CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid

Commissie Ruimte en Verkeer 1 september 2022, gemeente DelftBij agendapunt: College van B&W - Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (nr. 2227376)17.072 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

24

Kamerstukken II 2021/2022, 30196, nr.787

26 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Selectieve woningtoewijzing We herzien de Huisvestingswet 201425 om ervoor te zorgen dat woningen ten goede kunnen komen aan mensen met een economische, maatschappelijke of lokale binding, die in de wijk zelf willen blijven wonen. Gemeenten kunnen al 50% van de beschikbare huurwoningen toewijzen op basis van de economische of maatschappelijke binding. Binnen die 50% mag maximaal 25% worden toegewezen aan mensen met een lokale binding. Met de wetswijziging mogen gemeenten binnen deze 50% zelf bepalen hoe zij deze ruimte verdelen tussen mensen met een economische, maatschappelijke of een lokale binding. Ze mogen dus ook de gehele 50% toewijzen aan eigen inwoners. Daarnaast mogen gemeenten ook sociale koopwoningen (woningen tot de NHG-grens van €355.000) gaan toewijzen op deze grond. Dit moet vervolgens landen in de gemeentelijke of regionale huisvestingsverordeningen. Ook wordt het mogelijk gemaakt om op grond van de leefbaarheid regels op het gebied van woonruimtevoorraadbeheer te introduceren.

Tekort aan leerkrachten Amsterdam-Zuidoost De overspannen woningmarkt in Amsterdam is een van de oorzaken van het lerarentekort in Amsterdam. De hardste klappen vallen in Zuidoost en Nieuw-West, waar het tekort 3 keer zo groot is als elders in de stad. Het krijgen van goed onderwijs en voldoende aandacht van (vaste) leerkrachten is essentieel voor kinderen om zich goed te kunnen ontwikkelen. Alliantiepartners woningcorporatie Rochdale en stichting Zonova (20 basisscholen in Zuidoost) zoeken naar mogelijkheden om leraren die willen werken op een basisschool in Zuidoost een woning aan te bieden. De herziening van de huisvestingswet 2014 zal hiervoor ook meer ruimte gaan bieden. Hiermee dragen zij concreet bij aan het verbeteren van de kansen van kinderen in Zuidoost.

De Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek maakt het voor gemeenten mogelijk om selectieve woningtoewijzing toe te passen in bepaalde aangewezen wooncomplexen, straten en postcodegebieden, waar de leefbaarheid en veiligheid onder druk staat. Waar op grond van de Huisvestingswet 2014 regels kunnen worden gesteld inzake woonruimteverdeling in het geval van schaarste op de woningmarkt, kunnen gemeenten op grond van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek onder meer eisen stellen aan de aard van het inkomen. Ook kan voorrang worden verleend op grond van bepaalde sociaaleconomische kenmerken, bijvoorbeeld aan woningzoekenden met werk in de zorg, het onderwijs of bij de politie. Hiervoor geldt geen maximum percentage. Verder kan een huisvestingsvergunning worden geweigerd bij een verleden van overlastgevend of crimineel gedrag.

Acties • We herzien de Huisvestingswet 2014 om te zorgen dat woningen ten goede kunnen komen aan mensen met een economische, maatschappelijke of lokale binding, die in de wijk zelf willen blijven wonen. • Naar aanleiding van de landelijke evaluatie van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek26 komen we met voorstellen om de uitvoering van de wet te verbeteren en de effectiviteit te vergroten. • We verkennen met de focusgebieden waar de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek nog niet wordt toegepast, de noodzaak en geschiktheid van selectieve woningtoewijzing (artikel 8, 9 en/of 10).

25

De Huisvestingswet 2014 maakt het voor gemeenten mogelijk om regels te stellen op het gebied van woonruimteverdeling (‘wie krijgt voorrang op welke woning?’) en woonruimtevoorraadbeheer (‘wat mag je doen met een woning?’).

