Uitvoeringsbeleid VTH Omgevingswet 2024-2028
Tekst van het document
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving 2024-2028
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
Inhoudsopgave 0. Managementsamenvatting
3
1. Inleiding
6
1.1 Aanleiding tot het opstellen van het Uitvoeringsbeleid VTH 1.2 Kaders voor vergunningverlening, toezicht en handhaving 1.3 Bevorderen van naleving is keuzes maken 1.4 Het Uitvoeringsbeleid VTH als formeel document 1.5 Reikwijdte nota 1.6 Samenwerking met ketenpartners 1.7 Leeswijzer
2. Ambities, missie en uitgangspunten 2.1 De stad Delft 2.2 Ambities van de gemeente Delft 2.3 Visie op de VTH-taken 2.4 Uitkomsten evaluatie en data-analyse Uitvoeringsbeleid 2016-2023 2.5 Uitgangspunten en prioriteiten
3. Voorlichting en verkennen van initiatieven 3.1 Effectieve dienstverlening 3.2 Meerwaarde voor de stad 3.3 Loslaten en vertrouwen 3.4 Monitoring
4. Vergunningverlening, meldingsplicht en informatieplicht
6 7 7 8 9 9 10
12 12 12 13 14 16
20 20 22 22 22
24
4.1 Effectieve dienstverlening 4.2 Meerwaarde voor de stad 4.3 Loslaten en vertrouwen 4.4 Monitoren
24 26 27 27
5. Toezicht op de realisatie
29
5.1 Prioritering 5.2 Effectieve dienstverlening 5.3 Meerwaarde voor de stad 5.4 Informatie- en risicogericht werken 5.5 Loslaten en vertrouwen 5.6 Monitoren
29 29 29 30 30 30
6. Toezicht op de bestaande bouw
31
6.1 Dienstverlening en meerwaarde voor de stad 6.2 Informatie en risicogericht werken 6.3 Loslaten en vertrouwen 6.4 Monitoren en rapporteren
7. Handhaven 7.1 Dienstverlening
31 32 32 33
34 34 1
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
7.2 Meerwaarde voor de stad 7.3 Informatie- en risicogericht werken 7.4 Loslaten en vertrouwen 7.5 Monitoren
34 35 35 35
8. Wet kwaliteitsborging voor het bouwen
36
8.1 Informatieverstrekking door de gemeente 8.2 Vergunningverlening 8.3 Toezicht en handhaving 8.4 Loslaten en vertrouwen
36 36 36 38
9. Verantwoordingscyclus en doorontwikkeling
40
10. Financiën
42
10.1 Legesmodel Omgevingsvergunningen 10.2 Algemene middelen 10.3 Overzicht dekking vanuit leges en algemene middelen
11. Toekomstige ontwikkelingen 11.1 Opdrachtgericht 11.2 Flexibel budget
42 43 43
44 44 44
Bijlage I – Terugkoppeling ontwikkelingspunten
46
Bijlage II – Evaluatie en samenvattingen interviews
48
Bijlage III - Monitoring 2019 – 2022 en analyse
52
2
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
0. Managementsamenvatting De gemeente heeft als taak om de fysieke leefomgeving veilig, gezond, aantrekkelijk en duurzaam te houden. Deze nota ligt toe hoe wij hier als gemeente invulling aan geven en de rol die vergunningverlening, toezicht en handhaving hierin spelen. Om dit mogelijk te maken zijn er wetten opgesteld waaraan gebruikers zoals burgers, bedrijven, overheden en bezoekers zich dienen te houden. Daarnaast heeft de gemeente ook eigen beleidskaders opgesteld met daarin regels over hoe de leefomgeving wel en niet gebruikt mag worden. Burgers, ondernemers en andere gebruikers hebben een eigen verantwoordelijkheid om de regels na te leven en het zou de gemeente te veel tijd en geld kosten om alles 100% te controleren. Ook kan toezicht en handhaving voor de betrokkenen een ingrijpende gebeurtenis zijn. Dit stelt grenzen aan de manier waarop en mate waarin we naleving kunnen stimuleren. De gemeente maakt daarom keuzes over hoe we de beperkt beschikbare mensen en middelen het beste in kunnen zetten. De gemeente doet dit door onder andere te kijken naar de wettelijke taken en de risico’s van niet-naleving van de regels tegen elkaar af te wegen. De gemeente kent een aantal verschillende taken en aandachtsgebieden gebaseerd op de wettelijke taken, risico’s van niet-naleving en thema’s die wij als gemeente van belang vinden. Deze worden hieronder per categorie toegelicht.
Wettelijke taken vanuit de Omgevingswet: - Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. - De kwaliteit van bouwwerken door middel van welstand. - Het beheer van infrastructuur, watersystemen en natuurlijke hulpbronnen. - Het beheer van geo-biologische, geothermische systemen en ecosystemen - Beschermen van het milieu en de natuur. - Behouden van cultureel erfgoed door het beschermen van monumentale bouwwerken en bomen, archeologische vondsten, beschermd stadsgezicht en cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken. - Het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. - Het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid. - Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor personen. - Het gebruik van bouwwerken. Deze wettelijke taken behoren tot de kern van onze werkzaamheden en worden daarom de wettelijke kerntaken genoemd. Deze taken worden in elke fase gecontroleerd totdat de aannemelijkheid van het voldoen aan de regelgeving voor de gemeente aangetoond is. Dit wordt de aannemelijkheidstoets genoemd. De invulling van die aannemelijkheidstoets hangt af van de fase in het vergunningverlening, toezicht en handhavingproces (VTH-proces) waarin de toetsing plaatsvindt. Daarnaast zijn er wettelijke taken die risicogericht worden opgepakt en daarom noemen we die taken de wettelijke risicogerichte taken.
Deze taken zijn: - Kwaliteit van bouwwerken door het waarborgen van de constructieve veiligheid en de brandveiligheid. - Waarborgen van de veiligheid door te controleren op de omgevingsveiligheid. - Kleine (onderhouds)activiteiten aan monumenten. 3
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
Naast de eerder genoemde wettelijke taken vindt Delft nog een aantal onderwerpen van groot belang. Zoals bijvoorbeeld de bevordering van klimaat en natuur. Voor sommige van deze gevallen mist nog wel een toetsingskader voor de VTH-taken. Deze onderwerpen noemen we de bovenwettelijke aandachtsgebieden en dit zijn: - Tegengaan van klimaatverandering door het stimuleren van circulair bouwen en klimaatadaptief bouwen en inzetten op de energietransitie. - Natuurbescherming door de toepassing van natuurinclusief bouwen. Per fase in het VTH-proces wordt er invulling gegeven aan deze wettelijke taken en bovenwettelijke aandachtsgebieden. Hieronder is in een tabel kort weergegeven hoe er met de wettelijke taken en bovenwettelijke aandachtsgebieden wordt omgegaan per fase. Verkennen initiatief
Kerntaken
Risicogerichte taken
Vergunningverlening
Toezicht op Toezicht op Handhaving realisatie bestaande bouw
Altijd een Altijd een Altijd, mate aannemelijkheids- aannemelijkheids- van toets toets diepgang verschilt Risicogericht Risicogericht Risicogericht
Bovenwettelijke Stimuleren en Stimuleren en Stimuleren, taken waar mogelijk waar mogelijk minder vastleggen vastleggen diepgang
Als taak Als taak aanwezig aanwezig is, dan altijd is, dan altijd Als taak aanwezig is, dan risicogericht Niet
Als taak aanwezig is, dan risicogericht Niet
Het kan voorkomen dat bepaalde taken niet aan bod komen in een fase of dat de manier waarop er invulling aan wordt gegeven anders is. Dit komt door de aard van de fase en de weerslag die dit heeft op de uitvoering. Zoals te zien worden de wettelijke kerntaken altijd gecontroleerd. In de fase toezicht op de realisatie gebeurt dit echter met minder diepgang dan in de voorgaande fases. In de fases toezicht op de bestaande bouw en handhaving vindt controle op de wettelijke kerntaken plaats als de kerntaken relevant zijn voor de situatie. De wettelijke risicogerichte taken worden in alle fases risicogericht opgepakt. Het zwaartepunt voor de bovenwettelijke aandachtsgebieden ligt in de fases verkennen initiatief en vergunningverlening omdat hier de mogelijkheid is om te stimuleren en zaken vast te leggen. Voor de overige fases ontbreken nog de nodige toetsingskaders. De rode draad in dit beleid zijn de risico’s voor de leefomgeving. Door aandacht te besteden aan de wettelijke kerntaken en de wettelijke risicogerichte taken worden de risico’s van niet-naleving zoveel mogelijk beperkt. Het is met de huidige capaciteit namelijk niet mogelijk om op alles in te zetten. Door hier keuzes te maken over de handelswijze kunnen we onze mensen en middelen zo effectief mogelijk inzetten. Dit betekent echter ook dat we bepaalde zaken los moeten laten.
