Rapportage inzamelvarianten Royal HaskoningDHV
Tekst van het document
RAPPORT Onderzoek inzamelvarianten Avalex
Klant:
Avalex
Referentie: BI2268-IB-RP-220211-2242 Status:
S0/P01.01
Datum:
1-6-2022
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Laan 1914 no.35 3818 EX Amersfoort Mobility & Infrastructure Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Onderzoek inzamelvarianten Avalex Referentie: BI2268-IB-RP-220211-2242 Status: P01.01/S0 Datum: 1-6-2022 Projectnaam: Projectnummer: BI2268 Auteur(s): ABA/MH
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
1
Projectgerelateerd
Managementsamenvatting Avalex en de zes deelnemende gemeenten hebben Royal HaskoningDHV gevraagd om toekomstperspectieven te schetsen voor de huishoudelijke afvalinzameling in relatie tot het beleid van de laatste jaren, de trends en de (landelijke) doelstellingen die gesteld zijn. Hiertoe heeft Royal HaskoningDHV onderzoek gedaan naar een aantal varianten waarmee huishoudelijke inzameling kan worden uitgevoerd en het beoogde effect daarvan op milieu, service en kosten voor de zes gemeenten daarbij in kaart gebracht. Varianten die daarbij zijn onderzocht zijn: (verdere uitrol van) Het Nieuwe Inzamelen (HNI), laagfrequente restafvalinzameling, Diftar en nascheiding van PMD. Ook is een combinatie van een aantal hiervan onderzocht. De scope van deze drie dimensies is afgebakend op de afvalstromen restafval, GFT, oud papier en karton (OPK) en plastic, metalen en drankkartons (PMD) die vanuit de huishoudens vrijkomen en via huis-aanhuisinzameling of in milieuparken worden ingezameld. Als uitgangspunt van de berekeningen geldt de bestaande situatie in de gemeenten (2021) en de verwachte wijzigingen in de afvalstromen, inzamelkosten, verwerkingskosten, inzamelvergoedingen en containerkosten. Service is voor de inzamelvarianten kwalitatief in beeld gebracht. De in deze rapportage gehanteerde berekeningen dienen te worden geïnterpreteerd als indicatief en richtinggevend.
De berekeningen zijn gebaseerd op kosten en inzamelhoeveelheden van 2021 waarbij de systeemwijziging Het Nieuwe Inzamelen nog niet in alle gemeentes volledig was doorgevoerd. Met de verdere voltooiing en inregeling van het nieuwe systeem zijn de milieuresultaten van sommige Avalexgemeenten het afgelopen jaar verder verbeterd. Daarnaast geven ook de resultaten uit 2020 een vertekening met afwijkende resultaten als gevolg van opgelegde landelijke Coronamaatregelen.
Kernconclusies De effecten van inzamelvarianten op milieu en kosten kunnen verschillen per gemeenten door verschil in type gemeenten (veel of weinig hoogbouw) en variatie in de bestaande situatie rondom de toegepaste vorm van inzamelen. In deze rapportage zijn de resultaten gedifferentieerd naar de twee hoogbouwklassen onder de Avalex-gemeenten (A en C)1. Daarnaast is op basis van de situatie binnen de gemeente een aantal specifieke aandachtspunten opgenomen. Los van keuzes in de onderzochte varianten staat dat het gedrag van de inwoners van de gemeenten bepalend is voor de uiteindelijke afvalscheidingsresultaten; de verschillende inzamelvarianten beïnvloeden en sturen dit, maar zijn niet allesbepalend. Gelet op de huidige hoeveelheden restafval en de hoge stedelijkheid van een aantal Avalex gemeenten lijkt eventuele aanpassing in inzamelvariant niet afdoende om op korte termijn onder de 100 kg/inwoner (Vang-doelstelling) te komen. Flankerend beleid in de vorm van communicatie en handhaving zijn daarbij mede bepalend om te komen tot gewenst scheidingsgedrag. Wel kunnen inzamelvarianten een betere afvalscheiding en verlaging van restafval behoorlijk stimuleren: Zo kan de combinatie van Diftar en Het Nieuwe Inzamelen de hoeveelheid fijn restafval met circa 30% verlagen ten opzichte van de huidige situatie en de afvalscheiding verhogen naar 65% (alleen fijne stromen meegerekend).
Onderstaand zijn de conclusies opgenomen over de verschillende onderzochte inzamelvarianten.
1
In de landelije Benchmark Huishoudelijk Afval (NVRD/RWS) worden gemeenten onderling vergeleken met een vergelijkbaar aandeel hoogbouw. Gemeenten met een vergelijkbaar aandeel hoogbouw worden gegroepeerd in een ‘klasse’. De volgende klassen worden daarbij onderscheiden: Klasse A: 50 t/m 100% hoogbouw; Klasse B: 30 t/m 49% hoogbouw; Klasse C: 20 t/m 29% hoogbouw en Klasse D: 0 t/m 19% hoogbouw. 1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
2
Projectgerelateerd
HNI is een kosten-efficiënte maatregel die bijdraagt aan betere scheidingsresultaten, maar er is meer nodig om de VANG-doelstellingen te bereiken
1
a. Investeren (eventueel aanvullend) in ondergrondse inzamelvoorzieningen voor restafval en PMDinzameling zal veelal niet leiden tot significant hogere kosten voor het afvalbeheer. Door de lagere inzamelkosten voor inzameling met ondergrondse containers en lagere kosten voor restafvalverwerking door minder restafval alsmede de opbrengsten van meer gescheiden stromen ontstaat een dempend effect op de totale kosten in het afvalbeheer. b. Er wordt verwacht dat in de meeste gemeenten de hoeveelheid restafval verder afneemt en de afvalscheiding toeneemt bij het (verder) uitrollen van HNI. Deze verbetering lijkt echter desondanks niet voldoende voor het realiseren van de gestelde VANG-doelstellingen. c.
HNI kent een reductie van serviceniveau op restafval om zo burgers te stimuleren afval te scheiden. Deze afname wordt (deels) gecompenseerd door de (extra) service op de gescheiden inzameling die wel aan huis ingezameld wordt.
Een systeem met Diftar levert substantieel meer milieuwinst. Financieel kan een dergelijk systeem al aantrekkelijk zijn voor C-gemeenten, maar de resultaten zijn nu nog onzeker voor klasse A-gemeenten
2
a. Diftar als maatregel levert de meeste effect op afvalscheiding op. Uit o.a. de huishoudelijke afvalbenchmark, onderzoeken en CBS-data blijkt dat een Diftarsysteem effectief burgers stimuleert meer afval gescheiden aan te bieden. Daarmee leiden alternatieven met dit systeem voor alle gemeenten tot de meeste verlaging van de hoeveelheid restafval en de hoogste afvalscheiding. Bij gemeenten met meer hoogbouw is het effect wel kleiner. b. De (netto) kosten voor het overstappen op Diftar-systemen variëren, maar worden het hoogste ingeschat bij gemeenten met veel hoogbouw, doordat de opbrengsten van gescheiden stromen door betere afvalscheiding minder hoog zijn vergeleken met gemeenten met weinig hoogbouw. In C-gemeenten zijn deze opbrengsten waarschijnlijk hoger, waardoor de investeringen zich makkelijker terugverdienen en de kostenstijging (en daarmee risico) relatief beperkt zal zijn. c.
3
Hoewel het serviceniveau an sich met de invoering van Diftar niet substantieel verandert, kan de beleving zijn dat dit wel het geval is. Uit een enquête blijkt dat de meerderheid van de inwoners in alle gemeenten geen bezwaar heeft tegen het financieel belonen van het minimaal aanbieden van restafval. Dit kan een indicatie zijn van een beleving van gelijkblijvend serviceniveau.
Nascheiding is financieel aantrekkelijk, maar kent vooralsnog begrenzing in afvalscheiding a. In situaties waarin sprake is van beperkte gescheiden hoeveelheid PMD en/of veel afkeur van gescheiden ingezameld PMD worden de inzamelkosten voor die fractie beperkt tot nauwelijks gedekt door de inzamelvergoeding. Daarmee levert invoering van nascheiding naar verwachting in veel gemeenten kostenbesparing op en, met name in A-gemeenten, een hogere PMD-opbrengst. Indien wordt overgestapt vanuit bronscheiding dient wel rekening gehouden te worden met
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
3
Projectgerelateerd
versnelde afschrijving van PMD-inzamelmiddelen, in zoverre die niet omgebouwd of gebruikt kunnen worden als inzamelmiddelen voor restafval. b. Echter, de keuze voor nascheiding is beperkt tot PMD en leidt veelal (nog) niet tot een betere (na)scheiding van de andere te scheiden stromen zoals GFT en papier. De doorontwikkeling van het scheiden van die stromen kan daardoor mogelijk achterop raken. En, ook met nascheiding liggen de VANG-doelstellingen niet binnen handbereik. Deze variant leent zich daarom meer voor maatwerkoplossingen; vooral voor situaties waarin weinig mogelijkheden zijn voor burgers om te scheiden, zoals bij hoogbouwaansluitingen en in A-klasse gemeenten. In de toekomst kan dit mogelijk ook gecombineerd worden met een Diftar-systeem, al is dit op dit moment niet common practice in huishoudelijke afvalinzameling in Nederland. c.
