Ontwerp Warmteplan Delft
Tekst van het document
Ontwerp
Warmteplan Delft 2021
Opgesteld door: Gemeente Delft: Arjen Rijsdijk Daniëlle Bode Vivienne van Rees Vellinga CE Delft: Katja Kruit Marianne Teng Pien van Berkel Kroese & Kroese: Marjo Kroese 2
Voorwoord We stoppen met het gebruik van aardgas om onze gebouwen te verwarmen. Uiterlijk in 2050 moeten alle buurten en wijken in Delft aardgas vrij zijn. Dat vinden we niet alleen in Delft belangrijk. Maar liefst 195 landen hebben in 2015 in het Klimaatakkoord van Parijs met elkaar afgesproken dat zij de uitstoot van broeikasgassen gaan terugdringen, om zo de opwarming van de aarde te beperken. Daarvoor is een ‘transitie’ nodig, een overgang naar een andere vorm van verwarmen, zonder fossiele brandstof. In het nationale Klimaatakkoord staat dat alle gemeenten in Nederland een ‘transitievisie warmte’ moeten vaststellen. Daarom hebben we in Delft het Warmteplan 2021 opgesteld. Dat we als gemeente met een warmteplan komen, is dus niet zo bijzonder. Wat wél bijzonder is, is dat dit plan tot stand is gekomen met hulp van heel veel partners in de stad. We zijn heel blij met de intensieve samenwerking met CE Delft, een toonaangevend adviesbureau op het gebied van duurzaamheid en energie, gevestigd middenin onze stad. Dat maakt dit een typisch Delfts plan. Daarnaast hebben we stadsgesprekken en avonden met klankbordgroepen georganiseerd. Veel betrokkenen hebben meegedacht, van inwoners en ondernemers tot professionele stakeholders. We hebben ook een enquête uitgezet, om maar zoveel mogelijk mensen te horen over aardgasvrij. Ik ben trots op deze Delftse participatie.
En het maakt van dit plan een breed gedragen visie richting een aardgasvrij Delft.
En concreet wordt het. De komende jaren gaan alle inwoners en ondernemers van Delft merken dat wij het warmteplan uitvoeren. Het zal een ingrijpende operatie worden voor de hele stad. We kunnen niet voorkomen dat dit af en toe overlast geeft. Maar we kunnen niet anders. Kijk naar de overstromingen en andere natuurrampen die overal ter wereld plaatsvinden. De stromen klimaatvluchtelingen, de stijgende zeespiegel, de smeltende polen. We móeten de klimaatverandering een halt toeroepen. Er moet dus wat gebeuren. En dat doen we ook. In Delft bereiden we ons voor op een aardgasvrije stad. Ik kijk ernaar uit en hoop dat u ook mee doet! Stephan Brandligt Wethouder Duurzaamheid
Ons warmteplan laat duidelijk zien welke mogelijkheden er per buurt zijn voor aardgasvrij verwarmen. We benoemen ook met welke buurten we als eerste aan de slag gaan. Voor deze buurten willen we vóór 2030 een warmte-uitvoeringsplan maken. Dan wordt het écht concreet. Ik kan niet wachten tot de eerste schop de grond in gaat in Voorhof en Buitenhof. Daar gaan we beginnen en daar kijk ik naar uit! Daarna zoeken we naar nieuwe wijken en nieuwe mogelijkheden.
3
Samenvatting De gemeente Delft wil uiterlijk in 2050 aardgasvrij zijn en geen fossiele brandstoffen meer gebruiken. Daarom moeten we op zoek naar nieuwe manieren om te verwarmen, te koken en te douchen. Dit noemen we de warmtetransitie. Het Warmteplan is onze gemeentelijke visie hierop. Deze visie geeft richting aan het uitvoeren van deze warmtetransitie in de komende jaren. Bij het opstellen van het Warmteplan stonden de acht uitgangspunten zoals vastgelegd in het verslag “Delft Aardgasvrij” centraal. Het Warmteplan geeft een eerste inzicht in de mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen per buurt. Ook staat in het Warmteplan welke buurten de gemeente kansrijk vindt om vóór 2030 een warmte-uitvoeringsplan voor te maken. Dat noemen we de “eerste buurten”.
Aardgasvrije warmtetechnieken We hebben per buurt bepaald welke warmtetechnieken de laagste nationale kosten hebben (zie Figuur 1). Als een warmtetechniek in verschillende toekomstbeelden de laagste kosten heeft, noemen we deze meer robuust. De warmtetechniek voor een gehele buurt is niet per se de meest logische oplossing voor alle gebouwen in een buurt. Zeker wanneer de bebouwing divers is, kan de voorkeurstechniek per type bebouwing verschillen.
Figuur 1 – Warmtetechniek met de laagste nationale kosten voor de buurten in Delft en de robuustheid van de warmtetechniek in verschillende toekomstbeelden
4
Eerste buurten De gemeente kan niet in elke buurt tegelijk aan de slag. Daarom hebben we een prioritering gemaakt om te bepalen welke buurten het meest kansrijk zijn om te beginnen. In de volgende fase gaan we door middel van buurtpaspoorten onderzoeken of en in welke buurten we aan de slag gaan met het opstellen van een warmte-uitvoeringsplan. We hebben de buurten punten gegeven op de criteria betaalbaarheid, robuustheid van de warmtetechniek in verschillende toekomstbeelden, CO2- reductiepotentieel, contracteerbaarheid, meekoppelkansen, uitvoerbaarheid en lopende projecten. Bijlage F geeft een overzicht van de criteria en de punten die de buurten hebben gekregen. De buurten met de hoogste score (zie Figuur 2) zijn het meest kansrijk om op korte termijn aan de slag te gaan met de warmtetransitie.
Aan de slag met het Warmteplan Als vervolg op het Warmteplan gaan we eerst meer onderzoek doen in de buurten die het meest kansrijk zijn om te starten.
Daarna gaan we warmte-uitvoeringsplannen voor de eerste buurten opstellen. Een warmte-uitvoeringsplan is een concreet plan om tot een schone, betrouwbare en betaalbare warmtevoorziening in een buurt te komen. Deze plannen maken we samen met buurtbewoners en bedrijven. Ook in de buurten waar we voorlopig nog niet starten met aardgasvrij worden, willen we alvast zoveel mogelijk CO2-uitstoot verminderen. Daarom maken we als gemeente een isolatieplan voor de gehele stad en stimuleren we het nemen van energiebesparende maatregelen met het Energieloket Delft en de lokale initiatieven Platform Energietransitie Delft en energie coöperatie Deelstroom Delft. Voor de uitvoering van het Warmteplan is een groot aantal partijen nodig. We werken samen met de woningcorporaties, beheerders van infrastructuur en lokale initiatieven om de transitie voor iedereen mogelijk te maken. Om het ambitie niveau van dit Warmteplan waar te maken hebben de gemeente, woningcorporaties, inwoners en bedrijven echter wel aanvullende regelgeving en financiële ondersteuning nodig van de rijksoverheid.
Figuur 2 – Totaalscore per buurt. Hoe hoger de score, hoe kansrijker om te starten. Bijlage F geeft een overzicht van de score per criterium.
5
6
Inhoudsopgave 1. Inleiding 1.1 Waarom aardgasvrij? 1.2 Wat is het Warmteplan? 1.3 Voor wie is het Warmteplan? 1.4 Hoe is het Warmteplan tot stand gekomen? 1.5 Leeswijzer 2. Proces om tot het Warmteplan Delft te komen 2.1 Vertrekpunt voor het Warmteplan Delft 2.2 Betrekken van professionele stakeholders 2.3 Betrekken van inwoners en bedrijven 2.4 Samenvatting van input
8 8 8 10 10 10 11 11 12 12 14
3. Huidige warmtevoorziening en alternatieven 3.1 Huidige warmtevoorziening 3.2 De opgave 3.3 Isoleren 3.4 Alternatieven voor aardgas 3.5 Voorkeurstechnieken per buurt
17 17 18 18 18 20
4. Selectie van eerste buurten 4.1 Hoe zijn de eerste buurten geselecteerd? 4.2 Eerste buurten 4.3 Potentiële CO2-reductie van het aardgasvrij maken van deze buurten
25 25 30
5. Aan de slag met het Warmteplan 5.1 Stappen naar een warmte-uitvoeringsplan 5.2 Stadsbrede aanpak 5.3 Middelen en samenwerking
32 32 34 37
Verwijzingen
40
A. Enquêteresultaten
41
B. Resultaten stadsgesprek 1
45
C. Resultaten stadsgesprek 2
46
D. Beschikbaarheid warmtebronnen
47
E. Scoringsmethodiek van de criteria E.1 Betaalbaarheid E.2 CO2-reductie E.3 Robuustheid E.4 Uitvoerbaarheid E.5 Initiatieven en wijkverbetering E.6 Meekoppelkansen E.7 Contracteerbaarheid
48 48 48 49 49 49 50 50
F.
