Toelichting Regels en Bijlagen bij de Regels (Gecorrigeerde versie)
Tekst van het document
Duurzaamheidsambities onderhavige ontwikkeling De strategie voor IGVO is om het plan zo groen mogelijk te maken en goed te verankeren in de huidige groenstructuur. Waar nodig wordt de huidige groenstructuur aan de Prins Bernhardlaan en op het buitenterrein van IGVO aangevuld met nieuwe bomen en heesters die voorzien van beschutting en voedsel voor diverse insecten en vogels. Zie hiervoor ook de impressie van de buitenruimte als opgenomen in paragraaf 2.2.3. In het plangebied wordt specifiek gekozen voor de inheemse plant- en boomsoorten zodat de biodiversiteit wordt versterkt; bloemmengsels in de wadi’s, heesters en bomen die droge en nattige omstandigheden kunnen dragen en rijke geveltuinen met klimplanten. De taluds van de in het plangebied aan westelijke zijde te realiseren wadi is flauw, zodat verschillende waarden voor flora en fauna kunnen ontstaan. Niet alleen de bestaande groene structuren maar ook de monumentale Kramerstoren biedt kansen voor nestvoorzieningen voor de soorten zoals vleermuizen, gierzwaluwen en mussen. Deze kunnen ook worden opgenomen in de nieuw te bouwen gebouwen van de school waar o.a. muurflora en beebricks toegepast kunnen worden. Bij het verlichtingsplan wordt er rekening gehouden met fauna door o.a. bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 29
bestemmingsplan IGVO verlichting altijd naar beneden te richten en een laag lichtniveau in de nacht om het natuurlijk dag- en nachtritme van doelsoorten zo min mogelijk te verstoren. Naast zichtbaar groen speelt integrale, hoogwaardige duurzaamheid een belangrijke rol in het realiseren van de IGVO locatie. Onderhavige ontwikkeling wordt aardgasloos gerealiseerd. Daarnaast wordt het IGVO gebouw aangesloten op bodemenergie. Een volledige weergave van de uitgewerkte klimaatadaptieve maatregelen is opgenomen in de bijlagen 15, 16, 17 en 18 van deze toelichting. Een volledige weergave van de uitgewerkte natuurinclusieve maatregelen is opgenomen in de bijlagen 11, 12 en 13 van deze toelichting.
3.3.10 Monumentenbeleid 2007-2017 Een belangrijk onderdeel in het gemeentelijke monumentenbeleid zoals opgenomen in de beleidsnota Monumentenbeleid 2007-2017 is het in de ruimtelijke planvorming benoemen en waar mogelijk beschermen van cultuurhistorische waarden: van gebouwen, objecten en (deel)structuren. Het beleid voor de periode vanaf 2017 moet nog opgesteld worden, maar zal wat betreft ruimtelijke ordeningsaspecten zoveel mogelijk het huidige beleid voortzetten. De toetsing met betrekking tot cultuurhistorie wordt gedaan in paragraaf 4.11.
3.4
Hoogheemraadschap Delfland
3.4.1
Waterbeheersplan 2016-2021
Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021. Dit beleid is formeel vastgelegd in de Keur en de legger. Het verbeteren van de waterkwaliteit en het vergroten van de bergingscapaciteit zijn belangrijke pijlers binnen dit beleid. Voor sommige activiteiten is een watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland nodig, bijvoorbeeld: graven of dempen van oppervlaktewater; bouwen binnen de beschermingszone van een waterkering; aanleg van ondergrondse leidingen. Daarnaast zijn algemene regels opgenomen voor bijvoorbeeld het verrichten van handelingen in waterstaatswerken, het water brengen in of onttrekken aan oppervlaktelichamen, het onttrekken van grondwater en natuurvriendelijke oevers. Op het moment dat aan de van toepassing zijn regels wordt voldaan hoeft geen vergunning te worden aangevraagd, maar kan worden volstaan met een melding. Daarnaast beschikt het hoogheemraadschap over beleidsregels die het hoogheemraadschap Delftland als toetsingskader voor het wel of niet verlenen van een vergunning. Watertoets Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau.
De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. In het kader van de watertoets vindt overleg plaats tussen de gemeente Delft en het hoogheemraadschap van Delfland. 3.4.2
Beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast (2014)
De beleidsnota 'Beperken en voorkomen wateroverlast' bevat het Delflandse beleid op hoofdlijnen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem ten aanzien van wateroverlast. Het gaat daarbij zowel om het oplossen van bestaande knelpunten als om het voorkomen van nieuwe knelpunten. 3.4.3
Watervergunning
Voor sommige activiteiten is een watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland nodig, bijvoorbeeld: graven of dempen van oppervlaktewater; bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 30
bestemmingsplan IGVO bouwen binnen de beschermingszone van een waterkering; aanleg van ondergrondse leidingen. 3.4.4
Handreiking watertoets
Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten: 1. standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. In het kader van de watertoets heeft overleg plaatsgevonden tussen de gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland. Dit komt aan de orde in paragraaf 4.12.
3.5
Conclusie
De beoogde ontwikkeling past binnen de relevante ruimtelijke beleidskaders vanuit het rijk, de provincie, de gemeente en het Hoogheemraadschap.
bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 31
bestemmingsplan IGVO
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten en onderzoek
Verkeer en parkeren
Door de realisatie van de IGVO locatie verandert in vergelijking met de huidige situatie de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De verandering in de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkellocatie heeft ook effect op de omliggende wegen. Ten behoeve van de realisatie van de IGVO locatie is het effect hiervan voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren beschouwd door Goudappel (2022) in het Verkeer en parkeeronderzoek.