Nascheiding vereist minder inspanning van burgers doordat er geen extra afvalstroom apart hoeft te worden verzameld. Daarmee kan deze variant vanuit de beleving bezien als serviceverhogend worden ervaren maar voor een burger die graag afval wil scheiden werkt het in de beleving daarentegen mogelijk serviceverlagend.
d. In hoogbouw-gebieden waar HNI nog niet ingevoerd is kunnen gemeenten overwegen nascheiding in te zetten gezien dit een kosteneffectieve maatregel is met een redelijke verbetering in afval(na)scheiding. De te verwachten hoeveelheid brongescheiden PMD is relatief laag en de kwaliteit laat in die situaties veelal te wensen over. Wel dient er bij nascheiding doorlopend aandacht te worden gevestigd op de kwaliteit van andere brongescheiden stromen in die gebieden in de vorm van flankerend beleid (communicatie en handhaving).
4
Overige conclusies
a. Stijgende tarieven voor restafvalverwerking maakt investeren in afvalscheiding steeds aantrekkelijker. Hogere verwerkingskosten van restafval, als gevolg van bijvoorbeeld hogere verbrandingsbelasting en/of verder stijgende CO2-taks maakt het investeren in nieuwe inzamelvarianten aantrekkelijker. Bij een verhoging van de verwerkingsprijs van restafval van de huidige 135 euro per ton restafval naar 200 euro per ton restafval kan ook in stedelijkheidsklasse A-gemeenten Diftar een financieel aantrekkelijk alternatief vormen. b. Laagfrequente restafvalinzameling leidt tot kostenreductie maar leidt naar verwachting tot minder goede scheidingsresultaten dan Het Nieuwe Inzamelen. Laagfrequente inzameling van restafval heeft alleen betrekking op laagbouwaansluitingen waar restafval met een minicontainer wordt ingezameld, en geldt daarmee als alternatief voor (verdere uitrol van) Het Nieuwe Inzamelen. Qua investeringen is de ingreep klein; daardoor zullen de kosten hierbij lager zijn. Wel levert deze variant naar verwachting iets minder gescheiden stromen op dan inzameling op met restafval op afstand.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
4
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
6
2
Huidige situatie in beeld
7
2.1
Basisgegevens
7
2.2
Ambities
7
2.3
Inzamelsysteem en verwerkingswijze
8
2.4
Prestaties
8
2.4.1 2.4.2 2.4.3
Milieuprestaties Serviceprestaties Kostenprestaties
8 10 11
3
Relevante ontwikkelingen
12
3.1
PESTEL-analyse
12
3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6
Politieke ontwikkelingen: een circulaire economie Economische ontwikkelingen: nieuwe verdienmodellen Sociaal-demografische ontwikkelingen: bevolkingsgroei en vergrijzing Technologische ontwikkelingen: digitalisering en robotisering Ecologische ontwikkelingen: onderdeel van klimaatbeleid Legal: Wet- en regelgeving
12 13 13 15 15 15
3.2
Landelijke ontwikkelingen inzamelvarianten
17
4
Het Avalex keuzemenu
19
4.1
Keuzes scenario’s
19
4.2
Archetypebenadering
19
4.3
Methode afvalscheidingsresultaten nieuwe varianten
21
4.4
Benadering kosten van nieuwe varianten
22
4.5
Benadering impact op service
23
5
Resultatenkaart per type gemeente
24
6
Afwegingskader voor gemeenten
31
Bijlagen Bijlage A - Overzicht en toelichting inzamelvarianten Bijlage B - Verdieping kostenkengetallen model
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
5
Projectgerelateerd
1
Inleiding
Avalex en de zes deelnemende gemeenten werken voortdurend gezamenlijk aan een duurzaam en toekomstbestendig afval- en grondstoffenbeleid. In de afgelopen jaren hebben de gemeenten stappen gezet in restafvalreductie en betere afvalscheiding. Avalex en de zes deelnemende gemeenten hebben Royal HaskoningDHV gevraagd om toekomstperspectieven voor het huishoudelijke afvalinzameling in relatie tot het beleid van de laatste jaren, de trends en de (landelijke) doelstellingen die gesteld zijn. Dit als input voor kaders voor het afvalbeheer in Avalex-verband. Voor de uitwerking van het onderzoek wordt voor iedere gemeente afzonderlijk de huidige inzamelstructuur en afvalbeleid als uitgangspunt genomen. Verwacht resultaat betreft een vergelijk op hoofdlijnen - per gemeente en in totaliteit voor het Avalex verzorgingsgebied - ten aanzien van de volgende inzamelsystemen op het gebied van kosten, milieu en service: Diftar (volume/ volume & frequentie/ gewicht) Laagfrequent (inzameling restafval); Nascheiding PMD; Het Nieuwe Inzamelen (omgekeerd inzamelen). De scope van deze drie dimensies is afgebakend op de afvalstromen restafval, GFT, oud papier en karton (OPK) en plastic, metalen en drankkartons (PMD) die vanuit de huishoudens vrijkomen en via huis-aanhuisinzameling of in milieuparken worden ingezameld.
Als uitgangspunt van de berekeningen geldt de bestaande situatie in de gemeenten (2021) en de verwachte wijzigingen in de afvalstromen, inzamelkosten, verwerkingskosten, inzamelvergoedingen en containerkosten. Service is voor de inzamelvarianten kwalitatief in beeld gebracht. Voor de prestatievergelijking ten opzichte van vergelijkende gemeenten in de landelijke benchmark zijn daarentegen cijfers 2020 gehanteerd om zo hetzelfde peiljaar te kunnen vergelijken. De in deze rapportage gehanteerde berekeningen dienen te worden geïnterpreteerd als indicatief en richtinggevend. De berekeningen zijn gebaseerd op cijfers 2021 waarbij de systeemwijziging Het Nieuwe Inzamelen nog niet in alle gemeentes volledig was doorgevoerd. Met de verdere voltooiing en inregeling van het nieuwe systeem zijn de milieuresultaten van sommige Avalex-gemeenten het afgelopen jaar verder verbeterd. Daarnaast geven ook de resultaten uit 2020 een vertekening met afwijkende resultaten als gevolg van opgelegde landelijke Coronamaatregelen.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
6
Projectgerelateerd
2
Huidige situatie in beeld
Dit hoofdstuk brengt de huidige situatie van de gemeenten in het Avalex-verzorgingsgebied in beeld. Achtereenvolgens gaan we in op de basisgegevens van de gemeenten, de huidige inzamelsystemen en de prestaties van de individuele gemeenten.
2.1
Basisgegevens
In totaal zijn er in 2021 in de gemeenten 339.700 inwoners en 165.600 huisaansluitingen. In de volgende tabel staat per gemeenten de basisgegevens als inwoner- en woningaantal. Ook is de hoogbouwklasse aangegeven. Deze dient als basis voor het benchmarken met vergelijkbare gemeenten. Het Avalex-gebied kent drie gemeenten die behoren tot hoogbouwklasse A (50% t/m 100% hoogbouw) en drie gemeenten die behoren tot hoogbouwklasse C (20% t/m 29% hoogbouw). Tabel 2-1 Inwoners en huisaansluitingen per gemeente, 2021 (bron: Opdrachtgeversrapportage 2021 – Totaal) Gemeente
Aantal inwoners
Aantal huisaansluitingen
Hoogbouw klasse
Delft
107.400
60.200
A
Leidschendam-Voorburg
76.100
36.900
A
Midden-Delfland
19.400
8.000
C
Pijnacker-Nootdorp
54.700
21.700
C
Rijswijk
56.300
27.200
A
Wassenaar
25.800
11.600
C
Totaal
339.700
165.600
Afvalstoffenheffing Alle Avalex-gemeenten kennen een afvalstoffenheffing op basis van een of meerpersoons huishoudens. Verdere differentiatie naar aantal ledigingen en/of gewicht of volume wordt niet toegepast.
