CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Regels en Bijlagen bij de Regels (Gecorrigeerde versie)

Raadsvergadering 4 april 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake Coördinatieprocedure bestemmingsplan Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs (IGVO) (nr. 2310125)30.222 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

IGVO

bestemmingsplan IGVO

Inhoudsopgave

Toelichting IGVO

3

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel planvorming 1.2 Begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Opbouw plan

4 4 5 6 7

Hoofdstuk2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

8 8 13

Hoofdstuk3 Beleid 3.1 Rijk 3.2 Provincie en regionaal 3.3 Gemeente 3.4 Hoogheemraadschap Delfland 3.5 Conclusie

19 19 20 25 30 31

Hoofdstuk4 Omgevingsaspecten en onderzoek 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Luchtkwaliteit 4.3 Geluid wegverkeerslawaai 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Externe Veiligheid 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Lichthinder 4.8 Flora en fauna 4.9 Bodem 4.10 Archeologie 4.11 Cultuurhistorische waarden 4.12 Water 4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

32 32 34 37 40 42 46 46 47 50 52 54 56 60

Hoofdstuk5 Juridische planbeschrijving 5.1 Verantwoording planvorm 5.2 Systematiek bestemmingen

62 62 62

Hoofdstuk6

64

Handhaving

Hoofdstuk7 Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid 7.1 Inspraak en overleg 7.2 Financiële uitvoerbaarheid

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 2

65 65 66

bestemmingsplan IGVO

Toelichting IGVO

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 3

bestemmingsplan IGVO

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel planvorming

In het door de gemeenteraad van Delft vastgestelde Integraal HuisvestingsPlan 2020-2036 (IHP) is voorzien in de realisatie van een nieuw schoolgebouw op het voormalige Gele Scheikunde terrein aan de Prins Bernardlaan 6. Met dit bestemmingsplan wordt het beoogde nieuwe schoolgebouw mogelijk gemaakt dat zal dienen voor de permanente huisvesting van 440 leerlingen van de International School Delft Secondary ofwel Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs van Stichting Lucas Onderwijs (IGVO). De locatie aan de aan de Prins Bernardlaan 6 is gelegen tegenover basisschool ‘International School Delft Primary’ op de TU Campus. De beoogde (her)ontwikkellocatie betreft het zuidelijke deel van het voormalige universiteitscomplex ‘Gele Scheikunde’ in Delft. Het betreffende terreindeel staat bekend als Kramerslaboratorium en Witte Olifant en is in de huidige staat grotendeels verhard, waarbij binnen de locatie alleen de toren van het Kramerslaboratorium en halfverdiepte kelder van het Witte Olifant gebouw resteren. De locatie is vormgegeven als een driehoekig plot welke aan de zuidzijde grenst aan de Prins Bernhardlaan. Deze ontwikkeling is op grond van de bouwregels (toegelaten metrage bebouwing) niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan IGVO voorziet in het benodigde juridisch-planologische kader om de ontwikkeling te kunnen faciliteren.

Hierbij wordt de huidige bestemming 'Maatschappelijk' voortgezet onder aanpassing van de bouwregels. Het bestemmingsplan voor de IGVO locatie loopt hierbij procedureel (min of meer) parallel op met de afzonderlijke planvorming voor de woningbouwlocatie Gele Scheikunde. Het verschil hierbij is dat het bestemmingsplan voor de IGVO locatie gebruik maakt van de WRO coördinatieregeling en het bestemmingsplan voor Gele Scheikunde hiervan geen gebruik maakt. In onderstaande is in dit verband een impressie opgenomen, waarin de realisatie van beide ontwikkelplannen is verbeeld.

Figuur 1.1: Globale ligging plangebied in Delft (omkaderd)

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 4

bestemmingsplan IGVO

Figuur 1.2: Ligging plangebied in Delft meer en detail op basis van plattegrondschets Atelierpro 2021.

Figuur 1.3: Impressie (met als oriëntatie de feitelijke noordzijde aan zuidzijde van deze impressie) van de toekomstige situatie. Hierbij is de woningbouwlocatie Gele Scheikunde aan zuidzijde van de impressie te zien en is aan de bovenzijde van de impressie grenzend aan de Prins Bernhardlaan de IGVO locatie te zien. Bron: Stedenbouwkundig DO Gele Scheikunde.

1.2

Begrenzing plangebied

Het plangebied bevindt zich op een driehoekig plot welke aan de zuidzijde wordt begrensd door de Prins Bernhardlaan en aan overige zijden wordt begrensd door de nieuw te ontwikkelen woningbouwlocatie Gele Scheikunde. Op wijkniveau ligt de locatie in het zuidelijk deel van Delft binnen de wijk Wippolder. Het terrein ligt hierbij op het scharnierpunt van de Zeeheldenbuurt, BK-City en de TU Delft Campus.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 5

bestemmingsplan IGVO

Figuur 1.3: Ligging plangebied in haar directe omgeving. Bron: luchtfoto Delft 2021

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'TU Midden en Noord', dat op 25 april 2013 is vastgesteld. Op de gronden in het plangebied zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen van kracht: Enkelbestemming 'Maatschappelijk'. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie II'. Dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Binnen de enkelbestemming 'Maatschappelijk' liggen de functieaanduidingen 'monumentale boom'.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 6

bestemmingsplan IGVO

Figuur 1.4: Uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan (met indicatieve duiding plangebied IGVO). Bron: ruimtelijkeplannen.nl (bewerking gemeente Delft). Daarnaast is de 'Facetherziening parkeren' (vastgesteld op 31 mei 2018) van toepassing in het plangebied. In dit parapluplan zijn regels opgenomen voor parkeren, stallen, laden en lossen.

