is belangrijk voor een goed woon- en leefklimaat in de stad. Het gaat daarbij niet alleen om de natuurwaarden zelf maar ook om de betekenis van het groen voor een goed woon- en werkklimaat.

Het beleid is onder meer gericht op het versterken van biodiversiteit, goed openbaar groen en het handhaven van een evenwichtige verhouding tussen groen, bebouwing en verharding. Het beleid streeft naar een samenhangend, verbonden en fijnmazig groen netwerk. bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 16

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Bij ruimtelijke plannen wordt aangegeven op welke wijze de belangen zijn gewogen en wat daarvan de uitkomst is. Verder wordt beschreven welke groene kwaliteiten in het plangebied bestaan, verloren gaan of worden toegevoegd. Indien er gecompenseerd wordt, staat in de plantoelichting hoe en waar dit gebeurt. Als besloten wordt niet te compenseren, wordt toegelicht waarom dat niet gebeurt.

3.4.9

Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026(GRP)

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) beschrijft hoe de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In het GRP vertaalt de gemeente de ambities van de rioleringszorg naar concrete doelen, een adequate strategie, de benodigde activiteiten en de benodigde middelen. Daarmee geeft het GRP ook een onderbouwing van de rioolheffing.

Afvalwaterzorgplicht De gemeente is verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. Traditioneel doet de gemeente dit door het aanleggen en onderhouden van een rioleringsstelsel. Dat stelsel vervoert, in tegenstelling tot de decentrale voorzieningen, afvalwater van huishoudens en bedrijfspanden naar de waterzuivering. De laatste jaren is er ook aandacht voor decentrale waterzuivering, waarbij afvalwater lokaal gezuiverd en hergebruikt of geloosd wordt.

Hemelwaterzorgplicht De gemeente is verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (regen, sneeuw en hagel) dat op openbaar terrein terecht komt. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking en vertraagde afvoer van hemelwater. Er zijn verschillende manieren waarop gemeentes invulling geven aan deze inspanningsverplichting. Afkoppelen is niet altijd wenselijk, zo zijn gebieden met een beperkte waterbergingscapaciteit in principe niet geschikt voor afkoppelen aangezien bij afkoppelen de afvoer naar het oppervlaktewater toeneemt. Uitgangspunt is het gescheiden inzamelen en afvoeren van hemelwater. Het hemelwater gescheiden van de vuile afvalwaterstroom verwerken is een meer duurzame invulling van de zorgplicht dan gemengd inzamelen. Het gemengd inzamelen en verwerken van hemelwater en vuilwater is een erfenis uit het verleden die vooral in de oudere delen van de stad nog vaak voorkomt. Nadeel van gemengde verwerking is dat schone waterstromen vuil worden en dat de kans groter is dat de openbare ruimte en inwoners met vuil afvalwater in aanraking komen.

De gemeente anticipeert op klimaatveranderingen zodat het risico op wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk wordt beperkt. Het rioleringsstelsel is en wordt ontworpen om bij normale neerslag het water te kunnen afvoeren. Hiertoe wordt de landelijke richtlijn aangehouden voor de berekening van benodigde capaciteit. Bij extreme buien kan wateroverlast ontstaan. Dit betekent dat er mogelijk een aantal keren per jaar enige tijd water op straat blijft staan.

Grondwaterzorgplicht De verantwoordelijkheden van de gemeente op het gebied van grondwater zijn genuanceerder dan de andere twee zorgplichten: er geldt een inspanningsverplichting ('zoveel mogelijk') in plaats van de resultaatverplichting (afvalwater) of de inspanningsverplichting (hemelwater) wanneer perceeleigenaren hemelwater redelijkerwijs niet kúnnen afvoeren naar het oppervlaktewater of de bodem (hemelwaterzorgplicht). In het kort stelt de grondwaterzorgplicht de gemeente niet verantwoordelijk voor de grondwaterstand. De perceeleigenaar is primair verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwaterlast op eigen terrein. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Wel is de gemeente in sommige gevallen verantwoordelijk voor het zo veel mogelijk beperken van structurele nadelige gevolgen van grondwateroverlast (te hoge) of -onderlast (te lage grondwaterstand). De gemeente is verplicht haar grondwaterzorgplicht na te komen om structurele nadelige gevolgen van grondwateroverlast zo veel als bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 17

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft mogelijk te beperken. Zij kan hierop worden aangesproken.

