Ontwerpbestemmingsplan Pleysierschool en ISK (toelichtingregelsbijlagen regels)
Tekst van het document
bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 44
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK
4.5
Externe Veiligheid
4.5.1
Kader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats onbeschermd aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: Lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): De afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Figuur 4.4: Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport. Verantwoordingsplicht In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 45
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals in onderstaand figuur weergegeven.
Figuur 4.5: Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.
4.5.2
Beschouwing risicobronnen
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door de AnteaGroup een beschouwing opgesteld met betrekking tot externe veiligheid, het volledige rapport is meegenomen als bijlage 5 bij de toelichting bij dit bestemmingsplan. In de omgeving van het plangebied bevinden zich drie risicobronnen. Het betreft twee rijkswegen, de A13 en A4, en DSM Delft. Hieronder zijn de effecten van de risicobronnen ten aanzien van de onderhavige ontwikkeling geanalyseerd. Rijksweg A13 De Rijksweg A13 bevindt zich ongeveer 2.600 meter ten oosten van het plangebied. Over deze weg vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de weg (>4.000 meter op basis van stofcategorie LT3). Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin is aangegeven dat er op de A13 ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6-contour van 17 meter. Deze contour ligt ver buiten het plangebied. Het plaatsgebonden risico voldoet daarmee aan de grens- en richtwaarden. Plasbrandaandachtsgebied Voor de A13 geldt conform de Regeling basisnet een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Dit PAG reikt echter niet tot het plangebied. Het PAG is daarmee niet relevant voor het plangebied.
Rijksweg A4 De Rijksweg A4 bevindt zich ongeveer 1.900 meter ten westen van het plangebied. Over deze weg vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van de weg (880 meter op basis van stofcategorie LT2) reikt niet tot het plangebied. De A4 is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot het plangebied. DSM Delft Permit B.V. De BRZO-inrichting DSM in Delft bevindt zich op meer dan 2.400 meter ten noorden van het plangebied. Uit de QRA voor DSM (Antea Group, 2019) blijkt de PR 10-6/jaar-contour van DSM zich net buiten de eigen inrichtingsgrens te bevinden. De contour reikt daarmee niet tot het plangebied. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Het invloedsgebied van DSM bedraagt circa 1.500 meter. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van DSM. De ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op de hoogte van het groepsrisico van DSM en verantwoording van het groepsrisico conform het Bevi is daarmee niet van toepassing. Hogedruk aardgastransportleidingen Nabij het plangebied zijn geen hogedruk aardgastransportleidingen aanwezig. Omgevingswet bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 46
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Veel wetgeving wordt samengevoegd in de Omgevingswet. Deze wordt naar verwachting 1 januari 2023 van kracht. De Omgevingswet introduceert aandachtsgebieden rondom risicobronnen. Deze brengen echter geen verandering in de voorgaande constateringen.
4.5.3
Verantwoording groepsrisico
Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is verplicht ten aanzien van de Rijksweg A13. Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevt en zijn tevens beschreven in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico en in algemene zin beschreven in hoofdstuk twee van deze handreiking. In dit hoofdstuk worden elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag (de gemeente Delft). Algemene beschouwing veiligheidssituatie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A13. De afstand tussen het plangebied en deze transportroute gevaarlijke stoffen (circa 2.600 meter) maakt dat alleen het toxisch scenario relevant is. In deze paragraaf wordt het scenario verduidelijkt. Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk.
Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Hoogte groepsrisico De hoogte van het groepsrisico van de weg is niet nader beschouwd (conform het Besluit externe veiligheid transportroutes), omdat de afstand tussen deze risicobron en het plangebied meer dan 200 meter bedraagt. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Voor het toxisch scenario is dat in principe schuilen. Gerichte risicocommunicatie met bewoners en andere aanwezigen in de omgeving (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van een gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven.
Op de website van de Veiligheidsregio Haaglanden staan onder 'Ken de risico's: Gevaarlijke stoffen' instructies wat iemand kan doen tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Mogelijkheden van zelfredzaamheid Bij een calamiteit met toxische stoffen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus het algemene advies. In geval van een calamiteit met toxische stoffen is het van belang dat (ruimtes in) de geprojecteerde bebouwing bescherming biedt, nieuwbouwwoningen worden in ieder geval beschouwd als geschikte schuillocatie. Hoge gebouwen zijn moeilijker te ontvluchten dan lage. Het toestaan van hoogbouw heeft daarom een negatief effect op de zelfredzaamheid van personen. Een goede bewijzering van de vluchtroutes biedt hiervoor uitkomst. Voor vluchtroutes geldt dat: bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 47
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK er voldoende vluchtwegen het gebied uit dienen te leiden. Bij een ramp kan een vluchtweg bijvoorbeeld zijn afgesloten door een toxische wolk; de vluchtwegen voldoende capaciteit dienen te hebben om enerzijds de volledige populatie uit het gebied te kunnen evacueren (ook als een vluchtweg is afgesloten) én om hulpverleningsdiensten het gebied in te laten komen; de oriëntatie van de vluchtwegen voor alle mogelijke scenario’s juist dient te zijn. Zo dient bij een dreigende BLEVE de vluchtroute direct het gebied uit te leiden, via de snelste route. Voor het scenario toxische wolk is het echter van belang dat de vluchtwegen loodrecht op de meest voorkomende windrichting zijn georiënteerd. Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Beperkt zelfredzame groepen In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die de langdurige aanwezigheid van grote groepen beperkt zelfredzame personen (zoals ziekenhuizen, basisscholen of verzorgingstehuizen) mogelijk maken. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is.
De mate waarin uitvoering aan aanvalsstrategie kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt door het bevoegd gezag (de gemeente Delft) in het kader van de ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Haaglanden. Toxisch scenario Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het ontwikkelscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Advies Veiligheidsregio In het kader van het vooroverleg is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Haaglanden. Hieronder is een samenvatting opgenomen, de volledige reactie is opgenomen in bijlage 17. Het plangebied ligt in de nabijheid van risicobronnen van transport van gevaarlijke stoffen alsmede MPM International Oil Company. Door onderhavige ontwikkeling nemen de risico's toe. Gezien de afstand tot de risicobronnen zal de ontwikkeling echter niet leiden tot een significante verandering van het groepsrisico. Om de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, worden maatregelen geadviseerd met betrekking tot effectbeperking, het verhogen van de zelfredzaamheid en maatregelen ten behoeve van hulpverlening: a.
