CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - Regels - Bijlagen bij de regels

Commissie Ruimte en Verkeer 23 november 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake bestemmingsplan TS-MS Station Delft (nr. 2345713)34.893 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

TS-MS Station Delft

Inhoudsopgave Toelichting

4

1.

5

2.

3.

4.

Inleiding 1.1.

Aanleiding

5

1.2.

Ligging plangebied

5

1.3.

Vigerend bestemmingsplan

6

1.4.

Leeswijzer

9

Beschrijving plangebied 2.1.

Huidige situatie

10

2.2.

Toekomstige situatie

10

Beleidskader

6.

13

3.1.

Rijksbeleid

13

3.2.

Provinciaal beleid

15

3.3.

Regionaal beleid

18

3.4.

Gemeentelijk beleid

19

Milieu- en omgevingsaspecten

22

4.1.

M.e.r-(beoordelings)plicht

22

4.2.

Geluid

22

4.3.

Trillingen

24

4.4.

Luchtkwaliteit

25

4.5.

Externe veiligheid

28

4.6.

Elektromagnetische zones (magneetvelden)

30

4.7.

Natuur

31

4.8.

Water

37

4.9.

Bodem

63

4.10. 5.

10

Archeologie, cultuurhistorie en ontplofbare oorlogsresten

Juridische planbeschrijving

65 66

5.1.

Algemeen

66

5.2.

Dit bestemmingsplan

67

5.3.

Toelichting op de regels

68

Uitvoerbaarheid

70

6.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

70

6.2.

Economische uitvoerbaarheid

71

6.3.

Handhaafbaarheid

71

2

7.

Procedure

73

7.1.

Inleiding

73

7.2.

Ontwerpfase

73

7.3.

Vaststellingsfase

73

7.4.

Beroepsfase

74

Regels

75

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

76

Artikel 1 Begrippen

76

Artikel 2 Wijze van meten

77

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

79

Artikel 3 Bedrijf – Nutsvoorziening

79

Artikel 4 Waterstaat - Waterkering

81

Hoofdstuk 3 Algemene regels

82

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

82

Artikel 6 Algemene gebruiksregels

82

Artikel 7 Algemene afwijkingsregels

82

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

83

Artikel 8 Overgangsrecht

83

Artikel 9 Slotregel

83

Bijlagen bij de Regels Bijlage 1 Staat van bedrijfstypen Bijlage 2 Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Bijlagen bij de Toelichting Bijlage 1 Akoestisch onderzoek Bijlage 2 Quickscan natuur Bijlage 3 Stikstofdepositieberekeningen Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5 Archeologisch onderzoek Bijlage 6 Notitie conventionele explosieven Bijlage 7 Watertoets

3

Toelichting

4

1. Inleiding

1.1.

Aanleiding

Stedin transporteert als netbeheerder elektriciteit en gas aan ruim 2,2 miljoen huishoudens en industriële klanten, voornamelijk in de Randstad. Stedin werkt iedere dag aan een energievoorziening die iedereen onder gelijke condities toegang geeft tot het gas- en elektriciteitsnet. Om dat voor elkaar te krijgen, is het belangrijk om de veiligheid, kwaliteit en capaciteit van de netten hoog op orde te houden. De netinfrastructuur moet nu en in de toekomst aan de capaciteitsbehoefte van de klanten voldoen. Om aan de toekomstige capaciteitsbehoefte te blijven voldoen wordt aan de Kerkpolderweg te Delft een tussenspanning – middenspanning (TS-MS) station gerealiseerd. Het TS-MS station zal bestaan uit een schakelstation en 3 trafocellen. Met het plan wordt beoogd om de energievoorziening voor de inwoners en bedrijven van de wijk Tanthof en Buitenhof te kunnen blijven garanderen en om in de toekomstige capaciteitsbehoefte van het pompstation van WarmtelinQ te voorzien. Het bestaande transformatorstation op de hoek Buitenhofdreef/Sadatweg heeft onvoldoende capaciteit en zou om die reden verzwaard moeten worden om aan de capaciteitsbehoefte te kunnen blijven voldoen. Dit past niet op de bestaande locatie wegens een niet te verplaatsen verkeerslus en direct naastgelegen bebouwing in private handen, alsook reeds bestaande ondergrondse infrastructuur.

Daarom is nieuwbouw op een locatie in de nabijheid noodzakelijk.

1.2.

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Kerkpolderweg in Delft, nabij afslag 14 van de A4. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een kleine waterplas met aan de overzijde een woonwijk. De westzijde van het gebied wordt begrenst door een groenstrook en aan de oostzijde door een kantoor van een scholengemeenschap. De beoogde locatie van het TS-MS station ligt tussen de Kerkpolderweg en de N470 in. In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven.

5

Afbeelding 1.1 Ligging plangebied in Delft (plangebied binnen de rode lijnen)

1.3.

Vigerend bestemmingsplan

Op de gronden in het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen en voorbereidingsbesluiten van de gemeente: - Zuidwest deelgebied 2 (Buitenhof/Kerkpolder) (28 februari 2009); - Facetherziening parkeren (31 mei 2018); - Voorbereidingsbesluit Flitsbezorging (10 maart 2022); - Voorbereidingsbesluit hyperscale datacentra (8 november 2022). De beide voorbereidingsbesluiten en de facetherziening parkeren bevatten geen relevante regels voor voorliggend voornemen en worden verder niet beschreven. Zuidwest deelgebied 2 (Buitenhof/Kerkpolder) Het plangebied valt binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Zuidwest deelgebied 2 (Buitenhof/Kerkpolder)‘. Dit bestemmingsplan is op 28 februari 2009 onherroepelijk geworden. Ter plekke van het plangebied dat binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Zuidwest deelgebied 2 (Buitenhof/Kerkpolder)’ ligt, zijn de volgende bestemmingen aanwezig: Enkelbestemming ‘groen’; Enkelbestemming ‘verkeer - stroomweg’; Dubbelbestemming ‘leiding-hoogspanningsverbinding’; en Aanduiding ‘ecologische zone’.