2.2
Ambities
Alle gemeenten onderschrijven de landelijke VANG-doelstellingen. De gemeentelijke ambities verschillen wel in de wijze waarop men deze doelstellingen wenst te bereiken. Waar de ene gemeente overstapt op nascheiding, is in andere gemeenten overgestapt op of is men deels bezig over te stappen op Het Nieuwe Inzamelen. Weer anderen kennen zulk specifieke binnenstedelijke problematiek dat in bepaalde wijken het inzamelen met een inzamelvoertuig an sich reeds een uitdaging is en er bijvoorbeeld met zakken en colli (papier) wordt ingezameld en er geen GF(T) inzameling plaatsvindt. Ook kosten speelt een belangrijke rol in de beleidsafwegingen. De verschillen tussen en binnen de verschillende gemeenten maakt dat er behoefte is aan een kader middels een soort keuzemenu voor vormen van inzamelen.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
7
Projectgerelateerd
2.3
Inzamelsysteem en verwerkingswijze
Sinds 2015 is binnen Avalex-gemeenten ‘Het nieuwe Inzamelen’ (HNI) het uitgangspunt. Dit beleid is voor het grootste deel gestoeld op het ‘omgekeerd inzamelen’-principe, waarbij restafval in ondergrondse containers op afstand van de huishoudens moet worden weggebracht en gescheiden stromen aan huis worden opgehaald. Hiermee beogen de gemeenten afvalscheiding meer te stimuleren. In onderstaande tabel is weergegeven in hoeverre ‘Het Nieuwe Inzamelen’ per gemeente is ingevoerd; daarbij is onderscheid gemaakt tussen HNI bij hoogbouw en bij laagbouw. Tabel 2-2 Verdeling hoog- en laagbouw en mate van invoering HNI (oftewel, inzameling van restafval ‘op afstand’ met ondergrondse restafvalcontainers) (bron: interne data Avalex, peiljaar 2021) Percentage van huishoudens waarvoor de HNI-inzamelmethodiek geldt
Laag-/hoogbouw verdeling (afgerond naar 5%)
Delft
55%
35%/ 65%
Leidschendam-Voorburg
49%
40%/60%
Pijnacker-Nootdorp
88%
75%/25%
Rijswijk
25%
30%/70%
Wassenaar
16%
75%/25%
Midden-Delfland
100%
75%/25%
Dit onderzoek hanteert voor de berekeningen als peiljaar 2021. Tot die tijd was nog geen sprake van nascheiding. Met de toetreding tot HVC is de gemeente Wassenaar inmiddels per 1 januari 2022 volledig overgestapt op nascheiding.
2.4
Prestaties
Om te analyseren hoe de gemeenten presteren qua afvalbeheer wordt hieronder een schets gegeven van de prestaties van de Avalex-gemeenten. In het afvalbeheer wordt hiervoor veelal gebruik gemaakt van de zogenaamde afvaldriehoek van milieu, service en kosten. Waar beschikbaar worden de huidige prestaties daarbij middels een benchmark vergeleken met prestaties van vergelijkbare gemeenten. Let op: omdat er gebruik wordt gemaakt van externe vergelijkingen worden bij deze prestatievergelijking het peiljaar 2020 gebruik, tenzij anders aangegeven. De reden hiervoor is dat er nog geen vergelijkbare gegevens over 2021 beschikbaar zijn.
2.4.1
Milieuprestaties
Voor beeldvorming van de milieuprestaties wordt hieronder een schets gegeven van de prestaties per gemeente en daarbij het benchmarkgemiddelde van vergelijkbare gemeenten (hoogbouwklasse A en C). Voor de fracties restafval, GFT, PMD en OPK geldt onderstaand overzicht per gemeente met onderscheid naar hoogbouwklasse A en C. Wat opvalt is dat binnen klasse A-gemeenten er meer GFT en OPK wordt ingezameld dan benchmark gemiddeld. Dit geldt daarentegen niet voor PMD. Voor de klasse C-gemeenten geldt dat Pijnacker-Nootdorp en Wassenaar relatief veel restafval inzamelen en relatief weinig PMD. Midden-Delftland presteert daarentegen beter met zowel PMD als OPK en ook GFT-inzameling dan het benchmark gemiddelde.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
8
Projectgerelateerd
Fijn restafval ingezameld (kg/inw)
Pmd gescheiden bron & na (kg/inw)
300
35
250
30 25
200
20 150 100
218
227
257
15
247 203
208 156
140
50
5
11
16 9
0
0
Gft gescheiden (kg/inw) 70
160
60
140
12
50
120
40
100 80 124 97
40 43
59
45
33
66
30
154
60
0
10 4
Opk gescheiden (kg/inw)
180
20
30
30
10
120
20
36
53
43 32
53
51
31
10 0
Figuur 2-1 Hoeveelheden aan huis ingezamelde fijne stromen. Peiljaar 2020
Kijkend naar de kwaliteit van de ingezamelde stromen dan valt op dat er bij PMD regelmatig vrachten worden afgekeurd. Alle gemeenten kenden in 2021 veel afkeur vanuit de (ondergrondse) verzamelcontainers, zie ook onderstaande tabel. PMD afkomstig van de minicontainer inzameling kende ook afkeur maar deze bleef wel onder het (gecombineerde) landelijk benchmarkgemiddelde. De andere fracties GFT en oud papier en karton kenden geen afkeur en zijn derhalve niet in de tabel opgenomen. Opgemerkt wordt dat de benchmark enkel een gemiddelde afkeur kent en geen onderscheid kent in afkeur afkomstig van minicontainers of verzamelcontainers. Hoewel de afkeur in sommige gemeenten aanzienlijk is, is het effect van de afkeur van PMD op de kosten voor afvalbeheer en de afvalscheiding redelijk beperkt. De hoeveelheden PMD zijn namelijk laag in vergelijking tot de totale hoeveelheden ingezameld afval. Als de afkeur met 50% zou afnemen is de inschatting dat de hoeveelheid restafval (als gevolg van minder afkeur PMD) met 3,5 - 5 kg per inwoner kan verminderen en de afvalbeheerkosten verlaagd kunnen worden met circa €2,50 tot €4,25 per huishouden. Zie voor meer details Appendix B. 1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
9
Projectgerelateerd
Tabel 2-3 Afkeur percentage vrachten brongescheiden grondstoffen (bron: interne data Avalex, peiljaar 2021) Afkeur PMD (gemiddeld|
Afkeur PMD minicontainerinza meling
Afkeur PMD – inzameling met verzamel- of ondergrondse containers
Delft
46%
15%
62%
Leidschendam-Voorburg
37%
6%
68%
Rijswijk
56%
14%
74%
BM gemiddelde – Klasse A
21%
Midden-Delfland
25%
15%
55%
Pijnacker-Nootdorp
31%
17%
71%
Wassenaar
26%
11%
70%
BM gemiddelde – Klasse C
20%
Gemeente
2.4.2
Serviceprestaties
De landelijke benchmark kent een scoresystematiek voor het bepalen van het serviceniveau. De handreiking van de benchmark geeft aan dat de omvang en intensiteit van de dienstverlening moeilijk is te kwantificeren. Er wordt een dienstverleningsscore berekend voor grondstoffen (inclusief milieustraat) en een dienstverleningsscore voor restafval. De Avalex gemeenten kennen een (soms beduidend) hogere score op dienstverlening dan vergelijkbare gemeenten in de benchmark, zie onderstaande tabel. Tabel 2-4 Geboden dienstverlening in relatie tot benchmark gemiddelden (bron: Benchmark NVRD, peiljaar 2020) Dienstverlening grondstoffen2
Dienstverlening restafval (grof+fijn)
Inzamelfrequentie restafval (rondes per jaar)
Aantal HH per container restafval
Delft
438
127
52 (32 mini)
18
Leidschendam-Voorburg
302
113
48
22
Rijswijk
309
123
26
18
BM gemiddelde – Klasse A
279
73
36
41
Midden-Delfland
318
31
13
75
Pijnacker-Nootdorp
294
72
26
23
Wassenaar
281
72
26
7
BM gemiddelde – Klasse C
258
40
20
41
Gemeente
2
Score geeft een indicatie van de omvang van de service voor het gescheiden aanbieden van grondstoffen. De scores zijn bepaald op basis van een vragen-score lijst binnen de benchmark systematiek. Om subjectiviteit zoveel mogelijk uit te sluiten wordt in deze benchmark gewerkt met kwantificeerbare diensten. Daar waar de diensten niet kwantificeerbaar zijn wordt gewerkt met een vragenscore-methodiek. Door optelling van scores is het mogelijk een relatieve beoordeling uit te voeren op het dienstverleningsniveau van een gemeente en/of inzamelbedrijf. 1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
10
Projectgerelateerd
2.4.3
Kostenprestaties
Voor de kosten is gekeken naar zowel de totale afvalbeheerkosten als naar de inzamel- en verwerkingskosten per fractie. De landelijke benchmark levert dan het onderstaande beeld op. De totale afvalbeheerkosten van gemeente Delft liggen onder het benchmarkgemiddelde; die van de overige Avalex gemeenten liggen boven het benchmark-gemiddelde. Kijkend naar de kosten van het fijn restafval dan ontstaat een vergelijkbaar beeld met dien verstande dat ook gemeente Midden-Delfland dan lagere kosten kent dan gemiddeld in de benchmark. Daarentegen zijn de kosten van PMD-inzameling in Midden-Delfland opvallend hoger.
