CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp BP Gele Scheikunde Toelichting Regels en bijlagen regels

Commissie Ruimte en Verkeer 23 november 2023, gemeente DelftBij agendapunt: College van B&W - ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde (nr. 2340549)36.547 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Door toepassing van de beleidsregels wordt de kans op hinder zoveel mogelijk beperkt. Deze zijn hieronder uitgewerkt per weg met de woningbouwaantallen uit het stedenbouwkundig plan.

Michiel de Ruyterweg Ten hoogste 59 dB voor hoogstens 135 woningen (bouwvlakken 4, 5 en 6); Ten hoogste 56 dB voor hoogstens 69 woningen (bouwvlak 3); Ten hoogste 55 dB voor hoogstens 44 woningen (bouwvlakken 1 en 2); Ten hoogste 52 dB voor hoogstens 46 woningen (bouwvlak 7). Bouwvlakken 1, 2 en 3 zijn gelegen langs het 30 km/uur gedeelte van deze weg. De geluidbelastingen zijn inclusief de invloed van bus- en trambanen.

Zuidplantsoen Ten hoogste 52 dB voor hoogstens 155 woningen (bouwvlakken 3 en 4); Jaffalaan Ten hoogste 52 dB voor hoogstens 46 woningen (bouwvlak 7); Ten hoogste 51 dB voor hoogstens 50 woningen (bouwvlakken 5 en 6)

48

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

Figuur 4.3: Bouwvlakken (rode lijnen) bij voorstel hogere waarden (bron: Akoestisch onderzoek Gele Scheikunde, 2023) Geluiduitstraling verkeersgeneratie van het plan Wat betreft het geluideffect van het verkeer van en naar het plangebied blijkt uit de resultaten dat de hoogste geluidtoename (ongeacht de ontsluitingsvariant) lager is dan 1,5 dB. De geluidsituatie voor zover het verkeer van en naar het plan betreft wordt aanvaardbaar geacht. 4.3.3

Akoestischonderzoek internationale school

Doel Het plan is gelegen nabij de ontwikkeling van de internationale school. Er zal naar verwachting vanwege de internationale school sprake zijn van een zekere geluidemissie. Om de ontwikkeling van Gele Scheikunde en school goed in te passen is door Antea Group (2023) een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 7. Het doel van onderhavig onderzoek is om de verwachte geluidbelasting van de te ontwikkelen internationale school in beeld te brengen op de omliggende geluidgevoelige objecten (inclusief plan Gele Scheikunde) en deze te toetsen aan de kaders uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarnaast is het doel om de verwachte geluidbelasting te duiden aan de hand van gangbare richt- en grenswaarden die volgen uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (1998). Resultaat Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Uit de resultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) hoogstens 49 dB(A) bedraagt (inclusief stemgeluid en laad- en losactiviteiten, hoewel formeel uitgesloten van toetsing). Dat is lager dan de grenswaarde van 50 dB(A) ingevolge het Activiteitenbesluit, maar hoger dan de streefwaarde van 45 dB(A) (in het kader van goede ruimtelijke ordening). Zonder het legen van de afvalcontainer maar inclusief stemgeluid bedraagt de geluidbelasting hoogstens 42 dB(A).

Dan wordt wel voldaan aan de streefwaarde van 45 dB(A). Maximaal geluidniveau Vanwege het stemgeluid treden maximale geluidniveaus op van hoogstens 61 dB(A). Vanwege het sluiten van de portieren van personenwagens bedraagt het maximaal geluidniveau hoogstens 70 dB(A).

49

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde Het maximaal geluidniveau bedraagt hoogstens 75 dB(A) als gevolg van het legen van de afvalcontainer. Formeel gezien wordt het laatstgenoemde in het kader van het Activiteitenbesluit uitgesloten van toetsing. Dan wordt voldaan aan de grenswaarde van 70 dB(A) ingevolge het Activiteitenbesluit. In het kader van goede ruimtelijke ordening dient de afvalcollectie wel te worden meegewogen. Het legen van de afvalcontainer zal hoogstens 1 keer per dag voorkomen. Het maximaal geluidniveau als gevolg van die activiteit bedraagt hoogstens 75 dB(A). Gezien de beperkte frequentie van deze activiteit, kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie ten aanzien van het maximaal geluidniveau. Het maximaal geluidniveau vanwege het dichtslaan van portieren is wel hoger dan de in stap 1 van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgenomen grenswaarde van 65 dB(A). Het sluiten van portieren doet zich echter niet frequent voor en vindt tevens plaats binnen beperkte tijdsintervallen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. De geluidbelasting (zowel het LAr,LT als het LAmax niveau) op overige bestaande geluidgevoelige objecten is lager dan de gestelde streef- en grenswaarden. 4.3.4

Conclusie

De geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer overschrijdt de voorkeursgrenswaarde. Door het toepassen van hogere waarden en de bijbehorende maatregelen is de ontwikkeling uitvoerbaar. Bij de verdere uitwerking dient rekening gehouden te worden met de aanvullende eisen uit het geluidbeleid. Hiervoor is een (ontwerp) hogere grenswaardebesluit Wgh genomen. Om dit te borgen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De geluidbelasting als gevolg van de ontwikkeling van de nabijgelegen internationale school overschrijdt de streefwaarde van 45 dB(A) wanneer het legen van de afvalcontainer wordt meegenomen naast het stemgeluid van de school. Gezien de beperkte frequentie van deze activiteit, kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Kader

De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden; Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10); Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit gevoelige bestemmingen. Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt.

50

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

Tabel 4.1: Grenswaarden uit de Wet milieubeheer voor NO2, PM10 en PM2,5.

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) maatgevend. Voor deze stoffen is de kans het grootst dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Overschrijding van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m³) is, in relatie tot wegverkeer, redelijkerwijs uitgesloten. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor langs wegen en uit metingen over een periode van 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is . Net als voor de jaargemiddelde concentratie PM10 is voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 ook een grenswaarde vastgesteld (25 µg/m³). PM2,5 is een deelverzameling van PM10 , de PM10- en PM2,5-concentraties zijn dan ook sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over emissies en concentraties van PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een plan/project niet in betekenende mate bijdraagt aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10.