6

Gronden met de bestemming ‘groen’ zijn bestemd voor: groenvoorzieningen, recreatieve voorzieningen, water, ecologische zones, langzaam verkeersroutes, nutsvoorzieningen, kunstwerken, voorzieningen voor het stallen van fietsen en geluidwerende voorzieningen. Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen zijn enkel toegestaan binnen de aanduiding ‘nutsvoorzieningen’. Deze aanduiding is niet aanwezig. Daarom past de ontwikkeling zoals voorzien in dit bestemmingsplan niet binnen de bestemming ‘groen’. Gronden met de bestemming ‘verkeer - stroomweg’ zijn bestemd voor: een hoofdrijbaan, bermen, taluds, water, groenvoorzieningen, kunstwerken, nutsvoorzieningen en geluidwerende voorzieningen. Gebouwen zijn niet toegestaan. Daarom past de ontwikkeling zoals voorzien in dit bestemmingsplan niet binnen de bestemming ‘verkeer - stroomweg’. De dubbelbestemming ‘Leiding - Hoogspanningsverbinding’ staat primair een bovengrondse hoogspanningsleiding 150kV toe, en secundair de enkelbestemmingen die gelden. De dubbelbestemmingen staat de voorgenomen ontwikkeling ook niet toe. Gronden met de aanduiding ‘ecologische zone’ zijn uitsluitend bestemd voor groenstructuren, natuurvriendelijke oevers, water, recreatieve langzaamverkeersroutes met een maximale breedte van 2 m en leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen.

De ontwikkeling zoals voorzien in dit bestemmingsplan past niet binnen de aanduiding ‘ecologische zone’. Hiermee is de ontwikkeling strijdig met het vigerende bestemmingsplan, omdat de huidige bestemmingen de bouw van een transformatorstation niet toestaan. Zie afbeelding 1.2 voor een uitsnede van het bestemmingsplan. Dit nieuwe bestemmingsplan voorziet in het omzetten van de bestemmingen ‘groen’ en ‘verkeer stroomweg’ (gedeelte binnen de rode lijnen) naar de bestemming Bedrijf - Nutsvoorziening, waarmee de realisatie van het TS-MS station planologisch mogelijk wordt gemaakt.

7

Afbeelding 1.2 Uitsnede bestemmingsplan ‘Zuidwest deelgebied 2 (Buitenhof/Kerkpolder)‘, plangebied voorliggend bestemmingsplan is weergegeven met rode lijnen (bron: ruimtelijke plannen)

8

1.4.

Leeswijzer

De toelichting bij voorliggend bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit eerste inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven dat van toepassing is op de planlocatie. Hoofdstuk 4 onderbouwt de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 worden de planregels nader toegelicht. Vervolgens worden in hoofdstuk 6 en 7 respectievelijk de uitvoerbaarheid en de bestemmingsplanprocedure beschreven.

9

2. Beschrijving plangebied

In dit hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt de toekomstige situatie beschreven.

2.1.

Huidige situatie

Het plangebied is momenteel in gebruik als groenvoorziening waar een voetpad (Burgemeesterspad) doorheen loopt. Het Burgemeesterspad loopt ten noorden van het plangebied door. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door een combinatie van een verkeersader (Kruithuisweg), groengebied, kantoorbedrijven en water. Onderstaande afbeeldingen geven de huidige situatie weer.

Afbeelding 2.1 Impressie huidige situatie (bron: Google Maps)

Afbeelding 2.2 Ligging Burgemeesterspad (het betreft het deel van het voetpad ten zuiden van de Kerkpolderweg) (bron: Google Maps)

2.2.

Toekomstige situatie

10

De gemeente Delft heeft met Stedin bestuurlijk (principebesluit B&W) en ambtelijk verkend waar het nieuwe TS-MS station inpasbaar zou zijn. Het nieuwe TS-MS station dient te worden gebouwd binnen een straal van 700 m van het huidige transformatorstation. Een grotere afstand leidt tot meer kans op storingen en is ongewenst. Met experts elektrotechniek, stedenbouw en architectuur zijn diverse locaties voor een nieuw transformatorstation verkend. Vervolgens zijn de geselecteerde locaties multidisciplinair doorgelicht. De zuidzijde van de Kerkpolderweg bij de Kruithuisweg, is als voorkeursoptie naar voren gekomen. In de toekomstige situatie wordt in het plangebied een 67,5 MVA transformatorstation gerealiseerd. Het transformatorstation bestaat uit twee onderdelen: een schakelstation in een gebouw en 3 trafocellen. Het gebouw bestaat uit twee verdiepingen, met een schakelruimte, een accuruimte en tevens een werkruimte met toiletvoorzieningen. Om het gebouw heen is ruimte nodig voor o.a. het invoeren van leidingen. Het schakelstation heeft de maximale afmetingen van 20 m x 9.25 m x 7 m. De trafocellen hebben elk de afmeting van ongeveer 12 m x 12 m. Elk van de transformatoren heeft een vermogen van 22,5 MVA, waarmee de wijken Tanthof en Buitenhof van stroom worden voorzien, alsook het pompstation van WarmtelinQ.

Het schakelstation en de trafocellen moeten voor onderhoud en storing bereikbaar zijn. De 1e verdieping van het gebouw is bereikbaar middels een buitentrap. Om het gebouw wordt een hekwerk geplaatst. De ruimte tot het hekwerk bedraagt aan de oostzijde 10 m, de zuid- en westzijde 6 m en de noordzijde 5 m. Binnen het hekwerk worden grasbetontegels geplaatst en komt aan de zuidzijde een keermuur van 6 m. Buiten het hekwerk is ruimte voor kruidenrijk grasland. In afbeeldingen 2.3 t/m 2.5 is een impressie van het TS-MS station weergegeven.

Afbeelding 2.3 Impressie TS-MS station

11

Afbeelding 2.4 Impressie TS-MS station

Afbeelding 2.5 Impressie TS-MS station

12

3. Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het Rijksbeleid, provinciaal beleid, regionaal beleid en gemeentelijk beleid behandeld dat betrekking heeft op onderhavig plan. Ook komt relevante wet- en regelgeving aan de orde. Beschreven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid / wet- en regelgeving, en getoetst wordt of het plan hiermee in overeenstemming is met het geldend beleid.

3.1.