Afvalbeheerkosten (€ p/a)
Kosten fijn restafval (€ p/a)
300 250 200 150 100
203
234
255
226
233
268
278 220
50
140 120 100 80 60 40 20 0
48
54
7
8
46 7 40
53
54
51
54
7
35
42
5 20
46
7
7
46
43
35 5 32
0
Inzamelkosten
Kosten gft (€ p/a) 60
50
16
40 30 10
Verwerkingskosten
Kosten pmd (€ p/a)
60
20
Overslag en transport
50 13
18 13
5 5 17
7 27 16
0
Inzamelkosten
4 4 1 13
37
Overslag en transport
34
34
6
40
24
30 10 0
Verwerkingskosten
46
20 1 11
2 13
Inzamelkosten
1 8
3 4 10
Overslag en transport
2
16
15
BI2268-IB-RP-220211-2242
19
Verwerkingskosten
Figuur 2-2 Kosten afvalbeheer en per fractie in € per huisaansluiting (bron: Benchmark NVRD, peiljaar 2020)
1-6-2022
8
3
11
Projectgerelateerd
3
Relevante ontwikkelingen
3.1
PESTEL-analyse
Aan de hand van een zogenaamde PESTEL-analyse wordt hieronder op hoofdlijnen een beeld geschetst van de politieke, economische, sociaal-demografische, technologische, ecologische en legale/juridische ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de toekomst van de verschillende inzamelvarianten.
3.1.1
Politieke ontwikkelingen: een circulaire economie
Naast introductie van beleid, wet- en regelgeving om recycling en hergebruik te stimuleren is in 2013 het Programma VANG (Van Afval Naar Grondstof) gestart. Specifiek voor huishoudelijk afval is binnen VANG het deelprogramma VANG-Huishoudelijk Afval (HHA) opgenomen, waarin de ambitie was vastgelegd om in 2020 tot 75% afvalscheiding te komen. Deze ambitie is verder geconcretiseerd in een streven om in dat jaar nog maximaal 100 kg restafval (fijn en grof samen) per inwoner te produceren, met een doorontwikkeling naar maximaal 30 kg restafval per inwoner in 2025. In de herijking van het uitvoeringsprogramma VANG3, dat uitgekomen is in februari 2022, wordt meer aandacht gevestigd op het recycle-percentage en de kwaliteit van de afvalstromen: 55% dient in 2025 gerecycled te worden, 60% in 2030. In de bijbehorende kamerbrief geeft de Staatssecretaris daarbij aan dat de ambitie van 100 kg restafval per inwoner nog steeds wordt nagestreefd “maar op zodanige wijze dat dit niet ten koste gaat van de kwaliteit.”4 Intussen is het VANG-programma onderdeel van het Rijksbrede Programma voor de Circulaire Economie. De ambitie van het kabinet is om samen met maatschappelijke partners in 2030 een (tussen) doelstelling te realiseren van 50% minder gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen).
Het kabinet wil met dit programma een perspectief schetsen voor een toekomstbestendige, duurzame economie, ook voor toekomstige generaties. Concreet betekent dit dat in 2050 grondstoffen efficiënt worden ingezet en hergebruikt, zonder schadelijke emissies naar het milieu. Met deze doelstelling op grondstoffengebruik sluit Nederland aan bij het ambitieniveau in vergelijkbare landen. Figuur 3-1 De circulaire economie, (bron: PBL 2018)
Middels uitgebreide producentenverantwoordelijkheid stuurt de overheid ook op hergebruik en recycling in de productketens. Zo is op 1 juli 2021 statiegeld op kleine plastic flesjes ingevoerd en per 2022 voor matrassen. Per flesje (< 1 liter) wordt nu 15 cent statiegeld gerekend. Voor grote flessen (> 1 liter) blijft het 25 cent. Inleveren kan nu in supermarkten, op treinstations, bij tankstations langs de weg en via cateraars. Ook wordt momenteel een producentenverantwoordelijkheid voorbereid voor textiel (zie ook onder 3.1.6). Naast het beleid in Nederland heeft ook de EU aangegeven dat circulaire economie belangrijk is. In november 2019 is door de nieuwe commissie aangegeven dat ontwikkeling van circulaire economie prioriteit nummer een is. Zo stelt het EU-Kaderrichtlijn Afvalstoffen dat in 2025 de voorbereiding voor hergebruik en 3
Uitvoeringsprogramma VANG - Huishoudelijk Afval Herijking voor de periode t/m 2025 Beschikbaar op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/03/10/bijlage-uitvoeringsprogramma-vang-hha-2021-2025 4 Kamerbrief over Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof - Huishoudelijk Afval 2021-2025. Beschikbaar op: Kamerbrief over Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof - Huishoudelijk Afval 2021-2025 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl 1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
12
Projectgerelateerd
de recycling van stedelijk afval verhoogd zijn tot minimaal 55 gewichtsprocent, in 2030 tot 60 gewichtsprocent en in 2035 tot 65 gewichtsprocent. Ook heeft de EU een richtlijn opgesteld om zwerfafval naar en op zee te voorkomen, de zogenaamde single use plastic (SUP)-richtlijn. Meer op lokaal niveau zijn belangrijke politieke thema’s in het afvalbeheer: De totale woonlasten cq stijging van afvalstoffenheffing; Verrommeling van straatbeeld (door bijv. bijplaatsingen) Serviceniveau / maatwerk voor burgers
3.1.2
Economische ontwikkelingen: nieuwe verdienmodellen
Op basis van trends in technologie en consumentengedrag zijn er in het algemeen vijf hoofdtrends in verdienmodellen binnen het economisch verkeer die in de komende jaren belangrijker worden: 1. Grootschalig maatwerk (‘mass customisation’): Door digitale ontwerp-platforms en fabricagetechnieken kan maatwerk worden geboden aan een groot publiek. 2. Peer-to-peer verkopen (’collaborative consumption’): Dit zijn alle verdienmodellen gebaseerd op delen, (om)ruilen, handelen of huren van producten. Dit is de tegenhanger van eigendom. 3. Abonnementsmodel (‘personal subscription’): Naast het traditionele abonnementsmodel (waarbij klanten een bedrag betalen om toegang te krijgen tot product en/ of dienst) is er een ‘Pay as You Go Subscription’-model (bijvoorbeeld HelloFresh) 4. Social merchandise: Social Merchandising is de verzamelnaam van activiteiten waarbij retailers via social media als Pinterest, Instagram, Google+, Tumblr, YouTube, Twitter of Facebook op voorhand fans/potentiële klanten vragen naar hun voorkeur voor producten. 5. Circulaire economie: In de circulaire economie staat het maximale hergebruik van producten en de waardevolle grondstoffen die erin verwerkt zijn centraal om waardevernietiging te voorkomen en negatieve milieueffecten te minimaliseren (bijvoorbeeld: gerecyclede jeans of oesterzwammen van koffieprut).
Al deze ontwikkelingen zijn er op gericht om de hoeveelheid materiaalgebruik te beperken. De mate waarin ze daarin slagen hangt uiteraard samen met de mate waarin consumenten bereid zijn dit soort alternatieve (deel)producten te omarmen. Vooralsnog is onduidelijk wat het kwantitatieve effect hiervan zal zijn op de hoeveelheid afval.
