Voorstel van het college aan de raad inzake Maatregelverordening Participatiewet 2021
Tekst van het document
tt
Gemeente Delft Raadsvoorstel Aan de gemeenteraad Van Datum Pfh. Steller tel.nr. e-mail Programma Registratie nr. BBV Griffienr.
: College van B&W : 02-03-2021 : S. Brandligt : E. Voeten : 0624208938 : evoeten@delft.nl : Werk en Economische Zaken : 4490797 : 4490798 : 2109163
Onderwerp
: Maatregelverordening Participatiewet 2021
nr.
Gevraagde beslissing: De raad wordt voorgesteld: 1 In te stemmen met de Maatregelverordening Participatiewet 2021 onder gelijktijdige intrekking van de Maatregelverordening Participatiewet 2015. Samenvatting De huidige Maatregelenverordening Participatiewet sluit onvoldoende aan bij de actuele ideeën over een effectief maatregelenbeleid. Het rapport 'Weten is nog geen doen' van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) uit 2017 geeft aan dat een strak maatregelenbeleid vaak leidt tot meer stress, meer verkeerde keuzes en daardoor meer problemen. Om die reden kent de nieuwe maatregelverordening de volgende aanpassingen: • De hoogte van de maatregelen wordt verlaagd. • De mogelijkheid van een waarschuwing in plaats van een maatregel is nieuw in de verordening opgenomen. • De verplichting om betrokkene te horen over een gedraging is versterkt. De regel wordt altijd horen. Er zijn verschillende manieren waarop dat kan (mondeling, schriftelijk, mail, etc.). 1. Aanleiding De huidige Maatregelverordening sluit niet meer aan bij de actuele ideeën over een effectief maatregelbeleid. 2. Bevoegdheid In artikel 8 eerste lid onder a Participatiewet staat dat de gemeenteraad een verordening moet vaststellen over het verlagen van de bijstand en de periode van verlaging van de bijstand. 3.
Historie/ relatie met eerdere besluiten/ proces In de raadsvergadering van 27 november 2014 is de Maatregelverordening Participatiewet 2015 vastgesteld. 4. Wat willen we bereiken? (Beoogd effect) Met dit voorstel wordt een nieuwe Maatregelverordening Participatiewet vastgesteld die is aangepast aan de gewijzigde (rijks)regelgeving en geheel up-to-date is. 5.
Wat gaan we daarvoor doen? (Oplossingsrichtingen / kanttekeningen)
Maatregelverordening Participatiewet 2021
De Maatregelverordening Participatiewet 2021 vaststellen, en de oude verordening uit 2015 intrekken. 6. Wat mag het kosten? (Financiële paragraaf) Er zijn geen financiêle consequenties. 7. Communicatie De toelichting op de verordening is geschreven op B1 niveau zodat de verordening voor de inwoners meer toegankelijk is. De verordening (inclusief de toelichting) zal via de gebruikelijke kanalen aan de inwoners worden bekendgemaakt. 8.
Verdere procedure
Bijlagen: concept Raadsbesluit
Hoogachtend,
g·
1// HÍcollege_ v?~ burgemeester en wethouders van Delft,
/
/
JM. van Bijsterveldt-Vliegenthart,
·
I
"l" der
burgemeester
•
/2.A
i-
tir MM. an Kraan,
Maatregelverordening Participatiewet 2021
secreta ris
Raadsbesluit
Datum Registratie nr. BBV nr. Griffienr.
: 11 mei 2021 : 4490797 : 4490798 : 2109163
Maatregelverordening Participatiewet 2021 De Raad van de gemeente Delft; Heeft het voorstel gelezen van het college van burgemeester en wethouders van Delft van 2 maart 2021; Houdt rekening met artikel 8, aanhef en het eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; Op basis hiervan besluit de Raad: De Maatregelverordening Participatiewet 2021 vast te stellen, en Tegelijk in te trekken de Maatregelenverordening Participatiewet 2015, Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1
Begripsomschrijving
AIie begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet. Deze verordening verstaat onder: a. De wet: de Participatiewet. b. Het college: het college van burgemeester en wethouders van Delft. c. Algemene bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet. d. Bijzondere bijstand: de bijstand zoals deze bedoeld is in de artikelen 12, 35 en 36 van de wet. e. Bijstand: algemene en bijzondere bijstand. f. Bijstandsnorm: de uitkeringsnorm zoals deze is bedoeld in artikel 5, onderdeel e, van de wet. g. Uitkering: de algemene bijstand die wordt verstrekt op grond van de wet. h. Individue/e inkomenstoeslag: de toeslag zoals deze wordt bedoeld in artikel 36 van de wet. i. Maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede, vijfde, zesde zevende en achtste lid, van de wet. j. Sociale activering: het doen van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten die zijn gericht op deelname op de arbeidsmarkt (arbeidsinschakeling). k. Tegenprestatie: het in opdracht van het college doen van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten die niet gericht zijn op deelname op de arbeidsmarkt, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet. I.
Activeringsperiode: de periode van maximaal 4 weken na de melding voor een aanvraag om bijstand waarbij het college een aantal specifieke verplichtingen oplegt gericht op een zo snel mogelijke werkaanvaarding en/of het bevorderen van de participatie. Voor bijstandsaanvragers tot 27 jaar is dit geregeld in artikel 43, vierde lid, van de wet.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
m. Geüniformeerde verplichtingen: de verplichtingen genoemd in artikel 18, vie rd e lid, van de wet. n. Niet- geüniformeerde verplichtingen: alle verplichtingen die aan de belanghebbende worden opgelegd met uitzondering van de geüniformeerde verplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de wet). o. Belanghebbende: de persoon die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door het maatregelbesluit. p. Recidive: Het zieh opnieuw schuldig maken aan een maatregelwaardige gedraging zoals bedoeld in de artikelen 9 tot en met 15 van deze verordening, binnen 12 maanden na de bekendmaking van het besluit tot oplegging van een maatregel naar aanleiding van een eerdere maatregelwaardige gedraging. Artikel 2 1. 2.
3.
4.
5.
6.
Het opleggen van een maatregel
Het college legt een maatregel op als de belanghebbende volgens het college onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef toont om zelfstandig in het bestaan te voorzien. Daarnaast legt het college een maatregel op als de belanghebbende niet of onvoldoende zijn verplichtingen nakomt die voortvloeien uit de wet, met uitzondering van de verplichtingen genoemd in artikel 17, eerste lid, van de wet. Het college legt ook een maatregel op indien de belanghebbende zieh ernstig misdraagt tegen het college of de met de uitvoering van de wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Indien de belanghebbende zieh al eerder schuldig heeft gemaakt aan maatregelwaardige gedragingen wordt bij de bepaling van de zwaarte van de maatregel hiermee rekening gehouden. Het college stemt, indien er door bijzondere omstandigheden dringende redenen zijn, de· maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en zijn mogelijkheden middelen te verkrijgen. Voor de niet-geüniformeerde verplichtingen houdt het college voor de vaststelling van de maatregel ook rekening met de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten.
