CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Samengevoegd BP Toelichting Regels en Bijlagen bij de regels

Commissie Ruimte en Verkeer 16 februari 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake Coördinatieprocedure bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg Zuideinde (nr. 2305049)31.666 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

53

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

Afbeelding: grondwaterstanden 2 maart 2021 en grondwaterstromingsrichting (bron: geohydrologisch onderzoek als bedoeld in bijlage 5 )

Oppervlaktewater en verhardingen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Wel bevindt zich aan de oostzijde de Delftse Schie, die deel uitmaakt van de boezemstructuur en een belangrijke vaarweg betreft. Het plangebied is momenteel geheel verhard (bebouwing + bestrating). De beoogde herontwikkeling leidt dan ook niet tot een toename van het verhard oppervlak. Zie hiervoor ook de beschouwing in paragraaf 4.1.2 Gewenste ontwikkeling. Regionale waterkering en beschermingszone De weg Zuideinde vormt de oostelijke begrenzing van het plangebied. Deze weg maakt deel uit van een regionale waterkering aan de westzijde van de Schie. Het waterstaatswerk (roze arcering in onderstaande afbeelding ) reikt niet tot aan het plangebied; de beschermingszone (groene arcering) ligt wel voor een deel over het plangebied. Dit betekent dat de beleidsregel Medegebruik Regionale Waterkeringen van toepassing is.

54

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

Afbeelding : Waterkering en Beschermingszone ten opzichte van het plangebied (oranje omkaderd) (bron: leggerkaart Hoogheemraadschap).

Rioolstelsel Ter plaatse van het Zuideinde en de Abtswoudseweg is sprake van een gescheiden rioolstelsel. Dit betekent, dat het hemelwater gescheiden van het huishoudelijk afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd. Het hemelwater wordt in deze straten hierbij afgevoerd via een een drainage-transport riool (DT-riool). 4.1.2

Gewenste ontwikkeling

Uitgangspunt van een klimaatbestendige binnenstedelijke ontwikkeling

Vanuit de gemeente Delft is aan de ontwikkelaar als leidraad voor de uitwerking van het bouwplan meegegeven om de ontwikkeling Hoek Abtswoudseweg- Zuideinde zoveel als mogelijk klimaatbestendig te maken. In het verlengde hiervan wordt met de ontwikkeling onder andere voorzien in: een groene daktuin op het parkeerdek met waterbergingsmogelijkheden; groene daken bij de daken die niet voorzien zijn van PV panelen; het verlengen van een noord - zuid gerichte informele groenstructuur aan de westzijde van het plangebied.

55

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

Afbeelding: groenstructuur en groene daktuin op parkeerdek met waterbergingsmogelijkheden (ingetekend op DO groene buitenruimte als opgenomen in Bijlage 1 Definitief ontwerp groene buitenruimte)

Afbeelding: overige daken die worden benut voor groene daktuinen (waaronder de set-backs op blok B en C) Teneinde een goede balans te vinden in de ambities om voldoende water vast te houden en dynamisch te bergen en daarnaast een daktuin te laten functioneren (voldoende water voor de beplanting rekening, houdend met verdamping) heeft de ontwikkelaar het rapport 'Waterberging Zuideinde Delft' laten vervaardigen. Dit rapport is als Bijlage 2 Waterberging Zuideinde Delft gevoegd bij de toelichting en ziet 56

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde met name op de waterbergende voorzieningen op de daken.

Om aan de ambitie voor dynamische waterberging van de gemeente te voldoen, wordt bovenop het parkeerdek een Polderdak met een Smart Flow Control systeem aangelegd. In onderstaande afbeelding is een dwarsdoorsede van het systeem verbeeld.

Afbeelding: voorbeeld opbouw Polderdak met beplanting

Het Polderdak kan ingezet worden om water te bergen bij hevige neerslag en om de daktuinen te bevloeien. Het Polderdak bestaat uit waterberging in zogenaamde retentiekratten en een slimme stuw die het waterpeil in de berging automatisch en op afstand kan regelen. Onder de kratten wordt een wortel- en waterwerende dakbedekking aangelegd met daarop een beschermdoek. Bovenop de kratten komt een filtervlies met daarboven ofwel het substraat met de beplanting ofwel een verhard deel zoals een pad, terras of zonnepanelen. De beplanting kan het water direct opnemen vanuit de waterberging, zonder gebruik van pompen. In het rapport worden voor de ontwikkeling de volgende uitgangspunten gehanteerd: Er wordt 400 mm hoogte gereserveerd voor de daktuin, waarvan 250 mm voor het substraat en 150 mm voor het krattensysteem. De gemiddelde substraathoogte over het gehele oppervlak is 260 mm (250 bij daktuin, 735mm bij bomen). Het effectieve waterbergingspercentage van het substraat is 20%, het verzadigd gewicht is 1500 kg/m3. Het dak van de parkeergarage wordt zonder afschot aangelegd. Voor de ambitie klimaat adaptatie van de gemeente Delft gaat het rapport er nog vanuit dat er 40 mm neerslag geborgen moet worden over het bebouwde oppervlak.

Inmiddels is in de oktober 2022 vastgestelde beleidsregel "Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkelingen en herstructurering" voorzien in een uitgangspunt waarin 70 mm neerslag wordt geborgen over het bebouwde oppervlak. Dit leidt tot aanvullende voorzieningen op maaiveld zonder aanpassing van het polderdaksysteem en zonder noodzaak tot aanpassing van de rapportage als opgenomen in Bijlage 2 nu deze rapportage ingaat op de voorzieningen die op daken worden getroffen. In onderstaande wordt hier nader op ingegaan. Het niet-bebouwde deel van het perceel bestaat uit een groenzone en open bestrating. We gaan er hier vanuit dat hier natuurlijke infiltratie plaatsvindt. In aanvulling op dit uitgangspunt in de rapportage wordt in onderstaande uiteengezet welke aanvullende voorzieningen zijn voorzien ter plaatse van het niet-bebouwde deel van het perceel vanuit het oogpunt van de beleidsregel "Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkelingen en herstructurering" Het totale oppervlak van het perceel bedraagt volgens het rapport zoals opgenomen in Bijlage 28043

57

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde m2. Bij nameting van het plangebied blijkt echter dat het plangebied 8377 m2 bedraagt. Overeenkomstig de watersleutel (welke in onderstaande wordt behandeld) komen de verhardingen (vanwege terreinverhardingen en gebouwen) in het plangebied neer op 7085 m2. Voor dit plan wordt, in lijn met de beleidsregel "Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkelingen en herstructurering", als uitgangspunt genomen dat een benodigde waterberging van 70 mm over een verhard oppervlakte van 7085 m2 wordt berekend (bij onderverharde gronden wordt rechtstreeks geïinfiltreert, waardoor voor onverharde gronden geen opgave geldt vanuit het beleidskader). Een en ander levert binnen het plangebied een benodigde waterberging op van 496 m3. De realisatie, instandhouding en effectief beschikbaar houden van deze waterbergende voorziening zijn in dit verband geborgd in de planregels. Om aan de doelstellingen te voldoen wordt voorzien in een krattensysteem van 150 mm in combinatie met substraat bovenop het parkeerdek over een oppervlakte van 2255 m2. Hiermee wordt een dynamische waterberging gerealiseerd van 371 m3, waarvan 71 m3 water (statisch) geborgen wordt in het substraat. De berging kan met slimme sturing ingezet worden voor de opvang van extreme neerslag en voor de waterbehoefte van de beplanting op het dak.