3.1.3
Sociaal-demografische ontwikkelingen: bevolkingsgroei en vergrijzing
Nederland kent landelijk een verwachte bevolkingsgroei. Het CBS verwacht een groei naar 18,4 mln inwoners in 2030 en 19,3 mln in 2050. Rekening houdend met een betrouwbaarheidsinterval van 95% ontstaat daarbij een bandbreedte zoals weergegeven in onderstaand figuur.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
13
Projectgerelateerd
Figuur 3-2 Landelijke bevolkingsontwikkeling (bron: CBS)
Wanneer de landelijke groei en betrouwbaarheidsinterval wordt toegepast op de bevolkingsomvang van het Avalex-verzorgingsgebied dan ontstaat het volgende beeld: Tabel 3-1 Prognose bevolkingsgroei verzorgingsgebied samenwerkende gemeenten (bron: CBS Statline). Gemeente
Gemiddelde stijging/daling
2020
2030
2050
Delft
105.600
117.800
129.900
Inwoners
+23,0%
Leidschendam-Voorburg
75.800
77.500
82.300
Inwoners
+8,6%
Midden-Delfland
19.391
19.378
19.369
Inwoners
-0,1%
Pijnacker-Nootdorp
54.500
57.385
59.745
Inwoners
+9,6%
Rijswijk
54.800
65.800
70.500
Inwoners
+28,6%
Wassenaar
26.211
25.712
25.354
Inwoners
-3,3%
Totaal
336.302
363.575
387.168
Inwoners
+15,1%
Tabel 3-2 Prognose groei in aantal aansluitingen samenwerkende gemeenten (bron: CBS Statline). Gemeente
2020
2030
Gemiddelde stijging/daling
2050
Delft
58.852
70.434
80.740
Aansluitingen
37%
Leidschendam-Voorburg
36.723
39.138
43.206
Aansluitingen
18%
Midden-Delfland
7.832
8.259
8.581
Aansluitingen
10%
Pijnacker-Nootdorp
21.511
23.490
25.424
Aansluitingen
18%
Rijswijk
26.470
33.667
37.498
Aansluitingen
42%
Wassenaar
11.529
11.861
12.158
Aansluitingen
5%
Totaal
162.917
186.849
207.607
Aansluitingen
27%
De prognoses laten een groei op de totale bevolking in het verzorgingsgebied van Avalex zien van circa 15% ten opzichte van 2020. Het aantal aansluitingen groeit harder met circa 27%. De hogere groei in
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
14
Projectgerelateerd
aansluitingen is in lijn met de landelijke prognose. Het aantal inwoners per huishouden daalt al jaren gestaag en dit zet zich in de komende decennia door. De daling komt met name door de individualisering van de samenleving. Mensen wonen vaker en langer alleen. Er zijn daarnaast grote verschillen op te merken tussen de verschillende gemeenten in het verzorgingsgebied van Avalex. In vooral meer verstedelijkte gebieden zoals de gemeenten Delft en Rijswijk groeit het aantal inwoners en aansluitingen harder dan in de andere gemeenten. In Midden-Delfland en Wassenaar wordt zelfs een lichte daling van het aantal inwoners verwacht
3.1.4
Technologische ontwikkelingen: digitalisering en robotisering
De toekomst van de technologische ontwikkelingen laat zich moeilijk in tijd te duiden. Kijkend naar de mogelijkheden nu versus 10 of zelfs 30 jaar terug, dan kan worden geconstateert dat bepaalde technologische ontwikkelingen bijzonder snel zijn gegaan: internetten, online winkelen, vliegen, digitalisering, sociale media, etcetera. Ook in de afvalwereld is het nodige gebeurd: van sec verbranden wordt er nu veelal verbrand met energieterugwinning, van composteren is men deels uitgebreid naar vergisten. Van gescheiden GFTinzameling via gescheiden plastic inzameling en PMD-inzameling kennen we nu ook het omgekeerd inzamelen met hoog serviceniveau voor gescheiden fracties, alsmede nascheiding van restafval. Tegelijkertijd zijn er ook nu technologieën in ontwikkeling waar men circa 10 jaar geleden ook al over sprak zoals bijvoorbeeld: vergassing, chemische recycling, pyrolyse, etc. Al met al lijkt de techniek lastig te voorspellen. Wat wel duidelijk lijkt is dat er toenemende mogelijkheden ontstaan door big data, chiptechnologie en robotisering, ook in de afvalscheiding.
3.1.5
Ecologische ontwikkelingen: onderdeel van klimaatbeleid
Er is in toenemende mate sprake van schaarste aan grondstoffen (met name edelmetalen). Dit vertaalt zich in een toenemende behoefte aan producthergebruik, materiaalhergebruik en recycling. Vanuit een breder ecologisch perspectief geldt dat materiaalhergebruik en recycling steeds belangrijker worden. Klimaatverandering en -beleid vereisen een reductie van CO2. De circulaire economie wordt daarbij steeds meer in perspectief geplaatst als een van de oplossingsrichtingen tegen klimaatverandering.
3.1.6
Legal: Wet- en regelgeving
Er zijn een aantal maatregelen binnen de wet- en regelgeving die van invloed zijn op de afvalhoeveelheden en -samenstelling: VANG-beleid: binnen het deelprogramma VANG- Huishoudelijk Afval (HHA) is de ambitie vastgelegd: o om tot 75% afvalscheiding te komen. Deze ambitie is verder geconcretiseerd in een streven om nog maximaal 100 kg restafval (fijn en grof samen) per inwoner te produceren; o om tot 55% recycling van afvalstoffen te komen in 2025, oplopend naar 60% in 2030. Rijksbrede programma Circulaire economie: o in 2030 moet Nederland al 50% minder primaire grondstoffen gebruiken (mineralen, metalen en fossiel). o in 2050 moet Nederland volledig circulair zijn en een economie hebben zonder afval, waarbij alles draait op herbruikbare grondstoffen. EU-Kaderrichtlijn Afvalstoffen: de voorbereiding voor hergebruik en de recycling van stedelijk afval moet verhoogd zijn: o in 2025 tot minimaal 55 gewichtsprocent, o in 2030 tot 60 gewichtsprocent, en o in 2035 tot 65 gewichtsprocent.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
15
Projectgerelateerd
5 6
SUP-richtlijn: de Europese Unie (EU) wil wegwerpplastic verminderen en meer plastic inzamelen en recyclen om zo plastic afval in zee te verminderen. Enkele maatregelen die in de richtlijn zijn opgenomen zijn5: o vanaf 2021 is er een verbod op bepaalde plastic wegwerpproducten; o vanaf 2021 moeten lidstaten zorgen voor minder gebruik van plastic on-the-go verpakkingen (zoals drinkbekers en voedselcontainers); o vanaf 2025 moeten PET-flessen voor minstens 25% uit gerecyclede kunststoffen bestaan. In 2030 moet dit minstens 30% zijn; o in 2025 moet minimaal 77% van alle plastic drinkflessen tot 3 liter worden ingezameld. In 2029 moet dit minimaal 90% zijn. Besluit statiegeld op blik en kleine plastic flesjes: producenten van flesjes frisdrank en water zijn verantwoordelijk voor de invoering van een statiegeldsysteem. o 1 juli 2021 wordt statiegeld op kleine plastic flesjes ingevoerd; o in het najaar van 2021 moet 70-90% minder blikjes in het zwerfaval zijn gerealiseerd. Lukt dat niet, volgt ook statiegeld op blikjes. Uitgebreide Producenten Verantwoordelijkheid (UPV): Er is en komt een uitbreiding van het systeem met producentenverantwoordelijkheid middels een UPV voor textiel en matrassen: o Per 2022 is een UPV voor matrassen in werking getreden.
Gezien de zeer korte doorlooptijd tussen het verbindend verklaren door de Rijksoverheid (20 december 2021) en de ingangsdatum (1 januari 2022) is dit systeem nog niet geheel gereed. Dit systeem wordt de komende maanden verder vormgegeven. o Insteek is per 2023 een UPV voor textiel in werking te laten treden. Het ligt voor de hand dat gemeenten hierin een rol krijgen bij de inzameling maar formele afspraken zijn hierover nog niet gemaakt. Binnen een UPV hebben gemeenten veelal een rol in de inzameling waarvoor ze dan een landelijk vastgestelde vergoeding voor krijgen. De uiteindelijke rol van gemeenten in die inzameling en de vergoedingen hiervoor zijn daarbij sterk afhankelijk van landelijk gemaakte en te maken afspraken met producentenvertegenwoordigers. Zo kennen gemeenten bijvoorbeeld ook een rol in de PMD-inzameling en de inzameling van apparaten (AEEA). Het ligt in de lijn der verwachting dat dit ook voor textiel gaat gelden maar hierover zijn nog geen afspraken. Ook in kader van grondstofbehoud kunnen producenten er ook voor kiezen om via eigen of private kanalen retoursystemen op te zetten (bijvoorbeeld korting op nieuwe kleding als je oude inlevert). Zo gaat het Afvalfonds Verpakkingen een landelijk dekkend netwerk van circulaire hubs opzetten waar de consument per 31 december 2022 statiegeldblikjes in kan leveren.