4.1.1
Parkeren
Het plangebied ligt in het gebied 'schil binnenstad', hierbij worden de minimale parkeerkencijfers aangehouden. De beoogde ontwikkeling voorziet in de nieuwbouw van de International School Delft Secondary. Autoparkeren Conform het beleid van de gemeente zijn bij Secondary School 12 parkeerplaatsen nodig: deze zijn hoofdzakelijk voor personeel van de school. Hiervoor worden 5 parkeerplaatsen bij de ingang van de school aan de Prins Bernhardlaan gerealiseerd. De intentie is dat de overige personeelsleden een parkeervergunning (7 benodigd) krijgen, zodat zij overdag in de omgeving kunnen parkeren. Voor de Secondary School is aanvullend een berekening opgesteld om de behoefte aan parkeerplaatsen te kunnen bepalen voor het brengen en halen van leerlingen. Uit de verkeersrapportage van Goudappel blijkt dat in de directe omgeving voldoende mogelijkheden zijn om hierin te voorzien.
Figuur 4.1: Parkeeroplossing aan de voorzijde van de IGVO locatie
bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 32
bestemmingsplan IGVO 4.1.2
Verkeersafwikkeling
Volgens de berekeningen genereert de Secondary School (inclusief brengen en ophalen met de auto) maximaal iets meer dan 700 autoritten per werkdagetmaal hetgeen gelijk staat aan iets meer dan 500 autoritten per weekdagetmaal. Deze ritten verdelen zich over het omliggende wegennet. Hierbij krijgt de Michiel de Ruyterweg (bij de school) het meeste te verwerken met circa 300 autoritten per etmaal; dit betekent een toename van circa 5%. Procentueel is er ook een merkbare toename op de Christiaan Huygenweg (circa 4%); op alle andere wegen zijn de effecten aanzienlijk lager. De merkbare effecten zijn hierbij overigens beperkt in omvang. Er worden geen verkeersknelpunten verwacht. Zie hiervoor ook onderstaande afbeelding voor wat betreft de verdeling van de verkeersstromen uit het verkeersrapport.
4.1.3
Conclusie
In het Verkeer en parkeeronderzoek is aangegeven hoe aan de parkeerbehoefte kan worden voldaan. De parkeernormen zijn daarnaast geborgd in de regels. De verkeersafwikkeling is aanvaardbaar. Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 33
bestemmingsplan IGVO
4.2
Luchtkwaliteit
4.2.1
Kader
De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden; Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10); Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit gevoelige bestemmingen. Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. Tabel 4.1: Grenswaarden uit de Wet milieubeheer voor NO2, PM10 en PM2,5.
Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) maatgevend. Voor deze stoffen is de kans het grootst dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Overschrijding van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m³) is, in relatie tot wegverkeer, redelijkerwijs uitgesloten. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor langs wegen en uit metingen over een periode van 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is . Net als voor de jaargemiddelde concentratie PM10 is voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 ook een grenswaarde vastgesteld (25 µg/m³). PM2,5 is een deelverzameling van PM10 , de PM10- en PM2,5-concentraties zijn dan ook sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over emissies en concentraties van PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een plan/project niet in betekenende mate bijdraagt aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10.
Een plan/project draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht van zowel NO2 als PM10 niet meer bedraagt dan 3% van de grenswaarde voor die stoffen. Dit komt voor beide stoffen overeen met een maximale toename van de jaargemiddelde concentraties met 1,2 µg/m3. Plannen of projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, die onder het gelijknamige Besluit hangt, zijn bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 34
bestemmingsplan IGVO categorieën van gevallen opgenomen die per definitie 'niet in betekenende mate' zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een woningbouwontwikkeling van minder dan 1.500 woningen of een kantoorontwikkeling van minder dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlak. Deze ontwikkelingen hoeven dan niet nader onderzocht te worden op een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit en hiervoor hoeft geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen schrijft voor dat scholen tenminste 50 meter van provinciale en 300 meter van rijkswegen verwijderd moeten zijn als sprake is van (dreigende) overschrijding van normen voor luchtkwaliteit. Onderhavige locatie voldoet hieraan. Er is geen aanvullend gemeentelijk beleid van kracht voor gevoelige bestemmingen.
4.2.2
Onderzoek
Deze ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer op de wegen in de directe omgeving van het plangebied.
NIBM-toets Het voorgenomen plan voorziet in de ontwikkeling van een internationale school met 440 leerlingen. De omvang van dit plan past niet binnen een in de Regeling niet in betekenende mate bijdragen aangegeven categorie van gevallen die standaard niet in betekenende mate bijdraagt. Deze ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer op de wegen in de directe omgeving van het plangebied. In het kader van het verkeersonderzoek voor de onderhavige ontwikkeling is door Goudappel een verkeersgeneratie bepaalt van 510 motorvoertuigbewegingen per etmaal bepaald voor een weekdag. Voor de verdeling van het verkeer is uitgegaan van 1,2% (middel)zwaar verkeer.
Met de NIBM-tool (versie 23 april 2022) zijn vervolgens de maximale toenames van de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 berekend als gevolg van het extra verkeer. De NIBM-tool gaat uit van de voor luchtkwaliteit meest ongunstige situatie en berekent daardoor het maximale effect. In onderstaande figuur is de berekening met de NIBM-tool opgenomen. Tabel 4.2: NIBM-berekening.
bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 35
bestemmingsplan IGVO
Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat de maximale bijdrage van het voorgenomen plan aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 minder is dan 1,2 µg/m3. Op basis hiervan is aannemelijk dat het voorgenomen plan niet in betekenende mate bijdraagt. Hierdoor kan een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit achterwege blijven en staat de luchtkwaliteit op grond van artikel 5.16, lid 1, onder c verdere besluitvorming niet in de weg.
Gevoelige bestemmingen De A13 ligt op ca. 900 meter van het plangebied, hier wordt dus ruim voldaan aan de afstandsnorm van 300 meter t.o.v. rijkswegen. De N473 ligt op ca. 780 meter van het plangebied en de N470 op meer dan 1,1 km. Er wordt ook voldaan aan de eis van 50 meter tussen de school en een provinciale weg. De afstandsnormen voor scholen uit het Besluit gevoelige bestemmingen staan verdere besluitvorming niet in de weg.
Beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (zowel PM10 als PM2,5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit de NSL Monitoringstool (monitoringsronde 2020). Met de Monitoringstool wordt de luchtkwaliteit jaarlijks in beeld gebracht langs de drukste wegen in Nederland, zowel voor het gepasseerde jaar als voor de toekomst. De Monitoringstool wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de generieke invoergegevens van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de verkeersgegevens voor de rijkswegen en de wegen in beheer van provincies en gemeenten. De (maximale) concentraties ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling zijn in onderstaande tabel in beeld gebracht voor de meest kritische stoffen in Nederland: NO2, PM10 en PM2,5. Tabel 4.3: Jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in µg/m3 en toetsing aan de grenswaarden bij de dichtstbijzijnde rekenpunten aan de Julianalaan (ID 114407, 114408, 114409, 114410, 114391, 114393, 114394, 237125 en 237126).
bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 36
bestemmingsplan IGVO
Op basis van de resultaten uit de NSL Monitoringstool kan worden geconcludeerd dat de concentraties ruim onder de maatgevende grenswaarden voor deze stoffen liggen en naar de toekomst toe verder dalen. 4.2.3
Conclusie
De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Hierdoor kan een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit achterwege blijven en staat de luchtkwaliteit op grond van artikel 5.16, lid 1, onder c verdere besluitvorming niet in de weg. De school ligt verder op voldoende afstand van rijks- en provinciale wegen, daarom vormt het Besluit gevoelige bestemmingen ook geen belemmering. Daarnaast kan op basis van de NSL Monitoringstool worden geconcludeerd dat de concentraties ruim onder de maatgevende grenswaarden voor deze stoffen liggen en naar de toekomst toe steeds verder dalen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit staat verdere besluitvorming niet in de weg.
4.3
Geluid wegverkeerslawaai
4.3.1
Kader
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met woningen, geluidsgevoelige gebouwen, nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh) en dat er, op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. Een akoestisch onderzoek is in het kader van de Wgh daarom alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een weg, spoor en gezoneerd industrieterrein en waarbij sprake is van geluidgevoelige bestemmingen. Buiten de ligging van een wettelijk vastgestelde zone op grond van de Wgh kan een akoestisch onderzoek in verband met niet gezoneerde wegen eveneens noodzakelijk zijn om vast te stellen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij geluidgevoelige bestemmingen en derhalve kan worden voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. De voorgenomen ontwikkeling behelst de realisatie van een geluidsgevoelige functie (schoolgebouw met leslokalen) en het plangebied ligt binnen de geluidszone van gezoneerde wegen en een gezoneerde trambaan. Het betreft de navolgende wegen: Michiel de Ruyterweg/ Mekelweg (incl. busbaan) en Jaffalaan. Daarnaast betreft het Trambaan Michiel de Ruyterweg/ Mekelweg (lijn 19).
4.3.2
Akoestischonderzoek wegverkeerslawaai
In Bijlage 9 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bij deze toelichting is het akoestisch onderzoek vanwege wegverkeerslawaai met als titel 'Internationale school Prins Bernhardlaan, Delft, wegverkeerslawaai' opgenomen. Doel van het akoestisch onderzoek is om de geluidbelasting op de te projecteren school vanwege nabijgelegen wegen en tram-/busbaan in beeld te brengen en aan de hand hiervan te bepalen of wordt bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 37
bestemmingsplan IGVO voldaan aan de grenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder en aan eventuele vereisten die volgen uit het gemeentelijk geluidbeleid. Ook heeft het akoestisch onderzoek tot doel om (voor wegen waarvoor geen wettelijk toetsingskader geldt zoals 30 km/uur wegen) aan de hand van de berekende geluidbelasting te bepalen of sprake is van goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast is in het akoestisch onderzoek in beeld gebracht wat de akoestische gevolgen zijn van verkeer van en naar het plangebied. Hiertoe is de geluidbelasting op bestaande woningen langs de weg waarop het grootste deel van het planverkeer rijdt in beeld gebracht voor de plansituatie 2032 en de autonome situatie 2032 (= toekomstige situatie waarin het plan geen doorgang vindt) en zijn de geluidbelastingen vervolgens met elkaar vergeleken. Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Michiel de Ruyterweg en trambaan (incl. aftrek) hoogstens 53 dB bedraagt. De geluidbelasting vanwege de Jaffalaan bedraagt hoogstens 52 dB (incl. aftrek) en vanwege Zuidplantsoen hoogstens 43 dB (incl. aftrek). Vanwege de beperkte etmaalintensiteiten op de Prins Bernhardlaan (30 km/uur), zal de geluidbelasting eveneens beperkt zijn. Derhalve is er sprake van een aanvaardbare geluidsituatie ten aanzien van de Prins Bernhardlaan.
Gezien de overschrijding van de voorkeurswaarde vanwege het geluid van de eerste twee wegen, dient te worden onderzocht of maatregelen ter beperkingen van het geluid mogelijk zijn. Uit de maatregelenoverweging blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen stuiten op bezwaren van financiële, technische, verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. Onder voorwaarden (ingevolge het gemeentelijk geluidbeleid) is het mogelijk om hogere waarden vast te stellen: • Woningen en andere geluidgevoelige gebouwen dienen altijd een geluidluwe zijde te hebben. Dit is een gevel met een gecumuleerde geluidbelasting van 55 dB zonder aftrek ex art. 110g Wet geluidhinder. In het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat gezien het voorgaande, het college van burgemeester en wethouders kan overwegen om de volgende hogere waarden vast te stellen:
Michiel de Ruyterweg • 53 dB voor 1 school (de hoogste geluidbelasting op de begane grond bedraagt 51 dB en op de overige verdiepingen 53 dB) Jaffalaan • 52 dB voor 1 school (hoogstens 49 dB op de begane grond, 51 dB op de 1e en 4e verdiepingen, 52 dB op de 2e en 3e verdiepingen, 50 dB op de 5e en 6e verdiepingen) Wat betreft het geluideffect van het verkeer van en naar het plan, blijkt uit de resultaten dat de hoogste geluidtoename lager is dan 1,5 dB. De geluidsituatie voor zover het verkeer van en naar het plan betreft wordt aanvaardbaar geacht.