Toepassing van het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 vindt plaats bij de uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling.

3.4.10 Beleid hogere waarden Wet geluidhinder In het kader van ruimtelijke plannen of reconstructies van geluidbronnen worden onderzocht wat de geluidsbelasting aan de gevels van de aanwezige geluidsgevoelige bestemmingen is. Als de in de Wet geluidhinder (Wgh) opgenomen voorkeursgrenswaarden wordt overschreden, maar de uiterste toegestane grenswaarde niet en maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen niet doelmatig zijn of deze overwegende bezwaren ontmoeten, dan is het mogelijk om ontheffing te verkrijgen: een zogenaamde hogere waarde. Voorwaarde is wel dat een aanvaardbaar akoestisch klimaat wordt gerealiseerd. In het rapport 'beleid hogere waarden wet geluidhinder' (geactualiseerd april 2013) is het gemeentelijk beleid opgenomen met betrekking tot deze hogere waarden.

3.4.11 Nota bodembeheer 2009 In het kader van het Besluit bodemkwaliteit heeft de gemeente Delft haar gebiedsspecifieke beleid vastgelegd in de Nota bodembeheer gemeente Delft en een bijlage bodemkwaliteitskaart. In de bodembeheernota wordt aangegeven hoe moet worden omgegaan met grondverzet binnen de gemeente. De Nota is vastgesteld op 12 november 2009. Het aspect 'bodem' komt aan de orde in hoofdstuk 4.2 Bodem.

3.5

Beleid Hoogheemraadschap van Delfland

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is het document waarin het hoogheemraadschap de ambities voor de komende jaren heeft vastgelegd. Het waterbeheerprogramma bestaat uit drie niveaus. Het 'WBP6 op hoofdlijnen', een internetpagina met thema's en maatregelen en het derde niveau betreft de optie 'meer weten' voor extra achterliggende informatie.

Voor het hoogheemraadschap staat de missie 'droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater' centraal. Daarnaast oriënteert het hoogheemraadschap zich op de trends en ontwikkelingen van vandaag, morgen en overmorgen. Hierin is de grootste impact de klimaatverandering. Naast klimaatverandering focust het hoogheemraadschap zich ook op minder zichtbare thema's, zoals bijvoorbeeld de kwaliteit van het water of de bodemdaling. Ook dient het hoogheemraadschap een invulling te geven aan de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie (waterpeil bepaalt welke functies op welke plekken mogelijk zijn).

Het tweede niveau thema's is onderverdeeld in 32 verschillende thema's waaronder, biodiversiteit, grondwater, overstromingsrisico's, etc. Ten aanzien van de thema's is daar ook onderscheid gemaakt in onder andere waterveiligheid, Natura 2000, zeespiegelstijging, etc.

Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Delfland heeft de Handreiking watertoets voor gemeenten opgesteld. De meest actuele versie van de handreiking is te vinden op de website van Delfland: bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 18

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft hhdelfland.nl/regelen/watertoets-ruimtelijke-plannen/. In de handreiking worden de randvoorwaarden en uitgangspunten voor een plan per thema toegelicht.

Uitgangspunten Beleidsnota Beperken en voorkomen wateroverlast De basis van het beleid wordt gevormd door de volgende zes algemene beginselen: 4. Norm als ijkpunt: Delfland hanteert de waterkwantiteitsnormen uit de provinciale omgevingsverordening als maatstaf om te voldoen aan haar wettelijke taak als waterkwantiteitsbeheerder. Deze normen zijn geformuleerd als overstromingskans vanuit het oppervlaktewater. 5. Standstill-beginsel: Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat plannen hydrologisch worden getoetst op klimaatbestendigheid en hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. Wanneer andere waterbelangen zwaarder wegen dan het voorkomen van wateroverlast, kan hiervan worden afgeweken. 6. Effectgericht: Functioneren van het gehele watersysteem staat centraal. Bij de uitwerking en afweging van maatregelen om het watersysteem op orde te brengen en te houden, staat het functioneren van het gehele watersysteem centraal. Dit betekent dat niet alleen moet worden gekeken naar de effecten voor de waterloop waar de maatregel of ingreep plaatsvindt, maar ook naar de effecten op andere plaatsen in het systeem. 7.