Een plan/project draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht van zowel NO2 als PM10 niet meer bedraagt dan 3% van de grenswaarde voor die stoffen. Dit komt voor beide stoffen overeen met een maximale toename van de jaargemiddelde concentraties met 1,2 µg/m3. Plannen of projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, die onder het gelijknamige Besluit hangt, zijn categorieën van gevallen opgenomen die per definitie 'niet in betekenende mate' zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een woningbouwontwikkeling van minder dan 1.500 woningen of een kantoorontwikkeling van minder dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlak. Deze ontwikkelingen hoeven dan niet nader onderzocht te worden op een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit en hiervoor hoeft geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. 4.4.2

Onderzoek

Deze ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer op de wegen in de directe omgeving van het plangebied. NIBM-toets Met de NIBM-tool (versie 23 april 2022) is daarnaast de maximale toename van de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 berekend als gevolg van het extra verkeer door het toevoegen van woningen, maatschappelijke- en commerciële voorzieningen. De NIBM-tool gaat uit van de voor luchtkwaliteit meest ongunstige situatie en berekent daardoor het maximale effect. In onderstaande figuur is de berekening met de NIBM-tool opgenomen. In het kader van het verkeersonderzoek voor de onderhavige ontwikkeling is een nettoverkeersgeneratie van 549 motorvoertuigbewegingen per etmaal bepaald voor een weekdag. Voor de NIBM-berekening is uitgegaan van 1,2% vrachtverkeer. Tabel 4.2: NIBM-berekening.

51

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat de maximale bijdrage van het voorgenomen plan aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 minder is dan 1,2 µg/m3. Op basis hiervan is aannemelijk dat het voorgenomen plan niet in betekenende mate bijdraagt. Hierdoor kan een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit achterwege blijven en staat de luchtkwaliteit op grond van artikel 5.16, lid 1, onder c verdere besluitvorming niet in de weg. Beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (zowel PM10 als PM2,5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit de NSL Monitoringstool (monitoringsronde 2021). Met de Monitoringstool wordt de luchtkwaliteit jaarlijks in beeld gebracht langs de drukste wegen in Nederland, zowel voor het gepasseerde jaar als voor de toekomst. De Monitoringstool wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de generieke invoergegevens van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de verkeersgegevens voor de rijkswegen en de wegen in beheer van provincies en gemeenten.

De (maximale) concentraties ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling zijn in onderstaande tabel in beeld gebracht voor de meest kritische stoffen in Nederland: NO2, PM10 en PM2,5. Tabel 4.3: Jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in µg/m3 en toetsing aan de grenswaarden bij de dichtstbijzijnde rekenpunten Julianalaan (ID 114407, 114408, 114409, 114410, 114391, 114393, 114394, 237125 en 237126).

*Bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van meer dan 31,2 µg/m3 is sprake van meer dan 35 keer overschrijding van de grenswaarde voor de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 (50 µg/m3). Op basis van de resultaten uit de NSL Monitoringstool kan worden geconcludeerd dat de concentraties ruim onder de maatgevende grenswaarden voor deze stoffen liggen en naar de toekomst toe verder dalen. 4.4.3

Conclusie

De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen, het aspect 'luchtkwaliteit' vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

52

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

4.5

Externe Veiligheid

4.5.1

Kader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats onbeschermd aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: Lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): De afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

Figuur 4.7: Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport. Verantwoordingsplicht In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het

53

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals in onderstaand figuur weergegeven.

Figuur 4.8: Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. 4.5.2

Beschouwing risicobronnen

Deze paragraaf bevat een beschouwing van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Rijksweg A13 De Rijksweg A13 bevindt zich ongeveer 850 meter ten oosten van het plangebied. Over deze weg vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de weg (>4.000 meter op basis van stofcategorie LT3). Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin is aangegeven dat er op de A13 ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6-contour van 17 meter. Deze contour ligt ver buiten het plangebied. Het plaatsgebonden risico voldoet daarmee aan de grens- en richtwaarden. Plasbrandaandachtsgebied Voor de A13 geldt conform de Regeling basisnet een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Dit PAG reikt echter niet tot het plangebied. Het PAG is daarmee niet relevant voor het plangebied. Groepsrisico Het invloedsgebied van de weg bedraagt meer dan 4.000 meter conform de Handleiding risicoanalyse Transport (HART). Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de A13. Het berekenen van het groepsrisico is conform het Bevt en het HART niet nodig (plangebied bevindt zich op meer dan 200 meter afstand van de weg).

Aangezien het plangebied binnen het invloedsgebied van de weg is gelegen, is verantwoording van het groepsrisico conform het Bevt wel verplicht. Omdat het plangebied geheel buiten de 200 meter-zone van de weg is gelegen, is een zogenaamde beperkte verantwoording van het groepsrisico van toepassing (beschouwen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid). DSM Delft Permit B.V. De BRZO-inrichting DSM in Delft bevindt zich op circa 2,3 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied. Uit de QRA voor DSM (Antea Group, 2019) blijkt de PR 10-6/jaar-contour van DSM zich net buiten de eigen inrichtingsgrens te bevinden. De contour reikt daarmee niet tot het plangebied. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Het invloedsgebied van DSM bedraagt circa 1.500 meter. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van DSM. De ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op de hoogte van het groepsrisico van DSM en verantwoording van het groepsrisico conform het Bevi is daarmee niet van toepassing. Rijksweg A4

