Rapport Delftse Rekenkamer Beleving en beleid -mei 2026
Tekst van het document
Voor de inzet in Delft-West is het gebiedsplan Wij West 2023-2043 leidend.6 Dit gebiedsplan is verder geconcretiseerd in de uitvoeringsagenda Wij West 2024 t/m 2027 en in drie specifieke uitvoeringsplannen 20242025 voor de wijken Buitenhof, Voorhof en Tanthof-West.7 De projecten en initiatieven die met extra middelen vanuit het Rijk en partners nieuw opgezet worden, of uitgebreid worden, worden de plusopgaven genoemd. Deze hebben zijn gericht op de middellange termijn en hebben betrekking op zes onderwerpen: 1) sociale verbinding, 2) wonen en duurzaamheid, 3) talentontwikkeling jeugdigen en veiligheid, 4) armoede en schulden, 5) verbinding onderwijs en arbeidsmarkt en 6) gezondheid. Naast de plusopgaven is door wijkuitvoeringsplannen ook in kaart gebracht welke specifieke opgaven er zijn in de wijken Tanthof-West, Voorhof en Buitenhof. Deze zijn bepaald vanuit de behoeften van inwoners, ondernemers en professionals van organisaties en gemeente. De opgaven in de wijk zijn gericht op de korte termijn.
6 Gebiedsplan Wij West 2023-2043, 21 november 2023 7 Uitvoeringsagenda Wij West 2024 t/m 2027, Samen impact maken!, augustus 2024
28
Monitoring en voortgang De voortgang om de doelen voor de plusopgaven te halen wordt in het gebiedsplan periodiek cijfermatig in beeld gebracht. Er zijn negentien kernindicatoren bepaald door het NPLV, aangevuld met specifieke indicatoren voor thema’s van Wij West. In totaal zijn er 68 kwantitatieve indicatoren gebruikt in de eerste voortgangsrapportage, Wij West 2024. Die worden aangevuld met kwalitatieve data over de ervaren betekenis en impact van de activiteiten voor inwoners, en data over het aanbod, gebruik en bereik van activiteiten. In de voortgangsrapportage Wij West 2024, komen de kwantitatieve en kwalitatieve data samen.8 In deze voortgangsrapportage wordt in eerste instantie beschouwd in hoeverre de beweging ingezet is die men voor ogen heeft. Vervolgens wordt er per hoofddoel weergeven in welke mate men op koers is om de doelen te halen. Het gaat dan om een overzicht van de kwantitatieve indicatoren en een overzicht van de verschillende initiatieven. De voortgang van de initiatieven is verdeeld in vier categorieën: in uitvoering en verloopt volgens plan (groen), in uitvoering maar loopt achter (geel), in voorbereiding (oranje) en nog niet in voorbereiding (rood). Daarna volgt een overzicht van de verschillende deelprogramma’s voor plusopgaven. Hieronder worden Preventie met Gezag, de SPUK kansrijke Wijk en de Regiodeal Delft-West verstaan.
Tot slot wordt een overzicht gegeven van de 68 kwantitatieve indicatoren en de voortgang van de verschillende wijkuitvoeringsplannen die vastgesteld zijn voor Buitenhof, Tanthof-West en Voorhof. Financiële verantwoording De financiële verantwoording is voornamelijk te vinden in de programmabegroting en jaarrekening van de gemeente Delft gekeken worden en in beperkte mate in de voortgangsrapportage. De voortgangsrapportage geeft aan uit welke regelingen de kosten voor initiatieven worden gefinancierd, maar de relatie vanuit totale inkomsten naar specifieke projecten is niet volledig te leggen. Een overzicht van welk geld beschikbaar is gesteld aan de verschillende plannen en daarmee aan welke resultaten dit heeft bijgedragen, zou de verantwoording nog kunnen verdiepen. In de programmabegroting 2026-2029 van de gemeente Delft is Delft-West opgenomen als één van de drie grote opgaven.9 Daaruit blijkt dat de gemeente als partner via de Kadernota 8 Voortgangsrapportage Wij West 2024, juni 2025 9 Programmabegroting 2026-2029: “Om de stad te versterken en te zorgen dat iedereen daarvan profiteert en mee kan
doen, focussen we onze inzet op drie grote opgaven. We geven voorrang aan investeringen in die opgaven: Delft-West, Innovatiedistrict Delft (IDD) en Energietransitie. We willen alle inwoners gelijke kansen bieden en werken daarom aan leefbaarheid en veiligheid in Delft-West. (…) In de Kadernota 2023 zijn incidentele middelen gereserveerd voor DelftWest (€ 10 miljoen) en IDD (€ 8 miljoen) en er was al € 15 miljoen voor de energietransitie.”
29
2023 een bedrag van 10 miljoen beschikbaar gesteld heeft. Een groot deel van deze financiële ruimte is al ingevuld met bijdragen aan het programma Langer en Weer Thuis, investeringen in schuldhulpverlening, cultuur en aanvragen cofinanciering Volkshuisvestingsfonds en Regiodeal. De overige middelen blijven gereserveerd voor aanvullende maatregelen. De bijdragen van het Rijk aan het gebiedsprogramma, door middel van SPUK’s en fondsen, komen binnen bij de gemeente. De gemeente vervuld vervolgens een kassiersrol voor het programma. Daarom is er ook een totaaloverzicht beschikbaar van de bijdragen van het Rijk in de programmabegroting 2026-2029. Hoe de bijdragen van de gemeente Delft en het Rijk zich verhouden tot de totale kosten van het programma, is niet te zeggen. Andere partners stellen namelijk ook inhoudelijke bijdragen, bijdragen in termen van capaciteit, en/of middelen zoals financiën en vastgoed beschikbaar. Daar zijn geen overzichten van. 3.2. Uitvoeringsstructuur Vanuit het NPLV worden verschillende eisen gesteld aan de uitvoeringsstructuur.10 Zo zijn er in NPLV-gebieden bestuurlijke allianties opgezet en worden er periodiek alliantieoverleggen georganiseerd. De burgemeester is hier voorzitter van. Voor de ondersteuning van de alliantie hebben gemeenten het initiatief genomen tot het inrichten van een onafhankelijke programmaorganisatie.