Artikel 3
Maatregel opleggen en berekenen
De maatregel wordt opgelegd voor een bepaalde tijd, als percentage van de maandelijks verstrekte bijstandsnorm. 2. De maatregel gaat in na het moment dat deze is opgelegd. Dit geldt ook indien overeenkomstig deze verordening de maatregel met terugwerkende kracht wordt opgelegd. 3. De maatregel bestaat uit een karting op de algemene bijstand. De basis voor de maatregel is de bijstandsnorm die geldt in de periode waarover de maatregel wordt opgelegd. 4. Als het niet mogelijk is de maatregel toe te passen op de algemene bijstand, kan het college besluiten de verstrekte of de te verstrekken bijzondere bijstand te verlagen voor zover deze op grand van artikel 12 of 36 van de wet is/wordt verleend. 1.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Artikel 4
Besluit tot het opleggen vaneen maatregel
Als het college een maatregel oplegt, ontvangt de belanghebbende een schriftelijk besluit. Daarin staat, voor zover dat van toepassing is: a. De reden van de maatregel; b. De duur van de maatregel; c. De periode waarover de maatregel wordt opgelegd; d. Het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; e. Het bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd, op basis van de bijstandsnorm of het te snel ingeteerde bedrag; f. De reden waarom het besluit afwijkt van de standaardmaatregel. Artikel 5
De belanghebbende horen
1.Voordat het college een maatregel oplegt, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar varen te brengen. 2.Het college hoeft de belanghebbende niet de gelegenheid te geven gehoord te worden, als: a. De belanghebbende al eerder de kans heeft gekregen om zijn zienswijze naar varen te brengen en zieh sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; b. De belanghebbende zieh ernstig heeft misdragen zoals bedoeld in artikel 15 van deze verordening 3.lndien de belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze naar varen te brengen en hij heeft niet gereageerd, dan zal het college alsnog overeenkomstig deze verordening een maatregel opleggen. Artikel 6
Maatregel toch niet opleggen
1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel, als: a. Elke vorm van verwijtbaarheid redelijkerwijs ontbreekt; b. De gedraging plaatsvond meer dan 12 maanden voordat deze is geconstateerd; c. Achteraf blijkt dater geen sprake was van maatregelwaardig gedrag. 2.Als het college afziet van het opleggen van een maatregel, kan de belanghebbende daarvan schriftelijk op de hoogte worden gesteld. 3.Het college kan een maatregel matigen, als het daarvoor dringende redenen heeft. 4.Als het college een maatregel matigt op grand van dringende redenen, krijgt de belanghebbende daarvan schriftelijk bericht. 5.Een besluit om een maatregel te matigen wordt gelijkgesteld met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd en telt dus wel mee bij het beoordelen van recidive. Artikel 7
Hoe de maatregel wordt opgelegd
1.Tenzij in deze verordening anders is bepaald, wordt de maatregel opgelegd vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop het maatregelbesluit aan de belanghebbende kenbaar is gemaakt. Tenzij anders is bepaald wordt daarbij uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. Als over de periode aleen maatregel wordt toegepast, wordt de maatregel aansluitend aan deze periode opgelegd. 2.Als de maatregel op grand van artikel 3, vierde lid, van deze verordening wordt opgelegd op de bijzondere bijstand die de belanghebbende op grand van artikel 12 of artikel 36 van de wet ontvangt, dan is de maatregel qua duur en qua hoogte gelijk aan de maatregel die wordt opgelegd op de algemene bijstand. Maatregelverordening Participatiewet 2021
3.Als tijdens de aanvraagprocedure blijkt dat de bijstandsbehoefte is ontstaan door een gedraging zoals bedoeld in artikel 12 van deze verordening, dan wordt de maatregel in afwijking van het eerste lid opgelegd vanaf de ingangsdatum van de uitkering. 4.Een maatregel die wegens het sehenden van de niet-geüniformeerde verplichtingen voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking heroverwogen. 5.ln die gevallen waarin een maatregel niet volledig kan worden uitgevoerd omdat de hoogte van de uitkering onvoldoende is, kan het bedrag van de maatregel verdeeld worden over meer maanden. 6.Kan een maatregel, ondanks het bepaalde in zesde lid, niet volledig worden uitgevoerd, omdat de uitkering wordt beëindigd? Dan wordt deze alsnog uitgevoerd, als de belanghebbende binnen een periode van één jaar opnieuw een uitkering ontvangt. Artikel 8
Samenloop van gedragingen
Maakt een belanghebbende zieh tegelijkertijd schuldig aan verschillende gedragingen en komt hij daardoor zijn verplichtingen niet na? Dan bepaalt het college de hoogte en duur van de maatregel op basis van de gedraging waarvoor de zwaarste maatregel geldt. Hoofdstuk 2 De niet-geüniformeerde verplichtingen Artikel 9 Het niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en tegenprestatie Gedragingen van de belanghebbende: a. Die ertoe leiden dat algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen, behouden of dat algemeen geaccepteerde arbeid wordt verloren, voor zover deze gedraging niet hoort tot de geüniformeerde verplichtingen; of, b. Die ertoe leiden dat verplichtingen die op grand van artikel 9, 9a en 55 van de wet niet worden nagekomen; worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1. Eerste categorie a. Het zieh niet of niet tijdig als werkzoekende registreren bij het UWV-Werkbedrijf of het niet tijdig verlengen van deze registratie; b. Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheid van arbeidsinschakeling; c. Het zieh niet houden aan de vastgestelde termijnen en procedures voor ziek- en betermeldingen, als de belanghebbende moet deelnemen aan re-integratieactiviteiten of op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd moet verschijnen vanwege de uitvoering van de wet; d.
Het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een Plan van Aanpak zoals dit is bedoeld in artikel 44a van de wet; e. Het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een Trajectplan of re-integratieovereenkomst zoals deze is overeengekomen, gericht op de re-integratie van de belanghebbende; f. Het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 van de wet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende 4 weken na de melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de wet; g. Het onvoldoende naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover deze verplichting niet behaart tot de geüniformeerde verplichtingen; Maatregelverordening Participatiewet 2021
h. i.
j. k.
I.
Het in onvoldoende mate of niet behoorlijk meewerken aan het verrichten van een tegenprestatie zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de wet; Het niet, dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep van het college of een door het college aangewezen bedrijf of instantie die belast is met de uitvoering van deze wet om in verband met de arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen; Het uit houding en gedrag laten blijken dat de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet onvoldoende worden nagekomen; Het niet of in onvoldoende mate nakomen van een bijzondere verplichting zoals bedoeld in artikel 55 van de wet, zoals het zieh niet onderwerpen aan een door een arts geadviseerde noodzakelijke medische behandeling; Het onvoldoende nakomen van de verplichtingen, opgelegd door het college gedurende de activeringsperiode.
2. Tweede categorie a. Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit voortvloeit uit een niet-geüniformeerde verplichting; b. Het niet meewerken aan het verrichten vaneen tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de wet. c. Het geheel niet nakomen van de verplichtingen, opgelegd door het college gedurende de activeringsperiode. d. Het niet door de belanghebbende, jonger dan 27 jaar, deelnemen aan het regulier onderwijs zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel e end, van de wet. Artikel 1 O Hoogte en duur van de maatregel bij het sehenden van de niet geüniformeerde verplichtingen 1.De maatregel bij gedragingen als bedoeld in artikel 9 van deze verordening wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie. 2.ln afwijking van het eerste lid volstaat het college, als er sprake is vaneen gedraging zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder i, van deze verordening, met een schriftelijke waarschuwing, tenzij deze maatregelwaardige gedraging plaatsvindt binnen 2 jaar na dagtekening van de beschikking waarmee een eerdere schriftelijke waarschuwing is gegeven.