1.4

Opbouw plan

De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk beschrijft Hoofdstuk 2 de huidige situatie en toekomstige ontwikkeling van het plangebied. In Hoofdstuk 3 is het beleid beschreven. Hoofdstuk 4, 'Omgevingsaspecten en onderzoek', beschrijft de voor bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken en relevante omgevingsaspecten. In Hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling. Hoofdstuk 6 gaat in op handhaving in dit plangebied. In Hoofdstuk 7 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 7

bestemmingsplan IGVO

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

2.1

Bestaande situatie

2.1.1

Voorgeschiedenis

In de bijlage bij de toelichting is opgenomen een Cultuurhistorisch onderzoek dat ziet op het gebouwencomplex Gele Scheikunde, het Kramerslaboratorium en Witte Olifant en de buitenruimte behorende bij deze gebouwen. Hierin is een uitgebreide beschrijving opgenomen over de voorgeschiedenis van de locatie. In onderstaande is een beknopte beschrijving van deze voorgeschiedenis van de locatie opgenomen. Het IGVO terrein komt hierbij grotendeels overeen met het terrein van het voormalige Kramerslaboratorium en Witte Olifant. Gele Scheikunde terrein: gebouwencomplex Gele Scheikunde In 1912 was door de TU Delft ( tot 1 September 1986 nog Technische Hogeschool Delft genoemd) besloten om voor de faculteit Scheikundige Technologie een nieuw onderkomen te bouwen. De beoogde locatie hiervoor was de locatie van het huidige Rode Scheikunde gebouw. Door een tekort aan financiële middelen werd de bouw van dit complex echter stilgelegd en in 1935 werd besloten dat op de huidige locatie van het Gele Scheikunde gebouw een nieuw, goedkoper en soberder faculteitsgebouw gebouwd moest worden. In 1938 werd begonnen met de bouw, maar tijdens de tweede wereldoorlog lag deze weer stil. Hierdoor is de faculteit pas in 1946 in het Gele Scheikunde gebouw getrokken.

In 1949 was het gebouw al te klein voor het aantal studenten dat aan de faculteit studeerden en daarom werd er op de twee zijvleugels en in het centrale stuk grenzend aan de collegezalen een tweede verdieping gebouwd. Gele Scheikunde terrein: Kramerslaboratorium en Witte Olifant Op 13 februari 1946 besloten de Directie en Commissarissen van de N.V. De Bataafsche Petroleum Maatschappij (later opgegaan in N.V. Koninklijke Shell) een bedrag van drie miljoen gulden te schenken aan de Staat der Nederlanden. Vanwege de snelle groei van wetenschap en techniek, werden vernieuwingen in het Hoger Onderwijs noodzakelijk geacht. Een miljoen was bestemd voor de bouw van een natuurkundig laboratorium voor de Rijks Universiteit in Leiden ter modernisering van het beroemde Kamerlingh Onnes Laboratorium. De andere twee miljoen was bestemd voor de oprichting en uitbreiding van twee Proeffabrieken voor de Technische Hogeschool in Delft. Het ene miljoen diende voor de bouw en inrichting van een Proeffabriek voor Physische Technologie, een fysisch-technologisch laboratorium voor de aardolie en de chemische industrie. Het overige bedrag was voor de uitbreiding en inrichting van een Proeffabriek bij het Laboratorium voor Chemische Technologie. Hier leerden studenten de praktijk van de belangrijkste chemisch technologische bewerkingen van de chemische industrie. In overleg met de T.H.

werd bepaald dat de Proeffabrieken op een driehoekig terrein, gelegen tussen de bestaande Laboratoria voor Chemische Technologie (het Gele Scheikundegebouw), de Prins Bernhardlaan en de toenmalige Kanaalstraat (de huidige Michiel de Ruyterweg) kwamen te liggen. Dit nog onbebouwde terrein resteerde na het gereedkomen van het Gele Scheikundegebouw. Al snel na de opening bleken de Proeffabrieken te klein om het groeiende team wetenschappers en promovendi te huisvesten. In 1959 werd daarom in de tuin tussen de beide Proeffabrieken enerzijds en het laboratorium voor Scheikundige Technologie anderzijds een kantoorgebouw neergezet. Vanwege de kleur, kreeg dit gebouw de naam de Witte Olifant. Om het pand te kunnen plaatsen werd de werkplaats deels afgebroken en in het gebouw opgenomen.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 8

bestemmingsplan IGVO

Figuur 2.1: Gele Scheikunde terrein waarvan onderdeel uitmaakt het gebouwencomplex Gele Scheikunde en het Kramerslaboratorium (bron: Cultuurhistorisch onderzoek).

2.1.2

Bestaande toestand terrein en bebouwing

Zoals eerder benoemd ligt het plangebied aan de zuidkant van de historische binnenstad, tussen de Zeeheldenbuurt en TU Delft. De Zeeheldenbuurt is in de jaren '30 gebouwd. Verder ligt het plangebied tegen de rand van het rijksbeschermd stadsgezicht Delft-TU Noord. Het omliggende gebied is karakteristiek door de afwisseling van laagbouw in de Zeeheldenbuurt, grootschalige gebouwen (o.a. Rode Scheikunde/Aula en Congrescentrum) op de campus van de TU en de groene omgeving die onder andere wordt gecreëerd door de Botanische Tuin, het De Vries van Heijstplantsoen en de begraafplaats Jaffa met daaromheen het Zuidplantsoen. In het Rode Scheikunde gebouw bevindt zich momenteel de faculteit Bouwkunde. In de huidige situatie zijn op het IGVO terrein nog uitsluitend aanwezig: de bestaande verhardingen en enkele groenelementen; een halfverdiepte kelder welke resteert na sloop van het Witte Olifant gebouw (globale duiding met cirkel op middenterrein IGVO in onderstaande afbeelding); de Kramerstoren als cultuurhistorisch waardevol te behouden element (globale duiding met cirkel op voorterrein IGVO in onderstaande afbeelding).

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 9

bestemmingsplan IGVO

Figuur 2.2. Duiding locatie resterende bebouwing met op voorterrein Kramerstoren en op middenterrein halfverdiepte kelder als restant na sloop Witte Olifant

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 10

bestemmingsplan IGVO

Figuur 2.3. Kramerstoren die als onderdeel van het Kramerslaboratorium is behouden. Aan rechterzijde is het poortwachtersgebouw te zien dat tevens behouden blijft, maar onderdeel uitmaakt van het belendende plangebied voor Gele Scheikunde

2.1.3

Infrastructuur

De ontsluiting van het plangebied vindt in de huidige situatie plaats via de Prins Bernhardlaan waaraan het plangebied aan zuidzijde grenst. De Prins Bernhardlaan wordt voor wat betreft autoverkeer via de Michiel de Ruyterweg weer verbonden met de Jaffalaan/ Rotterdamseweg in zuidelijke richting en in nooroostelijke richting met het Zuidplantsoen. Dit vormen belangrijke routes in het autoverkeerssysteem.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 11

bestemmingsplan IGVO

Figuur 2.4. Overzicht van auto- (groen), ov- (geel) en fietssysteem (blauw) uit Mobiliteitsprogramma 2040 In onderstaande afbeelding het beeld van de Prins Bernhardlaan en aan overzijde gelegen Jaffalaan.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 12

bestemmingsplan IGVO

Figuur 2.5 Wegprofiel Prins Bernhardlaan ter hoogte van IGVO (bron: Cyclomedia 29-06-2021). Parkeren De Prins Bernhardlaan valt niet onder het gereguleerde gebied voor betaald parkeren. Op het voorterrein van de IGVO locatie is in de huidige situatie sprake van een beperkt aanbod van parkeerplaatsen. Aan de Jaffalaan en aanpalende parkeerkoffers is er op loopafstand een uitgebreider parkeeraanbod. Per 1 mei 2022 wordt op de TU Campus betaald parkeren ingevoerd. Het gebied Jaffalaan maakt hier onderdeel vanuit.