4.3.3
Hogere grenswaardenbesluit Wgh
In het verlengde van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, zoals opgenomen in Bijlage 9 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bij deze toelichting is een besluit genomen betreffende het vaststellen van hogere grenswaarden op grond van de Wet geluidhinder. Het besluit is opgenomen in Bijlage 28 Hogere grenswaardebesluit Wgh bij deze toelichting. Voor een integrale weergave van de overwegingen wordt hiernaar verwezen. Het toetsingskader voor dit besluit bestaat uit de Wet geluidhinder (Wgh) en Besluit geluidhinder (Bg). De Wgh stelt dat een hogere grenswaarde kan worden verleend indien maatregelen om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Het wettelijk bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 38
bestemmingsplan IGVO kader schrijft daarbij voor dat ten behoeve van het terugdringen van de geluidsbelasting achtereenvolgens de volgende soorten maatregelen dienen te worden bezien: maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerende wegdekverharding, verminderen verkeer, verlagen snelheid); maatregelen in het overdrachtsgebied tussen bron en ontvanger (bijvoorbeeld geluidsschermen, vergroten afstand tussen bron en ontvanger); maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld dove gevels, vliesgevels). Wanneer de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en geluidsreducerende maatregelen redelijkerwijs niet doelmatig of mogelijk zijn, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Het afwegingskader dat het College daarbij hanteert is opgenomen in de in april 2013 vastgestelde beleidsnota 'Beleid Hogere Waarden Wet Geluidhinder'. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat maatregelen aan de bron, in het overdrachtsgebied en bij de ontvanger niet effectief zijn of overwegende bezwaren ontmoeten van verkeerskundige, stedenbouwkundige of financiële aard. Aangezien op een deel van het onderwijsgebouw de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, dient voor het onderwijsgebouw een hogere grenswaarde te worden vastgesteld vanwege de Michiel de Ruyterweg/ Mekelweg (incl. busbaan en trambaan) en Jaffalaan.
Het uitgangspunt van het gemeentelijke hogerewaardenbeleid is dat hogere grenswaarden worden vastgesteld indien een aanvaardbaar akoestisch klimaat wordt gerealiseerd. Om dit doel te bereiken zijn in het hogerewaardenbeleid eisen geformuleerd. Zo dienen woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen (zoals een school) te beschikken over een geluidsluwe zijde. Onder een geluidsluwe zijde wordt het volgende verstaan: de geluidsbelasting van de geluidsluwe zijde mag cumulatief niet meer bedragen dan 60 dB (exclusief correctie conform artikel 110g Wgh); indien de gecumuleerde geluidsbelasting van de hoogst geluidsbelaste zijde 65 dB of minder bedraagt, bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting van de geluidsluwe zijde maximaal 55 dB (exclusief correctie conform artikel 110g Wgh); de gevel achter een vliesgevel kan beschouwd worden als een geluidsluwe gevel. In geval van scholen dient het merendeel van de leslokalen (in aantal) aan de geluidsluwe zijde te zijn gelegen. Op de zuidgevel na, zijn de gevels waar sprake is van leslokalen en theorie(vak)lokalen geluidsluw. De zuidgevel is op de begane grond geluidsluw (maximaal 55 dB), op de verdiepingen is de gecumuleerde geluidsbelasting ter hoogte van de leslokalen en theorie(vak)lokalen maximaal 57 dB. Het merendeel van de leslokalen in het onderwijsgebouw beschikken over een geluidsluwe gevel.
In verband met de realisatie van een internationale school aan de Prins Bernhardlaan dient dan ook een besluit hogere grenswaarden te worden genomen. De Wet geluidhinder, Besluit geluidhinder en het gemeentelijke hogerewaardenbeleid staan de vaststelling van hogere grenswaarden hierbij niet in de weg. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.
De navolgende hogere grenswaarden worden met het besluit vanwege de in onderstaande tabel opgenomen geluidsbronnen vastgesteld:
Verdieping
Hogere grenswaarde Lday in dB (incl. art. 110g Wgh)
Geluidsbron
bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 39
bestemmingsplan IGVO Begane grond
51
Michiel de Ruyterweg/ Mekelweg*
1e
53
Michiel de Ruyterweg/ Mekelweg*
2e
53
Michiel de Ruyterweg/ Mekelweg*
3e
53
Michiel de Ruyterweg/ Mekelweg*
e
53
Michiel de Ruyterweg/ Mekelweg*
5e
53
Michiel de Ruyterweg/ Mekelweg*
e
6
53
Michiel de Ruyterweg/ Mekelweg*
Begane grond
49
Jaffalaan
1e
51
Jaffalaan
2e
52
Jaffalaan
3e
52
Jaffalaan
e
51
Jaffalaan
5e
50
Jaffalaan
e
50
Jaffalaan
4
4
6
* inclusief busbaan en tramlijn
4.3.4
Conclusie
Uit het het akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai blijkt dat ter plaatse van de internationale school aan de Prins Bernhardlaan, in onderling verband met het besluit hogere grenswaarde Wet geluidhinder, sprake is van een akoestisch aanvaarbaar klimaat. Hierbij wordt de geluidsituatie voor zover het betreft geluid vanwege verkeer van en naar het plan aanvaardbaar geacht. Het aspect wegverkeerslawaai staat hiermee niet in de weg aan de totstandkoming van het bestemmingsplan en voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1
Kader
Bij bestemmingsplannen moet een afweging gemaakt worden tussen de belangen van bedrijven en bewoners. Die belangen kunnen tegenstrijdig zijn. Bedrijven hebben (milieu)ruimte nodig om te kunnen functioneren. Bewoners hebben belang bij het voorkomen van hinder. Voor de afweging tussen deze belangen is milieuzonering een hulpmiddel. Milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen). Het doel hiervan is om milieuhinder bij woningen (en andere gevoelige functies) zoveel mogelijk te voorkomen. Tegelijkertijd geeft milieuzonering aan bedrijven zekerheid over de (milieu)ruimte die het bedrijf heeft. Voor milieuzonering wordt landelijk gebruik gemaakt van de VNG-handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. In de VNG-handreiking worden indicatieve richtafstanden aangegeven ten opzichte van rustige woongebieden en gemengde gebieden. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere activiteiten (zoals bedrijven) voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 40
bestemmingsplan IGVO 4.4.2
Toetsing
Gebiedstype Het plangebied bevindt zich in de wijk Wippolder in Delft. Volgens de VNG-brochure behoren gebieden met een matige tot sterke functiemenging tot het omgevingstype 'gemengd gebied'. Gelet op de directe omgeving rondom het plangebied is er sprake van een duidelijke functiemenging van onderwijs, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen de driehoek Julianalaan-Prins Bernhardlaan-Michiel de Ruyterweg worden rondom het plangebied van IGVO nieuwe woningen gecombineerd met voorzieningen voorzien vanuit de gebiedsontwikkeling Gele Scheikunde. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen voor de voorziene nieuwe woningen rondom het plangebied van IGVO is voor de ontwikkeling van IGVO uitgegaan van de classificatie 'rustige woonwijk'.