Afschakelbare ventilatie; b. Voorbereiding interne organisatie; c. Risicocommunicatie. In het advies worden de maatregelen uitgebreid beschreven. Specifiek aandacht wordt hierbij gevraagd voor de bereikbaarheid voor hulpdiensten en aandacht voor de brandveiligheid van de parkeerkelder in verband met voorzieningen voor elektrisch aangedreven voertuigen.
4.5.4
Conclusie
Uit de analyse ten aanzien van het aspect externe veiligheid blijkt dat het invloedsgebied van de Rijksweg A13 reikt tot het plangebied. Er wordt voor deze transportroute voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. De hoogte van het groepsrisico behoeft niet nader beschouwd te worden (afstand tot transportroutes bedraagt meer dan 200 meter). Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A13 zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. Deze elementen kan het bevoegd gezag (de bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 48
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK gemeente Delft) betrekken bij de besluitvorming in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling. De veiligheidsregiodient dient hierbij betrokken te worden als adviserend orgaan in het kader van de verantwoordingsplicht. Het plan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de Veiligheidsregio Haaglanden. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan. .
4.6
Kabels en leidingen
In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die planologisch beschermd dienen te worden. Met overige kabels en leidingen wordt rekening gehouden in de uitvoeringsfase. Het aspect 'kabels en leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.7
Licht
Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat lichtgevoelige functies definieert. De bescherming gaat via de invulling van een goede ruimtelijke ordening. Bij hinder door licht zal het feit dat mogelijk mensen langdurig aanwezig zijn, bepalend zijn of een bestemming als gevoelig kan worden beschouwd. Ook kunnen weggebruikers die langsrijden hinder ondervinden van verlichting. Vaak worden de richtlijnen van NSVV (Nederlandse stichting voor verlichtingskunde) als basis gebruikt. Het bestemmingsplan maakt functies mogelijk die passen binnen een bestaand stedelijk gebied. Bij de uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de waarden opgenomen in de NSVV-richtlijnen. Hiermee wordt de kans op lichthinder zo laag mogelijk gehouden. Er dient bij de inrichting rekening gehouden worden met de omwonenden. Daarnaast is nachtdiervriendelijke verlichting noodzakelijk als gevolg van de nabijheid van de ecologische zone. Door dergelijke verlichting te gebruiken raakt de leefomgeving niet verstoord. Lichthinder t.o.v .van beschermde soorten wordt bij een omgevingsvergunning beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het aspect 'lichthinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.8
Flora en fauna
4.8.1
Kader
De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen).
4.8.2
Beschermde soorten
In het kader van de voorgenomen nieuwbouw is een ecologische QuickScan opgesteld in 2020, het volledige rapport is meegenomen als bijlage 6 bij de toelichting. Op de planlocatie worden de volgende beschermde soorten/groepen verwacht of zijn niet uit te sluiten: vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (boomvalk, buizerd, sperwer); algemene broedvogelsoorten; vleermuizen (boom- en gebouwbewonend); grondgebonden zoogdieren; bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 49
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK amfibieën. Voor de vogels en vleermuizen was vervolgonderzoek benodigd. De grondgebonden zoogdieren en amfibieën vallen onder een vrijstelling, hiervoor was geen onderzoek nodig, wel moet voldaan worden aan de zorgplicht. Tabel 4.4: Aanwezige beschermde soorten. Bron: Eco-Niche (2020).
Nader ecologisch onderzoek Vervolgens is in 2021 het vervolgonderzoek naar roofvogels en vleermuizen uitgevoerd, dit vervolgonderzoek is als bijlage 7 in de toelichting opgenomen. Hieronder zijn de uitkomsten beschreven. Algemeen voorkomende broedvogels Negatieve effecten op algemeen voorkomende broedvogelsoorten (waaronder ekster, en zwarte kraai) zijn in eerste instantie niet uit te sluiten, omdat nesten in bomen en struiken verloren kunnen gaan indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd. Het is daarom noodzakelijk om de nesten van algemene broedvogelsoorten te behouden tijdens het broedseizoen en in de periode dat deze nesten gebruikt worden. Eventueel kunnen oude nesten buiten het broedseizoen verwijderd worden in overleg met een ecoloog. Als laatste is de zorgplicht van toepassing. Roofvogels en vleermuizen Negatieve effecten op roofvogels (buizerd, boomvalk en sperwer) zijn uit te sluiten, omdat er geen roofvogels op de planlocatie zijn waargenomen. Negatieve effecten op vleermuizen zijn uit te sluiten, omdat er geen essentiële functies van vleermuizen op de planlocatie aanwezig zijn. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden.
De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
4.8.3
Beschermde gebieden
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het Weidevogelgebied. Nabij het plangebied zijn geen hogedruk aardgastransportleidingen aanwezig. Ook ligt de ontwikkeling niet binnen de invloedssfeer van deze beschermde gebieden. Natura 2000 Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen', aangewezen sinds 2013, ligt op circa 10 km afstand. Op basis van de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de reeds aanwezige verstoring in de huidige situatie kunnen directe negatieve effecten worden uitgesloten. Stikstofdepositie bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 50
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurherstel in werking getreden. Vanaf dan zijn alle tijdelijke bouw- en sloopactiviteiten en alle activiteiten die hiermee samenhangen (onder andere aan- en afvoer) voor wat betreft stikstofdepositie vrijgesteld van de Wnb-vergunningplicht. Voor deze activiteiten hoeft dan ook geen onderzoek naar stikstofdepositie meer te worden uitgevoerd. Dit is niet het geval voor de gebruiksfase van het planvoornemen, hiervoor dient wel een AERIUS-berekening uit te worden gevoerd. In het kader van de nieuwe ontwikkeling is door Antea Group (2022) een AERIUS-berekening uitgevoerd waarin gekeken is naar de uitstoot van NOx en NH3 door de inzet van motoren op basis van fossiele brandstoffen. Er is beoordeeld of er als gevolg van stikstofemissies van de voorgenomen activiteiten, mogelijk sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van enig Natura 2000-gebied en of de betreffende instandhoudingsdoelstellingen in gevaar worden gebracht. Het volledige stikstofonderzoek is meegenomen in bijlage bij 8 de toelichting. De maximaal berekende stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden bedraagt niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar tijdens de gebruiksfase. Hierdoor kunnen significante (negatieve) gevolgen op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.
Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming niet in de weg. Beschermde houtopstanden De bomen binnen het plangebied vallen binnen de bebouwde kom van de gemeente Delft. Dit betekent dat er geen sprake is van houtopstanden zoals omschreven onder de Wnb. De gemeente Delft is het bevoegd gezag voor wat betreft de kap van bomen. De gemeente Delft heeft een actuele bomenkaart waarop alle monumentale bomen staan aangegeven. In het plangebied zijn geen beschermdebomen aanwezit. Wel zullen de bestaande houtopstanden zoveel als mogelijk worden behouden via een bomenbesparendplan met een eventuele compensatieverplichting. De bescherming van houtopstanden onder de Wnb vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.
4.8.4
Conclusie
In het plangebied dient bij de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de nesten van algemeen voorkomende broedvogels. Ook moet de zorgplicht in acht genomen worden. Deze maatregelen zijn geborgd via de Wet natuurbescherming. Voor het aspect 'beschermde soorten' en 'beschermde natuurgebieden'worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht en het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming niet in de weg. Het aspect 'flora en fauna' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.9
Bodem
4.9.1
Kader
Op basis van historische informatie en in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken is voor het gehele grondgebied van Delft volgens het Besluit bodemkwaliteit een bodemkwaliteitskaart opgesteld. De bodemkwaliteitskaart maakt deel uit van de Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018. In de nota is berekend wat de gemiddelde bodemkwaliteit van de trajecten 0-0,5 m-maaiveld en 0,5-2,0 m-maaiveld in een bepaald gebied is. Ook is opgenomen wat de bodemfunctie is en welke toepassingseisen (dit is de kwaliteit van de toe te passen grond grond) gelden in geval van grondverzet. Volgens artikel 3.1.6., van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. Voor het plangebied is in 2020 een bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is vervolgens ook beoordeeld door de gemeente. De volledige bodemonderzoeken zijn in als bijlagen 9 en 10 bij de toelichting van dit bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 51
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK bestemmingsplan opgenomen.
4.9.2
Bodemkwaliteit
Beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet door bodemonderzoek worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Indien uit onderzoek blijkt dat er sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico's (saneringsnoodzaak), dienen deze te worden weggenomen. De locatie is geschikt voor de beoogde functie als blijkt dat er voor die functie geen risico's meer aanwezig zijn (functiegericht saneren). In het algemeen dient de bodemkwaliteit te worden gehandhaafd en waar mogelijk op lokaal niveau te worden verbeterd. De bodemkwaliteit mag in geen geval verslechteren. De vigerende wetgeving (Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit), het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk bodembeleid moet in acht worden genomen. Bodemonderzoek Er is binnen het plangebied bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek is opgesteld door BMA Milieu B.V (Milieukundig bodemonderzoek Aart van der Leeuwlaan 12-14 opgesteld door BMA Milieu, op 29 oktober 2020 kenmerk MBO.2020.0143). Dit onderzoek geeft een goed beeld van de bodemkwaliteit op de locatie.
Figuur 4.6: Onderzoekslocatie met de boringen (en peilbuizen), gedempte watergang en PAK-spot in de ondergrond. Bron: BMA Milieu. Algemene bodemkwaliteit De grond bestaat uit zand met daaronder klei. De kleilaag begint vanaf ongeveer 0,5 meter minus maaiveld tot ongeveer 2,3 meter minus maaiveld en wisselt sterk in dikte. In het algemeen is het plangebied licht verontreinigd. De aangetroffen stoffen zijn zware metalen, polycyclische aromatische bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 52
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK koolwaterstoffen, minerale olie, pfos en pfoa en polychloorbifenyl (PCB's). Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie barium. In de grond is zintuiglijk geen asbest waargenomen. Wel zijn twee puinhoudende deelmonsters ingezet op asbest. In één van deze monsters is een kleine hoeveelheid asbest gemeten. Er is geen verdere verdenking voor de aanwezigheid van asbest. Gedempte watergang Ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de gedempte watergangen is geen dempingsmateriaal waargenomen. In de grond zijn licht verhoogde concentraties kwik en lood aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en zink. PAK spot Ter plaatse van een matige verontreiniging met PAK zijn zowel in horizontale als in verticale richting geen verhoogde gehaltes aan PAK vastgesteld. De omvang van de matige verontreiniging is in kaart gebracht en bedraagt enkele m³. De matige verontreiniging is aanwezig in de bodemlaag van 0,5-1,0 m-mv. Er is geen kans op contact met deze bodemlaag, en hierdoor is er geen risico bij het gebruik van gevoelige functies als onverhard schoolplein of moestuin. Zones en verwachte bodem kwaliteit Op basis van historische informatie en in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken is voor het gehele grondgebied van Delft volgens het Besluit bodemkwaliteit een bodemkwaliteitskaart opgesteld.
De bodemkwaliteitskaart maakt deel uit van de Nota bodembeheer en is in september 2018 bestuurlijk vastgesteld. In de nota is berekend wat de gemiddelde bodemkwaliteit van de trajecten 0-0,5 m-maaiveld en 0,5-2,0 m-maaiveld in een bepaald gebied is. Ook is opgenomen wat de bodemfunctie is en welke toepassingseisen (kwaliteit toe te passen grond) gelden in geval van grondverzet. Het plangebied bevindt zich in de volgende bodemkwaliteitszones: "11. Wonen vanaf 1960". De kwaliteit grond die mag worden toegepast betreft voor de bovengrond klasse Wonen. In de ondergrond is de toepassingseis AW (achtergrondwaarde). Aandachtspunt is de grond die op een eventueel onverhard schoolplein wordt aangebracht. Hierin mogen geen verhoogde concentraties lood zitten zodat het risico op loodvergiftiging via de grond niet op kan treden. Lood in de grond Geruime tijd is er aandacht voor de blootstelling van kinderen aan lood. Blootstelling aan lood is met name bij kinderen in de leeftijd van 0-6 schadelijk voor de ontwikkeling. Ondanks dat in deze ontwikkeling kinderen in een hogere leeftijd gebruik maken van het schoolplein wil de gemeente dat ook dit schoolplein over een goede bodemkwaliteit beschikt. Dit geldt vooral bij delen waar contact met de grond mogelijk is.
