CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

RO Rotterdamseweg 13, Delft (2-2-2021)

Raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake definitieve verklaring van geen bedenkingen Rotterdamseweg 13C (nr. 2150967)14.491 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 5.1

NO2-concentratie ter plaatse van het projectgebied (Rijksoverheid)

Figuur 5.2

PM10-concentratie ter plaatse van het projectgebied (Rijksoverheid)

De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 bedragen respectievelijk 40 µg/m3. Zoals blijkt uit bovenstaande figuren worden deze grenswaarden niet overschreden. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • • • •

•

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Circulaire effectbestanden externe veiligheid lpg-tankstations; Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik, In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, Bof C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten; Het activiteitenbesluit milieubeheer: In dit besluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations en gasdrukmeet- en regelstations.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de Wijzigingswet Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels voor de ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het projectgebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende figuur is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied en omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Riscokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het projectgebied: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

DSM Gist B.V. Ten noorden van het plangebied (op een afstand van circa 2,1 kilometer) is de risicovolle inrichting DSM Gist B.V. gelegen. Op de bedrijfsactiviteiten van DSM is het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo) van toepassing, het bedrijf valt daarmee onder de werking van het Bevi. Uit onderzoek (rapport 'Beschouwing risicobronnen en verantwoording groepsrisico Bedrijventerrein Delft Noord', Save (5 september 2012) blijkt dat de PR 10-6 risicocontour grotendeels op het terrein van DSM ligt. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan. De hoogte van het groepsrisico ligt in de huidige situatie net boven de oriëntatiewaarde. Dit komt door een historisch gegroeide situatie met dichte en dichtbij gelegen bebouwing aan de Delftse zijde van het DSM-terrein. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied voor het groepsrisico van 1.500 meter. DSM Gist B.V. vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Transport gevaarlijke stoffen over spoor Over de spoorlijn door Rotterdam-Den Haag vindt, conform de marktprognoses van ProRail uit 2007, nauwelijks transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dit is daarom niet relevant voor externe veiligheid.

Transport gevaarlijke stoffen over water In het Basisnet Water is de Schie (stromend op een korte afstand van het plangebied) aangeduid als zogenaamde 'groene waterweg' (categorie scheepvaart zonder frequent vervoer) en is daarmee niet relevant voor externe veiligheid. Transport gevaarlijke stoffen over de weg

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen wegen die zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Op grote afstand van het plangebied liggen de Rijksweg A4 en Rijksweg A13 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarnaast is op een kortere afstand van het projectgebied de N470 gelegen. Op basis van de Regeling basisnet geldt een invloedsgebied van 355 meter voor rijkswegen. Het projectgebied ligt op een aanzienlijk ruimere afstand van de genoemde wegen. Gezien de grote afstand tot het plangebied, kan worden verwacht dat de personen binnen het plangebied geen invloed zullen hebben op de hoogte van het groepsrisico. Buisleidingen Er bevinden zich geen risicorelevante buisleidingen in het plangebied en ook niet in de directe omgeving van het plangebied. Derhalve vormen buisleidingen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project vanuit oogpunt externe veiligheid niet wordt belemmerd.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' Het projectgebied bevindt zich in een rustige woonbuurt en het gebied dient dan ook te worden aangemerkt als een ‘rustige woonwijk’. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer.

5.5.3

Situatie projectgebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' wordt niet aangemerkt als een milieubelastende functie. Van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden in het kader van milieuzonering is dan geen ook sprake. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Dierenwinkel (Rotterdamseweg 13) Direct aangrenzend, aan de westzijde van het projectgebied is een dierenwinkel gelegen. Het betreft een klein bedrijf dat voornamelijk voer voor huisdieren verkoopt. Een dergelijk bedrijf wordt in de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’ niet expliciet genoemd. Het kan, gezien de kleinschaligheid, het beste worden vergeleken met de functie ‘detailhandel n.e.g. (niet elders genoemd)’. Voor dergelijke bedrijven geldt op basis van het geldende bestemmingsplan een grootste richtafstand van 0 meter. In voorliggend geval bedraagt de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing afstand tussen de nieuwe bebouwing en de dierenwinkel circa 15 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Overige functies Naast voorgenoemde functie zijn er in de omgeving van het projectgebied met name woningen gelegen. Daarnaast zijn er enkele vormen van kleinschalige bedrijvigheid en maatschappelijke functies aanwezig. Deze functies worden op basis van de VNG-uitgave aangemerkt als maximaal zijnde milieucategorie 2-inrichtingen. Op basis van het geldende bestemmingsplan is tevens bedrijvigheid tot maximaal zijnde milieucategorie 2 toegestaan. Functies in de categorieën 1 en 2 zijn slechts (zeer) beperkt van invloed op de omgeving en hierdoor over het algemeen goed inpasbaar in een woonomgeving. De functies zijn allen op minimaal 50 meter van het projectgebied gelegen. Gesteld kan dan ook worden dat er ter plaatse van het projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.