Hinder vanuit omliggende functies Een school met leslokalen is een gevoelige functie en dus dient bij een nieuw bestemmingsplan gekeken te worden naar de hinder van omliggende bedrijven t.o.v. de school. Rondom het plangebied bevinden zich enkele functies die bedrijvigheid mogelijk maken: 1. ten noordoosten van het plangebied is op gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' een universiteitsgebouw aanwezig (Julianalaan 134); 2. ten zuiden van het plangebied is op gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' een universiteitsgebouw aanwezig (Jaffalaan 5); 3. ten zuiden van het plangebied is op gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' een International School Delft Primary aanwezig (jaffalaan 9). Op basis van de VNG-brochure worden scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs ingedeeld in milieucategorie 2, met een VNG-afstand van 30 meter (ten opzichte van een rustige woonwijk). De afstanden tussen de school en de universiteitsgebouwen bedragen circa 60 meter of meer. Er wordt daarmee voldaan aan de indicatieve VNG-afstand. Op gronden van het vigerende bestemmingsplan 'TU Midden en Noord' kan ter plaatse van de universiteitsgebouwen geen nieuwe bedrijvigheid worden gevestigd die een hogere milieucategorie heeft dan de reeds gevestigde functies.
Daarom wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van de omliggende bedrijvigheid sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er wordt voldaan aan de VNG-brochure voor 'bedrijven en milieuzonering'.
Hinder vanuit plangebied ten opzichte van omliggende functies
De internationale school is voorzien op gronden die in het vigerende bestemmingsplan 'TU Midden en Noord' al bestemd zijn als 'Maatschappelijk', ook ligt er al een bouwvlak. Het gewenste ontwerp van de nieuwe school past niet volledig binnen de bouwmogelijkheden van het vigerende plan, maar overschrijdt de grenzen van het bestemmingsvlak en het bouwvlak echter niet. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is enkel een verhoging van de bouwhoogte nodig. Op dit moment is het al planologisch mogelijk een school te huisvesten in het plangebied. De internationale school vormt daarom geen belemmering voor omliggende bedrijfsfuncties en er vindt geen verslechtering plaats van het woon- en leefklimaat voor omliggende gevoelige functies.
Transformatie Gele Scheikunde Op het naastgelegen Gele Scheikunde Complex is een herontwikkeling voorzien. De voormalige universiteitsgebouwen worden getransformeerd naar een gebied met zowel woningen als commerciële voorzieningen. Hiervoor wordt separaat van de school een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De afstand tussen de geprojecteerde woningbouw (gevel) bij de school en de school met schoolplein bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 41
bestemmingsplan IGVO (grens bestemmingsvlak) voldoet naar verwachting niet aan de VNG-afstand. Op dit moment is een internationale school met het bijbehorende schoolplein al mogelijk binnen de bestemming 'Maatschappelijk'. Bij het bestemmingsplan 'Gele Scheikunde' is nader in beeld gebracht wat de geluidhinder van de school inclusief schoolplein op de toekomstige woonvlakken is en of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Hiervoor wordt verwezen naar Bijlage 8 Akoestisch onderzoek geluid vanwege IGVO bij deze toelichting. Samengevat gelden meer specifiek de navolgende conclusies op grond van voornoemd onderzoek: Het doel van onderhavig onderzoek is om de verwachte geluidbelasting van de te ontwikkelen internationale school in beeld te brengen op de omliggende geluidgevoelige objecten (inclusief plan Gele Scheikunde) en deze te toetsen aan de kaders uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarnaast is het doel om de verwachte geluidbelasting te duiden aan de hand van gangbare richt- en grenswaarden die volgen uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Uit de resultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) hoogstens 49 dB(A) bedraagt (inclusief stemgeluid en laad- en losactiviteiten, hoewel formeel uitgesloten van toetsing).
Dat is lager dan de grenswaarde van 50 dB(A) ingevolge het Activiteitenbesluit, maar hoger dan de streefwaarde van 45 dB(A) (in het kader van goede ruimtelijke ordening). Zonder het legen van de afvalcontainer maar inclusief stemgeluid bedraagt de geluidbelasting hoogstens 42 dB(A). Dan wordt wel voldaan aan de streefwaarde van 45 dB(A). Vanwege het stemgeluid treden maximale geluidniveaus op van hoogstens 61 dB(A). Vanwege het sluiten van de portieren van personenwagens bedraagt het maximaal geluidniveau hoogstens 68 dB(A). Het maximaal geluidniveau bedraagt hoogstens 75 dB(A) als gevolg van het legen van de afvalcontainer. Formeel gezien wordt het laatstgenoemde in het kader van het Activiteitenbesluit uitgesloten van toetsing. Dan wordt voldaan aan de grenswaarde van 70 dB(A) ingevolge het Activiteitenbesluit. In het kader van goede ruimtelijke ordening dient de afvalcollectie wel te worden meegewogen. Het legen van de afvalcontainer zal hoogstens 1 keer per dag voorkomen. Het maximaal geluidniveau als gevolg van die activiteit bedraagt hoogstens 75 dB(A). Gezien de beperkte frequentie van deze activiteit, kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie ten aanzien van het maximaal geluidniveau.