51
Uitkomst score van buurten
31
7
1
Inleiding
De gemeente Delft wil uiterlijk in 2050 aardgasvrij zijn en geen fossiele brandstoffen meer gebruiken. Aardgasvrij zijn betekent dat we voor het verwarmen van gebouwen geen aardgas meer gebruiken en we op zoek gaan naar nieuwe manieren om te verwarmen, te koken en te douchen. Met deze ambitie staan we als gemeente voor de opgave om in minder dan 30 jaar circa 62.000 woningen en 15.500 woningequivalenten1 andere gebouwen van het aardgas af te helpen. Het Warmteplan is onze gemeentelijke visie die richting geeft aan het uitvoeren van de warmtetransitie in de komende jaren.
1.1
Waarom aardgasvrij?
In het Klimaatakkoord van Parijs hebben landen afspraken met elkaar gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Het doel daarvan is om de opwarming van de aarde te beperken. Nederland heeft met het nationale Klimaatakkoord (rijksoverheid, 2019) een centraal doel gesteld: in 2030 moet de uitstoot van broeikasgassen (uitgedrukt in CO2) in Nederland minstens 49% lager zijn dan de uitstoot in 1990. Ongeveer de helft van de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving wordt veroorzaakt door gebruik van aardgas voor verwarming, warm water en om te koken. Voor het behalen van de CO2-reductiedoelstellingen is dus een transitie noodzakelijk naar een gebouwde omgeving die niet langer met aardgas wordt verwarmd. We noemen dit de warmtetransitie. Ook wil Nederland stoppen met de gaswinning in Groningen en minder afhankelijk zijn van gaslevering uit het buitenland. In 2050 moet de warmtetransitie zijn voltooid. In 2030 wil de gemeente Delft, in lijn met de nationale doelstelling uit het Klimaatakkoord, dat 20% van de woningen aardgasvrij verwarmd wordt.
1
1.2
Wat is het Warmteplan?
In het nationale Klimaatakkoord is afgesproken dat alle gemeenten in Nederland uiterlijk in 2021 een transitievisie warmte vaststellen, samen met stakeholders. De gemeente Delft noemt deze transitievisie warmte het Warmteplan Delft 2021. Het Warmteplan geeft een eerste inzicht in de mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen per buurt. Ook staat in het Warmteplan voor welke buurten de gemeente vóór 2030 een warmte-uitvoeringsplan wil maken. Over vijf jaar maken we een nieuw Warmteplan met de kennis, inzichten en innovaties die er dan zijn - dat wordt het Warmteplan Delft 2026. Mogelijk komt er tussentijds ook nog een actualisatieslag van het huidige plan. Klimaatakkoord: wijkgerichte aanpak In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten in de transitie naar aardgasvrij verwarmen kiezen voor een wijkgerichte aanpak. Dit houdt in dat zij wijk voor wijk aan de slag moeten gaan met de warmtetransitie. En dat zij op wijk- of buurtniveau bepalen wat de beste oplossing is als gebouwen niet langer met de cv-ketel op aardgas worden verwarmd (rijksoverheid, 2019).
Een woningequivalent (afkorting: weq) is een eenheid om woningen en andere panden met elkaar te kunnen vergelijken. Een weq staat gelijk aan één woning of 130 m2 gebruiksoppervlak van utiliteitsbouw (bijvoorbeeld winkels, scholen en kantoren).
8
Eerste buurten Het Warmteplan geeft aan welke buurten op basis van verschillende criteria het meest kansrijk zijn om op korte termijn met de warmtetransitie te starten. In de volgende fase, de warmte-uitvoeringsplannen, bekijken we met behulp van een buurtpaspoort in welke buurt(en) en op welke manier we starten met het schrijven van een warmte-uitvoeringsplan. Meer informatie hierover staat in hoofdstuk 5.
Warmteplan in relatie tot de Regionale Energiestrategie (RES) en de Regionale Structuur Warmte (RSW) Delft werkt samen met 22 andere gemeenten in de regio Rotterdam - Den Haag aan een Regionale Energiestrategie (RES). De RES 1.02 beschrijft de mogelijkheden voor het grootschalig opwekken van hernieuwbare elektriciteit met wind- en zonne-energie. Hernieuwbare elektriciteit is onder andere nodig voor het verwarmen van gebouwen met een elektrische warmtepomp. Daarnaast hebben we in het RES-traject gekeken naar vraag en aanbod van hernieuwbare warmte in de regio. Dit noemen we de Regionale Structuur Warmte (RSW). Deze kennis over de beschikbaarheid van regionale warmtebronnen hebben we gebruikt bij het opstellen van het Warmteplan. Dit Warmteplan is zelf ook weer input voor volgende versies van de RSW. De RSW kan de gemeentelijke visies en plannen op regionaal niveau in beeld brengen, zodat op regionaal niveau inzicht ontstaat in buurten waar gemeenten een voorkeur hebben voor warmtenetten. Ook wordt dan zichtbaar of er kansen
zijn voor clustering, maar ook waar mogelijk een tekort aan warmte ontstaat die regionaal opgepakt kan worden.
Warmteplan in relatie tot de omgevingsvisie In 2022 wordt de nieuwe Omgevingswet van kracht. Deze wet bundelt de wetten voor de leefomgeving. Hierbij gaat het onder meer om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De overheid moet deze verschillende belangen voortaan integraal afwegen. De energietransitie is een van deze belangen. Het Warmteplan nemen we na vaststelling mee in de eerstvolgende actualisatie van de gemeentelijke omgevingsvisie. De toekomstige warmte-uitvoeringsplannen worden opgenomen in het omgevingsplan.
Warmteplan in relatie tot de Duurzame Ontwikkelingsdoelen De gemeente Delft heeft zich verbonden aan de Duurzame Ontwikkelingsdoelen - ook wel bekend als Global Goals of de Sustainable Development Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties. Dit zijn zeventien doelen om de wereld – en dus ook Delft – tot een betere plek te maken in 2030. Met het Warmteplan werkt de gemeente aan SDG7 (betaalbare en duurzame energie) en SDG9 (industrie, innovatie en infrastructuur). De uitvoering van het Warmteplan draagt ook indirect bij aan een aantal andere duurzame ontwikkelingsdoelen, namelijk goede gezondheid en welzijn (SDG3), eerlijk werk en economische groei (SDG8), duurzame steden en gemeenschappen (SDG11) en klimaatactie (SDG13).
Figuur 3 – De Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (United Nations, 2015)
2
https://www.resrotterdamdenhaag.nl/wp-content/uploads/2021/04/RES-1.0-Regio-Rotterdam-Den-Haag.pdf
9
1.3
Voor wie is het Warmteplan?
Het Warmteplan is een gemeentelijke visie die richting geeft aan het uitvoeren van de warmtetransitie in de komende jaren. Het Warmteplan heeft uiteindelijk gevolgen voor alle Delftenaren. Het Warmteplan is daarmee bedoeld voor iedereen in Delft die gebouweigenaar of gebruiker is - van woningcorporatie tot huurder en van ondernemer tot woningeigenaar. In dit plan kunnen zij lezen wat de plannen zijn van de gemeente om in 2050 geen aardgas meer te gebruiken voor het verwarmen van gebouwen.
1.4
Hoe is het Warmteplan tot stand gekomen?
In Delft werken we sinds het Kyoto-protocol uit 1997 aan het verduurzamen van woningen en andere gebouwen. Wij zijn immers een duurzame en innovatieve stad. In het 3D Duurzaamheidsplan uit 2000 en het 3E Klimaatplan Delft 2003 zijn al CO2-reductiedoelstellingen opgenomen. In 2012 is het uitvoeringsprogramma Delft Energie Neutraal 2050 gestart. De term ‘Delft aardgasvrij’ is van 2018, toen wij uitgebreid met bewoners van gedachten hebben gewisseld over dit onderwerp. We hebben toen onder andere een lijst van uitgangspunten en acties geformuleerd waarop dit Warmteplan gestoeld is. Uit deze eerste bijeenkomsten is ook het lokale initiatief Platform Energietransitie Delft ontstaan. Daarnaast verkent de gemeente samen met partners op verschillende locaties de mogelijkheden voor het aanleggen van een collectief warmtenet. Het Warmteplan bouwt voort op de kennis en ervaring die de gemeente hierbij opdoet en al heeft opgedaan. De gemeente begint met dit Warmteplan dus niet vanaf nul.
vragen, zorgen en opmerkingen te uiten. Dat kunnen alle Delftenaren nog steeds doen door te reageren op dit Ontwerp Warmteplan. Voor een uitgebreide beschrijving van het proces, zie hoofdstuk 2.