De financiën voor de uitvoering van de VTH-taken komen uit twee bronnen: 4
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
1. De leges. In het legesmodel zijn alle kosten verbonden aan het behandelen van aanvragen en de bijbehorende baten opgenomen. De gemeente mag via de legesverordening die kosten die gemaakt worden voor de dienstverlening verhalen op degene die gebruik maakt van die dienst. Voor 2023 waren de kosten die gedekt werden vanuit de leges ongeveer €3.077.000. Ok een deel van de kosten van de Veiligheidsregio Haaglanden worden gedekt vanuit de leges, voor 2023 was dit ongeveer €215.000. 2. De algemene middelen. De activiteiten die de gemeente en ketenpartners uitvoeren voor het algemeen belang worden bekostigd vanuit de algemene middelen. Voor 2023 zijn de kosten voor de gemeente vanuit de algemene middelen begroot op €918.000. Voor de Veiligheidsregio Haaglanden en de Omgevingsdienst Haaglanden was dit gezamenlijk €1.628.000 Naast de eerdergenoemde wettelijke kerntaken, wettelijke risicogerichte taken en bovenwettelijke aandachtsgebieden voorzien wij nog een aantal aanvullende wettelijke taken en bovenwettelijke aandachtsgebieden voor de komende vier jaar. Bijvoorbeeld het klimaatneutraal maken van de gemeente en het bewaken van de schaarse woningvoorraad en de kwaliteit daarvan. Buiten de concrete thema’s om is er nog een grote variatie aan regelgeving waarop ook gecontroleerd moet worden. Bijvoorbeeld het huisvestingsbeleid en de wet Basisregistratie Adressen en Gebouwen.
Voor veel van deze thema’s gaat het echter niet om overtredingen met direct dreigen gevaar of veel hinder. Omdat Delft een compacte stad is, is de voortzetting van de overtreding wel onwenselijk. De ruimte in Delft is schaars en de invulling ervan moet goed overwogen worden. Om ook deze toekomstige taken en overtredingen met geringe(re) gevaarsetting of hinder op te kunnen pakken is het voorstel om hiervoor een flexibel handhavingsbudget te hanteren. Per jaar zal in het VTH-jaarplan bepaald worden hoe dit budget ingezet gaat worden en zal er achteraf in de terugblik van het nieuwe jaarplan hierop gerapporteerd worden.
5
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
1. Inleiding Het Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingswet 2024-2028 (hierna het Uitvoeringsbeleid VTH) beschrijft hoe de gemeente Delft haar gemeentelijke taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving in de fysieke leefomgeving uitvoert. De nadruk ligt op hoe we als gemeente sturen op de naleving van de vastgestelde regels. Verder biedt het kaders waarbinnen de gemeente vergunning verleent, toezicht houdt en corrigerend optreedt in het geval een overtreding wordt geconstateerd. Het gaat dus niet over de regelgeving waaraan gebruikers van de fysieke leefomgeving zich moeten houden. Dit gebeurt op grond van de Omgevingswet en de lokale regelgeving die aan de fysieke leefomgeving gerelateerd is. De uitvoering van milieutaken is ondergebracht bij de Omgevingsdienst Haaglanden en advies en (een deel van de) toezichttaken op het gebied van brandveiligheid zijn ondergebracht bij de Veiligheidsregio Haaglanden. Omdat het hier uitvoeringsbeleid van wettelijke taken betreft, stelt het college het Uitvoeringsbeleid VTH vast en informeert zij de gemeenteraad daarover. Na vaststelling loopt dit uitvoeringsbeleid door tot 2028 of tot het moment waarop er nieuw uitvoeringsbeleid is vastgesteld door het college.
In het vorige “Uitvoeringsbeleid VTH 2016-2020” (en verlengd tot ingang van de Omgevingswet) is er een nieuwe monitoringssystematiek ontwikkeld om ook in de bestaande bouw risico’s te kunnen beheersen en naleefgedrag te stimuleren. Deze systematiek wordt in dit uitvoeringsbeleid voortgezet en aangevuld met informatie uit de VTH-jaarplannen en interviews. De interviews met de afdelingen Veiligheid, Erfgoed en Ruimte hebben inzicht gegeven in de praktijkervaringen van de afgelopen jaren. De prioriteiten waarop wordt ingezet zijn gebaseerd op de rapportages uit de VTHjaarplannen en de praktijkervaringen. Het beeld wat verder uit deze evaluatie naar voren komt is dat het Uitvoeringsbeleid de afdelingen helpt bij het stellen van de prioriteiten. Met name bij de taakvelden toezicht en handhaving merken de medewerkers op dat het beleid ondersteunt bij de prioritering. Dit zorgt er vervolgens voor dat de capaciteit ingezet kan worden op de zaken waar wij als gemeente het verschil kunnen maken. Zie bijlage II en III voor meer informatie over de uitgevoerde evaluatie.
1.1 Aanleiding tot het opstellen van het Uitvoeringsbeleid VTH De aanleiding tot het opstellen van het Uitvoeringsbeleid VTH is tweeledig: 1. De kwaliteitscriteria 2.3 De “Wet VTH” verplicht gemeentes tot het hebben van een verordening over de kwaliteit van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. In 2014 heeft het college het “Verbeterplan implementatie kwaliteitscriteria” vastgesteld. Het Uitvoeringsbeleid VTH is hier onderdeel van. Dit is vastgelegd in paragraaf 18.3.3, artikel 18.20 van de “Omgevingswet”. 2. Veranderingen en ontwikkelingen De “Omgevingswet” en de “Wet kwaliteitsborging voor het bouwen” (Wkb) brengen een aantal veranderingen met zich mee voor de uitvoering van de VTH-taken waar onder andere via dit beleid invulling aan wordt gegeven. Ook 6
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
heeft de gemeente een groot aantal ambities voor onder andere duurzaamheid en de woningvoorraad. In dit document wordt de bijdrage van VTH aan die ambities beschreven.
1.2 Kaders voor vergunningverlening, toezicht en handhaving Dit document bevat de strategische en tactische kaders die de gemeente toepast bij de beheersing van risico’s voor de leefomgeving en om de naleving van de wettelijke regels te stimuleren. Dit beleidsstuk staat niet op zichzelf. De “Handhavingstrategie Omgevingswet Delft” is een belangrijke gedetailleerde uitwerking van de handhaving en de methodiek voor het gedogen. In de “Handhavingstrategie Omgevingswet Delft” staat omschreven hoe de gemeente reageert op overtredingen en hoe er opgetreden wordt in het geval de gemeente zelf of een andere overheid de overtredende partij is. Ook wordt hierin beschreven in welke gevallen en onder welke voorwaarden door de gemeente gedoogd kan worden. Verder zijn er voor de vergunningverlening en het toezicht een toetsingsprotocol en een toezichtsprotocol opgesteld. In deze protocollen staat omschreven hoe diepgaand de gemeente aspecten toetst bij de vergunningverlening en controleert tijdens het toezicht. Het risico van de activiteiten en onderdelen is hierin leidend. Een meer risicovolle activiteit of onderdeel wordt diepgaander getoetst of gecontroleerd dan activiteiten met een kleiner risico. Het toetsingsprotocol en het toezichtsprotocol bieden hierdoor een verdere uitwerking van de kaders die gesteld worden in dit beleidsdocument.
