Raadpleging betaalbaarheid van duurzame warmteoplossingen Delft
Tekst van het document
Resultaten van een inwonersonderzoek in Delft over de betaalbaarheid van duurzame warmteoplossingen
Augustus 2025
Colofon Dit onderzoek is uitgevoerd door Populytics, een onderzoeksbureau dat voortkomt uit de TU Delft. In samenwerking met MSG Sustainable Strategies en in opdracht van gemeente Delft.
2
Auteurs
Shira Hollanders (shira@populytics.nl) George Wurpel (george@msgstrategies.nl) Ivo de Klerk Rosa Vroom Michiel Tilstra Aylin Munyasya Mark Beumer Niek Mouter
Datum
Augustus ’25
Versie
Definitief
Contact
Populytics b.v. Strawinskylaan 339 1077 XX Amsterdam info@populytics.nl www.populytics.nl
Samenvatting
3
Aanleiding, onderzoeksvragen, opzet, respons, waardering en representativiteit • Aanleiding. Gemeenten werken nu aan hun warmteprogramma, dat zij eind 2026 moeten vaststellen. Een betaalbaar alternatief voor aardgas is een voorwaarde voor de warmtetransitie. En om in een wijk volledig aardgasvrij te worden is het aantonen van ‘betaalbaarheid’ zelfs wettelijk verplicht. Het onderzoek is geïnitieerd en uitgevoerd door Populytics in samenwerking met MSG Sustainable Strategies. En in opdracht van de gemeente Delft. Hetzelfde onderzoek is tevens in 15 andere gemeenten uitgevoerd. Ook is er in samenwerking met Energie Beheer Nederland (EBN) een landelijk rapport opgesteld op basis van de onderzoeken in alle deelnemende gemeenten.
• Doel en onderzoeksvragen. Het doel van het onderzoek is om concreet te maken wat het begrip ‘betaalbaarheid’ voor inwoners betekent. Het onderzoek adresseert 3 onderzoeksvragen: 1. Welke doelen en uitgangspunten zijn voor verschillende groepen inwoners belangrijk bij betaalbaarheid van een alternatieve warmteoplossing? 2. Welke factoren beïnvloeden de mate waarin inwoners eventuele hogere kosten voor mensen in de wijk voor duurzame warmte acceptabel vinden? 3. Bij welke kosten en baten adviseren inwoners de kenmerken van duurzame warmte boven die van aardgas? • Onderzoeksopzet. Dit onderzoek past twee wetenschappelijke methodes toe: de Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) en het Discrete Keuze Experiment (Discrete Choice Experiment, ofwel DCE). Voor meer uitleg over de methodes, zie kaders 1 en 2 op pagina 17. Bij het ontwerpproces zijn veel verschillende belanghebbenden betrokken geweest.
4
• Twee onderzoeksversies. Het onderzoek kende twee versies om de representativiteit te borgen en de inclusiviteit te maximaliseren. Voor het gesloten onderzoek heeft een willekeurige steekproef van 9.000 huishoudens een uitnodiging ontvangen per brief. Deelnemers konden meedoen met een unieke code. Daarnaast werd het bewonerspanel van de gemeente Delft gevraagd mee te doen. Zij kregen een uitnodiging per mail met daarin een unieke code. Voor het open onderzoek konden inwoners van 18 jaar of ouder deelnemen. Deze versie is via diverse kanalen onder de aandacht gebracht. • Respons. 1.486 inwoners hebben meegedaan aan het onderzoek. • Waardering. Deelnemers uit het gesloten onderzoek gaven het onderzoek gemiddeld het rapportcijfer 7,1. • Representativiteit. De deelnemers aan het gesloten onderzoek zijn wat betreft hun kenmerken niet representatief voor alle inwoners van Delft. Jongeren tot 35 jaar, vrouwen, huurders en mensen die praktisch geschoold zijn ondervertegenwoordigd. Om ervoor te zorgen dat we op basis van het onderzoek representatieve uitspraken kunnen doen over alle inwoners van Delft op deze kenmerken hebben we de data gewogen. We hebben bijvoorbeeld meer waarde toegekend aan de antwoorden van de groepen die ondervertegenwoordigd waren.
Zo kunnen we op basis van dit onderzoek stellen dat de hoofdconclusies representatief zijn voor alle inwoners van Delft op de kenmerken leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en woonsituatie.
Figuur 0.1. Resultaten van gemiddelde punten die zijn toegekend aan de zeven beleidsdoelen.
Representatief
Energiebedrijven moeten zo weinig mogelijk winst maken en moeten open zijn over hun winst
6.4
Zoveel mogelijk inwoners moeten hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als voor gas, of minder
6.4
De prijzen voor duurzame warmte moeten zoveel mogelijk hetzelfde zijn in alle Nederlandse gemeenten
4.8
De overheid moet bepalen hoe een wijk overstapt op duurzame warmte als dat helpt om de totale kosten voor de samenleving laag te houden
4.7
De prijzen van duurzame warmte moeten zo lang mogelijk gelijk blijven voor inwoners
4.7
Zoveel mogelijk mensen moeten de kosten terugverdienen van overstappen op duurzame warmte
4.6
Inwoners moeten zo lang mogelijk de tijd krijgen om een geschikt moment te kiezen om te stoppen met gas
5
3.4
Voor een brede groep deelnemers zijn de belangrijkste doelen bij betaalbare warmte dat energiebedrijven zo weinig mogelijk winst maken en dat zoveel mogelijk inwoners hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als voor gas, of minder. • Keuzevraagstuk. Deelnemers zagen de volgende hoofdvraag: “De overheid wil dat duurzame warmte betaalbaar is. Wat is daarbij volgens u belangrijk?”. Vervolgens moesten deelnemers 35 punten verdelen over zeven beleidsdoelen waar de overheid meer of minder prioriteit aan kan geven. • Gemiddeld genomen worden twee doelen het meest geprioriteerd: 1. Energiebedrijven moeten zo weinig mogelijk winst maken en moeten open zijn over hun winst. Dit lijkt meer een principiële kwestie te zijn; het vaakst geven deelnemers het argument hierbij dat energiebedrijven nutsbedrijven zouden moeten zijn, zonder winstoogmerk. 2. Zoveel mogelijk inwoners moeten hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als voor gas, of minder. Het vaakst geven deelnemers het argument hierbij dat energie al duur is en dat het goed zou zijn als energie juist goedkoper zou worden. • Brede steun. De twee belangrijkste doelen krijgen niet alleen gemiddeld de hoogste prioriteit.
Ook als we specifiek kijken naar de voorkeuren van mannen en vrouwen, verschillende leeftijdsgroepen, opleiding, huurders of kopers, de mate van klimaatzorgen en financiële situatie dan zien we dat deze twee doelen in al deze groepen veel prioriteit krijgen. Deze twee doelen wijzen op een gedeelde basis voor een gedragen narratief over betaalbare warmte. • Andere prioriteiten. Verdiepende analyses laten zien dat er kleinere groepen zijn die andere prioriteiten stellen dan de gemiddeld gestelde prioriteiten, zie pagina 45 voor de resultaten van deze verdiepende analyse. Zo is er een groep van 9% die relatief veel prioriteit geeft aan het doel dat de overheid moet bepalen hoe een wijk overstapt. Deze groep lijkt meer de nadruk te leggen op zoveel mogelijk ingrijpen van de overheid en socialisatie van de energietransitie. Juist een andere groep van ongeveer 4% die daar geen prioriteit aan geeft, maar juist veel prioriteit geeft aan het doel dat inwoners zo lang mogelijk de tijd krijgen. Deze laatste groep lijkt de nadruk te leggen op individuele keuzevrijheid en zo min mogelijk ingrijpen van de overheid.
Betrouwbaarheidsintervallen: als iedereen in Delft mee zou doen, dan bevinden de uitkomsten zich met 95% zekerheid in het lichtblauwe bereik. We kunnen dus met 95% zekerheid zeggen dat inwoners de bovenste twee doelen meer prioriteit geven dan alle andere doelen. En de onderste minder prioriteit. We kunnen echter niet met dezelfde zekerheid iets zeggen over de volgorde van prioriteit van doelen 3 t/m 6.
Ruime meerderheid beargumenteert dat lage vaste kosten belangrijker zijn dan lage verbruikskosten, maar begrippen erg complex. • Keuze. In het tweede inhoudelijke gedeelte kregen deelnemers een keuze voorgelegd. Ze moesten aangeven voor welke keuze ze een voorkeur hadden: 1. Moeten de verbruikskosten laag zijn en de vaste kosten hoog? 2. Moeten de vaste kosten laag zijn en de verbruikskosten hoog?