1.5
Leeswijzer
Dit warmteplan is onze gemeentelijke visie. Met de wij-vorm in het warmteplan bedoelen we dus de gemeente Delft. Het Warmteplan is als volgt opgebouwd: hoofdstuk 2 beschrijft het proces hoe we tot dit Warmteplan zijn gekomen. Hoofdstuk 3 geeft een beeld van de huidige warmtevoorziening in Delft en de mogelijke alternatieven. Hoofdstuk 4 presenteert de eerste buurten, waar we voor 2030 aan de slag willen gaan met het ontwikkelen van warmte-uitvoeringsplannen. We sluiten af met de vervolgstappen in hoofdstuk 5.
We hebben zowel professionele stakeholders als de inwoners van de gemeente Delft betrokken bij het opstellen van het Warmteplan. De gemeente heeft adviesbureau CE Delft geselecteerd om het proces te ondersteunen met dataverzameling, berekeningen en participatie. We hebben een projectgroep gevormd van professionele stakeholders. Georganiseerde bewoners en bedrijven dachten mee vanuit de klankbordgroep. Bewoners en bedrijven die (nog) niet georganiseerd zijn, hebben we betrokken met een digitale enquête (met ruim 1.800 respondenten) en twee rondes van digitale stadsgesprekken. Zowel in de enquête als tijdens de stadsgesprekken kregen bewoners de gelegenheid om hun
10
2
Proces om tot het Warmteplan Delft te komen
In dit hoofdstuk beschrijven we het proces hoe we tot dit Warmteplan zijn gekomen. Allereerst bespreken we welke uitgangspunten centraal stonden bij het opstellen van het Warmteplan. Vervolgens beschrijven we hoe professionele stakeholders, bewoners en bedrijven hebben meegedacht.
2.1
Vertrekpunt voor het Warmteplan Delft
In 2018 hebben we drie participatiebijeenkomsten georganiseerd met bewoners, ondernemers en organisaties. Met die input hebben we acht uitgangspunten geformuleerd voor het Warmteplan Delft 2021 (zie ook het verslag ‘Delft aardgasvrij: eindverslag van de participatiebijeenkomsten’ (Gemeente Delft, 2018)). Dit zijn de uitgangspunten, die centraal stonden bij het opstellen van het Warmteplan: 1. De gemeente betrekt actief partijen uit de stad; 2. De gemeente maakt informatie actief bekend en breed toegankelijk; 3. De gemeente biedt een helder handelingsperspectief vóór 2021 en draagt dit uit: nu isoleren en het treffen van ‘geen spijt’ maatregelen; 4. De gemeente heeft een regierol en ondersteunt lokaal initiatief; 5. Aardgasvrij moet voor iedereen betaalbaar zijn; 6. Een aardgasvrije stad mag niet leiden tot een grotere welvaartsongelijkheid; 7. De alternatieven voor aardgas moeten betrouwbaar en veilig zijn en bijdragen aan duurzaamheid in de brede zin; 8. Energiemaatregelen worden afgewogen tegen andere beleidsdoelen. Aansluitend op uitgangspunten 5 en 6 heeft de gemeenteraad van Delft met twee moties de volgende uitgangspunten meegegeven voor het Warmteplan:
Motie – Bijdrage € 6,1 miljoen voor Futureproof-scenario warmtenet vraagt méér (onderbouwing, concretisering, draagvlak en betrokkenheid) (17 december 2020): • In het nog op te stellen Warmteplan en de Wijkuitvoeringsplannen concreet in te gaan op de beheersing van de geconstateerde financiële risico’s, de betaalbaarheid voor de eindgebruikers en hoe draagvlak onder bewoners kan worden gerealiseerd. Dit geeft de raad de kans om hier eventueel op bij te sturen. Motie - Prioriteiten in het Warmteplan (17 december 2020): • In het Delftse Warmteplan als uitgangspunt op te nemen dat de energietransitie moet bijdragen aan het bevorderen van energierechtvaardigheid; • In het Delftse Warmteplan bij het bepalen van de fasering voor het aardgasvrij maken van de buurten het bevorderen van energierechtvaardigheid als een van de selectiecriteria wordt opgenomen. Aan beide moties wordt uitvoering gegeven in hoofdstuk 4 en 5 van dit Warmteplan. De moties zullen ook bij het vervolg van dit Warmteplan bij het maken van de warmte-uitvoeringsplannen actueel blijven. Verder hebben wij de brief van Milieudefensie over biomassa- installaties en de Warmtetransitievisie van 9 maart 2020 bij het Warmteplan betrokken. Mede hierdoor hebben we het uitgangspunt opgenomen dat we binnen Delft geen biomassa(centrales) inzetten voor de energietransitie.
Een andere reden is dat de gemeente Delft het Schone Lucht Akkoord ondertekend heeft. 11
2.2 Betrekken van professionele stakeholders In het proces om tot het Warmteplan te komen, heeft de gemeente Delft de verschillende professionele stakeholders betrokken die te maken hebben met de warmtetransitie. Zij zijn uitgenodigd om deel te nemen aan de projectgroep. Dit zijn: • Woningcorporatie Vidomes • Woningcorporatie Vestia • Woningcorporatie Woonbron • Woningcorporatie DUWO (verhuurder van studentenwoningen) • Gasunie (ontwikkelaar WarmtelinQ) • TU Delft • Netbeheerder Stedin • Energiecoöperatie Deelstroom Delft • Net Verder (ontwikkelaar warmtenetten) • Evides Waterbedrijf • Hoogheemraadschap van Delfland • Provincie Zuid-Holland De projectgroep is tussen oktober 2020-juni 2021 acht keer digitaal samengekomen. De projectgroep dacht mee over de kaders van het onderzoek, het proces en de vormgeving van de uitkomsten. Daarnaast leverden deze stakeholders relevante gegevens. Bovendien hebben we met de projectgroep de uitgangspunten (bijvoorbeeld voor de buurtpriortering) afgestemd. De belangrijkste input die de stakeholders hebben geleverd: • Gasunie heeft CE Delft voorzien van een inschatting van de kosten en beschikbaarheid van warmte uit WarmtelinQ. WarmtelinQ is een plan voor een warmtetransportleiding die Gasunie en Havenbedrijf Rotterdam samen aanleggen (WarmtelinQ, sd).
• De aanwezigheid en locatie van bestaande warmtenetten, waaronder het warmtenet dat wordt gevoed door rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Harnaschpolder, het bestaande warmtenet in Poptahof Noord en Zuid en de ontwikkelingen van het open warmtenet Delft in de wijken Voorhof en Buitenhof. • Input voor de criteria en het onderlinge belang voor het prioriteren (wegen) van buurten. • De haalbaarheid van de warmtetransitie in de geselecteerde buurten voor woningcorporaties. • De ambitie wat betreft isolatie. Mede op basis van input uit de
projectgroep hebben we besloten in het basisscenario van de berekeningen uit te gaan van isolatie naar minimaal label C.
2.3 Betrekken van inwoners en bedrijven Voor het opstellen van het Warmteplan hebben we de Delftse participatiemethode Delfts Doen gebruikt. Dit houdt in dat we de inwoners van de stad zo vroeg mogelijk proberen te betrekken bij het maken van het plan. Dat is voor een visiedocument lastig, omdat het gaat om een visie voor de hele stad en niet over een uitvoeringsplan dat direct voor de deur plaatsvindt. Wij hebben daarom regelmatig uitgelegd wat de status van het Warmteplan is en ook regelmatig gesproken over het vervolg. Dat zijn de warmte-uitvoeringsplannen, waarbij de maatregelen in de eigen buurt/straat veel concreter worden. Wij hebben de participatie georganiseerd met een klankbordgroep, een stadsbrede webenquête en participatieavonden (Stadsgesprekken). Hieronder vertellen we over de input die we gekregen hebben, maar eerst gaan we kort in op de verschillende vormen van participatie die we hebben ingezet. Met deze werkwijze hebben we ernaar gestreefd partijen en bewoners actief te betrekken (uitgangspunt 1 van Delft aardgasvrij 2018) en informatie actief bekend en toegankelijk te maken (uitgangspunt 2).