26

Kamerstukken II, 2020, 33 340, nr. 24

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 27

28 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Fotografie: Riesjard Schropp

4.3 Actielijn 3 | We zorgen ervoor dat meer bewoners kunnen meedoen in de samenleving Om ervoor te zorgen dat meer mensen in kwetsbare gebieden het structureel beter krijgen, zijn niet alleen investeringen in de fysieke leefomgeving nodig, maar ook investeringen in een kansrijke start, goede (voor)scholen, loopbaanoriëntatie, armoedebestrijding, schuldenvermindering, integratie en samenleven, toeleiding naar werk, aanpak meervoudige problematiek, weerbare burgers en in een veilige en gezonde leefomgeving. De fysieke inzet moet daarbij hand in hand gaan met de sociale, én plaatsvinden bovenop en binnen het generieke pakket voor onderwijs, arbeidsmarkt, schulden en armoede en gezondheid. Het vasthouden en aantrekken van middeninkomens in de wijk kan eveneens bijdragen aan meer differentiatie van de leerlingenpopulatie: meer gemengde scholen. Wie opgroeit in een kansarme buurt heeft aanzienlijk minder kansen in het onderwijs en op een goed inkomen. Het Verwey-Jonker Instituut noemt vijf niveaus die bepalend zijn voor kansengelijkheid in het onderwijs: leerling, familie, school, wijk en samenleving.

De factoren om kansengelijkheid aan te pakken variëren van het persoonlijke zelfvertrouwen en ambitie, de kwaliteit van leraren, taal- en rekenvaardigheden, de sociale veiligheid in de wijk, en segregatie.27 Zo zorgt stress door bijvoorbeeld armoede en slechte huisvesting voor concentratieproblemen, onderpresteren, grotere vatbaarheid voor de ‘verleidingen van de straat’ en sociale problemen op school.28 Een afgeronde (praktische of theoretische) opleiding leidt tot een betere positie op de arbeidsmarkt en daarmee tot een stabieler en gemiddeld hoger inkomen. Om kinderen het maximale uit hun schoolcarrière te kunnen laten halen, moeten de condities zowel thuis, in de omgeving als op school echter voldoende zijn. De inzet is gericht op het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs, maar ziet ook toe op de fase vóórdat het kind naar school gaat. Kinderen leren immers ook voordat ze naar school gaan.

Acties • Het kabinet start in overleg met de stedelijke focusgebieden nieuwe aanpakken, waarbij ambities uit het Coalitieakkoord integraal worden opgepakt, zoals de aanpak van armoede en schulden, het programma School en Omgeving, Tel mee met taal, het Nationaal Preventie Akkoord en Kansrijke Start. • In overleg met gemeenten wordt nagegaan wat gezinnen nodig hebben om de stapeling van problematiek in de stedelijke focusgebieden te doorbreken, dan wel te voorkomen. • De opgedane kennis en ervaringen in de stedelijke focusgebieden benutten we om de problematiek elders in Nederland ook aan te pakken.

Breed pakket kwaliteitsverbetering onderwijs Vanuit OCW wordt ingezet op een breed pakket aan maatregelen om onderwijsachterstanden te verkleinen en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) biedt scholen extra middelen om tot en met schooljaar 2024-2025 corona-gerelateerde leervertragingen in te halen.

27

GKA-voortgangsrapportage+2020.

28

De Beleidsonderzoekers (2021),“Kansrijk armoedebeleid voor kinderen. Portretten van kinderen en knelpunten en kansen voor een integraal beleid”. Zie ook Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de eerste rapportage van de periodieke peiling van de ambities kinderarmoede.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 29

Daarnaast wil dit kabinet dat het onderwijs verbetert en dat de ambities omhoog gaan. Scholen hebben echter te maken met forse lerarentekorten, vooral op plekken met een grote populatie kwetsbare kinderen. Dit is een belangrijk aandachtspunt bij de aanpak om de onderwijskwaliteit te verhogen. Het kabinet investeert hierin €1 miljard.

Acties • Het kabinet zet in op een structurele versterking van scholen met veel leerachterstanden, goede leraren en schoolleiders, en het verlagen van de werkdruk. • Het ministerie van OCW werkt aan een masterplan basisvaardigheden, zodat ieder kind goed leert lezen, schrijven en rekenen: de basis moet op orde. Hierbij is ook aandacht voor burgerschap en digitale geletterdheid: deze vaardigheden zijn nodig om je te kunnen redden in de maatschappij. We beginnen bij de scholen en waar de nood het hoogst is, en breiden onze inzet komende jaren uit naar alle scholen.