Gebiedsgericht: Door verwevenheid van functies en de ruimtedruk zijn een gebiedsbrede aanpak en samenwerking met gebiedspartners nodig om het watersysteem op orde te brengen en te houden. Delfland wil in een vroegtijdig stadium van planvormingsprocessen meedenken met gemeenten over oplossingen, dit ook op het gebied van wateroverlast 8. Marktgericht: Hoogst maatschappelijke rendement tegen de laagste kosten. Delfland zet in op maatregelen, die leiden tot het hoogst maatschappelijke rendement (conform uitgangspunten 1 t/m 4) tegen de laagst maatschappelijke kosten. 9. Alle oplossingen meewegend: Op voorhand worden geen oplossingen uitgesloten om het watersysteem op orde te brengen of te houden. Bij de keuze van geschikte maatregelen worden factoren waaronder effectiviteit, betrouwbaarheid, integraliteit meegewogen. Delfland wil op deze manier integrale en innovatieve oplossingen mogelijk maken, waarbij meerdere functies of belangen gecombineerd kunnen worden en een oplossing kunnen bieden in gebieden waar ruimte schaars is. Watertoets Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau.

De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet.

De toets berust op twee uitgangspunten: 1. standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. In het kader van de watertoets heeft overleg plaatsgevonden tussen de gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland en is het document “Watertoets WPC Delft” opgesteld (zie separate bijlage).

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 19

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten en onderzoeken

Archeologie

Volgens het vigerende bestemmingsplan TU Midden en Noord (vastgesteld in 2013) heeft de locatie de dubbelstemming "Waarde – Archeologie I". Hiervoor geldt de verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek, tenzij het een project betreft met een oppervlakte die kleiner is dan 100 m2 en/of een diepte die kleiner is dan 40 cm onder maaiveld.

Aangezien de ontgravingsdiepte groter wordt dan 40 cm onder maaiveld is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1 bij de toelichting.

Onderzoek archeologie In overleg met het bevoegd gezag is bij het onderzoek een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek (met zes boringen). De conclusies en het (selectie)advies luiden als volgt.

De bodemopbouw komt enigszins overeen met de opgestelde verwachting in het bureauonderzoek. Daar waar de bodemopbouw intact is zijn de verwachte afzettingen van de Gantel, met daarbovenop warmoezerijgronden of een opgenomen vegetatielaag opgenomen in de Gantel afzettingen ('woudlaag'), aangetroffen. De top van het archeologisch niveau bevindt zich op circa 1,3 m-NAP (0,6 m-mv). Er geldt hier een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit de Romeinse tijd.

Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op een vindplaats, daarnaast bleek een groot deel van het gebied diep verstoord te zijn (tot 3,0 m-mv).

Uit het veldonderzoek blijkt dat een groot deel van het plangebied verstoord is. Echter zijn er twee boringen die een intact bodemprofiel met een archeologisch niveau met een middelhoge verwachting voor de Romeinse tijd tonen. Dit niveau bevindt zich op circa 1,3 m-NAP, of 0,6 m-mv.

De geplande werkzaamheden zullen hoogstwaarschijnlijk maar tot 0,4 m-mv reiken. Dit zou betekenen dat het archeologisch niveau niet verstoord wordt. Echter worden er ook kelders aangelegd met een diepte van 2,4 m-mv. Op basis van de plantekeningen worden deze niet gerealiseerd ter hoogte van de intacte boringen. In de rapportage van 28 februari 2023 is dit verduidelijkt met een kaartje waarop zowel de boorpunten als de plattegrond van het gebouw met kelders zijn weergegeven.