Rijksbeleid

3.1.1. Omgevingswet De Omgevingswet (Ow) treedt naar verwachting op 1 juli 2024 in werking. De Omgevingswet betreft een wet die vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving (omgevingsrecht) beoogt, door tientallen op dit moment vigerende wetten en honderden regels te bundelen in één nieuwe wet. Het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt de verhouding tussen nieuwe en bestaande regelgeving. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de kerninstrumenten van de Ow: de Omgevingsvisie, programma’s, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene rijksregels, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en instructieregels. Dit bestemmingsplan in relatie tot de Omgevingswet Op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, gaat dit bestemmingsplan op in het omgevingsplan van de gemeente. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft namelijk iedere gemeente van rechtswege één omgevingsplan (artikel 22.1 Ow). Het overgangsrecht, beschreven in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw), regelt dat de gemeente in ieder geval een omgevingsplan heeft dat gevuld is met (1) de regels die van rijksniveau naar gemeenteniveau gaan en (2) de bestaande ruimtelijke plannen en een aantal verordeningen (artikel 1.1, onderdeel JI IOw).

Deze twee onderdelen vormen samen het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Procedure Het oude recht is van toepassing op procedures die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gestart. Op dit bestemmingsplan is derhalve de Omgevingswet nog niet van toepassing, omdat de officiële procedure van dit bestemmingsplan gestart is voor 1 januari 2024. Ook is het overgangsrecht nu zo ingestoken dat alles wat in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen is geregeld in feite gewoon geldig blijft na 1 januari 2024 als onderdeel van het omgevingsplan. Daarbij dient opgemerkt te worden dat deze ‘oude situatie’ vanaf 1 januari 2024 wordt bevroren. Het is na 1 januari 2024 bijvoorbeeld niet meer mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen, ook niet op ondergeschikte punten. Daarvoor zal voor de gehele locatie een nieuw omgevingsplan moeten worden vastgesteld waarin het 'oude' bestemmingsplan in zijn geheel wordt vervangen (artikel 2.26 Ow). Hiervoor hoeft niet het hele omgevingsplan al te zijn opgesteld, het kan ook een deelvaststelling zijn van het omgevingsplan.

13

3.1.2. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Relatie met dit bestemmingsplan De realisatie van het TS-MS station zorgt voor ontlasting van het overspannen energienet en zorgt er daardoor voor dat het energienet bereikbaar, veilig en robuust blijft. Daarnaast zorgt een verhoogde netcapaciteit ervoor dat de regio het groeipotentieel kan blijven behouden en maakt het de regio beter voorbereid op de komende energietransitie.

De ontwikkeling van het TS-MS station draagt daarmee bij aan de volgende prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel en sterke en gezonde steden en regio’s. De voorgenomen ontwikkelingen zijn niet in strijd met een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Conclusie De realisatie van het TS-MS station is in lijn met de NOVI.

3.1.3. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Relatie met dit bestemmingsplan In Titel 2.8 van het Barro zijn regels opgenomen voor bestemmingsplannen voor waarborgen van voldoende ruimte voor grootschalige productie en transport van elektriciteit. De artikelen van het Barro hebben betrekking op drie onderdelen: 1 vestigingsplaatsen voor grootschalige elektriciteitsvoorziening; 2 vestigingsplaatsen voor kernenergiecentrales; 3 hoogspanningsverbindingen. De ontwikkeling van het TS-MS station heeft geen betrekking op één van deze drie onderdelen en raakt geen Rijksbelangen zoals deze zijn genoemd in het Barro. Dit bestemmingsplan staat het Barro niet in de weg.

14

Conclusie Met de realisatie van het TS-MS station worden geen belangen zoals genoemd in het Barro geraakt.

3.1.4. Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.

De ‘Ladder’ De in het plan voorziene ontwikkeling wordt niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen. Hieronder wordt blijkens artikel 1.1.1, eerste lid, sub i Bro verstaan een “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Nutsvoorzieningen, waaronder transformatorstations zijn niet met naam genoemd in de definitiebepaling en worden blijkens de ministeriële handreiking 1 niet onder de restcategorie van 'andere stedelijke voorzieningen' geschaard. De handreiking laat onder de overige stedelijke voorzieningen accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure vallen. Relatie met dit bestemmingsplan Het bestemmingsplan is niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking staat uitvoer van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2.

Provinciaal beleid

Het omgevingsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de omgevingsvisie en de omgevingsverordening. Met het omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit.

1

Ladder voor duurzame verstelijking, Handreiking, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, versie 2, november 2013.

15

3.2.1. Omgevingsvisie Zuid Holland De Omgevingsvisie van Zuid-Holland, vastgesteld op 20 februari 2019, biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert.

De provincie Zuid-Holland kent zeven vernieuwingsambities. Deze ambities zijn: 1 samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2 bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3 schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4 een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; 5 versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6 sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7 gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Relatie met dit bestemmingsplan De bouw van het TS-MS station draagt bij aan de energievoorziening in het gebied en is nodig om in de toekomst de energietransitie in de regio te faciliteren, zodat meer schone energie en meer warmteverdeling mogelijk is. Door het voeden van bedrijven en huishoudens wordt indirect de economische kracht van Zuid-Holland versterkt. Conclusie De voorgenomen ontwikkelingen passen in de Omgevingsvisie Zuid Holland.

3.2.2. Omgevingsverordening Zuid Holland De doelstellingen uit de Omgevingsvisie zijn juridisch vertaald in de Omgevingsverordening ZuidHolland (geconsolideerd 12 december 2022). De Omgevingsverordening richt zich, net zo breed als de Omgevingsvisie, op de fysieke leefomgeving in de provincie Zuid-Holland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit Artikel 6.9 van de provinciale Verordening geeft regels over ruimtelijke kwaliteit bij bestemmingsplannen die voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

16

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: - de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); - als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: · zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en · het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; - als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: · een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en · het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen

als bedoeld in het derde lid. De realisatie van het TS-MS station is aan te merken als een ontwikkeling die valt in de categorie aanpassen. De ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar past huidige groenstructuur aan naar een nieuwe bestemming. Bij de ruimtelijke inpassing van het TS-MS station is rekening gehouden met een zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart: Kwaliteitskaart Laag van de ondergrond: rivierdeltacomplex - jonge zeeklei; Kwaliteitskaart Laag van de stedelijke occupatie: Stads- en dorpsrand, Stedelijke groenstructuur indicatief, Steden en dorpen en bouwwerken voor energie-opwekking. Op basis van deze aanpak wordt voldaan aan de voorwaarden voor ruimtelijke kwaliteit ten aanzien van ‘aanpassen'. Waterkwaliteitsnormen De locatie van het plangebied is aangeduid als gebied voor waterkwantiteitsnorm en waterschap. Artikel 6.1 betreft een instructieregel voor een motiveringsplicht ten aanzien van waterkwantiteit voor het waterschap bij het opstellen van het beheerplan. Deze instructieregel heeft geen doorwerking op dit bestemmingsplan. Ontgrondingen Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet is het verboden zonder vergunning te ontgronden.