Het geven van een schriftelijke waarschuwing wordt niet gelijkgesteld met een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd. 3.Als de belanghebbende zieh binnen een periode van 12 maanden na de bekendmaking van een maatregelbesluit opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie dan wordt de maatregel als volgt vastgesteld: a. Eerste categorie: bij de eerste recidive 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Bij een tweede recidive binnen 12 maanden na het laatste maatregelbesluit 50% gedurende één maand. Bij een derde of volgende recidive binnen 12 maanden na het laatste besi u it is dit 100% gedurende één maand. b. Tweede categorie: Bij de eerste recidive 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Bij de tweede en volgende recidive 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Hoofdstuk 3 De geüniformeerde verplichtingen Artikel 11 Het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling 1.ln artikel 18, vierde lid, van de wet zijn de zgn. geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Dit zijn: a. Het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; b. Het uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau; c. Het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere gemeente dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die gemeente te verhuizen; d. Bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; e. Bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dater geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan; f. Het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; g.
Het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag; h. Het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. 1. Overeenkomstig artikel 18, vijfde lid, van de wet verlaagt het college de uitkering met 100% gedurende één maand, indien de belanghebbende één van de in het eerste lid genoemde verplichtingen niet nakomt. In beginsel wordt deze maatregel in één keer opgelegd, tenzij er naar het oordeel van het college redenen zijn, overeenkomstig artikel 18, vijfde lid, van de wet, deze maatregel over een periode van maximaal drie maanden te spreiden. 2. Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van een besluit zoals bedoeld in het tweed e lid, bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. 3. Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van het besluit, waarbij het college gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid zoals beschreven in het derde lid, bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden. 4.
Bij elke volgende recidive binnen een periode van 12 maanden na de bekendmaking van het laatste maatregelbesluit bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden. 5. Het college kan op verzoek van de belanghebbende een maatregel die wordt opgelegd wegens het sehenden van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, tijdens de periode waarop de verlaging van toepassing is, herzien, indien uit houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt dat de belanghebbende de geüniformeerde verplichtingen nakomt. 6. De minimale duur van de maatregel wegens het sehenden vaneen geüniformeerde verplichting is één maand. Herziening zoals bedoeld in het zesde lid is daarom uitsluitend mogelijk als deze maatregel is opgelegd voor een periode langer dan één maand. Maatregelverordening Participatiewet 2021
Artikel 11a
Beheersing van de Nederlandse taal
1.0m in aanmerking te kamen voor een bijstandsuitkering moet de belanghebbende de Nederlandse taal in voldoende mate beheersen om algemeen geaccepteerde arbeid naar vermogen te kunnen verkrijgen, aanvaarden en behouden. Is de belanghebbende de taal onvoldoende machtig dan legt het college hem de verplichting op om zieh in te spannen om de Nederlandse taal te verwerven. 2.Om te kunnen vaststellen of de belanghebbende de Nederlandse taal voldoende beheerst moet hij meewerken aan een toets, dan wel documenten overleggen waaruit de voldoende beheersing blijkt. 3.Heeft het college de verplichting opgelegd om de Nederlandse taal te verwerven en zijn de inspanningen van de belanghebbende onvoldoende, dan legt het college een maatregel op. 4.De hoogte en de duur van de maatregel staan in de wet (artikel 18b, lid 9 tot en met 11). Het college volgt hierbij de bepalingen in de wet. Hoofdstuk 4
Overige gedragingen die leiden tot een maatregel
Artikel 12
Ongenoegzaam beset van verantwoordelijkheid
1.lndien een belanghebbende in de periode van maximaal één jaar voorafgaand aan de melding voor de aanvraag om een bijstandsuitkering, een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond en mede als gevolg van deze gedraging een beroep op bijstand wordt gedaan, wordt bij de volgende gedragingen een maatregel opgelegd: a. Het verwijtbaar verliezen of weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid; b. Het door eigen schuld of toedoen geen recht (meer) hebben op een voorliggende voorziening; c. Het verwijtbaar verliezen, niet behouden of niet verkrijgen van inkomsten; d. Het te snel interen van vermogen. 2. De maatregel bedraagt 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand indien er sprake is van een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met c. Indien de belanghebbende zieh binnen een periode van 12 maanden na de bekendmaking van het maatregelbesluit opnieuw schuldig maakt aan een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, dan wordt een maatregel opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. 3.
Indien een voorliggende voorziening wegens verrekening van een bestuurlijke boete in verband met een schending van de inlichtingenplicht niet tot uitbetaling komt, wordt dit als ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid aangemerkt en wordt een maatregel opgelegd van 50% gedurende één maand. 4. Is er sprake van een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, dan wordt de maatregel afgestemd op het bedrag dat naar het oordeel van het college te snel is ingeteerd. 5. De maatregel als bedoeld in het vierde lid wordt op de volgende wijze vastgesteld: a. Bij een te snel ingeteerd bedrag tot € 1.000,-: 20% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden; b. Bij een te snel ingeteerd bedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden; c. Bij een te snel ingeteerd bedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden; d. Bij een te snel ingeteerd bedrag van € 4.000,- tot € 10.000,-: 50% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden; en
Maatregelverordening Participatiewet 2021
e. Bij een te snel ingeteerd bed rag van€ 10.000,- of meer 50% van de bijstandsnorm gedurende twaalf maanden. In het geval dat een belanghebbende zieh binnen een periode van twaalf maanden na de bekendmaking van een eerder maatregelbesluit opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, dan wordt de duur van de maatregel verdubbeld. Artikel 13
lnburgeringsplicht
In die gevallen dat er met de belanghebbende afspraken zijn gemaakt met betrekking tot diens inburgeringsplicht en die afspraken onderdeel zijn van een re-integratietraject binnen de wet, dan wordt in die gevallen dat de belanghebbende zieh niet houdt aan deze afspraken een maatregel opgelegd die net zo hoog is als de bestuurlijke boete die de belanghebbende om dezelfde reden krijgt opgelegd die geen uitkering van de gemeente ontvangt. Deze boete is geregeld in de Verordening lnburgering. Artikel 14
Bijzondere verplichtingen op grond van artikel 57 van de wet
1.Het college kan aan de bijstand de verplichting verbinden dat de belanghebbende eraan meewerkt dat het college in naam van de belanghebbende noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand verricht. Indien de belanghebbende hier niet of niet voldoende aan meewerkt dan wordt een maatregel opgelegd van 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2.De duur van deze maatregel wordt verdubbeld indien de belanghebbende zieh binnen 12 maanden na de bekendmaking van het maatregelbesluit opnieuw schuldig maakt aan het sehenden van de verplichting genoemd in het eerste lid. Artikel 15 l.
2.
3.
