uitbreiding pomphuis
Tekst van het document
Uitbreiding pomphuis te Delft
Ruimtelijke onderbouwing
Rapportnummer O 16971-2-RA-002 d.d. 29 maart 2024
Uitbreiding pomphuis te Delft
Ruimtelijke onderbouwing
Opdrachtgever: Delft Monumenten BV Rapportnummer: O 16971-2-RA-002 Datum: 29 maart 2024 Referentie: KvdN/IKa/DvdH/O 16971-2-RA-002 Verantwoordelijke: ir. K.V. van der Nat Opsteller: MSc I.H. Kalverboer +31 85 8228758 i.kalverboer@peutz.nl
Peutz bv, postbus 696, 2700 ar zoetermeer, +31 85 822 87 00, info@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid Nlingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook - zoetermeer - groningen - eindhoven - haps - düsseldorf - dortmund - berlijn - nürnberg - leuven - parijs - lyon
O 16971-2-RA-002 2
Inhoudsopgave 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Ligging plangebied
5
1.3
Vigerend bestemmingsplan
6
1.4
Leeswijzer
8
Planomschrijving
9
2.1
Huidige situatie plangebied
9
2.2
Toekomstige situatie plangebied
9
2
3
Beleidskader
12
3.1
Algemeen
12
3.2
Rijksbeleid
12
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie (2020)
12
3.2.2
De Ladder voor duurzame verstedelijking
13
3.3 3.3.1 3.4
Provinciaal beleid
14
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid Holland (2023)
14
Gemeentelijk beleid
16
3.4.1
Omgevingsvisie Delft 2040 (2021)
16
3.4.2
Visie Toerisme Delft 2030
17
3.4.3
Ruimtelijk economische visie Delft 2030
18
3.4.4
Beleidsregels parkeernormen Delft 2023
19
3.4.5
Monumentenbeleid 2007-2017 en Erfgoednota 2020-2030
20
3.4.6
Klimaatadapatiestrategie
20
3.4.7
Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen (2021)
21
Omgevingsaspecten
22
4.1
Algemeen
22
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
22
4.2.1
Algemeen
22
4.2.2
Wettelijk kader
22
4.2.3
Beoordeling
22
4.2.4
Conclusie
23
Bedrijven en milieuzonering
24
4.3.1
Algemeen
24
4.3.2
Beoordelingskader
24
4.3.3
Beoordeling
25
4.3.4
Conclusie
25
Geluid
25
4
4.3
4.4
O 16971-2-RA-002 3
4.4.1
Algemeen
25
4.4.2
Toetsingskader
26
4.4.3
Beoordeling
27
4.4.4
Conclusie
28
Luchtkwaliteit
28
4.5.1
Algemeen
28
4.5.2
Wettelijk kader
28
4.5.3
Beoordeling
29
4.5.4
Conclusie
30
Bodem
30
4.6.1
Algemeen
30
4.6.2
Wettelijk kader
30
4.6.3
Beoordeling
30
4.7
Ecologie
31
4.7.1
Algemeen
31
4.7.2
Wettelijk kader
31
4.7.3
Beoordeling
32
4.7.4
Conclusie
33
4.5
4.6
Verkeer en parkeren
33
4.8.1
4.8
Algemeen
33
4.8.2
Toetsingskader
34
4.8.3
Beoordeling
35
4.8.4
Conclusie
36
Externe veiligheid
36
4.9.1
4.9
Algemeen
36
4.9.2
Wettelijk kader
36
4.9.3
Beoordeling
37
4.9.4
Conclusie
40
Water
40
4.10.1
Beoordeling
41
4.10.2
Conclusie
43
4.10
Milieueffectrapportage
43
4.11.1
4.11
Wettelijk kader
43
4.11.2
Beoordeling
44
4.11.3
Conclusie
44
Uitvoerbaarheid
45
5.1
Algemeen
45
5.2
Economische uitvoerbaarheid
45
5.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
45
5
O 16971-2-RA-002 4
1
Inleiding
1 .1 A an le id ing
Aan het Kalverbos 20 te Delft bevindt zich het pomphuis. Aan dit monumentale bouwwerk zal een nieuwe invulling worden gegeven. In het ondergrondse bassin is in dat kader reeds een kunstcentrum gesitueerd, waarvan de entree in het pomphuis zal komen. Op de eerste verdieping zal een horecagelegenheid inclusief terras worden gerealiseerd. Aan de achterzijde van het pand is bovenop het verzonken bassin een verhoogde grasheuvel gesitueerd, waaraan de eerste verdieping grenst. Het voornemen bestaat op deze locatie een paviljoen te realiseren ten behoeve van de horecagelegenheid. Het pomphuis is een bijzondere locatie, die zich uitermate goed leent voor horeca. Het pand bevindt zich in het centrum van Delft, gelegen in een groene omgeving. De beoogde uitbreiding bevindt zich tussen het groen, en is hierdoor ook in enige mate beschut gelegen. Het pomphuis, en het omliggende gebied, is reeds bestemd voor gemengde doeleinden, waarbij ook al ondergeschikte horeca is toegestaan. De beoogde horeca is een goede aanvulling op het kunstcentrum en zorgt voor een toekomstbestendige invulling van het pomphuis. Het kunstcentrum en de horeca samen is een sterk concept dat een aanvulling is voor het culturele klimaat van Delft. Vanwege diens ligging draagt ook bij aan één van de doelstellingen van de toeristische visie van Delft, te weten het meer spreiden van bezoekers.
De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Binnenstad 2012’, dat op 22 juni 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Delft. Om de ontwikkeling planologisch juridisch mogelijk te maken zal een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan worden aangevraagd. Hiertoe is een ruimtelijke onderbouwing nodig waarmee wordt aangetoond dat de realisatie van het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Met voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat de realisatie van de beoogde ontwikkeling niet leidt tot belemmeringen voor de omgeving en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 1 .2 L igg ing p lang ebi ed
Het pomphuis is gesitueerd aan het Kalverbos 20 te Delft. Het plangebied is op een centrale locatie direct ten noordwesten van het stadscentrum van Delft gesitueerd. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich de Wateringsevest. In figuur f 1.1 wordt de ligging van het plangebied weergeven. In deze figuur wordt ook de locatie van de beoogde uitbreiding aangegeven.
O 16971-2-RA-002 5
f 1.1 Ligging plangebied (bron luchtfoto: Google Earth) 1 .3 V ige rend b es te mmingspl an
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Binnenstad 2012’ dat op 22 juni 2013 door gemeente Delft is vastgesteld. In figuur f 1.2 wordt een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan opgenomen.