De netwerksamenwerking is aan deze voorwaarden gebonden. De netwerksamenwerking als uitgangspunt Voor de uitvoering van het gebiedsplan Wij West is niet één partij of organisatie verantwoordelijk. De verschillende betrokken organisaties hebben zich georganiseerd in een publiek-private alliantie en zijn daarmee partner van de Alliantie Wij West. Deze alliantie beschikt niet over formele verantwoordelijkheden: deze blijven bij de verschillende betrokken organisaties. De alliantie is daarmee geen aparte juridische structuur en geen formeel netwerk. Iedereen die bij wil dragen aan het gebiedsplan en de uitvoeringsagenda kan er onderdeel van worden. Daarnaast gaan partners uit de Alliantie Wij West zelf over de inzet die zij bijdragen. Dat kan bijvoorbeeld gaan om inhoudelijke bijdragen, bijdragen in termen van capaciteit, en/of middelen zoals financiën en vastgoed.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Juli 2022. 10
30
De Alliantieraad Wij West Aan het hoofd van de alliantie staat de Alliantieraad Wij West. De Alliantieraad bestaat uit vertegenwoordigers van een deel van de betrokken organisaties en faciliteert het netwerk Wij West in het bereiken van de doelen en ambities. Leden van de Alliantieraad zijn ambassadeur, verbinden Wij West aan hun domein en zien erop toe dat de afgesproken bijdragen geleverd worden. De individuele partners binnen de Alliantieraad nemen deel vanuit hun eigen functie en niet namens de organisatie waar zij werkzaam zijn. Wel hanteren zij het mandaat zoals dit in de eigen organisatie opgesteld is. De Alliantieraad is een zelfstandige entiteit, maar heeft geen aparte juridische vorm. Leden van de Alliantieraad doen dit onbezoldigd. Een overzicht van de leden is opgenomen als tabel 2. Het is niet duidelijk vastgelegd hoe de leden van de Alliantieraad geselecteerd en benoemd worden. Onze indrukken uit de interviews is dat mensen vanuit bestaande netwerken of ervaringen in de wijk individueel worden benaderd om lid te worden.11 Tabel 2 : leden van de Alliantieraad Wij West Functie en organisatie
Rol en domein
Burgemeester gemeente Delft
Voorzitter en domein veiligheid
Wethouder Wonen, Zorg, Onderwijshuisvesting en Sport gemeente Delft
Gebied Delft-West en verbinding gemeente Delft
Vertegenwoordiger Rijk / ministerie BZK
Rijksoverheid
Vertegenwoordiger bewoners en communitybuilding
Bewoners en communitybuilding
Vertegenwoordiger georganiseerde verenigingen
Sport & cultuur
Vertegenwoordiger woningcorporaties; Stedelink
Wonen
Vertegenwoordiger onderwijsinstellingen; Stichting Christelijk Onderwijs Delft
Onderwijs
Vacature
Sociaal domein, activering en ondernemen
Programmadirecteur Wij West
Onafhankelijk programmabureau
De Alliantieraad beschikt dus niet over formele verantwoordelijkheden, maar speelt wel op twee manieren een rol in de uitvoeringsstructuur van het gebiedsplan Wij West:12 •
•
In de eerste plaats stuurt de Alliantieraad, in samenspraak met bewoners en professionals, op de vaststelling van de ontwikkelingsrichting, het ambitieniveau, de inhoudelijke, financiële en governance-hoofdlijnen van het programma(plan). In de tweede plaats stuurt de Alliantieraad op de uitwerking, bijstelling en voortgang in de uitvoering.
Het programmabureau Wij West Het programmabureau Wij West bestaat uit een klein en flexibel kernteam met daaromheen een schil van leerwerkplekken met studenten en stagiaires vanuit kennisinstellingen. Daarnaast werkt het programmabureau nauw samen met professionals van diverse organisaties. De rol van het programmabureau bestaat primair uit het bewaken 11
Deze bevinding is niet voorgelegd aan de Alliantieraad. Het onderzoek is zo veel mogelijk gebaseerd op openbare bronnen. Er was ten tijde van het onderzoek geen benoemingsprocedure vindbaar. 12In verschillende stukken wordt verwezen naar een Governancecode Wij West (gebiedsplan) en een Governance Alliantieraad Delft-West (uitvoeringsagenda). Het onderzoek is zo veel mogelijk gebaseerd op openbare bronnen. Deze documenten waren ten tijde van het onderzoek niet vindbaar via openbare bronnen.
31
en aanjagen van gemaakte afspraken in de uitvoeringsagenda en het uitvoeringsplan en het ondersteunen van partners daarin. Het programmabureau werkt voor en legt verantwoording af aan de Alliantieraad en heeft een neutrale positie in het geheel. Het programmabureau is nadrukkelijk niet verantwoordelijk voor de uitvoering van inspanningen en interventies uit de uitvoeringsagenda en het uitvoeringsplan. Hiervoor zijn primair de netwerkpartners verantwoordelijk, zowel afzonderlijk als gezamenlijk. Het programmabureau is wél verantwoordelijk voor het toezicht op en het ondersteunen bij het nakomen van afspraken. De rol van de gemeente Delft binnen het gebiedsplan Wij West Omdat de Alliantieraad op twee manieren een rol speelt in de uitvoeringsstructuur van het gebiedsplan Wij West, gaat de gemeente hier niet alleen over. Wel heeft de gemeente als deelnemer van de Alliantie Wij West en de Alliantieraad hier een rol in. Daarnaast heeft de gemeente een eigenstandige verantwoordelijkheid voor veel wat er in Delft-West gebeurt. De gemeente Delft heeft het ambtelijk opdrachtgeverschap voor het gebiedsplan Wij West belegd bij de directeur van het cluster Samenleving & Veiligheid. Daarnaast is er vanuit de gemeente een opgaveregisseur Delft-West.
De opgaveregisseur is de ambtelijk opdrachtnemer van de opgave met betrekking tot procesregie: het inspireren, verkennen, verbinden en regisseren. De opgaveregisseur wordt hierin ondersteund door de ambtelijke organisatie.13 3.3. Beantwoording onderzoeksvraag 3 De opbrengsten uit de documentstudie en de aanvullende gesprekken wordt afgezet tegen de opbrengsten van de straatinterviews en de groepsgesprekken. Deze synthese beschrijft op hoofdlijnen wat opgehaald is. Hiermee wordt de derde onderzoeksvraag beantwoord. Ervaren inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties dat de plannen van de gemeente hun voldoende ondersteunen in het versterken van de maatschappelijke veerkracht in deze gebieden? Met het gebiedsplan Wij West wordt er stevig ingezet door de Alliantie Wij West, waaronder de gemeente, om de maatschappelijke veerkracht in Delft-West te versterken. Ondanks dat inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties vinden dat er veel
13 Op basis van de beschikbare documenten hebben we de besluitvorming nog niet in kaart kunnen brengen. Voor ons
blijft onduidelijk: a) hoe de besluitvorming voor programma’s en regelingen in het verleden plaats heeft gevonden en in de toekomst plaats gaat vinden, b) hoe besluitvorming over de uitvoering, initiatieven en projecten in het verleden plaats heeft gevonden en in de toekomst plaats gaat vinden. en c) hoe de verschillende betrokkenen (Alliantieraad, programmabureau, gemeente) in de tussentijd beoordelen of projecten succesvol zijn en door moeten gaan.
32
beter kan, is er ook waardering voor alles wat er al goed gaat. De prioriteiten binnen het gebiedsplan Wij West sluiten goed aan op de zorgen die er leven in de wijken. Of de plannen ook voldoende ondersteuning bieden is nog lastig te zeggen, omdat het gebiedsplan een doorlooptijd van twintig jaar kent en nu pas drie jaar onderweg is. Daar hebben inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties dus nog weinig beeld bij. Wel is er waardering voor het ontstaan van de netwerksamenwerking, waardoor de betrokken partijen elkaar steeds beter weten te vinden. Het programmabureau wordt gezien als een cruciale schakel hierin. Tegelijkertijd zien inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties dat er binnen de plannen veel beter kan. Binnen het sociaal domein heeft dit voornamelijk betrekking op ‘de basis op orde krijgen’, ofwel als gemeente het basisniveau van sociale zekerheid bieden aan de inwoners van Delft. Ondanks de inzet binnen het gebiedsplan Wij West, is er nog veel en complexe problematiek bij de inwoners van Delft-West. De gemeente is hier primair verantwoordelijk voor en daar wordt aandacht voor gevraagd. Enerzijds bezuinigen op het sociale welzijnswerk en anderzijds investeren via het gebiedsplan Wij West is voor inwoners en maatschappelijke organisaties lastig te begrijpen. Daarnaast wordt benadrukt dat er beter afgestemd moet worden over ruimtelijke opgaven.