De hubs worden ook geschikt gemaakt voor de inname van andere materiaalstromen zodat de consument in de toekomst op één punt meerdere zaken kan inleveren voor recycling en hergebruik. Het netwerk van circulaire hubs staat open voor de inzameling van andere materialen die bijvoorbeeld nu nog te gemakkelijk verdwijnen in het restafval. Het Afvalfonds gaat hierover in gesprek met de betrokken producentenverantwoordelijken en andere partijen voor andere stromen6. Hoewel gemeenten hier in de vergunningensfeer deels mogelijk nog invloed op kunnen blijven uitoefenen, biedt het in potentie wellicht bijvoorbeeld ook mogelijkheden voor inzameling van textiel. Met andere woorden: de ingezamelde hoeveelheden via gemeentelijke inzamelmiddelen en -systemen kunnen hiermee onder druk komen te staan.
Bron: www.Rijksoverheid.nl Lancering circulaire hub voor verpakkingen - Afvalfonds verpakkingen
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
16
Projectgerelateerd
3.2
Landelijke ontwikkelingen inzamelvarianten
Omgekeerd Inzamelen (Het Nieuwe Inzamelen) Het principe van service versoberen op restafval en verhogen op grondstoffen laat landelijk betere scheidingsresultaten zien dan geen-servicedifferentiatie. Er is daarbij minder restafval. Ook de totale beheerkosten zijn gemiddeld lager dan wanneer en geen sprake is van service-differentiatie. In de hoogbouw zijn inwoners al gewend om het restafval weg te brengen. De extra serviceprikkel is hier minder van toepassing. Door plaatsing van extra verzamelcontainers voor grondstoffen kan mogelijk de loopafstand afnemen ten opzichte van die voor restafval, waardoor een soortgelijk effect ontstaat. Frequentieverlaging in de laagbouw (restafval minder vaak ophalen) Landelijk is aangetoond dat deze prikkel (vaak samen met Diftar of HNI) huishoudens aansporen meer afval te scheiden. Een dergelijk systeem vraagt echter om een aantal aanvullende maatregelen om bewoners die noodgedwongen of tijdelijk meer restafval produceren te ontzien. Hierbij moet gedacht worden aan het faciliteren van aparte inzameling van luiers en incontinentiemateriaal en/of het op aanvraag verstrekken van een extra minicontainer voor restafval.
Diftar - variabele afvaltarieven, tarief per hoeveelheid of keer dat restafval aangeboden wordt Uit de benchmark blijkt dat Diftargemeenten significant minder restafval en lagere kosten hebben dan gemeenten die geen Diftar hebben toegepast. Diftargemeenten bleken in 2020 48% minder restafval en 14% lagere beheerkosten te hebben dan niet-Diftargemeenten. Bovendien hebben (vrijwel) alle gemeenten met minder dan 100-kg restafval per inwoner Diftar ingevoerd. Verder bleek uit de benchmark 2020 dat Diftargemeenten minder gevoelig waren voor corona-grilligheden. Het restafvalaanbod in deze gemeenten steeg minder hard dan in niet-Diftargemeenten. In Nederland wordt in hoogbouwklasse A (waartoe Delft, Leidschendam-Voorburg en Rijswijk behoren) geen vorm van Diftar toegepast. Dat wordt mogelijk veroorzaakt doordat investeringen hoog zijn. Te denken valt dan aan een (digitaal) pasjessysteem, aanpassing aan containers en communicatiecampagnes. Ook geldt dat in hoogbouwgebieden vaker sprake is van variatie in inzamelsystemen. Er is bijvoorbeeld een combinatie van (ondergrondse) containers, zakken-inzameling en/of (inpandige) rolcontainers. Deze diversiteit maakt een harmonisatie en een objectieve grondslag voor Diftar gecompliceerder. In verstedelijkt gebied speelt daarnaast een rol dat niet iedereen dezelfde mogelijkheden tot afvalscheiding heeft.
De gemiddelde woonruimte is vaak kleiner, waardoor er in huis ook minder ruimte is om afval gescheiden te verzamelen. Ook communicatie vormt een barrière voor stedelijke gemeenten om Diftar in te voeren. De inwoners van grote steden zijn vaak heterogeen in termen van woonsituatie en nationaliteit. Het beleid aan alle huishoudens duidelijk maken vraagt in dat geval om verschillende vormen van communicatie. Verschillende groepen inwoners kunnen anders reageren op hetzelfde beleid. Steden hechten daarom veel waarde aan gedifferentieerd beleid voor verschillende wijken7. Noot: kwaliteit grondstoffen onder druk Voor de inzamelstrategieën HNI, frequentieverlaging en Diftar geldt het risico van vervuiling van de grondstoffen. Een landelijke dataset/benchmark is er (nog) niet, maar veel gemeenten meldden dat het aantal afgekeurde GFT-, PMD-, en papiercontainers is toegenomen - vooral na invoer van Diftar. Dit kan worden veroorzaakt doordat bewoners restafval in de containers gooien die daar niet voor zijn bedoeld (bijv. om kosten te voorkomen). De oorzaak van toenemende vervuiling kan echter ook onwetenheid zijn. Flankerende maatregelen, zoals communicatie- en participatietrajecten en inzet op toezicht en handhaving zijn daarom altijd noodzakelijk.
7
Diftar in Nederland: verschillen tussen oost en west, CPB Achtergronddocument, september 2019.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
17
Projectgerelateerd
Nascheiding PMD Gemeenten met sterk verstedelijkte gebieden waar in huishoudens en in de openbare ruimte weinig ruimte is om afval apart op te slaan, zijn veelal overgestapt of geneigd over te stappen op nascheiding van PMD. Ook in gebieden waar PMD qua hoeveelheid aan de bron goed gescheiden wordt, kan een matige kwaliteit c.q. matige recyclebaarheid van het gescheiden PMD, reden zijn om te kiezen voor nascheiding. Ook het verlagen van beheerkosten (inzameling en extra containers) kunnen reden zijn om van bronscheiding af te stappen. Vanwege de grote investeringen in nascheidingsinstallaties zijn verwerkers wel geneigd om vooral restafval na te scheiden waarop geen bronscheiding voor PMD heeft plaatsgevonden. Een tegenargument bij nascheiding van PMD is het communicatiepotentieel. Bewoners geven vaak aan dat ze door het scheiden van plastic pas echt zien hoeveel minder restafval ze hebben. Extra stap in nascheiding PMD (PMD+, nat/droog) Verwerkers geven aan dat ze nog veel meer te recyclen afvalstromen uit het huishoudelijk restafval kunnen scheiden, mits die stroom maar droog is en dus geen GFT meer bevat. Ook dient er een afzetmarkt te zijn voor die stromen. Als gemeenten het GFT voor 100% uit het restafval weten te houden, wordt het restafval een verzameling scheidbare grondstoffen met nog een klein beetje echt (te verbranden) restafval.
In theorie zouden bestaande voorzieningen omgekat kunnen worden tot gfe- en droge grondstoffenmix containers. Naast de technische nascheidbaarheid van de droge fractie is een verbeterde respons op GFT hierbij randvoorwaardelijk. Gelet op het relatieve aandeel van GFT in het restafval gaat hier juist ook bij hoogbouw landelijk veel aandacht naar uit om dit aandeel te verminderen. Een sluitende eenvoudige en haalbare succesformule hiervoor lijkt daarbij nog niet gevonden. Deze systematiek vergt naar verwachting een forse inzet op communicatie en handhaving, maar zou op lange termijn kunnen leiden tot een significante verlaging van afvalbeheerkosten – terwijl het systeem voor bewoners vereenvoudigd wordt.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
18
Projectgerelateerd
4
Het Avalex keuzemenu
De PESTEL-analyse en de landelijke ontwikkelingen geven de kaders waarbinnen de huishoudelijke afvalinzameling zich ontwikkelt (3.1). In 3.2 zijn verschillende inzamelvarianten toegelicht waar binnen Nederlandse gemeenten gebruik van wordt gemaakt. Met Avalex en haar gemeenten zijn deze alternatieven besproken om tot een aantal alternatieven te komen die als scenario zijn doorgerekend: Het keuzemenu.