54

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

De Rijksweg A4 bevindt zich ongeveer 3.400 meter ten westen van het plangebied. Over deze weg vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van de weg (880 meter op basis van stofcategorie LT2) reikt niet tot het plangebied. De A4 is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot het plangebied. Overige risicobronnen Daarnaast liggen er in de wijdere omgeving rondom het plangebied de volgende risicobronnen die relevant zijn om te benoemen: N470 (lokaal transport gevaarlijke stoffen tussen A13 en A4). MPM Internationale Oil Company BV (Bevi). TU Delft - Logistiek en Milieu (Bevi). Reactorinstituut. Deze risicobronnen hebben geen invloed op de onderhavige ontwikkeling. 4.5.3

Verantwoording groepsrisico

Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is verplicht ten aanzien van de Rijksweg A13. Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevt en zijn tevens beschreven in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico en in algemene zin beschreven in hoofdstuk twee van deze handreiking. In dit hoofdstuk worden elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag (de gemeente Delft). Algemene beschouwing veiligheidssituatie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A13. De afstand tussen het plangebied en deze transportroute gevaarlijke stoffen (circa 850 meter) maakt dat alleen het toxisch scenario relevant is. In deze paragraaf wordt het scenario verduidelijkt. Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk.

Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Hoogte groepsrisico De hoogte van het groepsrisico van de weg is niet nader beschouwd (conform het Besluit externe veiligheid transportroutes), omdat de afstand tussen deze risicobron en het plangebied meer dan 200 meter bedraagt. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Voor het toxisch scenario is dat in principe schuilen. Gerichte risicocommunicatie met bewoners en andere aanwezigen in de omgeving (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van een gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven.

Op de website van de Veiligheidsregio Haaglanden staan onder 'Ken de risico's: Gevaarlijke stoffen' instructies wat iemand kan doen tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Mogelijkheden van zelfredzaamheid

55

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

Bij een calamiteit met toxische stoffen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus het algemene advies. In geval van een calamiteit met toxische stoffen is het van belang dat (ruimtes in) de geprojecteerde bebouwing bescherming biedt, nieuwbouwwoningen worden in ieder geval beschouwd als geschikte schuillocatie. Hoge gebouwen zijn moeilijker te ontvluchten dan lage. Het toestaan van hoogbouw heeft daarom een negatief effect op de zelfredzaamheid van personen. Een goede bewijzering van de vluchtroutes biedt hiervoor uitkomst. Voor vluchtroutes geldt dat: er voldoende vluchtwegen het gebied uit dienen te leiden. Bij een ramp kan een vluchtweg bijvoorbeeld zijn afgesloten door een toxische wolk; de vluchtwegen voldoende capaciteit dienen te hebben om enerzijds de volledige populatie uit het gebied te kunnen evacueren (ook als een vluchtweg is afgesloten) én om hulpverleningsdiensten het gebied in te laten komen; de oriëntatie van de vluchtwegen voor alle mogelijke scenario’s juist dient te zijn. Zo dient bij een dreigende BLEVE de vluchtroute direct het gebied uit te leiden, via de snelste route.

Voor het scenario toxische wolk is het echter van belang dat de vluchtwegen loodrecht op de meest voorkomende windrichting zijn georiënteerd. Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Beperkt zelfredzame groepen In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die de langdurige aanwezigheid van grote groepen beperkt zelfredzame personen (zoals ziekenhuizen, basisscholen of verzorgingstehuizen) mogelijk maken. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De mate waarin uitvoering aan aanvalsstrategie kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt door het bevoegd gezag (de gemeente Delft) in het kader van de ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Haaglanden. Toxisch scenario Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het ontwikkelscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. 4.5.4

Conclusie

Uit de analyse ten aanzien van het aspect externe veiligheid blijkt dat het invloedsgebied van de Rijksweg A13 reikt tot het plangebied. Er wordt voor deze transportroute voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. De hoogte van het groepsrisico behoeft niet nader beschouwd te worden (afstand tot transportroutes bedraagt meer dan 200 meter). Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A13 zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. Deze elementen kan het bevoegd gezag (de gemeente Delft) betrekken bij de besluitvorming in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

56

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

4.6

Kabels en leidingen

In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die planologisch beschermd dienen te worden. Met overige kabels en leidingen wordt rekening gehouden in de uitvoeringsfase. Het aspect 'kabels en leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.7

Lichthinder

Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat lichtgevoelige functies definieert. De bescherming gaat via de invulling van een goede ruimtelijke ordening. Bij hinder door licht zal het feit dat mogelijk mensen langdurig aanwezig zijn, bepalend zijn of een bestemming als gevoelig kan worden beschouwd. Ook kunnen weggebruikers die langsrijden hinder ondervinden van verlichting. Vaak worden de richtlijnen van NSVV (Nederlandse stichting voor verlichtingskunde) als basis gebruikt. De woonvlakken in het onderhavige bestemmingsplan kunnen als gevoelige bestemming worden gezien, net als de woonfuncties in de omgeving. Het bestemmingsplan maakt functies mogelijk die passen binnen een bestaand stedelijk gebied. Bij de uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de waarden opgenomen in de NSVV-richtlijnen. Hiermee wordt de kans op lichthinder zo laag mogelijk gehouden. Het aspect 'lichthinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.8

Wind

4.8.1

Kader

Er zijn geen formele landelijke eisen aan windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Echter, gemeenten kunnen wel richtlijnen opstellen ten aanzien van windhinder en windgevaar. Regelmatig wordt de NEN8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' gebruikt als uitgangspunt, waarbij overschrijdingskans van referentiesnelheden wordt gerelateerd aan een comfortklasse. De NEN8100 onderscheidt windhinder en windgevaar. Het inpassen van de nieuwbouw zal leiden tot een wijziging van het lokale windklimaat. Dit kan zorgen voor een situatie die als onprettig of gevaarlijk wordt ervaren. Daarnaast vragen de functies van de gebouwen en het verwachte gebruik van de openbare buitenruimte om een acceptabel comfortniveau ten aanzien van wind. Hoewel een windanalyse geen verplichting is, draagt het inzichtelijk maken van het windklimaat bij aan het onderzoeken van mogelijke knelpunten zodat deze kunnen worden aangepakt. Door middel van een windanalyse kunnen windhinder en windgevaar in kaart worden gebracht. Windhinder is een indicatie van hoeveel last een individu van wind zal ondervinden. Windgevaar dient te allen tijde voorkomen te worden op plaatsen waar mensen regelmatig komen. 4.8.2