Als het loodgehalte daar laag is, levert dat een belangrijke bijdrage aan de vermindering van blootstelling aan lood voor (jonge) kinderen. Als het gehalte lager is dan 100 mg per kg droge stof wordt er van uit gegaan dat de kwaliteit voldoende is voor het gebruik als schoolplein.
4.9.3
Explosieven
In de bijlage 11 bij deze toelichting is een Inventarisatie Ontplofbare Oorlogsresten (hierna verkort tot Inventarisatie OO) opgenomen die als doel heeft om een eerste indicatie te geven van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Dit document is niet geschikt om te worden gebruikt als historisch vooronderzoek OO (HVO-OO) voor het vrijgeven van een gebied op verwachting van OO. Wel is dit document geschikt om een inschatting te kunnen maken van de mogelijke te verwachten risico's. Het resultaat van de Inventarisatie OO is afhankelijk van een beperkt aantal beschikbare bronnen. De kans is echter aanwezig dat mogelijk belangrijke informatie niet is verwerkt in dit document. Op basis van de VEO Bommenkaart en de bodembelastingkaart CE van Gemeente Delft wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied niet verdacht is op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Mocht echter tijdens werkzaamheden spontaan een OO aangetroffen worden, dan dient het protocol 'Spontaan aantreffen Ontplofbare Oorlogsresten' aangehouden te worden. Deze is als bijlage bij het betreffende rapport gevoegd. Indien OO worden aangetroffen binnen het werkgebied, is dit nieuwe feitelijke informatie. Als deze situatie zich voordoet, moet in overleg met een ter zake deskundige worden vastgesteld of sprake is van een incident of dat er aanleiding is de werkwijze aan te passen.
Voor het aspect 'explosieven' worden bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 53
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht.
4.9.4
Conclusie
Ter plaatse van de ontwikkeling is bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de locatie voldoende is onderzocht en dat er geen risico's aanwezig zijn als gevolg van de bodemkwaliteit. In het algemeen is het plangebied licht verontreinigd. Er is sprake van één spot met een matig verhoogde concentratie PAK. Doordat contactmogelijkheden met deze spot ontbreken is er geen risico bij het gebruik van gevoelige functies als onverhard schoolplein of moestuin. Indien er grond wordt toegepast moet voldaan worden aan het Besluit bodemkwaliteit en de Nota bodembeheer. Voor lood geldt aanvullend het beleid van de provincie Zuid-Holland (“Beleidsregel diffuus lood in de bodem” van 14 januari 2020). Eventuele grond die op een onverhard schoolplein wordt toegepast moet een loodgehalte bevatten lager dan 100 mg per kg droge stof. Daarnaast is het plangebied niet verdacht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Het aspect 'bodem' staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.10
Archeologie
4.10.1 Kader Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Delft het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Hiervoor hanteert Archeologie Delft sinds 2012 een archeologische beleidsadvieskaart voor de gehele gemeente. Deze kaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Op de beleidskaart worden de verschillende archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeente gekoppeld aan vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van een gedifferentieerd vrijstellingenbeleid wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Voor de herontwikkeling is reeds een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd in 2021, wat heeft geleidt tot een Programma van Eisen voor een proefsleuvenonderzoek. Vervolgens is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, hiervan is een evaluatieverslag opgesteld. Deze onderzoeken zijn als bijlagen 12 en 13 opgenomen.
4.10.2 Onderzoek Bureau- en booronderzoek Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er in het plangebied een middelhoge verwachting geldt voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen. Daarnaast geldt een hoge archeologische verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd in het zuiden van het plangebied en een lage verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd in het noorden van het plangebied. Deze verwachtingen hebben betrekking op de mogelijke aanwezigheid van een erf met een boerderij uit de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd, dat bekend is van historisch kaartmateriaal. Om de archeologische verwachting te toetsen en om inzicht te krijgen in de bodemopbouw van het plangebied is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek is aangetoond dat er in het zuidwesten van het plangebied sprake is van een potentiële archeologische vindplaats uit de Nieuwe tijd en mogelijk ook uit de Late Middeleeuwen, vanaf 0,95 m –mv (1,66 m -NAP). In de rest van het plangebied worden geen vindplaatsen meer verwacht. Archeologisch proefsleuvenonderzoek Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn resten van een 17e/18e-eeuwse boerderij aangetroffen. Deze resten incl. daarbij behorende sporen (kuilen, greppels op het achterterrein) zijn behoudenswaardig. Met bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 54
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK het huidige bouwvlak wordt de 17e/18e-eeuwse bebouwing niet verstoord door de nieuwbouw, delen van het erf wel. Werkzaamheden omtrent kabels en leidingen en natuurvriendelijke oevers raken mogelijk de resten. De behoudenswaardige archeologische resten dienen in situ bewaard te blijven, of te worden opgegraven indien zij verstoord worden. De resten bevinden zich vanaf 30 cm onder het maaiveld (1,30 cm -NAP). Bij werkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld moet beoordeeld worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is. De voorwaarden voor de nieuwbouw vanuit het evaluatieverslag moeten nog afgestemd worden met het bevoegd gezag en vervolgens nader uitgewerkt in het eindrapport. Bij de uitwerking van het bouwplan dient hier rekening mee gehouden te worden.
Figuur 4.7: advies vervolgonderzoek na booronderzoek
4.10.3 Conclusie In het zuiden van het plangebied is een archeologische vindplaats aanwezig. Bij het archeologisch proefsleuvenonderzoek is een 172/18e eeuwse boerderij en erf aangetroffen. Deze resten worden behoudenswaardig geacht en moeten in situ worden bewaard of worden opgegraven. De resten bevinden zich vanaf 30 cm onder het maaiveld (1,30 cm -NAP). Bij werkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld moet beoordeeld worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is. De archelogische waarden dienen beschermt te worden door middel van een dubbelbestemming in het bestemmingsplan. Voor het aspect 'archeologische waarden' worden dan geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht.