2.2

Toekomstige situatie

Het voormalig faculteitscomplex heeft zijn oorspronkelijke onderwijsfunctie verloren. Om deze reden is in 2017 door de gemeente Delft en de TU Delft in een convenant bekrachtigd dat deze locatie opnieuw ontwikkeld moet worden waarbij het gebied als schakel functioneert tussen de oude binnenstad en de TU Delft campus. 2.2.1

Ruimtelijk-programmatisch kader Gele Scheikunde en IGVO terrein

In het ruimtelijk-programmatische kader zijn 12 heldere ontwerpprincipes opgenomen die samen de contouren van de herontwikkeling van Gele Scheikunde en het IGVO terrein tezamen bepalen. Het geeft een vertrekpunt voor de verdere planvorming. Hieronder worden de 12 principes kort beschreven, het volledige kader is meegenomen in Ruimtelijk-programmatisch kader. A. Openbare ruimte, groen en blauw 1. Groen-blauw: ''Door toevoegen van veel en goed verbonden groen en water draagt het gebied bij aan de ambities van project groen blauw Delft-Zuidoost''. 2. Verbreding profiel Michiel de Ruyterweg: ''De plannen voor de locatie Gele Scheikunde moeten ruimte laten voor een mogelijke verbreding van het profiel van de Michiel de Ruyterweg''. B. Ruimtelijke bouwenvelop 3. Maximale bouwhoogtes: ''De hoogte van de bouwenvelop is zo gedefinieerd, dat de hoogtes van het te realiseren bouwvolume goed aansluiten bij de omgeving''. 4. Maximale bouwenvelop: ''De bouwenvelop is zo gedefinieerd, dat het te realiseren bouwvolume goed aansluit bij de omgeving''. C. Programma bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 13

bestemmingsplan IGVO 5. Binnenstedelijk woonmilieu: ''Om optimaal bij te dragen aan de behoefte aan binnenstedelijke woonmilieus wordt op Gele Scheikunde een buurt ontwikkeld met een hoge gemiddelde woningdichtheid''. 6. Diversiteit woonprogramma: ''Binnen het plangebied wordt voor een diverse doelgroep gebouwd. Er worden kleine appartementen (40 tot 60 m2 bvo), middelgrote woningen (60 tot 90 m2 bvo) en grote woningen (>130 m2 bvo) gerealiseerd''. 7. Inpassen IGVO school: ''De gemeente heeft een deel van de locatie verworven om een internationale middelbare school (IGVO) te ontwikkelen. Dit vraagt om goede en vroegtijdige afstemming van de plannen voor de ontwikkeling van de school en de rest van het gebied.'' 8. Activering plint Michiel de Ruyterweg: ''De plint langs de Michiel de Ruyterweg biedt ruimte aan actieve functies die de route tussen binnenstad en campus aangenamer maken''. D. Bereikbaarheid en parkeren 9. Ontsluiting: ''Het gebied dient goed bereikbaar te zijn voor voetgangers, fietsers en auto's. De ontsluiting sluit aan op het bestaande netwerk, rekening houden met knelpunten en indien mogelijk deze oplossen''. 10. Parkeren: ''Om een openbaar gebied te krijgen met hoge kwaliteit, veel groen en ruimte voor voetgangers en fietsers wordt bewonersparkeren buiten het zicht opgelost.'' E. Architectuur en beeldkwaliteit 11.

Beeldkwaliteit: ''Een hoge beeldkwaliteit van zowel de architectuur als de openbare ruimte in het gebied moet bewaakt worden ten behoeve van de zorgvuldige inpassing in de omgeving''. 12. Cultuurhistorische waarde: ''Het gebouwencomplex van Gele Scheikunde heeft cultuurhistorische waarde, waar in de verdere planvorming zorgvuldig mee moet worden omgegaan''. 2.2.2

Beschrijving voornemen IGVO

Op de IGVO locatie is voorzien in een nieuwe vestiging van de International School Delft Secondary. Deze internationale school voor voortgezet onderwijs is in 2019 opgericht en tijdelijk ondergebracht aan in een bestaand schoolgebouw aan de Colijnlaan. Het beoogde nieuwe schoolgebouw biedt ruimte voor groei en kan aan 440 leerlingen ruimte bieden. Gekozen is voor een compacte opzet van de school , waardoor de loopafstanden kort zijn en er veel open ruimtes in het gebouw zijn. In het internationaal onderwijs is er veel nadruk op leeractiviteiten die niet taalgebonden zijn als sport, muziek, beeldende vorming, dans en dramatische expressie. Dit is terug te zien in het voorzieningenniveau en de faciliteiten voor deze vakken en activiteiten. Zo zijn er, bijna zonder uitzondering, een theater, vaak voorzien van een tribune, sportvoorzieningen, zijn er oefenruimtes voor muziek en zijn er kunstateliers. Een deel van de ruimtes van de internationale VO-school zullen ook door de internationale basisschool worden gebruikt. Denk daarbij aan een community room waar ouders van zowel de Primary (basisschool) als de Secondary school (VO-school) bij elkaar komen en ondersteunende ruimtes, waaronder een media resource centre en een aula/ theater.

2.2.3

Stedenbouwkundige uitwerking

Op basis van het Ruimtelijk Programmatisch Kader is een uitwerking van het stedenbouwkundig ontwerp op gebouwenniveau en buitenruimte gerealiseerd UIt onderstaande impressies van het gebouwencomplex en de buitenruimte kan een beeld worden verkregen van de beoogde ontwikkeling.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 14

bestemmingsplan IGVO

Figuur 2.6: Vogelvlucht impressie vanuit Noord Oost (boven) en Zuid Oost (onder) (bron: AtelierPro 19 November 2021).