1.3 Bevorderen van naleving is keuzes maken De gemeente heeft als taak om de fysieke leefomgeving veilig, gezond, aantrekkelijk en duurzaam te houden. Om dit mogelijk te maken zijn er wetten opgesteld waaraan gebruikers zoals burgers, bedrijven, overheden en bezoekers zich moeten houden. Daarnaast heeft de gemeente ook eigen beleidskaders opgesteld met daarin regels over hoe de leefomgeving wel en niet gebruikt mag worden. Van de gebruikers van de fysieke leefomgeving wordt verwacht dat ze de regels die in deze wetten en regelgeving zijn vastgelegd na leven maar dit gaat niet altijd vanzelf. Om de regels na te leven zijn er soms extra inspanningen of investeringen nodig waar men in eerste instantie geen rekening mee had gehouden. Van de gemeente wordt daarom verwacht dat zij als uitvoerder van die wetten en maker van beleid een inspanning levert om naleving van die regels te stimuleren. De gemeente kan alleen niet alles vooraf toetsen en controleren om zo alle risico’s van niet-naleving te voorkomen. Van ons mag worden verwacht dat wij de aannemelijkheid toetsen. Burgers, ondernemers en andere gebruikers hebben een eigen verantwoordelijkheid om de regels na te leven en het zou de gemeente teveel tijd en geld kosten om alles 100% te controleren. Ook kan toezicht en handhaving voor de betrokkenen een ingrijpende gebeurtenis zijn.
Dit stelt grenzen aan de manier waarop en mate waarin 7
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
we naleving kunnen stimuleren. De gemeente maakt daarom keuzes over hoe we de beperkt beschikbare mensen en middelen het beste in kunnen zetten. We passen daarom maatwerk toe waarin we de menselijke maat afwegen tegen onze formele taken. De gemeente maakt daarom keuzes met betrekking tot hoe de beperkt beschikbare mensen en middelen het beste ingezet kunnen worden om het naleefgedrag te bevorderen. De gemeente doet dat door de risico’s van niet-naleving tegen elkaar af te wegen. Op basis van die afweging worden prioriteiten gesteld bij het verkennen van initiatieven, de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving.
1.4 Het Uitvoeringsbeleid VTH als formeel document Deze nota is een vervolg op het Uitvoeringsbeleid 2016-2020. Het uitvoeringsbeleid VTH wordt opgesteld om heldere beleidskaders te bieden voor de VTH-taken. De kaders vastgelegd in deze nota worden bepaald aan de hand van recente en toekomstige ontwikkelingen. De belangrijkste van deze ontwikkelingen zijn: - De inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wkb - De vernieuwde landelijke handhavingsstrategie - De beleidsdoelstellingen zoals bijvoorbeeld duurzaamheid en bescherming van de woningvoorraad die voortkomen uit de ambities van het college en de raad. Daarnaast wordt met dit document invulling gegeven aan landelijke criteria die aan VTH-organisaties worden gesteld. De criteria zijn voor een deel vastgelegd in het Besluit Omgevingsrecht en breder uitgewerkt in de Kwaliteitscriteria 2.3. Dit beleidsplan combineert onderstaande procescriteria uit de Kwaliteitscriteria 2.3 met betrekking tot de beleidsvorming: - Een strategisch beleidskader met daarin een prioriteitstelling van de uitvoering van de wettelijke VTHtaken. - Rapportage en evaluatie: door middel van de VTH-jaarplannen wordt er gemonitord en gerapporteerd op de vastgestelde indicatoren voor de uitvoering en de gestelde prioriteiten. De VTHjaarplannen bieden informatie voor het opstellen van het Uitvoeringsbeleid VTH.
- De operationele cyclus wordt jaarlijks doorlopen. In het VTHjaarplan wordt beschreven wat de gemeente het komende jaar doet en wordt er gerapporteerd op het afgelopen jaar. De monitoring in de VTH-jaarplannen ligt aan de basis van het strategisch beleidskader. 8
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
1.5 Reikwijdte nota Deze nota geeft een concreet uitvoeringskader om op een samenhangende manier de gemeentelijke VTH-taken uit te voeren. Het gaat daarbij om duurzame ontwikkeling en bewoonbaarheid van de fysieke leefomgeving en om bescherming en verbetering van het leefmilieu. De gemeente wil inwoners stimuleren om zonder het gebruik van dwingende regels de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. In sommige gevallen betekent dat ook dat we willen dat zij daarbij verder gaan dan de normen waaraan we als gemeente toetsen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan duurzaamheid. De manier waarop de beleidsdoelen worden nagestreefd valt buiten de reikwijdte van deze nota. Verder vallen de vergunnings- en toezichtstaken op grond van de APV, voor zover die niet vallen onder de Omgevingswet en niet opgenomen zijn in het omgevingsplan, buiten de reikwijdte van deze nota. Dat geldt ook voor bijzondere wetten zoals de Drank- en Horecawet. Ook wet- en regelgeving waarvoor ketenpartners namens het college VTH-taken uitvoeren, vallen buiten de reikwijdte van deze nota. Bij deze ketenpartners worden de taken uitgevoerd binnen de vastgestelde, regionale kaders.
1.6 Samenwerking met ketenpartners De gemeente werkt bij de uitvoering van de VTH-taken steeds vaker samen met de Omgevingsdienst Haaglanden, de Veiligheidsregio Haaglanden en het Hoogheemraadschap van Delfland. Deze samenwerking komt deels voort uit wetgeving en deels uit de wens om integraal samen te werken. De Omgevingsdienst Haaglanden is door de gemeente gemandateerd om op milieugebied vergunningen te verlenen, toezicht te houden en te handhaven. De Omgevingsdienst Haaglanden adviseert de gemeente ook bij het opstellen van het omgevingsplan en bij het behandelen van initiatieven. De taken die aan de Omgevingsdienst Haaglanden zijn overgedragen en de manier waarop de Omgevingsdienst Haaglanden daar invulling aan geeft zijn opgenomen in de “Nota VTH beleid gemeentelijke taken Omgevingsdienst Haaglanden”. De Veiligheidsregio Haaglanden is de expert op het gebied van brandveiligheid en crisisbeheersing. De Veiligheidsregio Haaglanden is door de gemeente aangewezen als toezichthouder om een deel van het toezicht op de brandveiligheid uit te voeren. Zij zijn niet gemandateerd om te handhaven of om vergunningen te verlenen, in die gevallen vervullen zij voor de gemeente een adviesrol. Het Hoogheemraadschap van Delfland is het bevoegd gezag met betrekking tot het verlenen van watervergunningen en het opstellen van de waterschapsverordening.
Onder de Omgevingswet zal de gemeente meer samen gaan werken met het Hoogheemraadschap van Delfland voor het verkennen van initiatieven en het behandelen van vergunningen.
9
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
Naast deze ketenpartners werkt de gemeente Delft samen met een groot aantal andere partners waaronder andere overheidsinstellingen, particulieren, bedrijven en kennisinstituten en overheden.