5.6

Ecologie

5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De locatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘’Solleveld en Kapittelduinen is gelegen op meer dan 10 kilometer afstand van het projectgebied. Gezien de onderlinge afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat er geen negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van het desbetreffende Natura 2000-gebied. 5.6.2.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) vormt de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De locatie is niet gelegen binnen de concreet begrensde NNN. Het dichtstbijzijnde NNN/ecologische verbindingszone is gelegen op circa 3,6 kilometer afstand.

Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteit wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. In figuur 5.2 is dit weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 5.2

5.6.3

Ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natuur Netwerk Nederland (Bron: Provincie Zuid-Holland)

Soortenbescherming

5.6.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. In voorliggend geval is door natuurbank Overijssel een quickscan Natuurwaarden uitgevoerd. Onderstaand staan de belangrijkste resultaten weergegeven. Voor de complete rapportage wordt verwezen naar bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. 5.6.3.2 Situatie projectgebied Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van sommige grondgebonden zoogdier-, amfibieën-, vleermuis- en vogelsoorten. Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er rust- en voortplantingslocaties, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustlocatie en nestelen er vogels in het plangebied. Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten, dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is augustus-februari.

Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ of zijn niet beschermd (bruine rat, huismuis). De functie van het plangebied als foerageergebied voor deze soorten is niet beschermd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verwond of gedood en worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord. Door het verwijderen van bebouwing en beplanting wordt functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen wel aangetast. Vanwege de beperkte betekenis als foerageergebied, leiden deze activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Mits bezette vogelnesten beschermd worden, dan leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- of gebiedsbescherming. Er is geen nader onderzoek vereist en er hoeft geen ontheffing of vergunning in het kader van de Wnb aangevraagd te worden. Door uitvoering van de quickscan natuurwaardenonderzoek heeft initiatiefnemer voldaan aan de zorgplicht zoals vermeld in Art. 1.11 van de Wnb. 5.6.4

Resultaten bomen-effect-analyse

In het projectgebied is een waardevolle witte paardenkastanje aanwezig. De gemeente Delft heeft de initiatiefnemer gevraagd om een bomen-effect-analyse op te stellen om het effect van de voorgenomen ontwikkeling (de bouw van de woningen) op de levensverwachting van deze boom in beeld te brengen. Deze bomen-effect-analyse is opgesteld door Natuurbank Overijssel. Onderstaand wordt ingegaan op de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing belangrijkste resultaten. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing. Conclusie Door de bouw van de woning verslechtert de groeiplaatscondities niet dusdanig dat de levensverwachting van de boom lager wordt. Door het doorgraven van wortels wordt de gevoeligheid voor windworp als gevolg van stormwind uit het noordwesten groter. Als voorwaarde wordt gesteld dat er geen bronbemaling wordt toegepast t.b.v. de bouw in de periode maart-oktober. Het bouwen van de woning leidt niet tot een verslechtering van de levensverwachting van de boom, wel neemt de kans toe dat de boom om waait als gevolg van stormwind uit noordwestelijke richting. Door het nemen van maatregelen kunnen de groeiplaatscondities versterkt worden en kan het risico op windworp verkleind worden. Advies • Verbeteren groeiplaatscondities: De bebouwing welke in het verleden ten westen van de boom stond, waterde af of de riolering. Deze nieuw te bouwen woning zal dat vermoedelijk ook doen. Vanwege de ligging van de boom in een relatieve laagte, heeft de boom geen last van de afvoer van hemelwater. Indien hemelwater ter plekke geïnfiltreerd dient te worden, wordt geadviseerd om dat buiten de kroonprojectie te doen om te voorkomen dat de boom vochtschade ondervindt.

De nieuwe bebouwing wordt gebouwd op de plek waar tot voor kort andere bebouwing heeft gestaan. De boom heeft daar vermoedelijk op gereageerd door zich voor het verkrijgen van voedingsstoffen te concentreren op het de zuidelijke helft van de kroonprojectie. Het verstrekken van aanvullende voeding wordt niet noodzakelijk geacht. Omdat er mogelijk toch enige afname van wortels plaats zal vinden, wordt aanbevolen de boom te knotten op de plekken waar de boom enige tijd geleden gekandelaberd is. Hierdoor heeft de boom de eerste jaren minder water en voedingsstoffen nodig en is het in staat een mogelijke lichte teruggang in de conditie beter op te vangen. Deze maatregelen wordt beschouwd als voorzorgsmaatregel en niet als een noodzakelijke maatregel. • Verbeteren stabiliteit Door het (mogelijk) doorsteken van wortels wordt de boom iets gevoeliger voor stormwind uit het noordwesten. Door de boom te knotten op de plekken waar de boom enige tijd geleden gekandelaberd is, neemt de oppervlakte van de boom af en wordt de boom minder vatbaar voor windworp. Een kleinere kroon speelt vooral een rol tijdens zomerstormen en najaarsstormen wanneer nog niet (alle) blad van de bomen is. Beantwoording onderzoeksvragen Voorliggend rapport is opgesteld om antwoord te geven op twee onderzoeksvragen. Hieronder worden ze beantwoord: • Ad 1.