Zeer ernstige misdragingen
Als een belanghebbende zieh zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, wordt een maatregel opgelegd van ten minste 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Indien de belanghebbende zieh binnen twaalf maanden na bekendmaking van het maatregelbesluit wegens een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid, opnieuw schuldig maakt aan een dergelijke gedraging, wordt een verlaging toegepast van ten minste 50% gedurende twee maanden. In die gevallen dat een belanghebbende zieh binnen een periode van twaalf maanden na bekendmaking van het maatregelbesluit wegens een gedraging zoals bedoeld in het tweede lid voor een derde of volgende keer schuldig maakt aan een dergelijke verwijtbare gedraging, wordt minimaal de laatst opgelegde maatregel verdubbeld. Daarbij wordt in eerste instantie de hoogte van de maatregel verdubbeld. Is dit niet mogelijk dan wordt de duur van de eerder opgelegde maatregel verdubbeld.
Hoofdstuk 5
Handhavingsbeleid
Artikel 16
Handhavingsbeleid
1.
Het college biedt periodiek, maar ten minste eenmaal per vier jaar, aan de gemeenteraad een handhavingsplan aan, met daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de te verwachten resultaten.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
2. 3.
Jaarlijks rapporteert het college hierover aan de gemeenteraad. Het bedrag dat ten onrechte is uitgekeerd, vermeerderd met: • Afgedragen premies en loonbelasting, • Plus eventueel uitgekeerde individuele inkomenstoeslagen, • Plus mogelijk verstrekte bijzondere bijstand, wordt volledig teruggevorderd of door een verlaging van de bijstandsnorm volledig geïncasseerd. 4. Het college kan besluiten rente en kosten in rekening te brengen. 5. Het college kan voor het handhavingsbeleid nadere regels stellen. Hoofdstuk 6 Artikel 17
Slotbepalingen Bevoegdheid college
In die gevallen waarin de verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 18
Hardheidsclausule
Door of namens het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing hiervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 19
Overgangsrecht
1. Voor zover een maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Maatregelenverordening Participatiewet 2015 toegepast. 2. Als een maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze verordening en daarop beslist wordt nadat deze verordening in werking is getreden, wordt het meest gunstige maatregelenregime toegepast. Artikel 20
lngangsdatum
1. Deze verordening gaat in op 1 juni 2021. 2. Op 1 juni 2021 vervalt de Maatregelenverordening Participatiewet 2015. Artikel 21
Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelverordening Participatiewet 2021. Ats v~stg steld in de openbare raadsvergadering van 11 mei 2021.
(U
rgemeester.
J.M. an Bijsterveldt-Vliegenthart
,griffier.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Algemeen Rechten en plichten in de Participatiewet De Participatiewet (hierna: wet) schrijft voor dat de gemeenteraad voor sommige onderwerpen zelf regels moet maken. En die regels moet zij vastleggen in een verordening. Zo moet de gemeenteraad bijvoorbeeld regels maken over wat zij van mensen die een uitkering ontvangen verwacht om weer aan het werk te gaan. En oak over water gebeurt als iemand zieh niet aan de regels houdt. Er wordt dan een maatregel opgelegd. Dit betekent dat de uitkering dan tijdelijk wordt verlaagd. Hoe en wanneer de gemeente dit doet staat in deze verordening. De gemeenteraad heeft het college van burgemeester en wethouders opgedragen om dit allemaal uit te voeren. Als iemand een uitkering ontvangt van de gemeente dan heeft hij oak verplichtingen. Het een gaat niet zonder het ander. Het recht op een uitkering is altijd verbanden aan de verplichting zieh in te zetten om zo snel mogelijk weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Belangrijk is dat voor iedereen duidelijk is wat de rechten en de verplichtingen zijn. En wat de gevolgen zijn als iemand zieh niet aan zijn verplichtingen houdt. In artikel 18, eerste lid, van de wet staat dat de gemeente, bij de verplichtingen die zij aan iemand oplegt, rekening moet houden met iemands omstandigheden, zijn mogelijkheden en middelen. Oat betekent dat het vaststellen van de verplichtingen maatwerk is.
De verplichtingen kunnen voor iedereen anders zijn. Als de gemeente van mening is dat iemand niet genoeg doet om de verplichtingen na te kamen dan wordt de uitkering verlaagd. In artikel 18, tweede lid, van de wet staat dat de gemeente dit moet doen. Maar soms kan iemand door omstandigheden niet voldoen aan zijn verplichting(en). De gemeente kan dan besluiten dat het gedrag niet verwijtbaar is. Als het gedrag niet verwijtbaar is, zal de gemeente geen maatregel opleggen. De gemeente zal oak geen maatregel opleggen als de verwijtbare gedraging van iemand al meer dan 12 maanden geleden plaatsvond. Hierboven is al geschreven dat de gemeente bij het opleggen van de verplichtingen rekening moet houden met de individuele omstandigheden van iemand. Bij het vaststellen van een verlaging van de uitkering moet de gemeente oak rekening houden met de individuele omstandigheden. De gemeente kan de maatregel dan lager vaststellen. Oat noemen we 'de maatregel matigen'. In deze verordening is oak geregeld dat de gemeente in geval van no-show eens per twee jaar kan volstaan met een farmele waarschuwing. Waarom deze nieuwe verordening? In de periode 2012 tot 2015 had de gemeente te weinig geld om de uitkeringen te betalen. Daarom kreeg zij van het ministerie extra geld, een zgn. Meerjarige Aanvullende Uitkering (MAU). Een voorwaarde was een strikte naleving van de regels.
Daarom had de gemeente een strenge maatregelverordening die consequent werd toegepast. De gemeente werd door het Rijk oak streng gecontroleerd op een juiste naleving van de voorwaarden.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
lnmiddels heeft de gemeente geen aanvullende uitkering meer en zijn de voorw aarden niet meer van toepassing. Verder heeft een rapport van de W etenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid geleid tot andere inzichten over mensen met een laag inkomen. Een laag inkomen geeft vaak stress en onzekerheid. Daardoor zijn de beslissingen die mensen met een laag inkomen nemen in andere ogen niet altijd even verstandig. Deze maatregelverordening is daarom minder streng dan de vorige verordening. Toch past ook deze verordening binnen de bedoeling van de overheid om mensen te activeren naar werk, of als dat niet mogelijk is, naar sociale activering. Onderscheid in verplichtingen De verplichtingen die de gemeente aan iemand met een uitkering kan opleggen, worden verdeeld in: De gemeentelijke verplichtingen: de niet-geünifo rmeerde arbeidsverplichtingen. De landelijke verplichtingen: de geünifo rmeerde arbeidsverplichtingen. De gemeentelijke verplichtingen: de niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen Een uitkering moet zo kort mogelijk duren. lemand moet zo snel mogelijk weer voor zichzelf zorgen. Daarvoor moet iemand zieh inspannen. De gemeente biedt hierbij hulp. W elke verplichtingen voor iemand gelden, is maatw erk. Oat is niet voor iedereen gelijk. Maar de gemeente vindt wel dat iemand zieh aan de opgelegde verplichtingen moet houden.