1.7 Leeswijzer Dit beleidsstuk begint met een uiteenzetting van de ambities, missie en uitgangspunten van de gemeente Delft. Hieruit worden de wettelijke taken en bovenwettelijke aandachtsgebieden afgeleid die voor de uitvoering van de VTH-taken van belang zijn. In de hoofdstukken 4 tot en met 8 komen de verschillende fases van het VTH-proces aan de orde. Deze fases zijn: 1. Voorlichting en verkennen van initiatieven 2. Vergunningverlening, meldingsplicht en informatieplicht 3. Toezicht op de realisatie 4. Toezicht op de bestaande bouw 5. Handhaving. Per fase wordt besproken hoe de wettelijke taken en de bovenwettelijke aandachtsgebieden aangepakt worden. Het is voor de gemeente van groot belang om effectieve dienstverlening te bieden en om van meerwaarde te zijn voor de stad. In de 10
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
hoofdstukken 4 tot en met 8 zal dit telkens expliciet aan de orde komen zodat duidelijk is wat wij als gemeente doen voor de burgers en het algemeen belang. Verder wordt er besproken welke zaken we als gemeente loslaten omdat we ons niet overal op kunnen richten en wat we voor die specifieke fase in het VTH-proces monitoren. In hoofdstuk 9 wordt de Wet kwaliteitsborgen voor het bouwen (Wkb) uitgelegd, welke consequenties de nieuwe wet heeft voor de gemeente en hoe we daar de komende jaren mee om willen gaan. De kaders zijn in de hoofdstukken 4 tot en met 9 zijn steeds zo geformuleerd dat het college van B&W met het vaststellen van dit beleidsstuk instemt om de VTH-taken op de voorgestelde manier en op het voorgestelde niveau uit te voeren. De financiering van de VTH-taken vanuit de algemene middelen en de leges wordt besproken in hoofdstuk 10. Hier komt ook de financiering van de Omgevingsdienst Haaglanden en de Veiligheidsregio Haaglanden vanuit de algemene middelen aan bod. Hoofdstuk 11 bevat een overzicht van de financiering van de uitvoering van de VTHtaken met daarin de dekking door de leges en de algemene middelen. In hoofdstuk 12 wordt een vooruitblik gegeven op thema’s die in de komende jaren op de gemeente af gaan komen. Daarin wordt een voorstel gedaan voor meer capaciteit in de vorm van een flexibel handhavingsbudget.
Indien dit flexibele handhavingsbudget wordt ingevuld via de kadernota dan zal daar op de manier mee worden omgegaan zoals het beschreven staat in hoofdstuk 12. Het stuk sluit af met een drietal bijlagen waarin een terugkoppeling wordt gegeven op de ontwikkelingspunten uit het voorgaande uitvoeringsbeleid en de evaluatie die de basis vormt voor dit document. In bijlage 2 zijn de uitkomsten van de interviews terug te lezen, in bijlage 3 de monitoring van 2019 tot 2022 en de analyse van die cijfers. Het beleid is geformuleerd vanuit het perspectief van de gemeente Delft en niet vanuit het perspectief van de ketenpartners zoals de Omgevingsdienst Haaglanden of de Veiligheidsregio Haaglanden. Wel wordt er samengewerkt met de ketenpartners onder andere omdat de Omgevingswet meer onderlinge afstemming van de verschillende partners verwacht in het verkennen van initiatieven en het verlenen van vergunningen.
11
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
2. Ambities, missie en uitgangspunten In dit hoofdstuk worden de ambities van de gemeente Delft besproken en de missie en uitgangspunten van de afdeling Veiligheid. Deze ambities, missie en uitgangspunten werken door in de manier waarop de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving worden uitgevoerd.
2.1 De stad Delft Delft waar het goed en gezond leven is met sterke leefbare wijken. Delft wil in 2040 een leefbare stad zijn. Bewoners, bezoekers en mensen die hier werken voelen zich veilig in de stad en kunnen zich overal bewegen zonder dat zij zich belemmerd voelen door criminaliteit en onveiligheid.
Het uitvoeringsbeleid moet goed aansluiten op de waarden die belangrijk zijn voor Delft. Die waarden worden gevormd door het profiel van de stad en vanuit de bestuurlijke ambities. Delft wordt gekenmerkt door een rijke historie met grote hoeveelheden cultureel erfgoed, de Technische Universiteit Delft en de centrale ligging tussen Den Haag en Rotterdam. Deze kenmerken brengen ook een aantal uitdagingen voor Delft met zich mee. Zo heeft Delft bijvoorbeeld een groot aantal inwoners tussen de 20 en 30 jaar wat een uitdaging voor een evenwichtige woningvoorraad met zich meebrengt. Ook de lange geschiedenis van Delft met de vele monumentale panden in de binnenstad en een paar gebieden met de status van beschermd stadsgezicht, brengt uitdagingen met zich mee. Daar komt nog bij dat Delft een compacte stad is met veel verschillende functies die elkaar kunnen bijten. De toedeling van de openbare ruimte aan die functies moet daarom goed overwogen worden en goed op worden toegezien.
2.2 Ambities van de gemeente Delft In de Omgevingsvisie Delft 2040 staat beschreven wat voor stad we in de toekomst willen zijn. In de visie geeft de gemeente aan wat de gewenste ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving zijn. Hieronder worden kort de belangrijkste punten uit de Omgevingsvisie voor dit beleidsstuk weergegeven. De complete omgevingsvisie is te vinden op de website van de gemeente. Een belangrijke opdracht voor de VTH-taken in de Omgevingsvisie Delft 2040 is:
De risico’s van niet-naleving van dwingende regels en het beleid op het vlak van de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te beperken, gegeven de beperkt beschikbare middelen en met een minimale overlast voor de inwoners en bedrijven.
12
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
De bijdrage die planvorming, vergunningverlening en toezicht en handhaving kunnen leveren aan het realiseren van de gewenste ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving van Delft wordt benadrukt in de Omgevingsvisie. De bestuurlijke prioriteiten van het college die volgen uit de Omgevingsvisie, zijn meegenomen in het opstellen van dit stuk. Zo zijn de prioriteiten die gesteld zijn voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving gebaseerd op de prioriteiten vastgelegd door het college in de bestuurlijke afspraken en op basis van risicoanalyses. De bijdrage van de VTH-taken aan die prioriteiten wordt in dit uitvoeringsbeleid beschreven.
2.3 Visie op de VTH-taken De gemeente realiseert zich dat vergunningverlening, toezicht en handhaving door betrokkenen als onprettig en lastig kan worden ervaren. Ondanks dat doen we het toch omdat we ook in een veilige, gezonde, aantrekkelijke en duurzame omgeving willen wonen en werken. Het gedrag van burgers of bedrijven kan soms van negatieve invloed zijn op dit doel en daarmee een risico opleveren voor de fysieke leefomgeving. De gemeente heeft in beginsel de zorg om die risico's beheersbaar te houden. Wel is er een grens aan de middelen die de gemeente daarvoor kan en wil inzetten. Die grens bepaalt daardoor ook de mate van risico’s die we acceptabel vinden om door de gemeentelijke samenleving te laten dragen.
Het doel van het gemeentelijk VTH-beleid is de risico’s van niet-naleving van dwingende regels en beleid op het vlak van de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te beperken.
De rode draad in het VTH-beleid is dat de inschatting van de risico's voor de fysieke leefomgeving doorslaggevend is voor de prioriteiten die we als gemeente stellen. Omdat de gemeente niet de capaciteit heeft om op alles in te kunnen zetten geven we de prioriteit aan de onderwerpen en gevallen waarin de risico's van niet-naleven het grootst zijn. We kiezen nadrukkelijk voor deze pragmatische aanpak en niet voor een meer principiële aanpak waarbij ’regel is regel’ als uitgangspunt dient. Deze pragmatische benadering van de VTH-taken heeft ook nadelen die we met het vaststellen van dit VTH-beleidsplan weloverwogen en bewust aanvaarden: 1. Niet alles wordt getoetst of gecontroleerd. Overtredingen gaan ontstaan en mogelijk juist op de terreinen en onderdelen die we minder prioriteit hebben gegeven op basis van het VTH-beleid. 2. Het kan zijn dat niet iedereen meer op dezelfde wijze door de gemeente wordt behandeld. Burgers en bedrijven die zich goed aan de regels houden, zullen minder aandacht krijgen van de gemeente en dus ook minder last hebben. Partijen die zich regelmatig niet aan de regels houden krijgen meer aandacht. 3. Als de gemeente een overtreding constateert zullen we niet meer in alle gevallen naleving afdwingen. In de gevallen waar de overtreding laag ingeschaald wordt op de sanctiematrix (weinig tot geen gevolgen van de
13
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
overtreding en een goedwillende overtreder) is het mogelijk om bij een verzoek te blijven om de overtreding vrijwillig ongedaan te maken.
