Voorstel van het college aan de raad inzake Maatregelverordening Participatiewet 2021
Tekst van het document
Beheersing van de Nederlandse taal
Eerste lid In artikel 18b van de wet is opgenomen dat een voldoende beheersing van de Nederlandse taal voorwaarde is voor het krijgen van een uitkering. Die taalvaardigheid is immers noodzakelijk om arbeid te verkrijgen. Is de beheersing van de Nederlandse taal naar het oordeel van de gemeente onvoldoende, dan kan de verplichting worden opgelegd om zieh in te spannen om de Nederlandse taal te leren. In de wet zijn hiervoor termijnen genoemd. Tweede lid Om te beoordelen of de Nederlandse taal voldoende wordt beheerst kan de gemeente een toets afnemen. De belanghebbende kan dit echter oak aantonen door bepaalde documenten te overleggen, zoals schooldiploma's of een inburgeringsdiploma. Derde lid Van de belanghebbende worden voldoende inspanningen verwacht om aan deze verplichting te voldoen. Zijn deze inspanningen naar het oordeel van de gemeente onvoldoende, dan moet de gemeente volgens de wet een maatregel opleggen.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Vierde lid Hoe hoog die maatregel is en voor hoe lang de maatregel wordt opgelegd staat ook in de wet. De gemeente volgt hierbij de wet. Hoofdstuk 4
Overige gedragingen die leiden tot een maatregel
Artikel 12
Ongenoegzaam beset van verantwoordelijkheid
Als een belanghebbende een uitkering aanvraagt moet duidelijk zijn dat hij voldoende verantwoordelijkheidsbesef toont. Maar ook voordat een uitkering wordt aangevraagd, moet iemand voldoende verantwoordelijkheidsbesef hebben getoond. Dat iemand onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef heeft getoond, kan onder meer blijken uit: a. Het verwijtbaar verliezen of weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid; b. Het door eigen schuld geen recht (meer) hebben op een voorliggende voorziening, zoals een andere uitkering; c. Het verwijtbaar verliezen, niet behouden of niet verkrijgen van inkomsten, zoals het eisen van de maximale alimentatie; d. Het onverantwoordelijk omgaan met vermogen (spaargeld of andere waardevolle bezittingen ). Als een belanghebbende onvoldoende besef toont van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de kosten van bestaan, door maximaal één jaar voorafgaand aan de melding voor de aanvraag om een bijstandsuitkering onverantwoord te handelen, en daardoor de kosten van zijn bestaan afwendt op de bijstand (en daarmee de samenleving), dan is er sprake van maatregelwaardig gedrag. Een maatregel kan in deze gevallen direct vanaf de ingangsdatum van de uitkering worden opgelegd.
Tweede lid Doet de belanghebbende door een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, eerder een beroep op bijstand, dan wordt een maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand. De belanghebbende doet dan immers eerder dan nodig een beroep op de bijstand. Als de belanghebbende zieh binnen een periode van 12 maanden na de bekendmaking van het maatregelbesluit opnieuw schuldig maakt aan een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, dan wordt een zwaardere maatregel opgelegd. Derde lid De fraudewet verplicht gemeenten en veel andere uitvoeringsorganisaties bij fraude een bestuurlijke boete op te leggen. AIs de belanghebbende als gevolg van een opgelegde boete onvoldoende geld heeft en om die reden een beroep doet op bijstand, wordt dit ook aangemerkt als ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. Ook in deze gevallen wordt een maatregel opgelegd van 50% gedurende één maand. Vierde en vijfde lid In sommige gevallen weet iemand met spaargeld of andere waardevolle bezittingen dat hij in de nabije toekomst een beroep zal moeten doen op de bijstand. Belanghebbende moet dit zo lang mogelijk uitstellen. De gemeente hanteert hiervoor bepaalde regels.
Maakt de belanghebbende zijn geld toch eerder op, en is dit naar het oordeel van de gemeente op een onverantwoorde manier gebeurd, dan legt de gemeente een maatregel op. De hoogte van de maatregel is gebaseerd op het bedrag dat de belanghebbende naar het oordeel van de gemeente te snel heeft ingeteerd. Maatregelverordening Participatiewet 2021
Zesde lid Ook bij deze maatregel geldt een recidivebepaling. Als de belanghebbende binnen een periode van 12 maanden na de bekendmaking van het maatregelbesluit opnieuw onverantwoordelijk omgaat met vermogen, dan wordt een zwaardere maatregel opgelegd.