Voor een goede balans tussen regenwater en bevloeiing van de daktuin, worden de HWA’s van de daken van de woontorens B en D aangesloten op de waterberging. Zo is voldoende ruimte om water op te slaan voor bevloeiing van de daktuin in drogere periodes, rekening houdend met de verdamping. Zie hiervoor ook Bijlage 2 bij deze toelichting. Voor calamiteiten en perioden van droogte dient er een watertappunt geïnstalleerd te worden als terugvaloptie om de waterberging bij te kunnen vullen. De overige 125 m3 aan benodigde waterberging binnen het plangebied wordt voorzien op maaiveld binnen de in Bijlage 1 Definitief ontwerp groene buitenruimte geduide groene inrichting van het perceel. Er wordt in dit verband een wadi gerealiseerd binnen de niet beplante delen van het groene noord-zuidgerichte verlengde park binnen het plangebied waarbij sprake is van een bergend vermogen van 30 centimer water per m2 en een oppervlakte van de wadi van 420 m2. De wadi wordt hierbij gevoed vanuit een te realiseren leiding/ leidingen vanuit verharde delen binnen het plangebied. Indien het polderdaksysteem volloopt bij een hevige bui, wordt als overstort eerst de wadi benut voordat afvoer plaatsvindt naar het gescheiden rioolstelsel.

Op deze wijze kan worden voldaan aan de veriste opgave voor waterberging vanuit het oogpunt van de beleidsregel "Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkelingen en herstructurering".

Aansluiting op rioolstelsel

De beoogde woningen worden aangesloten op het gescheiden rioolstelsel dat zowel aan de Abtswoudseweg als aan het Zuideinde is gerealiseerd. De waterstromen kunnen hiermee gescheiden worden afgevoerd. Het hemelwater wordt in deze straten hierbij afgevoerd via een een drainage-transport riool (DT-riool). Ter voorkoming van onnodige afvoer van hemelwater en een onnodige belasting van het gescheiden rioolstelsel ter plaatse wordt daarnaast gebruik gemaakt van het eerder benoemde Polderdak-systeem en een wadi in het noord-zuidgerichte verlengde park, waardoor het mogelijk is om het hemelwater langer vast te houden. Om diffuse verontreinigingen van water en bodem te voorkomen, worden met de nieuwe bebouwing zoveel mogelijk duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast.

Beschouwing potentiële barrierewerking verdiepte parkeerkelder op verloop grondwaterstromen en grondwaterstand:

Berekende barriërewerking parkeerkelder:

58

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

In het geohydrologisch onderzoek dat als bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd, is berekend wat de mogelijke invloed van een verdiepte parkeerkelder kan zijn op de grondwaterstand op de projectlocatie en in de directe omgeving. De uitgangspunten voor de berekening zijn opgenomen in paragraaf 3.2 van het betreffende rapport. Uit de berekening vloeit voort dat aan het Zuideinde sprake is van een geringe opstuwing (maximaal 4 cm) en aan de westzijde sprake is van een berekende maximale daling van 14 cm ter plaatse van de beoogde groenstrook. Op grotere afstand wordt de grondwaterstand minder sterk beïnvloed en is de verlaging en opstuwing kleiner. Onderstaande afbeelding geeft hier een meer duidelijk beeld van.

Afbeelding: Veranderingen van de grondwaterstand in m als gevolg van aanleg kelder zonder beheersmaatregelen (bron: geohydrologisch onderzoek als bedoeld in bijlage 5)

Aanbevelingen treffen beheersmaatregelen vanuit geohydrologische rapportage: In het rapport worden ten aanzien van de barrierewerking van de parkeerkelder in dit verband de volgende conclusies getrokken. De toekomstige kelder doorsnijdt de bovenste watervoerende zandlaag volledig. De grondwaterstroming is gering en de ontwateringsdiepte is minimaal 0,4 tot 0,8 m. Als gevolg van de aanleg van de kelder zal een beperkte opstuwing ontstaan en wordt de ontwatering nog kleiner. Voor primaire wegen is een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m gewenst. Om belemmeringen ten aanzien van de ontwatering en grondwaterstroming te voorkomen en de veranderingen in de grondwaterstand te beperken, dienen beheersmaatregelen te worden getroffen. De voorgestelde beheersmaatregelen zijn beschreven in paragraaf 3.3 van het rapport en de werking van de beheersmaatregelen zijn hierbij berekend en gevisualiseerd. 59

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

Als beheersmaatregel wordt in dit verband voorgesteld om de ruimte tussen de tijdelijke damwanden (die worden gepositioneerd aan alle zijden met uitzondering van de zijde aan het zuideinde waar sprake is van een permanente damwand) en de nieuw aan te leggen kelders aan te vullen met goed doorlatend zand (maximaal 10% en een korrelgrootte < 63 µm). Dit zandpakket dient vanaf maaiveld tot NAP -2 m te worden aangebracht. In de berekeningen is uitgegaan van een strook van 1 m breed met een doorlatendheid van 15 m2/dag rondom de kelder, behalve aan Zuideinde in verband met een permanente damwand. De invloed van de hierboven beschreven beheersmaatregel is visueel weergegeven in onderstaande afbeelding. Als gevolg van de beheersmaatregel is de opstuwing maximaal 3 cm en de verlaging van de grondwatertand maximaal 4 cm. Opgemerkt wordt dat in de berekeningen niet is uitgegaan van een DT-riool aan de Zuideinde en Abtswoudseweg die de resterende effecten na het treffen van de beheersmaatregelen nog verder kunnen verzachten . Met name de drainage aan de Zuideinde zal de beperkte verhoging van de grondwaterstand van maximaal 3 centimeter (resterend effect na het treffen van de beheersmaatregelen) kunnen compenseren.

Afbeelding: Veranderingen van de grondwaterstand in m als gevolg van aanleg kelder na het treffen van beheersmaatregelen en zonder rekening te houden met de gunstige effecten van het aanwezige Drainage-Transport riool (bron: geohydrologisch onderzoek als bedoeld in bijlage 5) Keuze ontwikkelaar aanbrengen aanvullend goed doorlatend zandpakket aan Zuideinde: Op basis van het geohydrologisch onderzoek is er vanwege de plaatsing van een permanente damwand aan het Zuideinde geen sprake van een noodzaak tot het aanbrengen van een aanvullend goed doorlatend zandpakket aan deze zijde. De ontwikkelaar heeft ervoor gekozen toch een dergelijk zandpakket aan te brengen met een diepte van 1 meter, rekening houdend met het profiel van de dijk, nu dit positief kan bijdragen aan de geleiding van het grondwater. In onderstaande wordt onder het kopje 60

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde 'Waterkering, beschermingszone en vergunningplicht' dit nader geduid en verbeeld.