Op grond van artikel 7 van de Ontgrondingenwet kan in de verordening voor daarbij aan te wijzen gevallen worden bepaald dat van dit verbod een vrijstelling geldt. In artikel 3.34 en volgende zijn de vrijstellingen van de vergunningplicht geregeld. Voor de realisatie van het TS-MS station is geen sprake van ontgrondingen waarvoor een ontgrondingenvergunning noodzakelijk is. De bepalingen uit de provinciale Verordening zijn hiermee niet van toepassing. Verplicht peilbesluiten De locatie van het plangebied is aangeduid als gebied voor verplichte peilbesluiten. Artikel 6.39 betreft een instructieregel voor het waterschap dat één of meer peilbesluiten worden vastgesteld voor de oppervlaktewaterlichamen in het aangewezen gebied. Peilbesluiten moeten actueel zijn en in ieder geval rekening houden met veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en met

17

de aanwezige functies en belangen. Deze instructieregel heeft geen doorwerking op dit bestemmingsplan. Hoofdfietsnet en hoofdwandelnet Op basis van artikel 6.20a geldt dat een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening houdt met het belang van de instandhouding en zo mogelijk de verbetering van het hoofdfietsnetwerk alsmede de lange afstandswandelpaden. Direct langs het plangebied is een hoofdfietsverbinding gelegen. De ontwikkeling van het TS-MS station raakt deze fietsverbinding niet. Conclusie De Omgevingsverordening Zuid Holland staat uitvoer van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2.3. Bijzonder Provinciaal Landschap Op 4 november 2017 is Midden-Delfland door de provincie Zuid-Holland aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap. Hierin is een ontwikkelopdracht meegegeven ten aanzien van de stedelijke context en de sturing en borging van de ruimtelijke kwaliteit Relatie met dit bestemmingsplan Het plangebied bevindt zich niet binnen het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland, maar wordt hiervan gescheiden door de Rijksweg A4. De specifieke waarden van het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland worden niet aangetast. Conclusie De ontwikkeling van dit bestemmingsplan heeft geen negatief effect op het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland.

3.3.

Regionaal beleid

3.3.1. Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 Op 16 april 2008 is het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 (RSP) door het stadsgewest Haaglanden vastgesteld. Dit plan beschrijft de visie van het Stadsgewest op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio Haaglanden tot 2020, met een doorkijk naar 2030. In de RSP wordt benadrukt dat de energiehuishouding belangrijk is om de groei van de economie te kunnen voorzien van energie. Relatie met dit bestemmingsplan Met de realisatie van het TS-MS station wordt de energiehuishouding in dit gebied verder op orde gemaakt. Hiermee sluit de bouw van het TS-MS station aan op de doelstellingen beschreven in het Regionaal Structuurplan. Conclusie De ontwikkeling van dit bestemmingsplan past daarmee binnen het RSP.

18

3.4.

Gemeentelijk beleid

3.4.1. Omgevingsvisie Delft 2040 In de Omgevingsvisie Delft 2040 staat wat voor stad Delft in de toekomst graag wil zijn. De gemeente geeft in deze visie de gewenste ontwikkeling weer van onze leefomgeving. Dit is de omgeving waarin we wonen, werken en onze vrije tijd doorbrengen. De omgevingsvisie is de eerste stap van de invoering van de Omgevingswet in Delft. Binnen de huidige wetten vervangt de omgevingsvisie Delft 2040 de Stadsvisie en de Ruimtelijke Structuurvisie Delft 2030. De gemeenteraad heeft de Omgevingsvisie op 15 juli 2021 vastgesteld. De omgevingsvisie benoemd de volgende doelen: Delft zet tot 2040 in op het toevoegen van 15.000 woningen; Delft voorziet tot 2040 in een groei van 10.000 banen; Delft maakt gebruik van de substantiële kansen van kennisintensieve bedrijven en van een kennisgedreven en ambachtelijke ‘maakindustrie’. Deze nieuwe maakindustrie biedt arbeidskansen voor een brede doelgroep in Delft en de regio. Het feit dat in Delft technisch onderwijs op mbo, hbo en academisch niveau aanwezig is maakt Delft uniek en versterkt de kansen van het Delftse bedrijfsleven. Delft koestert de huidige bedrijven, kleinschalige economie en biedt waar mogelijk groeiruimte aan bestaande bedrijvigheid.

De TU is en blijft een belangrijke partner en is in 2040 zowel sociaal als fysiek beter met de stad verbonden; Delft is in 2040 hard op weg om in 2050 energieneutraal en klimaatbestendig te kunnen zijn. Om daar te komen, zet Delft in op energiebesparing, een warmtenet en zonne-energie; Delft zet in op een mobiliteitstransitie. Het mobiliteitssysteem gaat veranderen, zodat Delft de komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig blijft. De ruimte voor de infrastructuur in de stad wordt beter benut door voorrang te geven aan ruimte-efficiënte, schone, slimme en veilige mobiliteit; de fysieke leefomgeving moet bijdragen aan de gezondheid van iedere Delftenaar. Delft dringt negatieve milieueffecten terug en richten zich op een gezond ingerichte leefomgeving. Het buitengebied is altijd goed bereikbaar. In 2040 is de buitenruimte in en om de stad voor mens, plant en dier op minimaal hetzelfde kwaliteitsniveau als nu. In 2040 bestaat het begrip ‘afval’ niet meer. Delft functioneert dan als een circulair systeem voor grondstoffen; om de positie van de historische en culturele stad te versterken, investeert Delft in kwalitatieve cultuurvoorzieningen, attracties, evenementen, een verantwoorde ontwikkeling van toerisme en in het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte.