Figuur 2.7: 3D impressie Noord West gericht (voor het beeld op het gebouw deels zonder bestaande te handhaven bomen) (bron: AtelierPro)

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 15

bestemmingsplan IGVO

Figuur 2.8: 3D impressie Noord West gericht (gebouw inclusief opgaande groenelementen) (bron: AtelierPro)

Figuur 2.9: 3D impressie Noord Oost gericht (voor het beeld op het gebouw deels zonder opgaande groenelementen) (bron: AtelierPro)

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 16

bestemmingsplan IGVO

Figuur 2.10: 3D Impressie van de buitenruimte IGVO met zicht op een poort aan achterzijde van het IGVO terrein, bezien vanuit de te realiseren fietsstraat die de IGVO locatie en Gele Scheikunde verbindt. (bron: Oase Landschapsarchitecten)

2.2.4

Ontsluiting en parkeervoorzieningen

Autoverkeer en parkeren Conform het beleid van de gemeente zijn bij Secondary School 12 parkeerplaatsen nodig: deze zijn hoofdzakelijk voor personeel van de school. Hiervoor worden 5 parkeerplaatsen bij de ingang van de school aan de Prins Bernhardlaan gerealiseerd. De intentie is dat de overige personeelsleden een parkeervergunning (7 benodigd) krijgen, zodat zij overdag in de omgeving kunnen parkeren. De parkeeroplossing is uitgewerkt aan de hand van Bijlage 7 Verkeer en parkeeronderzoek en nader toegelicht in paragraaf 4.1.

Langzaam verkeer en OV Het gebied ligt op een strategische locatie tussen het centrum van de stad en de TU. Daarbij bevindt zich aan de Michiel de Ruyterweg een tram- en bushalte. Om deze reden wordt er ingezet op een prominente rol voor de fiets en het OV. Aan de achterzijde van de IGVO locatie wordt voorzien in een fietsstraat. Zowel aan de achter als voorzijde van de IGVO locatie wordt voorzien in een toegang voor fietsers en voetgangers.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 17

bestemmingsplan IGVO 2.2.5

Groen en water

Met het voornemen blijven monumentale bomen binnen het plangebied aan de zijde van de Prins Bernhardlaan beschermt met een aanduiding op de verbeelding een een aanlegstelsel dat onder andere ziet op de bescherming van het wortelstelsel van de monumentale bomen. Binnen het plangebied wordt verder ter uitwerking van het Ruimtelijk-programmatisch kader, het vastgestelde gemeentelijke beleidskader voor Natuurinclusief bouwen en het vastgestelde gemeentelijke beleidskader voor Klimaatadaptatie voorzien in de aanleg van groen- en waterelementen. Door de beperkte ruimte binnen het plangebied zal hierbij een deel van het te realiseren oppervlakte water in de vorm van ondergrondse danwel op dakniveau voorziene waterberging worden gerealiseerd. Voor wat betreft de totale waterberging geldt er vanuit het oogpunt van klimaatadaptatie een opgave van 147 m3 aan waterberging. De uitwerking van het maatregelenpakket vindt momenteel nog plaats.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 18

bestemmingsplan IGVO

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Rijk

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. De visie geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. De NOVI heeft een dusdanig abstractieniveau dat er geen directe uitvoeringsprogramma's op het onderhavige bestemmingsplan van toepassing zijn. 3.1.2

uitgangspunten

of

AMvB Ruimte (Barro)

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening stelt het Rijk een aantal regels met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen onder andere project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, gronden van defensie, grote rivieren en Waddenzee en waddengebied. Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan. 3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte werd de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard gemotiveerd te worden met behulp van drie opeenvolgende treden. Deze treden borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van het Bro gewijzigd. Deze wijziging heeft als doel de regeling te vereenvoudigen, waarbij de effectiviteit van het instrument behouden moet blijven. Een onderzoek naar de behoefte heeft slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een functie of dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Concreet betekent dit dat met betrekking tot de (economische) behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of economische gevolgen van die vestiging ruimtelijke effecten (bijv. leegstand) relevant zijn. Artikel 3.1.6.

lid 2 van het Bro luidt als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Dat betekent: eerst bepalen of een nieuwe ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, vervolgens kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, daarna analyseren of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en tot slot afwegen of de ontwikkeling negatieve ruimtelijke gevolgen tot gevolg kan hebben. De toetsing aan de hierboven aangehaalde Ladder voor duurzame verstedelijking is alleen aan de orde indien sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Geen nieuwe stedelijke ontwikkeling: bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 19

bestemmingsplan IGVO De ontwikkeling betreft een schoolgebouw te gebruiken voor internationaal voortgezet onderwijs door International School Delft Secondary. De huidige bestemming 'Maatschappelijk' maakt de realisatie van onderwijsvoorzieningen, onderzoeksvoorzieningen, kennisintensieve bedrijven, kennisintensieve kantoren en restauratieve voorzieningen reeds mogelijk. Onderhavig bestemmingsplan vergroot de bouwmogelijkheden met ca. 175 m2 ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Vanaf de uitbreiding van meer dan 500 m2 oppervlakte is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval betreft de ontwikkeling geen nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft de laddertoets van artikel 3.1.6. lid 2 Bro niet te worden doorlopen. Ontwikkeling International School Delft Secondary voorziet in een behoefte: Wel is er sprake van navolgende onderbouwing van de behoefte in het kader van 'goede ruimtelijke ordening'. De International School Delft Secondary ging in augustus 2019 van start in tijdelijke huisvesting op de Colijnlaan 2 te Delft. Op basis van de te verwachten stijging van het aantal leerlingen in de komende tien jaar op basis van de leerlingenprognoses, voorziet de onderhavige ontwikkeling in een duidelijke behoefte.

De stijging van het aantal leerlingen heeft te maken met het feit dat de groep internationals breder is geworden en ook steeds meer internationale werknemers omvat die een lokaal contract hebben met dezelfde arbeidsvoorwaarden als Nederlandse werknemers. Daarnaast is de komst van de internationale VO-school van groot belang voor de bestaande internationale basisschool. Door de ontwikkeling ontstaat een doorstroommogelijkheid vanuit het basisonderwijs en kunnen afspraken worden gemaakt om tot één samenhangende voorziening te komen. De VO-school wordt om die reden ook tegenover de internationale basisschool ontwikkeld, waardoor ruimtes gedeeld kunnen worden en een deel van het capaciteitsprobleem van de internationale basisschool kan worden opgevangen. De ontwikkeling voorziet daarmee in de ruimtebehoefte voor internationaal (VO-)onderwijs in Delft.