O 16971-2-RA-002 6
f 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan
De gronden ter plaatse van het plangebied kennen de bestemming ‘Gemengd – Creatief grachtengebied’. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, dienstverlening, kantoor, bedrijf, culturele voorzieningen, maatschappelijke voorzieningen, ondergeschikte horeca, bijbehorende voorzieningen en inpandige fietsenstallingen. Bovendien is het plangebied aangemerkt als beschermd stadsgezicht, hetgeen betekent dat de gronden mede bestemd zijn voor de bescherming en veiligstelling van bouwhistorische waarden. Ter plaatse van de huidige bebouwing is een bouwvlak gesitueerd. De gronden alwaar de beoogde uitbreiding gesitueerd is vallen buiten het bouwvlak. Voor het bouwen van bouwwerken buiten het bouwvlak geldt onder andere dat de diepte van aan- en uitbouwen maximaal 3,5 meter mag bedragen. De bouwhoogte van de aan- en uitbouw mag maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw bedragen vermeerderd met 0,4 meter. Voor de breedte en totale omvang van een aan- en uitbouw worden geen specifieke regels opgenomen. Bovendien zijn aan de gronden ter plaatse van het plangebied archeologische en cultuurhistorische waarden toegekend. In paragraaf 4.2 wordt dit nader toegelicht. Strijdigheid met vigerend bestemmingsplan
De beoogde uitbreiding past niet binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan, aangezien de maximale diepte van aan- en uitbouwen wordt overschreden. Tevens is geen O 16971-2-RA-002 7
sprake van ondergeschikte horeca. Om de ontwikkeling planologisch juridisch mogelijk te maken zal een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd worden. Dit document vormt hierbij de ruimtelijke onderbouwing die nodig is voor het afwijken van het bestemmingsplan. Hierin wordt aangetoond dat de realisatie van het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 1 .4 L e es wij z er
Deze ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. In dit inleidende hoofdstuk komt de aanleiding, ligging van de projectlocatie en het vigerende bestemmingsplan aan bod. In hoofdstuk 2 'Planomschrijving' wordt het plan verder toegelicht, waarin zowel de huidige als de toekomstige situatie wordt besproken. Vervolgens geeft hoofdstuk 3 'Beleidskader' een overzicht van het relevante beleid betreffende deze ruimtelijke onderbouwing. Hoofdstuk 4 'Omgevingsaspecten' is gewijd aan de impact van de ontwikkeling op de omgeving. Onder andere de aspecten geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodem, ecologie, archeologie en verkeer en parkeren zullen hier worden behandeld. Tot slot zal hoofdstuk 5 ingaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
O 16971-2-RA-002 8
2
Planomschrijving
2 .1 Huid ig e si tua t ie p l angeb i ed
Direct naast het pomphuis bevindt zich een watertoren. In 1918 werd de watertoren uitgebreid met dit pomphuis en een groot cirkelvormig waterbassin. Dit waterbassin ligt in de grond verzonken onder een talud. De watertoren en het pomphuis zijn al geruime tijd niet meer in functie. Het pomphuis betreft, net zoals de watertoren, een Rijksmonument. In het pomphuis is thans een kunstcentrum gevestigd. Hiertoe is het ondergrondse bassin gerenoveerd tot tentoonstellingsruimte. In figuur f 2.1 wordt een impressie van de huidige situatie weergeven. Uit deze figuur blijkt tevens dat de gronden aan de achterzijde van het pand verhoogd zijn. Dit betreft het begroeide dak van de reinwaterkelder.
f 2.1 Impressie huidige situatie 2 .2 T o e ko ms tig e s itu at i e pl ang ebi ed
Het gebouw zal uit drie onderdelen bestaan. Elk van deze onderdelen kent een eigen sfeer. Het ondergrondse bassin biedt ruimte voor de tentoonstellingsruimte van het kunstcentrum. Het pomphuis functioneert als entreegebouw voor zowel het kunstcentrum als het restaurant. Op de 1e verdieping van het pomphuis zal het restaurant, inclusief het beoogde paviljoen, worden gesitueerd. De maximale bezetting betreft 80 gasten. Dit O 16971-2-RA-002 9
betreft het maximaal aantal gasten wat gelijktijdig aanwezig kan zijn (inclusief het gebruik van het terras). Het beoogde paviljoen zal gesitueerd worden op de verhoogde grasheuvel, aan de achterzijde van het pomphuis. De uitbreiding zal een omvang kennen van circa 90 m 2 bvo. In figuur f 2.2 wordt de lay-out van de toekomstige situatie opgenomen.
f 2.2 Lay-out toekomstige situatie Visueel ruimtelijke inpasbaarheid
Het beoogde paviljoen zal middels een glasstrook worden verbonden aan het pomphuis. Hierdoor kan het paviljoen constructief los van het pomphuis blijven. Het paviljoen zal transparant uitgevoerd worden. Door deze grote mate van transparantie wordt een sterke binding tussen binnen en buiten gecreëerd. Hierdoor is de beleving optimaal. Het dak van het paviljoen zal een groen vegetatiedak zijn. Hiermee wordt het paviljoen op passende wijze binnen het groene karakter van de omgeving ingepast. Ter plaatse van de gronden alwaar het beoogde paviljoen gesitueerd wordt is geen sprake van bomen. Er zullen dan ook geen bomen worden gekapt ter plaatse van deze gronden. In figuur f 2.3 wordt een zijaanzicht van de toekomstige situatie opgenomen.
O 16971-2-RA-002 10
f 2.3 Zijaanzicht uitbreiding Pomphuis
Doordat de beoogde uitbreiding constructief los staat van het pomphuis, worden ook de monumentale waarden van het pomphuis in hun waarde gelaten. Het paviljoen bestaat uit vier houten spanten, vlaswol isolatie en glas tot aan de grond. Aan de achterzijde bevindt zich tevens terrasruimte. Door de transparante en eenvoudige uitvoering van het paviljoen wordt geen afbreuk gedaan aan de monumentale waarden van het pomphuis. De karakteristieke elementen van het pomphuis worden niet door het beoogde paviljoen overschaduwd. Ook is door de beschutte ligging te midden van het groen geen sprake van de aantasting van waardevolle zichtlijnen. In figuur f 2.4 wordt een impressie van het paviljoen weergegeven.
f 2.4 Impressie paviljoen
O 16971-2-RA-002 11
3
Beleidskader
3 .1 A lg e me en
In de volgende paragrafen wordt het relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke en de functionele structuur omschreven. Gezien de schaal en aard van de beoogde ontwikkeling wordt volstaan met een bescheiden weergave van het beleidskader. 3 .2 R ij ksb e le id 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (2020)
Op 11 september 2020 is de definitieve Nationale Omgevingsvisie (NOVI) aan de Tweede Kamer aangeboden. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan wij voor een aantal grote opgaven. De bouw van 1 miljoen nieuwe woningen, duurzaam energie opwekken, klimaatverandering en de overgang naar een circulaire economie vragen veel ruimte. Meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Er moeten daarom keuzes gemaakt worden zodat Nederland ook voor toekomstige generaties een veilig, gezond en welvarend land kan blijven. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen wij staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes wij maken en welke richting wij meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. In de NOVI wordt daarbij een viertal prioriteiten aangegeven: - Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; - Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio's; - Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI is erop gericht om voor deze vier prioriteiten de nationale beleidskeuzes (op strategisch niveau) zo scherp mogelijk te formuleren.