Delft koestert zijn erfgoed en zet ook bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in op het doorvertalen van de rijke historie van Delft. Erfgoed in Delft is bekend en ‘beleefbaar’, waar je ook bent in de stad; ter versterking van de wijkeconomie en het borgen van de duurzame vitaliteit van wijken wordt bij nieuwe gebiedsontwikkelopgaven ten minste 10 % van het te realiseren aanbod in de wijk bestemd voor werk en maatschappelijke voorzieningen. Delft streeft naar een vitale mix van wonen en werken, zowel in de wijken als in de werkgebieden. Hierdoor kan er een klimaat ontstaan van dynamische stedelijke gemengde gebieden; Delft heeft in 2040 hoogwaardige, passende en toegankelijke voorzieningen die nodig zijn voor zorg, welzijn, cultuur, onderwijs en sport. Delft streeft naar een goede spreiding van voorzieningen en clustert waar mogelijk; prettig samen leven vindt Delft belangrijk. In 2040 is Delft een stad waar iedereen ertoe doet, meedoet, elkaar kan ontmoeten en de kans krijgt zich te ontwikkelen. De te realiseren openbare ruimte en voorzieningen draagt hieraan bij; in Delft is ook ruimte een schaars goed. Keuzes die worden gemaakt, moeten altijd bijdragen aan de versterking van meerdere kwaliteiten van de stad en het gebied.

19

Relatie met dit bestemmingsplan De realisatie van het TS-MS station valt binnen één van de kernkwaliteiten van Delft. In de omgevingsvisie wordt expliciet vermeld dat Delft inzet op energieneutraal in 2050, met de komst van het transformatorstation wordt ook ingezet op deze transitie. De vraag naar stroom is op steeds meer plekken groter dan het net aankan. Tegelijkertijd is het aanbod van zonne- en windstroom soms hoger dan het net kan verwerken. Met behulp van deze ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de toekomstige energiebehoefte. Hiermee sluit de bouw van het TS-MS station aan op de ruimtelijke kernkwaliteiten van de gemeente Delft. Daarnaast benoemt de omgevingsvisie een koers per deelgebied. De projectlocatie ligt in het deelgebied ‘groene vensters en buitengebieden’. Dit deelgebied benoemt als koers dat indien nieuwe infrastructuur onvermijdelijk is, de landschappelijke inpassing de hoogste prioriteit heeft en geïnvesteerd moet worden in het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het omliggend landschap en het voorkomen van barrières voor mens en dier. Gezien het eerder genoemde belang van het TS-MS station voor de energievoorziening voor de wijken Tanthof en Buitenhof, en het pompstation van WarmtelinQ, is de realisatie van het station onvermijdelijk.

Bij de ruimtelijke inpassing van het TS-MS station is rekening gehouden met een zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving. Hiermee wordt, ondanks de noodzakelijke uitbreiding van infrastructuur, voldaan aan de koers voor het deelgebied. Conclusie De beoogde ontwikkelingen passen naadloos in de omgevingsvisie Delft 2040.

3.4.2. Nota Delft Energieneutraal 2050 Ook Delft staat aan de vooravond van een grote transitie in de energievoorziening. Waar nu nog grotendeels aardgas wordt gebruikt voor de verwarming van de woningen, warm tapwater en koken zal binnen enkele decennia de omslag gemaakt zijn naar een duurzame en hernieuwbare vorm voor warmte. De transitie in de energievoorziening heeft urgentie. Delft wil in 2050 geen CO2-emissie meer van fossiele brandstoffen, oftewel bijna 56.000 woningen en circa 6.000 bedrijven moeten worden voorzien van hernieuwbare warmte en elektriciteit. Relatie met dit bestemmingsplan Met het bestemmingsplan wordt een activiteit gefaciliteerd die een bijdrage levert aan een in ontwikkeling zijnde duurzame energiesector. Voor de stroomvoorziening van een groot deel van de ruimtelijke gebieden zijn transformatorstations noodzakelijk. Delft wil de levering van (voldoende) stroom waarborgen aan de inwoners en bedrijven. Hiermee sluit de bouw van het TS-MS station aan op de ruimtelijke kernkwaliteiten van de gemeente Delft. Conclusie De beoogde ontwikkelingen passen naadloos in de Nota Delft Energieneutraal 2050.

3.4.3. Nota Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen De gemeente Delft zet in op het behouden en versterken van de kwaliteit van de stedelijke omgeving door kansen voor flora en fauna in en aan gebouwen en de directe omgeving van deze gebouwen te versterken. Middels de Nota Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen heeft de gemeente Delft een concreet kader ontwikkeld om deze thema’s vorm te geven. Het kader bevat een lijst met maatregelen en een bijbehorend puntensysteem, met behulp waarvan een initiatiefnemer een voorgeschreven puntenscore dient te behalen.

20

Relatie met dit bestemmingsplan Met het bestemmingsplan wordt de realisatie van bouwwerken mogelijk gemaakt. De ontwikkeling valt onder de categorie kleinschalig project conform de nota. Hiervoor geldt dat voor gevel/dak minimaal 2 punten, voor verblijven in gebouw minimaal 1 punt en voor omgeving gebouw/perceel/tuin minimaal 2 punten behaald dienen te worden. Hier zal aan worden voldaan door het treffen van de maatregelen uit onderstaande tabel. Tabel 3.1 Maatregelen natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Aspect

Maatregel

Punten

Gevel / dak

Groen dak op het schakelgebouw van sedum, grassen en kruiden met een dikte van zeven tot vijftien centimeter

2

Verblijf

Realisatie van 4 zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen aan het schakelgebouw, aan elke gevel 1

1

Omgeving gebouw / binnentuin

Aanplanten van een cluster van inheemse struiken, bestaande uit minimaal drie soorten (zoals hulst, taxus, meidoorn, sleedoorn, hazelaar, vlier, gelderse roos, egelantier, vuilboom en krentenboompje), van 50 vierkante meter

2

Conclusie De beoogde ontwikkelingen passen naadloos in de Nota Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen.