3.2

Provincie en regionaal

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

In de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie d.d. 25 oktober 2022 is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving op visieniveau samengevoegd. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Richtinggevende ambities In de Omgevingsvisie zijn de volgende zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. Naar een klimaatbestendige delta Het inrichten van de fysieke leefomgeving op een manier waarop deze klimaatbestendig blijft. Voorbeelden daarvan zijn: meer ruimte bieden aan water en het rekening houden met de impact van klimaatverandering bij nieuwe ruimtelijke projecten. 2. Naar een nieuwe economie: the next level bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 20

bestemmingsplan IGVO De stap naar een circulaire economie in 2050, met grote gevolgen voor onder andere het haven-industrieel complex en de glastuinbouw. Er wordt ingezet op bijvoorbeeld digitalisering en een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving. 3. Naar een levendige meerkernige metropool De stap naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Er moet een fors aantal woningen worden gerealiseerd en de woonvoorraad dient te worden verduurzaamd. Ook zullen steden met elkaar verbonden moeten worden tot één metropolitaan gebied. In dit gebied wordt ingezet op het versterken van het leef- en vestigingsklimaat. 4. Energievernieuwing Zuid-Holland wil de fossiele bronnen vervangen door hernieuwbare bronnen. Er worden maatregelen genomen om energie te besparen en het gebruik van aardgas drastisch te verminderen. Ook wordt ingezet op innovatie: nieuwe mogelijkheden voor energiegebruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. 5. Best bereikbare provincie De provincie moet optimaal verbonden zijn en blijven met regionale, landelijke en internationale centra. Er worden verkeersknelpunten aangepakt en de mobiliteitssector kan schoner worden gemaakt en verduurzamen. Ook wordt ingezet op OV, gebruik van de fiets en vervoer over water. 6.

Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Een groene leefomgeving draagt bij aan een gezonde leefstijl van de inwoners van de provincie, maar het landschap en de biodiversiteit staat ook onder druk door het groeiend aantal inwoners, economische ontwikkeling en klimaatverandering. De kwaliteit van de leefomgeving kan worden versterkt door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien.

Beleidsopgaven Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Hieronder zijn de voor onderhavig project relevante beleidsopgaven nader toegelicht, te weten het behouden en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de energietransitie in de gebouwde omgeving en stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. 1. Behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: 1. De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is.

In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. 2. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. 3. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 21

bestemmingsplan IGVO impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat.

De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Figuur 3.1 Soorten ruimtelijke ontwikkelingen De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Ontwikkeling in het licht van de beleidsopgave behouden en versterken ruimtelijke kwaliteit: De bescherming van ruimtelijke kwaliteit is ook geborgd in de omgevingsverordening, hier wordt aan getoetst in paragraaf 3.2.2. Energietransitie in de gebouwde omgeving De provincie zet zich in voor energiebesparing en -opwekking in bestaand stedelijk gebied, zoals bij beheer en renovatie van woningen (verduurzaming voorraad), woningbouw en herstructurering van bedrijventerreinen, kantorenlocaties en glastuinbouw.

Middelen die hiervoor ingezet kunnen worden zijn: isoleren, aansluiten op een warmtenetwerk, cascaderen van lokale warmte, co-siting (bijeenbrengen en plannen van bedrijven met aansluitende warmtebehoeften) en efficiënter gebruik van energie. bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 22

bestemmingsplan IGVO Nieuwbouwlocaties bieden de grootste kans om energie-efficiency te realiseren. In deze tijd is het ondenkbaar dat er niet energiezuinig of zelfs energieneutraal wordt gebouwd al dan niet in combinatie met een decentrale hernieuwbare energievoorziening. De provincie is een groot voorstander van aardgasloze wijken, zowel bij nieuwbouw als renovatie. Onderhavige ontwikkeling voorziet in een energiezuinige bouw met gebruik van decentrale hernieuwbare energievoorzieningen. Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied De provincie wil bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), ofwel de bebouwde ruimte, beter benutten. De provincie verstaat daaronder: 'het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet de nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. De ontwikkeling is volgens de ladder voor duurzame verstedelijking niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling aan te merken. De ontwikkeling vindt evenwel plaats binnen het BSD.

3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening van Provinciale Staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen die worden gesteld aan gemeentelijke bestemmingsplannen, met als doel het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Voor onderhavig bestemmingsplan wordt uitgegaan van de geconsolideerde versie van de omgevingsverordening d.d. 25 oktober 2022. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging.

Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid van artikel 6.9 (aanvullende ruimtelijke maatregelen); c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1.

een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 23

bestemmingsplan IGVO Ontwikkeling van IGVO bezien in het licht van artikel 6.9 betreffende ruimtelijke kwaliteit: De onderhavige ontwikkeling omvat de realisatie van een nieuw schoolgebouw dat zal dienen voor de permanente huisvesting van 440 leerlingen van de International School Delft Secondary ofwel Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs van Stichting Lucas Onderwijs (IGVO). Bij de realisatie van het schoolgebouw gaat het om de een ruimtelijke ontwikkeling in de categorie inpassen zoals bedoeld in artikel 6.9 van de omgevingsverordening. De school was functioneel al mogelijk binnen de geldende bestemming 'Maatschappelijk', zoals deze nu tevens is voorzien, maar kon niet in zijn huidige vorm worden gebouwd binnen geldende bouwregels. In dit verband is voorzien in een gecoördineerde planprocedure. Het plangebied is binnen de 'laag van stedelijke occupatie' gelegen in een 'stedelijk centrum gebied' binnen 'steden en dorpen'. Met de realisatie van het schoolgebouw wordt voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. De geldende bestemming Maatschappelijk blijft hierbij met relatief kleine wijzigingen van toepassing.

De ontwikkeling voorziet verder niet in een wijziging op structuurniveau, voorziet niet in hoogbouw, integreert en behoudt de bestaande cultuurhistorische waardevolle Kramerstoren en past hiermee bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan relevante richtpunten. De ontwikkeling is met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in lijn met de omgevingsverordening.

Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.