De belangrijkste verplichtingen zijn gericht op het weer verkrijgen van arbeid. W at die verplichtingen zijn staat in artikel 9 van de verordening. De niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen worden verdeeld in twee categorieën, gebaseerd op de ernst van de gedraging. Ook de hoogte van de maatregel is gebaseerd op de ernst van de gedraging. Bij een eerste maatregelwaardige gedraging van de eerste categorie geldt een maatregel van 10% gedurende één maand. Een eerste maatregelwaardige gedraging van de tw eede categorie wordt gezien als ernstiger gedrag. De maatregel is dan 50% geduren de één maand. De landelijke verplichtingen: de geüniformeerde arbeidsverplichtingen In de wet zijn in artikel 18, vierde lid, enkele aparte verplichtingen opgenomen. Die gelden altijd en voor iedereen. Deze noemen we de geünifo rmeerde arbeidsverplichtingen. Houdt men zieh hier niet aan dan moet de uitkering worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. Oat betekent dat iemand dan tijdelijk helemaal geen uitkering krijgt. Omdat dit zo in de wet staat moet de gemeente dit ook zo doen. Zij kan dan niet anders. In deze verordening is vastgelegd dat de duur van de verlaging bij een eerste overtreding één maand is. Bij de geünifo rmeerde arbeidsverplichtingen kan de maatregel alleen worden herzien als iemand hierom vraagt tijdens de periode waarop de verlaging ziet. Recidive
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Heeft de gemeente een maatregel opgelegd maar iemand gaat door met het maatregelwaardige gedrag, dan noemen we dat recidive. Als iemand zieh binnen één jaar nog een keer maatregelwaardig gedraagt, dan zal de gemeente opnieuw een maatregel opleggen. Deze maatregel is dan wel zwaarder dan de eerste maatregel. Is de eerste maatregel door de gemeente gematigd, dan telt de gedraging/de gematigde maatregel wel mee voor eventuele recidive. Als de gemeente geen maatregel heeft opgelegd, bijvoorbeeld als de gedraging niet verwijtbaar was, dan telt de gedraging niet mee voor eventuele recidive. Maatregel is bedoeld om gedrag te veranderen De maatregelen die worden opgelegd hebben als doel het gedrag van iemand te veranderen. Dit heet een reparatoire sanctie (maatregel). Er is echter één uitzondering. Dit is een maatregel die wordt opgelegd als iemand zieh ernstig heeft misdragen. Deze maatregel is duidelijk bedoeld als een straf. Dit heet een punitieve sanctie. Als een gedraging die leidt tot een reparatoire sanctie gepaard gaat met een strafbaar feit dan kan ook aangifte worden gedaan. Dit kan tegelijk omdat de opgelegde maatregel niet als straf wordt aangemerkt. Beheersing van de Nederlandse taal Sinds 2018 geldt als voorwaarde voor het recht op een uitkering op grond van de wet een voldoende beheersing van de Nederlandse taal (de Wet Taaleis).
Als de belanghebbende de Nederlandse taal onvoldoende beheerst krijgt hij van de gemeente de verplichting om zijn best te doen om de Nederlandse taal te leren. Niet iedereen kan dit even goed. De gemeente moet hier dan ook rekening mee houden. Als de inspanningen of de vorderingen van de belanghebbende onvoldoende zijn dan moet de gemeente een maatregel opleggen. De hoogte en de duur van de maatregel staan in de wet. De gemeente houdt zieh hierbij aan de wet. Eenvoudig en duidelijk Belangrijk is dat de verordening duidelijk moet zijn voor de burgers. Zij moeten weten wat zij van de gemeente kunnen verwachten en wat de gemeente van hen verwacht. De verordening is te raadplegen via internet. Sehenden van de inlichtingenplicht; een boete, dus geen maatregel Een belangrijke verplichting maakt geen deel uit van deze verordening, namelijk de inlichtingenplicht. De inlichtingenplicht is het gevraagd en ongevraagd meedelen van alle informatie die van belang is voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van een uitkering. Met de invoering van de Fraudewet in 2013 geldt voor het sehenden van deze verplichting een aparte werkwijze. Bij een schending van deze verplichting wordt een bestuurlijke boete opgelegd. Dat is iets anders dan het tijdelijk verlagen vaneen uitkering zoals het opleggen van een maatregel.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
TOELICHTING PER ARTIKEL Hoofdstuk 1 Artikel 1
Algemene bepalingen Beg ri psomschrijvi ng
In deze verordening kamen verschillende begrippen/termen voor. In principe hebben deze dezelfde betekenis als die in de wet. Toch zijn een aantal begrippen nader omschreven. lndividuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is een onderdeel van de bijzondere bijstand. Wanneer een belanghebbende geen uitkering voor levensonderhoud ontvangt, kan de belanghebbende in uitzonderingsgevallen een maatregel over de individuele inkomenstoeslag krijgen. Tegenprestatie De wet kent het begrip tegenprestatie. Dit zijn onbeloonde, maatschappelijk nuttige werkzaamheden die de gemeente aan iemand met een uitkering kan opleggen. Dit is geregeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de wet. Artikel 2
Een maatregel opleggen
De bedoeling is altijd dat een uitkering tijdelijk is. lmmers, iedereen die een uitkering ontvangt op grand van de wet moet zijn best doen om zo snel mogelijk weer financieel zelfstandig te zijn (verantwoordelijk zijn voor zijn eigen voorziening in het bestaan). Bij het recht op een uitkering horen verplichtingen. Deze worden onderverdeeld in: Eerste lid Het tonen van voldoende verantwoordelijkheidsbesef voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid, van de wet). Tweede lid De plicht om mee te werken aan arbeidsinschakeling (artikel 9 van de wet). Deze plicht bestaat uit een aantal onderdelen: De arbeidsplicht: de plicht om te proberen werk te krijgen, werk aan te nemen en/of werk te behouden. Hiertoe hoort ook het inschrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf. In artikel 18, vierde lid, van de wet worden nog enkele bijzondere arbeidsverplichtingen genoemd: de zgn. geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Deze gelden voor alle mensen die een uitkering ontvangen, in alle gemeenten. In een beschikking die de belanghebbende van de gemeente heeft ontvangen, staan de specifieke verplichtingen die voor hem gelden (de zgn. beschikking arbeidsverplichtingen). De re-integratieplicht: de plicht gebruik te maken van de re-integratiemogelijkheden die de gemeente aanbiedt. En de plicht om zieh te houden aan de afspraken die hierover zijn gemaakt.
De gemeente houdt hierbij rekening met de persoonlijke situatie van een belanghebbende.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
De tegenprestatie: De gemeente kan iemand die een uitkering ontvangt opdragen als tegenprestatie naar vermogen bepaalde maatsehappelijk nuttige werkzaamheden te doen. Als deze verpliehting aan iemand wordt opgelegd, dan moet hij deze werkzaamheden naar behoren uitvoeren. Het gemeentelijk beleid over de tegenprestatie is vastgelegd in de Verordening tegenprestatie (art. 9, eerste lid, onderdeel e, van de wet). Voor jongeren tot 27 jaar gelden enkele bijzondere verpliehtingen. Eén van die verpliehtingen is dat de jongere tijdens de zoekperiode van vier weken de plieht heeft om aantoonbaar te zoeken naar werk. Ook moet hij de mogelijkheden onderzoeken om een opleiding te volgen in het reguliere onderwijs. Onderwijs gaat altijd voor werk en voor een uitkering! Als iemand een van deze bovenstaande verpliehtingen niet (of niet voldoende mate) nakomt dan legt de gemeente een maatregel op. Het opleggen van een maatregel is niet vrijblijvend. De wet sehrijft voor dat de gemeente dit moet doen. Derde lid lemand die een uitkering ontvangt mag zieh niet misdragen tegenover de gemeente en zijn medewerkers. Dit staat in artikel 9, zesde lid, van de wet. De gemeente aeeepteert niet dat iemand die een uitkering ontvangt, zieh misdraagt. Als iemand zieh misdraagt tegenover medewerkers van de gemeente of tegenover anderen (bijvoorbeeld medewerkers van Werkse!), dan wordt een maatregel opgelegd.