Deze zijn er veel van en deze hebben een grote invloed op Delft-West, maar blijven in het gebiedsplan nog te vaak onderbelicht. Er wordt ook ervaren dat er te weinig afstemming is tussen de verschillende eigenaren van de ruimte in Delft-West. Wat betreft de uitvoeringsstructuur is er nog veel te winnen. Inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties constateren onduidelijkheid en een gebrek aan transparantie. Zij hebben een sterke behoefte dat beter in zicht wordt gebracht hoe de Alliantieraad tot uitvoering van het gebiedsplan komt, welke financiële middelen beschikbaar zijn en hoe deze besluitvorming hierover plaatsvindt. Het is ook ons in dit onderzoek niet gelukt om daar, op basis van openbare stukken, volledig zicht op te krijgen. Het belangrijkste punt is dat inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties de participatie echt anders willen zien. Inwoners worden intensief betrokken bij het gebiedsplan Wij West, vooral wanneer zij zichzelf georganiseerd hebben, maar zien vervolgens weinig van de input terug in de plannen. Daarnaast wordt er onvoldoende teruggekoppeld wat er met de input gedaan is. Gecombineerd met de ervaren onduidelijkheid en gebrek aan transparantie zorgt dit ervoor dat inwoners en partijen afhaken. Het beeld ontstaat dat het gebiedsplan nog onvoldoende gedragen wordt door de lokale gemeenschap in Delft-West.
33
4. Ervaringen uit andere NPLV-gebieden Naast Delft-West zijn er nog 19 gebieden in Nederland die meedoen aan het NPLV. Voor dit onderzoek is gekeken naar een aantal vergelijkbare gebieden: Schiedam, Vlaardingen en Nieuwegein. Dit is gedaan om de inzichten uit Delft in perspectief te plaatsen en lessen te kunnen trekken uit de aanpak in andere gemeenten. Aan de hand van gesprekken is de inrichting van andere programma’s, de samenwerking met inwoners en de gemeente, de geleerde lessen en de verantwoording van resultaten uiteengezet. 4.1. NPLV in Schiedam, Vlaardingen en Nieuwegein Deelname aan NPLV De totstandkoming van de onderzochte NPLV-gebieden laat zien dat elk gebied vanuit een eigen lokale dynamiek tot deelname is gekomen. In sommige gevallen lag een duidelijke bestuurlijke ambitie ten grondslag, waarbij eerdere programma’s of een regiodeal als katalysator fungeerden. In andere gebieden werd deelname gedreven door urgente sociaaleconomische problematiek die door externe schokken, zoals de coronaperiode, expliciet zichtbaar werd. In meerdere gevallen is te zien dat de ambtelijke organisatie en/of de gemeenteraad beperkt betrokken zijn bij de aanvraag en het opstellen van de doelen. Dit heeft in sommige gebieden geleid tot een trage start met beperkte betrokkenheid.
Verder is te zien dat de rolverdeling en opdrachtformulering van verschillende partijen onvoldoende uitgekristalliseerd was aan de start van het programma. De eerste jaren waren voor meerdere partijen daarom uitdagend omdat het creëren van betrokkenheid, gedeelde visie en duidelijke rolverdeling nog erg veel aandacht vroeg. Governance en organisatie De governance-structuren zijn onderling erg gelijk, maar verschillen in mate van uitwerking en stabiliteit. Alle programma’s kennen een alliantie of Alliantieraad als besluitvormend orgaan, waarin gemeenten en gebiedspartners vertegenwoordigd zijn. Daarnaast bestaan programmabureaus die de operationele regie voeren. Wat opvalt is dat deze zich organiseren met programmamanagers of trekkers per inhoudelijke pijler of ambitie. In de praktijk blijkt de verhouding tussen programmabureau, gemeente en partners echter onderwerp van voortdurende afstemming. De formele rolverdeling – bijvoorbeeld of besluitvorming eerst bij het college, de Alliantieraad of het programmabureau ligt – is in sommige gebieden onvoldoende uitgewerkt. Dat leidt tot wisselende interpretaties, vertraagde besluiten of onduidelijke verwachtingen over wie waarvoor verantwoordelijk is. Daarnaast is te zien dat er uitdagingen zijn met de organisatorische stabiliteit. Enkele gebieden hebben te maken gehad met frequente wisselingen van programmamanagers of 34
-directeuren, mede vanwege onduidelijke opdrachten, beperkte capaciteit of spanning tussen verantwoordelijkheid voor landelijke netwerken en lokale uitvoering. Dat maakt het lastig om koersvastheid te ontwikkelen. In meerdere interviews kwam naar voren dat de formele scheiding tussen programmabureau en gemeentelijke organisatie in de praktijk diffuus kan zijn. Medewerkers van de gemeente schakelen soms rechtstreeks met programmaleiding, terwijl dit formeel via lijnmanagers of wethouders zou moeten verlopen. Dit vraagt voortdurende aandacht en bijsturing om tot een werkzame samenwerkingspraktijk te komen. De mate waarin programmabureaus toenadering tot de gemeente willen verschilt dan ook sterk: sommige willen meer vervlochten zijn met de gemeente, andere proberen juist meer afstand te krijgen. Monitoren van de voortgang Om resultaten te monitoren maken alle onderzochte gebieden gebruik van met het Rijk afgestemde indicatoren, aangevuld met lokale data. De beschikbaarheid van actuele en fijnmazige informatie verschilt echter sterk. Sommige gemeenten beschikken over een eigen kenniscentrum dat gegevens structureel ontsluit, terwijl elders beperkte datacapaciteit aanwezig.
Verder is het monitoren van resultaten op de Rijksindicatoren nog lastig omdat er altijd een vertraging is tussen de uitvoering en het moment dat CBS beschikbaar worden en de impact van het werk niet altijd direct terugkomt in cijfers. Daar waar datasets ontbreken of sterk achterlopen, wordt gekozen voor aanvullende vormen van verantwoording, zoals storytelling, het verzamelen van casuïstiek van inwoners of het monitoren van bereikcijfers van interventies. Deze aanpak biedt inzicht in procesmatige effecten, maar maakt het lastiger om resultaten op korte termijn te relateren aan doelstellingen. Hierbij is dus ook een lange adem nodig. Een terugkerend knelpunt is de afhankelijkheid van externe factoren, zoals woningbouwontwikkelingen of instroom van nieuwe doelgroepen, die statistische uitkomsten beïnvloeden. Hierdoor is het toewijzen van resultaten aan het programma beperkt. Gebieden signaleren bovendien dat succes toeschrijven gevoelig ligt: partners leveren gezamenlijk inspanningen, terwijl politiek-bestuurlijke actoren soms geneigd zijn uitkomsten te claimen. Participatie door inwoners Inwonersparticipatie krijgt in alle gebieden aandacht, maar de invulling verschilt aanzienlijk. In sommige gebieden is de fysieke aanwezigheid in de wijk beperkt en wordt het programmabureau niet vanzelfsprekend als toegankelijk punt ervaren.