21

4. Milieu- en omgevingsaspecten

In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen.

4.1.

M.e.r-(beoordelings)plicht

Het voorkómen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Voor bepaalde (milieu)belastende activiteiten is het van belang om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. De basis hiervan ligt in de EU-richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (Richtlijn m.e.r.). De Richtlijn m.e.r. is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Ten aanzien van m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. In kolom twee van de D-lijst zijn (indicatieve) drempelwaarden genoemd. Indien de activiteit genoemd staat in kolom 1 ‘activiteiten’ en er wordt voldaan aan de drempelwaarden van kolom 2 ‘gevallen’, geldt voor het te nemen besluit een ‘formele’ m.e.r.beoordelingsplicht. Voor activiteiten waarbij er geen sprake is van overschrijding van drempelwaarden geldt een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling.

Een transformatorstation is niet opgenomen in onderdeel C en D van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Tevens is er geen sprake van realisatie van hoogspanningsleidingen (de voorgenomen ontwikkelingen hebben betrekking op tussen-/middenspanning), waardoor de categorieën C 24, D 24.1 en D 24.2 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage eveneens niet van toepassing zijn. Een MER of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet nodig.

4.2.

Geluid

Ten behoeve van de bouw van het TS-MS station is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand is dit onderzoek nader toegelicht, het rapport is bijgevoegd in bijlage I. Voor het aspect geluid geldt het volgende stappenplan om te kunnen bepalen of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat: 1. Richtafstand: wanneer wordt voldaan aan de richtafstand, zal er sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat;

22

2. 45 dB(A)-etmaalwaarde: indien niet aan de richtafstand kan worden voldaan, kan een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) toelaatbaar worden geacht zonder (uitgebreide) motivering; 3. 50 dB(A)-etmaalwaarde: indien niet kan worden voldaan aan een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van ten hoogste 45 dB(A), kan 50 dB(A) toelaatbaar worden geacht. Hiertoe dient er een meer uitgebreide motivering plaats te vinden, waarmee wordt aangetoond dat er alsnog sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Op grond van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009) behoort een trafostation met een vermogen van minder dan 100 MVA tot categorie 3.1. Voor deze categorie bedraagt de richtafstand maximaal 50 meter in een rustige woonwijk. Er bevinden zich geen gevoelige bestemmingen binnen deze afstand van het onderstation en waardoor aan de richtafstand wordt voldaan. Hoewel voldaan wordt aan de richtafstanden uit de publicatie, betreffen dit geen harde afstandseisen maar richtafstanden, waardoor dit geen garantie biedt tot het voorkomen van geluidhinder. Daarom is, volledigheidshalve, in het kader van een goede ruimtelijke ordening nader akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierbij is bepaald of ter plaatse van de omliggende geluidgevoelige bestemmingen sprake is van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat als gevolg het onderstation.

Bij de beoordeling is aansluiting gezocht bij de richtwaarde uit de VNGpublicatie van 45 dB(A)-etmaalwaarde. In het onderzoek zijn twee situaties beschouwd: een representatieve bedrijfssituatie waarbij twee transformatoren onder halve belasting opereren en een mogelijk toekomstige representatieve bedrijfssituatie waarbij twee transformatoren volbelast zijn en de derde transformator onder nullast opereert. Hiervoor zijn akoestische rekenmodellen opgesteld waarmee optredende geluidniveaus op nabijgelegen woningen zijn berekend. Dit betreffen woningen ten noorden en oosten van het station aan de Gerbrandylaan en Burgemeestersrand (zie onderstaande afbeelding). Bij de berekeningen is rekening gehouden met een toeslag van 5 dB voor tonaal c.q. laagfrequent geluid vanwege een eventuele bromtoon bij 100 Hz.

23

Afbeelding 4.1 Situering van het transformatorstation

Uit het onderzoek blijkt dat de optredende geluidbelasting in de representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van woningen maximaal 31 dB(A) etmaalwaarde bedraagt inclusief een eventuele toeslag voor tonaal geluid. De geluidbelasting in de toekomstige bedrijfssituatie bedraagt ter plaatse van woningen maximaal 34 dB(A) etmaalwaarde (inclusief een eventuele toeslag voor tonaal geluid). Hiermee wordt zowel in de representatieve als in de toekomstige bedrijfssituatie ruimschoots voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) uit de VNG-publicatie. Op grond van het voorgaande kan ook eventuele hinder ten gevolge van laagfrequent geluid worden uitgesloten.

4.3.

Trillingen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient het aspect trillingen beoordeeld te worden. Wat betreft de realisatiefase geldt dat heiwerkzaamheden trillingsarm zullen worden uitgevoerd en dat voldaan zal worden aan het voorschrift uit het Bouwbesluit 2012 met betrekking tot trillingshinder. Uit ervaringen met bestaande trafostations blijkt dat er geen sprake is van trillingen in de gebruiksfase. Nader onderzoek met betrekking tot trillingen is niet noodzakelijk.

24

4.4.

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm stelt de gemeenteraad alleen een bestemmingsplan vast wanneer aannemelijk is gemaakt dat: - het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; - de luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; - het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; - de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

4.4.1. Toetsingskader Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: - een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen; - een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; - een project leidt per niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. De Wet milieubeheer (Wm) geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat grenswaarden worden overschreden. Deze grenswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Om te kunnen beoordelen of de grenswaarden gesteld in de Wm worden overschreden, moeten de achtergrondconcentraties (wat zijn de concentraties zonder de ontwikkeling) en de verwachte bijdrage van het project (hoeveel komt er qua concentraties bij) worden onderzocht.

4.4.2. Resultaten Onderstaande afbeeldingen geven de achtergrondconcentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) weer.