Klankbordgroep Draagvlak voor het Warmteplan onder de inwoners en bedrijven is voor de gemeente van het grootste belang. Om te toetsen of er draagvlak is voor bepaalde beslissingen en adviezen hierover te krijgen, heeft de gemeente een klankbordgroep Warmteplan Delft opgericht. We hebben zeven bijeenkomsten met de klankbordgroep georganiseerd, waarbij we het proces en de techniek om te komen tot het Warmteplan hebben toegelicht. Belangrijkste rol van de klankbordgroep was om te toetsen of de plannen van de gemeente voldoen aan de acht uitgangspunten die we eerder hebben vastgesteld. Organisaties die we hebben uitgenodigd voor de klankbordgroep zijn huurdersorganisaties, wijk- en buurtverenigingen en bedrijven- en ondernemersnetwerken. Ook het Platform Energietransitie Delft nam deel aan de klankbordgroep. Gedurende het traject haakten nog enkele geïnteresseerde mensen op persoonlijke titel aan. Gemiddeld werden de bijeenkomsten door zestien personen bezocht. De klankbordgroep heeft ons geadviseerd over vele onderwerpen, zoals over de inhoud van de enquête en de stadsgesprekken, 12
uitgangspunten in het rekenmodel, de weging van de criteria en de openbaarheid en vindbaarheid van de documenten. Naar aanleiding van vragen en suggesties uit de klankbordgroep hebben we ook nog twee webinars gehouden over het rekenmodel (CEGOIA) van CE Delft. Dat deden we in samenwerking met TOP Delft en het Energie Platform Delft. Hier konden geïnteresseerden onder begeleiding van medewerkers van CE Delft meer te weten komen over de techniek en uitgangspunten van de berekeningen die voor het Warmteplan gemaakt zijn. Een aantal leden van de klankbordgroep vindt dat er in de eindrapportages van fase 1 en 2 onvoldoende verantwoording is opgenomen over de gebruikte methode, toelichting op de gebruikte inputgegevens en de gevoeligheid daarvan op de uitkomsten. Wij hebben geprobeerd hierin te voorzien door middel van de CEGOIA webinars en de link naar de CEGOIA website. Daarnaast hebben we voor de berekeningen inderdaad voornamelijk gebruikgemaakt van CBS-data en gemiddelden en niet van alle daadwerkelijke energieverbruiken. Dat gaat voor dit visiedocument te ver. Bij het opstellen van de warmte-uitvoeringsplannen zijn de daadwerkelijke energieverbruiken uiteraard wel van belang.
Bedrijvennetwerk Delft Energie Neutraal (DEN) 2050 Het warmteplan hebben we gepresenteerd in een bijeenkomst van het bedrijvennetwerk Delft Energie Neutraal 2050. De aanwezige bedrijven hebben de plannen met grote belangstelling ontvangen, al zijn dit natuurlijk wel de koploperbedrijven waarbij duurzaamheid al hoge prioriteit heeft. De aanwezige bedrijven willen graag zo spoedig mogelijk weten wanneer zij maatregelen kunnen nemen.
Enquête In november en december 2020 heeft de gemeente Delft een campagne ‘Delft aardgasvrij?’ gehouden. Hierbij verschenen artikelen in de Stadskrant, zijn sandwichborden langs de hoofdroutes in de stad geplaatst en hebben we op de sociale mediakanalen van de gemeente berichten gepost. Daarbij vroegen we inwoners om via de website Delft aardgasvrij een enquête in te vullen. Ook is de enquête uitgezet via het Delft Internet Panel (DIP). We hebben de enquête samen met het Platform Energietransitie opgesteld. De vragen gingen vooral over bewustwording van het energieverbruik en bekendheid 3
met het feit dat de energietransitie eraan komt. Ruim 1.800 inwoners hebben de enquête ingevuld. Dat is een redelijk aantal, maar het is te laag om representatief te kunnen zijn voor alle Delftse inwoners. De enquête heeft geresulteerd in de rapportage ‘Een onderzoek onder DIP-leden en andere inwoners van Delft naar hun mening over het Warmteplan’. We hebben een samenvatting van deze rapportage op de website geplaatst. Alle documenten zijn terug te vinden op Delft.nl/Warmteplan.
Stadsgesprekken Al in 2018 zijn wij begonnen met participatie voor het Warmteplan onder de naam Delft Aardgasvrij. We hebben toen drie openbare inloopavonden georganiseerd. Deze avonden hebben geleid tot de acht uitgangspunten voor het Warmteplan. Zie hiervoor de nota ‘Eindverslag participatiebijeenkomsten Delft Aardgasvrij’. Het college heeft deze acht uitgangspunten vastgesteld en samen met het plan van aanpak voor het Warmteplan in maart 2019 naar de gemeenteraad gestuurd. Over de (voorlopige) eindresultaten van fase 1 – verrijking startanalyse en fase 2 – prioritering van wijken hebben we in verband met de coronamaatregelen digitale stadsgesprekken gevoerd. Op 16 en 17 februari 2021 vonden twee avonden plaats over de uitkomsten van fase 1 van het Warmteplan. Mensen konden zich opgeven via een link op de website Delft Aardgasvrij en deelnemen aan de digitale sessies. Op beide avonden waren er ongeveer 140 deelnemers, waarvan de mensen boven de 60 in de meerderheid waren en ruim 85% van de deelnemers eigenaar-bewoner was. Via de Mentimeter3 hebben we de deelnemers gevraagd te reageren op een aantal stellingen. De vragen in de chat hebben we voor een klein deel op de avond zelf beantwoord en daarnaast via een vraag- en antwoordlijst op de website (Delft.nl/Warmteplan). Het laatste stadsgesprek over de prioritering van wijken vond plaats op 19 mei 2021.
Tijdens dit gesprek hebben we tevens het vervolgproces met de warmte-uitvoeringsplannen gepresenteerd. Er waren 130 deelnemers. De videoweergave van de stadsgesprekken en de presentaties zijn allemaal terug te vinden op de website Delft.nl/Warmteplan.
Een interactieve tool waarmee deelnemers kunnen reageren op vragen, stellingen en polls (https://www.mentimeter.com).
13
2.4
Samenvatting van input
Hieronder noemen we de belangrijkste input uit het participatieproces. Al deze input komt ook terug in de verschillende hoofdstukken van dit Warmteplan waar dat relevant is. We gaan in op: • Bewoners en bedrijven als doelgroep • Draagvlak voor de doelstelling Delft aardgasvrij • Betaalbaarheid en kosten • Vragen over alternatieven voor aardgas • Belang van betrouwbare informatie • Uitvoerbaarheid • Integrale aanpak
bedrijfsvoering en niet met gemeentelijke beleidsontwikkelingen. Wij krijgen wel regelmatig vragen van individuele bedrijven over de energietransitie. Veel bedrijven willen sneller door met de energietransitie dan het tempo dat wij als gemeente kunnen aanhouden.
Draagvlak voor de doelstelling Delft aardgasvrij
Bewoners en bedrijven als doelgroep
We hebben in de enquête gevraagd naar de mening van de bewoners over de gemeentelijke en landelijke doelstelling om uiterlijk in 2050 aardgasvrij te worden. Een kleine helft onderschrijft in ieder geval de landelijke doelstelling, een kleiner deel daarvan vindt zelfs dat Delft voorop kan lopen. Slechts 8% van de deelnemers geeft aan het er helemaal niet mee eens te zijn. 30% vindt de doelstelling niet realistisch.
Bij al onze participatieactiviteiten hebben we zowel de bewoners als bedrijven uitgenodigd. We hebben gemerkt dat vooral bewoners aanhaakten en in een veel mindere mate de bedrijven. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat bedrijven, met name in de coronatijd, voornamelijk bezig zijn met hun
In de enquête hebben we ook gevraagd in hoeverre deelnemers aan de enquête zich al verdiept hebben in aardgasvrij wonen. Kijkend naar de verschillende wijken zien we het volgende beeld:
Figuur 4 – Enquêteresultaten 2021 (aantal respondenten: 1.800)
Wat is de status bij u? naar wijk Binnenstad (n=195)
36%
44%
8%
Vrijenban (n=157)
39%
43%
1%
Hof van Delft (n=190)
26%
52%
Voordijkshoorn (n=167)
27%
41%
Tanthof (n=203)
37%
Voorhof (n=138)
6%
45%
8%
9%
9%
6%
14%
10%
16%
44%
33%
7%
6%
2%
12% 1%
6%
10%
6%
Buitenhof (n=158)
40%
39%
7%
9%
5%
Wippolder (n=176)
39%
41%
4%
12%
4%
5%
10%
6%
Totaal (n=1.407
35% 0%
44% 20%
40%
60%
80%
100%
Ik heb me er nog helemaal niet in verdiept Ik heb me er al wel in verdiept, maar heb nog niets gedaan Ik heb plannen om maatregelen te nemen Ik heb al maatregelen genomen, maar ben nog niet (helemaal) aardgasvrij Mijn huis is al aardgasvrij
14
Uit deze grafiek kunnen we concluderen dat in alle wijken zo’n 40% van de respondenten zich in ieder geval al heeft verdiept in het aardgasvrij worden. Ook zien we dat per wijk zelfs zo’n 13 – 26% van de deelnemers zich al in het groene (bijna) aardgasvrije gebied bevindt.