Participatie vindt daar vooral plaats via maatschappelijke partners, waarbij per wijk specifieke strategieën nodig zijn vanwege verschillen in cultuur, taal en problematiek. 35
Andere gebieden hanteren meer uitgewerkte participatiestructuren, zoals wijkambassadeurs die periodiek bijeenkomen en worden ondersteund met een vrijwilligersvergoeding. Zo zijn bewoners ingezet om langs de deuren te gaan om energietoeslag uit te delen. Hieruit is een groep van 30 wijkambassadeurs ontstaan die zelf kiezen op welke thema’s ze willen focussen. Daarnaast worden potjes met financiering beschikbaar gesteld voor bewonersinitiatieven. Professionals steunen actief laagdrempelige initiatieven zoals een groep afvalwandelaars om bewoners betrokken te krijgen bij de wijk. In de communicatie wordt actief gebruik gemaakt van scholen om contact te zoeken met ouders. Deze route lijkt erg effectief om een brede groep mensen uit de wijken te benaderen. Dit is met name effectief wanneer er sprake is van een taalbarrière of specifieke groepen in de wijk die moeilijk te bereiken zijn. Sommige programma’s werken vanuit het principe van community building, waarbij inwoners vanuit eigen motivatie bijdragen en de overheid zich terughoudend opstelt. Hoewel dit lokaal goed kan werken, brengen betrokkenen ook naar voren dat verwachtingen realistisch moeten blijven en dat niet alle vormen van participatie even passend zijn voor alle doelgroepen. Daarnaast vraagt dit ook van programmabureau en/of gemeente dat er financiering beschikbaar is voor projecten die burgers zelf opzetten.
Rol van de gemeenteraad De betrokkenheid van de gemeenteraad varieert sterk en is in alle gebieden een punt van aandacht. In sommige gebieden is de raad bij de start beperkt meegenomen, waardoor het gevoel van eigenaarschap later moest worden opgebouwd. Ook blijkt de informatievoorziening vaak niet gestructureerd: rapportages zijn incidenteel of gekoppeld aan losse activiteiten. Verschillende gebieden werken inmiddels toe naar vaste informatiemomenten, meestal twee keer per jaar. Het college vervult doorgaans een actieve rol via wethouders die in stuurgroepen deelnemen. Toch geven diverse geïnterviewden aan dat de verbinding tussen programmabureau en de bredere ambtelijke organisatie versterking behoeft. Strategische advisering vanuit de gemeente – bijvoorbeeld domeinoverstijgend of richting portefeuilles – is niet altijd goed belegd, waardoor programma’s kwetsbaar worden en afhankelijk van enkele personen bij het programmabureau. Beperkte betrokkenheid wordt ook als risico gezien voor de lange termijnfinanciering voor het programma. Op dit moment is er financiering vanuit het rijk maar er is een kans dat dit eindig is. Er wordt benadrukt dat juist het structurele karakter van de NPLV-aanpak cruciaal is om écht resultaten te boeken. Dit vraagt vanuit de gemeenten ook visie over wat ze 36
vinden van wijkgerichte aanpakken. Mocht er over een paar jaar financiering nodig zijn vanuit de gemeente, dan komt de vraag in hoeverre ze bereid zijn om geld uit de eigen begroting ongelijk over wijken te verdelen. Dat zal zeker gaan spelen in gemeenten waar meerdere wijken zijn die in aanmerking komen voor een soortgelijke aanpak en kampen met vergelijkbare problematiek. De gesprekspartners maken zich in meer of mindere mate zorgen over de duurzaamheid van het programma en de wil en/of het vermogen van gemeenten om de ingezette weg voor te zetten bij het wegvallen van Rijksfinanciering. Kennis uitwisselen Alle geïnterviewde gebieden benadrukken de waarde van kennisuitwisseling binnen het NPLV-netwerk. Regelmatig contact tussen programmadirecteuren, gezamenlijke bijeenkomsten en gebiedsbezoeken bieden mogelijkheden om ervaringen te spiegelen en te leren van elkaars aanpak. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat de lokale context sterk varieert: problematiek, partners en demografie verschillen, waardoor niet elke werkwijze overdraagbaar is. Kennisdeling wordt daarbij vooral gezien als middel om inzicht te krijgen in procesmatige keuzes en bestuurlijke organisatie, niet als route naar oplossingen. Deze zullen namelijk vooral afhangen van de specifieke lokale context. 4.2.
Beantwoording onderzoeksvraag 4 Uit de gesprekken met andere gebieden komen enkele bredere lessen naar voren die relevant kunnen zijn voor Delft. Hiermee wordt de vierde onderzoeksvraag beantwoord Welke lessen zijn er te trekken uit vergelijkbare projecten c.q. wijkgerichte aanpakken in andere gemeenten? Een eerste les heeft betrekking op inwonersparticipatie. In alle gebieden wordt dit gezien als een belangrijk onderdeel van de uitvoering, maar de invulling verschilt. De les uit de andere gebieden is dat een aanpak gericht op inwonersparticipatie meer moet inhouden dan het verzamelen van input van inwoners en het organiseren van bewonersavonden. Echte participatie ontstaat wanneer inwoners zelf de verantwoordelijkheid en vrijheid krijgen om initiatieven te voltooien. Van belang hierbij is dat inwoners serieus genomen worden en ondersteund worden met voldoende en toegankelijke (financiële) middelen. Dit vraagt om aanpassing in de verwachtingen vanuit professionele organisaties over de snelheid en resultaten van de uitvoering. Daarnaast is duidelijke communicatie richting inwoners noodzakelijk over de manier waarop middelen voor initiatieven te verkrijgen zijn.
Acties als het inzetten van inwoners bij de uitvoering (tegen vergoeding), het beschikbaar stellen van laagdrempelige financiering en inwoners zelf laten bepalen welke thema’s ze willen aanpakken zouden ook in Delft meer naar voren mogen komen. Zonder actieve betrokkenheid van inwoners bij het bedenken en uitvoeren van initiatieven is er een risico 37
dat de aanpak als ‘professionals feestje’ wordt gezien en is de voortgang erg kwetsbaar bij het wegvallen van capaciteit en/of investering. Het is dus belangrijk om de wijk zelf in beweging te krijgen. Een tweede les is dat een focus op een wijk of buurt onvoldoende is. Wijken kennen complexe sociale structuren, met verschillende groepen mensen en uiteenlopende achtergronden. Om de wijk als geheel mee te nemen, is het in de aanpak belangrijk oog te hebben voor deze bestaande sociale groepen en hier ook op aan te sluiten. Dit vraagt om maatwerk in de uitvoering en aandacht voor diversiteit, zodat iedereen zich betrokken voelt en ook daadwerkelijk betrokken wordt. Een derde les betreft de samenwerking binnen de gemeente van de NPLV-programma’s. In alle gemeenten waar we mensen gesproken hebben, blijkt deze samenwerking niet vanzelfsprekend. Dit vraagt om duidelijke afspraken en rolverdelingen, maar ook om voortdurend bijsturen met elkaar. Daarnaast is het belangrijk om structurele betrokkenheid te creëren met de raad, bijvoorbeeld door vaste bijpraatmomenten. Ook is strategische capaciteit vanuit de ambtelijke organisatie nodig om over bestuurstermijnen heen te kijken, samenwerking te ondersteunen en deze vanuit de gemeente te coördineren.