Wat is de levensverwachting van de boom na realisatie van het huidige plan? Het bouwen van de woning heeft geen negatief effect op de vitaliteit van de boom, maar door het doorsteken van wortels, wordt de boom meer gevoelig voor stormschade. Om watertekort te voorkomen mag geen bronbemaling worden toegepast t.b.v. de bouw in de periode maart-oktober. • Ad 2. Op welke wijze van de levensverwachting van de boom vergroot worden? Door de boom te knotten op de plekken waar de uitlopers zichtbaar zijn (welke ontstaan zijn nadat de boom enkele jaren gekandelaberd is) wordt de bladzetting de eerstvolgende jaren verminderd. Hierdoor is de boom beter bestand tegen mogelijke negatieve effecten als gevolg van de bouw en is de boom minder gevoelig voor stormschade, in het bijzonder tijdens zomerstormen. Geadviseerd wordt om de boom periodiek te knotten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing 5.6.5

Conclusie

Opgemerkt wordt dat het ecologisch onderzoek en de bomen-effectanalyse gebaseerd zijn op het oude plan, welke uitging van twee woningen. Het nieuwe plan is echter kleinschaliger. Bovendien komt de nieuwe woning volledig op dezelfde locatie als het oude plan beoogd was. De resultaten van beide onderzoeken worden dan ook bruikbaar geacht. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

5.7

Archeologie & cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Delft beschikt over een eigen archeologische verwachtings- en beleidskaart. Een uitsnede van deze kaart is in figuur 5.3 weergegeven.

Figuur 5.3

Uitsnede van de Archeologische verwachtings- en beleidskaart (Bron: Gemeente Delft)

Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart is het projectgebied gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. Hiervoor geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing tot bodemingrepen met een oppervlakte van 200m 2 en een diepte van 40 cm. Deze onderzoeksgrenzen worden niet overschreden. Het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan of wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie projectgebied In figuur 5.4 is een uitsnede van de provinciale cultuurhistorische kaart opgenomen. Hierop zijn de rijksmonumenten aangegeven.

Figuur 5.4

Uitsnede van de provinciale cultuurhistorische atlas (Bron: Provincie Zuid Holland)

Er bevinden zich, op basis van de Cultuur historische Atlas van de provincie Zuid-Holland, in het projectgebied zelf geen rijksmonumenten. Geconcludeerd wordt dat er geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden aan de orde zijn. Het gebied heeft een in oorsprong middeleeuwse ontginningstructuur die cultuurhistorisch waardevol is. De oude verkavelingsrichting die op veel plaatsen nog aanwezig is, dient bij voorkeur gerespecteerd te worden en richtinggevend te zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing dient beschermd te worden tegen sloop zondermeer en tegen te grote, het beeld verstorende, uitbreidingen. Het projectgebied is gelegen op een binnenterrein, achter cultuurhistorische bebouwing. Het betreffen geen gemeentelijke monumenten. Wel staan er in de ruimere omgeving van het projectgebied verscheidene gemeentelijke monumenten. Met voorliggend initiatief is er geen sprake van sloop en/of verstoring van cultuurhistorische waardevolle bebouwing en/of gemeentelijke monumenten. Het geheel wordt op een zodanige wijze ingepast dat de kenmerkende cultuurhistorische waarden van het gebied beschermd blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op ruime afstand (circa 3,6 kilometer) van het plangebied gelegen. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied zal, gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling geen sprake zijn. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit project voorziet in de realisatie van één woning en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit ruimtelijke plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Indien de voorgenomen ontwikkeling wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij een aaneengesloten gebied van 100 hectare of meer en 2000 woningen of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.

Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieuen omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Dit hoofdstuk wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 5.8.3

Conclusie

Dit project is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de voorliggend project.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 6 6.1

WATERASPECTEN

Algemeen

Om waterbeheer en ruimtelijke ordening goed op elkaar af te stemmen is de watertoets ontwikkeld. Met deze watertoets moet duidelijkheid worden geboden over de randvoorwaarden die gelden voor ruimtelijke en/of stedenbouwkundige aanpassingen ten opzichte van het oppervlakte- en grondwater in het projectgebied en omgeving. Zo dient bij de aanleg van nieuwverhard oppervlak o.a. inzicht geboden te worden hoe wordt omgegaan met de opvang van hemelwater. Het waterschap is primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afvalwater en regenwater en voor de aanpak van grondwaterproblemen. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een projectgebied wordt vastgehouden en dat relatief schoonwater ook relatief schoon blijft. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen.