Kansrijke start en taalvaardigheden De afgelopen jaren zijn positieve ervaringen opgedaan met het programma Kansrijke start van het ministerie van VWS. Ouders in een kwetsbare situatie worden ondersteund gedurende de eerste 1000 dagen van hun kinderen. Deze eerste 1000 dagen, die al beginnen voor en tijdens de zwangerschap zijn cruciaal voor gezondheid, welzijn en latere ontwikkeling van een kind. Ook om te voorkomen dat een kind al met achterstand aan (voor)school begint. Daarbij is ook het vergroten van de taalvaardigheid een belangrijke factor. Voor- en vroegschoolse educatie wordt aangeboden aan peuters en kleuters met een risico op een achterstand.

Acties • Het programma Kansrijke Start wordt in ieder stedelijk focusgebied ingezet. • Het kabinet zet in op het stimuleren van de deelname aan en het versterken van de kwaliteit van de voor- en vroegschoolse educatie.

Het programma School en Omgeving Het creëren van goede condities om te kunnen leren vraagt om versterking van condities in de ‘driehoek’ thuis-school-omgeving. In veel kwetsbare gebieden zijn schooldagen al verrijkt of bestaat de behoefte dit te starten of uit te breiden. Juist voor kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen is het van belang dat zij via het verrijken van de school en omgeving hun talenten kunnen ontwikkelen. Het is aan lokale coalities (scholen, gemeente, en maatschappelijke organisaties zoals de kinderopvang, sport- en cultuurorganisaties) om een breed aanbod aan activiteiten en ondersteuning vorm te geven dat aansluit bij de behoeften van kinderen zoals sport en beweging, cultuur en huiswerkbegeleiding. De school heeft een belangrijke rol in de vormgeving van die verrijkte schooldag. School is een vertrouwde plek om leerlingen én ouders te bereiken, hun behoeften te signaleren en hen te stimuleren. De programma-organisatie van het stedelijk focusgebied kan de school hierbij ondersteunen door de regie op een samenhangende inzet tussen school – thuis – omgeving te voeren en partijen, beleid en middelen bij elkaar te brengen.

30 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Acties • Het kabinet stimuleert en ondersteunt het verrijken van school en omgeving, te beginnen in wijken en op scholen waar de nood het hoogst is. Hierbij wordt gekeken naar de aanwezigheid van armoedeproblematiek op wijkniveau (relatieve welvaart CBS) en het risico op aanwezigheid van onderwijsachterstanden op schoolniveau (CBS). Dit sluit aan op de problematiek in de stedelijke focusgebieden. • In het schooljaar 2022-2023 wordt gestart met 45 lokale coalities (samenwerking tussen school, gemeente, en maatschappelijke organisaties) met een bestaand aanbod van een verrijkte schooldag (voorlopers). Daarbij gaat het om het uitbreiden van het huidige aanbod van lokale initiatieven, gericht op een stimulerende en ondersteunende omgeving, aansluitend op het reguliere lesrooster. Voorbeelden zijn begeleiding bij huiswerk, steun bij de sociale en mentale ontwikkeling, sport en cultuur en loopbaanoriëntatie. Daarnaast zullen een aantal startende gebieden worden ondersteund bij de coalitievorming en het ontwikkelen van een passend aanbod. • Met het oog op het belang van continuïteit en effectiviteit van de aanpak, is het de intentie deze inzet te continueren, ook na deze kabinetsperiode. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de scholen in de stedelijke focusgebieden.