Wij leveren een actieve bijdrage aan een veilig en aantrekkelijk woon- en leefklimaat in Delft. Bewoners, bezoekers en mensen die in Delft werken kunnen zich vrij bewegen in een prettige leefomgeving en worden niet belemmerd door criminaliteit en onveiligheid.
2.4 Uitkomsten evaluatie en data-analyse Uitvoeringsbeleid 2016-2023 Vanaf 2016 zijn er stappen gezet om meer informatie te registreren tijdens de uitvoering van de VTH-taken. Deze informatie wordt gebruikt voor het opstellen van het Uitvoeringsbeleid VTH. Hieronder zijn de meerjarige beelden en de uitkomsten van de evaluatiegesprekken per fase van het VTH-proces kort samengevat. Meer uitgebreide informatie over de evaluatiegesprekken is terug te vinden in bijlage II. Bijlage III bevat de meerjarige beelden. In het voorgaande uitvoeringsbeleid zijn een aantal ontwikkelpunten opgenomen. In bijlage I is de terugkoppeling op die ontwikkelpunten terug te vinden. 2.4.1 Voorlichting, vooroverleggen en projecten Er kan meer voordeel worden gehaald uit het vooroverleg, zowel voor de initiatiefnemer als voor de gemeente. De initiatiefnemer heeft sneller duidelijkheid en kan aanwijzingen krijgen om een complete aanvraag in te dienen. Het is goed dat bij de implementatie van de Omgevingswet verbeteringen worden doorgevoerd in het vooroverleg. Om beter in beeld te krijgen welk (positief) effect er is op de fase van vergunningverlening, is het wel nodig om andere informatie bij te houden en daarbij de relatie goed te leggen met de behandeling van aanvragen waar een vooroverleg aan vooraf is gegaan.
2.4.2 Vergunningverlening en meldingen Uit de analyse van informatie blijkt dat het overgrote deel van aanvragers de verantwoordelijkheid oppakt om een goede en vergunbare aanvraag in te dienen en aanspreekbaar is in de gevallen dat er iets aan de hand is. Het uitvoeringsbeleid heeft op dit punt de afgelopen jaren goed gewerkt. Uit de interviews blijkt de wens om de behandeling van de vergunning gedetailleerder te monitoren. Dit kan extra inzichten opleveren die weer kunnen helpen bij een zo efficiënt mogelijke invulling van de behandeltermijn. Daarmee kan een nog beter beeld ontstaan van de kwaliteit van de aanvragen. De insteek is om daar ook een relatie te leggen met vooroverleg. Tot slot zijn van de risicogerichte prioriteiten constructieve veiligheid en brandveiligheid als toegevoegde waarde ervaren. De prioriteiten ventilatie en vocht hebben in 14
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
vergunningverlening weinig waarde. Het is beter om meer prioriteit te geven aan duurzaamheid. Dit moet worden verwerkt in het toetsingsprotocol. De monitoring van de kostendekkendheid van het legesmodel heeft ook goed gewerkt. Op basis van de monitoring waren de trends goed in beeld en de gevolgen daarvan voor het legesmodel goed verklaarbaar.
2.4.3 Toezicht op realisatie Op basis van de ervaringen en de verzamelde data is de conclusie dat constructieve veiligheid, brandveiligheid en omgevingsveiligheid inderdaad goede prioriteiten zijn bij toezicht op realisatie van verleende vergunningen. Vocht en ventilatie hebben als prioriteit weinig toegevoegde waarde gehad. Ook is uit de evaluatiegesprekken naar voren gekomen dat er meer prioriteit kan worden gegeven aan duurzaamheid. Verder is naar voren gekomen dat het belangrijker is om bij te houden of echt formele handhaving nodig was in plaats van registreren van de ernst van de overtreding. Ook is aangegeven dat het goed is om bij te houden hoe vaak wordt afgeweken van de verleende vergunning en vanaf 2024 hoe vaak wordt afweken van de regels in de Wkb. 2.4.4 Toezicht op de bestaande leefomgeving en handhaving Uit de meerjarenbeelden komt naar voren dat de grootste risico's voor de bestaande leefomgeving zitten in constructieve veiligheid, brandveiligheid en omgevingsveiligheid. Vocht en ventilatie speelt veel minder als onderwerp bij toezicht en handhaving bestaande leefomgeving. De gemeente maakt gebruik van signaaltoezicht en -handhaving als een effectieve filter om de beschikbare middelen in te zetten waar het echt nodig is.
De keerzijde hiervan is dat er geen doelgericht toezichtsprogramma is voor de bestaande leefomgeving en begint het beeld te groeien dat dit wel nodig is. De gemeente kan bijvoorbeeld niet inspelen op ontwikkelingen die per situatie geen groot probleem hoeven te zijn, maar als trend ongewenst zijn en waarbij de gemeente de trend dus niet vroegtijdig kan stoppen. Op dit moment zijn er vanuit een paar beleidsdoelen extra opdrachten voor toezicht en handhaving. Het gaat dan om specifieke onderwerpen als woonoverlast, verkamering en het op orde houden van de Basisregistraties Adressen en Gebouwen. De middelen daarvoor zijn niet flexibel. De gemeente probeert om handhavingszaken zo veel mogelijk in overleg op te lossen. Dit lukt de afgelopen jaren goed en wordt daarom ervaren als een goed uitgangspunt. De ervaring heeft ook geleerd dat er situaties zijn waarbij dat juist niet effectief is en dat het belangrijk is om dat op tijd te herkennen.
2.4.5 Totaalbeeld evaluatie Uit de meerjarenbeelden van de uitvoering en de evaluatiegesprekken komt naar voren dat het voldoende is om in het uitvoeringsbeleid alleen accenten aan te passen, behalve bij toezicht en handhaving van de bestaande leefomgeving. De benodigde verandering voor toezicht en handhaving zal een groeimodel zijn. De contouren hiervan worden in hoofdstuk 11 beschreven. 15
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
2.5 Uitgangspunten en prioriteiten 2.5.1 Nalevingsbevordering als integrale aanpak De gemeente wil het gedrag van inwoners, bedrijven en instellingen (bij)sturen door de risico’s te beheersen die de fysieke leefomgeving bedreigen. Binnen het VTH-beleid heeft de gemeente diverse instrumenten ter beschikking om het gedrag te beïnvloeden en naleving af te dwingen. Het te gebruiken instrumentarium is daarbij breder dan alleen de vergunningverlening, de controles en de juridische dwangmiddelen die kunnen worden ingezet in het geval een overtreding wordt geconstateerd. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende aspecten: 1. De gemeente gaat ervan uit dat het overgrote deel van de gebruikers van de fysieke leefomgeving uit zichzelf bereid is de normen die er gelden na te leven. De benadering van de doelgroep is daarom gebaseerd op vertrouwen in de goede bedoelingen. 2. Daar waar mogelijk wordt daarom gebruik gemaakt van instrumenten en middelen die recht doen aan de goede bedoelingen van de doelgroep, zoals voorlichting en het wegnemen van obstakels. 3. Zowel bij bewuste als onbewuste niet-naleving kan de gemeente de ter beschikking staande juridische sanctiemiddelen inzetten om het gewenste naleefgedrag af te dwingen. 4. De gemeente neemt de gebruikers en hun bedoelingen serieus en verwacht daarom ook een eigen verantwoordelijkheid.