Interpretatie door gemeente Delft van aanbevelingen uit het geohydrologisch onderzoek: Het is noodzakelijk om de aanbevelingen uit het geohydrologisch onderzoek op te volgen om effecten vanwege veranderingen in de grondwaterstand ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving van het plangebied te voorkomen. Initiatiefnemer heeft aangegeven het treffen van de beheersmaatregelen, als bedoeld in paragraaf 3.3. van het geohydrologisch onderzoek in bijlage 5, als uitgangspunt mee te nemen bij de realisatie. Teneinde deze maatregelen ook te borgen is in de planregels voorzien in de verplichting om betreffende beheersmaatregelen te treffen en deze in stand te houden. Hierbij is uitgegaan van borging van de maatregelen,als bedoeld in paragraaf 3.3. van het geohydrologisch onderzoek in bijlage 5, die noodzakelijk zijn en niet van de borging van een aanvullend goed doorlatend zandpakket aan het Zuideinde, nu deze laatstgenoemde maatregel enkel positief bijdraagt.

Waterkering, beschermingszone en vergunningplicht

Het Hoogheemraadschap van Delfland bepaalt op welke wijze het bouwplan gerealiseerd kan worden, zonder de waterkerende functie van het waterstaatswerk van de regionale waterkering van de Schie nadelig te beïnvloeden. Het Hoogheemraadschap beoordeelt daartoe de aanvraag om een watervergunning aan de hand van de beleidsregel Medegebruik Regionale Waterkeringen. De procedure omtrent de betreffende watervergunning doorloopt een separaat traject. Vanuit het oogpunt van het bouwplan kan, in het perspectief van de beleidsregel Medegebruik Regionale Waterkeringen, vanuit de zijde van initiatiefnemer worden vastgesteld dat de aanleg van de parkeerkelder plaatsvindt boven het beoordelingsprofiel en de bouwafstand op voldoende afstand is gelegen uit de binnentaludlijn van de waterkering. Daarnaast wordt met het aanvullend goed doorlatend zandpakket (dat tegen de permanente damwand wordt gelegd aan het Zuideinde) op voldoende afstand (tenminste 30 cm) gepositioneerd van de binnentaludlijn van de kering. In onderstaande tekening is het bouwplan, de permanente damwand en zandpakket aan de zijde van het Zuideinde in perspectief gezet met de kering, taludlijnen en beschermingszone.

61

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

Op grond hiervan en de afstemming met het Hoogheemraadschap worden geen belemmeringen verwacht voor wat betreft de vergunningverlening. De aanvraag om de watervergunning is momenteel in voorbereiding.

Watersleutel HHD Voor de ontwikkeling is de watersleutel van het Hoogheemraadschap Delfland ingevuld, welke als Bijlage 3 Watersleutel HHD is gevoegd bij deze toelichting. In deze watersleutel bestaat het verhard oppervlak in de toekomstige situatie uit het totale oppervlak aan bouwvlakken (5793 m2) en 50% van de onbebouwde gronden (0,5 * 2584 m2). Van de onbebouwde gronden is 50% als verharding gerekend, omdat ondanks het groene karakter ook sprake zal zijn van paden en andere vormen van (half)verharding. In totaal is daarmee sprake van (5793 m2 + 1292 m2 =) 7.085 m2 verharding. De rest van het plangebied (1.292 m2) kan worden gezien als onverhard. Daardoor is sprake van vergroening, waarbij het hemelwater op de onbebouwde delen direct kan infiltreren in de bodem. Het treffen van compenserende maatregelen is op grond van de watersleutel, vanuit het belang van het Hoogheemraadschap Delfland bezien, niet aan de orde. Desondanks wordt vanuit het gemeentelijke belang, zoals verwoord in de beleidsregel "Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkelingen en herstructurering", voorzien in een Polderdak-systeem en een wadi in het noord-zuidgerichte verlengde park, voor de waterberging en een klimaatbestendige binnenstedelijke oplossing. Een en ander zoals in bovenstaande beschreven en voorzien van een borging in de planregels.

Overleg over de ontwikkeling met de waterbeheerder(s) De gemeente Delft werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. De waterbeheerder is hierbij betrokken. Delfland heeft aangegeven dat het positief vindt, dat de ontwikkeling onder andere door 62

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde middel van waterberging op de daktuinen aan klimaatadaptatie bijdraagt. Hoewel de ontwikkeling aan het door Delfland gehanteerde standstill-beginsel voldoet, zijn de extra maatregelen een waardevolle bijdrage aan een duurzame leefomgeving.

4.1.3

Conclusie

De locatie Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde is in de huidige situatie volledig verhard. Al het regenwater wordt momenteel afgevoerd via het gemengde rioolstelsel. Met de ontwikkeling van Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde is sprake van een duidelijke afname van de verharde oppervlakte en wordt invulling gegeven aan een klimaatbestendige ontwikkeling door een flinke toename van waterberging en infiltratiemogelijkheden. Binnen de beschermingszone van de regionale waterkering van de Schie wordt voldaan aan de beleidsregel Medegebruik Regionale Waterkeringen door de kelder te plaatsen bovenop het beoordelingsprofiel en op voldoende afstand van de taludlijn van de waterkering. Dit geldt eveneens voor het aanbrengen van het goed doorlatend zandpakket aan de zijde van het Zuideinde. Effecten vanwege veranderingen in de grondwaterstand ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving worden voorkomen door het treffen van beheersmaatregelen. Voor zowel de waterberging als voor de noodzakelijke beheersmaatregelen geldt dat deze geborgd zijn in de planregels.

4.2

Ecologie

De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortenbescherming.

Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale verordeningen).

Beschouwing effecten N2000 gebieden: Uit een uitgevoerd verkennend ecologisch onderzoek, zoals opgenomen als Bijlage 6 Verkennend ecologisch onderzoek bij deze toelichting, blijkt dat het plangebied op ruime afstand (meer dan 12 kilometer) van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ligt. Door deze afstand zijn de meeste effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Emissie van stikstof kan echter ook op grotere afstand een aandachtspunt zijn. Uit een uitgevoerd stikstofdepositieonderzoek, zoals opgenomen als Bijlage 9 Stikstofdepositieonderzoek bij deze toelichting, blijkt dat het beoogde bouwplan zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase geen significante gevolgen heeft op kwalificerende natuurwaarden. De bijbehorende stikstofberekeningen gaan hierbij uit van een worstcase invulling van het planvoornemen welke in praktijk neerkomt op een overschatting van de effecten. Voor de bij het onderzoek gehanteerde uitgangspunten wordt verwezen naar pagina 4 tot en met 7 uit betreffende rapportage. Als conclusie uit het stikstofdepositieonderzoek komt voort dat de effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

Beschouwing effecten Natuurnetwerk Nederland:

63

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

De dichtstbijzijnde gebieden die binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) liggen betreffen (veen)weidegebieden, inclusief belangrijke weidvogelgebieden, buiten de bebouwde kom van Delft op ruim 2 km afstand van het plangebied. Door de relatief grote afstand en de ligging in de bebouwde kom, zijn effecten op beschermde gebieden op voorhand uit te sluiten. Zie hiervoor ook Bijlage 6 Verkennend ecologisch onderzoek. Soortenbescherming Ook het aspect 'soortenbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Uit het eerder aangehaalde verkennend ecologisch onderzoek, blijkt dat in het projectgebied de volgende beschermde diersoorten verwacht worden c.q. aanwezig zijn: vleermuizen; vogels. Hieronder wordt nader op deze diersoorten ingegaan. In het projectgebied worden vanwege het ontbreken van een geschikt leefgebied andere diersoorten niet verwacht.