Waar keuzes op nationaal niveau in de NOVI zelf niet of nog niet scherp gemaakt kunnen worden of waar dit niet verstandig is, wordt richting gegeven aan decentrale keuzes. In de NOVI worden in totaal 21 nationale belangen benoemd. De beoogde ontwikkeling betreft een binnen gemeente Delft gelegen (kleinschalige) ontwikkeling. Aangezien hierbij geen sprake is van grote nationale belangen valt deze ontwikkeling niet onder de primaire verantwoordelijkheid van het Rijk.
O 16971-2-RA-002 12
Door middel van de beoogde ontwikkeling wordt wel bijgedragen aan het behouden en versterken van cultureel erfgoed, alsmede doet de beoogde ontwikkeling geen afbreuk aan een aantrekkelijke leefomgeving. Middels de beoogde uitbreiding van het pomphuis worden de cultuurhistorische waarden in stand gehouden. Door aan dit pand een nieuwe invulling te geven worden de cultuurhistorische waarden juist versterkt en ook voor de toekomst behouden. Dit komt eveneens de levendigheid ten goede. De beoogde ontwikkeling is hiermee niet in strijd met de toekomstvisie uit de NOVI. 3.2.2 De Ladder voor duurzame verstedelijking
In oktober 2012 is ‘de Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de Ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De Ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De (per 1 juli 2017 herziene) Ladder voor duurzame verstedelijking (vanaf heden 'Ladder') werkt volgens twee stappen: - beschrijving/beoordeling van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt; - indien de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Voordat wordt getoetst aan de Ladder dient te worden vastgesteld of het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in art. 3.1.6 lid 2 Bro. Indien hierin niet wordt voorzien kan een uitgebreide toetsing namelijk achterwege blijven. Dit neemt echter niet weg dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, de behoefte aan een ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid gemotiveerd zal moeten worden. Uiteindelijk draagt deze 'Ladder' bij aan een zorgvuldige ruimtelijke afweging van nieuwe ontwikkelingen. Het bevoegd gezag heeft de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging van een nieuwe ontwikkeling. Tevens dient nagegaan te worden of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wanneer sprake is van de toevoeging van een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2, dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te O 16971-2-RA-002 13
worden aangemerkt. De beoogde nieuwbouw zal een kleiner oppervlak kennen. Bovendien is een uit-/aanbouw met een diepte van 3,5 meter reeds toegestaan. Voor de breedte, en totale omvang, van een uit-/aanbouw worden geen maximale grenzen gesteld in het vigerende bestemmingsplan. Hiermee is sprake van een relatief kleinschalige wijziging ten opzichte van hetgeen thans reeds qua bebouwing is toegestaan. Daarnaast is ook in de huidige situatie reeds (ondergeschikte) horeca mogelijk ter plaatse van het plangebied. Hiermee kan de beoogde ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Daarnaast zal de impact op de omgeving relatief beperkt zijn. Echter, ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. In het kader van uitvoerbaarheid moet hiertoe aandacht worden besteed aan de behoefte aan het plan. In voorliggende situatie kan gesteld worden dat er behoefte is aan de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied. Het is gewenst om het Pomphuis te herontwikkelen en een nieuwe invulling te geven. Hiermee wordt een passende bestemming gegeven aan deze karakteristieke bebouwing en komt dit de toekomstbestendigheid van het Pomphuis ten goede. Deze beoogde ontwikkeling wordt binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd.
Ter plaatse van het plangebied is reeds enige bebouwing toegestaan. Bovendien kennen de betreffende gronden thans geen functie. Hiermee wordt op een duurzame wijze gebruik gemaakt van de ruimte. 3 .3 P ro vinc ia a l be l eid 3.3.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid Holland (202 3)
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie van Zuid‐Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid‐Holland. In de Omgevingsvisie worden zeven richtinggevende vernieuwingsambities opgenomen voor de verbetering van Zuid-Holland. Door in te zetten op deze ambities wordt gestreefd naar het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities luiden als volgt: - Samen werken aan Zuid-Holland; inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. - Bereikbaar Zuid‐Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. O 16971-2-RA-002 14
-
Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. Een concurrerend Zuid‐Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid‐Holland. Versterken natuur in Zuid‐Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. Gezond en veilig Zuid‐Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.
In de Omgevingsvisie zijn bovendien een groot aantal beleidskeuzes, die voortvloeien uit de provinciale ambities, opgenomen. In hoofdzaak zijn voornamelijk de onderstaande beleidskeuzes relevant voor de beoogde ontwikkeling. Ruimtelijke kwaliteit De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een horecapaviljoen ter plaatse van thans onbebouwde, en onbenutte, gronden op een stedelijke locatie in Delft. Het betreffende horecapaviljoen versterkt de gebruiks- en belevingswaarde van het pomphuis. De uitbreiding wordt op passende wijze in de groene omgeving ingebed. Het paviljoen is daarbij een goede aanvulling op de huidige bebouwing, en diens gebruiksmogelijkheden, waarbij de karakteristieke waarden van het pomphuis door de zorgvuldige uitwerking van het paviljoen niet verstoord worden.
Het paviljoen draagt juist bij aan de toekomstwaarde van de bestaande bebouwing. Beleven en benutten van erfgoed De kern van het erfgoedbeleid van Zuid-Holland is het behoud van erfgoed door het beschermen, beleven en benutten van erfgoed. Beschermen van erfgoed vormt de basis van waaruit de provincie werkt aan een beter beleefbaar en benut erfgoed. Door de beoogde uitbreiding worden de gebruiksmogelijkheden voor het pomphuis verruimd en wordt kwaliteit toegevoegd. Door het transparante paviljoen worden de cultuurhistorische waarden in stand gehouden en wordt juist de belevingswaarde versterkt. De gehele herontwikkeling van het pomphuis draagt bij aan het onderhouden en in stand houden van de cultuurhistorische waarden. O 16971-2-RA-002 15
Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. De beoogde ontwikkeling bevindt zich binnen bestaand bebouwd gebied op een goed bereikbare locatie. Op korte afstand van het plangebied bevinden zich meerdere OVopstaphaltes. Tevens is sprake van het situeren van bebouwing op een thans onbenutte locatie binnen bebouwd gebied, waarmee sprake is van optimaal ruimtegebruik door verdichting. Daarbij wordt zorggedragen dat de beoogde ontwikkeling geen afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit. Hiermee is bij de uitwerking van de beoogde ontwikkeling sterk rekening gehouden. Omgevingsverordening
De bij de Omgevingsvisie behorende Omgevingsverordening stelt regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. In de verordening staat aangegeven wat wel en niet is toegestaan. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. De beoogde ontwikkeling zal kwaliteit toevoegen aan het pomphuis. De gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde zal versterkt worden. Daarnaast geldt met betrekking tot nieuwe stedelijke ontwikkelingen dat de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (eveneens opgenomen in de Bro) dient te worden doorlopen. In paragraaf 3.2.2 is dit aan bod gekomen. Hiermee past de beoogde ontwikkeling binnen de Omgevingsverordening. Verder zijn er geen regels opgenomen in de Omgevingsverordening die beperkingen vormen voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie
Resumerend kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. 3 .4 G e me en te l ij k b e le id 3.4.1 Omgevingsvisie Delft 2040 (2021)
Op 15 juli 2021 is de Omgevingsvisie Delft 2040 vastgesteld door gemeente Delft. Hierin wordt de toekomstvisie gegeven voor de fysieke leefomgeving in Delft. De omgevingsvisie is de eerste stap richting de invoering van de Omgevingswet in Delft. Delft is in 2040 een stad waar het goed wonen, leven en verblijven is. Om in de toekomst iedereen die in Delft wil wonen te huisvesten, zijn er duizenden nieuwe huizen nodig. En ook duizenden nieuwe banen. Daarnaast moet Delft in de toekomst energieneutraal zijn. Om dit te realiseren moet de gemeente nu al belangrijke keuzes maken, zodat Delft een O 16971-2-RA-002 16
stad blijft waar mensen zich thuis voelen. In de Omgevingsvisie wordt hier richting aan gegeven. In de Omgevingsvisie wordt een zestal opgaven voor Delft benoemd: 1. Delft als stad van innovatie en technologie; 2. Historie, innovatie en creativiteit kleurt cultuur en toerisme in Delft; 3. Delft waar het goed en gezond leven is; sterke en leefbare woonwijken met goede en voldoende woningen voor iedereen; 4. Duurzaam Delft is klaar voor de toekomst; 5. Delft met voorzieningen voor iedereen; 6. Delft bereikbaar. In de visie wordt daarbij aangegeven dat de historische gebouwen behouden moeten blijven, en deze goed onderhouden moeten worden omdat deze esthetische, historische, toeristische en educatieve waarden vertegenwoordigen. Wijzigingen aan deze gebouwen dienen niet ten koste te gaan van deze waarden. Het pomphuis is een monumentaal pand. Het is dan ook van belang dat de cultuurhistorische waarden van dit gebouw behouden blijven. De beoogde uitbreiding doet – zoals reeds omschreven in paragraaf 2.2 – geen afbreuk aan deze waarden. Door de toevoeging van een horecapaviljoen worden juist de belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde van het pomphuis versterkt. Cultuur maakt historie bovendien zichtbaar en beleefbaar. Het stimuleert daarnaast de creativiteit. Cultuur maakt Delft aantrekkelijk om te bezoeken, in te verblijven en in te wonen.
De beoogde ontwikkeling versterkt de toekomstbestendigheid en aantrekkelijkheid van het pomphuis. Door de beoogde invulling wordt een combinatie van cultuur en horeca aangeboden, hetgeen aantrekkelijk is voor bewoners en bezoekers van de stad. Daarnaast zorgt dit voor een goede spreiding van horeca binnen Delft. Voor de binnenstad wordt specifiek aangegeven dat hier een mix van functies is: wonen, toerisme, cultuur, kleinschalige bedrijvigheid, detailhandel en horeca komen hier samen. Het is een uitdaging om het centrum leefbaar te houden. De beoogde ontwikkeling zal niet ten koste gaan van de leefbaarheid, maar juist kwaliteit toevoegen, en de cultuurhistorische waarden in stand houden. 3.4.2 Visie Toerisme Delft 2030
Veranderingen in de wereld en in de toeristische sector en de invloed daarvan op Delft vragen om een nieuwe benadering van de bezoekerseconomie. Deze Visie Toerisme Delft 2023 vormt daarbij de leidraad voor hoe we met alle belanghebbenden de komende jaren werken aan een bezoekerseconomie die bijdraagt aan een duurzame, leefbare en welvarende stad.
O 16971-2-RA-002 17
Centraal staat dat een evenwichtige, robuuste en verantwoorde bezoekerseconomie bijdraagt aan een welvarend, duurzaam en leefbaar Delft. Hierbij wordt gestreefd naar een optimale balans tussen bezoekers, bewoners én bedrijven. In het beleid zijn vijf speerpunten geformuleerd die centraal staan bij de projecten en initiatieven. De speerpunten luiden als volgt: • Kwalitatief hoogwaardig cultuuraanbod en erfgoed • Sterke economie • Leefbare stad • Duurzame sector • Gastvrije ervaring Verder wordt gesteld dat door destinatiemanagement – het managen van de bestemming en sturen van bezoekers in Delft – beïnvloed wordt welke bezoekers op welk tijdstip welke locatie of plek in Delft bezoeken. De komende tien jaar is ‘destinatiemanagement’ daarom gericht op: De juiste bezoeker, op de juiste locatie, op het juiste moment. Voor de juiste locatie wordt daarbij ook opgemerkt dat dit kan zijn om drukke locaties te ontlasten of om locaties waar die behoefte bestaat meer te laten profiteren. Het spreiden richt zich op spreiding binnen de historische binnenstad, met zijn vele toeristische instellingen, horeca en winkelaanbod. Daarnaast streeft Delft naar verdere spreiding van bezoekers over de gehele stad, voor zover daar interessant aanbod is en de locatie of buurt ervan profiteert. De beoogde ontwikkeling sluit hier goed op aan.
Door de beoogde ontwikkeling wordt immers bijgedragen aan de spreiding van horeca en cultuur binnen Delft. 3.4.3 Ruimtelijk economische visie Delft 2030
Het gemeentelijk ruimtelijk economisch beleid is verwoord in de ruimtelijk-economische visie Delft 2030 "Ondernemen en werken in Delft" en is op 8 maart 2018 door de raad vastgesteld. Op verschillende economische deelonderwerpen is richtinggevend beleid ontwikkeld, waaronder voor toerisme, binnenstad en detailhandel. De notitie economische strategie Delft uit 2015 biedt daarbij eveneens een beleidsmatige basis. De beleidskeuzes die hieruit voort zijn gevloeid, zijn op hoofdlijnen meegenomen in de Ruimtelijkeeconomische visie Delft 2030. Daar waar ingehaald door actuele ontwikkelingen, zijn ze aangescherpt. De visie constateert dat de economie weer groeit, ook die van Delft. Volgens de prognoses van het UWV en Centraal Planbureau komen er de komende jaren banen bij en stijgt het aantal vacatures. Tegelijkertijd zien we dat de verhouding tussen groei van de werkgelegenheid en stedelijke groei in Delft steeds meer uiteenloopt: de stad groeit, maar het aantal banen groeit niet mee naar verhouding. Technologische ontwikkelingen zorgen tevens voor een verschuiving van taken en competenties. Het is essentieel dat mensen die de arbeidsmarkt betreden, beschikken over de vaardigheden om nieuwe technologie te ontwikkelen, te beheren of toe te passen. De technologische vooruitgang gaat echter ook O 16971-2-RA-002 18
gepaard met een arbeidsmarkt die steeds dynamischer van aard is en leidt tot het verdwijnen van banen aan de onderkant van het middensegment. Daarnaast heeft Delft binnen de context van een verder geïntegreerde metropoolregio een uitstekende uitgangspositie om zich door te ontwikkelen van kennisstad tot technologiehoofdstad van Nederland: een hightech capital. De ingrediënten voor groei van werkgelegenheid en welvaart zijn ruimschoots aanwezig, zowel binnen Delft als in de regio. Tenslotte zit voor Delft de sociaaleconomische uitdaging in het verzilveren van het arbeids- en ondernemerspotentieel. Dat betekent voor Delft enerzijds de huidige bedrijven koesteren en anderzijds dat er groeiruimte nodig is voor met name de vele creatieve en technologie-georiënteerde bedrijven die de stad zelf voortbrengt. Bedrijven die in Delft kunnen doorgroeien zorgen uiteindelijk ook voor meer investeringen, bestedingen en werkgelegenheid op alle niveaus. De gemeente Delft zet in op het realiseren van 10.000 extra banen in de periode 20182040. Hiervoor is onder meer circa 100.000 m 2 aan extra bedrijfsruimte nodig, met name voor de innovatieve maakindustrie. Het beter benutten van bestaande ruimte en het kiezen voor bedrijvigheid die past bij het DNA en het karakter van de stad, biedt een stevige basis voor deze groei.