Betaalbaarheid en kosten Veel van de deelnemers aan de enquête vinden dat we aardgas moeten blijven gebruiken zolang er geen goede alternatieven zijn. Ook hebben mensen zorgen vanwege de verwachte hoge kosten, oude woningen en monumenten waar niet veel mag en het tekort aan duidelijke informatie. Ook in de stadsgesprekken is het onderwerp betaalbaarheid vaak naar voren gekomen als punt van zorg.
Belang van betrouwbare informatie Bij de stadsgesprekken hebben we de vraag gesteld: ‘Wanneer vind je aardgasvrij worden acceptabel?’ Hier sprongen twee antwoorden eruit: als mijn maandelijkse kosten ongeveer gelijk blijven én als we heldere en betrouwbare informatie krijgen. Goede informatie is daarmee zowel een belangrijk aandachtspunt bij de warmte-uitvoeringsplannen als ook in het algemeen; ook in buurten die niet als eerste aan de beurt zijn, hebben bewoners er behoefte aan te weten wat ze eventueel al kunnen doen. Met name het nemen van isolatiemaatregelen is zo’n punt waar heldere informatie relevant is. Het energieloket van de gemeente speelt een cruciale rol bij het ontzorgen van bewoners op dit gebied.
In de klankbordgroep hebben we benadrukt dat aardgasvrij niet zonder meer een oplossing is voor energiearmoede. Dat zijn twee verschillende zaken die op verschillende manieren aandacht nodig hebben. De energiequote (het deel van het besteedbaar inkomen dat huishoudens kwijt zijn aan de energierekening) is een belangrijke graadmeter voor energiearmoede. Bij het maken van de buurtpaspoorten is het dan ook van belang om de juiste energiequotes in beeld te hebben. Dan weten we of er sprake is van energiearmoede en kunnen we daar expliciet rekening mee houden in de warmte-uitvoeringsplannen.
Alternatieven voor aardgas Zowel in de enquête als bij de stadsgesprekken hebben bewoners vragen gesteld over mogelijke alternatieven voor aardgas. Vragen die bijvoorbeeld voorbijkwamen: • Kan waterstof een alternatief zijn voor aardgas? • Waarom gaat Duitsland over op aardgas, terwijl Nederland ervanaf gaat? • Is er genoeg capaciteit op het elektriciteitsnet beschikbaar? • Kan het elektriciteitsnet de grotere elektriciteitsvraag straks nog wel aan? • Ik wil beginnen met het nemen van maatregelen, maar kan ik niet beter wachten totdat er meer duidelijkheid is? We hebben deze vragen, net als alle andere vragen, beantwoord in een uitgebreid Vraag-en-antwoord document op Delft aardgasvrij (en als bijlage bij dit Warmteplan).
15
Figuur 5 – De resultaten op de vraag ‘Wanneer vind je aardgasvrij acceptabel’, gesteld bij de stadsgesprekken. Aantal respondenten: 113
Wanneer vind je aardgasvrij worden acceptabel? 35%
32%
30% 25% 22% 20%
20%
16% 15% 10%
7%
5% 0%
Als mijn maandelijke kosten ongeveer gelijk blijven
Als er een lening is met gunstige voorwaarden
Als er subsidie is voor het nemen van maatregelen
Als we heldere en betrouwbare informatie krijgen
Uitvoerbaarheid Tijdens de stadsgesprekken hebben we bewoners gevraagd waar de gemeente naast betaalbaarheid en een goede informatievoorziening nog meer op moet letten. Daarbij sprong het begrip uitvoerbaarheid in het oog. Ook in de enquête kwam uitvoerbaarheid vaak terug in de open antwoorden, vaak in relatie tot de ouderdom van de woning en/of tot de leeftijd van de deelnemer. Hier spelen we verder op in tijdens de ontwerpfase van de warmte-uitvoeringsplannen.
Integrale aanpak In de klankbordgroep benadrukten de deelnemers dat het aardgasvrij maken van buurten niet alleen een technische opgave moet zijn. Het moet onderdeel zijn van een integrale aanpak om de kwaliteit van de leefomgeving van de buurt, waar dat nodig is, aan te pakken. Ook vroeg de klankbordgroep om aandacht voor buurten die nog niet als eerste aan de beurt zijn; natuurlijk kan daar op het gebied van isoleren al het nodige gebeuren, om een bijdrage te leveren aan de totale CO2-reductie, de toekomstige stap naar aardgasvrij te vereenvoudigen, energiearmoede aan te pakken en zo de energiekosten voor de bewoners alvast te verminderen.
Als het om een kleine ingreep in mijn huis gaat
2%
2%
Ik weet het nog niet/ geen mening
nooit, want ik wil het sowieso niet
Het is belangrijk dat we in dit Warmteplan én daarna in de warmte-uitvoeringsplannen rekening houden met de genoemde zorgen en meningen. Een groot deel van de Delftenaren staat weliswaar positief tegenover aardgasvrij wonen, maar toch maakt een groot deel van de bewoners zich zorgen over de kosten. Betaalbaarheid is voor de inwoners van Delft dan ook dé voorwaarde om aardgasvrij wonen te accepteren. Om betaalbaarheid voor inwoners te kunnen garanderen, zijn met name landelijke randvoorwaarden nodig (zie ook paragraaf 5.3). In dit Warmteplan komen de hierboven genoemde onderwerpen regelmatig terug. Uiteindelijk leiden ze mede tot de selectie van de eerste buurten (zie hoofdstuk 4) en krijgen ze een plek bij het opstellen van de warmte-uitvoeringsplannen. Daarnaast gelden uiteraard de uitgangspunten, zoals we die in 2018 hebben geformuleerd, als basis voor dit Warmteplan.
16
3
Huidige warmtevoorziening en alternatieven
In dit hoofdstuk laten we zien hoe de gebouwen in Delft momenteel verwarmd worden. Vervolgens geven we een beschrijving van de aardgasvrije alternatieven en laten we zien welke aardgasvrije warmtetechnieken voor de hand liggen in de verschillende wijken van Delft.
3.1
Huidige warmtevoorziening
De totale warmtevraag van de gebouwde omgeving in de gemeente Delft is 2.768 TJ. Hiervan bestaat twee derde deel uit de warmtevraag van woningen en een derde deel uit de warmtevraag van utiliteitsgebouwen. Momenteel wordt de warmtevraag van de gebouwen in Delft voornamelijk ingevuld met aardgas. In 2019 (het meest recente jaartal waarvoor gegevens beschikbaar zijn) werd 72.800.000 m3 aardgas gebruikt voor het verwarmen van gebouwen (Klimaatmonitor, sd). Dit komt overeen met een CO2-uitstoot van ruim 144 kiloton per jaar.4 In een aantal delen van de stad ligt stadsverwarming; 6,9% van de woningen in Delft is hierop aangesloten. Tabel 1 laat zien hoeveel procent van de woningen in elke buurt is aangesloten op warmtenetten. De meeste warmtenetten worden nu nog met aardgas verwarmd. Deze warmtenetten moeten overschakelen op duurzame bronnen om in gebruik te kunnen blijven. De buurten Hoornse Hof en Den Hoorn worden al met een duurzame bron verwarmd, namelijk de rioolwaterzuivering sinstallatie Harnaschpolder.
4 5
Tabel 1 Het huidige aandeel warmtenet per buurt. Bron: (CBS, 2019; Infinitus, sd)5
Buurt
Aandeel warmtenet
Heilige Land
5%
Hoornse Hof
30%
Den Hoorn
84%
Bedrijventerrein Ypenburgsepoort
100%
Poptahof-Noord
57%
Poptahof-Zuid
40%
Voorhof-Hoogbouw
41%
Multatulibuurt
43%
Juniusbuurt
38%
TU-Noord
59%
TU-Campus
39%
Energie-inhoud aardgas (bovenwaarde): 0,03517 GJ/m3; emissiefactor aardgas: 56,4 kg CO2/GJ (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-3987.html) We weten dat de CBS-cijfers niet helemaal actueel zijn, daarom zijn ze aangevuld door Infinitus. In de warmte-uitvoeringsplannen zorgen we dat we met de werkelijke cijfers rekenen.