Vleermuizen In de omgeving van het projectgebied zijn diverse soorten vleermuizen waargenomen, waaronder de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en de laatvlieger. De meeste soorten zijn in meer of mindere mate gebouw bewonend; de watervleermuis is echter een uitgesproken boom bewonende soort. In het projectgebied zijn geen bomen aangetroffen met voor vleermuizen geschikten holten. De aanwezige bebouwing is deels wel beoordeeld als toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. Het betreft pannendaken met voor vleermuizen toegankelijke kantpannen, gevels met open stootvoegen en diverse kleinere openingen en kieren. Binnen de context van het plangebied en op basis van het type geschikte openingen, worden in eerste instantie de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger verwacht. De bebouwing kan functie hebben als kraam-, zomer-, paar- en theoretisch gezien als winterverblijf (spouwmuren). Vandaar dat een aanvullend onderzoek naar soorten heeft plaatsgevonden, zoals bedoeld in Bijlage 7 Nader natuuronderzoek soorten. Hieruit blijkt, dat in het plangebied géén verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Het projectgebied heeft als foerageergebied op voorhand weinig tot een beperkte betekenis door het ontbreken van opgaande groenelementen.

Tussen / rond de bebouwing kunnen dieren jagend worden verwacht, echter zullen aantallen niet groot zijn, mede door de betere foerageermogelijkheden in de omgeving. Dit blijkt ook uit het aanvullend onderzoek; tijdens de veldbezoeken zijn slechts sporadisch enkele foeragerende vleermuizen in de omgeving van het plangebied waargenomen. Het plangebied kan derhalve niet aangemerkt worden als een essentieel foerageergebied. De Delftse Schie ten oosten van het projectgebied heeft, indien voldoende donker, potentieel functie als vliegroute

64

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde voor vleermuizen. Omdat de ingrepen beperkt zijn tot het plangebied zelf, zijn geen effecten te verwachten op deze functie. Negatieve effecten op de navigeer- en foerageermogelijkheden van vleermuizen zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Vogels In het plangebied werden tijdens het veldbezoek geen vogels aangetroffen. Door het ontbreken van opgaand groen, waren potenties ook beperkt. Het hoekpand met het pannendak heeft potentie voor holenbroeders als de spreeuw. Soorten als de zanglijster en de merel kunnen op de meest uiteenlopende plekken broeden, ook onder overkappingen en dergelijke. Nesten werden voor zover dat zichtbaar was niet aangetroffen. Door met de werkzaamheden rekening te houden met de broedperiode worden effecten eenvoudig voorkomen. Sporen van roofvogels en uilen werden niet aangetroffen. De aanwezigheid van nesten van uilen en roofvogels kan redelijkerwijs worden uitgesloten. De te slopen bebouwing is gedeeltelijk beoordeeld als potentieel geschikt voor de huismus en de gierzwaluw. Vandaar dat ook deze vogelsoorten in het eerder aangehaalde nadere onderzoek zijn betrokken. Hieruit blijkt, dat in het plangebied geen huismussen zijn aangetroffen. Wel is in de directe nabijheid van het plangebied een populatie van 20 à 30 dieren aangetroffen.

Deze dieren toonden echter geen enkele belangstelling voor het plangebied, ook niet als foerageergebied. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen invloed op de aanwezige huismussen. Ook voor de gierzwaluw geldt, dat in het plangebied geen nestlocaties zijn aangetroffen. Wel is in de omgeving van het plangebied een groot aantal gierzwaluwen waargenomen, zowel op grotere hoogte als 'gierend' nabij bebouwing. Zo is ten zuiden van het plangebied één invliegende gierzwaluw aangetroffen. De beoogde ontwikkeling heeft echter geen nadelige invloed op deze dieren en eventuele nestlocaties buiten het plangebied.

Actualisatie ecologische onderzoeken December 2021 In Bijlage 8 Actualisatie ecologische onderzoeken bij de toelichting is een rapportage vervat waarin de ecologische onderzoeken zoals opgenomen in Bijlage 6 en Bijlage 7 zijn geactualiseerd. Middels het seizoensbrede onderzoek is een goed beeld ontstaan over de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van de huismus, de gierzwaluw en vleermuizen. Nesten van de huismus en de zwaluw zijn niet aangetroffen in het plangebied zelf. Voor beide soorten heeft het plangebied geen functie. In de omgeving zijn twee territoria aanwezig van een solitaire gewone dwergvleermuis (mannetjes). Effecten van de ingrepen zijn in principe niet aan de orde. Tijdens de bouw dient men echter vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen door deze te beperken tot de bouwplaats zelf. Het advies uit de quickscan (zorgplichtmaatregelen) inzake vogels algemeen en de tongvaren (thans geen Wnb beschermde plantensoort meer) blijft van toepassing op de ingrepen. Conclusie Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn géén negatieve effecten op strikt beschermde soorten te verwachten. Wel is het noodzakelijk om bij de geplande werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van algemeen voorkomende vogelsoorten.

Daarnaast staat in het plangebied een oudere muur waarop circa 25 exemplaren van de Tongvaren is aangetroffen. Ondanks dat deze plantensoort geen bescherming geniet op grond van de Wet natuurbescherming en het wegnemen op voorhand geen negatief effect heeft op de gunstige staat van instandhouding, verdient het de aanbeveling om de betreffende muurdelen te behouden dan wel te verplaatsen. Hiermee wordt ook tegemoet gekomen aan de gemeentelijke beleidsregel omtrent muurplanten. Inmiddels is het verplaatsen van de tongvaren geintegreerd in de te nemen natuurinclusieve maatregelen, waarvoor wordt verwezen naar Bijlage 4 Natuurinclusieve maatregelen bij de regels. De realisatie en instandhouding van de natuurinclusieve maatregelen zijn geborgd in de planregels. De Wet natuurbescherming staat hiermee niet in de weg aan

65

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde de realisatie van de beoogde ontwikkeling.

4.3

Bodem

Het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en ernst van bodemverontreiniging wordt gevormd door de Wet bodembescherming (Wbb). Op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater wordt bepaald of, conform de Wbb, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico's voor mens en ecosystemen vervolgens onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Als een sanering spoedeisend is, dient hiermee binnen vier jaar aangevangen te worden. Wanneer geen sprake is van een spoedeisende sanering, kan deze worden uitgesteld totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Ter plaatse van een deel van plangebied is een bodemonderzoek 'Verkennend en aanvullend (asbest)onderzoek Zuideinde – Abtswoudseweg (terreindeel Broos/Flier) Delft' met kenmerk '18-2318-R01JV' en rapportdatum 7 maart 2019 uitgevoerd, welke als Bijlage 10 Bodemonderzoek bij deze toelichting is gevoegd. Dit bodemonderzoek bestaat uit: Vooronderzoek conform NEN 5725 Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 Aanvullend bodemonderzoek (maatwerk) Verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707 De in voornoemd rapport beschreven onderzoeken hebben enkel betrekking op de binnen het plangebied gelegen terreindelen van Broos en Flier.