Onderzoek

Door Actiflow is een windonderzoek opgesteld voor het project Gele Scheikunde (zie Bijlage 8). In dit rapport is het windklimaat van de openbare ruimte inzichtelijk gemaakt met behulp van berekeningen op basis van Computional Fluid Dynamics (CFD). In dit onderzoek is gebruik gemaakt van de normstelling omtrent windhinder en windgevaar, de Nederlandse norm NEN 8100:2006 ‘windhinder en windgevaar in de gebouwomgeving’. Het windonderzoek heeft de volgende resultaten laten zien: In het huidige model is vegetatie conform het VO inrichtingsplan meegenomen. Door de vegetatie wordt het windklimaat verbeterd. In het plangebied heerst een windluw klimaat, welke gekenmerkt wordt door windhinderklassen A en B (zie Figuur 4.4 voor windhinderklassen). Deze condities lenen zich uitstekend voor alle voetgangersactiviteiten (doorlopen, slenteren en langdurig zitten); Gevarieerde windcondities welke gekenmerkt worden door klasse C treden lokaal op in het plangebied ter plaatse van de zuidoostelijk georiënteerde gevel van blok A en E, in de doorgang

57

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde tussen blok B en C, en in de Michiel de Ruyterweg. Deze condities lenen zich uitsluitend nog voor de activiteiten doorlopen en slenteren; Windrijke condities welke gekenmerkt worden door klasse D treden op aan de zuidoostelijk georiënteerde gevel van blok B en ter plaatse van de doorgang tussen blok B en C. Deze condities lenen zich enkel nog voor de activiteit doorlopen. Indien gebouwentrees in bovengenoemde gevel zijn geplaatst dienen deze afgeschermd te worden van de optredende windrijke condities; In het plangebied geldt geen risico op windgevaar.

Figuur 4.9: Windhinder op voetgangersniveau. Bron: Actiflow (2023). 4.8.3

Conclusie

Over het algemeen heerst een windluw klimaat in het plangebied. Deze condities lenen zich goed voor alle voetgangersactiviteiten. Lokaal treden er windrijkere condities op. Dit geldt met name tussen de blokken B en C waar de windconditie zich enkel voor de activiteit 'doorlopen' verleent. Hier dient rekening mee gehouden te worden bij het plaatsen van ingangen. De vegetatie die een mitigerend effect heeft op het windklimaat wordt geborgd in de regels. Het aspect 'windhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.9

Flora en fauna

4.9.1

Kader

De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen). 4.9.2

Beschermde soorten

In het kader van onderhavige ontwikkeling is een Natuurtoets uitgevoerd door Antea Group (2020), het volledige rapport is meegenomen als Bijlage 9. Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in

58

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: Vleermuizen (bebouwing geschikt voor rust- en verblijfplaatsen); Algemene broedvogels (nestplaatsen aanwezig). In de onderstaande tabel is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Aangegeven is of er sprake is van een overtreding van de Wet Natuurbescherming en onder welke voorwaarden het plan uitvoerbaar is. Tabel 4.4: Uitkomsten Natuurtoets.

Algemeen voorkomende broedvogels Voor algemeen voorkomende broedvogels dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Vleermuizen In het kader van de herontwikkeling is een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd door E.C.O. Logisch (2021), het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 10. Binnen het plangebied zijn twee kraamverblijfplaatsen van één kraamkolonie van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. In het plangebied is een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen en twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Daarnaast zijn twee verblijfplaatsen vastgesteld die als zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis fungeren. In het plangebied zijn geen massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. In het plangebied zijn verschillende foeragerende en passerende individuen van de gewone dwergvleermuis waargenomen. Het foerageergebied van de gewone dwergvleermuis betreft geen essentieel foerageergebied, aangezien voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn. Er is een vliegroute van 42 individuen van de gewone dwergvleermuis aanwezig in het plangebied. De vastgestelde vliegroute is van essentieel belang voor de kraamkolonie van de gewone dwergvleermuis. In het plangebied is een passerend individu van de ruige dwergvleermuis waargenomen en enkele passerende individuen van de laatvlieger.

In de directe omgeving van het plangebied zijn foeragerende individuen van de laatvlieger en een passerend individu van de rosse vleermuis waargenomen. Gezien de aanwezigheid van vleermuizen is een ontheffing benodigd voor de werkzaamheden. Een activiteitenplan met ontheffingsaanvraag is opgesteld en is bijgevoegd in Bijlage 11. Het activiteitenplan omschrijft welke mitigerende en compenserende maatregelen getroffen worden, waaronder de realisatie van verblijven. Ter aanvulling op het plan worden na contact met het bevoegd gezag nog extra kasten opgehangen in de omgeving. Naar verwachting wordt de ontheffing verleend met het nemen van de mitigerende maatregelen, het zoveel mogelijk behouden van de bestaande bomen en het aanplanten van circa 145 nieuwe bomen. Flora

59

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

In het plangebied is op verschillende plaatsen een muurplantenvegetatie aanwezig. De aangetroffen soorten zijn onder de Wnb niet (meer) beschermd. Echter een goed ontwikkelde muurflora is bijzonder voor Nederland. Enkele soorten, zoals zwartsteel zijn zeldzaam voorkomend in Nederland. Deze groeiplaatsen bieden na verloop van tijd ook een potentieel geschikte biotoop voor soorten als de zeer zeldzaam voorkomende schubvaren. Vanwege de aangetroffen soorten is het advies om in het ontwerp rekening te houden met deze soorten. Daarnaast zijn er een aantal bijzondere bomen in het plangebied aanwezig. Bij het ontwerp worden bomen zoveel mogelijk ingepast op basis van de Boom Effect Analyse en het boombesparend plan. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. 4.9.3