4.11
Cultuurhistorische waarden
Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook bevinden zich geen rijks, provinciale of gemeentelijke monumenten in het plangebied. In het plangebied bevinden zich geen landschappelijke structuren van cultuurhistorische waarde. In de directe omgeving van de ontwikkeling liggen ook geen cultuurhistorisch beschermde structuren.
bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 55
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK 4.11.1 Conclusie Voor het aspect 'cultuurhistorische waarden' worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht.
4.12
Water
4.12.1 Kader Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. In het kader van het onderhavige bestemmingsplan is door Antea Group (2022) een Watertoets opgesteld, het volledige rapport is opgenomen in bijlage 14.
4.12.2 Huidige situatie De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied betreft circa NAP -0,8 m. De ondergrond bestaat tot een diepte van circa NAP -17 m uit een holocene deklaag. De holocene deklaag bestaat uit afwisselend slecht en goed doorlatende lagen, hierdoor zijn er geen doorlatendheden bekend van de deklaag. Verschillende zandlagen bestaan uit de formaties Kreftenheye, Stramproy, Waalre en Peize & Waalre. De doorlatendheden in de zandlagen variëren van 10 m/dag tot aan 100 m/dag. Van de peilbuizen zijn in Menyanthes de grondwaterstatistieken (GxG) bepaald. Peilbuizen 24-1.06, 25-1.06 en 24-1.11d bevinden zich binnen een straal van 200 meter van het plangebied. De gemeten grondwaterstanden geven een benadering van de grondwaterstanden in het plangebied. Op basis van peilbuis 24-1.11d ligt de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) op circa NAP -1,75m (ca. 0,57 m-mv.). De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt op NAP -2,50 m (ca. 1,30 m -mv.).
Figuur 4.8: Uitsnede legger oppervlakte waterlichamen. Bron: legger oppervlaktewater, Hoogheemraadschap van Delfland. bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 56
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK De locatie ligt binnen de beschermingszone van een waterkering. De beschermingsregimes m.b.t. de polderkaden en de beschermingszones zijn noodzakelijk om schade aan de waterkering te voorkomen en om zo de waterstaatskundige veiligheid van het gehele achterland te waarborgen. Door Hoogheemraadschap van Delfland zijn peilbesluiten opgesteld waarin het peil is vastgelegd. Het plangebied valt onder de grens van twee peilgebieden. In het noordelijke deel van het plangebied is het vast peil op NAP -1,50 m ingesteld (peilvak GPG2011HAP I). In het zuidelijke deel van het plangebied is het peil NAP -2,70 m ingesteld (peilvak GPG2011LAP I). Volgens de overstromingsrisicokaarten van de klimaatatlas is er in het plangebied sprake van een zeer kleine kans op overstroming. Het water op straat kan een waterdiepte van 20 cm bereiken, voornamelijk in de Prinses Beatrixlaan.
4.12.3 Toekomstige situatie Het voornemen bestaat uit de ontwikkeling van de Pleysierschool en de Internationale Schakelklas (ISK) op het perceel Aart van der Leeuwlaan 12-14. Het is de bedoeling op de locatie van een vroegere basisschool twee scholen voor middelbaar onderwijs en een bijbehorende sportzaal te realiseren. Toename verharding Het plangebied beslaat circa 6.230 m2. Bij de ontwikkeling moet worden voldaan aan de eisen van het waterschap voor voldoende waterberging in relatie met de aanwezige hoeveelheid verhard oppervlak. In de nieuwe situatie heeft is het verhard oppervlak in het plangebied 3.200 m2 (51% van het totale plangebied). Het onverhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 3.030 m2 (49% van het totale plangebied). Door de ontwikkeling in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met circa 567 m2. De toename van verhard oppervlak is grotendeels het gevolg van aanleg van extra tegels. Waterbergingsopgave Voor de herontwikkeling op het perceel Aart van der Leeuwlaan 12-14 te Delft zijn op basis van de watersleutel de volgende watercompensatie-eisen vastgesteld: • 108 m2 oppervlaktewater of 56,2 m3 waterberging ten gevolge van de ontwikkeling. • 114 m2 oppervlaktewater of 59,1 m3 waterberging ten gevolge van klimaateffecten. • Totaal betreft dit 222 m2 oppervlaktewater of 115,2 m3 waterberging.
Het is de ambitie/wensen van de gemeente dat de ontwikkeling aan het Planuitwerkingskader en het 'Convenant Klimaatadaptief Bouwen' voldoet. Watercompensatie conform het "Planuitwerkingskader": de benodigde berging bedraagt 192 m3 voor het totaal verhard oppervlak van ca. 3.200 m2 (rekenregel: verhard oppervlak in m2 * 0,06 m). Watercompensatie conform het Convenant Klimaatadaptief Bouwen: De benodigde berging bedraagt 160 m3 voor het totaal verhard oppervlak van ca. 3.200 m2 (rekenregel: verhard oppervlak in m2 * 0,05 m). Gezien het feit dat het Planuitwerkingskader en het convenant klimaatadaptief bouwen ambities/wensen zijn, moet de huidige ontwikkeling minimaal voldoen aan de watercompensatie berekend met de watersleutel. Het is aan de gemeente om af te wegen of deze als randvoorwaarde of eis worden opgenomen in het bestemmingsplan. Binnen het plan wordt reservering gemaakt voor de aanleg van een wadi (ca. 102 m2), een groen dak (586 m2), en een ondergrondse waterberging (20 m2). Een eerste uitwerking van de waterberging is aangegeven in onderstaande figuur. Uit de analyse blijkt dat binnen het plangebied is het mogelijk om ca. 171 m2 water kan worden geborgen. Voor het waterhuishoudingplan is van belang dar er invulling gegeven wordt aan de waterbergingsopgave van 222 m2 oppervlaktewater of 115,2 m3 waterberging.
bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 57
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK
Figuur 4.9: Eerste uitwerking van de waterberging. Bron: bron: NOAHH en gemeente Delft. Watersysteem Aanleg Natuurvriendelijke oevers (NVO's) De ontwerp omvat de aanleg van natuurvriendelijke oevers (NVO's) langs de bestaande watergang. In principe hebben de NVO's geen negatieve invloed op de waterhuishouding, zolang het natte profiel niet wordt verminderd en de stabiliteit van de kade is niet beïnvloed. Aanleg wadi's Het ontwerp omvat de aanleggen van een wadi met een oppervlakte van circa 102 m2. Bij een minimaal waterdiepte van 0,1 m is de bergingscapaciteit van de wadi's ca. 102 m3. Het is raadzaam om meer inzicht te krijgen in de grondwaterstanden om de haalbaarheid van de wadi te beoordelen. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van ca. NAP -0,8m. De GHG is ingeschat op ca. NAP 1,74 m (vanuit peilbuis 24- 1.11d). De ontwateringsdiepte bij handhaving van huidige maaiveld is daarmee 0,96 m, dit is voldoende ten opzichte van de minimumvereiste (bouw)peilen in de toekomstige situatie. Daarom kan worden geconcludeerd dat er geen extra maatregelen om grondwateroverlast te voorkomen zijn benodigd, zoals verhoging van het vloerpeil of drainage.
Het is raadzaam om meer inzicht te krijgen in de grondwaterstanden om de haalbaarheid van de wadi te beoordelen. Om inzicht te krijgen om de grondwaterdynamiek is bij de realisatie van de Pleysierschool is geadviseerd om binnen het plangebied een grondwatermeetnet (peilbuis) aan te leggen. Belangrijk hierbij is dat de peilbuis niet te dicht langs aangrenzende watergang liggen, omdat die het waarneming mogelijk kunnen beïnvloeden. Een indicatie voor de minimaal benodigde afstand tussen een peilbuis en bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 58
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK een watergang is tenminste 10 m en waar mogelijk 25 m. Hemel- en vuilwater Conform het beleid van gemeente Delft moet de vuil- en hemelwaterafvoer in de toekomstige situatie gescheiden worden afgevoerd. Hierbij moet het vuilwater naar het bestaande rioolstelsel worden geleid en het hemelwater naar een waterberging. Waterveiligheid Het plangebied ligt volgens de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland in een beschermingszone van een polderkade. Polderkaden zijn noodzakelijk om het achterland, lagergelegen polderdelen, te beschermen tegen hoog water. Vanuit het oogpunt van waterveiligheid is het belangrijk de stabiliteit en de hoogte van de kering te waarborgen. De activiteiten binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone van een zijn vergunningplichtig bij het hoogheemraadschap. Bij medegebruik van de kering moet worden voldaan aan de eisen uit hoofdstuk 5 van de nieuwe beleidsregel "Medegebruik Waterkeringen" van Hoogheemraadschap Delfland. Bij realisatie van het bouwplan wordt aangetoond met eventuele aanhelingen (technische) maatregelen dat er sprake is ven een aangeheeld maaiveld over 25 meter conform deze beleidsregel.
Figuur 4.10: Afstand tussen voorgenomen ontwerp en buitenkruinlijn.
4.12.4 Conclusie De waterberging wordt verder uitgewerkt in het ontwerp en dient geborgd te worden in de regels van het bestemmingsplan. Bij de verdere uitwerking van het ontwerp vormen ook de afvoer van vuil- en hemelwater, waterveiligheid en waterkwaliteit een aandachtspunt. Deze aspecten worden getoetst in de vergunningenfase. Er wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect 'water' geen belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht.
bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 59
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK
4.13
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.13.1 Kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu van het Rijk en per eind 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening. Overheden moeten op grond van het Bro alle nieuwe stedelijke ontwikkelingen motiveren aan de hand van de Ladder. Om de herontwikkeling aan de Aart van der Leeuwlaan 12-14 te Delft mogelijk te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking onderbouwd, de volledige memo is opgenomen als bijlage 15 bij de toelichting.
4.13.2 Toets De resultaten van de Ladder zijn als volgt: Onderhavig nieuwe bestemmingsplan vergroot de bouwmogelijkheden ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Aangezien nog niet duidelijk is in hoeverre sprake is van een uitbreiding van meer dan 500 m2 oppervlakte, waarbij sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is zekerheidshalve een laddertoets opgesteld. De groei van de populatie van Delft leidt tot een toenemende behoefte aan (onderwijs)voorzieningen, met name voor het voortgezet onderwijs. Het leerlingenaantal voorgezet onderwijs in heel Delft groeit in de komende vijftien jaar naar schatting met ruim 10% tot ongeveer 8.000 door de groei van de stad, maar ook door woningbouw in omliggende gemeenten. Dit leidt op gemeentelijk niveau tot een toenemende ruimtebehoefte. Sport en bewegen vormen een belangrijk onderdeel van een gezonde leefstijl. Meer bewegen is niet alleen goed voor de fysieke gezondheid, maar draagt ook bij aan de mentale en sociale gezondheid. Daarom zet Delft in op het stimuleren van de sport- en beweegparticipatie.
Daarnaast wordt sport en bewegen ook ingezet om brede maatschappelijke effecten te bereiken, bijvoorbeeld op het gebied van zorg, opvoeding en gedrag (normen en waarden), talentontwikkeling, leefbaarheid, integratie, veiligheid en leefbaarheid Pleysierschool (VSO): Op basis van de huidige leerlingenaantallen en leerlingenprognoses van de Pleysierschool is structureel huisvesting nodig voor circa 100 leerlingen. Het huidige schoolgebouw van de Pleysierschool is verouderd en in matige staat. Om die redenen is nieuwbouw wenselijk. De gemeente Delft heeft doelen voor een dekkend aanbod op het gebied van het VSO. Een verbrede VSO, met aandacht voor cluster 4-problematiek, is een schoolvorm die de stad aangezien momenteel nog mist volgens de eigen visie. De nieuwe Pleysierschool zou zo'n cluster 4 school zijn, en zou daarmee ook kwalitatief bijdragen aan de vraag naar VSO. Internationale Schakel klas (ISK): Op de bestaande VO-locaties is onvoldoende ruimte beschikbaar om de 150 leerlingen in deze onderwijsvorm permanent te huisvesten. Er zal namelijk 1 schoolgebouw gesloopt worden. Daarnaast heeft de gebrekkige huisvesting invloed op de kwaliteit van het onderwijs. Er is daarom behoefte aan een permanente oplossing voor huisvesting van 150 leerlingen op voor het ISK.