Voor de binnen het plangebied gelegen terreindelen van Bo-rent en KwikFit is een nader indicatief verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, welke is vervat in de 'Notitie ontwikkeling Zuideinde – Abtswoudseweg te Delft' d.d. 24 juni 2020 met kenmerk '20-6015-B200631'. Deze notitie met bijlagen is opgenomen als Bijlage 11 Nader indicatief verkennend bodemonderzoek bij deze toelichting.

Verkennend en aanvullend (asbest)onderzoek Zuideinde – Abtswoudseweg (terreindeel Broos/Flier) Delft'

Uit het vooronderzoek blijkt dat op de onderzoekslocatie in het algemeen rekening gehouden dient te worden met licht verhoogde gehalten aan voornamelijk zware metalen en PAK. Plaatselijk zijn nog enkele aandachtspunten aanwezig. Het onderzoek is dan ook uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een 'diffuus belaste, niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging'. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden in oktober 2018, waarbij in het onderzoeksgebied in totaal 36 boringen zijn verricht. De diepte varieert van 1,0 tot circa 3,2 meter beneden maaiveld (m-mv). Drie boringen zijn afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van de bemonstering van het grondwater. Ten behoeve van aanvullend onderzoek zijn in januari 2019 in het onderzoeksgebied nog eens 37 boringen gezet, met een diepte tussen 1,5 en 2,7 m-mv. Ook hiervan zijn drie boringen afgewerkt met een peilbuis. Uit de analyseresultaten blijkt, dat in het onderzoeksgebied sprake is van diverse verontreinigingen. Naast diverse lichte verontreinigingen is ook sprake van enkele matige tot sterke verontreinigingen. Zo is op enkele plekken over een oppervlakte van circa 2.400 m2 sprake van een matige tot sterke verontreiniging met zware metalen olie. Deze verontreinigingen hebben een gezamenlijke omvang van circa 1.350 m3. Ook is een asbestverontreiniging aangetroffen, waarbij de interventiewaarde wordt

66

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde overschreden. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en naftaleen. De verhoogde concentratie barium wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie. De verhoogde concentratie naftaleen wordt, mede gezien de resultaten van het grondwater op het voorterrein, toegeschreven aan de voormalige bedrijfsactiviteiten op het terrein. Daarnaast is in het grondwater sprake van een sterke verontreiniging met minerale olie. Omdat de matige verontreiniging met zware metalen op het noordoostelijke terrein van Broos (het terreindeel dat ontsloten wordt vanaf het Zuideinde) en de sterke verontreiniging met minerale olie in het grondwater op datzelfde terreindeel nog niet zijn afgeperkt, is nader onderzoek noodzakelijk om de omvang ervan vast te stellen. Dit met name met het oog op het totale volume te saneren grond (grondbalans tijdens de uitvoering van de herinrichting) en eventueel te treffen aanvullende maatregelen bij de onttrekking van grondwater ten behoeve van de nieuwbouw. Daarnaast dienen ook de overige nog niet onderzochte delen van het plangebied aan een bodemonderzoek onderworpen moeten worden.

Dit aanvullende bodemonderzoek wordt uitgevoerd op moment dat de herinrichting van het terrein voorzien is. De uitkomsten van dat bodemonderzoek, dat separaat wordt gerapporteerd, worden zo nodig opgenomen in het op te stellen saneringsplan of BUS-melding, waarmee het voornemen tot saneren gemeld dient te worden bij het bevoegd gezag. De uitvoering van de bodemsanering kan op eenvoudige wijze gecombineerd worden met de reeds geplande graafwerkzaamheden voor de nieuwbouw. Het bevoegd gezag dient vooraf haar goedkeuring te geven over de in het saneringsplan of BUS-melding beschreven saneringswijze.

Teneinde in het kader van de bestemmingsplanprocedure al een completer beeld te krijgen van de aard en omvang van de bodemsanering ( en hiermee de haalbaarheid van het bereiken van een toereikende bodemkwaliteit voor de functie wonen) is vanuit de gemeente Delft verzocht om de niet onderzochte delen van het plangebied (percelen van Bo-rent en Kwik-fit) welke thans vanwege de bestaande bedrijvigheid nog niet volledig kunnen worden onderzocht al nader te beschouwen met een nader indicatief verkennend bodemonderzoek. In onderstaande wordt hier nader op ingegaan.

Nader indicatief verkennend bodemonderzoek (terreindelen van Bo-rent en KwikFit) Op basis van de uitkomsten van het verrichte bodemonderzoek, zoals opgenomen in Bijlage 11 Nader indicatief verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er, ten aanzien van de bodemkwaliteit ter plaatse van de panden van BoRent en KwikFit, geen noemenswaardige belemmeringen zijn te verwachten met het oog op de beoogde nieuwbouw, niet anders dan de belemmeringen die reeds bekend zijn vanuit het eerdere bodemonderzoek van 2018/2019. Omdat er geen inpandig onderzoek verricht is, specifiek gericht op de in de panden verrichte bedrijfsactiviteiten, kan een lokaal aanwezige verontreiniging onder de betonvloeren van de panden uiteraard niet worden uitgesloten. Voor zover nu bekend lijkt alleen de grond binnen de planlocatie sterk verontreinigd te zijn, waarbij zware metalen en plaatselijk ook asbest de verontreinigende parameters zijn. Voor deze zogenoemde ‘immobiele’ verontreinigingen geldt dat die bij nieuwbouwplannen in principe niet tot een risico c.q. belemmering voor de beoogde nieuwbouw hoeven te leiden. Het grootste risico bij dit soort verontreinigingen is dat ze vaak heterogeen voorkomen in de grond, waardoor op voorhand niet altijd een duidelijke verontreinigingscontour is aan te geven en daardoor ook niet altijd een goede indicatie van te verwachten saneringskosten kan worden gegeven.

De aanpak van de op de locatie aanwezige ‘immobiele’ verontreinigingen valt goed te combineren met de nieuwbouwplannen ter plaatse (‘werk met werk maken’). De verontreinigingen kunnen waar nodig worden afgedekt door bijvoorbeeld de vloeren van de half verdiepte parkeerkelders of door aaneengesloten verhardingen op het maaiveld. Waar het terrein ingericht wordt als tuin of waar direct contact met de onverharde bodem plaats kan

67

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde vinden, dient in ieder geval de leeflaag (bovenste meter van de grond) geschikt te worden gemaakt voor het beoogde doel. Gezien de huidige bouwplannen zal dat vooral een ontgraving van de verontreinigde grond op het centrale terrein tussen de vier woontorens c.q. appartementencomplexen betekenen, gevolgd door het aanbrengen van schone grond (klasse Wonen of beter). Dit type verontreiniging in de grond zal naar verwachting dus vooral resulteren in hogere verwerkingskosten van af te voeren grond en aanvullende kosten voor de inzet van een erkend saneringsaannemer en een onafhankelijke milieukundige begeleiding van de sanering.