Het maximaal geluidniveau vanwege het dichtslaan van portieren is wel hoger dan de in stap 1 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' opgenomen grenswaarde van 65 dB(A). Echter, het sluiten van portieren doet zich niet frequent voor en tevens binnen beperkte tijdsintervallen. Gezien dit feit is ons inziens sprake van een aanvaardbare geluidsituatie. De geluidbelasting (zowel het LAr,LT als het LAmax niveau) op overige bestaande geluidgevoelige objecten is lager dan de gestelde streef- en grenswaarden. Kort samengevat is de conclusie dat de optredende geluidniveaus aanvaardbaar zijn, daarbij in aanmerking genomen dat de hoogste niveaus in belangrijke mate worden bepaald door een activiteit die zich in principe slechts eenmaal per week kortdurend voordoet (namelijk het legen van de afvalcontainer). Van de overige activiteiten leidt alleen het sluiten van autoportieren bij de dichtstbijzijnde nieuwe woningen tot maximale geluidniveaus die hoger zijn dan de streefwaarde, maar lager dan de grenswaarde. Deze geluidniveaus treden doorgaans alleen op in de randen van de schooldag, terwijl het daarnaast gaat om een beperkt aantal auto's. 4.4.3
Conclusie
De internationale school ligt niet binnen de VNG-afstanden van nabijgelegen hinderveroorzakende functies. De school vormt eveneens geen belemmering voor de functies in de omgeving van het plangebied. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.5
Externe Veiligheid
bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 42
bestemmingsplan IGVO 4.5.1
Kader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats onbeschermd aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: Lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): De afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Figuur 4.2: Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport. Verantwoordingsplicht In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals in onderstaand figuur weergegeven. bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 43
bestemmingsplan IGVO
Figuur 4.3: Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Het geeft aan dat je op alle verschillende schalen slecht (rood), gemiddeld (oranje/geel) tot goed (groen) kan scoren. De beoordeling van deze aspecten samen vormen de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag. 4.5.2
Beschouwing risicobronnen
Deze paragraaf bevat een beschouwing van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied: de Rijksweg A13, DSM Delft en de Rijksweg A4. Rijksweg A13 De Rijksweg A13 bevindt zich ongeveer 850 meter ten oosten van het plangebied. Over deze weg vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de weg (>4.000 meter op basis van stofcategorie LT3). Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin is aangegeven dat er op de A13 ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6-contour van 17 meter. Deze contour ligt ver buiten het plangebied. Het plaatsgebonden risico voldoet daarmee aan de grens- en richtwaarden. Plasbrandaandachtsgebied Voor de A13 geldt conform de Regeling basisnet een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Dit PAG reikt echter niet tot het plangebied. Het PAG is daarmee niet relevant voor het plangebied. Groepsrisico Het invloedsgebied van de weg bedraagt meer dan 4.000 meter conform de Handleiding risicoanalyse Transport (HART). Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de A13. Het berekenen van het groepsrisico is conform het Bevt en de HART niet nodig (plangebied bevindt zich op meer dan 200 meter afstand van de weg).
Aangezien het plangebied binnen het invloedsgebied van de weg is gelegen, is verantwoording van het groepsrisico conform het Bevt wel verplicht. Omdat het plangebied geheel buiten de 200 meter-zone van de weg is gelegen, is een zogenaamde beperkte verantwoording van het groepsrisico van toepassing (beschouwen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid). DSM Delft Permit B.V. De BRZO-inrichting DSM in Delft bevindt zich op circa 1,9 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied. Uit de QRA voor DSM (Antea Group, 2019) blijkt de PR 10-6/jaar-contour van DSM zich net buiten de eigen inrichtingsgrens te bevinden. De contour reikt daarmee niet tot het plangebied. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Het invloedsgebied van DSM bedraagt circa 1.500 meter. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van DSM. De ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op de hoogte van het groepsrisico van DSM en verantwoording van het groepsrisico conform het Bevi is daarmee niet van toepassing. Rijksweg A4 De Rijksweg A4 bevindt zich ongeveer 3.400 meter ten westen van het plangebied. Over deze weg vindt, bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 44
bestemmingsplan IGVO conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van de weg (880 meter op basis van stofcategorie LT2) reikt niet tot het plangebied. De A4 is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot het plangebied. 4.5.3
Verantwoording groepsrisico
Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is verplicht ten aanzien van de Rijksweg A13. Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevt en zijn tevens beschreven in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico en in algemene zin beschreven in hoofdstuk twee van deze handreiking. In dit hoofdstuk worden elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag (de gemeente Delft). Algemene beschouwing veiligheidssituatie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A13. De afstand tussen het plangebied en deze transportroute gevaarlijke stoffen (circa 900 meter) maakt dat alleen het toxisch scenario relevant is. In deze paragraaf wordt het scenario verduidelijkt. Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk.
Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Hoogte groepsrisico De hoogte van het groepsrisico van de weg is niet nader beschouwd (conform het Besluit externe veiligheid transportroutes), omdat de afstand tussen deze risicobron en het plangebied meer dan 200 meter bedraagt. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Voor het toxisch scenario is dat in principe schuilen. Gerichte risicocommunicatie met bewoners en andere aanwezigen in de omgeving (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van een gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven.