Welke argumenten geven deelnemers als het gaat om lage vaste kosten of lage verbruikskosten? Meer sterretjes is vaker genoemd
Keuze 1: Zo laag mogelijke verbruikskosten is het belangrijkst
• Aanvullende analyse. We analyseerden het aantal argumenten dat duidelijk pleit voor ofwel lage vaste kosten ofwel lage verbruikskosten. We zien dat 7590% van de argumenten pleit voor lage vaste kosten. In de figuur hiernaast zijn de belangrijkste 6 argumenten weergegeven.
Keuze 2: Zo laag mogelijke vaste kosten is het belangrijkst
75-90%
Genoemde argumenten die horen bij lage verbruikskosten belangrijkst
Genoemde argumenten die horen bij lage vaste kosten belangrijkst
Geen vaakgenoemde argumenten
Energiebesparing is goed, dat zou gestimuleerd moeten worden
★★★
Mensen krijgen meer grip op hun kosten als de vaste kosten laag zijn
★★
Het is eerlijk als je betaalt voor wat je gebruikt
★★
In principe zou energiebesparing gestimuleerd moeten worden, maar sommige mensen kunnen niet besparen (o.a. door slechte isolatie). Daar moet rekening mee gehouden worden
★
Deelnemers konden ook lezen wat vaste en verbruikskosten zijn en wat de voordelen van beide keuzes zijn. Daarna konden ze hun keuze toelichten. • Begrijpelijkheid. Uit de argumenten-analyse blijkt dat veel deelnemers de begrippen ‘vaste kosten’ en ‘verbruikskosten’ niet goed begrijpen. We zien namelijk dat de voorkeur die veel deelnemers aangeven te hebben niet overeenkomt met de argumenten die zij gebruiken om die voorkeur te onderbouwen. Ter illustratie een quote van een deelnemer die aangeeft een voorkeur te hebben voor lage verbruikskosten: “Verbruik heb ik in eigen hand. Daarom zo laag mogelijke verbruikskosten”.
10-25%
Verder genoemd: • Lage verbruikskosten zorgen voor zekerheid over kosten en minder stress
Verder genoemd: • Ik gebruik zelf nu al weinig energie, het zou fijn zijn als mijn kosten omlaag zouden gaan
Methode: in het Discrete Choice Experiment (DCE) vroegen we deelnemers welke aanpak zij adviseren. • Doel. Het doel van een DCE is om te kwantificeren welke waarde deelnemers toekennen aan bepaalde kenmerken van een warmteoplossing en hoe zij die kenmerken afruilen. • Keuzesituatie. Deelnemers moesten zes keer kiezen of zij aanpak 1 of aanpak 2 adviseren als de gemeente moet kiezen tussen deze aanpakken. • Elke keer zagen zij de effecten van aanpak 1 en aanpak 2, zonder te weten wat aanpak 1 of 2 is. Er werden geen warmtetechnieken genoemd. • Ze moesten de aanpakken beoordelen op hun kenmerken (zie Figuur 0.3). • De waarden van de kenmerken verschilden steeds in de zes keuzesituaties. • Waardering van kenmerken. Doordat mensen meerdere keren keuzes maken is vast te stellen hoe zij kenmerken tegen elkaar uitruilen. Bijvoorbeeld: wanneer wegen de eenmalige kosten voor woningeigenaren in de wijk tussen nu en 2040 op tegen 50% CO2-besparing? • Huurders en kopers. Huurders kregen een aangepaste DCE te zien. Het bovenste kenmerk (eenmalige kosten woningeigenaren) kregen zij niet te zien.
7
Figuur 0.3. Een schermafbeelding van het DCE-gedeelte voor woningeigenaren van het onderzoek.
We onderzoeken de voorkeuren van de burger. Deze kunnen afwijken van de voorkeuren van de eindgebruiker (“burger versus consument paradox”). • Burger-consument paradox. Hoe kan het dat (bijna) niemand vóór kinderarbeid is terwijl ‘fast fashion’ enorm veel wordt verkocht? Een verklaring hiervoor is een concept dat bekend staat als de ‘burger versus consument paradox’: mensen handelen vaak vanuit twee verschillende rollen. Soms staat onze rol als burger meer op de voorgrond, bijvoorbeeld wanneer we stemmen op een politieke partij. We handelen dan vaker vanuit idealen en onze positie als onderdeel van de samenleving. Soms staat onze rol als consument meer op de voorgrond, bijvoorbeeld wanneer we in een winkel staan. We handelen dan vaker vanuit eigenbelang. Als burger kun je tegen kinderarbeid zijn en als consument kun je toch goedkope kleding kopen die door kinderen is gemaakt. Met andere woorden: als burger kun je tegen je eigen consumentengedrag zijn en vice versa. • In dit onderzoek onderzoeken we de voorkeuren van burgers. In dit onderzoek is deelnemers gevraagd welke aanpak ze de gemeente adviseren als de gemeente moet kiezen tussen twee aanpakken en waarbij de eenmalige kosten tussen nu en 2040 vallen. En niet welke aanpak ze voor hun eigen huis zouden willen.
De reden hiervoor is dat overheden in het kader van het Warmteprogramma moeten onderbouwen waarom een alternatieve warmteoplossing betaalbaar is wanneer zij een gebied van het aardgas af gaan halen. De gemeente beslist niet per woning of ze de woning wel of niet van het gas af halen. In dit onderzoek hebben we een collectief vraagstuk voorgelegd en we meten de voorkeuren van de burger.
8
• Eindgebruiker als consument. De eindgebruiker van warmte kan, als consument, andere voorkeuren hebben als het gaat om de betaalbaarheid van duurzame warmte. Als het gaat om de individuele beslissing om over te stappen kunnen er andere aspecten meespelen bij de perceptie van betaalbaarheid. Bijvoorbeeld, de mate van ontzorging, de warmtetechniek, de details van het aanbod, de individuele financiële draagkracht en welke financieringsvormen er beschikbaar zijn.
De gemiddelde woningeigenaar en huurder ontleent baten aan CO₂-besparing en extra wooncomfort • Invloed. In figuur 0.4 zien we de relatieve invloed per kenmerk op de keuze van de gemiddelde burger voor een aanpak voor verwarmen, warm water en koken. • Acceptabele kosten. De gemiddelde burger heeft liever geen hogere kosten, want de coëfficiënten die hierbij horen zijn immers negatief. Maar als de positieve (blauwe) balkjes ongeveer even groot zijn als de negatieve (oranje) balkjes dan wegen de kosten op tegen de baten voor de gemiddelde burger. Met andere woorden: de gemiddelde burger accepteert bepaalde hogere kosten wel als het bepaalde baten oplevert. Daarom concluderen we dat bepaalde kosten acceptabel zijn voor de gemiddelde burger wanneer dit gepaard gaat met bepaalde baten. Zo geldt voor de gemiddelde woningeigenaar in Almere dat als er in een gebied 50% CO2 wordt bespaard, dan zijn eenmalige kosten* van €10.616 met een bandbreedte van € 1.222 hoger of lager tussen nu en 2040 per woningeigenaar acceptabel. • Verschillen. Bovenstaande acceptabele kosten gelden voor de gemiddelde woningeigenaar. Maar wat mensen acceptabel vinden, verschilt sterk. Zo zijn de acceptabele kosten voor de gemiddelde burger die financieel moeilijk rondkomt ongeveer twee keer zo laag als voor de gemiddelde burger.
En voor de gemiddelde burger die géén klimaatzorgen heeft liggen de acceptabele kosten voor CO 2-besparing ongeveer vijf keer zo laag als voor de gemiddelde burger die wél klimaatzorgen heeft. • Geen individuele betalingsbereidheid. We kunnen op basis van de gemiddelde acceptabele kosten níet concluderen wat de gemiddelde eindgebruiker bereid is te betalen. Zie pagina’s 67-69 voor meer uitleg hierover.
9 * Hoe deze bedragen berekend zijn is uitgelegd op pagina 77. Meerdere concrete bedragen zijn tevens te lezen op pagina 78.
Figuur 0.4. Relatieve invloed per kenmerk van de gemiddelde huurder en woningeigenaar op de keuze voor een aanpak voor warmte.
n.v.t. H
€7.000 eenmalige kosten per woningeigenaar tussen nu en 2040
W
H
€100,- extra maandelijkse kosten
W H
Er is één energiebedrijf, in handen van de overheid
Niet significant
W
H
Beter wooncomfort: het blijft beter warm in huis en het tocht minder
W
Wooncomfort + koeling: het blijft beter warm in huis en het tocht minder. In de zomer kunt u uw huis ook koelen.