Doordat de grond en het ondiepe en diepe(re) grondwater direct rondom en tussen de panden van BoRent en KwikFit niet verontreinigd zijn met vluchtige aromaten en VOCl en het grondwater ten hoogste licht verontreinigd is met minerale olie, is het niet aannemelijk dat een eventueel lokaal aanwezige ‘mobiele’ verontreiniging in de grond of in het grondwater een dusdanig grote omvang heeft dat die leidt tot bijvoorbeeld: een saneringsurgentie (waardoor sanering van de aanwezige verontreinigingen eerder dan gepland moet worden uitgevoerd); onaanvaardbare humane risico’s (waardoor sprake is van een saneringsurgentie of waardoor aanvullende maatregelen genomen moeten worden, zoals een actieve afzuiging in de parkeerkelder of kruipruimte); een in situ sanering (waarbij een omvangrijke grondverontreiniging verwijderd of beheerst moet worden). Conclusie: Resumerend concluderen wij dat er als gevolg van (onder andere) de bedrijfsactiviteiten van BoRent en KwikFit geen onaanvaardbare risico’s door vluchtige verontreinigingen zijn te verwachten en dat het thans bekende verontreinigingsbeeld op zowel het terrein van Broos en Flier (uitgebreid onderzocht) als op het terrein van BoRent en KwikFit (meer indicatief onderzocht) geen belemmering hoeft te zijn voor de beoogde nieuwbouw en de daarvoor te wijzigen bestemming van de locatie.

Voor het uitvoeren van de benodigde saneringsmaatregelen zijn bij de ontwikkelaar vanuit het oogpunt van de grondexploitatie financiële middelen beschikbaar. Het aspect 'bodem' vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4

Milieuzonering bedrijven

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming (VNG, 2009). De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. Daarnaast is milieuzonering gericht op nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Met de handreiking kan worden bepaald wat de gewenste richtafstand is tussen de woningbouwlocatie en de bedrijven in de omgeving. Dit kan oplopen tot de maximale richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 6 en die bedraagt 1.500 meter tot omgevingstype rustige woonwijk. De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als een 'gemengd gebied', ondermeer vanwege de menging van bedrijven en woonfuncties in de nabijheid van het plangebied. Hierdoor mag de richtafstand met één trede worden verminderd.

Ter illustratie: een richtafstand van 30 meter in een rustige woonomgeving betekent bij een gemengd gebied in beginsel een richtafstand van 10 meter.

68

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

Uit onderstaande tabel en afbeelding blijkt, dat in de omgeving van het plangebied diverse hinderveroorzakende activiteiten plaats kunnen vinden. Het gaat hierbij om activiteiten in de volgende milieucategorieën en vermelde richt- en feitelijke afstanden. De beschouwing van de feitelijke afstanden zijn hierbij 'worst case', wat wil zeggen dat steeds is gemeten vanaf de rand van de planlocatie. Oftewel: de analyse gaat ervan uit dat woningen overal binnen de planlocatie gerealiseerd zouden kunnen worden. Dat is praktijk niet het geval gelet op de bestemmingen 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Groen' binnen het plangebied, waarvoor wordt verwezen naar de in onderstaande opgenomen afbeelding met een uitsnede van de verbeelding van het plangebied.

Locatie

Toegestane milieucategorie

Richtafstand Richtafstand Feitelijke rustige gemengd afstand tot woonomgeving gebied plangebied

A

Max. categorie 2

30 meter

10 meter

65 meter

B

Max. categorie 2

30 meter

10 meter

33 meter

C

Max. categorie 2

30 meter

10 meter

34 meter

D

Max. categorie 3.2

100 meter

50 meter

108 meter

E

Max. categorie 2

30 meter

10 meter

48 meter

Tabel: toegestane milieucategorieën van bedrijfsactiviteiten op locaties als vermeld op onderstaande afbeelding. Aan de richtafstanden voor een gemengd gebied, zoals hier aan de orde, kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de geldende richtafstanden.

Afbeelding: toegestane bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied (rood omkaderd). De letteraanduidingen corresponderen hierbij met de bovenstaande tabel met toegestane milieucategorieën

69

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde van bedrijfsactiviteiten. Letteraanduiding F komt hierin niet voor, dit betreft een woongebied.

Afbeelding: uitsnede verbeelding bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg Zuideinde

Conclusie: Op basis van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat de aanwezige bedrijfsactiviteiten door de beoogde ontwikkeling niet worden belemmerd. Daarnaast geldt, dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.5

Verkeer en parkeren

Ten behoeve van het plan is een verkeerskundige analyse uitgevoerd, welke als Bijlage 12 Verkeerskundige analyse is gevoegd bij deze toelichting. Daarbij is zowel gekeken naar de verkeersafwikkeling als naar het parkeren.

Parkeren van auto's: In het plan is een parkeerkelder opgenomen waarin 124 parkeerplaatsen voor personenauto's zijn voorzien. Deze parkeerplaatsen zijn uitsluitend bedoeld voor de nieuwe bewoners. Voor bezoekers (en bewoners) wordt op maaiveld voorzien in ten minste 24 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarmee wordt voorzien in 148 parkeerplaatsen voor 120 woningen. Uit de berekeningen volgt dat het plan op basis van de gemeentelijke parkeernorm een basis parkeerbehoefte heeft van 148 parkeerplaatsen (zie onderstaande afbeelding). Dit aantal is inclusief het aandeel bezoekersparkeren. Uit de verschillende berekeningen volgt dat het plan op basis van de gemeentelijke parkeernorm (voor het gebied 'schil binnenstad'), een netto parkeerbehoefte heeft van 132 parkeerplaatsen. De werkdag avond is hierbij het maatgevende moment van de week. Daarnaast geldt, dat de te realiseren parkeerplaatsen alleen voor bewoners en bezoekers toegankelijk zijn. Omdat binnen het plangebied tenminste 148 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, is sprake van een sluitende parkeerbalans en

70

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde voldoet het plan aan het parkeerbeleid van de gemeente Delft.

Afbeelding : Berekening normatieve parkeerbehoefte (Bron: BuroDB).

Parkeren van fietsen: Ten aanzien van het fietsparkeren en het stallen van scootmobielen is het uitgangspunt dat dit wordt opgelost binnen het plan(gebied) en dat zal worden voldaan aan de eisen die daaraan zijn gesteld in het Bouwbesluit 2012. Daartoe wordt iedere woning voorzien van stallings- en bergingsvoorzieningen van voldoende omvang. De ontsluiting van het fietsverkeer vindt plaats via de fietsroutes van de Abtswoudseweg en het Zuideinde. Tweezijdige ontsluiting en verkeersruimte binnen plangebied: Na meerdere participatieavonden met omwonenden en andere belanghebbenden is ervoor gekozen om het plan op twee manieren te ontsluiten. De eerste ontsluiting bevindt zich aan de westzijde en leidt via de Laan van Braat. De tweede ontsluiting bevindt zich aan de oostzijde en sluit aan op het Zuideinde. Voor beide ontsluitingen geldt, dat deze in twee richtingen te berijden zijn. Hierbij wordt wel opgemerkt, dat de ontsluiting op het Zuideinde een smaller profiel heeft. Op basis van de voor deze aansluiting uitgevoerde verkeerstechnische analyse zal ter plaatse van de doorgang worden voorzien in signalering met verkeerslichten. Deze verkeerslichten regelen het inrijdend en uitrijdend verkeer van en naar het Zuideinde. Voorzien zal worden in voldoende opstelruimte voor een voertuig vanaf het Zuideinde dat in incidentele gevallen moet wachten op van het plan uitrijdend verkeer.