17
3.2
De opgave
In 2050 moet de warmtetransitie voltooid zijn. Dat betekent dat we nog bijna 30 jaar de tijd hebben om de circa 62.000 woningen en 15.500 woningequivalenten6 andere gebouwen aardgasvrij te maken. In 2030 wil de gemeente Delft 20% van de opgave hebben voltooid. Dat komt overeen met 15.500 woningequivalenten. Dit is in lijn met de nationale doelstelling uit het Klimaatakkoord.
3.3
Isoleren
Het is belangrijk dat we energie besparen, want als we minder warmte en elektriciteit gebruiken, hoeven we ook minder op te wekken. Met isoleren kunnen we de meeste energie besparen. Het is dan ook de eerste stap om richting een energiezuinige, comfortabele en uiteindelijk aardgasvrije woning te gaan. Het is mogelijk om vloeren, muren en daken te isoleren, daarnaast is het mogelijk het glas te vervangen door hr++ glas. Welke manier je het beste kunt toepassen, verschilt per woning en per warmtetechniek. In het nationale Klimaatakkoord is afgesproken dat er een ‘Standaard’ komt voor het isolatieniveau van woningen, met bijbehorende streefwaarden voor individuele bouwdelen (zoals muren, vloer en glas). De Standaard moet woningeigenaren, verhuurders en particulieren meer duidelijkheid geven over wat als goede en toekomstbestendige woningisolatie wordt beschouwd. Met isoleren naar de Standaard worden woningen voorbereid op verwarming met lagere temperaturen dan nu gebruikelijk is. In de kamerbrief over de Standaard voor woningisolatie van 18 maart 2021 (Ministerie van BZK, 2021) staat dat wanneer woningen worden geïsoleerd volgens de voorgestelde Standaard, dit betekent dat woningen van na 1945 geschikt zijn voor verwarming met warmte van 50°C. Bij oudere woningen ontbreekt vaak een spouwmuur, waardoor verduurzamen tot dat niveau meer kostbaar en ingrijpend is.
Voor woningen van voor 1945 geldt daarom een lagere standaard, namelijk isoleren tot een niveau dat deze woningen kunnen worden verwarmd met warmte van 70°C.
6
In paragraaf 5.2 staat meer over hoe we woningeigenaren in Delft ondersteunen bij isoleren.
3.4
Alternatieven voor aardgas
Er zijn verschillende mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen. Technieken kunnen op verschillende temperatuurniveaus warmte leveren: • Hoge temperatuur (HT): boven de 75°C. Voor technieken die op het HT-niveau warmte leveren is geen aanpassing in de woning nodig. Isoleren helpt wel om de warmtevraag te verminderen en zo energie te besparen. • Middentemperatuur (MT): tussen 55°C en 75°C. Om een woning met MT-warmte te verwarmen is voor veel woningen eerst isolatie nodig naar het MT-niveau, ongeveer label C. De temperatuur van warm tapwater moet minimaal 55°C of 60°C zijn, om te voorkomen dat legionella kan groeien. MT-warmtetechnieken voldoen over het algemeen aan deze minimumeis. • Lage temperatuur (LT): tussen 30°C en 55°C. Om een woning met LT-warmte te verwarmen is verregaande isolatie nodig naar het LT-niveau, ongeveer label B. Ook is het aan te raden een lagetemperatuurafgiftesysteem te plaatsen, zoals LT-radiatoren of vloerverwarming. De temperatuur van warm tapwater moet minimaal 55°C of 60°C zijn, om te voorkomen dat legionella kan groeien. Een boiler of boosterwarmtepomp is nodig om het warm tapwater tot deze temperatuur te verwarmen. • Zeer lage temperatuur (ZLT): tussen 10 en 30°C. Om een woning met ZLT-warmte te verwarmen moet een woning zeer goed geïsoleerd zijn, schillabel A.
Ook is een lagetemperatuurafgiftesysteem, zoals LT-radiatoren of vloerverwarming, nodig. De temperatuur van warm tapwater moet minimaal 55°C of 60°C zijn, om te voorkomen dat legionella kan groeien. Een boiler of boosterwarmtepomp is nodig om het warm tapwater tot deze temperatuur te verwarmen. Isolatie leidt in alle gevallen tot energiebesparing. Bij verregaande isolatie kan de ventilatie- en koudevraag van een woning wel toenemen (zie tekstkader koudevraag en koeling).
Een woningequivalent (afkorting: weq) is een eenheid om woningen en andere panden met elkaar te kunnen vergelijken. Een weq staat gelijk aan één woning of 130 m2 gebruiksoppervlak van utiliteitsbouw (bijvoorbeeld winkels, scholen en kantoren
18
De verschillende aardgasvrije warmtetechnieken zijn grofweg te verdelen in drie categorieën:
All-electric technieken De verwarming van het gebouw gebeurt met een elektrische warmtepomp voorzien van een buffervat. De luchtwarmtepomp en de bodemwarmtepomp zijn de bekendste typen warmtepomp. De warmtebron is in dit geval warmte uit de lucht of de bodem, waarvan de temperatuur met behulp van elektriciteit wordt verhoogd. De duurzaamheid van de bron van de elektriciteit is bepalend voor de duurzaamheid van de warmtepomp. Voor deze manier van verwarmen is verregaande woningisolatie nodig. Ook moeten de radiatoren worden vervangen door een lagetemperatuur(LT)-afgiftesysteem, zoals vloerverwarming of LT-radiatoren. Afhankelijk van de warmte- en koudevraag kan in sommige gebouwen warmte-koudeopslag (wko) in combinatie met warmtepompen worden ingezet. Dit is vooral relevant voor bedrijven en andere utiliteitsgebouwen met voldoende koudevraag.
Collectief warmtenet Gebouwen worden verwarmd met een warmtenet dat wordt gevoed door lokale of regionale warmtebronnen. We onderscheiden warmtenetten op basis van de vier eerdergenoemde temperatuurniveaus; HT-, MT-, LT- en ZLT-warmte. (Z)LT-warmtenetten vereisen, net als de elektrische warmtepomp, verregaande woningisolatie en een LT-afgiftesysteem. Voorbeelden van LT-warmtebronnen zijn aquathermie (warmte uit water) of restwarmte (bijvoorbeeld van datacenters). MT-warmtenetten kunnen gevoed worden door bijvoorbeeld industriële restwarmte of geothermie. Ook kunnen warmtebronnen met een lagere temperatuur worden gebruikt. De temperatuur hiervan is echter te laag om direct warmtapwater te maken en ook voor ruimteverwarming zijn aanpassingen nodig. Daarom kan de warmte collectief (voor een groep gebouwen) of individueel in de woning naar een hogere temperatuur worden gebracht met een elektrische warmtepomp.
De bronnen die HT-warmte leveren zijn over het algemeen fossiele energiebronnen, zoals aardgascentrales of industriële restwarmte. Ook biomassacentrales kunnen HT-warmte leveren. HT-warmtebronnen zijn dus niet altijd CO2-neutraal. Alleen wanneer de warmte anders niet benut zou worden, is er sprake van zuivere restwarmte. Deze wordt soms wel gezien als CO2-neutraal. De duurzaamheid van de energiedrager, het water in een HT-warmtenet, is dus afhankelijk van de duurzaamheid van de warmtebronnen. Daarnaast is het warmteverlies in de leidingen bij een HT-net hoger dan bij de warmtenetten met een lagere temperatuur. Overigens hoeft een HT-net niet het hele jaar door HT-warmte te leveren, het temperatuurniveau kan ook seizoensafhankelijk zijn. De meeste warmtebronnen produceren een constante hoeveelheid warmte, terwijl de vraag naar warmte in de winterperiode een sterke piek heeft. Daarom is het belangrijk dat er een ondersteunende bron aanwezig is, die kan bijspringen tijdens piekvraag of die tijdens het uitvallen van de hoofdbron kan instaan voor de hoofdbron. Momenteel wordt voor de winterpiek meestal een aardgasgestookte piekketel ingezet. In de toekomst kunnen deze ketels met een hernieuwbaar gas worden gestookt. Een duurzaam alternatief is een piekvoorziening met warmteopslag (ECW, n.d.).