4.1
Keuzes scenario’s
In een werksessie met Avalex en haar deelnemende gemeenten is gekozen voor een aantal inzamelvarianten die in alle gemeenten potentieel een rol kunnen spelen voor het verbeteren van de resultaten op het gebied van huis-aan-huis-inzameling, zie ook bijlage A. Verwerking tot scenario’s De 4 varianten die als interessant aangemerkt zijn, zijn in samenspraak met Avalex en de gemeenten verwerkt tot 6 scenario’s. Vier betreffen de verschillende zelfstandige varianten. Ook zijn twee combinatiescenario’s opgenomen, waarbij Diftar wordt gecombineerd met frequentieverlaging en HNI. Andere combinaties van scenario’s zijn door de scope van deze opdracht niet wenselijk geacht door Avalex of zijn praktisch niet uitvoerbaar. Daarmee worden in de gemeenten de volgende scenario’s doorgerekend: 0. 1. 2. 3. 4. 5. 6.
4.2
Baseline (huidige situatie) Verdere doorvoering omgekeerd inzamelen (HNI) Laagfrequente restafvalinzameling Diftar Diftar + laagfrequente restafvalinzameling Diftar + doorvoering omgekeerd inzamelen Nascheiding
Archetypebenadering
In iedere gemeente geldt een andere situatie, zowel qua huidige milieuprestaties als qua inzamelmiddelen. Om rekening te houden met de bestaande lokale context en de toepasbaarheid van scenario’s zijn voor iedere gemeente een aantal standaardtypologieën of archetypes ontwikkeld, die geclusterd zijn in hoog- en laagbouw. Grofweg wordt met deze archetypes rekening gehouden met de hoog- of laagbouwsituatie en de mate waarin Het Nieuwe Inzamelen (HNI) is toegepast binnen de gemeente. Op die manier kunnen de effecten van maatregelen specifieker in kaart worden Figuur 4-1 exemplarisch voorbeeld gebracht zonder daarbij in detail in te gaan op specifiek wijkniveau. Ook zijn van verdeling archetypes (geen niet in alle archetypes dezelfde inzamelvarianten van toepassing. Avalex-gemeente) De inzameling binnen de gemeenten is in samenspraak met Avalex verdeeld in een zestal algemene archetypes. De resultaten hiervan zijn opgenomen in onderstaand overzicht. Tevens is in de onderste helft van het overzicht opgenomen welke inzamelvarianten of maatregelen logischerwijs van toepassing zouden kunnen zijn op de verschillende archetypes.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
19
Projectgerelateerd
Tabel 4-1 - Overzicht archetypes; inzamelmiddelen en van toepassing zijnde inzamelvarianten Typering van archetypes en toepasbaarheid van inzamelvarianten op archetypes Laagbouw 1: HNI met 2 of 3 mini’s
Laagbouw 2: Reguliere laagbouwi nzameling met 3 of 4 mini’s
Laagbouw 3: Centrale inzameling alle stromen
Hoogbouw 1: Centrale inzameling 4 stromen
Hoogbouw 2: Inpandige inzameling 3 à 4 stromen
Binnenstedelijk 1: Binnenstedelijke inzameling
Restafval
OC / VC
MC
OC / VC
OC / VC
VC
Zakken / VC
GFT
MC
MC
OC / VC
OC / VC
OC / VC
Niet apart ingezameld
Papier
MC
MC
OC / VC
OC / VC
OC / VC
OC / bundels
PMD
MC / OC / VC
MC / OC / VC
OC / VC
OC / VC
Niet (altijd) apart ingezameld*
Niet apart ingezameld*
MC = minicontainer, OC = ondergrondse container, VC = (in-/uitpandige) verzamelcontainer Mogelijke aanvullende inzamelvarianten per archetype8 × (HNI is reeds van toepassing)
✓
× (HNI is reeds van toepassing)
× (HNI is reeds van toepassing)
✓
✓
×
✓
×
×
×
×
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
HNI
Laagfrequent
€ Diftar
Nascheiding
8
Dit betreft een combinatie die logischerwijs haalbaar kan zijn. Zo is bijvoorbeeld laagfrequente restafvalinzameling bij ondergrondse inzameling als sturingsmaatregel voor minder restafval niet logisch; bij inzameling met minicontainers daarentegen weer wel. 1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
20
Projectgerelateerd
4.3
Methode afvalscheidingsresultaten nieuwe varianten
Op basis van een werksessie zijn voor milieu twee KPIs opgenomen om voortgang te meten – in lijn met de landelijk gestelde VANG-doelstellingen: jaarlijks aantal kg restafval per inwoner en het percentage afvalscheiding (gescheiden stromen gedeeld door totaal ingezameld afval). Om het effect op huis-aanhuis inzameling goed te meten is de scope van deze methodiek alleen gericht op de stromen die met het huishoudelijk afval aan huis of in wijkcontainers ingezameld worden, dat wil zeggen fijn restafval, GFT, OPK en PMD. Daarmee kan bijvoorbeeld het percentage afvalscheiding afwijken van de afvalscheiding in de kwartaalrapportages die Avalex hanteert omdat (aanvullende) gescheiden stromen uit milieustraten of milieuparken niet zijn meegenomen. De effecten van de scenario’s op de hoeveelheid ingezameld afval is gebaseerd op een analyse op basis van een aantal bronnen: CBS-Statline (huishoudelijke afvalinzamelingshoeveelheden) 9 , de landelijke rapportage afvalstoffenheffing10, de benchmark huishoudelijk afval 202011 en het NVRD-rekenmodel12. Met behulp van deze data is voor ieder scenario vastgesteld hoeveel het restafval afneemt ten opzichte van de huidige situatie. Deze hoeveelheid afname is vervolgens verdeeld over gescheiden stromen en (eventueel) afvalpreventie.
In onderstaande paragrafen is de impact op de vermindering van de hoeveelheid restafval weergegeven zoals toegepast is in het model, inclusief een verschil dat opgenomen is voor hoog- en laagbouw. Deze vermindering is in het model toegewezen aan de verschillende archetypes. Tabel 4-2 - Afname restafval in scenario’s 1-5 (gebaseerd op NVRD; CBS en benchmark huishoudelijk afval)
Scenario
Laagbouw: Vermindering restafval per inwoner
Hoogbouw: Vermindering restafval per inwoner
1. Omgekeerd inzamelen (HNI)
-14% - -15%
-11% - -12%
2. Frequentieverlaging
-4 - -5%
n.v.t.
3. Diftar
-19% - -44%
-16% - -25%
4. Diftar + Frequentieverlaging
-24 - -47%
-20 - -31%
5. Diftar + omgekeerd inzamelen (HNI)
-26% - -68%
-21% - -36%
Bij een verlaging van de hoeveelheid restafval worden meer gescheiden stromen ter verwerking aangeboden. Aangenomen is dat de vermindering van het restafval zich evenredig verdeelt over het aantal gescheiden stromen conform de huidige verdeling van de gescheiden stromen. In het model wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen hoog- en laagbouw. Tabel 4-3 - Omslag restafval in gescheiden stromen. Aannames o.b.v. huidige scheidingcijfers Avalex Gescheiden stroom
Percentage van verminderd restafval dat nieuwe stroom wordt - Laagbouw
Percentage van verminderd restafval dat nieuwe stroom wordt - Hoogbouw
GFT
57%
51%
Oud papier en karton
36%
33%
PMD
7%
6%
9
Centraal Bureau voor de Statistiek. Huishoudelijke afval per gemeente per inwoner [Dataset]. Geraadpleegd op 30 november 2021 op https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83452NED/table?ts=1643708134072 10 Afvalstoffenheffing 2020 / Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving. – Utrecht : Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving, 2020. 11 NVRD & Rijswaterstaat – (2020). Benchmark Huishoudelijk Afval – analyse peiljaar 2019. 12 Rekentool voor omgekeerd inzamelen en Diftar (30 november 2021). Geraadpleegd op 30 november 2021 op: https://www.vang-hha.nl/nieuws-achtergronden/2018/rekentool-omgekeerd/ 1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
21
Projectgerelateerd
Gescheiden stroom
Percentage van verminderd restafval dat nieuwe stroom wordt - Laagbouw
Percentage van verminderd restafval dat nieuwe stroom wordt - Hoogbouw
Overige stromen (niet huis-aan-huis ingezameld)
-
5%
Preventie
-
5%
Nascheiding Voor nascheiding (scenario 6) wordt in het model gewerkt met een standaard hoeveelheid PMD per inwoner. Er wordt hierbij uitgegaan van de gemiddelde totale hoeveelheid PMD dat in Nederland per inwoner als afval wordt aangeboden (los van of en hoe het nu gescheiden wordt). Nascheidingsinstallaties zijn nog niet in staat alle PMD uit het restafval te halen. Veelal wordt er een 2D en een 3D-fractie nagescheiden. De 3Dfractie wordt vervolgens in een sorteerinstallatie verder uitgesorteerd in de verschillene kunststoffen zoals PET, PE en PP. Op basis van onze expertise is een inschatting gemaakt van de effectiviteit van de nascheidingsinstallatie (oftewel, de hoeveelheid PMD die de installatie scheidt uit de totale hoeveelheid PMD). Op basis van deze kengetallen, die opgenomen zijn in onderstaande tabel, wordt de hoeveelheid te verbranden restafval berekend. Op basis van de gehanteerde getallen wordt 40% van het PMD in het restafval alsnog verbrand. Tabel 4-4 - Uitgangspunten PMD-opbrengst bij nascheiding Indicator