Deze lange termijn betrokkenheid is des te noodzakelijker omdat de ontwikkeling en financiering van het programma over een tijd van twintig jaar onzeker zijn. Dit terwijl dit type programma juist behoefte heeft aan langdurige, structurele commitment. Steun en visie vanuit de gemeente zijn daarom cruciaal om continuïteit te waarborgen. Zonder deze borging bestaat het risico dat initiatieven verzanden en de gestelde resultaten niet worden gehaald. De gemeente zou zich, los van de rol binnen het programma, kunnen committeren aan de aanpak voor deze specifieke wijken voor de lange termijn. Dit betekent dus ook uitspreken wat het betekent als de landelijke financiering stopt. Een laatste les is dat sturen op indicatoren op korte termijn weinig oplevert. Het probleem met het gebruik van kernindicatoren op wijkniveau is tweeledig. Ten eerste zijn veel indicatoren, zoals het aandeel jongeren zonder startkwalificatie, op korte termijn nauwelijks te beïnvloeden. Ten tweede zijn deze indicatoren sterk afhankelijk van de bevolkingssamenstelling van de wijk. Door in- en uitstroom van inwoners kunnen gemiddelden veranderen zonder dat dit het gevolg is van beleid. In wijken met vooral kleinere en goedkopere woningen bestaat bovendien het risico dat inwoners bij wie het beter gaat verhuizen, terwijl instroom vooral plaatsvindt van groepen met een ongunstigere uitgangspositie.
Hierdoor kan beleid op individueel niveau positieve effecten hebben, terwijl dit niet zichtbaar wordt in de kernindicatoren op wijkniveau. Daarom is het 38
logisch om op korte termijn te monitoren op bereik en gebruik te maken van verhalende vormen van evaluatie, zodat zichtbaar wordt wat er écht gebeurt in de wijk. De focus moet dus liggen op de ‘beweging’ die binnen de wijk wordt gecreëerd zonder op korte termijn blind te staren op abstracte KPIs. Op deze manier kan voortgang wel actief worden gemonitord.
39
5. De rol van de gemeenteraad Omdat het gebiedsplan gerelateerd is aan het NPLV, staat de gemeenteraad op enige afstand. Maar de maatschappelijke effecten die het plan beoogt, sluiten wel aan bij de doelen en wensen van de gemeenteraad. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de vraag hoe de gemeenteraad zicht houdt en stuurt op de voortgang, gezien de lange looptijd. Ook gaat het hoofdstuk in op de vraag wat het effect is van de specifieke aandacht voor DelftWest op de andere wijken in de stad. 5.1. Uitdagingen en opgaven Er is gesproken met raadsleden om na te gaan wat zij zien als de belangrijke opgaven in Delft-West. Ook werd verkend of zij de keuze om Delft-West aan te wijzen als NPLV-gebied begrijpen en wat in hun ogen het effect daarvan is op andere wijken in de stad. Vervolgens is ingegaan op de vraag wat de gemeenteraad nodig heeft om te kunnen volgen wat de voortgang is van het gebiedsplan. Dit geldt des te meer omdat het gebiedsplan duurt tot en met 2043: welke mogelijkheden heeft de gemeenteraad om dit op de lange termijn te blijven volgen en erop te sturen? Logica van de focus op Delft‑West: grote en blijvende opgaven Voor de raadsleden is het een logische keuze om Delft-West als een van de NPLV-gebieden aan te wijzen. Dit heeft te maken met de data over bijvoorbeeld armoede, leefbaarheid of woningbouw waarin zij zien dat Delft-West lager scoort dan andere gebieden.
Daarnaast is het gebaseerd op hun eigen ervaringen en de signalen die zij krijgen van inwoners en organisaties. De thema’s die raadsleden noemen sluiten aan bij wat we hebben opgehaald in de gesprekken op straat en in de groepsgesprekken. Het valt ook raadsleden op dat de opgaven zich concentreren in enkele buurten. Door de overkoepelende term ‘Delft-West’ raakt soms uit zicht dat er daarbinnen heel wat buurten zijn waar deze opgaven zich niet of nauwelijks voordoen. De opgaven die worden genoemd en waarin Delft-West het volgens hen ook slechter doet dan andere delen van de stad zijn: • • • • • • •
Armoede (met name ook kinderen) Criminaliteit Leegstand Zwerfafval Eenzaamheid (met name alleenstaande ouderen) Onveiligheid Minder zelfredzaamheid
40
Daar waar ze in combinatie voorkomen, bijvoorbeeld leegstand en onveiligheid, zijn ze ook hardnekkig. Wat het volgens raadsleden extra ingewikkeld maakt, is dat er op de plekken waar meerdere problemen tegelijk spelen, weinig sociale samenhang en structuur is. In het gesprek klonk regelmatig door dat quick fixes niet bestaan. Deze problemen niet gisteren zijn ontstaan, maar al langer spelen. Er is ook het nodige aan beleid, programma’s en activiteiten voorbij gekomen met vergelijkbare doelen rondom leefbaarheid, veiligheid, werkgelegenheid en sociale cohesie. Zo wordt de eerdere aanpak van de Vogelaarwijken genoemd (overigens zat Delft niet bij die 40 wijken) en de wisselende resultaten die deze aanpak heeft opgeleverd. De achterliggende boodschap is dat de gemeenteraad realistisch moet zijn over wat er op korte en lange termijn aan resultaten valt te boeken. En dat er ondanks al het onderzoek nog altijd onzekerheid is over welke interventies wel en niet werken. Delft-West is ook een van de drie grote opgaven die de gemeente Delft heeft geformuleerd, naast Energietransitie en Innovatiedistrict Delft. Die aanwijzing als NPLVgebied is vooral een bestuurlijk en ambtelijk proces geweest; de gemeenteraad heeft hier geen formele rol in gespeeld. De kaders voor het gebiedsplan en de doelen en ambities zijn dus elders geformuleerd.
Het grootste deel van de financiering komt uit de rijksbijdrage voor Preventie met Gezag en de SPUK Kansrijke wijk. Ook vanuit de 5e tranche van de Woningbouwimpuls en versnellingsgelden is financiering beschikbaar, overigens breder dan Delft-West. In 2023 is in de Delftse begroting een reservering van € 10 miljoen gemaakt voor Delft-West, waarvan aan het begin van 2026 nog € 5,8 miljoen resteert. De raad wordt geïnformeerd over de besteding van deze gelden, maar stuurt hier niet actief op. Ook de uitvoering is grotendeels in handen van organisaties die buiten de invloed van de raad vallen en de verantwoording is met name richting het rijk. Die afstand zit ook in de rol van de Alliantieraad en het programmabureau. Dat maakt zowel sturing als controle voor de raad uitdagend en het is dus ook zoeken naar een goede manier om die rollen invulling te geven. 5.2. De focus op Delft-West en effecten op de rest van de stad Eén van de aanleidingen voor dit rekenkameronderzoek is de veronderstelling dat de aandacht voor Delft-West ten koste zou kunnen gaan van andere wijken in de stad. Er is een mogelijk risico dat door meer en langdurig te investeren in Delft-West de sociale en fysieke problematiek op andere plekken in Delft verslechtert.
41
Effecten op de rest van Delft en balans in de stad De keuze voor Delft‑West vinden de raadsleden inhoudelijk goed te begrijpen en te verantwoorden. De stapeling van sociale en fysieke opgaven in deze wijken vraagt om een langdurige, gebiedsgerichte inzet. Maar wanneer middelen en aandacht langdurig naar één gebied gaan, is het de vraag hoe het evenwicht in de stad bewaakt wordt. Raadsleden geven aan dat dit niet een afwijzing van de focus op West is, maar een gevoeligheid die meespeelt in het publieke debat. Hoe leg je uit dat ongelijk investeren tijdelijk gerechtvaardigd kan zijn, zonder dat bewoners in andere wijken zich achtergesteld voelen? De uitvoering van het gebiedsplan in Delft‑West heeft impact op de rest van de stad. Een centraal punt is het mogelijke verplaatsingseffect: wanneer overlast, criminaliteit of verloedering in Delft-West wordt aangepakt, kunnen die problemen zich in andere wijken sterker gaan voordoen. De Wippolder wordt hierbij concreet genoemd. De langdurige en zichtbare inzet van middelen in één gebied kan elders leiden tot scheve gezichten en lagere betrokkenheid bij stedelijke initiatieven. Dat gevoel wordt versterkt wanneer investeringen in sociale of fysieke verbeteringen vooral in Delft-West terechtkomen, zonder duidelijke uitleg over de balans in de hele stad en wat er voor andere wijken wordt gedaan.