Beschermde gebieden

NNN Voor wat betreft de NNN is bij directe aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er bevindt zich geen NNN binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van de NNN dan ook geen sprake. In de omgeving van het plangebied liggen wel NNN-gebieden. De gebieden bevatten moerasgebied en weidevogelgrasland. Deze gebieden zijn onder andere gevoelig voor versnippering, geluidsoverlast, verstoring etc. De geplande ontwikkeling in het plangebied heeft, door de afstand, geen significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen. Het NNN-beleid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Beschermde houtopstanden De bomen binnen het plangebied vallen binnen de bebouwde kom van de gemeente Delft. Dit betekent dat er geen sprake is van houtopstanden zoals omschreven onder de Wnb. De gemeente Delft is het bevoegd gezag voor wat betreft de kap van bomen. De gemeente Delft heeft een actuele bomenkaart waarop alle monumentale bomen staan aangegeven. In het plangebied staan geen bomen met een dergelijke status. Het beleid dat de gemeente Delft heeft omtrent bomenkap is te vinden op de website van de gemeente Delft. De bescherming van houtopstanden onder de Wnb vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. Natura 2000 Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' ligt op circa 10 kilometer afstand ten westen van het plangebied. Vanwege de afstand worden geen effecten verwacht van enige storingsfactor (zoals geluid, licht, trilling of verdroging) op habitattypen of habitatsoorten. Er is geen effect op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en daarom is er geen aanleiding om te verwachten dat er op Natura 2000-gebieden op grotere afstand nog effecten zullen optreden, behalve voor wat betreft het effect van vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Stikstofdepositie In het kader van de nieuwe ontwikkeling is door Antea Group (2022) een AERIUS-berekening uitgevoerd waarin gekeken is naar de stikstofdepositie als gevolg van het plan. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 12. Uit de berekening van de bouwfase en de gebruiksfase blijkt dat het voornemen niet leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden. Significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten.

60

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

4.9.4

Conclusie

In het plangebied zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Door middel van mitigerende en compenserende maatregelen is het plan uitvoerbaar. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een ontheffing aangevraagd. Verder wordt rekening gehouden met het broedseizoen van algemeen voorkomende vogels en wordt de zorgplicht in acht genomen. Er worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000- en NNN-gebieden. Het aspect 'flora en fauna' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.10

Bodem

4.10.1 Kader Op basis van historische informatie en in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken is voor het gehele grondgebied van Delft volgens het Besluit bodemkwaliteit een bodemkwaliteitskaart opgesteld. De bodemkwaliteitskaart maakt deel uit van de Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018. In de nota is berekend wat de gemiddelde bodemkwaliteit van de trajecten 0-0,5 m-maaiveld en 0,5-2,0 m-maaiveld in een bepaald gebied is. Ook is opgenomen wat de bodemfunctie is en welke toepassingseisen (dit is de kwaliteit van de toe te passen grond grond) gelden in geval van grondverzet. Volgens artikel 3.1.6., van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. 4.10.2 Bureauonderzoek In het kader van de onderhavige ontwikkeling is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd door Antea Group (2020). Het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 13. Uit het vooronderzoek blijkt dat er op de onderzoekslocatie al veel informatie bekend is over de uitgevoerde bodembedreigende activiteiten en de gevolgen hiervan voor de bodemkwaliteit.

Met uitzondering van het grasveld aan de zuidzijde, is het plangebied in 2019 nog uitvoerig onderzocht waarbij aandacht is besteed aan de voormalige activiteiten. Ter plaatse van het grasveld zijn geen ontwikkelingen en functiewijzigingen voorzien. Opgemerkt wordt dat in 2019 alleen aandacht is besteed aan de verdachte activiteiten en de hierbij behorende verdachte stoffen. In 2014 is wel een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd van het plangebied met uitzondering van het grasveld, maar dit onderzoek is verouderd (ouder dan 5 jaar). Daarnaast is het 'overige terrein' conform de strategie onverdacht onderzocht, terwijl er in de ophooglaag die op het hele terrein voorkomt lokaal ook sterk verhoogde gehalten aan zware metalen voorkomen. Derhalve is er voldoende inzicht in de bodemkwaliteit ter hoogte van de verdachte activiteiten, maar onvoldoende inzicht in de algehele bodemkwaliteit van de ophooglaag binnen het plangebied. PFAS Om grond te kunnen afvoeren, dient informatie bekend te zijn over het voorkomen van PFAS in de bodem. Derhalve wordt aanvullend onderzoek naar het voorkomen van PFAS conform de strategie VED-HO geadviseerd. Dit onderzoek kan gelijktijdig met het standaard verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Aangezien er geen bronlocaties voor PFAS bekend zijn, hoeft dit onderzoek naar niet voor vaststelling van het bestemmingsplan te worden uitgevoerd.

Het onderzoek dient samen met de aanvraag van de omgevingsvergunning ingediend te worden. Asbest De locatie is, met uitzondering van het grasveld aan de zuidzijde, in 2019 verkennend op asbest onderzocht. Aangezien er ter plaatse van het grasveld geen ontwikkelingen en functiewijziging zijn gepland, is verder asbestonderzoek niet noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd bij het verkennend bodemonderzoek aandacht te besteden aan het voorkomen van asbest, met name in de ondergrond langs de Prins Bernhardlaan vanwege het aantreffen van asbest bij het onderzoek in 2020.