Ontwikkeling van IGVO bezien in het licht van artikel 6.10 betreffende stedelijke ontwikkelingen: De ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. De ontwikkeling betreft echter geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Zie hiervoor paragraaf 3.1.3.

Artikel 6.27a Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de omgevingsverordening staat dat er rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte

alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 24

bestemmingsplan IGVO beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. Door klimaatverandering wordt het in Nederland, warmer, natter en droger. Dit heeft invloed op onze leefomgeving. Zo ervaren we steeds vaker hittestress, droogte en wateroverlast door heftige regenbuien. Daarnaast neemt de kans op overstromingen toe.

Ontwikkeling van IGVO bezien in het licht van artikel 6.27a betreffende stedelijke ontwikkelingen: In de paragrafen 3.3.9 en 4.12 is een project specifieke toelichting gegeven op de gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling op klimaatverandering. Hieruit blijkt dat met dit plan rekening is gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering op genoemde aspecten.

3.3

Gemeente

3.3.1

Omgevingsvisie Delft 2040

De gemeenteraad van Delft heeft op 15 juli 2021 de Omgevingsvisie Delft 2040 vastgesteld. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van de leefomgeving en loopt vooruit op de Omgevingswet. Binnen het huidige wettelijke stelsel vervangt de omgevingsvisie de Stadsvisie en de Ruimtelijke Structuurvisie Delft 2030. De kwaliteiten die van Delft een aantrekkelijke stad maken behouden we door ze verder te verrijken en te versterken. De Delftse kernwaarden zijn: historie, technologie, innovatie, creativiteit en de verbonden stad. Het Delftse erfgoed (oud en nieuw) speelt een grote rol in de aantrekkelijkheid, identiteit en het vestigingsklimaat van de stad. Delft voorziet tot 2040 in een groei van 10.000 banen. Delft maakt gebruik van de substantiële kansen van kennisintensieve bedrijven en van een kennisgedreven en ambachtelijke ‘maakindustrie’. Deze nieuwe maakindustrie biedt arbeidskansen voor een brede doelgroep in Delft en de regio. Het feit dat in Delft technisch onderwijs op mbo, hbo en academisch niveau aanwezig is maakt Delft uniek en versterkt de kansen van het Delftse bedrijfsleven. Delft koestert de huidige bedrijven, kleinschalige economie en biedt waar mogelijk groeiruimte aan bestaande bedrijvigheid. De TU is en blijft een belangrijke partner en is in 2040 zowel sociaal als fysiek beter met de stad verbonden.

De visie wijst verder op het belang van energieneutraal en klimaatbestendig ontwikkelen, de mobiliteitstransitie, gezondheid en natuurinclusiviteit. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de vestiging van de International School Delft Secondary. Met deze vestiging tegenover de de International School Delft Primary wordt voorzien in een versteviging van het diverse onderwijsaanbod. De voorgenomen ontwikkelng is in lijn met de omgevingsvisie. 3.3.2

Kadernota 2021

In de Kadernota zijn de ambities ('opgaven') voor de stad geformuleerd. Delft zet onder meer in op het verbeteren van het vestigingsklimaat voor bedrijven (meer ruimte voor innovatieve maakindustrie) en kennisinstellingen, het voorzieningenniveau en de woningvoorraad. Voor een goed en aantrekkelijk economisch ecosysteem is een blijvende stimulerende omgeving nodig: van een passend aanbod van bedrijfsvastgoed, excellente dienstverlening van de gemeente, goede verbindingen voor OV, auto en fiets, vergroten van gelijke kansen in het onderwijs en ruimte voor onderwijsfaciliteiten, tot bereikbaarheid van sport en een aanbod van verschillende typen woningen voor verschillende doelgroepen. Verder heeft Delft in 2040 hoogwaardige en moderne voorzieningen voor alle inwoners van de stad. Het gaat hierbij om toekomstvaste en bij de tijd behorende voorzieningen die inwoners van alle leeftijden en met alle levensstijlen kunnen bedienen. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in het benodigde voorzieningenaanbod op onderwijs en is in lijn met de Kadernota.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 25

bestemmingsplan IGVO 3.3.3

Beleidsnota bouwhoogten Delft

Deze nota bevat een analyse en onderbouwing van de maximaal toelaatbare bouwhoogten in Delft. Daarbij is rekening gehouden met onder andere het stadsbeeld van Delft en het zicht op de kerktorens in de historische binnenstad. De nota is niet bedoeld als absolute norm voor hoogbouw, maar als leidraad bij het ontwikkelen van hoogbouw in Delft. Het bestemmingsplan maakt geen bouwhoogtes mogelijk boven de 40 meter. Voor de onderhavige ontwikkeling is geen Hoogbouw Effect Rapportage benodigd. Voorts betreft de maximale bouwhoogte van de bouwhoogte van de bestaande cultuurhistorisch waardevolle Kramerstoren 20 meter en heeft de nieuwbouw van de IGVO locatie een gelaagde opbouw tot maximaal 16 meter hoog. Deze bouwhoogten zijn generiek passend binnen de consolidatiegebieden waarvan de IGVO locatie onderdeel uitmaakt.

3.3.4

Nota Groen

In 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Groen Delft 2012-2020 en het daarbij horende Uitvoeringsprogramma nota Groen Delft 2012-2020 vastgesteld. Het beleid is niet bedoeld als bindend kader maar moet ervoor zorgen dat het groenbelang voldoende wordt betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er wordt beschreven welke groene kwaliteiten in het plangebied bestaan, verloren gaan of worden toegevoegd. Het beleid is onder meer gericht op het versterken van biodiversiteit, goed openbaar groen en het handhaven van een evenwichtige verhouding tussen groen, bebouwing en verharding, gebaseerd op de zowel de ruimtelijke, sociale, ecologische, economische en fysische waarden van groen. Het beleid streeft naar een samenhangend, verbonden en fijnmazig groen netwerk. In paragraaf 3.3.9 wordt ingegaan op de manier waarop natuurinclusief en klimaatadaptief gebouwd en ontwikkeld wordt.