Meer hierover staat in artikel 15 van deze verordening. Vierde lid Heeft iemand al eerder een maatregel gehad? Dan kan dat reden zijn om de maatregel te verzwaren. De gemeente houdt hier dus rekening mee. Vijfde lid In deze verordening staan standaardmaatregelen voor versehillend gedrag. Het gaat hier om belanghebbenden die zieh niet aan hun verpliehtingen houden. Zo'n standaardmaatregel is een vaste (proeentuele) verlaging van de bijstandsnorm gedurende een vaste period e. In dit vijfde lid staat dat de gemeente bij de maatregeloverweging rekening houdt met iemands persoonlijke situatie. Dit staat ook in artikel 18, tiende lid, van de wet. Zo kan de gemeente rekening houden met de gevolgen die de maatregel voor iemand heeft geiet op zijn persoonlijke omstandigheden. Ook kan de gemeente rekening houden met de mogelijkheden en de middelen van belanghebbende. De bijzondere omstandigheden die tot dringende redenen leiden, kunnen gelegen zijn in maatsehappelijk belang (marginalisering van mensen, vergroting sehuldenproblematiek, huisuitzettingen), de zorgplieht van de overheid in relatie tot individuele omstandigheden en kinderen in het gezin. Alleen finaneiële omstandigheden zijn niet voldoende om de maatregel te matigen.
Zesde lid Voorde niet-geüniformeerde verpliehtingen geldt dat de gemeente, voordat zij een maatregel oplegt, ook kijkt naar de mate van verwijtbaarheid en de ernst van de gedraging. Bij de geüniformeerde verpliehtingen wordt niet getoetst aan de mate van verwijtbaarheid.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Artikel 3
Een maatregel berekenen
Eerste lid De gemeente legt over het algemeen een maatregel op over de bijstandsnorm. De bijstandsnorm is gebaseerd op iemands leefsituatie. Bijvoorbeeld: iemands leeftijd, of er kinderen zijn, of iemand samenwoont of niet. De gemeente legt de maatregel op over de bijstandsnorm inclusief het vakantiegeld. Een maatregel is een verlaging van de bijstandsnorm met een bepaald percentage. Een maatregel wordt altijd opgelegd voor een bepaalde tijd. Als er sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid omdat er te snel is ingeteerd op vermogen wordt de maatregel vastgesteld op basis van het bed rag datte snel is ingeteerd. Het gaat dan bijvoorbeeld om spaargeld dat de belanghebbende te snel heeft opgemaakt waardoor eerder een beroep gedaan wordt op bijstand. Tweede lid Hoofdregel is dat de gemeente een maatregel oplegt in de toekomst. Er zijn enkele uitzonderingen. Die worden beschreven in artikel 7 van deze verordening. Derde lid De basis voor de maatregel is de bijstandsnorm die geldt in de periode waarover de maatregel wordt opgelegd. Sams kan de gemeente een maatregel opleggen op de bijzondere bijstand die op grand van artikel 12 van de wet wordt verstrekt. Dit is een apart artikel waarmee de gemeente in sommige gevallen jongeren van 18 tot 21 jaar een aanvulling kan geven op hun inkomen.
Als de gemeente alleen over de lage uitkeringsnorm voor jongeren een maatregel zou opleggen, dan zou dit oneerlijk zijn tegenover belanghebbenden die 21 jaar of ouder zijn. Met deze bepaling kan de gemeente oak een maatregel opleggen op de extra aanvulling voor deze jongeren. In heel bijzondere gevallen kan de gemeente een maatregel opleggen op de individuele inkomenstoeslag (artikel 36 van de wet). Dit is een vorm van bijzondere bijstand. Artikel 4
Besluit bij opgelegde maatregel
Het opleggen van een maatregel gebeurt met een besluit (beschikking). In dit artikel staat water in zo'n besluit moet staan. In ieder geval staat in het besluit welk maatregelwaardig gedrag de aanleiding was voor de maatregel en op grand van welk artikel uit de wet en/of de verordening dit besluit is genomen. Wanneer de gemeente een maatregel over een lopende uitkering oplegt, dan is de basis daarvoor artikel 18, tweede lid, van de wet. Is de belanghebbende het niet eens met de maatregel, dan kan hij bezwaar maken. Hoe hij dit kan doen staat oak in het besluit. Artikel 5
De belanghebbende horen
Voordat de gemeente een besluit neemt om een maatregel op te leggen, moet zij de belanghebbende vragen om zijn kant van het verhaal te verteilen ('hem horen'). Dat heet hoorplicht. Dit staat in artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Oat wat iemand dan vertelt wordt meegenomen in de overweging om een maatregel op te leggen.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
De belanghebbende wordt door de consulent in de gelegenheid gesteld om binnen een redelijke termijn zijn kant van het verhaal te verteilen. Oat kan schriftelijk, per telefoon, of mondeling op afspraak. In het derde lid van dit artikel staat dat de gemeente op grond van deze verordening een besluit kan ne men als iemand geen gebruik kan of wil ma ken van de mogelijkheid om zijn kant van het verhaal te verteilen. Dit geldt ook als iemand niets van zieh laat horen binnen de gestelde termijn.
Artikel 6
Maatregel toch niet opleggen
In dit artikel staat wanneer de gemeente geen maatregel oplegt, dan wel kan besluiten een maatregel te matigen. Eerste lid De gemeente legt geen maatregel op, als een belanghebbende niets verweten wordt. De gemeente mag alleen bij de niet-geüniformeerde verplichtingen rekening houden met de verwijtbaarheid. Oat staat ook in deze verordening. Is er sprake vaneen verminderde verwijtbaarheid, dan kan de gemeente de maatregel matigen. Oat betekent dat het percentage van de maatregel wordt verlaagd of dat de maatregel voor een kortere periode wordt opgelegd. Voor de geüniformeerde verplichtingen geldt dit niet. De gemeente beoordeelt dan alleen of het maatregelwaardig gedrag verwijtbaar was. Een mogelijke verminderde verwijtbaarheid wordt niet getoetst. Een andere reden om geen maatregel op te leggen is dat het gedrag te lang geleden heeft plaatsgevonden (dat heet verjaring). De maatregel moet namelijk wel effectief zijn ('lik op stuk'), daarom legt de gemeente een maatregel zo snel mogelijk op nadat het gedrag plaatsvond. Uit wat onder b staat, volgt dat een maatregel moet worden opgelegd binnen één jaar nadat de gemeente erachter is gekomen dater sprake is van maatregelwaardig gedrag. Het kan ook zijn dat achteraf blijkt dater geen sprake is van maatregelwaardig gedrag. Ook dan legt de gemeente geen maatregel op.