Sportaccommodatie: In de huidige situatie maakt de Pleysierschool mede gebruik van de verouderde gymzaal aan de Slauerhofflaan, waar naar verwachting een hoge druk ontstaat. Er is tevens in de huidige situatie vraag naar tenminste twee extra zaaldelen om aan de ruimtebehoefte te voldoen van de omliggende scholen. Het realiseren van een sportzaal sluit daarnaast aan bij de behoefte van sportverenigingen en draagt bij aan de verduurzamingsambities. De locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. 4.13.3 Conclusie Er zijn geen negatieve ruimtelijke effecten te verwachten als gevolg van de ontwikkeling. De ontwikkeling van de nieuwe VSO Pleysierschool en de ISK, met bijbehorende sportaccommodatie, gelegen in de Voorhof te Delft voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 60
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK
4.14
Duurzaam- en natuurinclusief bouwen
4.14.1 Kader De gemeente zet in op het vergroten van de kansen voor flora en fauna door het uitwerken van een kader voor natuurinclusieve maatregelen in en aan gebouwen en de directe omgeving van deze gebouwen. Het doel is de stad te vergroenen en klimaatadaptief te maken. Denk hierbij aan groene daken, gevelbegroeiing en nestgelegenheid voor vogels en insecten. Doel hiervan is een biodiverse en klimaatadaptatieve stad waar het fijn leven is voor mens en dier. Om natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in Delft vorm te geven is gekozen om een concreet kader te ontwikkelen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in samenhang met klimaatadaptieve maatregelen. Ook bij renovatie moet rekening worden gehouden met planten en dieren en de kansen voor het versterken van soorten worden benut. Om een gezonde, toekomst-bestendige leefomgeving voor mens, plant en dier te creëren en te behouden, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen in ontwikkeling van de stad. Door natuurinclusieve maatregelen mee te nemen in (gebieds)ontwikkelingen kan de stad zich gezond ontwikkelen en draagt elk project bij aan de biodiversiteit in de stad, een prettig woonmilieu en een gezond functioneel stedelijk ecosysteem.
Het toevoegen van beplanting op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte draagt, naast positieve effecten voor biodiversiteit, ook bij aan bijvoorbeeld het vasthouden van water en het verminderen van wateroverlast of hittestress. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen dat de gemeente, samen met partners heeft ondertekend. Om biodiversiteit in de stad te versterken moet bij elk project en/of gebiedsontwikkeling een onderbouwing worden aangeleverd op welke wijze invulling wordt gegeven aan de eisen die voor de desbetreffende ontwikkeling worden gesteld. Een puntensysteem vormt de basis voor toepassingen op alle (nieuw)bouwprojecten, gebiedsontwikkelingen en renovatieprojecten binnen de gemeente Delft. Het kan daarbij gaan om een grootschalige stedenbouwkundige herstructurering als Gele Scheikunde, het realiseren van een woongebouw of brug of het renoveren van een gebouw. Het puntensysteem biedt richting en houvast, maar tegelijkertijd moet er ruimte zijn/blijven voor de creativiteit en keuzevrijheid van architecten en ontwikkelaars. Om die reden is een (dynamische) lijst van maatregelen opgesteld waaruit de ontwikkelende partij of initiatiefnemer zelf een keuze kan maken.
4.14.2 Natuurinclusief bouwen in het bestemmingsplan Het kader natuurinclusief bouwen dat onlangs is vastgesteld in de gemeenteraad. Het kader omvat een puntensysteem waarin punten worden toegekend aan verschillende maatregelen ten behoeve van natuurinclusiviteit. Bij elk bouwproject moet een minimum aantal punten behaald worden door het treffen of toepassen van maatregelen uit de lijst. Ontwikkelaars kunnen ook zelf maatregelen aandragen die opgenomen kunnen worden op deze lijst. Het aantal punten dat gehaald moet worden is afhankelijk van de grootte van het project. Indien ontwikkelaars zelf maatregelen aandragen is advies vanuit de gemeente nodig om te bepalen of de maatregelen zinvol zijn en zo ja hoeveel punten de maatregelen 'waard zijn'. Zo ontstaat een flexibel kader dat de ambitie voor natuurinclusief bouwen concretiseert. Het kader natuurinclusief bouwen maakt onderscheid in kleine, middelgrote en grote projecten en heeft daarnaast de categorie gebiedsontwikkeling. De herontwikkeling Aart van der Leeuwlaan behelst een gebiedsontwikkeling. In tabel 1.26 wordt aangegeven hoeveel punten behaald moeten worden bij de verschillende aspecten. Tabel 4.5: Categorieën projecten. Bron: Kader natuurinclusief bouwen.
bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 61
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK
Tabel 4.6: Te behalen aantal punten per categorie project. Bron: Kader natuurinclusief bouwen.
4.14.3 Energietransitie In het kader van de energietransitie wordt onder het oostelijk deel van de Beatrixlaan een regionale warmteleidingen aangelegd (WarmtelinQ). Daarnaast wordt gewerkt aan een open gemeentelijk warmtenet, waarvan de hoofdleidingen (backbone) haaks op de regionale leiding via de E. du Perronlaan/Diepenbrockstraat, dus aan de noordzijde van het perceel, zullen komen te liggen. Nabij deze kruising van de twee warmtenetwerken moet een nutsgebouw komen voor de koppeling van beide systemen (warmteoverdrachtstation). Dit nutsgebouw zal ook een functie als hulpwarmtecentrale voor het gemeentelijk netwerk dienen. De inpassing van een dergelijke functie zal zodanig zijn, dat aanwezige en toekomstige gevoelige functies (zoals scholen en woningen) in het gebied mogelijk zijn, zonder dat aanpassingen aan de gevoelige functies nodig zijn en zodanig dat deze functies zonder beperkingen kunnen functioneren. In de directe nabijheid zijn er ook andere ontwikkelingen, zoals de herontwikkeling van de Marcushof aan de overzijde van de Aart van der Leeuwlaan. De bestaande woonbebouwing zal gefaseerd plaats gaan maken voor nieuwbouw.
bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 62
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK
Figuur 4.11: WarmtelinQ en gemeentelijk open warmtenet. Bron: BAG/BGT en gemeente Delft.