3.3.5

Mobiliteitsprogramma Delft 2040

De gemeenteraad heeft op 28 januari 2021 definitief ingestemd met het Mobiliteitsprogramma Delft 2040. De stad wil de komende jaren groeien in aantal inwoners en arbeidsplaatsen wat leidt tot meer mobiliteit en extra drukte op de beschikbare ruimte. Om een gezonde doorgroei van de stad mogelijk te maken met een goede bereikbaarheid, is een nieuwe balans nodig tussen de toenemende mobiliteitsvraag en de schaarse openbare ruimte in de stad. Het mobiliteitsprogramma toont de visie voor de komende 20 jaar, tot 2040, om de stad bereikbaar en leefbaar te houden. Om dit mogelijk te maken wordt ingezet op een mobiliteitstransitie waarbij de infrastructuur in de stad beter benut wordt door voorrang te geven aan ruimte efficiënte, schone, slimme en veilige mobiliteit. Het openbaar vervoer en de fiets moeten in snelheid, gemak en veiligheid een meer aantrekkelijk alternatief worden voor de auto. Ook de deelauto kan als alternatief voor de particuliere auto bijdragen aan efficiënter autogebruik. Concreet zijn de belangrijkste pijlers van het beleid: Ruimte geven door ruimte te maken voor: 1. meer verblijfsruimte en minder ruimte voor verplaatsen. 2. ruimte maken door minder autoritten. 3. ruimte maken door minder autoparkeren. Meer schone en actieve/ gezonde verplaatsingen in de vorm van lopen of fietsen. Verkeersnetwerken en hun onderlinge samenhang aanpassen. Openbare ruimte verbeteren.

Innovatieve vormen van vervoer stimuleren die bijdragen aan de doelstellingen van het mobiliteitsprogramma. Innovatieve vormen van vervoer stimuleren die bijdragen aan de doelstellingen van het mobiliteitsprogramma. Tegengaan van 'vervoersarmoede'. Verbeteren van de verkeersveiligheid. De verkeersaspecten die samenhangen met de voorgenomen ontwikkeling worden behandeld in paragraaf 4.1. bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 26

bestemmingsplan IGVO 3.3.6

Nota Parkeernormen 2018 - update 2021

Het parkeernormenbeleid van de gemeente Delft is erop gericht om bij bouwontwikkelingen in voldoende parkeercapaciteit voor zowel de auto als de fiets te voorzien. Parkeernormen zijn er niet voor om bestaande tekorten aan parkeerplaatsen op te lossen. De gemeente Delft kiest als basis voor haar autoparkeernormen de parkeerkencijfers uit CROW publicatie 317: kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. De parkeerkencijfers van het CROW hebben tevens de input gevormd voor de oude Nota Parkeernormen 2013. Bij het toepassen van de parkeerkencijfers van het CROW zijn de onderstaande uitgangspunten gehanteerd: ln de gebieden binnenstad en schil binnenstad geldt het minimale parkeerkencijfer als referentiepunt. ln alle overige gebieden wordt het gemiddelde parkeerkencijfer als referentiepunt gehanteerd. Een uitzondering op deze toedeling is het Delftse autoluwplusgebied. ln dit voornamelijk voetgangersgebied is een geslotenverklaring van kracht, gereguleerd met behuIp van kentekenherkenning. Extra autoverkeer is in dit gebied ongewenst, daarom is in dit gebied de parkeernorm nul en is de Autoluwplusregeling van kracht. ln het autoluwplusgebied worden geen nieuwe parkeerplaatsen aangelegd. Dit betekent ook geen parkeerplaatsen op eigen terrein. Binnen de parkeerkencijfers van het CROW wordt onderscheid gemaakt naar mate van stedelijkheid en ligging in de stedelijke zone.

De mate van stedelijkheid is voor de gemeente Delft vastgesteld op de hoogste categorie: zeer sterk stedelijk (dit betekent dat er in de gemeente Delft per vierkante kilometer gemiddeld meer dan 2.500 adressen gevestigd zijn). De ligging in de stedelijke zone kan per bouwontwikkeling verschillen. Bij het bepalen van de stedelijke zone wordt de ligging van de voordeur als uitgangspunt gehanteerd. Er kan voor één of meerdere functies binnen een bouwontwikkeling sprake zijn van bijzondere omstandigheden op basis waarvan een alternatieve toepassing van parkeernormen wenselijk is. Voor deze alternatieve toepassing is in de Facetherziening Parkeren (artikel 5.3 onder a) een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Via bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de normatieve parkeerbehoefte. Wanneer verwacht wordt dat een bouwontwikkeling vergezeld zal gaan met een relatief hoog fietsgebruik, en er derhalve meer fietsparkeerplaatsen gerealiseerd worden dan de norm voorschrijft, kan een reductie op de parkeernorm voor de auto toegepast worden. De hoogte van deze reductie is locatieafhankelijk en verschilt per situatie. De parkeerbehoefte als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt behandeld in paragraaf 4.1. 3.3.7

Waterplan Delft, een blauw netwerk (2000)

Het Waterplan is gericht op het realiseren van duurzaam stedelijk waterbeheer. Vanuit een integrale visie op duurzaam stedelijk waterbeheer en rekening houdend met de specifieke situatie in Delft (kansen en knelpunten) beschrijft het Waterplan de ambities en doelstellingen voor de Delftse wateren op de lange termijn. Duurzaam waterbeheer richt zich op het realiseren van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Gezond wil zeggen: een watersysteem met een waterkwaliteit en een ecologische kwaliteit die past bij de (natuurlijke) situatie ter plaatse. Veerkrachtig betekent dat verstoringen door bijvoorbeeld extreme regenval of incidentele verontreiniging relatief gemakkelijk kunnen worden opgevangen en dat systemen zich relatief gemakkelijk kunnen herstellen van ecologische verstoringen, zoals achteruitgang of (lokaal) zelfs volledig verdwijnen van soorten. Binnen de mogelijkheden die gezonde en veerkrachtige watersystemen bieden wordt een duurzaam gebruik van watersystemen (onder meer recreatie en scheepvaart) zoveel mogelijk bevorderd. Bij duurzaam waterbeheer worden water, ecologie en ruimtelijke ordening in samenhang bezien, gebruikmakend van de 'natuurlijke' karakteristieken en de ligging van de watersystemen in het omringende landschap.