Tweede lid Als wordt afgezien van het opleggen van een maatregel, dan beslist de consulent of de belanghebbende daar schriftelijk bericht over ontvangt. Derde lid De gemeente kan een maatregel matigen wanneer er dringende redenen zijn. Voorde invulling van het begrip 'dringende redenen' wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2, vijfde lid, van deze verordening. Vierde lid De gemeente laat een belanghebbende altijd schriftelijk weten als een maatregel wordt opgelegd. Oat geldt ook als de maatregel wordt gematigd. Vijfde lid Als de belanghebbende zieh binnen één jaar opnieuw maatregelwaardig gedraagt, dan is er sprake van recidive. Er wordt dan opnieuw een maatregel opgelegd. Deze nieuwe maatregel is zwaarder. De gemeente houdt dan rekening met de eerdere maatregel die is gematigd. Een gematigde maatregel telt dus wel mee bij het vaststellen van de recidive.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Artikel 7
Hoe de maatregel wordt opgelegd
Wat houdt de maatregel in en wanneer wordt hij opgelegd? Eerste lid De maatregel houdt in dat de uitkering tijdelijk wordt verlaagd. De gemeente verlaagt de uitkering vanaf het begin van de volgende maand, nadat het besluit aan de belanghebbende is bekendgemaakt. De gemeente baseert de maatregel op de bijstandsnorm die voor die volgende maand geldt. Een uitzondering is de situatie zoals beschreven in het vierde lid van dit artikel. Tweede lid De gemeente kan beslissen om de maatregel op te leggen op de bijzondere bijstand die iemand ontvangt op grand van artikel 12 van de wet. Wanneer een maatregel wordt opgelegd op de bijzondere bijstand, dan is deze net zo hoog en duurt deze net zo lang als de maatregel op de algemene bijstand. Derde lid Soms is er op het moment dat iemand zieh meldt om een aanvraag om bijstand in te dienen al sprake van maatregelwaardig gedrag. Bijvoorbeeld omdat iemand uit eigen beweging zijn werk heeft opgezegd. Dan kan er sprake zijn van een 'ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan'. Dit is het geval als er sprake is vaneen gedraging zoals bedoeld in artikel 12 van deze verordening. In die gevallen kan de gemeente al direct vanaf de ingangsdatum van de uitkering een maatregel opleggen. Vierde lid De gemeente kan bij een ernstige overtreding van de verplichtingen een maatregel voor langer dan drie maanden opleggen.
Als een maatregel is opgelegd voor een periode van drie of meer maanden dan moet de gemeente binnen deze drie maanden onderzoeken of er redenen zijn om de maatregel te herzien. Oat staat in artikel 18, derde lid, van de wet. Een officieel besluit is daarbij niet nodig. De gemeente hoeft niet alle feiten en omstandigheden opnieuw te bekijken, maar alleen of het redelijk is dat de maatregel voortduurt. Daarbij kan zij rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van een belanghebbende, maar ook of diegene zieh wel aan zijn verplichtingen houdt. Vijfde lid Soms kan de gemeente een maatregel niet uitvoeren omdat het bedrag aan bijstand te laag is. Bijvoorbeeld wanneer de uitkering een aanvulling is op andere inkomsten, zoals inkomsten uit arbeid of alimentatie. De gemeente kan dan besluiten om de maatregel over verschillende maanden te verdelen. Hiermee voorkomt zij dater rechtsongelijkheid ontstaat. Zesde lid Soms kan de gemeente een maatregel niet uitvoeren omdat een uitkering is gestopt. De gemeente kan de maatregel dan alsnog uitvoeren. Oat kan wanneer een belanghebbende binnen een jaar opnieuw bijstand ontvangt. Er wordt dan opnieuw een maatregeloverweging gemaakt.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Artikel 8
Samenloop van gedragingen
Een belanghebbende kan op min of meer hetzelfde moment op verschillende manieren de regels overtreden. Dan geldt de regeling voor samenloop. Overtreedt een belanghebbende tegelijk verschillende regels? Dan wordt de maatregel opgelegd voor de gedraging waarvoor de zwaarste maatregel geldt. Hoofdstuk 2 De niet-geüniformeerde verplichtingen Artikel 9 Het niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en tegenprestatie. De verplichtingen in dit artikel betreffen de overige verplichtingen die niet expliciet in de wet zijn genoemd. Dit zijn de zgn. niet-geüniformeerde verplichtingen. Werkt een belanghebbende niet of niet genoeg mee om aan het werk te gaan of te blijven? Dan is er sprake van maatregelwaardig gedrag. Dit (maatregelwaardig) gedrag dat onder dit artikel valt, wordt verdeeld in twee categorieën. De ernst van de gedraging bepaalt onder welke categorie het gedrag valt. Categorie 1 Deze categorie omvat de volgende verplichtingen: a. De farmele, officiële verplichting voor belanghebbenden om zieh in te schrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf. En ook om de inschrijving op tijd te verlengen. b. Een belanghebbende moet meewerken aan een onderzoek om de mogelijkheden te onderzoeken om (weer) aan het werk te gaan. c. Een belanghebbende moet zieh houden aan de regels over ziek- en betermelding. d.
Voor jongeren (dat zijn personen tot 27 jaar) geldt als specifieke bepaling dat een Plan van Aanpak wordt opgemaakt. De jongere moet meewerken aan het opstellen, het evalueren en het uitvoeren ervan. e. De verplichtingen legt de gemeente (in samenspraak met de belanghebbende) vast in een overeenkomst die door beide partijen (ten minste voor gezien) wordt ondertekend. De verplichtingen die worden opgelegd zijn een onderdeel van de in de wet opgenomen medewerkingsplicht en de re-integratieplicht. Het onvoldoende nakomen van deze verplichtingen wordt gerekend tot maatregelwaardig gedrag van de eerste categorie. f. Voorde jongeren geldt een 'zoekperiode' van vier weken. Dit houdt in dat de jongere pas na vier weken aanspraak kan maken op ondersteuning en/of een uitkering. De gemeente registreert daarom de datum van melding. Tijdens deze zoekperiode moet de jongere aantoonbaar op zoek gaan naar werk en aantoonbaar onderzoeken wat zijn mogelijkheden zijn voor het volgen van onderwijs. Heeft de jongere zieh in deze zoekperiode helemaal niet ingespannen, dan wordt de aanvraag om een uitkering niet in behandeling genomen en start een nieuwe zoekperiode. Heeft de jongere zieh onvoldoende ingespannen, dan kan wel een uitkering worden verstrekt, maar wordt wel een maatregel opgelegd. g. Een belanghebbende moet zijn best doen om aan het werk te gaan.