61

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

NGE Uit de CE (conventionele explosieven) bodembelastingkaart van de Gemeente Delft blijkt dat het plangebied niet als verdacht wordt aangemerkt. Uit eerdere onderzoeken blijkt echter dat op de onderzoekslocatie de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede Wereldoorlog niet kan worden uitgesloten. De bovengrond (0,0-0,5 m -mv.) van de onderzoekslocatie is naoorlogs geroerd wat betekent dat de kans op de aanwezigheid van NGE minimaal is. Echter wanneer dieper graven noodzakelijk is, kan de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven niet worden uitgesloten. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de werkzaamheden met de gemeente af te stemmen of er aanvullend onderzoek benodigd is. Vervolgonderzoek De milieuhygiënische bodemkwaliteit is voor de bestemmingswijziging voldoende inzichtelijk gemaakt. Uit onderzoeken blijkt dat de benodigde bodemkwaliteit in overeenstemming gebracht kan worden met de beoogde functies. Voor de verlening van de bouwvergunning zal nog wel vastgesteld moeten worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de stedelijke ophooglaag geen onaanvaardbare risico’s voor de toekomstige functies oplevert. Eventueel aanvullend dient sanering plaats te vinden ten einde de milieuhygiënische bodemkwaliteit geschikt te maken.

De stedelijke ophooglaag dient onderzocht te worden middels een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 onderzoeksstrategie VED-HE-NL (incl. PFAS). 4.10.3 Nader bodemonderzoek In het kader van de onderhavige ontwikkeling is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd door Antea Group (2022). Het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 14. Uit dit onderzoek blijkt dat er met name aan de oostkant van het plangebied sterk verhoogde gehalten aan zware metalen voorkomen in de zandige ophooglaag. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Verder zijn er nog sterke verontreinigingen met PAK en lood aangetoond binnen het plangebied. Deze zijn aanvullend onderzocht en blijken een beperkte omvang te hebben. Daarnaast is de voormalige locatie van een zuurput van de faculteit organische scheikunde ontdekt. Ter plaatse zijn in de grond sterk verhoogde gehalten aan minerale olie, PCB, VOCl en vluchtige aromaten gemeten. Tevens zijn er verhoogde gehalten aan H2S (waterstofsulfide) gemeten in het veld. In het grondwater zijn sterk verhoogde gehalten aan benzeen en vinylchloride gemeten. In horizontale richting heeft de verontreiniging zich niet ver verspreid. De verspreiding in verticale richting is niet volledig in beeld. Op basis van de verontreinigde laagdikte en omvang is er wel sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Bij een andere voormalige zuurput, waar afgewerkte olie van een werkplaats en chemicaliën van de fotografische dienst zijn geloosd, was reeds een sterke verontreiniging met benzeen en xylenen vastgesteld in het grondwater. Ter actualisatie is hier nog een boring in de kern verricht waarbij chemische geuren, olie-waterreacties en verhoogde PID-waarden zijn gemeten/waargenomen. Analytisch blijkt dat de grond tevens sterk verontreinigd is met minerale olie, aromaten en VOCl. Uit de TerrAttesT blijkt dat er ook stoffen buiten het standaardpakket voorkomen zoals een sterk verhoogd gehalte aan monochloorbenzeen en een matig verhoogd gehalte aan monochloorfenol. In horizontale richting heeft de verontreiniging zich nauwelijks verspreid. Omdat de verticale verspreiding onvoldoende in beeld is, kan echter niet worden gesteld of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De vooraf opgestelde hypothese 'verdachte locatie' door de gemeten verontreinigingen aanvaard. Aanbevelingen Het terrein is in de huidige staat niet geschikt voor de beoogde functie. Voor werkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging is een melding in het kader van de Wet bodembescherming noodzakelijk. Door de diverse aangetoonde verontreinigingen wordt geadviseerd de saneringsaanpak uit te werken in een raamsaneringsplan.

Hierin kunnen de saneringsdoelstellingen worden uitgewerkt en kan tevens worden uitgewerkt hoe men omgaat met eventuele onverwachte omstandigheden. Dit plan 62

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde dient ter goedkeuring te worden voorgelegd bij het bevoegd gezag. De werkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging dienen uitgevoerd te worden door een BRL 7000 gecertificeerde aannemer, onder milieukundige begeleiding (BRL 6000). Conform de CROW-publicatie 400 zijn voor de voorgenomen werkzaamheden veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. Deze veiligheidsmaatregelen dienen verder te worden uitgewerkt in een Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G-plan), waarbij de gementen waarden aan H2S een aandachtspunt vormen. Geadviseerd wordt om bij de werkzaamheden stofspecifieke metingen uit te voeren en indien noodzakelijk adembescherming te gebruiken. De verticale verspreiding van de verontreinigingen ter plaatse van de zuurputten is onvoldoende in beeld om de omvang van de verontreiniging te kunnen bepalen. Met name VOCl’s kunnen zich naar de diepte hebben verspreid. In het kader van de Wet bodembescherming is waarschijnlijk nader onderzoek noodzakelijk om dit in beeld te brengen. Geadviseerd wordt in overleg met het bevoegd gezag te bepalen in hoeverre aanvullend onderzoek hiernaar zinvol is in het kader van de geplande herontwikkeling. Een raamsaneringsplan, V&G-plan en een nader bodemonderzoek worden in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen opgesteld.

Financiële uitvoerbaarheid De aangetroffen verontreinigingen vragen om een sanering. De initiatiefnemer heeft hier rekening mee gehouden in de grondexploitatie, hiermee vormen de verontreinigingen geen belemmering voor de financiële uitvoerbaarheid van de herontwikkeling. 4.10.4 Conclusie Door middel van het opstellen van een raamsaneringsplan, een V&G-plan en het uitvoeren van een nader onderzoek om de verticale verspreiding van de verontreinigingen ter plaatse van de zuurputten in beeld te brengen vormt het aspect 'bodem' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.11

Archeologie

4.11.1 Kader Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Delft het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Hiervoor hanteert Archeologie Delft sinds 2012 een archeologische beleidskaart voor de gehele gemeente. Deze kaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Op de beleidskaart worden de verschillende archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeente gekoppeld aan vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van een gedifferentieerd vrijstellingenbeleid wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. 4.11.2 Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Antea Group (2020) een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 15, hieronder worden de conclusies en aanbevelingen besproken.