H W H
50% CO2-besparing
W
Negatieve waardering
H
Huurders
Positieve waardering
W
Woningeigenaren
Toepassing: we leiden af dat een meerderheid van de burgers aanpakken met kenmerken van warmtenetten en warmtepompen zou adviseren boven aardgas • Berekende voorkeuren. Met de uitkomsten van het keuze-experiment kunnen we achteraf berekenen welk percentage van de deelnemers een aanpak met bepaalde kenmerken zou adviseren boven een andere aanpak. We gebruiken dat om aanpakken met de kenmerken van warmtenetten, warmtepompen en aardgas te vergelijken. • Blind experiment. Deelnemers hebben gekozen tussen ongelabelde aanpakken en nooit tussen specifieke warmtetechnieken. Eventuele bestaande oordelen over de technieken en factoren die buiten de vijf getoonde kenmerken vallen, worden dus niet meegenomen in deze berekening. • Voorkeur voor kenmerken warmtenet boven aardgas. We leiden af dat een ruime meerderheid van de woningeigenaren en huurders de kenmerken van een indicatief voorspeld warmtenet adviseert boven de kenmerken van het huidige aardgas (zie figuur 0.5 hiernaast). Met name het verschil in CO₂-besparing tussen de twee aanpakken leidt tot een voorkeur voor de kenmerken van het warmtenet.
• Warmtepompen versus aardgas en versus warmtenetten. We maken vanaf pagina 84 meer van deze vergelijkingen. Hieruit leiden we af dat een grote meerderheid de kenmerken van een (all-electric) warmtepomp boven aardgas adviseert. Wanneer we de vergelijking tussen warmtenet en warmtepomp maken dan is met name het isolatieniveau van invloed; bij een goed geïsoleerde woning krijgen de kenmerken van een warmtepomp de voorkeur. Bij een slecht geïsoleerde woning is dit andersom. • Grote meerderheden. Burgers verschillen in de kosten die ze acceptabel vinden. Om te komen tot een grotere meerderheid (bijvoorbeeld 70% of 80%), moeten de kenmerken van een duurzame warmteoplossing daarom véél aantrekkelijker zijn dan nodig is voor de gemiddelde burger. Zie pagina’s 88-89 voor een uitwerking hiervan. 10
Figuur 0.5. Percentage burgers dat een aanpak met warmtenetkenmerken zou adviseren boven een aanpak met kenmerken van aardgas. Scenario 1: mogelijk toekomstig warmtenet
Scenario 2: huidige verwarming met aardgas
kenmerken uit warmtescenario’s
Aanpak 1
Aanpak 2
Eenmalige kosten woningeigenaren
Eigenaren: €3.900 Huurders: n.v.t.
Eigenaren: €2.600 Huurders: n.v.t.
Maandelijkse energierekening
Eigenaren: €4 minder Huurders: €4 meer
Zelfde als nu
Energieleverancier
Eén publiek bedrijf
Inwoners kiezen een bedrijf
Wooncomfort
Zelfde als nu
Zelfde als nu
CO2-besparing
78% besparing
Geen besparing
berekening o.b.v. gemeten voorkeuren Welk percentage van de burgers zou aanpak 1 of aanpak 2 adviseren? Woningeigenaren
79%
21%
Huurders
71%
29%
Uitgelicht: mensen die financieel moeilijk rondkomen. Vergelijkbare prioriteiten maar hogere kosten zijn minder acceptabel. • Speciale aandacht. Bij het maken van beleid over duurzame warmte wordt vaak extra aandacht gegeven aan mensen die financieel moeilijk rondkomen. Daarom kijken we in dit onderzoek specifiek naar de resultaten van deze groep. • Zowel huurders als woningeigenaren die moeilijk rondkomen vinden stoppen met gas vaker een slecht idee. Mensen die financieel moeilijk rondkomen vinden het iets vaker dan gemiddeld een heel slecht idee om van aardgas over te stappen op duurzame warmte. Circa 5% van deze groep geeft dit aan, in vergelijking met circa 3% van de mensen die makkelijk rondkomen. Het vaakst noemen deelnemers die het oneens zijn met het stoppen met aardgas hun zorgen over de kosten van de transitie. Ook geven sommige deelnemers aan zorgen en twijfels te hebben over de infrastructuur en de beschikbaarheid van elektriciteit. • Zowel huurders als woningeigenaren die moeilijk rondkomen stellen vergelijkbare prioriteiten. Mensen die moeilijk rondkomen stellen vergelijkbare prioriteiten als het gaat om wat belangrijk is bij de betaalbaarheid van duurzame warmte.
Zij geven, net als andere groepen, de meeste prioriteit aan de twee doelen: 1) dat energiebedrijven zo weinig mogelijk winst moeten maken en hier open over moeten zijn en 2) dat zoveel mogelijk inwoners hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als voor gas, of minder.
11
• Vergelijkbare kosten en baten voor mensen die moeilijk rondkomen. Zowel huurders als woningeigenaren die moeilijk rondkomen waarderen CO₂-besparing en wooncomfort positief en extra kosten negatief. Maar zij waarderen CO₂-besparing en wooncomfort echter minder sterk en de kosten juist sterker vergeleken met de gemiddelde huurder en woningeigenaar. Ofwel: het is voor burgers die moeilijk rondkomen minder acceptabel dan voor de gemiddelde burger dat CO₂-besparing en wooncomfort leiden tot hogere kosten. Zie pagina 79 voor een gedetailleerde uitwerking. • Voorkeuren voor kenmerken warmtetechnieken. Burgers die moeilijk rondkomen maken vergelijkbare keuzes als de gemiddelde burger wanneer zij adviseren over aanpakken met de kenmerken van warmtenetten, warmtepompen en aardgas. Burgers die moeilijk rondkomen adviseren wat minder vaak de kenmerken van warmtenetten boven die van aardgas. Woningeigenaren die moeilijk rondkomen kiezen daarnaast een stuk minder vaak voor de kenmerken van warmtepompen, in vergelijking met aardgas. Voor huurders geldt dit niet. Dat komt door een verschil in voorkeuren, maar doordat de huurder - in elk geval in de sociale huur – beperkt meebetaalt aan de kosten en wel de baten geniet. Zie pagina 90 voor een gedetailleerde uitwerking.
Aanbevelingen (1/2) • Als de gemeente met haar beleid zo goed mogelijk aan wil sluiten op breed gedragen voorkeuren van de meerderheid van de inwoners, bevelen we aan om twee uitgangspunten te hanteren in beleid over betaalbaarheid van duurzame warmte: 1. Zorg dat energiebedrijven zo weinig mogelijk winst maken en bevorder dat ze transparant zijn over hun winst. Concreet: • Communiceer over de landelijke regels die dit uitgangspunt onderschrijven (bv. de kosten-plus methode uit de Wcw). • Zorg dat het warmtebedrijf op een begrijpelijke manier communiceert aan woningeigenaren over de opbouw van tarieven als de gemeente een warmtenet aanwijst voor een gebied. En zorg dat woningcorporaties dit doen in hun communicatie naar huurders. • Overweeg bij deelname van de gemeente in het warmtebedrijf om hierover uitgangspunten op te nemen in de statuten van het warmtebedrijf. 2. Streef ernaar dat zoveel mogelijk inwoners hetzelfde, of minder, betalen voor duurzame warmte als voor aardgas. En concreet: • Kies voor het narratief van woonlastenneutraliteit in de keuzes voor alternatieven voor aardgas. En werk dit uit op basis van verwachte eindgebruikerskosten bij het voornemen tot de inzet van de aanwijsbevoegdheid in het warmteprogramma.
• Onderbouw met cijfers hoe de vergelijking tussen aardgas en de gekozen warmtetechniek uitvalt bij de uitwerking van wijk-of buurtplannen (uitvoeringsplan). • Overweeg om de landelijk vastgestelde, uniforme rekenregels*, aan te scherpen of uit te breiden op basis van de inzichten uit dit onderzoek . 12
• Als de gemeente met haar beleid aan wil sluiten op de voorkeuren van inwoners met andere voorkeuren dan de gemiddelde voorkeuren, bevelen we aan om in de participatiestrategie rekening te houden met groepen inwoners die hele andere prioriteiten stellen dan het gemiddelde. Aandacht voor deze groepen is vooral van belang bij het maken van concrete wijk- en buurtplannen. Het is goed om er rekening mee te houden dat deze groepen in het participatietraject hun standpunt naar voren zullen brengen. • Een andere groep representeert 9% van de inwoners. Deze groep lijkt juist sterk de nadruk te leggen op zoveel mogelijk ingrijpen van de overheid en socialisatie. • Een groep representeert 4% van de inwoners. Deze groep lijkt sterk de nadruk te leggen op individuele keuzevrijheid en zo min mogelijk ingrijpen van de overheid. • Mensen die zich geen zorgen maken om het klimaat nemen op bepaalde aspecten duidelijk een andere positie in dan mensen die zich wel zorgen maken om het klimaat. Zo zien we dat mensen die zich geen zorgen maken om het klimaat, negatiever staan tegenover overheidsingrijpen op het gebied van warmtebeleid dan mensen die zich wel zorgen om het klimaat maken. Als de gemeente ervoor wil zorgen dat beide groepen zich gehoord voelen dan is het raadzaam om in de communicatie expliciet rekening te houden met beide posities.