Hoeveelheid
Aandeel (%) PMD in restafval (na toevoeging hoeveelheid brongescheiden PMD-stroom
15%
Effectiviteit nascheidingsinstallatie (aandeel PMD dat uit de stroom PMD in het restafval wordt nagescheiden)
60%
4.4
Benadering kosten van nieuwe varianten
Voor de kosten worden een vijftal posten in scope genomen die geassocieerd kunnen worden met de huisaan-huis inzameling. Deze posten zijn in eerste instantie doorgerekend voor de huidige situatie (baseline) op basis van de huidige afvalhoeveelheden per gemeente en de DVO waarin de inzamelkosten, aantal routes en ledigingsfrequentie zijn opgenomen. Tabel 4-5 - Algemene rekenbasis voor verschillende kostenposten Kostenpost voor huis-aanhuisinzameling
Basis voor berekening
Verwerkingskosten
Voor iedere afvalstroom: Tonnages ingezameld afval ter verwerking × verwerkingskosten per stroom
Inzamelkosten
Voor iedere afvalstroom: Aantal routes × Inzamelfrequentie × Inzamelkosten per route Voor iedere containersoort (mini, verzamelcontainer, ondergrondse container)
Containerkosten
Kosten systeemwijziging (Diftar)
Aantal containers × (jaarlijkse kapitaalkosten per container + jaarlijkse onderhoudskosten per container) Kengetal jaarlijkse structurele kosten Diftar per aansluiting × Aantal aansluitingen + (Kengetal eenmalige invoeringskosten Diftar per aansluiting × Aantal aansluitingen) / Afschrijvingstermijn van invoeringskosten in jaren
De scope van de kosten betreft enkel de kosten die betrekking hebben op de inzameling en verwerking van de desbetreffende afvalstromen. Er is hierbij dus geen rekening gehouden met kostenmutaties die als gevolg van nieuwe inzamelvarianten kunnen ontstaan buiten de afvalinzameling, zoals toenemend zwerfafval of illegale dumpingen. 1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
22
Projectgerelateerd
Voor het berekenen van de kosten die het gevolg zijn van de nieuwe inzamelvarianten is rekening gehouden met nieuwe afvalvolumes, nieuwe inzamelfrequenties, nieuwe inzamelefficiëntie en kosten van een systeemwijziging (Diftar). Zie bijlage B voor een beschrijving van deze methodiek. Voor iedere post is daarbij een toelichting opgenomen hoe de wijziging van de inzamelkosten is doorgerekend voor de verschillende scenario’s.
4.5
Benadering impact op service
Het precieze effect van de verschillende scenario’s en varianten op service is niet in (openbare) kwantitatieve rapportages gekwantificeerd. Op basis van onze expertise in huishoudelijke afvalinzameling is daarom een inschatting gemaakt van de vooruitgang of achteruitgang in serviceniveau door over te stappen naar een andere variant. Service is daartoe geoperationaliseerd in lijn met de subcategorieën zoals gehanteerd in de huishoudelijke afvalbenchmark: “intensiteit dienstverlening/aantal ophaalrondes per jaar”, “voorzieningendichtheid”. Aanvullend is een categorie toegevoegd om de inspanningen te duiden die burgers moeten verrichten om afval aan te bieden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de bewonersenquête die in opdracht van Avalex is uitgevoerd, als nuance op de conclusies voor de gemeenten en voor de kernconclusies.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
23
Projectgerelateerd
5
Resultatenkaart per type gemeente
Voor de twee type gemeenten (klasse A en C) is een resultatenkaart opgenomen waarin een samenvatting van de uitkomsten van de scenario’s is opgenomen op het gebied van milieu, service en kosten. Aanvullend is een tabel opgenomen waarin per gemeente een nadere duiding is opgenomen van de verwachte effecten. Het onderlinge verschil tussen de gemeenten wordt in grote lijnen verklaard door: Stedelijkheidsklasse Huidige kosten inzameling per stroom Huidige afvalscheidingsprestatie De mate waarin Het Nieuwe Inzamelen (HNI) is ingevoerd De uitgangspunten en aannames voor de berekeningen zijn beschreven in hoofdstuk 4 en in bijlage B, maar in het kort zijn de belangrijkste meegenomen in onderstaande disclaimer: Disclaimer Algemeen De scope van deze exercitie betreft alleen (fijn) huishoudelijk Restafval, GFT, Oud Papier en karton en PMD die huis-aan-huis of via milieuparken wordt ingezameld. Het totale scheidingsrendement wijkt hiervan af als gevolg van effecten van van afvalscheiding van stromen zoals glas, textiel en grofvuil. Vanuit de baseline (situatie 2021) is tevens de hoeveelheid restafval voor de verschillende varianten visueel weergegeven. Het daaronder genoemde percentage betreft de relatieve verandering ten opzichte van de baseline en is een theoretische berekening op basis van eerder genoemde uitgangspunten.
Voor zowel milieu- als kostenresultaten zijn bandbreedtes opgenomen in de resultaten, waarin optimistische en pessimistische resultaten zijn meegenomen op basis van de inschatting vanuit RHDHV. Voor de scenario’s met Diftar geldt dat de optimistische resultaten gebaseerd zijn op een interne rapportage van Eureco die aan Avalex beschikbaar gesteld is. Milieu De afvalscheidingsresultaten zijn gebaseerd op gemiddelde prestaties van gemeenten die deze systemen hanteren. Omdat veel gemeenten nog niet lang van deze inzamelvarianten gebruik maken zijn deze afvalscheidingsresultaten daarmee slechts indicatief: vermoedelijk kunnen ze hoger uitvallen naarmate het systeem langer in gebruik is. Tegelijkertijd bieden dergelijke gemiddeldes geen garantie voor het daadwerkelijk behalen van deze resultaten. Ogenschijnlijk vergelijkbare gemeenten in bijvoorbeeld hoogbouwklasse kunnen een geheel andere bevolkingssamenstelling hebben met ander afvalscheidingsgedrag – en cultuur. Resultaten zijn geen garantie, maar zijn een indicatie op basis van huidige resultaten die behaald zijn in vergelijkbare Nederlandse gemeenten. De gepresenteerde afvalscheidingscheidingsresultaten betreffen enkel het percentage over de aan huis ingezamelde stromen. In de praktijk zal dit percentage door afvalscheiding van andere stromen op de milieuparken en mileustraten hoger uitvallen.
De hoeveelheid afgekeurde PMD is opgenomen als extra te verwerken restafval, en als zodanig weergegeven in de afvalscheidingsresultaten en kostenkengetallen. De gepresenteerde hoeveelheid restafval betreft fijn huishoudelijk restafval. De VANG-doelstelling van 100 kg per inwoner betreft een combinatie van fijn en grof restafval.
1-6-2022
BI2268-IB-RP-220211-2242
24
Projectgerelateerd
Kosten algemeen De vergoeding voor PMD (in scenario’s met bronscheiding en nascheiding) en de opbrengsten voor oud papier en karton en de verwerkingskosten voor restafval en GFT zijn verdisconteerd in de weergegeven kosten. De weergegeven kosten betreffen dus de netto kosten (inclusief aftrek van vergoedingen). De inzamelkosten betreffen het deel van de DVO dat geassocieerd wordt met afvalinzameling van de vier stromen. Dit betreft dus o.a. personeelkosten, voertuigkosten, verwerkingskosten en onderhoudskosten van containers. Voor alle kosten geldt dat er met huidige tarieven gerekend is. Deze tarieven kunnen in de toekomst variëren waardoor de kosten in de toekomst er anders uit kunnen zien. Door bijvoorbeeld een hogere verbrandingsbelasting en/of de introductie van een heffing op CO2-emissies kunnen de verwerkingskosten van restafval toenemen, waardoor scenario’s die leiden tot relatief minder restafval positiever kunnen uitpakken. Kosten Diftar Voor de kosteninschatting voor Diftar is onderscheid gemaakt in investeringskosten (afschrijving 8 jaar) en structurele meerkosten in de exploitatie. Deze kosten zijn gebaseerd op de rapportage van VANG-support en NVRD over de financiële implicaties van Diftar (2021).