Hernieuwbaar gas Verwarmen met hernieuwbaar gas (groengas of waterstof ) kan met een hybride warmtepomp of een hr-ketel. Het aardgasnet blijft hierbij in gebruik. Bij het gebruik van hernieuwbaar gas zijn beperkt aanpassingen nodig aan het gasnet of aan de hr-ketel. De technieken die gebruikmaken van hernieuwbaar gas verwarmen op het HT-niveau. Aanpassingen aan de woning zijn dus niet nodig. De hernieuwbare gassen waterstof en groengas zijn voorlopig (in ieder geval tot 2030) niet beschikbaar voor het verduurzamen van gebouwen. Ook na 2030 zijn deze gassen voor de gebouwde omgeving waarschijnlijk alleen een logische optie als andere warmtetechnieken niet toepasbaar of erg duur zijn (MinBZK, 2021).
19
Koudevraag en koeling Naast een warmtevraag hebben gebouwen in toenemende mate een koudevraag. Dit komt doordat de gemiddelde buitentemperatuur stijgt door klimaatverandering. Een andere reden waarom de koudevraag toeneemt, is dat woningen een steeds beter isolatieniveau hebben. Dat geldt zowel voor nieuwbouwwoningen als voor bestaande woningen die extra isolatie hebben aangebracht. Woningen met een hoog isolatieniveau kunnen in bepaalde gevallen de warmte zo goed vasthouden, dat ze op warme dagen hun warmte niet goed kwijt kunnen en de binnentemperatuur hoog blijft (RVO, 2018). Aan de andere kant kan isolatie de noodzaak om te koelen ook verlagen, bijvoorbeeld doordat goed geïsoleerde zolders minder opwarmen. Momenteel gaat de meeste aandacht uit naar het beperken van de warmtevraag in de winter, niet zozeer naar de koudevraag in de zomer (RVO, 2018). Ook werken de meeste koudesystemen niet op (aard)gas, waardoor de koudevoorziening niet bijdraagt aan de huidige gasvraag. Het is nog niet duidelijk welke maatregelen woningeigenaren zullen kiezen om in de groeiende koudevraag te voorzien. In de utiliteitsbouw is koeling momenteel al meer gangbaar dan bij woningen, met name in bepaalde typen utiliteitsgebouwen, zoals zorginstellingen, winkels en kantoren (PBL, 2020). Er zijn verschillende manieren om aan de koudevraag te voldoen.
Buurten of gebouwen met een substantiële koudevraag naast een warmtevraag zijn geschikt voor toepassing van warmte-koudeopslag (wko) systemen, als de ondergrond daarvoor geschikt is. Hiervoor kan ook aquathermie in combinatie met een wko-systeem een interessante oplossing zijn, omdat zo’n systeem zowel warmte als koude kan leveren. Ook kunnen warmtepompen in beperkte mate voor koeling worden ingezet (PBL, 2020). Wanneer luchtwarmtepompen koelen, stoten deze (net zoals airco’s) warme lucht uit, wat bijdraagt aan hittestress in de stad (het zogenoemde hitte-eilandeffect). Bomen, planten en ander groen in de stad hebben een koelende werking en gaan het stedelijke hitte-eilandeffect tegen. Daarnaast kunnen bomen dienen als zonwering, waardoor de binnentemperatuur en daarmee de koudevraag beperkt blijft. De gemeente Delft is geen voorstander van de inzet van warmtepompen voor de koeling, vanwege het hitte-eilandeffect dat ze versterken. Bij nieuwbouw is dit opgenomen in lokaal beleid. Voor de bestaande bouw zijn airco’s wel toegestaan, hoewel er strenge geluidseisen zijn.
3.5
Voorkeurstechnieken per buurt
Voor verschillende buurten kunnen verschillende warmtetechnieken geschikt zijn. Bijvoorbeeld: in buurten waar de afstand tussen de gebouwen groot is, is het aanleggen van een warmtenet erg kostbaar. In andere buurten ligt een elektrische warmtepomp misschien weer minder voor de hand, bijvoorbeeld wanneer er nog veel moet gebeuren om te isoleren naar het vereiste isolatieniveau. Om voor alle buurten in Delft tot een voorkeurswarmtetechniek te komen, heeft CE Delft berekeningen gedaan met het CEGOIA-model. Dat model berekent op buurtniveau welke warmtetechniek de laagste nationale kosten heeft.
Laagste nationale kosten In het Klimaatakkoord staat dat gemeenten in de warmtetransitie moeten letten op nationale kosten en de gemeente Delft sluit daarbij aan. Nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om in een buurt over te stappen op aardgasvrij verwarmen, ongeacht wie die kosten betaalt.
Nationale kosten zijn een combinatie van investeringen en jaarlijks terugkomende kosten, zoals energiekosten en onderhoudskosten. Door bij de keuze voor een aardgasvrije warmtetechniek te letten op nationale kosten, wil de rijksoverheid ervoor zorgen dat de warmtetransitie voor de maatschappij als geheel de laagste kosten heeft. De warmtetechniek met de laagste nationale kosten is niet vanzelfsprekend de warmtetechniek met de laagste kosten voor bewoners. Vanuit de gedachte dat alle kosten uiteindelijk worden doorberekend aan de inwoners van Nederland, kan het echter wel een logische keuze zijn te richten op de warmtetechniek met de laagste nationale kosten. In hoofdstuk 4 gaan we uitgebreid in op de eindgebruikerskosten (kosten voor bewoners).
Uitgangspunten berekening Het CEGOIA-model berekent de nationale kosten van verschillende aardgasvrije warmtetechnieken. Behalve laagste nationale kosten zijn ook andere aspecten belangrijk bij het benoemen 20
van kansrijke technieken, zoals ruimte in de ondergrond, ruimte in de woning en geluidsoverlast. In de berekening hebben we met de volgende aspecten rekening gehouden: • Ruimte in de ondergrond is ook een onderdeel van de warmtetransitie. Het aanleggen van een warmtenet of het verzwaren van het elektriciteitsnet heeft bijvoorbeeld invloed op andere kabels en leidingen die in de ondergrond liggen. Samenwerking tussen de gemeente en netbeheerders is van belang bij het uitvoeren van de warmtetransitie. Het al bestaande kabels- en leidingenoverleg is een goede plek om knelpunten in de ondergrondse infrastructuur te belichten en opwarming van drinkwaterleidingen te voorkomen. Als drinkwater opwarmt tot boven de 25º C, kan legionella groeien. Om dit te voorkomen, bestaat er regelgeving die zorgt dat warmtenetleidingen goed geïsoleerd zijn en voldoende afstand hebben van de waterleidingen. • In een aantal buurten (dit zijn voornamelijk oudere buurten, zoals in de binnenstad) is al bekend dat er niet voldoende ruimte in de ondergrond is voor een warmtenet. Een warmtenet is uitgesloten voor de volgende buurten: Centrum-Noord, Centrum-West, Centrum-Oost, Centrum, Stationsbuurt, Centrum-Zuidwest, In de Veste, Centrum- Zuidpoort, Zuidpoort, Westerkwartier, Agnetaparkbuurt, Marlot en Wippolder-Noord.
• In buurten waar vanaf 2020 veel nieuwe woningen gebouwd worden, zijn warmtetechnieken die gebruikmaken van duurzaam gas uitgesloten, omdat nieuwbouw geen gasaansluiting krijgt. Het gaat om de buurten waar tussen nu en 2050 meer nieuwe woningen worden gebouwd dan nu in de buurt staan. Het gaat om de buurten: Reinier de Graafbuurt, Juniusbuurt, Stationsbuurt, Pauwmolen, Bedrijventerrein Voorhof, Bedrijventerrein Schieweg Noord, Bedrijventerrein Schieweg Zuid, Bedrijventerrein Tanthof-Oost, Bedrijventerrein Technopolis en Bedrijventerrein Delftse Poort-West. • De buurten Hoornse Hof en Den Hoorn zijn vastgezet op een warmtenet; hier ligt namelijk al een warmtenet dat wordt gevoed door warmte uit de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Harnaschpolder. • Aannames over de beschikbaarheid van warmtebronnen hebben we gebaseerd op openbare data, maar we hebben ook lokale inzichten verkregen uit de projectgroep meegenomen in de modelberekeningen. Bijlage D geeft een overzicht van de beschikbaarheid van warmtebronnen in Delft, zoals meegenomen in het CEGOIA-model. Belangrijk is dat dit aannames zijn, we hebben dus geen toezeggingen van de warmte van verschillende partijen. 7
• In de modelberekeningen zijn we ervan uitgegaan dat in 2050 een beperkte hoeveelheid van de duurzame gassen waterstof en groengas (370 TJ) beschikbaar is voor het verduurzamen van de gebouwen in Delft. • We gaan ervan uit dat alle gebouwen in 2050 zijn geïsoleerd tot minimaal MT-niveau. Dat betekent dat ze een warmtevraag van maximaal 70 GJ/m2 hebben. Dit is ongeveer gelijk aan label C. • Met ruimte in de woning en geluidsoverlast hebben we in de modelberekening geen rekening gehouden, omdat deze niet per buurt te bepalen zijn, maar per woning verschillen. Bij de warmte-uitvoeringsplannen zullen we wel rekening houden met woningspecifieke kenmerken, zoals ruimte in de woning en geluidsoverlast. • Overige uitgangspunten staan in de achtergrondrapportage van het CEGOIA-model op de website: www.cegoia.nl. We hebben het CEGOIA-model verschillende scenario’s laten doorrekenen. De scenario’s hanteren andere uitgangspunten, deze hebben we toegelicht in de notitie Resultaten Fase 1.7 Hierdoor kunnen de uitkomsten verschillen. Als een buurt in verschillende scenario’s uitkomt op dezelfde warmtetechniek, is de warmtetechniek meer robuust.