De doorgang van het overige verkeer op het Zuideinde wordt daarmee niet gefrustreerd. De verkeersruimte binnen de planlocatie is voldoende ruim om verkeer in beide richtingen te kunnen afwikkelen en te laten manoeuvreren. De planlocatie is goed bereikbaar voor hulpdiensten en in het plangebied is voorzien in een opstelplaats voor afvalcontainers. Deze opstelplaats is benaderbaar via de Laan van Braat. Voor een goede afwikkeling van het bestemmingsvrachtverkeer is in dit verband binnen het plangebied voorzien in een keermogelijkheid ter plaatse van de groenstrook aan de westzijde van het plangebied. Afwikkeling verkeer op omliggende wegennet: Bij de uitgevoerde verkeerskundige analyse is uitgegaan van een worst case-benadering (overschatting van effecten) om met zekerheid het adequaat en veilig gebruik van het wegennet te kunnen bepalen. Daarbij is voor beide ontsluitingsmogelijkheden uitgegaan van gebruik door 100 procent van het plangebonden verkeer. Laan van Braat: Als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe woningen zal de verkeersintensiteit op de Laan van Braat bij 100 procent van het plangebonden verkeer (overschatting op basis van uitgangspunt 100% koopappartementen) maximaal toenemen van 140 naar circa 890 motorvoertuigen per etmaal.

De breedte van de weg is circa 5 meter en de theoretische capaciteit van deze erftoegangsweg/woonstraat (binnen de bebouwde kom) ligt rond de 3.000 motorvoertuigen per etmaal. De verkeerscapaciteit van de weg is hiermee ruim voldoende om deze (overschatting van te verwachten) hoeveelheid verkeer goed en veilig te kunnen verwerken. Abtswoudseweg Zuideinde:

71

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

Ten opzichte van de autonome situatie neemt de verkeersintensiteit op de Abtswoudseweg en het Zuideinde maximaal toe tot 1.030 respectievelijk 1.230 motorvoertuigen per etmaal, bij 100 procent van het plangebonden verkeer (overschatting). Voor zuideinde geldt hierbij bij 100 procent van het plangebonden verkeer op basis van 100% koopappartementen (overschatting) maximaal 1350 motorvoertuigen per etmaal. Beiden straten zijn hierbij aan te merken als fietsstraten met een gemengd profiel. Volgens het CROW geldt voor fietsstraten met een gemengd profiel en bij een fietsintensiteit van meer dan 1.000 fietsers per etmaal, de intensiteit aan autoverkeer maximaal 2.500 motorvoertuigen per etmaal mag zijn. Aan deze richtlijn wordt voldaan. De toekomstige verkeerssituatie (in de worst case-situatie) is daarmee acceptabel. De capaciteit van de wegen is ruim voldoende om het verkeer (auto en fiets) op een vlotte en veilige manier af te wikkelen. Verdere verspreiding en afwikkeling verkeer op het wegennet: Vanaf de planlocatie (Laan van Braat en het Zuideinde) verspreidt het aan het plan verbonden verkeer over het wegennet van Delft via de Engelsestraat, de Nieuwe Gracht en de Schieweg. Deze wegen zijn door de gemeente Delft aangegeven (en aangelegd) voor het verwerken van grotere hoeveelheden verkeer. De relatieve verkeerstoename op deze wegen door het plan is zeer gering en aanvaardbaar.

Kruispuntberekeningen omliggend wegennet: In het kader van het bestemmingsplan 'Nieuw Delft, zuidelijke velden', zijn kruispuntberekeningen uitgevoerd met het programma OMNI-X. Daarbij zijn de wachttijd en de doorstroming op het kruispunt Engelsestraat/Abtswoudseweg bepaald. Uit de berekening (inclusief het autoverkeer van veld 5, ontwikkeling Zuideinde en Haring) blijkt dat de gemiddelde wachttijd voor auto's vijf seconden bedraagt.De verhouding tussen de intensiteit van het kruispunt en de capaciteit van het kruispunt (I/C verhouding) is 0,21. Tot een I/C verhouding van 0,7 is er niet of nauwelijks sprake van congestie. Uit de berekening blijkt dat zich in de toekomst geen problemen zullen voordoen ten aanzien van de oversteekbaarheid van het fietspad door motorvoertuigen. De ontsluiting geeft een voldoende overzichtelijke en verkeersveilige verkeerssituatie. Voor het kruispunt van de Abtswoudseweg-Zuideinde is een globale kruispuntberekening uitgevoerd met behulp van Omni-X. Voor het maatgevende spitsuur, uitgaande van de theoretisch maximale verkeersdruk op de wegen en rekening houdend met een grote stroom fietsverkeer (van ruim 1.100 fietsers per uur), zijn de verwachte I/C-verhouding en maximale wachttijden per rijrichting bepaald.

Figuur: Resultaat kruispuntberekening Abtswoudseweg-Zuideinde voor theoretisch maximale plansituatie Uit de berekening volgt dat de I/C-ratio van het kruispunt maximaal 0,06 bedraagt en de gemiddelde wachttijd (op tak 2, het zuidelijke deel van het Zuideinde) 4 seconden is. Daarmee kan worden gesteld dat het kruispunt het verkeer goed kan afwikkelen. Uit de berekening blijkt dat zich in de toekomst geen problemen zullen voordoen ten aanzien van de oversteekbaarheid van de fietsstraten door motorvoertuigen. Het kruispunt is overzichtelijk voor alle weggebruikers en daarmee is sprake van een voldoende verkeersveilige verkeerssituatie. Conclusie verkeersafwikkeling:

72

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

Geconcludeerd kan worden dat vanuit verkeerskundig oogpunt de verkeerssituatie op de wegen rondom de planlocatie, na realisatie van het plan 'Zuideinde-Delft', acceptabel is. Knelpunten op het gebied van bereikbaarheid en/of verkeersveiligheid zijn niet te verwachten. Zelfs niet bij de overschatting van effecten die in de analyse nader zijn beschouwd. De gevolgen van de verwachte verkeerstoenames op de verschillende wegvakken voor het woon- en leefklimaat zijn apart onderzocht. Hiervoor is apart akoestisch onderzoek verricht dat is beschreven in de rapportage 'Zuideinde-Delft, onderzoek verkeerslawaai', welke als Bijlage 13 Akoestisch onderzoek gevelbelasting is gevoegd bij deze toelichting. Deze rapportage wordt verder behandeld in paragraaf 4.6.