Investeren in goed onderwijs, gemeentelijke dienstverlening, bereikbaarheid en een vernieuwd woningaanbod is daarbij eveneens van vitaal belang. Daarnaast vergt het blijvende aandacht en sturing om ervoor te zorgen dat iedereen die kan werken, ook kan blijven meedoen – en hiervoor wordt gefaciliteerd. Goede afstemming en aansluiting tussen bedrijfsleven, onderwijs en arbeidsmarkt is daarbij een essentiële schakel. De beoogde ontwikkeling faciliteert de realisatie van een combinatie van horeca en cultuur. In een groeiende economie is behoefte aan goede voorzieningen. De basis van de stad is immers van belang om ervoor te kunnen zorgen dat het prettig werken, wonen en verblijven is. De beoogde ontwikkeling past hierbij binnen de visie van Delft. 3.4.4 Beleidsregels parkeernormen Delft 2023
In deze Beleidsregels Parkeernormen is vastgelegd hoe in Delft omgegaan wordt met fietsen autoparkeren bij bouwontwikkelingen. Delft is volop in ontwikkeling en groeit. Groeien en gelijktijdig een leefbare stad zijn die voor iedereen bereikbaar is, vraagt om het anders organiseren van parkeren en mobiliteit bij nieuwe bouwontwikkelingen en transformaties. De belangrijkste keuzes luiden als volgt: • Delft kiest ervoor géén parkeervergunning aan huurders, kopers en werknemers van nieuwe bouwontwikkelingen of transformaties te verlenen • Delft kiest voor hoge normen en meer kwaliteit bij fietsparkeren • Delft kiest voor sturende autoparkeernormen • Delft kiest voor een maximumnorm voor autoparkeren • Delft kiest voor een maximumparkeernorm van één autoparkeerplaats per woning O 16971-2-RA-002 19
Verder worden in het beleid parkeernormen per gebiedstype opgenomen waar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen aan getoetst worden. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op de inpasbaarheid binnen de gemeentelijke parkeernormen. 3.4.5 Monumentenbeleid 2007-2017 en Erfgoednota 2020-2030
Een belangrijk onderdeel in het gemeentelijke monumentenbeleid zoals opgenomen in de beleidsnota Monumentenbeleid 2007-2017 is het in de ruimtelijke planvorming benoemen en waar mogelijk beschermen van cultuurhistorische waarden: van gebouwen, objecten en (deel)structuren. Het beleid voor de periode vanaf 2017 moet nog opgesteld worden, maar zal wat betreft ruimtelijke ordeningsaspecten zoveel mogelijk het huidige beleid voortzetten. Wel is er op 19 november 2020 een Erfgoednota 2020-2030 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin staan vier programmalijnen centraal: (1) De Delftse collectie: basis op orde Programma (2) Delfts erfgoed van en voor iedereen Programma (3) Erfgoed als pijler bij gebiedsontwikkeling en (4) Monumenten duurzaam ontwikkeld. In paragraaf 4.2 wordt nader toegelicht op welke wijze rekening gehouden wordt met cultuurhistorie bij de beoogde ontwikkeling. 3.4.6 Klimaatadapatie strategie
In 2019 is de Klimaatadaptatie Strategie vastgesteld door de gemeenteraad. De strategie is vooral een visie op Klimaatadaptatie in Delft. De strategie uit 2019 gaat over heel Delft en over alle domeinen, dus zowel over de openbare ruimte als over private percelen (inclusief bebouwing). In de Delftse strategie zijn de volgende 2 inhoudelijke speerpunten geformuleerd: 1. Een veerkrachtig systeem met maximale sponswerking 2. Geen toename van hittestress In 2018 heeft Delft het Convenant Klimaatadaptieve Bouwen getekend. Partners in het convenant zijn onder andere de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland, de meeste gemeenten, maatschappelijk organisaties en projectontwikkelaars. Op basis van de gemeentelijke klimaatadaptatiestrategie (2019) en het provinciale convenant (2018) heeft de gemeente Delft de ambities en regels voor klimaatadaptief bouwen uitgewerkt in de 'Beleidsregel Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering' (2022). Daarmee is het beleidsthema klimaatadaptatie voor nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering in het beleid van de gemeente Delft verankerd. Het doel van de beleidsregel is het verminderen van (1) wateroverlast, (2) hittestress, (3) droogte en (4) bodemdaling en daarnaast het vergroten van de biodiversiteit (5). Onderdeel (6)
O 16971-2-RA-002 20
“overstromingen” is niet nader uitgewerkt in de beleidsregel want dit is belegd bij het Hoogheemraadschap van Delfland. In relatie tot het aspect water wordt onder andere rekening gehouden met klimaatadaptatie. In paragraaf 4.10 wordt nader toegelicht op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven. 3.4.7 Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen (2021)
Om de kwaliteit van de stedelijke omgeving te behouden en te versterken is een integrale aanpak op het gebied van leefbaarheid, gezondheid, economie en natuurnoodzakelijk, dat moet leiden tot een natuurinclusieve stad. Een natuurinclusieve stad is immers een dynamische groene, gezonde en levendige stad voor mens, dier en plant. De gemeente zet in op het vergroten van de kansen voor flora en fauna door het uitwerken van een kader voor natuurinclusieve maatregelen in en aan gebouwen en de directe omgeving van deze gebouwen. Hierbij is het begrip Natuurinclusief bouwen/ontwikkelen gedefinieerd als ‘bouwen en ontwikkelen zodanig dat (ook) de natuur er baat bij heeft’. Om natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in Delft vorm te geven is gekozen om een concreet kader te ontwikkelen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in samenhang met klimaatadaptieve maatregelen. In paragraaf 4.7 wordt hier nader ingegaan op welke wijze rekening wordt gehouden met natuurinclusief bouwen en ontwikkelen.