De notitie Resultaten Fase 1 is gepubliceerd op de website van de gemeente Delft: https://www.delft.nl/milieu/energie/delft-aardgasvrij/Warmteplan.
21
Uitkomst warmtetechnieken Figuur 6 laat voor alle Delftse buurten zien welke warmtetechniek, bij bovenstaande uitgangspunten, de laagste nationale kosten heeft. Ook laat de figuur zien of de uitkomst meer of minder robuust is. Hierbij benadrukken we dat de warmteoplos-
sing voor een gehele buurt niet de meest logische oplossing hoeft te zijn voor alle gebouwen in een buurt. Zeker wanneer de bebouwing divers is, kan de techniek per type bebouwing verschillen.
Figuur 6 – Warmtetechniek met de laagste nationale kosten voor de buurten in Delft en de robuustheid van de warmtetechniek in verschillende toekomstbeelden
Gevoeligheid van de uitkomst Naast het CEGOIA-model zijn er ook andere rekenmodellen die de nationale kosten van warmtetechnieken bepalen. Dat is bijvoorbeeld de Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) of het Openingsbod van Stedin. In Fase 1 van het opstellen van het warmteplan hebben we de uitkomsten van het CEGOIA model getoetst met de Startanalyse en het Openingsbod. De uitkomsten van Fase 1 staan op de website: www.delft.nl/aardgasvrij.
Tabel 2 geeft voor alle dertien wijken in Delft weer welke warmtetechniek vanuit het oogpunt van de laagste nationale kosten de voorkeur heeft. De tabel geeft daarbij aan of er specifieke aandachtspunten zijn, of er buurten in de wijk zijn waarvoor een andere warmtetechniek een meer geschikte oplossing is en hoe zeker de uitkomst is.
22
Tabel 2 – Uitkomsten van de studie naar nationale kosten van aardgasvrije warmtetechnieken
Wijknaam
Uitkomst basisscenario CEGOIA
Opmerkingen
Binnenstad
Hybride warmte-
De resultaten van de Startanalyse laten warmtenetten voor de buurten zien. De gemeente
pomp op
Delft heeft aangegeven dat hier geen ruimte is in de ondergrond voor warmtenetten,
duurzaam gas
duurzame gastechnieken zijn hier een betere optie. De buurt Zuidpoort komt in alle CEGOIA-scenario’s uit op all-electric, hier zijn de woningen al goed geïsoleerd. In een deel van de buurt ligt al een warmtenet. De buurt Centrum Noord komt in het basisscenario uit op all-electric, maar in de scenario’s met kostenoptimale isolatie komt deze buurt wel uit op een duurzame gastechniek.
Vrijenban
Voornamelijk
De buurten die grenzen aan het centrum hebben een lage isolatiegraad. In het basisscena-
elektrische
rio komen de meeste buurten uit op all-electric, maar het kostenverschil met een warmte-
warmtepompen
net is erg klein. In de scenario’s met kostenoptimale isolatie komen een aantal buurten op een warmtenet uit.
Hof van Delft
Combinatie
De isolatiegraad in deze wijk is laag. De buurten in het zuiden van deze wijk komen met
warmtenet, een
een groot kostenverschil en in meerdere scenario’s op een warmtenet of een duurzame
duurzame gasoplos-
gastechniek uit. De buurten in het Noorden komen in het basisscenario uit op all-electric,
sing en elektrische
maar met een lage zekerheid. Ook verschilt de uitkomst voor deze buurten per scenario.
warmtepompen.
De gemeente Delft geeft aan dat in het Westerkwartier en de Agnetaparkbuurt geen ruimte in de ondergrond is voor een warmtenet. In het basisscenario komt het Westerkwartier op een duurzame gasoptie uit en de Agnetaparkbuurt op all-electric.
Voordijkshoorn
Voornamelijk
In alle scenario’s die met CEGOIA zijn doorgerekend en in de Startanalyse komt deze wijk
warmtenetten
voornamelijk uit op warmtenetten. De Hoornse Hof en Den Hoorn zijn nu al aangesloten op een MT-warmtenet. De Molenbuurt vormt en uitzondering, deze buurt komt met vrije grote zekerheid uit op all-electric (vanwege het hoge isolatieniveau). De Marlotbuurt komt ook uit op all-electric, maar het verschil in nationale kosten tussen een warmtenet en all-electric is hier klein.
Delftse Hout
Elektrische warmtepomp
Dit is een buitengebied met weinig woningen, typisch geschikt voor een individuele aanpak. Het verschil in nationale kosten met een warmtenet of gasoplossing is groot. De buurt bedrijventerrein Ypenburgse Poort is een uitzondering, deze buurt komt in alle scenario’s op een warmtenet uit. In tegenstelling tot de rest van de wijk is dit een dichtbebouwde buurt.
Voorhof
Voornamelijk
De Startanalyse geeft als uitkomst warmtenetten voor deze wijk en het Openingsbod geeft
warmtenetten
aan dat hier meerdere buurten met een hoge zekerheid op warmtenetten uitkomen. Uit CEGOIA komen ook warmtenetten voor deze wijk. De kostenafstand tot de andere technieken is groot. De Multatulibuurt komt in het basisscenario uit op all-electric, maar met een kleine zekerheid en niet in alle scenario’s. Een warmtenet is voor de Multatulibuurt ook een optie. De buurt bedrijventerrein Vulcanus heeft andere type gebouwen, hier ligt mogelijk een andere optie meer voor de hand. Poptahof-Noord en Poptahof-Zuid komen in het basisscenario uit op duurzaam gas, maar in Poptahof-Zuid ligt al een warmtenet. Dit is in het model nog niet vastgezet. Het verschil in nationale kosten is erg klein, daarom ligt een warmtenet hier ook voor de hand. In de verdere uitwerking wordt dit verder onderzocht.
23
Wijknaam
Uitkomst basisscenario CEGOIA
Opmerkingen
Buitenhof
Voornamelijk
De Startanalyse geeft als uitkomst warmtenetten voor deze wijk. Het Openingsbod geeft
warmtenetten
aan dat hier kansen zijn voor een warmtenet. Uit CEGOIA komen ook warmtenetten voor deze wijk. De kostenafstand tot de andere technieken is groot. De buurt Kerkpolder is dun bebouwd, hier ligt een all-electric individuele optie meer voor de hand. De Juniusbuurt en Pijperring komen uit op all-electric, maar de kostenafstand tot een warmtenet is erg klein. Een warmtenet is voor de deze buurten daarom ook een optie.
Wippolder
Combinatie van
In de buurt Wippolder Noord is geen ruimte in de ondergrond voor een warmtenet, hier
warmtenetten en
komt all-electric uit. Er is verregaande isolatie nodig om de woningen geschikt te maken
elektrische
voor all-electric. Een warmtenet in de buurten TU-Campus, TU-Noord en de Koningsveld-
warmtepompen
buurt ligt voor de hand, deze uitkomsten zijn robuust en de kostenafstand tot andere technieken is groot. In de scenario’s met kostenoptimale isolatie komt de Zeeheldenbuurt ook op een warmtenet uit. In het basisscenario komt de Professorenbuurt uit op een hybride warmtepomp op duurzaam gas, dit is echter geen robuuste uitkomst.