Het plangebied is onderzoeksplichtig conform het beleid van de gemeente Delft doordat het landschappelijk gezien in een dynamisch gebied ligt, dat door de tijd heen afwisselend onder mariene en fluviatiele invloeden heeft gestaan, en daardoor niet altijd even geschikt is geweest voor bewoning. Voor het plangebied geldt een archeologische verwachting voor resten uit de Romeinse tijd, late middeleeuwen en nieuwe tijd. In de directe omgeving van het plangebied is nog relatief weinig onderzoek gedaan, waardoor een specifieke verwachting moeilijk op te stellen is. Wel bevindt de locatie zich vlakbij

63

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde de historische binnenstad van Delft, en is de kans daarom groot dat er in de late middeleeuwen en nieuwe tijd menselijke activiteit heeft plaatsgevonden. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de nieuwbouw in het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische lagen te bepalen. Dit onderzoek hoeft alleen plaats te vinden op de nog onbebouwde delen van het gebied, omdat de bebouwde delen door onderkeldering al grotendeels verstoord zijn tot voorbij het archeologische niveau. Met dit booronderzoek kan een gefundeerd advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied en de noodzakelijke archeologische onderzoeken die daarvoor moeten worden uitgevoerd. Voor de sloop van de bestaande bebouwing wordt geadviseerd geen aanvullend archeologisch onderzoek, omdat eventuele archeologische resten reeds door de kelders verstoord zullen zijn. Nader onderzoek Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is door Antea Group (2021) een inventariserend veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in Bijlage 16. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek.

Het plangebied ligt landschappelijk gezien in een dynamisch gebied, dat door de tijd heen afwisselend onder mariene en fluviatiele invloeden heeft gestaan, en daardoor niet altijd even geschikt is geweest voor bewoning. Voor het plangebied geldt een archeologische verwachting voor resten uit de Romeinse tijd, late middeleeuwen en nieuwe tijd. In de directe omgeving van het plangebied is nog relatief weinig onderzoek gedaan, waardoor een specifieke verwachting moeilijk op te stellen is. Wel bevindt de locatie zich vlakbij de historische binnenstad van Delft, en is de kans daarom groot dat er in de late middeleeuwen en nieuwe tijd menselijke activiteit heeft plaatsgevonden. Op basis van het bureauonderzoek is rekening gehouden met een verstoord en/of opgehoogd bodemprofiel en de aanwezigheid van diverse getij-afzettingen. Ook is rekening gehouden met de aanwezigheid van een woudlaag en de Gantel-afzettingen. Daarnaast werd rekening gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten uit de Romeinse tijd en de (late) middeleeuwen / nieuwe tijd. Het veldonderzoek heeft de aanwezigheid van een verstoord / opgebracht bodemprofiel en de aanwezigheid van diverse getij-afzettingen bevestigd. Nergens werd een woudlaag aangetroffen en archeologische resten zijn ook niet aangetroffen. Het bovenstaande advies is beoordeeld door het bevoegd gezag.

Hieruit volgt dat nader archeologisch onderzoek niet nodig is en na aanpassing van de rapportage de dubbelbestemming kan komen te vervallen. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.

64

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

Figuur 4.10: Plangebied met ligging boorpunten (bron: inventariserend veldonderzoek) 4.11.3 Conclusie Het plangebied is vrijgegeven door het bevoegd gezag, daarom wordt er geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Het aspect 'archeologie' vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.12

Cultuurhistorische waarden

4.12.1 Kader en uitgangspunten Cultuurhistorische waarden zijn beschermd onder de Erfgoedwet. Dit betreft onder meer monumentale panden, maar ook landschappelijke waarden. Het niveau van bescherming verschilt per soort erfgoed, zo komen in Delft zowel rijks- als gemeentelijk beschermde gebouwde monumenten voor. Landschappelijke waarden heeft de gemeente niet specifiek beschermd. De provincie Zuid-Holland heeft een cultuurhistorische hoofdstructuur waarin waardevolle gebieden, ensembles en elementen zijn weergegeven. Voor deze Cultuurhistorische hoofdstructuur streeft de provincie naar behoud en herkenbaarheid. Bij de voorgenomen herontwikkeling blijft een deel van de bestaande bebouwing behouden. Het oude faculteitsgebouw aan de Julianalaan wordt getransformeerd naar woningen met in het centrale deel commerciële en maatschappelijke voorzieningen. Daarnaast blijven de dienstwoningen behouden en de poort die onderdeel is van Kramerslaboratorium. De uitgangspunten zijn in detail beschreven en gevisualiseerd in paragraaf 2.2.2. 4.12.2 Aanwezige waarden Beschermingsregimes Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook bevinden zich geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten in het plangebied. Aan de Prins Bernhardlaan zijn wel monumentale bomen gelegen.

Verder bevinden zich enkele cultuurhistorisch waardevolle gebouwen in het plangebied: Julianalaan 136 (Gele Scheikunde gebouw), 138-140 (de portierswoningen) en Prins Bernhardlaan 6 (Proeffabrieken). Op

65

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde deze structuren ligt in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie. Cultuurhistorischonderzoek SteenhuisMeurs heeft voor Gele Scheikunde Complex en Kramerslaboratium de cultuurhistorische waarde van het terrein en de gebouwen onderzocht. Het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 17. Schakel in de stad Daarnaast benadrukt het onderzoek dat het terrein een schakel vormt tussen de binnenstad en de TU-wijk (noord-zuid) en tussen de woonwijk het de TU-complexen langs de Julianalaan. Het terrein ligt ingebed tussen een woonwijk met kleinschalige volumes (panden met een pandsgewijze opbouw, een bouwhoogte van twee á drie verdiepingen en een kleine korrel) en grote onderwijsinstellingen bestaande uit grotere en langgerekte volumes met een hogere bouwhoogte dan de omliggende bebouwing. De gebouwen van Gele Scheikunde en de Proeffabrieken verhouden zich door hun schaal en hoogte tot beide schaalniveaus en vormen en overgang tussen beide werelden. Waardevolle gebouwen Hierin zijn de voorste en middelste vleugel van het Gele Scheikunde gebouw, de portierswoningen en de proeffabrieken benoemd als gebouw met een hoge cultuurhistorische waarde. Het deel van de proeffabrieken aan de Prins Bernhardlaan ligt buiten het plangebied van het onderhavige bestemmingsplan.