O 16971-2-RA-002 21
4
Omgevingsaspecten
4 .1 A lg e me en
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het effect van de beoogde ontwikkeling op de van toepassing zijnde omgevingsaspecten. De effecten worden getoetst aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. 4 .2 A rc heo log i e en cu ltuu r his to ri e 4.2.1 Algemeen
In deze paragraaf worden de archeologische en cultuurhistorische waarden ter plaatse van het plangebied nader toegelicht. 4.2.2 Wettelijk kader
Binnen de ruimtelijke ordening wordt cultuurhistorie over het algemeen geassocieerd met de gebouwde omgeving, zoals monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten, maar ook met archeologische waarden. De bescherming van cultuurhistorische elementen werd voorheen bepaald in de Monumentenwet 1988, welke in juli 2016 is komen te vervallen. Een belangrijk deel van de onderwerpen is overgegaan naar de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden en beschermen van historische elementen voor latere generaties. Door de ondertekening van het Verdrag van Malta (Valletta, 1992) heeft Nederland zich verplicht tot het beschermen van het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologische erfgoed waar mogelijk te behouden. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bestond al een verplichting om bij de voorbereiding van bestemmingsplannen alle ter zake doende belangen mee te wegen. Het Archeologiebeleid van de gemeente Delft is vastgelegd door middel van dubbelbestemmingen in de bestemmingplannen. 4.2.3 Beoordeling Archeologie
Conform het vigerende bestemmingsplan ‘Binnenstad 2012’ kennen de gronden ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie’, met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – 4'. Dit betekent dat deze gronden tevens bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. In geval van het bouwen van bouwwerken dient in eerste aanleg een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Ter plaatse van het plangebied geldt deze verplichting bij projecten O 16971-2-RA-002 22
kleiner dan 100 m2 en/of dieper dan 40 cm onder maaiveld (tenzij het een inpandige ontgraving betreft) niet. De beoogde uitbreiding kent een oppervlakte kleiner dan 100 m 2. Hiermee is geen archeologisch onderzoek benodigd. Bovendien wordt opgemerkt dat de gronden alwaar de beoogde uitbreiding gesitueerd gaat worden reeds opgehoogd zijn. Naar alle verwachting gaat de beoogde ontwikkeling dan ook niet gepaard met een verstoring van archeologische waarden. Cultuurhistorie
Het plangebied kent conform het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. Daarnaast is het plangebied aangemerkt als beschermd stadsgezicht. Dit betekent dat deze gronden mede zijn bestemd voor het behoud en herstel van actuele en het benutten van potentiële cultuurhistorische waarden en de bescherming en veiligstelling van bouwhistorische waarden. Het pomphuis betreft een Rijksmonument en heeft dan ook een grote cultuurhistorische waarde. Dit gebouw heeft architectuurhistorische waarde vanwege de sobere, stilistische kenmerken, die karakteristiek zijn voor de bouwtijd. Bovendien heeft het pomphuis een stedenbouwkundige en ensemblewaarde door diens situering en de visuele en functionele samenhang met de naastgelegen watertoren. De beoogde uitbreiding is zorgvuldig vormgegeven zodat de karakteristieke waarden van het pomphuis behouden worden. De beoogde uitbreiding hangt samen met het benutten van de cultuurhistorische waarden van het gebouw. Door de herontwikkeling van het pomphuis wordt ook gezorgd dat het gehele bouwwerk goed onderhouden wordt. De beoogde uitbreiding betreft een transparant paviljoen dat constructief los van het pomphuis staat. Hiermee vinden er geen ingrijpende wijzigingen aan het monumentale pand plaats.
Het transparante paviljoen sluit bovendien goed aan op het pomphuis, alsmede op de groene omgeving waarin het gesitueerd wordt. De karakteristieke waarden van het pomphuis worden hiermee niet verstoord. Door deze transparant uit te voeren wordt de binding tussen binnen en buiten versterkt. Daarnaast wordt opgemerkt dat het beoogde paviljoen omsloten wordt door groen, waardoor het zicht hierop vanaf het openbare gebied relatief beperkt is. Door de beoogde uitbreiding worden de cultuurhistorische waarden zo veel mogelijk benut en vormt het aspect cultuurhistorie dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.4 Conclusie
De omvang van de beoogde ontwikkeling vraagt niet om nader archeologisch onderzoek. Daarnaast wordt de beoogde uitbreiding op zorgvuldige wijze in de omgeving ingepast, waarbij de cultuurhistorische waarden niet in het geding komen.
O 16971-2-RA-002 23
4 .3 B edr i jven en mi l ieu zon er ing 4.3.1 Algemeen
Beoordeeld dient te worden of de beoogde ontwikkeling op een passende afstand tot milieugevoelige functies is gelegen. In eerste aanleg wordt dit beoordeeld aan de hand van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009). 4.3.2 Beoordelingskader
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies krijgen en dat nieuwe milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. In de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009) worden de bedrijfsactiviteiten van bedrijven ingedeeld in bepaalde milieucategorieën. Deze handreiking hanteert per standaard bedrijfstype een afstand aan tot milieugevoelige functies, zoals woningen. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder kan optreden ten gevolge van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Indicatieve richtafstanden (voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar) voor milieugevoelige functies in de twee te onderscheiden “omgevingen” bij verschillende bedrijfstypes (ingedeeld in milieucategorieën) zijn weergegeven in tabel 4.1. t4.1 Indicatieve afstand in meters tot omgevingstype (bron: VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”) Categorie
Rustige woonwijk en rustig buitengebied
Gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 30 50 100 200 300 500 700 1000 1500
0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000
Volgens de VNG-publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven'. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied behoort tot dit omgevingstype. De in tabel 4.1 weergegeven afstanden betreffen de afstanden tussen de perceelgrens van de activiteiten (niet de bebouwingsgrens) en de gevels van milieugevoelige functies. De afstanden zijn volgens de VNG-publicatie algemene richtafstanden en geen harde O 16971-2-RA-002 24
afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt ook uit jurisprudentie. 4.3.3 Beoordeling
De beoogde ontwikkeling behelst de beoogde uitbreiding van het pomphuis ten behoeve van horecafuncties. Een restaurant behoort conform de VNG-publicatie tot milieucategorie 1, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 0 meter geldt. Deze uitbreiding wordt echter gesitueerd ter plaatse van gronden die op basis van het vigerende bestemmingsplan voor gemengde doeleinden zijn bestemd. In de huidige situatie zijn ter plaatse van deze locatie daarmee reeds diverse functies, waaronder culturele en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Tevens is reeds ondergeschikte horeca toegestaan. In de huidige situatie zijn daarmee reeds bedrijfsactiviteiten uit ten minste milieucategorie 1 toegestaan. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot nieuwe activiteiten behorend tot een hogere milieucategorie. Door de beoogde ontwikkeling is dan ook geen sprake van een relevante wijziging wat richtafstanden betreft. Hiermee kan geconcludeerd worden dat in het kader van bedrijven en milieuzonering geen sprake is van een relevante wijziging. Desalniettemin wordt opgemerkt dat de richtafstanden uit de publicatie richtafstanden betreffen en geen harde afstandseisen zijn. Indien wordt voldaan aan deze afstanden biedt dit nog geen garantie op het voorkomen van hinder. In voorliggende situatie is daarom nader onderzoek uitgevoerd naar het maatgevende milieuaspect ‘geluid’, zie ook paragraaf 4.4 .