Hoewel raadsleden zich bewust zijn van dit risico, vinden zij de keuze voor Delft-West verdedigbaar. Delft-West is één van de drie grote opgaven van Delft en de aanwijzing als NPLV-gebied geeft ook een bepaalde externe legitimatie voor deze keuze: ook op landelijk niveau wordt gezien dat dit gebied grotere problematiek kent en extra aandacht nodig heeft. Zo lang er ruime landelijke financiële middelen beschikbaar zijn, hoeft de gemeenteraad nog geen lastige keuzes voor ongelijk investeren te maken in de eigen begroting. Dit komt wel aan de orde wanneer de reservering van € 10 miljoen geheel is besteed en de bijdragen vanuit het Rijk gaan ophouden. Participatie en uitvoeringsstijl Een tweede thema is de manier van samenwerken met bewoners en lokale organisaties. Wanneer het gevoel ontstaat dat plannen en besluiten vooral top‑down zijn en bewoners hun inbreng onvoldoende terugzien, doen mensen niet (meer) mee en haken zij af. In de groepsgesprekken is het voorbeeld genoemd van Tanthof, waar een inwonersorganisatie zich heeft teruggetrokken omdat men zich niet serieus gehoord voelde. Dit voorbeeld is bekend en heeft ook in de raad tot discussie geleid. Inmiddels lijkt deze organisatie weer deel te nemen. Dit risico treft overigens niet alleen Delft-West.
Ook uit andere wijken krijgen raadsleden te horen dat inwoners het idee hebben dat de beleidskeuzes onvoldoende aansluiten bij de leefwereld. 42
Bewoners en organisaties hebben gewezen op het belang van ruimte voor initiatieven van onderop en heldere terugkoppeling over hoe input wordt verwerkt. Dit sluit aan bij de wens van raadsleden om meer vanuit de bewoners te denken en hun ideeën centraal te stellen. Wel vinden zij het lastig om precies te zeggen hoe dat dan moet en hoe je voorkomt dat vooral mondige en georganiseerde inwoners de boventoon voeren. Dat maakt de terugkoppeling des te belangrijker, want het helpt raadsleden ook om de input te wegen in plaats van alles een-op-een over te nemen. 5.3. Sturing en controle door de gemeenteraad Een gebiedsplan met grote ambities van fysiek tot sociaal en met een lange looptijd maakt het lastig om grip en overzicht te houden. Hoe kan de raad goed sturen en controleren, zien en beoordelen welke resultaten worden geboekt en (bij)sturen op de voortgang? Verantwoording tussen leefwereld en instrumentarium De problematiek is hardnekkig en laat zich niet snel doorbreken; daardoor ontstaat een spanning tussen de noodzaak van een lange adem en de behoefte aan zichtbare voortgang. Op abstract niveau hebben raadsleden er begrip voor dat een gebiedsprogramma tijd kost, maar ze hebben ook concreet behoefte aan successen in het hier en nu.
Informatievoorziening en verantwoording zou moeten beginnen bij de leefwereld van bewoners: wat merken mensen concreet van de aanpak, welke veranderingen zijn voelbaar in het dagelijks leven? Verhalen, casuïstiek en ervaringen helpen om die beweging vanuit de samenleving zichtbaar te maken en geven betekenis en inkleuring aan cijfers. Tegelijkertijd blijft er behoefte aan bestuurlijk houvast. Klassieke vormen van verantwoording – indicatoren, budgetoverzichten, mijlpalen en dashboards – geven continuïteit en vergelijkbaarheid over de tijd. Het is zoeken naar een manier om betekenisvolle verhalen en strak instrumentarium naast elkaar te laten bestaan. Raadsleden zoeken die combinatie, zodat aan de ene kant bewoners zich herkennen in de projecten en activiteiten uit het gebiedsplan en aan de andere kant de gemeenteraad voldoende mogelijkheden behoudt voor grip en sturing. Raadsleden lijken zich niet voldoende bewust van de tegenstelling die dit oplevert. Als je vertrouwen wilt geven aan bewoners en lokaal gewortelde organisaties, moet je ook het idee durven loslaten dat alles in meetbare, kwantitatieve indicatoren is te vangen. Bovendien is het kenmerkend voor de ‘wicked problems’ die spelen in Delft-West dat die door de tijd heen veranderen en dat ook de omgeving verandert. Te strakke indicatoren en
43
sturing kunnen de gemeente in de weg zitten om flexibel te zijn en doelstellingen, projecten en instrumenten op basis van die dynamiek bij te stellen. Transparantie en governance Ten slotte speelt de vraag naar transparantie over rollen, besluitvorming en geldstromen. Er is nog veel onduidelijkheid over hoe het NPLV, de SPUKs en de Regiodeal zich tot elkaar verhouden. Wie besluit waarover? Hoe verhouden Alliantieraad, programmabureau en gemeente zich tot elkaar? En op welke manier lopen geldstromen en evaluaties samen in de praktijk? Dit geldt in het bijzonder voor de verdeling van middelen en de selectie van initiatieven. Raadsleden vinden het moeilijk navolgbaar waarom sommige partijen of projecten steun krijgen en andere niet. Dat zet potentieel de sociale cohesie onder druk en verkleint het draagvlak voor beleid. Zolang onduidelijk blijft wie waarover beslist en op basis van welke criteria, maakt dat de inzet van extra middelen voor Delft-West, ook al zijn die met name van het Rijk afkomstig, potentieel kwetsbaar. Je wilt immers kunnen verantwoorden waarom dat geld hier wordt geïnvesteerd en wat dat oplevert. Raadsleden vragen feitelijk om overzicht en voorspelbaarheid.
Allereerst een structuur van besluitvorming “wie beslist wat, wanneer en waarom”, en ten tweede inzicht in de financiële stromen om inzichtelijk te maken waar het geld naartoe gaat en hoe dat aansluit op stedelijke prioriteiten. Hoewel het uitvoeringsprogramma in de raad is geweest en halfjaarlijks een uitgebreide voortgangsrapportage verschijnt, ervaren raadsleden dat de informatie niet altijd beklijft. Het materiaal is omvangrijk: welke rol kan de raad pakken, zonder zich op detailniveau met de uitvoering bezig te houden? En hoe houdt de raad zicht op de relatie tussen het gebiedsplan en de eigen stedelijke ambities en doelen? De nuancering hierbij is dat deze informatie in belangrijke mate wel beschikbaar is, maar nog niet effectief door de raad wordt benut. De uitdaging zit dan ook meer in de toegankelijkheid, bruikbaarheid en benutting van informatie en niet zozeer in het ontbreken van informatie. Informatievoorziening en (bij)sturen Dat gevoel werkt door in de dagelijkse informatiehuishouding. Raadsleden geven aan dat zij behoefte hebben aan helderheid door het jaar heen: wat gebeurt er wanneer, door wie, en op basis van welke kaders? Het gaat de raad niet alleen om volledigheid, maar om inzicht dat het gesprek over koers en bijsturing draagt. Zij willen periodiek met de Alliantie/Alliantieraad in gesprek om een doorlopend beeld te krijgen van uitvoering en resultaten.