Daarbij geldt hoe professioneler de gebruiker is hoe meer er wordt verwacht van de eigen professionaliteit en verantwoordelijkheid bij de naleving van de regels. 5. De gemeente gaat af op de mate waarin de risico's aanvaardbaar zijn en niet het principiële van de regels die ze moeten voorkomen. 2.5.2 Informatie- en risicogericht handelen Bij vrijwel alle activiteiten (onder de Omgevingswet) vindt het toetsen van de vergunningaanvragen risicogestuurd plaats op basis van (landelijke) risicomatrixen, toetsprotocollen en risicokaarten. Door de verschuiving van vergunningsplichtig naar vergunningsvrij komt er meer focus te liggen op toezicht en handhaving. Tegelijkertijd is het niet mogelijk om op alle wetgeving toezicht te houden en te handhaven en zal er voor de inzet altijd een keuze gemaakt moeten worden op basis van de risico's die de overtreding oplevert. Het in kaart brengen van de risico's om zo gericht mogelijk de beschikbare middelen in te kunnen zetten is een vereiste om toezicht en handhaving op voldoende niveau uit te kunnen oefenen. Met structureel gegevensonderzoek wordt een gedegen keuze gemaakt uit de te handhaven thema's en locaties met de meeste risico's. 2.5.3 Loslaten en vertrouwen Er zijn kaders nodig om ongewenste situaties te voorkomen. Dit is allemaal in het belang van een veilig, gezond en aantrekkelijk woon-, werk-, en leefklimaat.
Binnen die kaders is er ook ruimte voor lokaal beleid in de vorm van algemene regels. Zoals bijvoorbeeld de verruimde bouwmeldingen en verschillende welstandsniveaus binnen de gemeente. De gemeente vertrouwt daarbij op de eigen verantwoordelijk van de verschillende partijen. Door samenwerking met ondernemers en burgers worden de kaders als minder knellend ervaren en ontstaan er voor iedereen meer mogelijkheden. 16
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
Ondernemers en burgers kunnen daardoor minder administratieve lasten ervaren bij de uitvoering van een plan. Tegelijkertijd is het door gegeven vrijheid mogelijk dat er discussie ontstaat door verschillende interpretaties van de regels. Ook hierbij gaan we uit van de goedwillendheid van burgers en ondernemers en wordt er gezocht naar een gedragen oplossing. Samenwerken, loslaten en vertrouwen vragen wel om een strenger optreden tegen uitwassen.
2.5.4 Prioriteiten Om capaciteit en middelen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten, is het belangrijk om te weten welk risiconiveau van niet-naleving we als gemeente kunnen accepteren. In het voorgaande Uitvoeringsbeleid VTH zijn er voor een aantal prioriteiten streefniveaus opgesteld. In dit Uitvoeringsbeleid VTH is ervoor gekozen om deze streefniveaus los te laten. Ongeacht of het streefniveau behaald wordt, blijven de geprioriteerde thema’s van het hoogste belang voor de gemeente. Voor sturing op de prioriteiten hadden de streefniveaus dus geen toegevoegde waarde. Het naleefpercentage voor een bepaald thema blijft uit te rekenen aan de hand van het aantal controles en de het aantal geconstateerde overtredingen. De raad heeft de Omgevingsvisie 2040 vastgesteld met daarin de kernwaarden en opgaven voor Delft.. In 2022 zijn door het college bestuurlijke prioriteiten vastgesteld. Om op de ruimtelijke vraagstukken concreet te sturen, is op basis van de opgaven in de Omgevingsvisie Delft 2040 een waardenkompas ontwikkeld. Dit kompas kent zes waarden om nieuw beleid en nieuwe ontwikkelingen te beoordelen in relatie tot het gebied of de locatie. Het gaat kompas is bruikbaar voorvergunningverlening van plannen die een grote afwijking betekenen van actueel, lokaal beleid voor de fysieke leefomgeving.
Kernwaarden Omgevingsvisie Waardenkompas Opgesteld door de raad. Kernwaarden: • Technologie, innovatie en creativiteit • De verbonden stad • Historie Waardenkompas: • Lokale opgaven koppelen • Stad van korte afstanden • Duurzame, gezonde leefomgeving • Voorzieningen voor iedereen • Inclusief werken • Inclusief wonen
Bestuurlijke prioriteiten Opgesteld door het college • Ruimte voor wonen • Een gezonde en veilige stad • Een duurzame stad • Economische kracht en bruisende stad
Vanuit de kernwaarden en het waardenkompas van de Omgevingsvisie Delft 2040 en de bestuurlijke prioriteiten, zijn de volgende taken binnen de Omgevingswet (artikel 2.1, lid 3) belangrijk bij de uitvoering van VTH-taken: Taken in Omgevingswet Eventuele afbakening Evenwichtige toedeling van functies aan locaties 17
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
Kwaliteit van bouwwerken Het beheer van infrastructuur Beschermen van milieu Behoud van cultureel erfgoed
Natuurbescherming Het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen Het waarborgen van de veiligheid Het beschermen van de gezondheid
Monumentale bouwwerken en bomen Archeologie Beschermd stadsgezicht Cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken Bomen
In relatie tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Het beschermen van het milieu Het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden Het beheer van watersystemen Het beheer van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van bouwwerken Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Algemeen geldt dat – voor zover dat niet landelijk of provinciaal is geregeld - primair goede kaders moeten worden vastgesteld in het lokale beleid voor de fysieke leefomgeving met doelgerichte, concrete toetsingscriteria. Deze taken zijn onze wettelijke taken en noemen we de wettelijke kerntaken. Deze kerntaken worden door de gemeente altijd gecontroleerd totdat de aannemelijkheid van het voldoen aan de regelgeving aangetoond is. De manier waarop de controle van de wettelijke kerntaken plaatsvindt verschilt per fase. Het zwaartepunt ligt bij de fases voor verkennen van initiatieven en vergunningverlening. Hier worden de wettelijke kerntaken diepgaand getoetst. In de overige fases worden deze taken gecontroleerd maar niet altijd diepgaand nagelopen. Er zijn een aantal taken en onderdelen binnen de wettelijke kerntaken die zich richten op de concrete, technische uitwerking en de wijze van uitvoering van activiteiten voor bouwwerken en/of monumenten. Hiervoor zijn over het algemeen goed toetsbare, objectieve eisen opgenomen in wet- en regelgeving.
De primaire verantwoordelijkheid om aan deze technische eisen te voldoen, ligt bij de initiatiefnemer/opdrachtgever. Volledige toetsing levert een zeer omvangrijke taakuitvoering op die niet in verhouding staat tot de verantwoordelijkheid van de gemeente als toezichthouder en de risico's bij fouten. Daarom worden deze onderdelen volledig risicogericht uitgevoerd. De onderdelen die hiervoor zijn uitgekozen zijn onderdelen met aanzienlijke consequenties in het geval van overtredingen. Denk hierbij aan gevaarlijke omstandigheden voor bewoners of de omgeving of onomkeerbare schade aan monumenten. Door ons hierop te richten kunnen we als gemeente de grootste bijdrage 18
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
leveren aan een veilige leefomgeving. Het gaat concreet om deze onderdelen binnen taken in de Omgevingswet: Taken in Concrete prioriteiten binnen VTH-taken Omgevingswet Kwaliteit van Constructieve veiligheid bouwwerken Brandveiligheid/ Brandveilig gebruik Gezondheid Waarborgen van de Omgevingsveiligheid (bouw- en sloopveiligheid) veiligheid Behoud cultureel (Onderhouds)activiteiten aan monumenten erfgoed In het vervolg zullen deze taken de wettelijke risicogerichte taken worden genoemd. Tot slot hebben de volgende taken van de Omgevingswet hoge prioriteit in Delft, maar is er binnen de Omgevingswet gaan grondslag om in lokaal beleid (hogere) eisen te stellen in aanvulling op de landelijke wet- en regelgeving. Deze taken zijn: Taken in Omgevingswet Concrete prioriteiten binnen VTHtaken Tegengaan van klimaatverandering Circulair bouwen Energietransitie Klimaatadaptief bouwen Natuurbescherming Natuurinclusief bouwen Voor deze taken bestaan nog geen concrete, landelijke of lokale toetsingskaders die standaard mogen worden toegepast bij vergunningverlening, toezicht of handhaving. Zolang dat zo is, kan de gemeente alleen stimuleren als een plan binnen het bestemmingsplan of omgevingsplan past. Als een plan afwijkt, kan de gemeente zich sterk maken om hoge(re) eisen te stellen aan circulair bouwen, energietransitie, klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen.