Artikel 13
lnburgeringsplicht
Soms is een belanghebbende volgens de wet niet-inburgeringsplichtig, maar inburgeringsbehoeftig. Oat betekent dat een belanghebbende niet verplicht is om in te burgeren. Is iemand niet-inburgeringsplichtig, maar inburgeringsbehoeftig, en zijn hier duidelijke afspraken over gemaakt in het re-integratieplan, dan is de belanghebbende toch verplicht zieh aan de afspraken te houden. Houdt hij zieh daar niet aan? Dan krijgt hij een maatregel opgelegd. Om rechtsongelijkheid te voorkomen wordt met deze verordening de op te leggen maatregel net zo hoog als de boete die wordt opgelegd aan mensen die inburgeringsplichtig zijn, maar geen uitkering ontvangen. De maatregel is in dit geval geen percentage van de uitkering, maar een vast bedrag. De hoogte van de boete regelt de gemeente in een andere verordening. Artikel 14
Bijzondere verplichting op grond van artikel 57 Participatiewet
In artikel 57 van de wet staat dat wanneer een belanghebbende een uitkering ontvangt, de gemeente hem kan verplichten er aan mee te werken dat de gemeente bepaalde betalingen namens hem doet (bijvoorbeeld voor de vaste lasten) als de gemeente denkt dat hij dat zelf niet kan. Weigert de belanghebbende mee te werken, dan kan de gemeente een maatregel opleggen. De hoogte van de maatregel is 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand. In het tweede lid van dit artikel staat een bepaling voor het geval de belanghebbende binnen 12 maanden na het eerdere maatregelbesluit weer niet meewerkt. Artikel 15
Zeer ernstige misdragingen
Eerste lid De gemeente verstaat onder zeer ernstige misdragingen diverse soorten agressief gedrag. Het moet gaan om verwijtbaar gedrag of opzet, en gedrag dat normaal gesproken als onacceptabel gezien wordt. De gemeente kan een maatregel opleggen, als er een verband is tussen het ernstige gedrag en eventuele belemmering bij het uitvoeren van de wet. Daarom staat in dit artikel dat het zeer ernstige gedrag rechtstreeks verband moeten houden met de uitvoering van de wet. Artikel 9, zesde lid, van de wet heeft het over 'het zich onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van de wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden'. Stelt de gemeente een maatregel vast wanneer een belanghebbende of een van zijn gezinsleden zieh ernstig heeft misdragen? Dan moet zij daarbij rekening houden met de ernst van de gedraging.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Voor het vaststellen van de ernst van het gedrag is een indeling gemaakt, waarbij 1 het minst ernstig is en 6 het ernstigst: 1. Verbaal geweld (scheiden); 2. Discriminatie; 3. lntimidatie (uitoefenen van psychische druk, dreigen); 4. Zaakgericht fysiek geweld (vernielingen, kapot maken van spullen); 5. Mensgericht fysiek geweld (slaan, schoppen); 6. Een combinatie van deze agressievormen. Om te zien hoe verwijtbaar het gedrag is, kijkt de gemeente naar de omstandigheden op het moment van het gedrag. Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen 'instrumenteel geweld' en 'frustratiegeweld'. lnstrumenteel geweld is wanneer een belanghebbende het geweld met opzet gebruikt om een bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld een uitkering ontvangen. Frustratiegeweld is geweld dat een belanghebbende gebruikt door anmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke. De mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld is groter is dan bij frustratiegeweld. Het opleggen van een maatregel staat los van het doen van aangifte bij de politie. De gemeente legt een maatregel op en de functionaris tegen wie de agressie zieh richtte, kan aangifte doen bij de politie. Het opleggen van een maatregel in deze situaties kan samengaan met een toegangsverbod voor gebouwen van de gemeente. De maatregel bedraagt in deze gevallen ten minste 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand.
Tweede en derde lid In het tweede en derde lid staat welke maatregel een belanghebbende krijgt wanneer hij zieh binnen twaalf maanden na bekendmaking van het eerdere maatregelbesluit opnieuw ernstig misdraagt. Hoofdstuk 5
Handhavingsbeleid
Artikel 16
Handhavingsbeleid
In artikel 8 van de wet staat dat de gemeenteraad verplicht is om in een verordening regels vast te stellen om te voorkomen dat een belanghebbende of gezin ten onrechte bijstand ontvangt. Dit kan met een aparte verordening. De gemeenteraad van Delft heeft deze regels opgenomen in deze maatregelenverordening, omdat die ook al over maatregelen bij fraude spreekt. In de verordening staat dat de gemeente bij fraude het totale benadelingsbedrag opeist van een belanghebbende. Daarnaast moet de fraudeur een boete betalen. Het vierde en vijfde lid gaan over eventueel nieuw beleid en nieuwe regels. In de toekomst kan de gemeente bij fraudevorderingen rente en kosten berekenen. Een fraudevordering is geld dat een belanghebbende moet terugbetalen omdat hij ten onrechte bijstand heeft ontvangen. De gemeente zal hier later regels voor opstellen. Artikel 17 en 18
Maatregelverordening Participatiewet 2021
In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente (of een ambtenaar die daarvoor een mandaat heeft) een afwijkend besluit nemen. Artikel 19
Overgangsrecht
Deze maatregelverordening is anders dan de vorige. Bijvoorbeeld de hoogte van de maatregel. Voor een aantal gedragingen is de zwaarte van de maatregel aangepast. Daarom moet de gemeente goed bekijken welke regel van toepassing is. Bovendien moet zij verwarring proberen te voorkomen. Het moment van verwijtbaar gedrag is leidend bij de vraag welke regels van toepassing zijn. Als een maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze verordening, dan gelden de regels van de oude verordening. Als een maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze verordening en daarop beslist wordt nadat deze verordening in werking is getreden, wordt het meest gunstige maatregelenregime toegepast.
Artikel 20 en 21 Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.
Maatregelverordening Participatiewet 2021