Doet hij dat niet voldoende, dan is dit gedrag dat past binnen deze categorie.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
h. Het onvoldoende of onbehoorlijk meewerken aan de door de gemeente opgedragen tegenprestatie wordt gerekend tot maatregelwaardig gedrag van de eerste categorie. i. Een belanghebbende moet op tijd op een afspraak kernen. Bijvoorbeeld om te zien of hij genoeg doet om (weer) aan het werk te gaan. Dit geldt voor alle afspraken of oproepen die de gemeente en haar partners doen voor het uitvoeren van deze wet. Als een belanghebbende niet op een afspraak kernt, dan is dit maatregelwaardig gedrag dat valt ender de eerste categorie. Dit geldt ook voor afspraken die de gemeente maakt met de belanghebbende om op een bepaald moment contact op te nemen met de gemeente. Ook dit soort gevallen wordt aangemerkt als een vorm van "het niet nakomen van afspraken". Het verwijtbaar niet voldoen aan dit soort afspraken wordt ook gezien als maatregelwaardig gedrag van de eerste categorie. j. Artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet schrijft voor dat de belanghebbende gebruik moet maken van voorzieningen die door de gemeente worden aangeboden, zoals sociale activering, onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling of scholing. Doet de belanghebbende dit onvoldoende dan is er sprake van maatregelwaardig gedrag van de eerste categorie. k. De gemeente kan op grond van artikel 55 van de wet de belanghebbende enkele bijzondere verplichtingen opleggen.
Dat kan zijn dat de belanghebbende zieh ender medische behandeling moet stellen. Als de belanghebbende deze bijzondere verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, kan een maatregel worden opgelegd. I. Bij uitkeringsaanvragen geldt een activeringsperiode. Gedurende deze activeringsperiode worden aan de belanghebbende enkele specifieke verplichtingen opgelegd. Deze verplichtingen zijn primair gericht op een zo snel mogelijke arbeidsinschakeling, zoals het inschrijven bij één of meerdere uitzendbureaus, het bijwerken van het CV, het verrichten van een aantal sollicitaties etc. Vanaf het moment dat een belanghebbende zieh heeft gemeld om een uitkering aan te vragen zijn immers direct alle verplichtingen op hem van toepassing. Is de belanghebbende deze verplichtingen onvoldoende nagekomen, dan kan een maatregel van de eerste categorie worden opgelegd.
Categorie 2 In de eerste categorie werd bij een aantal verplichtingen gesproken over het onvoldoende nakomen van de verplichting. Bij maatregelwaardige gedragingen van de tweede categorie gaat het om gedragingen waarbij de belanghebbende zijn verplichtingen geheel niet nakomt. Het gaat hierbij om: a. b. c.
d.
Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerd werk te vinden. Het geheel niet meewerken aan het verrichten van een tegenprestatie. Bij uitkeringsaanvragen geldt een activeringsperiode. Gedurende deze activeringsperiode worden aan de belanghebbende enkele specifieke verplichtingen opgelegd. Deze verplichtingen zijn primair gericht op een zo snel mogelijke arbeidsinschakeling, zoals het inschrijven bij één of meerdere uitzendbureaus, het bijwerken van het CV, het verrichten van een aantal sollicitaties etc. Vanaf het moment dat een belanghebbende zieh heeft gemeld om een uitkering aan te vragen zijn immers direct alle verplichtingen op hem van toepassing. Als de belanghebbende deze verplichtingen geheel niet nakomt, dan is dit maatregelwaardig gedrag van de tweede categorie. In principe heeft de jongere geen recht op een uitkering als hij regulier onderwijs kan volgen. In het geval dat de jongere verwijtbaar niet deelneemt aan het reguliere onderwijs, dan legt de gemeente een maatregel op.
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Artikel 10 Hoogte en duur van de maatregel bij het sehenden van de nietgeüniformeerde verplichtingen Eerste lid In artikel 9 heeft de gemeente maatregelwaardig gedrag bij de zgn. niet-geüniformeerde verplichtingen verdeeld in twee categorieën. De standaard maatregelen die daarbij horen, zijn als volgt vastgesteld: a. Voor gedragingen zoals beschreven in de eerste categorie is dit 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand; b. Voor gedragingen zoals beschreven in de tweede categorie is dit 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Tweede lid In het geval van maatregelwaardig gedrag zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder i, zal de gemeente eerst volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Oat kan alleen als de belanghebbende in de twee jaar daarvoor niet eerder een waarschuwing heeft gekregen. Een schriftelijke waarschuwing telt niet mee bij het beoordelen van recidive. Dit betekent dat als de belanghebbende zieh binnen een jaar opnieuw maatregelwaardig gedraagt, er geen sprake is van recidive. De maatregel die wordt opgelegd wordt dan gezien als een eerste maatregel. Er wordt dan een maatregel opgelegd van 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Derde lid Niet in alle gevallen heeft een waarschuwing of maatregel het gewenste effect. Soms gedraagt de belanghebbende zieh binnen één jaar opnieuw maatregelwaardig. Dan is er sprake van recidive.
In die gevallen wordt een zwaardere maatregel opgelegd. Voor gedragingen van de eerste categorie is dit bij een eerste recidive 30% gedurende één maand. Bij een tweede recidive wordt een maatregel van 50% gedurende één maand opgelegd. Bij een eventuele volgende recidive wordt een maatregel van 100% gedurende één maand opgelegd. Voor gedragingen van de tweede categorie wordt bij een eerste recidive een maatregel van 100% gedurende één maand opgelegd. Bij een volgende recidive wordt een maatregel van 100% gedurende twee maanden opgelegd. Hoofdstuk 3 De geüniformeerde verplichtingen Artikel 11 Het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling De wetgever heeft ervoor gekozen een aantal verplichtingen, met de bijbehorende maatregel, op te nemen in de wet. Deze staan in artikel 18, vierde lid, van de wet. Deze verplichtingen worden de geüniformeerde verplichtingen genoemd. Deze verplichtingen zijn: a. Het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; b. Het ingeschreven staan bij een uitzendbureau;
Maatregelverordening Participatiewet 2021
Voordat men gaat verhuizen naar een andere gemeente, proberen werk te vinden in de nieuwe gemeente; d. Bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, als dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; e. Bereid zijn te verhuizen naar een andere gemeente als iemand daar werk kan krijgen (een arbeidsovereenkomst voor tenminste 1 jaar met minimaal de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm); f. Het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden; g. Je zodanig te kleden en te gedragen zodat dit geen belemmering is voor het verkrijgen van werk; h. Het gebruik maken vaneen aangeboden voorziening. c.
Tweede lid Als de belanghebbende één van deze verplichtingen niet nakomt, dan moet de gemeente een maatregel opleggen. De hoogte van de maatregel is 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Dit staat in artikel 18, vijfde lid, van de wet. Het is mogelijk deze maatregel te spreiden over een periode van drie maanden. Dit doen we alleen als er zwaarwegende redenen zijn om de maatregel niet in één keer uit te voeren. Derde tot en met vijfde lid Oak in deze gevallen is het mogelijk dat de belanghebbende blijft volharden in zijn maatregelwaardig gedrag. In het derde tot en met het vijfde lid staat hoe de gemeente in deze gevallen handelt. Oak deze bepalingen kamen uit de wet (artikel 18, lid 6 tot en met 8 van de wet). Zesde en zevende lid Als aan een belanghebbende op basis van dit artikel een maatregel is opgelegd, kan hij, als uit zijn houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt dat hij deze verplichtingen nu wel nakomt, de gemeente verzoeken de maatregel te herzien. Artikel 11a