* De rekenregels zijn op het moment van publiceren van dit rapport nog niet vastgesteld. De regels uit het ontwerp-Bgiw bepalen dat wanneer een gemeente de aanwijsbevoegdheid in wil zetten in een gebied de kosten voor 70% van de woningen niet hoger mogen zijn dan de financiële baten.
Aanbevelingen (2/2) • De gemeente kan kiezen om het begrip ‘betaalbaarheid’ te concretiseren, mede op basis van het perspectief van inwoners, zodat zij hierop kan sturen. In dat geval raden we aan om onderscheid te maken tussen het perspectief van burgers en dat van eindgebruikers. Concreet bevelen we aan: • Erken in de definitie deze twee verschillende perspectieven. • Maak expliciet hoe, en in welke mate, de gemeente haar beleid baseert op beide perspectieven. 1. Eindgebruikersperspectief. Als de gemeente optimaal rekening wil houden met de klantbehoefte van inwoners, dan zijn de perspectieven en voorkeuren van de eindgebruiker het meest relevant. Verder onderzoek is nodig om het eindgebruikersperspectief te concretiseren (zie volgende aanbeveling). 2. Burgerperspectief. Als de gemeente optimaal rekening wil houden met de voorkeuren van mensen over wat hun overheid moet nastreven, dan zijn de perspectieven en voorkeuren van de burger het meest relevant. De resultaten uit dit onderzoek vormen hiervoor een basis. • Zorg dat een toekomstige aanbieder van duurzame warmte de voorwaarden onderzoekt waaronder inwoners individueel willen overstappen. Aspecten zoals ontzorging, timing, de kostenstructuur en financiële draagkracht kunnen hierin een rol spelen.
Concreet bevelen we aan: • Zorg dat het eindgebruikersperspectief wordt onderzocht: onder welke voorwaarden willen en kunnen inwoners individueel overstappen? • Zorg hierbij dat het onderzoek is toegespitst op het wel of niet beschikbaar zijn van aardgas in een gebied. In een situatie waarin de gemeente haar aanwijsbevoegdheid inzet kunnen namelijk de voorwaarden waaronder inwoners over willen stappen op een specifieke duurzame warmtetechniek anders zijn dan in een situatie waarin de gemeente haar aanwijsbevoegdheid níet inzet. 13
• Indien het niet mogelijk is dat inwoners hetzelfde, of minder, betalen voor duurzame warmte als voor gas, dan zijn extra kosten voor een meerderheid van inwoners acceptabel als daar bepaalde voordelen tegenover staan. Dit is met name het geval als de extra kosten het gevolg zijn van een keuze die zorgt voor sterke CO₂-besparing en extra wooncomfort. Wel is deze acceptatie een stuk lager voor inwoners die moeilijk rondkomen en inwoners die geen klimaatzorgen hebben. Concreet bevelen we aan: • Bepaal een doelpercentage* om te onderbouwen dat er voldoende steun is voor een aanpak voor duurzame warmte in een wijk. Is 51% voldoende of is een grotere meerderheid nodig? En besef hierbij dat een aanpak véél aantrekkelijker moet zijn om van 51% steun naar steun van een grote meerderheid (>70%) te gaan. • Communiceer welke voordelen het overstappen op duurzame warmte in huis oplevert. Beperk dit niet tot de installatie, maar ga hierbij ook in op isolatie, ventilatie en zonwering. Maak hiervan een belangrijk onderdeel in de participatie en communicatie bij uitvoeringsplannen. • Communiceer over de duurzaamheid van de warmtetechniek. En de bijdrage aan CO₂-besparing en het voorkomen van klimaatverandering. • Communiceer op het niveau van de wijk.
Een argument op wijkniveau (“Als wijk stoten we dan veel minder CO₂ uit”) is voor veel mensen aantrekkelijker dan het argument op individueel niveau (“Uw huis stoot dan veel minder CO₂ uit"). • Stuur op landelijk flankerend beleid voor huurders en de groep woningeigenaren die moeilijk rondkomt. Deze groepen kennen minder waarde toe aan kenmerken zoals CO₂-besparing, wooncomfort en publiek eigenaarschap. En juist meer aan maandelijkse of eenmalige kosten. Overweeg extra financiële hulp voor deze groep.
* De onderbouwing van voldoende steun voor een warmte aanpak staat los van de wettelijke plicht die gemeenten hebben om met vastgestelde rekenregels aan te tonen dat de kosten voor 70% van de woningen niet hoger mogen zijn dan de financiële baten.
Aanleiding Opzet
Aanleiding & Opzet
Wat was de aanleiding voor dit onderzoek? Hoe zag het onderzoek er globaal uit?
Deelnemers
Wie hebben er meegedaan aan het onderzoek? In wat voor huizen wonen zij? Wat vinden zij van de warmtetransitie?
Deelnemers
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid?
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid?
Welke van de zeven beleidsdoelen geven inwoners prioriteit? En waarom?
Vaste en verbruikskosten
Wat vinden inwoners het belangrijkste: lage vaste of lage variabele kosten?
Kenmerken van warmteoplossingen
Hoe belangrijk vinden inwoners verschillende kenmerken van warmteoplossingen? Hoe wegen zij die tegen elkaar af?
Extra vraag
Hoe moet de gemeente kiezen in welke buurten ze aan de slag gaan?
Over het onderzoek
Hoe hebben deelnemers het onderzoek ervaren? Welk rapportcijfer geven zij?
Methodologie
Hoe is het onderzoek tot stand gekomen? Hoe zijn de data geanalyseerd?
Vaste en verbruikskosten
Inhoudsopgave
Kenmerken van warmteoplossingen
Extra vraag
Over het onderzoek
Methodologie
14
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave
• Wat was de aanleiding voor dit onderzoek?
Aanleiding & Opzet
Badge 1 with solid fill
Badge with solid fill
Badge 3 with solid fill
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid? Aanleiding Opzet
15
Aanleiding & Opzet
Deelnemers
• Hoe zag het onderzoek er globaal uit?
Badge 4 with solid fill
Vaste en verbruikskosten
Badge 5 with solid fill
Badge 7 with solid fill
Kenmerken van warmteoplossingen Extra vraag
Over het onderzoek
Methodologie
De gemeente Delft wil onderzoeken wat het begrip ‘betaalbaar’ concreet voor inwoners betekent als het gaat om duurzame warmte • Aanleiding. Gemeenten werken nu aan hun warmteprogramma, dat zij eind 2026 moeten vaststellen. Een betaalbaar alternatief voor aardgas is een voorwaarde om over te stappen van aardgas op een ander alternatief. En om volledig aardgasvrij te worden is het voor een gemeente wettelijk verplicht om te onderbouwen dat het alternatief betaalbaar is. • Relatie tot lopende onderzoeken. Landelijk worden rekenregels opgesteld voor de manier waarop gemeenten kunnen onderbouwen dat een alternatief voor aardgas betaalbaar is. Die gelden alleen als de gemeente de aanwijsbevoegdheid inzet. Er lopen ook discussies over het instrumentarium voor warmtenetten: wat is er nodig om warmtenetten nu en in de toekomst aantrekkelijk te maken voor gebruikers in gebieden waar ze maatschappelijk gezien de beste optie zijn? • Doel en onderzoeksvragen. Het doel van het onderzoek is om concreet te maken wat het begrip ‘betaalbaarheid’ voor inwoners betekent. Het onderzoek adresseert 3 onderzoeksvragen: 1. Welke doelen en uitgangspunten zijn voor verschillende groepen inwoners belangrijk bij betaalbaarheid van een alternatieve warmteoplossing? 2. Welke factoren beïnvloeden de mate waarin inwoners eventuele hogere kosten voor mensen in de wijk voor duurzame warmte acceptabel vinden? 3.