6.2

Vigerend beleid

6.2.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.2.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.2.3

Hoogheemraadschap Delfland

In het Waterbeheerplan 2016-2021, Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap (WBPS) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht 'droge voeten', 'stevige dijken' en 'schoon water' zijn meerjarenprogramma's opgesteld, die doorlopen in de planperiode tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken, werkt Delfland samen met

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Het Hoogheemraaschap van Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten:

6.3

1.

standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen;

2.

verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut

Watertoetsproces

Het hoogheemraadschap van Delfland is geïnformeerd door het toesturen van een plantoelichting met daarbij behorende documenten. Het hoogheemraadschap heeft gereageerd op d.d. 23-11-2017. Onderstaand staat het advies van het hoogheemraadschap met daarbij de maatregelen om hieraan te kunnen voldoen uitgewerkt. Opgemerkt gaat dat het gaat om een advies op basis van het oude plan. Het plan ligt in de Zuidpolder van Delfgauw. Omdat in dit gebied wateroverlastknelpunten voorkomen en klimaatadaptatie een aandachtspunt is, is het goed dat in het plan gestreefd wordt naar maximale infiltratie en tijdelijke opslag van regenwater. In het plan wordt hierin voorzien door de woningen te voorzien van een sedimentatiedak, hier wordt een groot deel van het regenwater opgevangen. Daarnaast wordt er in de buitenruimte van de woningen een gebied aangelegd waarin regenwater kan worden geïnfiltreerd. Het gebied heeft een volume van 59m3 en is voorzien van een grindkoffer, om een optimale infiltratie te bewerkstelligen. Bij extreme regenval kan overtollig regenwater hier worden opgevangen. Het hemelwater dat op het groene dak valt zal ‘uitlopen’ in deze infiltratiekoffer. Er is hierdoor dan ook geen sprake van afstromend regenwater richting andere percelen.

In aanvulling hierop kan worden vermeld dat de verhouding verhard/onverhard als gevolg van dit plan verbeterd, aangezien er een aanzienlijk oppervlak aan bestaande schuren zal worden gesloopt. Tenslotte kan worden vermeld dat er bij de bouw geen uitlogende bouwmaterialen zullen worden toegepast. Het geheel zal worden beheerd en onderhouden door de toekomstige bewoners. Hiervoor zullen afspraken worden gemaakt. Het plangebied is volledig buiten de beschermingszone van de waterkeringen gelegen, daarnaast grenst het plangebied niet aan oppervlaktewater. Een watervergunning is dan ook niet vereist. Op d.d. 1 mei 2018 heeft het Hoogheemraadschap van Delfland een positieve reactie gegeven op vorenstaande. Hiermee is het vooroverleg met het waterschap afgerond. De formele reactie van het Hoogheemraadschap is opgenomen in bijlage 5. Overigens is het plan aangepast in die zin dat er nu sprake is van één woning. Het advies is destijds gebaseerd op twee woningen. Gezien het ontwerp zowel qua oppervlakte als wooneenheden kleiner is, wordt nieuw overleg met het waterschap niet noodzakelijk geacht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 8

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

8.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

8.2

Provincie Zuid-Holland

Het plan is in het kader van vooroverleg aan de provincie Zuid-Holland voorgelegd. De provincie heeft geen reactie gegeven. Gezien de aard en omvang van het plan is een reactie ook niet noodzakelijk.

8.3

Hoogheemraadschap Delfland

Hoogheemraadschap Delfland is geïnformeerd. De reactie is verwerkt in paragraaf 6.3. Aan de uitgangspunten en wensen van het waterschap wordt hiermee voldaan.

8.4

Overige overlegpartners

Naast voorgenoemde instanties is de onderbouwing in het kader van het vooroverleg aangeboden aan overige partners, te weten: Tennet, Stedin, Evides, Gasunie en Veiligheidsregio Haaglanden. Overzicht van deze reacties is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting.

8.5

Zienswijzen

Het plan zal voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage worden gelegd. In deze periode heeft een ieder de kans een zienswijze in te dienen. Een eventuele zienswijze zal door de gemeente Delft worden behandeld, waarna het plan wordt vastgesteld. Een ieder die in de periode van terinzagelegging een zienswijze heeft ingediend, krijgt na de vaststelling de kans op een (hoger) beroep in te stellen. Op deze wijze is een adequate inspraak geregeld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Rotterdamseweg 13, Delft Ruimtelijke onderbouwing

BIJLAGE BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 3

Quickscan Natuurwaarden

Bijlage 4

Bomen-Effect-Analyse

Bijlage 5

Reactie Hoogheemraadschap

Bijlage 6

Reactie vooroverleg

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10939102/1