Antea Group adviseert daarom om het plangebied vrij te geven, mits de verstoringen ter plaatse van boringen 003 en 005 niet dieper zullen reiken dan 1,3 m-NAP.

Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Delft.

Conclusie archeologie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering is voor de realisatie van het plan.

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 20

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

4.2

Bodem

Beoordelingskader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren.

De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's. Onderzoek bodem Voor het project is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd en gerapporteerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting.

In het uitgevoerde bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Uit het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: In de opgeboorde grond zijn bijmengingen met sporen baksteen waargenomen in de ondergrond ter plaatse van één boring. Er zijn geen overige waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Er zijn aan het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond aan enkele zware metalen, PAK en minerale olie. Er is sprake van zeer geringe overschrijdingen van de achtergrondwaarden. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetoond. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. De resultaten vormen geen milieuhygiënische belemmering voor de voorgenomen realisatie van een warmtepompcentrale ter plaatse. De nulsituatie van de bodemkwaliteit is in voldoende mate vastgelegd.

Voornoemde conclusies zijn gebaseerd op het vooronderzoek, de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten van dit onderzoek.

Conclusie bodem Geconcludeerd wordt dat bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 21

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

4.3

Ecologie

Beoordelingskader Het project kan worden uitgevoerd indien de werkzaamheden niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland. Daarom is inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van het projectgebied en de effecten hierop. Dit wordt gedaan op basis van een Natuurtoets. Dit advies komt voort uit de conclusies van de uitgevoerde Natuurtoets. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. Tevens is aangegeven of volgens de Nederlandse wetgeving vervolgstappen aan de orde zijn.

Soortbescherming Binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: vogels met een jaarrond beschermd nest, algemene broedvogels en vleermuizen. In tabel 4.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van de natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht.

Tabel 4.1. Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming.

In tabel 4.1 is aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 4.2 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 22

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft Tabel 4.2. Beschrijving maatregelen om overtreding van de Wnb te voorkomen.

Natura 2000 In tabel 3.4 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde Natura 2000-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.4 van de natuurtoets.

Tabel 4.3. Conclusies Natura 2000-gebieden.

Update stikstofdepositieonderzoekOktober 2023 Op grond van de op 1 juli 2021 in werking getreden wijziging van de Wet natuurbescherming was het niet noodzakelijk om de bouwfase/ realisatiefase (inclusief slopen) voor wat betreft stikstofdepositie in beeld te brengen. Met de uitspraak van 2 november 2022 1 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de in de Wet natuurbescherming opgenomen zogenaamde bouwvrijstelling vervallen. De bouw en alle hieraan gerelateerde activiteiten, alsmede ook het gebruik van de installatie hebben mogelijk invloed op de emissies van de voor stikstofdepositie relevante stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3). Dit kan leiden tot verzuring en vermesting in Natura 2000-gebieden. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State , dient (ook) de emissie van de voor stikstofdepositie relevante stoffenstikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3) die mogelijk vrijkomen bij de bouw- en aanlegactiviteiten berekend te worden. Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (art. 2.7). In het verlengde van voornoemde uitspraak is aanvullend specifiek onderzoek uitgevoerd voor dit project met betrekking tot stikstofdepositie. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting.

Hierbij zijn zowel de realisatiefase uitgewerkt en berekend als ook (cumulatief) de beperkte verkeersbewegingen voor de gebruiksfase. Uit de AERIUS-berekening volgt dat er geen sprake is van een bijdrage in stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar. Dit betreft een combinatie van realisatie- en gebruiksfase in één jaar (dus: “worst case”). Hiermee kunnen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden door de bouw van de WPC worden uitgesloten en hoeft geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.

NNN In tabel 4.4 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde NNN-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.5 van de natuurtoets.

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 23

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Tabel 4.5. Conclusies NNN-gebieden

Overig provinciaal beleid Zuid-Holland Er is geen sprake van overige beschermde provinciale gebieden. Er zijn derhalve geen vervolgstappen aan de orde.