Bij welke kosten en baten adviseren inwoners de kenmerken van duurzame warmte boven die van aardgas?
• Buiten scope. Dit onderzoek stelt vast wat inwoners betaalbaar vinden als een warmteoplossing voor de hele wijk wordt toegepast. Deze acceptabele kosten kunnen verschillen met wat inwoners voor zichzelf op individueel niveau, op een bepaald moment, betaalbaar vinden. Op basis van de gemiddelde acceptabele kosten kunnen we níet voorspellen hoeveel mensen zullen overstappen wanneer zij een aanbod krijgen met bepaalde kenmerken. En wat ze individueel zelf bereid zijn om te betalen. Om te onderzoeken onder welke voorwaarden een individuele inwoner de overstap maakt naar een duurzame warmteoplossing is aanvullend onderzoek nodig.
• Onderzoeksopzet. Het onderzoek is geïnitieerd en uitgevoerd door Populytics in samenwerking met MSG Sustainable Strategies. En in opdracht van de gemeente Delft. Hetzelfde onderzoek is tevens in 15 andere gemeenten uitgevoerd. Ook is er in samenwerking met Energie Beheer Nederland (EBN) een landelijk rapport opgesteld op basis van de onderzoeken in alle deelnemende gemeenten. Dit onderzoek past twee wetenschappelijke methodes toe: de Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) en het Discrete Keuze Experiment (Discrete Choice Experiment, ofwel DCE). Voor meer uitleg, zie kaders 1 en 2 op de volgende pagina. Bij het ontwerpproces zijn veel verschillende belanghebbenden betrokken geweest. • Respons. 1486 inwoners hebben meegedaan aan het onderzoek. Deelnemers uit de representatieve steekproef gaven het onderzoek gemiddeld het rapportcijfer 7,1. • Looptijd. Het onderzoek stond online van 2 april 2025 tot en met 23 april 2025. Mensen konden meedoen in het Nederlands.
16
Twee wetenschappelijke en in de praktijk getoetste methodes Kader 1. Over de methode PWE
17
Kader 2. Over de methode DCE
• Wetenschappelijk gevalideerd. De Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) is een participatiemethode die Populytics vaak inzet om mensen te betrekken bij beslissingen die hen gaan raken. De methode is ontwikkeld en gevalideerd door wetenschappers, onder andere van de TU Delft.
• Nobelprijs. Het Discrete Keuze Experiment (DCE) is een techniek die werd ontwikkeld door Daniel McFadden, waarvoor hij in 2000 de Nobelprijs ontving. De DCE wordt gebruikt om te bepalen wat de invloed is van bepaalde kenmerken op de keuzes die deelnemers maken als het gaat om een warmteoplossing.
• Op de stoel van. De essentie van de PWE-methode is om deelnemers in een online omgeving 10 minuten op de stoel van een beleidsmaker of politicus te zetten. Deelnemers krijgen een zogeheten keuzetaak te zien. Deelnemers zien realistische aspecten die een rol kunnen spelen bij de betaalbaarheid van duurzame warmte. Deze aspecten zijn geformuleerd als doelen. Welke doelen zijn volgens deelnemers het belangrijkste? Deelnemers brengen een advies hierover uit door punten te verdelen over deze doelen. Daarna motiveren ze hun advies.
• Keuzes maken. Deelnemers maken zes keer een keuze tussen twee hypothetische aanpakken voor verwarmen, warm water en koken. De kenmerken van de aanpakken variëren tussen de keuzesituaties. Door mensen meerdere keuzes te laten maken kan je met econometrische modellen vaststellen hoe zij de kenmerken afruilen. En je kunt vervolgens uitrekenen hoeveel procent van de inwoners een duurzame warmteoplossing adviseert in vergelijking met aardgas. Na 6 keer een keuze gemaakt te hebben konden deelnemers hun keuzes toelichten.
• Begrip voor complexiteit. Door mee te doen aan een PWEonderzoek begrijpen deelnemers beter dat er verschillende perspectieven een rol spelen als het gaat om bepalen wat we verstaan onder ‘betaalbaarheid’. En de resultaten stellen beleidsmakers in staat om hun keuzes beter aan te laten sluiten op voorkeuren, waarden en zorgen van deelnemers.
• Keuzepijn. In het onderzoek leggen we nooit een keuze voor waarbij aanpak 1 in zijn geheel beter of slechter is dan aanpak 2. Deelnemers moeten dus kiezen welke kenmerken het zwaarst wegen. Soms vinden deelnemers het minder leuk om een DCE te doen. Er wordt immers van ze gevraagd om een aanpak te adviseren die op sommige kenmerken minder aantrekkelijk is.
Globale opzet
!
Dit onderzoek kende twee versies om de representativiteit te borgen en de inclusiviteit te maximaliseren
Gesloten onderzoek Brief en panel
Totaal: 1123 deelnemers
Aanleiding en doel
Wijze van benaderen
• Als inwoners zelf het initiatief nemen om deel te nemen aan een onderzoek kan selectiebias optreden: een oververtegenwoordiging van inwoners met een uitgesproken mening over het onderwerp en/of een ondervertegenwoordiging van deelnemers met een minder uitgesproken mening of die aan zelfselectie doen.
• Een semi-willekeurige steekproef van 9.000 huishoudens heeft een uitnodiging ontvangen per brief. Op iedere brief stond een unieke code. Ook zijn inwoners van het Delft Internet Panel uitgenodigd.
• Het doel van een gesloten onderzoek is om een gebalanceerde steekproef te trekken door proactief een willekeurig geselecteerde groep inwoners te benaderen. Op basis van deze steekproef kunnen onder voorwaarden representatieve uitspraken worden gedaan.
• Door het proactief benaderen van een beperkte groep is een gesloten onderzoek per definitie exclusief. Het doel van het open onderzoek is daarom om de inclusiviteit te verhogen door alle inwoners de gelegenheid te geven mee te doen. Open onderzoek Totaal: 363 deelnemers
18
Resultaten zijn altijd representatieve uitkomsten uit de gesloten versie, tenzij expliciet aangegeven dat dit het open onderzoek betreft. Citaten van deelnemers kunnen uit zowel de gesloten versie als het open onderzoek komen.
• Naast de verhoogde inclusiviteit is een belangrijke positieve bijdrage van het open onderzoek dat deelnemers vaak veel uitgebreidere onderbouwingen bij hun keuzes geven. Dit geeft meer inzicht in de waarden die achter voorkeuren liggen.
• Zie het hoofdstuk Methodologie voor meer details.
• Alle inwoners van 18 jaar of ouder konden deelnemen aan het open onderzoek. Deze versie is via diverse kanalen onder de aandacht gebracht. • Zie het hoofdstuk Methodologie voor meer details.
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave
Kenmerken van deelnemers
Kenmerken van deelnemers
2A
Deelnemers Overstappen naar duurzame warmte
Overstappen naar duurzame warmte
2B
Badge 1 with solid fill
Badge with solid fill
Badge 3 with solid fill
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid? Aanleiding Opzet
19
Badge 4 with solid fill
Vaste en verbruikskosten
Badge 5 with solid fill
Badge 7 with solid fill
Kenmerken van warmteoplossingen Extra vraag
Deelnemers
Deelnemers
Over het onderzoek
Methodologie
• Gender, leeftijd, opleidingsniveau en woonsituatie
Kenmerken van deelnemers
2A
• Vertegenwoordiging in wijken • Samenstelling huishouden, financiële situatie en klimaatzorgen • Kenmerken van de woning
Badge 1 with solid fill
Badge with solid fill
Badge 3 with solid fill
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid? Aanleiding Opzet
20
Badge 4 with solid fill
Vaste en verbruikskosten
Badge 5 with solid fill
Badge 7 with solid fill
Kenmerken van warmteoplossingen Extra vraag
Deelnemers
Deelnemers
Over het onderzoek
Methodologie
In totaal hebben 1486 inwoners deelgenomen. De uitkomsten van het gesloten onderzoek zijn door herweging representatief voor de hele gemeente. • Werving via brieven. Meer dan 9.000 huishoudens van gemeente Delft hadden een brief gekregen met een unieke code. Elke code mocht maximaal 2 keer gebruikt worden. In totaal hebben 391 mensen die een brief hebben gekregen meegedaan aan het gesloten onderzoek. • Werving via Delft Internet Panel. Alle leden van het Delft Internet Panel van de gemeente Delft hebben een uitnodiging gekregen. In totaal hebben 732 mensen van het Delft Internet Panel die een uitnodiging hebben gekregen meegedaan aan het gesloten onderzoek. • Werving via communicatie campagne. Alle inwoners van 18 jaar of ouder konden deelnemen aan het open onderzoek. Deze versie is via diverse kanalen onder de aandacht gebracht door de gemeente Delft zelf. In totaal zijn op deze manier 363 deelnemers geworven.