Op de website van de Veiligheidsregio Haaglanden staan onder 'Ken de risico's: Gevaarlijke stoffen' instructies wat iemand kan doen tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Mogelijkheden van zelfredzaamheid Bij een calamiteit met toxische stoffen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus het algemene advies. In geval van een calamiteit met toxische stoffen is het van belang dat (ruimtes in) de geprojecteerde bebouwing bescherming biedt, nieuwbouwwoningen worden in ieder geval beschouwd als geschikte schuillocatie. Hoge gebouwen zijn moeilijker te ontvluchten dan lage. Het toestaan van hoogbouw heeft daarom een negatief effect op de zelfredzaamheid van personen. Een goede bewijzering van de vluchtroutes biedt hiervoor uitkomst. Voor vluchtroutes geldt dat: er voldoende vluchtwegen het gebied uit dienen te leiden. Bij een ramp kan een vluchtweg bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 45
bestemmingsplan IGVO bijvoorbeeld zijn afgesloten door een toxische wolk; de vluchtwegen voldoende capaciteit dienen te hebben om enerzijds de volledige populatie uit het gebied te kunnen evacueren (ook als een vluchtweg is afgesloten) én om hulpverleningsdiensten het gebied in te laten komen; de oriëntatie van de vluchtwegen voor alle mogelijke scenario’s juist dient te zijn. Zo dient bij een dreigende BLEVE de vluchtroute direct het gebied uit te leiden, via de snelste route. Voor het scenario toxische wolk is het echter van belang dat de vluchtwegen loodrecht op de meest voorkomende windrichting zijn georiënteerd. Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Beperkt zelfredzame groepen In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die de langdurige aanwezigheid van grote groepen beperkt zelfredzame personen (zoals jonge kinderen) mogelijk maken. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De mate waarin uitvoering aan aanvalsstrategie kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen).
Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt door het bevoegd gezag (de gemeente Delft) in het kader van de ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Haaglanden. Toxisch scenario Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het ontwikkelscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. 4.5.4
Conclusie
De gemeente Delft is voornemens om de vestiging van de internationale school aan de Prins Bernhardlaan te Delft mogelijk te maken. Uit de analyse ten aanzien van het aspect externe veiligheid blijkt dat het invloedsgebied van de Rijksweg A13 reikt tot het plangebied. Er wordt voor deze transportroute voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. De hoogte van het groepsrisico behoeft niet nader beschouwd te worden (afstand tot transportroutes bedraagt meer dan 200 meter). Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A13 zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. Deze elementen kan het bevoegd gezag (de gemeente Delft) betrekken bij de besluitvorming in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling. De veiligheidsregio dient hierbij betrokken te worden als adviserend orgaan in het kader van de verantwoordingsplicht.
4.6
Kabels en leidingen
In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die planologisch beschermd dienen te worden. Met overige kabels en leidingen wordt rekening gehouden in de uitvoeringsfase. Het aspect 'kabels en leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.7
Lichthinder
Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat lichtgevoelige functies definieert. De bescherming gaat via de invulling van een goede ruimtelijke ordening. Bij hinder door licht zal het feit dat mogelijk mensen langdurig aanwezig zijn, bepalend zijn of een bestemming als gevoelig kan worden beschouwd. Bij het toepassen van verlichting dient evenwel rekening te worden gehouden met de richtlijnen van de Nederlandse stichting voor verlichtingskunde (NSVV) zodat hinder (voor mensen binnen de school of omwonenden) zoveel mogelijk wordt voorkomen/ beperkt. bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 46
bestemmingsplan IGVO Het bestemmingsplan maakt functies mogelijk die passen binnen een bestaand stedelijk gebied, daarom vormt 'lichthinder' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.8
Flora en fauna
4.8.1
Kader
De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen).
4.8.2
Beschermde soorten
In het kader van onderhavige ontwikkeling is een ontheffing verleend in het kader van de Wet Natuurbescherming voor het overtreden van de verbodsbepalingen zoals genoemd in: - artikel 3.5, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); - artikel 3.5, vierde lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). De ontheffing is verleend voor de periode tot en met 31 december 2025 en onder de voorwaarden 1 tot en met 12 als bedoeld in de betreffende ontheffing. De voornoemde ontheffing is opgenomen in Bijlage 1 Ontheffing soorten Wet Natuurbescherming. De ontheffing staat in onderling verband met Bijlage 2 Activiteitenplan soorten Wnb , Bijlage 3 Nader onderzoek soorten Wnb wn Bijlage 4 Quickscan soorten Wnb. De voorwaarden als genoemd in ontheffing zijn als voorwaardelijke verplichting in de planregels geborgd.
Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
4.8.3
Beschermde gebieden
NNN Voor wat betreft de NNN is bij directe aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er bevindt zich geen NNN binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van de NNN dan ook geen sprake. In de omgeving van het plangebied liggen wel NNN-gebieden. De gebieden bevatten moerasgebied en weidevogelgrasland. Deze gebieden zijn onder andere gevoelig voor versnippering, geluidsoverlast, verstoring etc. De geplande ontwikkeling in het plangebied heeft, door de afstand, geen significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen. Het NNN-beleid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
Beschermde houtopstanden De bomen binnen het plangebied vallen binnen de bebouwde kom van de gemeente Delft. Dit betekent dat er geen sprake is van houtopstanden zoals omschreven onder de Wnb. De gemeente Delft is het bevoegd gezag voor wat betreft de kap van bomen. De gemeente Delft heeft een actuele bomenkaart bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 47
bestemmingsplan IGVO waarop alle monumentale bomen staan aangegeven. In het plangebied zijn betreffende bomen voorzien van een aanduiding en beschermende planregeling. De bescherming van houtopstanden onder de Wnb vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.
Natura 2000 Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' ligt op circa 10 kilometer afstand ten westen van het plangebied. Vanwege de afstand worden geen effecten verwacht van enige storingsfactor (zoals geluid, licht, trilling of verdroging) op habitattypen of habitatsoorten. Er is geen effect op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en daarom is er geen aanleiding om te verwachten dat er op Natura 2000-gebieden op grotere afstand nog effecten zullen optreden, behalve voor wat betreft het effect van vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie.