Daar hoort een helder overzicht bij dat laat zien wat er wordt uitgegeven en waaraan, met zicht op de verhouding tussen de investeringen in de fysieke en ruimtelijke opgaven en investeringen in bewoners en gemeenschap (sociale interventies). Daarnaast 44
klinkt de wens om “meer te kunnen weten en meten”: kernindicatoren en bereikcijfers moeten beschikbaar zijn, zonder dat dit leidt tot overmatige rapportagedruk. Ook hier valt op dat raadsleden onvoldoende beseffen dat dit soort gegevens er grotendeels al zijn, zoals enkele tientallen kwantitatieve indicatoren. Belangrijk is dat dit alles niet uitmondt in extra papierwerk; de raad vraagt juist om compacte rapportage die wordt aangevuld met gerichte dialoogmomenten. En omdat de opgave in Delft-West een lange adem vergt, willen raadsleden ruimte om te leren op langere lijnen, waarbij lessen uit het verleden (bijv. de Vogelaarwijken) en uit andere NPLVgebieden worden meegenomen. Er is een breed besef dat het niet gaat om quick wins en het afvinken van lijstjes. Men wil zicht op effecten, maar ook ruimte om te experimenteren en te falen als onderdeel van leren. Tegelijk wil de raad dichterbij de praktijk komen met nieuwe, nabijere vormen van betrokkenheid. Het gesprek mag niet uitsluitend via de geijkte paden lopen; bewoners moeten letterlijk aan tafel komen, zodat energie en initiatieven van onderop beter aansluiten op de uitvoering. Raadsleden noemen ideeën als een brede opkomstavond en vergaderen op locatie – rechtstreeks met bewoners en niet alleen formele vertegenwoordigers – om direct te zien wat werkt en waar het wringt. 5.4.
Beantwoording onderzoeksvraag 5 en 6 Aan het slot van dit hoofdstuk worden onderzoeksvraag 5 en 6 beantwoord. Welke risico’s en uitdagingen brengt de uitvoering van de plannen met zich mee voor het bewaken en bevorderen van de sociale en maatschappelijke situatie in andere wijken van Delft? De raadsleden vinden dat de focus op Delft‑West inhoudelijk te verdedigen is. Zowel de beschikbare data als hun eigen waarnemingen wijzen op een stapeling van sociale en fysieke opgaven die om een langdurige en gebiedsgerichte aanpak vragen. Tegelijkertijd klinkt de zorg dat deze keuze op termijn kwetsbaar kan worden. Aan de ene kant gaat het om hardnekkige problematiek die zich niet in een paar jaar laat oplossen. Maar politiek is er wel de wens en wordt ook wel druk gevoeld om zichtbaar resultaat te laten zien voor bewoners. Aan de andere kant zien raadsleden dat een langdurige, steeds zichtbare inzet in Delft-West kan leiden tot scheve gezichten in andere wijken. Zeker wanneer in die delen van de stad vergelijkbare uitdagingen in beeld komen. Dat vraagt volgens raadsleden om twee dingen. Ten eerste het expliciet maken en communiceren van tussentijdse, merkbare verbeteringen voor bewoners (zichtbare 45
ingrepen in de leefomgeving, aantoonbare toegang tot hulp, groei in bereik van activiteiten) zonder de lange termijnvisie los te laten. Het tweede is het borgen van een stadsbrede blik: periodiek inzicht in de verdeling van aandacht en middelen over alle wijken, onderbouwd met argumenten waarom op dit moment een ongelijkmatige inzet nodig is en hoe die inzet samenhangt met reguliere investeringen en voorzieningen die voor de hele stad beschikbaar zijn. In dit onderzoek was de aanname dat een focus op Delft-West het risico met zich meebrengt dat andere wijken het gevoel krijgen minder aandacht of middelen te ontvangen. Om dit te voorkomen, moeten raadsleden kunnen uitleggen waarom DelftWest nu extra middelen krijgt – bijvoorbeeld vanwege de stapeling van sociale en fysieke problemen – en deze uitleg te verbinden aan de bredere doelstellingen voor de hele stad. Het betrekken van een breed netwerk van bewoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties bij periodieke evaluaties helpt de gemeenteraad ervoor te zorgen dat de blik op de wijk actueel blijft. Door eens in de paar jaar open evaluatiesessies te houden, kan direct worden ingespeeld op nieuwe inzichten of knelpunten. Daarbij helpt het om beleidsruimte flexibel te houden, zodat plannen bijgestuurd kunnen worden op basis van de uitkomsten van de monitoring.
Welke aandachtspunten en suggesties voor de sturende en controlerende verantwoordelijkheden van de raad kunnen worden onderscheiden? De raad bewaakt allereerst de stadsbrede legitimiteit van de keuze voor Delft-West. Dat vraagt om een expliciete onderbouwing van het tijdelijk ongelijk investeren en om zicht op de stadseffecten. Daarom wil de raad alert zijn om te voorkomen dat problematiek zich verplaatst naar andere wijken en periodiek duidelijk krijgen hoe aandacht en middelen zich tot de rest van de stad verhouden. Zo blijft het gevoel van evenwicht en draagvlak bij inwoners buiten Delft-West behouden. Aangezien het gebiedsplan Wij West een langjarige opgave is, is het essentieel dat de raad structureel zicht houdt op de voortgang. Raadsleden willen zowel aansluiten bij de leefwereld van inwoners als inzicht houden in de voortgang en denken hierbij aan een mix van kwantitatief (dashboard, bereik van activiteiten, bestedingen voor fysiek en sociaal) en kwalitatief (verhalen uit de leefwereld van bewoners, met zichtbare en merkbare verbeteringen). De raad heeft daarnaast behoefte aan duidelijkheid over de rolverdeling (Alliantieraad, programmabureau, gemeente) en de verschillende financieringsstromen (gemeentelijke begroting, Regiodeal, SPUKs) en behoefte aan leren op de lange termijn, met ruimte voor experimenten – die ook kunnen mislukken. 46
Duidelijk is dat raad op zoek is naar andere dan de geijkte manieren om met inwoners in gesprek te komen. Maar dan is de vervolgvraag hoe je inwoners stimuleert om te komen en welke vorm en plek het meest geschikt is om het gesprek aan te gaan. Tot slot is het belangrijk dat kennis en achtergrondinformatie over het gebiedsplan goed worden overgedragen bij wisselingen in de gemeenteraad. Het opnemen van het gebiedsplan en voortgangspresentaties in het introductieprogramma voor nieuwe raadsleden kan ervoor zorgen dat het project ook op lange termijn en bij veranderende samenstelling van de raad effectief blijft worden gevolgd.
47
Bijlage 1: Verantwoording onderzoek In dit hoofdstuk wordt een verantwoording over het onderzoek gegeven. Er wordt ingegaan op de documenten die bestudeerd zijn, hoe de straatinterviews uitgevoerd zijn en hoe we de groepsgesprekken gevoerd zijn. 1. Overzicht van bestudeerde documenten Omschrijving document
Steller document
Datum
Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Juli 2022
Buurtpaspoort Multatulibuurt
Muzus
Augustus 2023
Uitvoeringsagenda Wij West 2024 – 2027
Alliantieraad Wij West
Augustus 2024
Gebiedsplan Wij West 2023-2043
Alliantieraad Wij West
November 2023
Interne governance gemeente voor Wij West
Gemeente Delft
November 2024
Regiodeal Delft West
Samenwerkingsovereenkomst
November 2024
Voortgangsrapportage Wij West 2024
Alliantieraad Wij West
Mei 2025
Integraal Ontwikkelplan voor de Gillisbuurt
Gemeente Delft
Mei 2025
Uitwerkingen Woontop afspraken NPLV
Ministerie VRO
Juni 2025
Terugblik Wij West 2024
Alliantieraad Wij West
Juni 2025
Evaluatie bewonerscafés Wij West
Esra Tozak
Juli 2025
Uitvoeringsplan Buitenhof 2024 - 2025
Alliantieraad Wij West
n.d.