Het betekent dat wordt aangesloten bij natuurlijke processen (water als ordenend principe) en bestaande ecologische structuren, en dat hiermee rekening wordt gehouden bij de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld bij herinrichting van woonwijken en bij nieuwbouw. De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan het vigerende waterbeleid in paragraaf 4.12.

bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 27

bestemmingsplan IGVO 3.3.8

Waterstructuurvisie (2006)

De Waterstructuurvisie heeft als doel het verbeteren van de waterkwaliteit en het realiseren van voldoende waterbergingscapaciteit. In de visie wordt gestreefd naar 92 m² per hectare. Voor de realisatie van de wateropgave wordt zoveel mogelijk aangesloten bij ruimtelijke ontwikkelingen en herstructureringen. De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan het vigerende waterbeleid in paragraaf 4.12. 3.3.9

Duurzaam bouwen

Delft Energieneutraal 2050 Bij nieuwbouw of herontwikkelingen gelden de doelstellingen uit het Delftse klimaatbeleid. De basis hiervoor is de nota Delft Energieneutraal 2050. Uitgangspunt is dat voor een nieuwe woon- of bedrijfsbestemming de ambitie voorligt om een scherpere energieprestatie te realiseren dan de landelijke normen. Hiervoor hanteert Delft de Trias energetica: 1. het verminderen van de vraag door energiebesparing bij eindgebruikers; 2. het toepassen van duurzame bronnen; 3. het (verder) optimaliseren van de toepassing van fossiele bronnen naar energie-efficiency en betrouwbaarheid. Beleid duurzaam bouwen Het gemeentelijk duurzaam bouwen beleid geeft op gebouwniveau ambities voor verantwoord materiaalgebruik, waterbesparing, gezondheid en flexibel ruimtegebruik. Voor het thema energie zijn de ambities in de nota Delft energieneutraal 2050 vastgelegd. De duurzaamheidsambitie van een gebouw worden volgens de GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) methodiek uitgedrukt. Dit is een prestatiegerichte werkwijze, waarmee de markt wordt vrijgelaten om zelf invulling te geven aan duurzaamheid van een gebouw zolang maar aan de doelstellingen wordt voldaan.

De gemeentelijke GPR ambities worden conform RPK periodiek aangescherpt als gevolg van landelijke ontwikkelingen en aanscherping van wet- en regelgeving en de doelstellingen per ruimtelijke ontwikkeling zijn in een anterieure overeenkomst vastgelegd. Voor de te ontwikkelen gebouwen geldt voor alle functies een GPR Gebouw Score, waarbij minimaal de volgende scores behaald moeten worden: DPG* Gezondheid Gebruikskwaliteit Toekomstwaarde

8.0, waarbij Energie en Milieu afzonderlijk minimaal 7.5; 8.0; 8.0; 8.0.

* DPG staat voor Duurzaamheids-Prestatie-Gebouwen en omvat zowel Energie als Milieu. Besluit bodemenergiesystemen De toepassing van bodemenergie, een techniek om woningen en gebouwen energiezuinig te maken, levert een bijdrage aan de realisatie van de gemeentelijke klimaatdoelstellingen. Door de snelle groei kunnen belangen tussen diverse bodemenergiesystemen onderling en andere belangen met elkaar in conflict komen. Bij de aanleg van een open bodemenergiesysteem dient te worden voldaan aan de Waterwet. Bij de aanleg van een gesloten systeem moet worden voldaan aan het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen en de Verordening en Beleidsregel gesloten bodemenergiesystemen gemeente Delft 2015. Het plangebied ligt binnen de gemeente in het interferentiegebied van de TU. Klimaatadaptatiestrategie De klimaatadaptatiestrategie moet Delft helpen om haar gedrag aan te passen en Delft klimaatadaptief in te richten. Het is daarbij belangrijk dat de gemeente samenwerkt met bedrijven en inwoners. Met de strategie geeft Delft ook invulling aan de landelijke doelen uit het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie. Om Delft klimaatadaptief te krijgen, pakt de gemeente de volgende opgaves aan: bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 28

bestemmingsplan IGVO 1. Met een veerkrachtig systeem met maximale sponswerking, wil Delft water zoveel mogelijk vasthouden. 2. Hittestress mag niet toenemen. 3. De aanpak moet gebeuren in samenwerking met bewoners en bedrijven, want meer dan 50% van de grond is privébezit. 4. Voor maatregelen is maatwerk nodig, want ze hangen af van lokale kenmerken. 5. Klimaatadaptieve maatregelen bieden ook kansen om de leefomgeving te verbeteren. De strategie bestaat uit een probleemanalyse, een risicoanalyse, een verkenning van oplossingsrichtingen en een agendaklimaatadaptatie. De agenda is een uitvoeringsprogramma om in de komende jaren met Delftse inwoners, bedrijven en organisaties samen uit te voeren. Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Om een gezonde, toekomst-bestendige leefomgeving voor mens, plant en dier te creëren en te behouden, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen in ontwikkeling van de stad. Door natuurinclusieve maatregelen mee te nemen in (gebieds)ontwikkelingen kan de stad zich gezond ontwikkelen en draagt elk project bij aan de biodiversiteit in de stad, een prettig woonmilieu en een gezond functioneel stedelijk ecosysteem. Door de verdere stedelijke verdichting en de sterke landelijke afname van biodiversiteit is deze opgave extra actueel. Door te zorgen voor een samenhangend ecosysteem wordt ook overlast door eventuele plaaginsecten verminderd.

Klimaatadaptatieve en natuurinclusieve maatregelen Een toekomst-bestendige stad is ook een klimaatadaptieve stad. Natuurinclusieve maatregelen zoals vergroening en watergerichte maatregelen dragen ook bij aan het klimaatadaptief maken van de stad. Het toevoegen van beplanting op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte draagt, naast positieve effecten voor biodiversiteit, ook bij aan bijvoorbeeld het vasthouden van water en het verminderen van wateroverlast of hittestress. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen dat de gemeente, samen met partners heeft ondertekend. Borging van de natuurinclusieve maatregelen Tot nu toe werd natuurinclusief bouwen op projectniveau geregeld met behulp van een kavelpaspoort of anterieure overeenkomst. Om groen en natuur inclusief bouwen structureel te verankeren is een puntensysteem opgesteld. Daarbij wordt tegelijkertijd een relatie gelegd tussen natuur inclusieve- en klimaatadaptieve maatregelen om dit proces te bevorderen voor bouwprojecten. De toe te passen natuurinclusieve maatregelpakketten worden per project uitgewerkt en de realisatie en instandhouding hiervan wordt geborgd in de planregels van het bestemmingsplan. Bij de omgevingsvergunning voor bouwen wordt getoetst aan de in het bestemmingsplan vastgelegde maatregelpakketten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12578781/1