De achterste vleugel van het Gele Scheikunde gebouw heeft een positieve cultuurhistorische waarde. De toevoegingen tussen het Gele Scheikunde gebouw en de proeffabrieken hebben een indefferente waarde. Paviljoenstructuur en groene kraag Het complex is georganiseerd in een paviljoenstructuur. Deze structuur zorgt voor een nauwe relatie tussen binnen en buitenruimte, in de vorm van (dichte en halfopen) hoven. Het onderzoek wijst ook op het belang van de groenstructuren in de huidige situatie. De groene kraag rondom de gebouwen aan de straatzijden zorgt voor een duidelijke markering van het terrein en tevens voor een logische aansluiting met de woonwijk en de TU waar de gebouwen ook op diezelfde wijze zijn ingebed. Rond het Gele Scheikunde gebouw is momenteel een groene en parkachtige setting.

66

ontwerp bestemmingsplan Gele Scheikunde

Figuur 4.11: De aanwezige cultuurhistorische waarden in het plangebied. Bron: Cultuurhistorisch onderzoek Gele Scheikunde en Kramerslaboratorium. 4.12.3 Effecten en afweging Het cultuurhistorisch onderzoek geeft aan dat het behoud van cultuurhistorische waarden richting kan geven bij de planvorming, dit wordt ook gevraagd vanuit de aanwezige dubbelbestemming in het vigerende bestemmingsplan. Volgens de uitgangspunten voor de planuitwerking voor Gele Scheikunde Is uiteindelijke keuze tussen behoud en transformatie, aanpassing of zelfs sloop is afhankelijk van een bredere, integrale afweging tussen diverse factoren, zoals financiële haalbaarheid, duurzaamheid, bruikbaarheid en stedenbouwkundige kwaliteit. Hieronder wordt beschreven hoe cultuurhistorische waarden zijn ingepast in het stedenbouwkundig plan. Aansluiting op de omliggende wijken De bouwenvelop volgt een oplopende bouwhoogte vanaf de Julianalaan en Prins Bernhardlaan, waar aansluiting gezocht wordt met de Zeeheldenbuurt. De hoogte is zo gekozen dat het huidige profiel van de Julianalaan niet visueel wordt aangetast. Aan de Michiel de Ruyterweg biedt de locatie kansen om het gebied te ‘markeren’ met een hoogte accent, aansluiting zoekend bij de toren van de faculteit Bouwkunde in het Rode Scheikunde gebouw.

De nieuwbouw dient aan te sluiten op de laboratoriumtoren van het Kramerslab die behouden blijft en net buiten het plangebied is gelegen. Gele Scheikunde gebouw Het sobere en ritmische karakter van de huidige entree aan de Julianalaan, met zijn kenmerkende geelkleurige baksteengevel en horizontale verdeling, vormt in essentie het gezicht van het huidige gebied. Deze voorkant bevat fraaie, goed herindeelbare ruimtes met een grote ruimtelijke kwaliteit en is van grote waarde voor de herbestemming van het plan. Deze entree zal echter niet de entree vormen na transformatie. De groene binnentuin met parkachtige setting gelegen aan de auditoriumzaal typeert in essentie de paviljoenstructuur van de Hartmanopzet, waar een nauwe relatie werd gezocht tussen binnen- en buitenruimte. Door de binnentuin te openen, wordt deze plek een groen hart voor het gehele plan waar de karakteristieke charme van het binnenhof voor verbinding tussen bestaande en nieuwe bebouwing vormt. De hoofdentree van het huidige Gele Scheikunde, gelegen aan de Julianalaan, biedt toegang tot de bestaande auditoriumzaal en het aangrenzende gebiedshart. Deze schakeling kan een rol spelen in de verdere koppeling van de te behouden bestaande bebouwing en nieuwe ontwikkelingen in het gebied.

Aangrenzend aan de voormalige collegezaal ligt de groene binnentuin, gelegen tussen het grand-café en de toekomstige groene as zal deze buitenruimte een sleutelrol vervullen in het verbinden van de bestaande bebouwing en de nieuwe ontwikkelingen daaromheen. De entree, collegezaal en het plein zijn belangrijke ingrediënten voor de totstandkoming van een authentieke woonwijk, waar het karakter van het bestaande op een respectvolle manier wordt vervlochten met de nieuwe toevoegingen. Daar waar de binnentuin, en de daar omheen gelegen gangstructuur, de oorspronkelijk laboratoria, lesruimte en practicumlokalen met elkaar verbonden, zullen deze in de nieuwe situatie verbinding en stuctuur aanbrengen in het publiek gebied. De oude structuur wordt doorgezet en als een verbindend element worden in de openbare ruimte. De voormalige binnentuin zal door deze ingreep een meer openbaar plein worden en de schakel tussen de verschillende functies. Poort- en dienstwoningen Ten zuiden van het gebied, aan de rand van de groene kaag, vormt de entreepoort de oorspronkelijke ingang tot het gebied vanuit de Prins Bernhardlaan. Door het behouden van dit karakteristieke element blijft het gebied goed toegankelijk en draagt het middels zijn bijzondere architectonische waarde toe aan het unieke karakter van het gebied. Ook de dienstwoningen in het park blijven behouden.

Groene kraag De gebouwen worden door een omvangrijke, groene kraag omkaderd, wat leidt tot een landschappelijk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13284320/1