In het vervolg zullen deze taken de bovenwettelijke aandachtsgebieden worden genoemd. Een evenwichtige woningvoorraad heeft ook hoge prioriteit in Delft. Deze taak valt niet onder de Omgevingswet, maar onder de Huisvestingswet. Het heeft vaak wel raakvlakken met de taken binnen de Omgevingswet. Daarom wordt deze prioriteit in samenhang met de wettelijke kerntaken en de wettelijke risicogerichte taken opgepakt. Al deze wettelijke taken, wettelijke risicogerichte taken en bovenwettelijke aandachtsgebieden worden gebruikt om een integrale afweging te maken. Bij (grote) afwijkingen van het lokale beleid, bijvoorbeeld in een aanvraag om omgevingsvergunning, moeten deze taken tegen elkaar worden afgewogen. De vragen die daar onder andere bij gesteld worden zijn: past de afwijking in de Omgevingsvisie Delft 2040, de bestuurlijke prioriteiten en binnen de kaders voor een veilige gezonde leefomgeving? Of doet het plan juist afbreuk hieraan?
19
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
3. Voorlichting en verkennen van initiatieven Voorlichting gaat over informatievoorziening (procedures, beleid, vindplaatsen, loketten, etc) en overleg over initiatieven vooraf aan formele meldingen, vergunningaanvragen, meldingen van overlast en handhavingsverzoeken. De gemeente doet dit door de dienstverlening zo effectief mogelijk vorm te geven.
3.1 Effectieve dienstverlening Wat verstaan wij als gemeente onder effectieve dienstverlening? Effectieve dienstverlening begint met goede informatievoorziening op de website over een groot aantal verschillende onderwerpen: • landelijke wet- en regelgeving en lokaal beleid • het vooroverleg en het begeleiden van initiatieven • indienen van meldingen en aanvragen om omgevingsvergunning • meldingen van bouwoverlast en handhavingsverzoeken. Ook dit Uitvoeringsbeleid VTH heeft een plek op de website. De volgende stap in de dienstverlening is de mogelijkheid om een vooroverleg over een voorgenomen activiteit aan te vragen. Het vooroverleg is een belangrijk onderdeel van de voorlichting van de gemeente Delft. De gemeente voert bij het verzoek om vooroverleg een integrale beoordeling op de wenselijkheid en haalbaarheid van het initiatief uit. Met name bij plannen waar cultuurhistorische waarden, een wijziging in het gebruik, de functie of de omgevingsveiligheid een rol spelen is het vooroverleg een belangrijke bron van informatie voor de initiatiefnemer. De technische uitwerking van het plan zoals de bouwtechnische eisen en de bouwkundige brandveiligheidseisen komen tijdens dit traject niet verder aan bod dan de uitgangspunten en de hoofdlijnen. Deze eisen zijn vaak concreet genoeg geformuleerd in wet- en regelgeving en zijn geen belemmering voor de wenselijkheid of haalbaarheid.
Dit vooroverleg is voor iedereen beschikbaar maar er zijn wel legeskosten aan verbonden. Deze legeskosten worden vervolgens (grotendeels) weer verrekend bij een succesvolle aanvraag om omgevingsvergunning die in lijn is met het vooroverleg. De meerwaarde van dit vooroverleg bestaat voor de initiatiefnemer uit het verkleinen van de risico's op problemen bij de aanvraag om omgevingsvergunning, het tijdig signaleren van knelpunten of uitdagingen in een plan en vinden van oplossingsrichtingen daarvoor. Door het Rijk en de VNG zijn er handreikingen opgesteld over het vooroverleg. De gemeente Delft heeft het vooroverleg in lijn met die handreikingen ingericht: • Een snelle service voor eenvoudige initiatieven. • Een uitgebreide behandeling in 4 stappen voor niet-eenvoudige initiatieven. Beoordeling van: o wenselijkheid van het initiatief o haalbaarheid van schetsontwerp, randvoorwaarden en uitgangspunten o haalbaarheid van voorlopig of globaal ontwerp 20
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
o
haalbaarheid van definitief omgevingsvergunning
ontwerp
of
conceptaanvraag
Bij eenvoudige initiatieven gaat het bijvoorbeeld om (ver)bouw, buurtinitiatieven, maatschappelijke initiatieven, die passen in het (tijdelijk) Omgevingsplan of afwijkingen met weinig impact op de omgeving. Bij bouwen is het aantal objecten (bijvoorbeeld woningen) ook klein en bij verbouw gaat het om kleine activiteiten in relatie tot de omgeving. Het is altijd maatwerk om te bepalen of een initiatief eenvoudig is of niet. Bij een niet-eenvoudig initiatief wordt eerst beoordeeld of het initiatief wenselijk is. Deze beoordeling wordt gemaakt op basis van de waarden vastgelegd in de gebiedsvisie. Als het initiatief als wenselijk wordt beoordeeld kan het verder in het proces. Het bespreken van de haalbaarheid van het initiatief is dan de volgende stap. Voor niet-eenvoudige initiatieven kan ook door de gemeente worden bepaald dat de complexiteit te groot is om in het vooroverleg te kunnen behandelen. Op dat moment is alleen begeleiding op projectmatige basis een optie. De gemeente zal op basis van prioriteiten, planning en beschikbare capaciteit aangeven of dat mogelijk is en perspectief geven als dat niet (direct) mogelijk is.
Vooroverleg is niet verplicht, maar de gemeente stuurt er actief op dat initiatiefnemers met niet-eenvoudige vergunningaanvragen eerst vooroverleg aanvragen voordat formeel een aanvraag om omgevingsvergunning of wijziging van het (tijdelijk) Omgevingsplan wordt aangevraagd. Naast het verkennen van het initiatief in overleg met de gemeente, kunnen ook bij de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit (AOK) plannen vroegtijdig worden voorgelegd voor aanbevelingen vanuit de AOK. De AOK is door de raad aangesteld als een onafhankelijke adviescommissie voor het college voor beeldkwaliteit van de leefomgeving en voor cultuurhistorische waarden van bouwwerken. Taken, kaders en werkwijze van de AOK zijn vastgelegd in de Verordening op de adviescommissie omgevingskwaliteit Delft 2022 en het bijbehorende Reglement van Orde. De aanbevelingen van de AOK vormen belangrijke informatie in het proces van vooroverleg. De onafhankelijke positie van de AOK is van groot belang en daarom kan de AOK niet meedoen aan de integrale ambtelijke, afweging tijdens het vooroverleg. Vergunningverlening is de volgende stap in de dienstverlening en dat wordt verder toegelicht in hoofdstuk 5. 21
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
3.2 Meerwaarde voor de stad Het vooroverleg biedt naast een meerwaarde voor de initiatiefnemer ook een meerwaarde voor de stad. In het begin van dit proces ligt de focus op Stedelijk Programmeren. Bij Stedelijk Programmeren wordt er gefilterd op impact op de leefomgeving in de stad en gestuurd op de goede ontwikkelingen op de goede plek en het benutten van kansen voor de stad. De bijdrage van het initiatief aan de leefbaarheid van de stad wordt daarmee vergroot. Ook is het mogelijk om initiatieven die niet wenselijk zijn voor de stad vroegtijdig tegen te houden of bij te sturen in een wenselijke richting. Bij gewenste initiatieven kunnen vroegtijdig extra kansen worden gezien om te benutten. Naarmate het proces verder is gevorderd, komt de haalbaarheid en vergunbaarheid steeds nadrukkelijker op tafel om de kans te vergroten dat een goed initiatief ook echt kan worden gerealiseerd. De prioriteiten worden bij vooroverleg op de volgende manier meegenomen: Wettelijke kerntaken Worden altijd getoetst op aannemelijkheid Wettelijke risicogerichte taken Worden alleen op uitgangspunten en hoofdlijnen getoetst bij niet-eenvoudige initiatieven Bovenwettelijke Worden alleen meegenomen in de integrale aandachtsgebieden afweging bij afwijkingen van het omgevingsplan met grote impact
3.3 Loslaten en vertrouwen Dit uitgangspunt werkt vooral door in de scope van het vooroverleg: de gemeente toetst en geeft richtingen aan voor verbeteringen en kansen. De initiatiefnemer wordt nadrukkelijker zelf aan het werk gezet om op basis van de gemeentelijke reactie een plan goed uit te werken en daarbij adviesbureaus in de arm te nemen als dat nodig is. Initiatiefnemers hebben bij niet-eenvoudige initiatieven de mogelijkheid om de gemeente bij belangrijke mijlpalen te benaderen. De initiatiefnemer kan op die momenten de gemeente om richting en toetsing van het initiatief vragen. Ketenpartners worden hierbij vroegtijdig betrokken. Tussen de adviesrondes aan de Omgevingstafel is de initiatiefnemer met het eigen ontwerpteam helemaal zelf aan zet voor participatie, ontwerpkeuzes en de uitwerking van het plan. Deze werkwijze is met het oog op de Omgevingswet door gemeenten en VNG ontwikkeld.