Beschermde houtopstanden Wnb Er is bij voorliggend planvoornemen geen sprake van aantasting van onder de Wnb beschermde houtopstanden. Er zijn voor wat de Wnb betreft geen vervolgstappen aan de orde. In de nabijheid van het plangebied is een bomenrij aanwezig. De bomen staan buiten de plangrens en hoeven niet te worden gekapt. Vanuit de natuurtoets wordt geadviseerd om aandacht te hebben voor het wortelstelsel van de bomen om negatieve effecten voor deze bomen te voorkomen. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal dan ook een Boom Effect Analyse (BEA) worden uitgevoerd die wordt overlegd aan de gemeente. Hiermee kunnen eventuele negatieve effecten voor deze bomen worden voorkomen. Conclusie ecologie Geconcludeerd wordt dat er voor de realisatie van het plan geen belemmeringen zijn ten aanzien van ecologie, mits de genoemde maatregelen worden getroffen.

4.4

Externe veiligheid

Aangezien de warmtepompcentrale ammoniak gaat gebruiken als koelmiddel, en ammoniak een gevaarlijke stof is, zijn er mogelijk veiligheidsafstanden van toepassing. Veiligheidsafstanden zijn afstanden die aangehouden moeten worden tussen enerzijds de risicobron (de warmtepompcentrale) en anderzijds risico-ontvangers (bijvoorbeeld onderwijsgebouwen). Gepland is een gebouw met daarin 12 warmtepompen, die per 6 stuks in serie zijn geschakeld. Elke afzonderlijke warmtepomp heeft een eigen koelcircuit met koelmiddel (ammoniak); de circuits zijn niet met elkaar gekoppeld. De ammoniak-inhoud van elke warmtepomp bedraagt 300 kg. In totaal is er dus 12 x 300 = 3.600 kg aan ammoniak aanwezig in het warmtepompgebouw.

In het Revi (Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen) is een tabel opgenomen met kenmerken van ammoniak warmtepompen c.q. koelinstallaties met bijbehorende veiligheidsafstanden. De warmtepompcentrale is beoordeeld in het licht van deze tabellen in het Bevi/Revi. Deze beoordeling is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. In de desbetreffende memo is deze beoordeling opgenomen. Het doel is om op basis van de kenmerken van deze warmtepompcentrale als eerste te beoordelen of deze installaties vallen onder het Bevi/Revi en indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, een veiligheidsafstand uit deze Bevi/Revi tabellen af te leiden.

Onderzoek Bij het opstellen van de genoemde memo is eerst onderzocht of het Bevi/Revi van toepassing is. bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 24

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft In artikel 2.1.g van het Bevi is genoemd welke ammoniakkoelinstallaties onder het Bevi vallen: “een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is met een inhoud van meer dan 1.500 kg ammoniak, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d,”

In dit geval is per warmtepomp maximaal 300 kg ammoniak aanwezig. In de tabellen 6 en 7 van het Revi is ook te lezen dat de tabellen met veiligheidsafstanden zijn ingericht rond het begrip installatie. De hoeveelheid ammoniak die in een installatie aanwezig is, is het vertrekpunt om te beoordelen of het Bevi van toepassing is2 . In dit geval is per installatie niet meer dan 300 kg aanwezig. Voorgaande houdt in dat het Bevi niet van toepassing is op deze warmtepompinstallaties. Het totaal van alle ammoniak voerende installaties in deze warmtepompcentrale bedraag 12 x 300 =3.600 kg ammoniak3 . Geconcludeerd wordt daarom dat op deze warmtepompen geen veiligheidsafstanden van toepassing zijn.

Aanvullend Omdat er op basis van het Bevi geen veiligheidsafstanden van toepassing zijn is er wat dit betreft geen sprake van het toevoegen van een risicobron die van belang is voor het bestemmingsplan. Andersom geldt daarom ook dat er geen sprake is van aanwezigheid (noch van toevoegen) van een (beperkt) kwetsbaar object binnen een dergelijke veiligheidsafstand.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Geluid

Voor dit project zijn een viertal akoestische onderzoeken uitgevoerd te weten: 1. Akoestisch onderzoek Realisatiefase warmtepompcentrale op het terrein TU Delft (zie hiervoor Bijlage 6 bij deze toelichting); 2. Akoestisch onderzoek warmtepompcentrale op het terrein TU Delft (zie hiervoor Bijlage 7 bij deze toelichting); 3. Akoestisch onderzoek BLVC (zie hiervoor Bijlage 8 bij deze toelichting). De drie afzonderlijke onderzoeken zijn hierna beschreven.