25

Voor NO2 liggen de achtergrondconcentraties in het plangebied tussen 14-16 en 18-20 microgram/m3. Voor PM10 is dit 16-18 microgram/m3 en voor PM2,5 tussen 8-9 microgram/m3. Gezien de grenswaarden van de Wm voor NO2 en PM10 op 40 microgram/m3 liggen en voor PM2,5 op 25 microgram/m3, kan gesteld worden dat de achtergrondconcentraties ver onder de grenswaarden van de Wm liggen. Afbeelding 4.2 Achtergrondconcentraties plangebied NO2 (bron: atlasleefomgeving.nl 2020)

Afbeelding 4.3 Achtergrondconcentratie plangebied PM10 (bron: atlasleefomgeving.nl 2020)

26

Afbeelding 4.4 Achtergrondconcentraties plangebied PM2,5 (bron: atlasleefomgeving.nl 2020)

Het TS-MS station is elektrisch aangedreven. Er is geen sprake van verbrandingsmotoren of frequente aanvoer van stoffen per vrachtwagen. Wel kan sprake zijn van sporadisch bezoek door personeel ten behoeve van inspectie en onderhoud. Dit zal gelijk zijn aan circa 2 busjes (steeds vaker zelf ook elektrisch) per week. Aan de hand van deze informatie is een berekening gemaakt waarbij de toename van het verkeer is meegenomen (afbeelding 4.5). Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat er geen toename is van de concentraties van zowel NO 2 als PM10 en PM2,5. Daarmee worden de grenswaarden niet overschreden en draagt het project ook niet in betekenende mate bij.

Afbeelding 4.5 NIBM-toets

4.4.3. Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij en er vindt geen overschrijding plaats van de in de Wet milieubeheer vastgelegde grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit staat het voornemen niet in de weg.

27

4.5.

Externe veiligheid

4.5.1. Toetsingskader In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna Bevi) worden afstandsnormen gesteld met betrekking tot risicovolle inrichtingen, met als doel om mensen in de buurt van een bedrijf met of transportas van gevaarlijke stoffen te beschermen. Hierbij is de relatie met risicogevoelige objecten in de omgeving van belang. Een transformatorstation is geen risicovolle inrichting zoals bedoeld in het Bevi. Dat betekent dat de realisatie van het transformatorstation niet leidt tot een nieuwe risicobron voor omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Ter volledigheid wordt wel beschouwd of het in bedrijf hebben van een transformatorstation veilig kan. Op deze wijze wordt inzicht gegeven in de maatgevende risico's. Er is een tweetal aspecten relevant in het kader van externe veiligheid, te weten: effecten vanuit de omgeving op het TS-MS station als beperkt kwetsbaar object; effecten in de omgeving ten gevolge van een brand in het transformatorstation. TS-MS station als beperkt kwetsbaar object Het TS-MS station kan gezien worden als een object van hoge infrastructurele waarde en daarmee een beperkt kwetsbaar object conform artikel 1.1 lid i Bevi. Daarom moet vastgesteld worden of de omliggende risicobronnen leiden tot knelpunten voor de voorgenomen ontwikkeling. Het TS-MS station ligt in de nabijheid van de rijksweg A4 en een buisleiding.

Daarnaast ligt het plangebied nabij de Kruithuisweg (N470), waar in beperkte mate gevaarlijke stoffen over getransporteerd worden. Dit betreffen enkele ladingen brandbare stoffen, lpg en giftige stoffen. De verschillende risicobronnen zijn weergegeven op afbeelding 4.6.

Afbeelding 4.6 Risicobronnen externe veiligheid (plangebied in rood)

28

Uit afbeelding 4.6 blijkt dat de beoogde locatie van het TS-MS station zich niet binnen het invloedsgebied van de buisleiding of de A4 bevindt. Daarom zijn er vanuit deze risicobronnen geen knelpunten voor de voorgenomen ontwikkeling. De afstand van het TS-MS station tot de middenberm van de N470 bedraagt ongeveer 20 meter. Vanwege de beperkte hoeveelheid transport gevaarlijke stoffen leidt dit niet tot een knelpunt voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit het bestemmingsplan ‘Zuidwest 3 Tanthof’ (gemeente Delft, vastgesteld op 25-04-2013) blijkt namelijk dat de Kruithuisweg geen plaatsgebonden risicocontour heeft. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, wat wordt vastgelegd in contouren. Bovendien bevinden zich in het TS-MS station doorgaans weinig personen, waardoor geen sprake is van een toename van het groepsrisico (GR). Het GR is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Uit het genoemde bestemmingsplan blijkt dat het groepsrisico in de huidige situatie ruim onder de oriëntatiewaarde ligt (<0,1 OW).

Dit betekent dat de impact van een ongewoon voorval klein is en daarmee ook het risico dat het TS-MS station loopt als gevolg van de Kruithuisweg. Brandscenario Er wordt een onbemand TS-MS station gerealiseerd waar elektriciteitsapparatuur is opgesteld. Het bouwen van een TS-MS station in de nabijheid van gevoelige bestemmingen (zoals woningen en kantoren) kan een mogelijk gevaarlijke situatie met betrekking tot brandrisico veroorzaken. Dit brandrisico ontstaat met name door de aanwezigheid van olie in de transformatoren. Door een intern incident kan bijvoorbeeld brand uitbreken, of kan er zelfs een explosie ontstaan. In de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de afstanden tussen bedrijfsmatige activiteiten en gevoelige functies. Dit biedt handvatten om bij ruimtelijke ordening vraagstukken voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige objecten. Op basis van de milieubelastende activiteit wordt een richtafstand per milieuthema gegeven. Het TS-MS station valt onder SBI-code 35: ‘Elektriciteitsdistributiebedrijven’. De richtafstand met betrekking tot externe veiligheid is afhankelijk van het opgestelde transformatorvermogen. Dit is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 4.1 Nummer

Opgesteld vermogen in MVA

Richtafstand externe veiligheid in meters

C1

< 10

10

C2

10 tot 100

30

C3

100 tot 200

50

C4

200 tot 1.000

50

C5

1.000 of meer

50

29

Het TS-MS station heeft in de uiteindelijke volwaardige situatie een opgesteld vermogen van 67,5 MVA. Het station valt daarmee onder nummer C2. De richtafstand voor externe veiligheid bedraagt dan 30 m. De meest nabijgelegen woningen liggen ten oosten en noorden van het plangebied. Ten oosten aan de Burgemeestersrand en ten noorden van het station zijn deze gelegen aan de Gerbrandylaan. De kortste afstand tot woningen bedraagt minimaal 90 m, zoals ook eerder weergegeven in paragraaf 4.2 Geluid. De kortste afstand tot kantoorgebouwen is minimaal 40 m.