Daarnaast is bij horeca mogelijk het aspect ‘geur’ eveneens van invloed op de omgeving. In voorliggende situatie zal echter aan de vigerende wet- en regelgeving (zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit) worden voldaan wat betreft geur. Hiermee wordt een aanvaardbare situatie geborgd. 4.3.4 Conclusie
Door de beoogde ontwikkeling is geen sprake van nieuwe activiteiten waarmee sprake is van een hogere milieucategorie dan reeds is toegestaan ter plaatse van de betreffende gronden. Bovendien volgt uit akoestisch onderzoek (zie ook paragraaf 4.4) dat de beoogde ontwikkeling passend is, en zal wat betreft geur voldaan worden aan vigerende wet- en regelgeving. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt aldus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4 .4 G elu id 4.4.1 Algemeen
De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van het pomphuis ten behoeve van horeca. Dit betreft geen geluidgevoelige bestemming in het kader van de Wet geluidhinder. De beoogde ontwikkeling kan echter wel van invloed zijn op het geluid in de omgeving. O 16971-2-RA-002 25
4.4.2 Toetsingskader Bedrijven en milieuzonering
Zoals gesteld in paragraaf 4.3 wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ in eerste aanleg aangehouden voor de beoordeling van de inpasbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij wordt geluid tevens als één van de relevante milieuaspecten benoemd. De VNG-richtlijn Bedrijven en Milieuzonering schets een daarbij te hanteren stappenplan. Stap 1: Een eerste indicatie voor de potentiële milieuhinderlijkheid van bedrijven wordt gegeven door de richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. De beoogde horeca behoort tot milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 0 meter geldt in een gemengd gebied. Hiermee wordt in ieder geval aan de geldende richtafstand voldaan en is op grond van de publicatie nader onderzoek niet benodigd. Ondanks dat aan de richtafstanden wordt voldaan is in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog onderzoek uitgevoerd naar het geluid in de omgeving. Voor horeca is namelijk bekend dat deze mogelijk op grotere afstand dan de richtafstanden (geluid)hinder kunnen veroorzaken. Stap 2: Door middel van akoestisch onderzoek zal getoetst moeten worden of sprake is van een inpasbare situatie.
Hierbij gelden – in gemengd gebied - de volgende waarden als streefwaarden voor de geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen: - 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde); - 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde); - 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Stap 3: Als de streefwaarden uit stap 2 niet toereikend zijn, is het mogelijk om in gemengd gebied af te wijken tot de volgende waarden: - 55 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde); - 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde); - 65 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Hierbij dient te worden gemotiveerd waarom in de concrete situatie de optredende geluidbelasting acceptabel wordt geacht. Hierbij wordt de cumulatie met de eventueel reeds aanwezige geluidbelasting betrokken.
O 16971-2-RA-002 26
4.4.3 Beoordeling
De beoogde uitbreiding gaat mogelijk gepaard met een relevante wijziging van het geluid in de omgeving. De meest nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen betreffen daarbij de nabijgelegen woonboten en de woningen aan de overzijde van het Wateringsevest. De woonboten zijn op circa 20 meter afstand gelegen en de woningen aan de Wateringsevest op circa 70 meter. Wel bevindt zich aan de achterzijde van het paviljoen nog een terras. Door DGMR is in 2023 akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 1) ten behoeve van de realisatie van het restaurant in het pomphuis. Dit onderzoek had als doel om de representatieve bedrijfssituatie te beoordelen, alsmede te beoordelen of evenementen georganiseerd kunnen worden. De representatieve bedrijfssituatie betreft de situatie waarbij het restaurant in de dag- en avondperiode geopend is, met een maximale bezetting van 80 gasten tijdens de lunch en 80 gasten tijdens het diner. De inpasbaarheid van het terras – dat tevens ruimte biedt voor 80 gasten - is hierbij tevens beoordeeld. De inpasbaarheid wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst aan de relevante streefen grenswaarden uit de VNG-publicatie. Uit het onderzoek volgt dat voor de reguliere bedrijfssituatie aan de streefwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit de VNG-publicatie wordt voldaan.
De standaardsituatie waarbij 80 bezoekers op het terras zitten zonder muziekgeluid voldoet aan de streefwaarde uit de VNG-publicatie. Er wordt echter niet voldaan aan de streefwaarde voor het maximale geluidniveau. Het maximale geluidniveau overschrijdt op twee woningen de streefwaarde van 70 dB(A). Voor de woonboot aan Kalverbos 12 geldt een maximaal geluidniveau op de gevel van 74 dB(A) in de dagperiode. Dit wordt veroorzaakt door de rolcontainer die er langsrijdt voor laden en lossen. Voor de woonboot aan Kalverbos 14 geldt daardoor een maximaal geluidniveau op de gevel van 71 dB(A). In de avond- en nachtperiode wordt voor beide woonboten wel voldaan aan de streefwaarden. Het betreft aldus een overschrijding van 4 dB die enkel in de dagperiode voorkomt. Maatregelen zijn niet mogelijk, daar de ontsluiting vanaf deze zijde moet plaatsvinden vanwege verkeersveiligheid. Het laden en lossen vindt uitsluitend kortdurend tijdens de dagperiode plaats. In de dagperiode zijn er ook veel activiteiten in de omgeving. Daarnaast is uitsluitend tijdens de dagperiode sprake van een overschrijding, hetgeen betekent dat dit ook niet zal leiden tot slaapverstoring. Bovendien sluit het Activiteitenbesluit de beoordeling van de maximale geluidniveaus ten gevolge van laaden losactiviteiten in de dagperiode uit, zodat het bedrijf ook aan de voor haar geldende voorschriften kan voldoen.
In dit geval kan het maximale geluidniveau van 74 dB(A) in de dagperiode dus als aanvaardbaar worden beschouwd. Uit het voornoemde akoestisch onderzoek volgt tevens dat een situatie met feesten wat geluid betreft niet inpasbaar is. Afschermende maatregelen vormen daarbij ook geen oplossing. Derhalve zal dit niet plaatsvinden ter plaatse van het plangebied.