Mens- en gebiedsgericht maatwerk in Rotterdam-Zuid In het Nationaal Programma Rotterdam Zuid worden mensgerichte interventies op gebiedsgerichte wijze toegepast. Zo zijn er, voor een structurele aanpak van onderwijs-achterstanden, zogenaamde Children’s Zones aangewezen. Dit zijn gebieden rondom de basisscholen in de zeven focuswijken. Vanuit het uitgangspunt dat prestaties op school niet alleen worden bepaald door de kwaliteit van de schoolomgeving, maar ook door wat er in het gezin en in de wijk speelt, werken NPRZ-partners samen om de omstandigheden te verbeteren waarin kinderen opgroeien. Een van de belangrijkste maatregelen is dat leerlingen op alle basisscholen in de zeven focuswijken tien uur per week extra les krijgen; met als uiteindelijke doel om de schoolresultaten op het niveau van de G4 te brengen. In de zogenoemde AanDeBakgaranties komen de NPRZ-doelen vanuit de pijler school en de pijler werk samen. De garantie houdt in dat jongeren al bij aanvang van een opleiding zeker zijn van werk. Na het behalen van een diploma in de zorg, de techniek en de haven kunnen zij direct aan de slag. Mede dankzij de AanDeBakgaranties kiest jaarlijks de helft van de jongeren die naar het vmbo gaan, voor een opleiding met arbeidsmarktperspectief in deze drie sectoren.

De baangaranties worden afgegeven door brancheorganisaties en grote lokale werkgevers, maar de jongeren zelf zitten nergens aan vast. Het mes snijdt aan twee kanten. voor de jeugd op Zuid zijn de garanties een krachtig signaal dat ze gewild zijn op de arbeidsmarkt; voor werkgevers is het een manier om goed opgeleid personeel aan zich te binden. Bron: Verwey-Jonker, 2021, bewerking BZK/VRO

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 31

We zorgen dat mensen meedoen in de samenleving Werk is de sleutel tot een inkomen, maatschappelijke participatie, samenleven en integratie. Daarom zet het kabinet zich in voor bestaanszekerheid, armoedebestrijding, kansengelijkheid en begeleiding naar werk in de stedelijke focusgebieden, zeker voor huishoudens met gestapelde problematiek in de kwetsbare wijken. Juist nu is het van groot belang dat mensen worden aangemoedigd mee te doen, om mensen met schulden perspectief te bieden en voor mensen om aan het werk te komen en te blijven. En juist nu zijn er volop kansen, omdat werkgevers veel vacatures hebben. Naast de inzet op armoede, participatie en werk is ook inzet op samenleven en integratie belangrijk. De samenleving is divers en deze verscheidenheid zal de komende jaren verder toenemen. Deelnemen aan de samenleving vraagt daarin om inzet op integratie en op inclusief samenleven. Het kabinet zet hierop in onder andere vanuit het onlangs hernieuwde inburgeringsstelsel, het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt en de inzet op sociale stabiliteit. Gezien de samenstelling van deze wijken zal de landelijke inzet expliciet effect hebben op deze wijken.

Acties • Het Kabinet intensiveert de aanpak van geldzorgen, armoede en schulden. Voor de zomer komt de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen met een ambitieuze aanpak waarin zij zal uitwerken welke activiteiten mogelijk zijn in de stedelijke focusgebieden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om pilots om de informele sociale omgeving en buurt actief te betrekken bij het bespreekbaar maken en oplossen van geldzorgen, armoede en schulden van medebewoners. • Bij de totstandkoming van het huidige verdeelmodel van het Gemeentefonds is aandacht besteed aan het sociaal domein. Het verdeelmodel bevat parameters met betrekking tot onder meer bijstand, uitkeringsgerechtigden, onderwijsachterstand, migratieachtergrond en centrumfunctie. Er zal komend jaar een onderzoek worden uitgezet met betrekking tot de maatstaf centrumfunctie. Hierover wordt de TK vóór de zomer nader geïnformeerd. • Het Kabinet wil mogelijk maken dat er meer onderzoek wordt gedaan naar andere werkwijzen in de Participatiewet door meer te kunnen experimenteren met de Participatiewet (grondslag verbreden), bijvoorbeeld op het gebied van inkomensondersteuning en re-integratie. Randvoorwaarde blijft wel dat er in een experiment goed methodologisch onderzoek gedaan wordt. • Het Kabinet zet naast de meer generieke inzet op samenleven en integratie specifiek in op kwetsbare wijken.