4.6

Geluid

Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet geluidhinder onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk woningen. Deze objecten liggen niet binnen de toetsingszone van een zoneplichtige (spoor)weg of binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Toetsing aan de waarden uit de Wet geluidhinder is daardoor niet noodzakelijk. Ook een nadere beschouwing van luchtvaartverkeerslawaai is niet noodzakelijk, aangezien het plangebied niet ligt binnen de geluidscontouren van Rotterdam The Hague Airport. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, welke als Bijlage 13 Akoestisch onderzoek gevelbelasting bij deze toelichting is gevoegd. De planlocatie ligt aan de Van Abtswoudseweg, het Zuideinde en de Laan van Braat.

Elk van deze wegen heeft een snelheidsregime van 30 km/uur en is daarmee voor de Wet geluidhinder niet gezoneerd (dit betekent eveneens dat een verhoogde grenswaardeprocedure bij eventuele gevelbelastingen hoger dan 48 dB niet aan de orde is). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de te verwachten geluidbelasting van het wegverkeer getoetst aan de voorwaarden voor een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast is voor bestaande woningen gekeken naar de mogelijke 'gevolgen elders' van het plan. Bij de te verwachten geluidbelasting geldt als vertrekpunt voor de berekeningen het aantal verkeersbewegingen en de verdeling van deze verkeersbewegingen die als maximaal representatieve invulling kunnen worden gezien ten gevolge van het planvoornemen. Op basis van de situering van de ontsluitingen aan de Laan van Braat en de aanwezige weerstand (intensiteit van het fietsverkeer op bepaalde momenten van de dag) aan de zijde van het Zuideinde, wordt er in dit kader vanuit gegaan dat maximaal 75 procent van het plangebonden verkeer gebruik zal gaan maken van de ontsluiting via de Laan van Braat. Maximaal 25 procent van dat verkeer zal vervolgens gebruik maken van de ontsluiting via het Zuideinde.

Akoestisch klimaat ter plaatse van bouwplan: Uit het onderzoek volgt dat de voornoemde maximaal representatieve invulling de te verwachten geluidsbelasting op de nieuwe woningen van het plan in alle gevallen voldoet aan de grenswaarde van 53 dB voor een acceptabel woon- en leefklimaat. Het treffen van geluidsbeperkende maatregelen is dan ook niet nodig. Vanuit het oogpunt van geluid kunnen de nieuwe woningen volgens plan worden gerealiseerd. Gevolgen elders:

73

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde

Uit het onderzoek naar de mogelijke gevolgen elders van het plan volgt dat voor de bestaande woningen langs de Abtswoudseweg en het Zuideinde geen sprake zal zijn van een significante geluidstoename door het plan. Hier wordt voldaan aan de voorwaarden voor een acceptabel woon- en leefklimaat. Bij enkele woningen langs de Laan van Braat neemt de geluidsbelasting van het wegverkeer (door het plan) toe naar maximaal 55 dB. Hier is sprake van 'gevolgen elders' van het plan en overschrijdt de geluidsbelasting buiten op de gevels de grenswaarde van 53 dB. Omdat het treffen van geluidsbeperkende maatregelen buiten de woningen niet realistisch is, moet een acceptabel woon- en leefklimaat voor de bewoners worden geborgd door voldoende geluidwering van de gevels. Om zeker te zijn van het feit of de geluidwering van de gevels van de woningen langs de Laan van Braat voldoende zijn om een binnenniveau van 33 dB (vgl. artikel 112 van de Wgh) te kunnen garanderen is een nader gevelweringsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 14 Akoestisch onderzoek gevelwering opgenomen bij deze toelichting. Uit het betreffende onderzoek vloeit voort dat aan de vereiste binnenwaarde kan worden voldaan. Daarmee is en blijft sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat langs de weg. Het treffen van maatregelen kan ook voor deze situatie achterwege blijven.

Conclusie Op grond van het uitgevoerde akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd, dat de te verwachten geluidsbelasting van het wegverkeer ter plaatse van de beoogde woningen acceptabel is. Ook met het oog op de 'gevolgen elders' wordt overal voldaan aan de randvoorwaarden voor een goed woon- en leefklimaat. Het beoogde bouwplan voldoet daarmee aan de voorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening en kan verder zonder aanvullende maatregelen worden gerealiseerd.

4.7

Luchtkwaliteit

Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden, welke zijn vastgelegd in het hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. In het projectgebied zijn 120 woningen voorzien. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook als niet in betekenende mate beschouwd. Omdat de geplande woningen op gepaste afstand zijn gelegen van wegen met hoge verkeersintensiteiten, liggen de PM10 en NO2-contouren van deze wegen niet over het projectgebied. Nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit.

74

vastgesteld bestemmingsplan Hoek Abtswoudseweg - Zuideinde Daarnaast ligt de achtergrondconcentratie PM10 en NO2 volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu in 2020 tussen de 18 en 20 ug/m3 respectievelijk tussen 20 en 25 ug/m3. De concentratie PM10 bedraagt in 2030 minder dan 18 ug/m3; voor NO2 is dit een concentratie tussen 15 en 20 ug/m3. Gesteld kan worden, dat ter hoogte van de voorgenomen ontwikkeling de concentratiewaarden (ruim) onder de grenswaarden zijn gelegen, zodat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.8

Externe veiligheid

Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo'n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. In de omgeving van het plangebied zijn enkele risicobronnen aanwezig. Deze worden hieronder nader toegelicht. Stationaire bronnen De dichtstbijzijnde stationaire risicobron bevindt zich op een afstand van circa 465 meter ten zuidoosten van het plangebied. Het betreft hier het gasdrukmeet- en regelstation aan de Leeghwaterlaan.

Een dergelijk station valt niet onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, maar onder het Activiteitenbesluit. Op grond hiervan is alleen sprake van een veiligheidscontour van maximaal 25 meter; deze bereikt het plangebied niet. Op zo'n 500 meter ten zuiden van het plangebied is aan de Vulcanusweg een vuurwerkverkooppunt aanwezig. Hier mag maximaal 10.000 kg consumentenvuurwerk opgeslagen liggen. Rondom de bewaarplaats geldt een veiligheidsafstand van 8 meter. Ook deze contour reikt niet tot aan het plangebied. Andere stationaire bronnen zijn op een afstand van meer dan 1.500 meter van het plangebied gelegen. De bij deze bronnen behorende 10-6 plaatsgebonden risicocontouren, dan wel veiligheidscontouren en/of het invloedsgebied strekken zich niet over het plangebied uit. Een nadere beschouwing van deze bronnen is daarmee niet aan de orde. Mobiele bronnen (transportroutes) Op ongeveer 200 meter ten westen van het plangebied ligt de spoorlijn Rotterdam - Den Haag. Deze spoorlijn is ondergronds gelegen, waarbij de tunnelmond zich op circa 215 meter van het plangebied bevindt. Deze spoorlijn is overigens niet aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, omdat het aantal transportbewegingen met gevaarlijke stoffen op dit spoortraject erg laag is. Dit betekent ook, dat de 10-6 plaatsgebonden risicocontour op het spoor ligt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12376410/1