O 16971-2-RA-002 27
4.4.4 Conclusie
Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling van een horecapaviljoen wat de reguliere bedrijfssituatie betreft - passend is in de omgeving ten aanzien van geluid. Uit onderzoek volgt echter dat het organiseren van feesten niet passend is. Dit zal derhalve – zonder maatregelen - niet plaatsvinden. Hiermee vormt dit aspect dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4 .5 L uc ht kwa li t ei t 4.5.1 Algemeen
Mogelijk heeft de beoogde ontwikkeling een effect op de emissie van luchtkwaliteitsbepalende stoffen. In deze paragraaf wordt derhalve het effect van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt. 4.5.2 Wettelijk kader
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. In de Wet luchtkwaliteit en bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen. In tabel 4.1 zijn de grenswaarden voor de luchtkwaliteit bepalende verbindingen fijnstof (PM10), ultrafijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) opgenomen. t 4.1 Grenswaarden conform de Wet milieubeheer Stof
Type norm
PM10
Jaargemiddelde Daggemiddelde dat 35 keer per jaar mag worden overschreden Jaargemiddelde Jaargemiddelde Uurgemiddelde dat 18 keer per jaar mag worden overschreden
PM2,5 NO2
Concentratie in μg/m3 40 50 25 40 200
De overige in de Wet milieubeheer opgenomen verbindingen vormen geen probleem meer in Nederland. De concentraties van deze verbindingen vertonen een dalende trend en zijn dermate laag, dat overschrijding van de daarvoor geldende grens- of richtwaarden redelijkerwijs uitgesloten is. Deze verbindingen worden dan ook niet nader beschouwd. Niet in betekenende mate
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten waarvan vooraf duidelijk is dat deze de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' (NIBM) verslechteren, hoeven niet meer op luchtkwaliteit te worden getoetst. Dit is opgenomen in het Besluit niet in betekenende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen. Het gaat daarbij om projecten die leiden tot een maximale bijdrage van 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. O 16971-2-RA-002 28
4.5.3 Beoordeling
Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit te bepalen dient de verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling bepaald te worden. Naar verwachting zal de beoogde ontwikkeling, zoals ook volgt uit paragraaf 4.8, niet tot nauwelijks leiden tot extra verkeer ten opzichte van hetgeen thans reeds maximaal planologisch mogelijk is. Vanuit een worst case benadering wordt er echter in voorliggende situatie van uitgegaan dat bij een maximale bezetting van 80 personen alle personen met eigen auto naar de horecagelegenheid reizen. Dit betreft een zeer sterke overschatting aangezien veel bezoekers samen zullen reizen en bovendien gebruik zullen maken van overige mobiliteitsvormen. Voor plannen kan met behulp van de zogenaamde NIBM-tool eenvoudig worden berekend of de bijdrage van (het verkeer van en naar) het plan als NIBM kan worden aangemerkt (d.w.z. minder dan 3% van de grenswaarde bijdraagt, dus minder dan 1,2 µg/m3). Met behulp van de NIBM-tool is beoordeeld of de beoogde ontwikkeling tot een in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit leidt. Figuur f 4.1 geeft de uitkomst van de gevolgen voor de luchtkwaliteit weer, waaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Vanuit een worst case benadering is – ondanks dat met name sprake is van voertuigbewegingen van bezoekers met personenwagens – daarbij uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 10%.
f 4.1 Uitsnede NIBM-tool
De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties van de luchtkwaliteit bepalende verbindingen in de omgeving van het plangebied. Zoals aangegeven is bovendien sprake van een sterke worst-case benadering. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de heersende generieke achtergrondconcentraties van NO2 ,PM10, PM2,5 inzichtelijk gemaakt. Ter hoogte van het plangebied is in 2020 (conform kaarten van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit van het RIVM) maximaal sprake van een concentratie van 22,9 μg/m3 voor NO2, 17,5 μg/m3 voor PM10 en 9,3 μg/m3 voor PM2,5,. In 2030 wordt een concentratie van O 16971-2-RA-002 29
16,4 μg/m3 voor NO2, 15,7 μg/m3 voor PM10 en 7,5 μg/m3 voor PM2,5 geprognosticeerd. Hiermee wordt ruimschoots aan de van toepassing zijnde grenswaarden uit de Wet milieubeheer voldaan en kan ook worden aangenomen dat dit aanvaardbaar is wat luchtkwaliteit betreft. 4.5.4 Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, aangezien de beoogde ontwikkeling in niet betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 4 .6 B od em 4.6.1 Algemeen
In voorliggende situatie is sprake van de realisatie van een paviljoen ten behoeve van horecafuncties. Hierbij zal gemotiveerd moeten worden dat het toekomstige gebruik passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. In voorliggende paragraaf wordt dit nader toegelicht. 4.6.2 Wettelijk kader
Bij het opstellen van een bestemmingsplan of bij het plan tot afwijken van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. De nieuwe bestemming moet immers passend zijn in relatie tot de bodemkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een bodemonderzoek verricht te worden, dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er dient onderzoek verricht te worden naar de bestaande toestand en onderzocht te worden of deze aansluit bij de toekomstige toestand. Op sterk verontreinigde grond zijn er beperkingen met betrekking tot nieuwbouw. Hier mogen bijvoorbeeld geen gevoelige objecten, zoals woningen, gerealiseerd worden. Er moet rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. 4.6.3 Beoordeling
De beoogde ontwikkeling behelst het bebouwen van gronden die op basis van het bestemmingsplan reeds bestemd zijn voor gemengde doeleinden. Middels de beoogde ontwikkeling is geen sprake van gevoeligere functies dan reeds mogelijk zijn. Op de betreffende gronden is het op basis van het vigerend bestemmingsplan reeds mogelijk om aan- en uitbouwen te realiseren. De diepte van de beoogde uitbreiding is echter iets groter dan reeds is toegestaan. Een aan- en uitbouw van soortgelijke omvang is echter reeds toegestaan. Desondanks is door SGS in 2023 een historisch onderzoek (bijlage 2) uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen uitbreiding. Het doel van het onderzoek was het O 16971-2-RA-002 30
verzamelen van relevante informatie over de locatie om een hypothese omtrent de aanwezigheid en/of de aard van mogelijke bodemverontreinigingen te kunnen bepalen. Uit dit onderzoek volgt dat het plangebied op basis van de bodemkwaliteitskaart op een locatie is gelegen welke licht tot sterk verontreinigd is met zware metalen en PAK. Aangezien het grootste gedeelte van de gronden zijn opgehoogd met grind worden eventuele risico’s van de aangetroffen bodemverontreinigingen voor de voorgenomen ontwikkeling echter als beperkt ingeschat. Thans blijkt echter dat er mogelijk niet uitsluitend sprake is van grind ter plaatse van de grondlaag op de reinwaterkelder. Ingeval sprake is van het bouwen op, graven in of verplaatsen van deze grond zal een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Ook voor overige, indien deze aan de orde zijn, bodemroerende werkzaamheden dient voorafgaand aan deze werkzaamheden een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd worden. Indien dit aan de orde is zal hier invulling aan gegeven worden. 4.6.4 Conclusie
Vooralsnog kan worden gesteld dat sprake is van een passende bodemkwaliteit in relatie tot het beoogde gebruik. Indien bodemroerende werkzaamheden plaatsvinden zal mogelijk nader bodemonderzoek uitgevoerd worden. 4 .7 E co log i e 4.7.1 Algemeen
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een paviljoen ter plaatse van thans onbebouwde gronden. In voorliggende paragraaf worden de mogelijke effecten van de beoogde ontwikkeling op het aspect ecologie nader beschouwd. 4.7.2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming
Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet heeft drie wetten samengevoegd: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Door hier één wet van te maken wordt deze makkelijker en duidelijker om toe te passen. Voor eenvoudige activiteiten (bijvoorbeeld reguliere onderhoudswerkzaamheden) is er voortaan een meldplicht. Voor activiteiten waar een omgevingsvergunning nodig blijft, moet deze binnen 13 weken worden gegeven. Bovendien bepalen vanaf 1 januari 2017 de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. Veel verschillende planten- en dierensoorten zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en steenuilen zijn kwetsbaar, goede natuurbescherming is daarom belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. In de Wet natuurbescherming is er sprake van een brede soortenbescherming O 16971-2-RA-002 31