Uitvoeringsplan Tanthof West 2024 -2025
Alliantieraad Wij West
n.d.
Uitvoeringsplan Voorhof 2024 - 2025
Alliantieraad Wij West
n.d.
Ambitiedocument Centrale As Nieuwegein
De Alliantie Centrale As
September 2023
Uitvoeringsprogramma 2025-2026
Wij de Westwijk
Mei 2025
Focus- en actieplan 2025-206
NPNO
Juni 2025
2. Straatinterviews In de gesprekken met inwoners op straat lag de focus bij de belevingswereld van de inwoner zelf. Daarom is gekozen voor open vragen om vooral inzicht te krijgen in de punten waar de inwoners zelf mee zouden komen. Gegeven de opzet van de straatinterviews en de plekken waar inwoners gesproken werden, ging het meestal om relatief korte gesprekken. Hierom is gekozen om de focus bij de volgende vragen te leggen: • • • • •
Wat vind je in het algemeen over de buurt? Geef ter indicatie een cijfer van 1-10. Welke dingen in de buurt gaan volgens jou goed? Welke dingen in de buurt gaan volgens jou niet goed? Wat moet de gemeente als eerste doen om de buurt te verbeteren? Welke dingen doet de gemeente nu al om de buurt te verbeteren?
In totaal zijn er op zes momenten interviews afgenomen rondom supermarkten in Voorhof, Buitenhof en Tanthof West. Verder zijn er vier buurthuizen en een bibliotheek bezocht in de wijken te noemen: Wijkcentrum de Hofstee, Buitengewoon, De Vleugel, het Buitenhuis en de bibliotheek Dok Voorhof.
48
De gesprekken zijn gevoerd met een groep volwassen inwoners gevarieerd in leeftijd met (<30 12%; 30-50 31%; 50-65 20%; 65+ 37%). De meeste inwoners die we hebben gesproken woonden kort (0-5 jaar, 30%) of juist lang (>15 jaar, 37%) in Delft. De groep deelnemers bevat een spreiding in leeftijd en woonduur, waardoor verschillende perspectieven van inwoners van Delft aan bod komen. Tegelijkertijd is de groep niet volledig representatief voor de gehele bevolking. Met name oudere inwoners (65+) zijn relatief sterk vertegenwoordigd, terwijl jongere inwoners (<30 jaar) minder aanwezig zijn. De inzichten uit de straatinterviews zijn besproken met de wijkregisseurs. Hierin is gevraagd of de uitkomsten herkend werden en of er nuances waren waar rekening mee moest worden gehouden. Deze gesprekken waren voornamelijk bevestigend en hebben niet geleid tot impactvolle wijzigingen in de uitkomsten. 3. Groepsgesprekken In de gesprekken met ondernemers en maatschappelijke organisaties lag de focus op de inzichten die zij ons mee konden geven. Zij zijn tenslotte de ogen en oren in de wijk en hebben (grotendeels) als taak om hun achterban te kennen. Daarnaast geven zij invulling aan beleid en hebben zij veel kennis in huis als het gaat om hoe zij vanuit hun expertise bij kunnen dragen of wat zij nodig hebben om bij te kunnen dragen.
Door het organiseren van groepsgesprekken, waar deze organisaties ook met elkaar in contact komen, konden er in korte tijd veel inzichten opgehaald worden. Er zijn zes groepsgesprekken georganiseerd langs twee lijnen. Ten eerste groepsgesprekken met de maatschappelijke organisaties die in de wijken actief zijn (drie in totaal, één per wijk). Ten tweede groepsgesprekken met de maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met verschillende thema’s binnen de wijken (drie in totaal, één per thema). De thema’s waren 1) fysieke maatregelen/ingrepen in de wijk, 2) ondernemerschap/werkgelegenheid en 3) sport/beweging. Deze thema’s waren namelijk nog onderbelicht in lopende en geplande onderzoeken. De opzet van alle groepsgesprekken zag er als volgt uit: •
•
Ervaren uitdagingen o [wijkgesprekken] Welke uitdagingen ervaren inwoners in de wijk? o Aan welke thema’s / onderwerpen zijn de uitdagingen voornamelijk gerelateerd? Plannen in algemene zin o Hoe kijkt u naar alle plannen die er zijn om de uitdagingen van inwoners aan te gaan? o Is de optelsom van de verschillende plannen genoeg om de uitdagingen van de inwoners aan te pakken? 49
•
•
o Welke risico’s en tekortkomingen ziet u in de plannen? o Hoe kan er daarmee om worden gegaan? Verwachtingen richting NPLV / Wij West o Wat is volgens u het doel van de NPLV aanpak? o Wat verwacht u van het programmabureau Wij West? o Welke partners zijn er actief binnen het programma Wij West? o Wat verwachten jullie van deze partners? Verwachtingen richting de gemeente o Wat is verwacht u van de gemeente binnen het NPLV-programma? o Wat doet de gemeente goed binnen het programma? o Wat kan de gemeente beter doen binnen het programma?
In totaal zijn er 43 personen of organisaties uitgenodigd voor de groepsgesprekken. Daarvan stonden 35 mensen ervoor open om een uitnodiging te ontvangen. Op basis van datumprikkers is gekozen voor de data waarop de meeste mensen beschikbaar waren. Uiteindelijk is er in totaal met 25 mensen gesproken. De gesprekspartners vertegenwoordigden de volgende organisaties: •
Sportverenigingen
•
Buurtsportcoaches
•
Koepelorganisatie sportverenigingen
•
Organisatie vitaliteitsprogramma’s
•
Woningcorporaties
•
Welzijnspartijen
•
Bewonersverenigingen
•
Ondernemersfondsen
•
Organisaties voor het stimuleren van sociaal ondernemerschap
•
Organisaties voor het verbinden van onderwijs-bedrijfsleven
•
Organisatie voor het versteken van het welzijn van bewoners sociale woningbouw
4. Gesprek met de raad Op 8 december 2025 is er gesproken met een groep raads- en commissieleden, waarbij vrijwel alle partijen waren vertegenwoordigd. Het gesprek ging over de aanpak in DelftWest. De focus lag op de manier waarop de gemeenteraad wordt geïnformeerd en zelf informatie vergaart en hoe de gemeenteraad kan sturen bij dit type langlopende programma’s die vanuit de rijksoverheid worden gefinancierd. De onderzoekers hebben een korte introductie gegeven van de eerste bevindingen van het onderzoek en zijn ingegaan op de vragen en suggesties van raadsleden. Vervolgens is het gesprek gevoerd over: 50
• • • • •
Wat de raad nu doet en in de toekomst wil doen om zicht te blijven houden op wat er leeft in Delft-West De kansen en risico’s die de raad ziet bij dit gebiedsprogramma De manier waarop de raad geïnformeerd wil worden over de voortgang, zowel inhoudelijk als financieel Wat de raad nodig heeft om de controlerende rol goed in te kunnen vullen De mogelijkheden om als raad bij grip te houden op programma’s die meerdere raadsperiodes doorlopen
51