• Representativiteit en herwegen. De deelnemers aan het gesloten onderzoek zijn wat betreft hun kenmerken niet representatief voor alle inwoners van Delft. Jongeren tot 35 jaar, vrouwen, huurders en inwoners met een basisonderwijs en onderbouw voortgezet onderwijs opleiding zijn ondervertegenwoordigd. Om ervoor te zorgen dat we op basis van het onderzoek representatieve uitspraken kunnen doen hebben we de data gewogen. We hebben bijvoorbeeld meer waarde toegekend aan de antwoorden van de groepen die ondervertegenwoordigd waren. Zo kunnen we op basis van dit onderzoek representatieve uitspraken doen over alle inwoners van Delft op de kenmerken leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en woonsituatie. 21
Figuur 2.1. Samenstelling van de deelnemers Aandeel gemeente Delft*
47,2% 52,8%
Deelnemers gesloten onderzoek** (n=1.123) 37,2% 62,8%
Deelnemers open onderzoek** (n=363) 31,6% 63,2%
Leeftijd 18 tot 35 jaar 35 tot 65 jaar 65 jaar en ouder
43,9% 37,2% 18,9%
14,2% 47,5% 38,2%
29,7% 47,7% 21,3%
Opleiding bo, vmbo, havo-, vwo-onderbouw of mbo1 havo, vwo, mbo2-4 hbo, wo
18,4% 35,4% 46,2%
5,2% 16,7% 78,1%
7,1% 25,2% 65,8%
Woonsituatie Koopwoning Huurwoning***
37,0% 63,0%
72% 28%
60,1% 39,9%
Gender Vrouw Man
* Bron: CBS
** Aantallen tellen niet altijd op tot 100%. Het resterende deel betreft ‘zeg ik liever niet’ *** Bestaat uit huurwoningen van een woningcorporatie of een particuliere verhuurder
Uit alle segmenten deden mensen mee aan het onderzoek • Samenstelling huishouden. De grootste groep deelnemers woont met partner, zonder kinderen (42,4%). Bijna een vijfde van de deelnemers (19,4%) is onderdeel van een gezin met twee ouders. En 28,8% geeft aan alleen te wonen. En een kleinere groep geeft aan onderdeel te zijn van een één-oudergezin (3,4%) of met huisgenoten te wonen (2,8%). • Financiële situatie. Een meerderheid van de deelnemers (68,5%) kan (zeer) makkelijk rondkomen. Een kleine groep (5,8%) geeft aan (zeer) moeilijk rond te kunnen komen. De rest (22,5%) kan niet makkelijk, niet moeilijk rondkomen. • Woonsituatie. Ruim twee derde de deelnemers (71,0%) woont in een koopwoning. De rest huurt, waarvan het grootste deel via een woningcorporatie. • Zorgen over het klimaat. Een ruime meerderheid (85,7%) maakt zich een beetje of erg zorgen over het klimaat. Dit aandeel ligt iets hoger dan wat eerder landelijk onderzoek naar klimaatzorgen heeft aangetoond**. Het kan zo zijn dat inwoners van Delft zich relatief veel zorgen maken over het klimaat vergeleken met het provinciaal gemiddelde en dat de deelnemers aan de gesloten raadpleging ook op dit kenmerk juist wel goede dwarsdoorsnede zijn.
Het kan echter ook zo zijn dat inwoners die zich zorgen maken over het klimaat vaker mee hebben gedaan aan het onderzoek in Delft vergeleken met inwoners die zich geen zorgen maken over het klimaat. Daarom hebben we bij het vaststellen van de betrouwbaarheidsmarges rekening gehouden met deze onzekerheid.
22
** Eerder landelijk onderzoek naar klimaatzorgen van het CBS in 2023 liet zien dat 76% van de inwoners uit de provincie Zuid-Holland zich enige of veel zorgen maakt om het klimaat.
Figuur 2.2. Samenstelling van de deelnemers Deelnemers gesloten onderzoek* (n=1.123) 28,8% 42,4% 19,4% 3,4% 2,8%
Deelnemers open onderzoek* (n=363) 33,9% 29,9% 23,6% 7,1% 3,1%
Financiële situatie (Zeer) makkelijk kunnen rondkomen Niet makkelijk, niet moeilijk kunnen rondkomen (Zeer) moeilijk kunnen rondkomen
68,5% 22,5% 5,8%
53,9% 31,3% 14,8%
Woonsituatie Koopwoning Huurwoning, woningcorporatie Huurwoning, niet woningcorporatie
71,0% 21,9% 6,1%
59,2% 34,2% 5,2%
Zorgen over het klimaat Ja, heel erg Ja, een beetje Nee, niet echt Nee, helemaal niet
47,9% 37,8% 9,6% 4,2%
31,1% 41,2% 14,3% 10,9%
Samenstelling huishouden Alleen Met partner, zonder kinderen Met partner, met kind(eren) Alleen met kind(eren) Met huisgenoten
* Aantallen tellen niet altijd op tot 100%. Het resterende deel betreft ‘zeg ik liever niet’
Figuur 2.3. Samenstelling van de deelnemers naar wijk
Uit alle wijken deden mensen mee aan het onderzoek • Er hebben inwoners uit alle wijken van Delft meegedaan aan het onderzoek. De spreiding over de wijken van deelnemers aan het gesloten onderzoek volgt in grote lijnen de bevolking van de gemeente. • De spreiding over de wijken van deelnemers aan het open onderzoek is breder dan van het gesloten onderzoek. De wijken Tanthof-West en Voorhof heeft relatief veel deelnemers en de wijken Voordijkshoorn en Wippolder relatief weinig.
23
Aandeel gemeente Delft*
Deelnemers gesloten onderzoek** (n=1.123)
Deelnemers open onderzoek** (n=363)
Abtswoude
0,03%
0,4%
0,0%
Binnenstad Buitenhof Delftse Hout
12,7% 13,3% 0,1%
17,7% 9,5% 0,4%
10,5% 11,8% 0,3%
Hof van Delft
12,5%
16,6%
10,7%
Ruiven
0,3%
0,1%
0,3%
Schieweg Tanthof-Oost Tanthof-West
1,4% 5,6% 7,3%
2,5% 7,2% 5,0%
2,8% 7,4% 16,5%
Voordijkshoorn
11,7%
11,7%
6,1%
Voorhof
13,5%
12,2%
19,0%
Vrijenban
9,0%
8,6%
6,9%
Wippolder
12,8%
8,1%
7,2%
Wijk
* Bron: CBS
** Aantallen tellen niet altijd op tot 100%. Het resterende deel betreft ‘zeg ik liever niet’
Figuur 2.4. Over deelnemers (N=1.123)
4% 52%
In wat voor soort woning woont u? 0%
20%
43% 40%
60%
80%
100%
Vrijstaand, twee-onder-een-kap- of eengezinswoning Appartement, flat, boven- of benedenwoning Anders
7% 79%
Hoe verwarmt u nu uw woning? 0%
20%
Cv-ketel Cv-ketel en hybride warmtepomp Anders
Hoe goed is uw woning geïsoleerd?
Goed (energielabel A of B) Slecht (energielabel E, F of G)
60%
80%
100%
All-electric warmtepomp Warmtenet
36% 0%
24
40%
6% 6% 3%
20%
39% 40%
60%
24% 80%
Redelijk (energielabel C of D)
100%
Er deden deelnemers mee van diverse soorten woningen • De helft (52%) woont in een appartement, flat, boven- of benedenwoning. En twee vijfde (43%) van de deelnemers woont in een vrijstaand, twee-onder-een-kap- of eengezinswoning. 4% woont in een ander soort woning. • De meeste deelnemers (79%) verwarmen hun huis op dit moment met een cvketel. Nog eens 3% heeft een cv-ketel met hybride warmtepomp. Een kleine groep van 7% verwarmt met een all-electric warmtepomp en 6% geeft aan hun woning met een warmtenet te verwarmen. • Een derde van de deelnemers geeft aan dat hun woning goed geïsoleerd is (36%). 39% geeft aan dat hun woning redelijk geïsoleerd is. En de kleinste groep van 24% geeft aan dat hun woning slecht geïsoleerd is.