4.14.4 Circulaire economie In de Visie op weg naar een circulair Delft in 2050 zijn voor vijf sectoren de navolgende ambities/doelstellingen opgesteld: Bouw: er wordt gebouwd zoals met lego, modulair, losmaakbaar en flexibel. Bouwmaterialen zijn hergebruikt, gerecycled en recyclebaar, of biobased. Biomassa & voedsel: voedselverspilling wordt teruggedrongen en organische reststromen worden zo hoogwaardig mogelijk verwerkt. Kunststoffen: het gebruik van eenmalige plastics wordt teruggedrongen, er worden zoveel mogelijk gerecyclede en biobased plastics gebruikt en de inzameling en recycling wordt verbeterd, bijvoorbeeld op evenementen. Maakindustrie: bedrijven worden gestimuleerd om hun producten of diensten circulair te maken of hun productieprocessen te vernieuwen, bijvoorbeeld innovatieve toepassingen voor ingezameld plastic. Consumptiegoederen: producten worden langer en effectiever gebruikt, bijvoorbeeld door ze te repareren of te delen. Afgedankte producten worden goed ingezameld en zo hoogwaardig mogelijk hergebruikt.
4.14.5 Conclusie De maatregelen voor duurzaam en natuurinclusief bouwen worden uitgewerkt bij het bouwplan. De duurzaamheidsambities worden meegenomen in het nog op te stellen inrichtingsplan en het nog op te stellen definitief ontwerp bouwplan. Daarmee vormt het aspect duurzaamheid en natuurinclusief bouwen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 63
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK
4.15
Klimaatadaptatie
4.15.1 Klimaatadaptatie Een toekomst-bestendige stad is ook een klimaatadaptieve stad. Natuurinclusieve maatregelen zoals vergroening en watergerichte maatregelen dragen ook bij aan het klimaatadaptief maken van de stad. Het toevoegen van beplanting op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte draagt, naast positieve effecten voor biodiversiteit, ook bij aan bijvoorbeeld het vasthouden van water en het verminderen van wateroverlast of hittestress. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen dat de gemeente, samen met partners heeft ondertekend. Om de warmte-accumulatie in de stad te beperken wordt ernaar gestreefd zo min mogelijk oppervlak te verharden (zowel op percelen van derden als in de openbare ruimte) en zoveel mogelijk water op te nemen en door een groene inrichting te laten verdampen. Verdamping kan en mag ook op andere manier, maar die van groen heeft een meerwaarde bijvoorbeeld voor de biodiversiteit en het opnemen van CO2. Om groen ook in de drogere zomerperiode te kunnen laten functioneren is voldoende watervoorraad nodig (spons). De stad als spons heeft als hoofddoel om het regenwater op te vangen waar het valt en daar ook vast te houden, zodat het door middel van verdamping (meestal en bij voorkeur door planten) wordt teruggegeven.
Dit beperkt het watertekort bij droogte en gaat door verdamping hittestress tegen. Daarnaast is meer groen ook van belang voor de gewenste biodiversiteit. Duurzaamheidsambities onderhavige ontwikkeling Het is van belang dat de nieuwbouw ontwikkeling (met inbegrip van de inrichting van het onbebouwde deel van een perceel) hieraan een bijdrage levert. Voor het bouwproject gelden op het gebied van klimaatadaptatie de volgende drie ambities: afkoppelen van regenwater en daarmee de spons maximaal gebruiken maximale verdamping ten behoeve van koeling, waarbij geen kraanwater nodig is maximale vergroening, minimale verharding. Op basis van de strategie en het convenant zijn de volgende eisen voor deze ontwikkeling te stellen: Er dient 60 mm water per m2 vastgehouden te kunnen worden. Dit water kan lokaal verwerkt worden of anders vertraagd worden afgevoerd. Het maaiveld wordt zodanig ingericht dat bij grote buien geen schade optreedt. Van het perceel wordt 50% met intensief groen worden ingericht, dit kan op maaiveld, op daken en aan gevels. Voor het groen op het perceel wordt regenwater vastgehouden om voldoende regenwater voor droge, warme periode beschikbaar te hebben (200 liter/m2 groen). Materiaalkeuze (lage adsorptiewaarden gevel en dak) en gebouwpositionering zodanig kiezen dat hittestress niet optreedt.
Aanbrengen van schaduw om hittestress tegen te gaan door vergroening, bij voorkeur met bomen. 4.15.2 Conclusie De maatregelen voor klimaatadaptief bouwen worden uitgewerkt bij het bouwplan. De borging van de waterberging vindt plaats via de regels van het onderhavige bestemmingsplan. De klimaatadaptieve ambities worden meegenomen in het nog op te stellen inrichtingsplan en het nog op te stellen definitief ontwerp bouwplan. Daarmee vormt het aspectklimaatadaptatie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 64
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK
4.16
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.16.1 Kader De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijk eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten). Tabel 4.7: Kolom D11.2 van m.e.r.-plichtige activiteiten uit Wet Milieubeheer en Besluit m.e.r.
Voor de activiteiten die wel in onderdeel D van het Besluit m.e.r. genoemd staan, maar waar de aantallen uit het betreffende plan of besluit onder de drempelwaarden liggen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Hierbij wordt, net als bij de m.e.r.-beoordeling getoetst, of er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. Het planvoornemen valt onder de in D gestelde drempelwaarde.
4.16.2 Beoordeling en conclusie In het kader van de onderhavige ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, welke is opgenomen als bijlage 16 bij deze toelichting. Voor de getoetste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving. Geconcludeerd wordt dat er geen noodzaak is voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 65
bestemmingsplan Pleysierschool en ISK
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Verantwoording planvorm
Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemming in het plangebied is aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemming zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden en de doorvoor uitgevoerde onderzoeken van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden. Er is gekozen voor een op de ontwikkeling van het plangebied gericht bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) en de Delftse systematiek c.q. handboek.