3.4 Monitoring Om de dienstverlening te kunnen verbeteren worden de thema's van alle vooroverleggen bijgehouden. Met die informatie kunnen we thema's identificeren waar veel vragen over gesteld worden en daar gerichter op inspelen door bijvoorbeeld de website aan te passen met meer of betere informatie. Bij de monitoring houden we niet meer bij wat de verhouding is tussen de inzet op voorlichting, vooroverleg, projecten en de inzet op vergunningverlening. Die verhouding is van weinig waarde gebleken. Het blijft wel belangrijk om de inzet goed te registreren. Bij de aangevraagde vooroverleggen wordt het volgende geregistreerd: 22
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
-
Eenvoudig of niet-eenvoudig Bij niet-eenvoudig o Het advies dat wordt gevraagd (wenselijkheid, haalbaarheid) o Het resultaat
Vervolgens is interessant om het effect van vooroverleg en/of, projectmatige begeleiding van initiatieven) te monitoren bij de uiteindelijke vergunningverlening. Verloopt de behandeling van een aanvraag om omgevingsvergunning inderdaad beter als er vooroverleg of projectmatige begeleiding aan vooraf is gegaan? Alle adviezen én de uiteindelijke aanvraag om omgevingsvergunning worden in het behandelsysteem aan elkaar gekoppeld. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning zijn volledigheid van de aanvraag, behandeltermijn en resultaat aspecten die iets kunnen zeggen over de meerwaarde van het doorlopen van een voortraject.
23
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
4. Vergunningverlening, meldingsplicht en informatieplicht De gemeente heeft een aantal instrumenten om preventief te kunnen toetsen of een plan kan worden toegestaan. Met andere woorden: of een activiteit past in de leefomgeving, voldoet aan alle regels of dat met een goede motivering een afwijking kan worden toegestaan. De vergunningplicht is het zwaarste instrument: als activiteiten gevolgen kunnen hebben voor de (directe) omgeving en voor belanghebbenden, dan mogen deze activiteiten niet worden uitgevoerd zonder een verleende omgevingsvergunning. Op de aanvraag van een omgevingsvergunning moet altijd een juridisch onderbouwde beschikking volgen, die open staat voor bezwaar en/of beroep. Direct na bekendmaking van het besluit kan de aanvrager (op eigen risico) beginnen met de uitvoering. Pas als de beschikking onherroepelijk is, kan er zonder eigen risico uitvoering aan worden gegeven. Een lichter instrument is de meldingsplicht. Dit instrument wordt ingezet als de overheid nog wel een preventieve controle wil uitvoeren, maar een vergunningprocedure een te zwaar middel is. Over het algemeen zijn meldingsplichten alleen van toepassing bij activiteiten waarbij er niet of nauwelijks impact is op de wettelijke kerntaken. De initiatiefnemer moet de activiteit nog wel vooraf melden met bijbehorende informatie.
De overheid hoeft alleen binnen een vastgestelde termijn te reageren, als er iets niet in orde is of als er een specifiek voorschrift moet worden opgelegd. Na verloop van de vastgestelde termijn of nadat in een reactie voorschriften zijn opgelegd, kan de activiteit worden uitgevoerd. Het lichtste instrument is de informatieplicht. Kortgezegd moet de initiatiefnemer de overheid informeren over de activiteit, maar is dat vooral omdat voor de overheid bepaalde informatie van belang is. Bijvoorbeeld de informatieplicht bij de start van de bouwwerkzaamheden. In dit uitvoeringsbeleid wordt niet bepaald voor welke activiteiten een vergunning-, meldings- of informatieplicht geldt. Dat wordt deels door het Rijk vastgesteld in Algemene maatregelen van Bestuur onder de Omgevingswet en door de gemeente in het (tijdelijke) Omgevingsplan. De Wet kwaliteitsborging voor de bouw brengt een aantal veranderingen voor de vergunningverlening met zich mee. Een uitleg van de veranderingen en de manier waarop de gemeente daarmee omgaat zijn opgenomen in hoofdstuk 8.
4.1 Effectieve dienstverlening 4.1.1 Vergunningplichten Zoals genoemd in het voorgaande hoofdstuk maakt de gemeente gebruik van de Omgevingstafel voor het verkennen van initiatieven die niet eenvoudig zijn. Het verkennen van de initiatieven draagt bij aan kwalitatief betere aanvragen en verkleint 24
Uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
het risico op aanvragen die niet kunnen worden vergund. Feitelijk wordt de inhoudelijke toetsing van het plan naar voren gehaald op een moment dat aanpassingen nog mogelijk zijn. Als vervolgens de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, kan de behandeling sneller worden doorlopen en is het risico op knelpunten is geminimaliseerd. Als de aanvraag om omgevingsvergunning overeenkomt met de uitkomst aan de Omgevingstafel, dan worden de leges van het vooroverleg grotendeels verrekend. Er blijven altijd externe factoren bestaan die een negatieve invloed kunnen hebben op het traject van vergunningverlening, ook als het voortraject succesvol is doorlopen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan onvolledigheid van gegevens waardoor de vergunning niet beoordeeld kan worden of ingediende bezwaar- en beroepsschriften achteraf. De gemeente beoordeelt de kwaliteit van de vergunningaanvraag streng. De vergunningaanvragen waarvan de kans zeer groot is dat deze het proces niet succesvol zullen doorlopen, proberen we in overleg met de aanvrager zo vroeg mogelijk uit het proces te halen. Dit scheelt voor de aanvrager tijd en kosten en de gemeente kan deze tijd inzetten om de meer kansrijke aanvragen te behandelen. Met de komst van de Omgevingswet wordt er bij elke niet-eenvoudige aanvraag bekeken of er vooroverleg met de gemeente is geweest.
Als dat niet zo is of als de aanvraag op belangrijke onderdelen afwijkt van de uitkomst van het vooroverleg, dan zal eerst worden bepaald of de activiteiten in de aanvraag wenselijk zijn. Als dat zo is, is er meestal wel meer tijd nodig voor de behandeling van de aanvraag en zal de beslistermijn met 6 weken worden verdaagd. Als de aanvraag niet wenselijk is of als er andere problemen in de aanvraag blijken te zijn, wordt de aanvrager gevraagd om de aanvraag in te trekken en het voortraject te doorlopen. Uit de evaluatie komt naar voren dat het goed is om daaraan vast te houden en de beschikbare capaciteit dus zo veel mogelijk te besteden aan kansrijke aanvragen. De gemeente werkt ook bij vergunningverlening risicogericht zodat de beschikbare capaciteit ingezet wordt in lijn met (de omvang van) de belangen die in het spel zijn. De diepgang van toetsing en de motivering in de beschikking hangen af van de complexiteit van de aangevraagde activiteiten, de omvang van de gevolgen en risico’s voor de omgeving. De kleine (ver)bouwactiviteiten worden bijvoorbeeld globaal gecontroleerd en alleen getoetst in het geval van bijzonderheden. Complexe bouwplannen zoals bijvoorbeeld appartementengebouwen worden diepgaand getoetst aan zowel de wettelijke risicogerichte taken als de wettelijke kerntaken.