Overstappen naar duurzame warmte
2B
Badge 1 with solid fill
Badge with solid fill
Badge 3 with solid fill
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid? Aanleiding Opzet
25
• Vinden deelnemers het een goed idee dat de gemeente overstapt van aardgas naar duurzame warmte? • Hoe motiveren zij hun mening?
Badge 4 with solid fill
Vaste en verbruikskosten
Badge 5 with solid fill
Badge 7 with solid fill
Kenmerken van warmteoplossingen Extra vraag
Deelnemers
Deelnemers
Over het onderzoek
Methodologie
De eerste vraag was of deelnemers overstappen van aardgas naar duurzame warmte een goed idee vinden • Drie doelen: 1. Inzicht krijgen in welke mate deelnemers het een goed dan wel slecht idee vinden dat de gemeente overstapt van aardgas naar duurzame warmte. 2. Onderzoeken of en hoe de voorkeuren van deelnemers afhangen van of deelnemers het overstappen van aardgas naar duurzame warmte een goed of slecht idee vinden. 3. Deelnemers die het overstappen van aardgas naar duurzame warmte een slecht idee vinden de kans geven om hun mening te geven. • De vraag. Deelnemers konden lezen wat het idee van de gemeente was. En ze konden aangeven in hoeverre ze dit een goed idee vonden. Vervolgens konden ze hun antwoord toelichten. • Wel deelnemen? Als deelnemers hadden aangegeven dat ze het een (heel) slecht idee vonden dan kregen zij op de volgende pagina een extra stuk tekst te zien. Hierin stond uitgelegd dat de rest van het onderzoek gaat over de overstap naar duurzame warmte en dat het misschien niet prettig is om daarover mee te denken. Deelnemers lazen dat de gemeente geïnteresseerd is in de mening van alle mensen en er werd hun gevraagd om toch hun mening te geven. • Rapportage. We laten per doel de meest genoemde categorieën van argumenten zien. Met sterren geven we aan hoe vaak een argument wordt genoemd.
• ★★★ betekent dat dit de hoofdmoot vormt van de argumenten die bij een optie gegeven worden; dit argument springt er duidelijk uit. • ★★ betekent dat dit argument vaak wordt genoemd. • ★ betekent dat dit argument minder vaak maar wel een aantal keer wordt genoemd. We laten het vooral zien om de veelzijdigheid van de argumenten weer te geven. 26 •
Figuur 2.5. De eerste inhoudelijke vraag
Figuur 2.6. Houding deelnemers t.o.v. het stoppen met aardgas (N=1.119)
• Een meerderheid (70%) vindt het een (heel) goed idee om te stoppen met aardgas voor verwarmen, warm water en koken. Deze groep motiveert hun mening weinig. Het argument dat het vaakst genoemd wordt is dat het duurzamer en beter voor het milieu is.
Vindt u dit een goed idee? 40%
35%
37% 33%
• Een minderheid van 11% vindt het een (heel) slecht idee om te stoppen met aardgas voor verwarmen, warm water en koken. Deze groep motiveert relatief vaker hun mening dan de groep die het stoppen met gas een goed idee vindt. Het vaakst delen deelnemers in hun motivaties hun zorgen over de kosten van de transitie en hun zorgen en twijfels over de infrastructuur en beschikbaarheid van elektriciteit.
30% 25% 19%
20%
• Mensen die financieel moeilijk rondkomen vinden het relatief gezien vaker een heel slecht idee om te stoppen met aardgas. Deze groep geeft circa twee keer zo vaak aan het stoppen met aardgas een (heel) slecht idee te vinden.
15% 10%
7% 4%
5% 0% Ja, ik vind Ja, ik vind het een heel het een goed goed idee idee 27
De meerderheid van de deelnemers vindt het een (heel) goed idee om te stoppen met aardgas voor verwarmen, warm water en koken
Neutraal
Nee, ik vind Nee, ik vind het een slecht het een heel idee slecht idee
• Mensen die aangaven het een (heel) slecht idee te vinden stoppen iets eerder met het onderzoek dan mensen die het stoppen met aardgas een (heel) goed idee vinden. Mensen die het stoppen met aardgas een (heel) slecht idee vinden werden namelijk in het onderzoek gevraagd of ze toch hun mening wilden geven. Ongeveer 85% wilde zijn of haar mening over het onderwerp geven en heeft dat via het onderzoek gedaan. Dat is een vergelijkbaar percentage als mensen die het stoppen met aardgas een (heel) goed idee vinden; hiervan is circa 90% verder gegaan met het invullen van het onderzoek.
Uitwerking: ‘Overstappen van aardgas naar duurzame warmte’ "Mits het niet te duur gaat worden. En ik vind dat weinig draagkrachtigen niet deze kosten hoeven te betalen."
"Aardgas is een fossiele brandstof en draagt dus bij aan de opwarming van de aarde."
"Uiteindelijk is het goed om duurzame warmte te gebruiken. Maar het plan en de uitvoering die hier in Delft wordt gedaan is gewoon slecht en veel te duur. En uiteindelijk ontstaat er een monopolie waarbij de consument geen keus meer heeft."
28
"Er komt een eind aan fossiele brandstoffen."
Waarom vinden deelnemers het een goed of slecht idee dat de gemeente overstapt van aardgas naar duurzame warmte? Door deelnemers genoemde argumenten om over te stappen op duurzame warmte Het is duurzamer en beter voor het milieu Het is onvermijdelijk om van het gas af te gaan
"Voor nu niet haalbaar, qua isolatie en herrie warmtepomp" "De infrastructuur voor electrisch verwarmen is hier niet voor ingericht." "Het moet nog maar blijken of de nieuwe 'groene' energie ook daadwerkelijk groen is."
Verder genoemd: • We moeten met name onafhankelijker zijn van gas (uit andere landen)
Door deelnemers genoemde argumenten om (nog) niet over te stappen op duurzame warmte ★★★
Zorgen over de kosten van de transitie
★★★
★
Zorgen en twijfels over infrastructuur en de beschikbaarheid van elektriciteit
★★
Zorgen over de technisch haalbaarheid van de warmtetransitie (voor sommige huizen)
★
Twijfel over de noodzaak en/of duurzaamheid van andere warmteoplossingen ten opzichte van gas
★
Zorgen over de snelheid en doordachtheid van de transitie
★
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave
Algemene uitkomsten
Algemene uitkomsten
3A
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid?
Profielen van 5 groepen
Profielen van 5 groepen
3B
Uitwerking van zeven doelen
Uitwerking van zeven doelen
3C
Badge 1 with solid fill
Badge with solid fill
Badge 3 with solid fill
Badge 4 with solid fill
Badge 5 with solid fill
Badge 7 with solid fill
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid?
Aanleiding Opzet
29
Deelnemers
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid?
Vaste en verbruikskosten
Kenmerken van warmteoplossingen Extra vraag
Over het onderzoek
Methodologie
Vooraf: Hoe de resultaten te lezen?
Het oorspronkelijke onderzoek is nog steeds vindbaar op de website betaalbarewarmtedelft.raadpleging.net. Dit onderzoek is ook nog in te vullen, maar antwoorden worden niet meer geregistreerd. 30
•
Wat was de centrale onderzoeksvraag?
•
Uitleg van de figuren
De hoofdvraag van het PWE-gedeelte was welke doelen inwoners belangrijk vinden bij betaalbare warmte • Doel: Deze Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) in Figuur 3.1 heeft als doel inzicht te krijgen in welke doelen inwoners belangrijk vinden als het gaat om betaalbare warmte. • Keuzesituatie: Deelnemers verdeelden 35 punten over zeven beleidsdoelen waar de overheid meer of minder prioriteit aan kan geven. Elke deelnemer kreeg deze in willekeurige volgorde te zien. In Figuur 3.1 van links naar rechts, van boven naar beneden: • Zoveel mogelijk mensen moeten de kosten terugverdienen van overstappen op duurzame warmte • De prijzen van duurzame warmte moeten zo lang mogelijk gelijk blijven voor inwoners • De overheid moet bepalen hoe een wijk overstapt op duurzame warmte als dat helpt om de totale kosten voor de samenleving laag te houden • Energiebedrijven moeten zo weinig mogelijk winst maken en moeten open zijn over hun winst • Inwoners moeten zo lang mogelijk de tijd krijgen om een geschikt moment te kiezen om te stoppen met gas • De prijzen voor duurzame warmte moeten zoveel mogelijk hetzelfde zijn in alle Nederlandse gemeenten • Zoveel mogelijk inwoners moeten hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als voor gas, of minder • Extra informatie: Onder de roze informatieknoppen konden deelnemers aanvullende informatie lezen over ieder doel. 31
Figuur 3.1. Het PWE-gedeelte van het onderzoek
Figuur 3.2. Voorbeeld uitkomsten met uitleg
Gemiddelden voor alle inwoners • We presenteren eerst de resultaten voor alle deelnemers die hun mening hebben gegeven: de gemiddelde punten per optie. We laten de twee groepen deelnemers zien: de representatieve groep en de deelnemers van het open onderzoek.