Stikstofdepositie In het kader van de nieuwe ontwikkeling is door Antea Group (2023) een AERIUS-berekening uitgevoerd met Aerius Calculator 2022. Er is beoordeeld of er als gevolg van stikstofemissies van de voorgenomen activiteiten (realisatie en gebruiksfase), mogelijk sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van enig Natura 2000-gebied en of de betreffende instandhoudingsdoelstellingen in gevaar worden gebracht. Het volledige stikstofonderzoek is meegenomen in Bijlage 5 Stikstofdepositie onderzoek. Realisatiefase
Mobiele werktuigen: Voor de doorrekening van de stikstofbijdrage vanwege de realisatiefase is voor mobiele werktuigen gebruik gemaakt van kengetallen, zoals beschreven in Bijlage 5 Stikstofdepositie onderzoek.
De emissies voor de onderhavige planontwikkeling die met de kentallen zijn bepaald zijn in AERIUS Calculator ingevoerd als vlakbron met sectorgroep "Anders", een emissiehoogte van 4 meter en een spreiding van 4 meter. Als Temporele variatie is "Continue Emissie" aangehouden.
Bouwverkeer: Er komen werknemers naar het plangebied met licht verkeer ten behoeve van de bouw. Daarnaast worden er middels vrachtverkeer materialen aangeleverd tijdens de bouw. Tijdens de sloop wordt puin afgevoerd met vrachtwagens.
bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 48
bestemmingsplan IGVO
Voor de onderhavige ontwikkeling komt het bouwverkeer uit op 6.792 lichte verkeersbewegingen en 2.772 zware verkeersbewegingen. Gelet op de ligging t.o.v. de N470 en A13 wordt verwacht dat 65% richting de N470 beweegt en 35% richting de A13. Het verkeer is meegenomen tot het is opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Voor de routing wordt verwezen naar Bijlage 5 Stikstofdepositie onderzoek.
Verkeersgeneratie gebruiksfase Voor de gebruiksfase is het rekenjaar 2024 gehanteerd. In het kader van het verkeersonderzoek voor de onderhavige ontwikkeling is door Goudappel een verkeersgeneratie van 510 motorvoertuigbewegingen per etmaal bepaald voor een weekdag. Voor de voertuigverdeling is uitgegaan van een verdeling van 98,8%, 1% en 0,2% voor respectievelijk lichte, middelzware en zware motorvoertuigen. Dit leidt tot de onderstaande verkeersgeneratie (tabel 1).
Verkeersafwikkeling De verspreiding van de motorvoertuigbewegingen in de gebruiksfase per wegvak is weergegeven in tabel 5. Alle wegvakken zijn gemodelleerd als type wegverkeer ‘binnen bebouwde kom’. Het verkeer wordt afgewikkeld richting de A13 (40%), de Kruithuisweg (20%), het centrum (20%) en de TU Campus (20%). Tabel 5 toont de gemodelleerde wegvakken in de gebruiksfase.
De maximaal berekende stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden bedraagt, blijkens Bijlage 5 Stikstofdepositie onderzoek op basis van voornoemde uitgangspunten, niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar tijdens de gebruiksfase. Hierdoor kunnen significante (negatieve) gevolgen op Natura bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 49
bestemmingsplan IGVO 2000-gebieden worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming niet in de weg. 4.8.4
Conclusie
In het plangebied zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Door middel van mitigerende maatregelen is het plan uitvoerbaar. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een verleende Wnb ontheffing. Verder wordt rekening gehouden met het broedseizoen van algemeen voorkomende vogels en wordt de zorgplicht in acht genomen. Er worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000- en NNN-gebieden. Het aspect 'flora en fauna' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.9
Bodem
4.9.1
Kader
Op basis van historische informatie en in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken is voor het gehele grondgebied van Delft volgens het Besluit bodemkwaliteit een bodemkwaliteitskaart opgesteld. De bodemkwaliteitskaart maakt deel uit van de Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018. In de nota is berekend wat de gemiddelde bodemkwaliteit van de trajecten 0-0,5 m-maaiveld en 0,5-2,0 m-maaiveld in een bepaald gebied is. Ook is opgenomen wat de bodemfunctie is en welke toepassingseisen (dit is de kwaliteit van de toe te passen grond grond) gelden in geval van grondverzet. Volgens artikel 3.1.6., van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. 4.9.2
Onderzoek
In het plangebied is door Antea Group (april 2020) een verkennend bodemonderzoek in combinatie met verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 19 Verkennend bodemen verkennend en nader asbestonderzoek gevoegd bij deze toelichting. De resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken zijn in dit onderzoek verwerkt.
Algemene bodemkwaliteit Op het gehele terrein bevindt zich een stedelijke ophooglaag bestaande uit zand, klei, puin, bakstenen en kolen(gruis). De dikte van de stedelijke ophooglaag varieert tussen de 1 en 2 meter en is overwegend licht verontreinigd door zware metalen (cadmium, koper, kwik, lood en zink), minerale olie en PAK. Lokaal komt in de bovengrond (traject 0,2 -0,6 m-mv) koper en zink matig verhoogd voor. De verontreinigingen zijn diffuus in heterogeen verdeelde mate aanwezig. In het grondwater zijn ten hoogste lichte verontreinigingen met zware metalen en naftaleen aangetoond.
Loodgehalte Op basis van de resultaten van eerder uitgevoerde onderzoeken op locatie (2014 en 2019) als ook de resultaten van het bodemonderzoek van Antea Group (2020) is het gemiddelde gehalte aan lood berekent. Hieruit volgt dat het gemiddelde loodgehalte voldoet aan een gezondheidskundig voldoende bodemkwaliteit in relatie tot het gebruik als buitenruimte voor scholieren. Hierbij wordt opgemerkt dat het gemiddelde gehalte als matige kwaliteit wordt gezien voor het gebruik als moestuin.
Bodemverontreinigingen Binnen het plangebied bevinden zich twee bodemverontreinigingen die de interventiewaarde overschrijden (grenswaarde waarbij mogelijk sprake is van een gebruikersrisico): De bodemverontreiniging met koper op het westelijke deel van het terrein (in de punt). bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 50