De minimale afstand van het TS-MS-station tot nabijgelegen gevoelige functies is groter dan de richtafstand van 30 meter. Daarmee is er geen belemmering om de ontwikkeling toe te staan. Daarnaast borgt Stedin dat in de gerealiseerde situatie sprake is van een goed functionerend en goed onderhouden transformatorstation met voldoende maatregelen die zijn getroffen om brand te voorkomen (brandpreventie) en te bestrijden (brandbestrijding).

4.5.2. Conclusie Om tot een goede ruimtelijke ordening te komen zijn de risico's betreffende de externe veiligheid nader inzichtelijk gemaakt. Uit de toetsing blijkt dat effecten op (beperkt) kwetsbare objecten niet aan de orde zijn. Tevens is er op basis van toetsing aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ geen sprake van een risico vanuit het TS-MS station op de omgeving.

4.6.

Elektromagnetische zones (magneetvelden)

4.6.1. Toetsingskader Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden. Onlangs heeft een herijking van het voorzorgbeleid met betrekking tot de mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden van netcomponenten in het elektriciteitsnet plaatsgevonden, waarbij eveneens is geadviseerd aan het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening en netbeheerders voor elektriciteit over de vraag hoe om te gaan met de mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden van netcomponenten 1. Hierbij is, voor andere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen, besloten om geen ruimtelijke maatregelen te treffen c.q. geen standaard afstanden aan te houden en wordt voor nieuwe situaties uitgegaan van het treffen van bronmaatregelen. Voor de realisatie van het TS-MS station zullen, in lijn met het nieuwe voorzorgbeleid, de volgende bronmaatregelen worden getroffen: Bronnen van magneetvelden worden op afstand geplaatst (niet langs de buitenwanden); Er wordt configuratie-optimalisatie toegepast door de kabels naar de transformatoren in driekhoeksformatie te plaatsen.

1

Voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen, DGKE-DRE / 26746813, 21 april 2023.

30

4.6.2. Conclusie Met het treffen van bovenstaande maatregelen vormt het aspect magneetvelden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan voorgenomen ontwikkelingen.

4.7.

Natuur

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp vanuit het oogpunt van natuur. Ten behoeve van de bouw van het TS-MS station is er een natuurtoets uitgevoerd. Deze is bijgevoegd in bijlage II.

4.7.1. Toetsingskader De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000gebieden; 2 bescherming van planten- en diersoorten (soortenbescherming); 3 bescherming van bos- en houtopstanden. Gebiedsbescherming Natura 2000 De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. De provincie Zuid-Holland hanteert geen externe werking (effecten van handelingen buiten de als NNN begrensde gebieden).

Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - Habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn;

31

-

andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten.

Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn vijf categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Houtopstanden Naast het Wnb beleid betreffend de bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom zijn zowel binnen als buiten de bebouwde kom de regels ten aanzien van het kappen van bomen uit de Bomenverordening Delft 2013 van kracht.

Hieruit blijkt dat een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen niet vereist is indien de bomen een omtrek kleiner dan 63 cm, gemeten op 130 cm boven maaiveld hebben, mits de bomen niet zijn opgenomen in de lijst van beschermde houtopstand.

4.7.2. Resultaten Gebiedsbescherming Natura-2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het gebied Solleveld & Kapittelduinen, gelegen op een afstand van meer dan 10 km ten westen van het plangebied. Zie afbeelding 4.7 voor een weergave van de afstand tot de planlocatie. Alle Natura 2000-gebieden liggen op een dusdanige grote afstand dat ze buiten de verstoringscontour van de werkzaamheden zijn gelegen. Uit de notitie Stikstofdepositieonderzoek bouw- en gebruiksfase (bijlage IIl) is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

32

Afbeelding 4.7 Afstand tot Natura-2000 gebieden (locatie in rood weergegeven)

NNN-gebieden Het plangebied is niet gelegen in percelen bijhorend tot het NNN-gebied van de provincie ZuidHolland. In onderstaande afbeelding is een weergave van de planlocatie ten opzichte van de dichtstbijzijnde NNN-gebieden weergegeven. Van direct ruimtebeslag is geen sprake. Tevens heeft de provincie Zuid-Holland geen externe werking. Negatieve effecten op het NNN zijn uitgesloten.

33

Afbeelding 4.8 NNN-gebieden ten opzicht van de planlocatie (planlocatie in rood weergegeven)

Soortenbescherming Voor soortenbescherming is een quickscan uitgevoerd, deze is opgenomen in bijlage II. Er is een bureaustudie uitgevoerd en er heeft veldbezoek plaatsgevonden. In de onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat. Tijdens en na de bouw van het TS-MS station moet voldaan worden aan de mitigerende maatregelen zoals gesteld in onderstaande tabel. Indien deze mitigerende maatregelen niet getroffen kunnen worden, zal waar nodig vervolgonderzoek plaatsvinden en afhankelijk van de uitkomsten daarvan een ontheffing worden aangevraagd. De vervolgstappen die genomen worden in het kader van soortenbescherming worden vastgesteld voordat vaststelling van het bestemmingsplan plaatsvindt.

34

Tabel 4.2 Samenvattende tabel resultaten natuurtoets onderdeel soortenbescherming Soortgroep

Kans op overtreding Wnb?

Vervolgstappen nodig?

Ontheffing aanvragen?

Mitigerende maatregelen

Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk of niet voldoende)

flora

nee

geen, wel zorgplicht

nee

nee

grondgebonden zoogdieren

nee, enkel vrijgestelde soorten en verstoring van ‘andere soorten’ (bunzing, hermelijn en wezel) is niet verboden

geen, wel zorgplicht

nee

nee

vleermuizen1

ja, indien foeragerende/overvliegende vleermuizen worden verstoord; indien een vliegroute (tijdelijk) wordt onderbroken of verstoord; indien verblijfplaatsen (indirect) worden aangetast of vernietigd

ja, door: werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer; door geen verlichting op het gebouw aan te brengen in de gebruiksfase; trillingvrij werken

ja, indien niet trillingsvrij kan worden gewerkt is een vleermuisonderzoek (conform protocol) nodig1 voor het verstoren van verblijfplaatsen binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13452960/1