Realisatiefase Bij de realisatie van de WPC zal er gebruik worden gemaakt van verschillende werktuigen die een geluidemissie hebben. De geluidemissie afkomstig van het in te zetten materieel van de realisatiefase van de WPC, is in dit onderzoek getoetst aan het Bouwbesluit 2012.

Conclusie realisatiefase Tijdens de realisatiefase zullen er geluidbelastingen hoger dan 60 dB(A) ontstaan op de geluidgevoelige objecten rondom de werklocatie. Bij deze gebouwen zal de normering van de maximale blootstellingsduur niet worden overschreden. De werkzaamheden zoals voorgesteld kunnen derhalve met het oog op bouwlawaai van de realisatiefase zonder ontheffing kunnen worden uitgevoerd.

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 25

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft Gebruiksfase Bij het gebruik van de WPC zal er een bepaalde geluidemissie ontstaan door pompen en randapparatuur van de centrale. De activiteiten van de WPC tijdens de representatieve bedrijfssituatie zijn in onderhavig onderzoek getoetst aan het Activiteitenbesluit/de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening en aan het beoordelingskader van de Handreiking bedrijven en Milieuzonering (VNG) voor de Wet ruimtelijke ordening.

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) Onder representatieve bedrijfsomstandigheden bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) op de gevels van de bestaande nabij liggende geluidgevoelige objecten ten hoogste 58 dB(A) in de dag- avond- en nachtperiode. Met deze geluidbelastingen ontstaan er overschrijdingen van het toetsingskader van stap 3 van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering en het Activiteitenbesluit. Indien de geluidreducerende maatregelen worden getroffen zoals genoemd in paragraaf 4.4Akoestisch onderzoek warmtepompcentrale kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Op alle geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) en 45 dB(A) van stap 2 van de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit voor respectievelijk de dag- en avondperiode; Bij Gebouwen 34A, 34B, 34C, 34D, 34-09 en 142 kan niet aan de grenswaarde van 40 dB(A) voor de nachtperiode worden voldaan.

bestemmingsplan "Warmtepompcentrale Delft" (vastgesteld) 26

bestemmingsplan Warmtepompcentrale Delft

Figuur 4.1: Onderverdeling gebouwen 34 conform systematiek TU Delft (voorgenomen locatie WPC indicatief toegevoegd met rode cirkel)

Aangezien de overschrijdingen van stap 2 alleen van toepassing zijn op onderwijsgebouwen, kan er beargumenteerd worden dat de overschrijdingen in de nachtperiode niet relevant zijn. Om kosten te besparen zal in samenspraak met TU Delft een overeenkomst kunnen worden gemaakt zodat er tijdens de dag- en avondperiode wel wordt voldaan aan ten hoogste stap 2, maar dat er in de nachtperiode een overschrijding ontstaat van enkele dB’s. Om ook de overschrijdingen in de nachtperiode weg te nemen, zijn verdergaande maatregelen noodzakelijk. Een uitwerking van deze maatregelen is weergegeven in Bijlage 7. Deze extra maatregelen en daarbij behorende kosten wegen niet op ten opzichte van de overschrijding in de nachtperiode op onderwijsinstellingen die in deze periode inactief zijn. Dit lijkt ons inziens voldoende grond voor de gemeente om hiervoor een maatwerkbesluit te verlenen. Dit is tevens in overeenstemming met artikel 1.6, lid 1 van het Besluit geluidhinder, die stelt dat geluidbelastingen op onderwijsgebouwen niet beschouwd hoeven te worden in de inactieve periodes. Voorgesteld wordt om de hogere waarden in de nachtperiode middels maatwerkvoorschriften toe te staan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13453054/1