• Voor de verdere resultaten laten we met name de uitkomsten van de representatieve groep zien. Deze zeggen het meest over de gemeente als geheel. Als resultaten uit het open onderzoek komen, dan markeren we dat expliciet. Uitgangswaarde • Als deelnemers aan alle opties evenveel punten toekennen (alles evenveel prioriteit geven), dan zou elke optie vijf punten krijgen (35 gedeeld door 7). Dit noemen we ook wel de uitgangswaarde.
32
Betrouwbaarheidsinterval • Een steekproef heeft altijd een mate van onzekerheid. Als alle inwoners van de gemeente Delft mee zouden doen, dan bevinden de uitkomsten zich met 95% zekerheid in het waardebereik van dit (lichtblauwe) betrouwbaarheidsinterval. Als er geen overlap zit in het waardebereik van twee doelen, dan is het verschil tussen deze doelen significant. In dit voorbeeld verschilt het doel ‘Winst energiebedrijven’ van ‘gelijke prijzen in alle gemeenten. Maar ‘gelijke prijzen in alle gemeenten’ verschilt echter niet significant van de drie doelen daaronder. Met andere woorden: de volgorde van deze vier doelen zou ook anders kunnen zijn.
Figuur 3.3. Voorbeeld uitkomsten met uitleg
Gemiddelden voor verschillende groepen • Om te onderzoeken of verschillende groepen deelnemers een doel anders prioriteren, laten we de gemiddelde punten per optie zien voor verschillende groepen. Bijvoorbeeld een uitsplitsing naar gender, zoals hiernaast weergegeven. • In dit voorbeeld krijgt het doel ‘gelijke prijzen in alle gemeenten’ gemiddeld meer punten van vrouwen dan van mannen. Dit gaat over het gemiddelde, niet over de spreiding. We kunnen niet concluderen dat alle vrouwen meer punten geven dan alle mannen.
33
Wanneer zijn verschillen significant? • Verschillende groepen deelnemers kunnen anders denken over hoeveel prioriteit een doel moeten krijgen. Als een doel dikgedrukt is, dan kunnen we 95% zekerheid zeggen dat de gemiddelde punten voor die optie tussen groepen deelnemers significant verschillen. Als een verschil niet significant is, moeten we concluderen dat de verschillende groepen geen andere prioriteit geven aan een doel. • Let op: bij grote groepen kan een klein verschil significant zijn. Het is dan geen substantieel significant verschil. Zo’n verschil is niet altijd relevant voor de interpretatie.
• Prioriteiten van de ‘gemiddelde’ inwoner van Delft • Verschillen en overeenkomsten in prioriteiten tussen de representatieve groep (gesloten onderzoek) en open onderzoek
Algemene uitkomsten
3A
• Verschillen en overeenkomsten in prioriteiten tussen verschillende groepen
Badge 1 with solid fill
Badge with solid fill
Badge 3 with solid fill
Badge 4 with solid fill
Badge 5 with solid fill
Badge 7 with solid fill
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid?
Aanleiding Opzet
34
Deelnemers
Wat is belangrijk bij betaalbaarheid?
Vaste en verbruikskosten
Kenmerken van warmteoplossingen Extra vraag
Over het onderzoek
Methodologie
Twee doelen krijgen de meeste prioriteit en één doel krijgt minder prioriteit. Deelnemers aan het open onderzoek prioriteren die doelen niet substantieel anders dan deelnemers aan het gesloten onderzoek. • Meeste prioriteit. Gemiddeld genomen wordt de meeste prioriteit gegeven aan: • Energiebedrijven moeten zo weinig mogelijk winst maken en moeten open zijn over hun winst (6,4 punten) • Zoveel mogelijk inwoners moeten hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als voor gas, of minder (6,4 punten). • Minste prioriteit. Gemiddeld genomen wordt het minst prioriteit gegeven aan het doel dat inwoners zo lang mogelijk de tijd moeten krijgen om een geschikt moment te kiezen om te stoppen met gas. • Geen grote uitschieters. Het valt op dat er in het representatieve onderzoek geen doelen zijn die relatief heel veel (>7,5) of heel weinig (<2,5) punten krijgen. Dat betekent dat er geen doelen bij zijn die veel belangrijker zijn dan andere doelen. En ook geen doelen die juist veel minder belangrijk zijn dan andere doelen.
• Open onderzoek. Het open onderzoek laat op hoofdlijnen hetzelfde beeld zien: de volgorde is nagenoeg gelijk. Zoals we vaker zien, is de puntenverdeling iets meer uitgesproken dan bij de groep met uitgenodigde deelnemers; de hoogste scores zijn wat hoger.
Figuur 3.4. Prioritering doelen – Gemiddeld
Representatief
Open
Energiebedrijven moeten zo weinig mogelijk winst maken en moeten open zijn over hun winst
6.4
7.0
Zoveel mogelijk inwoners moeten hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als voor gas, of minder
6.4
6.7
De prijzen voor duurzame warmte moeten zoveel mogelijk hetzelfde zijn in alle Nederlandse gemeenten
4.8
4.6
De overheid moet bepalen hoe een wijk overstapt op duurzame warmte als dat helpt om de totale kosten voor de samenleving laag te houden
4.7
4.0
De prijzen van duurzame warmte moeten zo lang mogelijk gelijk blijven voor inwoners
4.7
4.2
Zoveel mogelijk mensen moeten de kosten terugverdienen van overstappen op duurzame warmte
4.6
4.4
Inwoners moeten zo lang mogelijk de tijd krijgen om een geschikt moment te kiezen om te stoppen met gas
0 tot 2,5 punten
35
2,5 tot 5 punten
5 tot 7,5 punten
3.4
7,5 tot 10 punten
4.1
Meer dan 10 punten
Betrouwbaarheidsintervallen: als iedereen in Delft mee zou doen, dan bevinden de uitkomsten zich met 95% zekerheid in het lichtblauwe bereik. We kunnen dus met 95% zekerheid zeggen dat inwoners de bovenste twee doelen meer prioriteit geven dan alle andere doelen. En de onderste minder prioriteit. We kunnen echter niet met dezelfde zekerheid iets zeggen over de volgorde van prioriteit van doelen 3 t/m 6.
Mannen stellen vergelijkbare prioriteiten als vrouwen, maar leggen andere nuances
Figuur 3.5. Prioritering doelen – Gemiddelde naar gender
• Overeenkomsten. Mannen en vrouwen prioriteren dezelfde top 2: hetzelfde blijven betalen en zo weinig mogelijk winst voor energiebedrijven. Beiden geven de minste prioriteit aan het doel dat inwoners zo lang mogelijk de tijd krijgen om te stoppen met gas. • Significante verschillen. Alleen voor de dikgedrukte doelen in de figuur hiernaast geldt dat er significante verschillen zijn tussen mannen en vrouwen. • Mannen geven meer prioriteit te geven aan het doel dat inwoners zo lang mogelijk de tijd krijgen om te stoppen met gas. • Conclusie. Het significante verschil tussen de prioriteiten is klein; het verschil is kleiner dan 1 punt. We concluderen daarom dat er geen substantiële significante verschillen zijn. Mannen en vrouwen prioriteren dezelfde top 2. Er zijn veel meer overeenkomsten dan verschillen.
Vrouw (n=402)
Man (n=680)
Energiebedrijven moeten zo weinig mogelijk winst maken en moeten open zijn over hun winst
6.7
6.0
Zoveel mogelijk inwoners moeten hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als voor gas, of minder
6.5
6.2
De prijzen voor duurzame warmte moeten zoveel mogelijk hetzelfde zijn in alle Nederlandse gemeenten
5.0
4.7
De overheid moet bepalen hoe een wijk overstapt op duurzame warmte als dat helpt om de totale kosten voor de samenleving laag te houden
4.6
4.9
De prijzen van duurzame warmte moeten zo lang mogelijk gelijk blijven voor inwoners
4.9
4.6
Zoveel mogelijk mensen moeten de kosten terugverdienen van overstappen op duurzame warmte
4.5
4.7
Inwoners moeten zo lang mogelijk de tijd krijgen om een geschikt moment te kiezen om te stoppen met gas*
0 tot 2,5 punten
36
2,5 tot 5 punten
5 tot 7,5 punten