Bijvoorbeeld via de Agenda Veerkracht en Weerbaarheid, waarbij de inzet is dat zoveel mogelijk partijen zich inspannen om gezamenlijk te werken aan het versterken van de veerkracht van personen en groepen in kwetsbare omstandigheden. Ook gaat het om het faciliteren van de inzet van instrumenten op het gebied van schulden, multiproblematiek en toeleiding naar werk, waarbij nadrukkelijk gemeenten uit deze wijkenaanpak worden betrokken. Cultuursensitiviteit in de aanpak is hierbij van belang.

Bovengrondse Vakschool Heerlen-Noord Bedrijven staan te springen om vakmensen en deze vraag zal de komende jaren alleen maar verder toenemen. In het stedelijk focusgebied Heerlen-Noord leeft een grote groep mensen van een bijstandsuitkering. De in 2021 opgerichte Bovengrondse Vakschool biedt ambachtsopleidingen aan en brengt deelnemers in contact met werkgevers. Het is een plek voor iedereen die een vak wil leren, werk zoekt of werk biedt. Het gaat om het structureel en duurzaam laten uitstromen van mensen vanuit o.a. de bijstand naar werk, waarbij hun bestaanszekerheid toeneemt. De werkgevers committeren zich aan een duurzame uitstroom uit de vakschool. Op deze manier kunnen bedrijven blijven ondernemen en voorzien werknemers in hun eigen levensonderhoud en dat van hun gezin. De focus op Heerlen noord betekent dat het aandeel bijstandsgerechtigden daarmee ook meer in evenwicht wordt gebracht met de rest van de gemeente en de verschillen met andere wijken afnemen.

32 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

We verbeteren de gezondheid van mensen Gezondheid is één van de meest wezenlijke onderdelen van het dagelijks leven. De gezondheidssituatie in de meeste stedelijke focusgebieden blijft achter ten opzichte van andere wijken in de stad. Cijfers wijzen uit dat inwoners van bijvoorbeeld Heerlen-Noord gemiddeld zes jaar eerder overlijden dan inwoners van Heerlen-Zuid. Ook krijgen zij vaker en eerder te maken met lichamelijke gebreken. De zorgkosten zijn er bijna een kwart hoger dan gemiddeld. Deze verschillen zijn op zichzelf al onwenselijk, maar deze gezondheidsachterstand beperkt op zijn beurt ook de arbeidsparticipatie. Dit programma draagt bij aan het streven, zoals verwoord in het Coalitieakkoord, om bewoners in kwetsbare gebieden en jongeren gezonder en zelfredzamer te maken. Onderwijs en werk leveren een directe bijdrage op aan het terugdringen van gezondheidsachterstanden. Maar andersom draagt een betere gezondheid ook bij aan betere leerprestaties en vergroot dit de kansen op de arbeidsmarkt.

Acties • Door betere samenwerking tussen huisartsen, scholen en uitkeringsinstanties kunnen meer mensen worden bewogen gezonder te gaan leven en meer te participeren in de samenleving. • Met het doel om gezondheidsachterstanden aan te pakken wordt nagegaan of het programma Gezond in de Stad (GIDS) kan worden verbonden aan de inzet in de stedelijke focusgebieden. • De lokale aanpak op mentale gezondheid, gezonde leefstijl, sport en bewegen wordt versterkt. • Er wordt interdepartementaal samengewerkt aan een gezonde en groene leefomgeving. De samenwerking wordt gezocht op de focusgebieden en op de thema’s mobiliteit (bewegen) en omgevingskwaliteit. • Betaalbare huisvesting en perspectief voor jongeren die uit detentie, jeugdzorg en maatschappelijke opvang komen of dakloos zijn (in verbinding met focusgebieden).

Brede Welvaart In Regio Deals werken regionale partijen en Rijk samen als partners om de kwaliteit van leven, wonen en werken en leefomgeving van inwoners -de brede welvaart- te vergroten. De kracht van de regio wordt daarbij nadrukkelijk benut. Regionale overheden, kennis- en culturele instituten, ondernemers en maatschappelijke organisaties maken samen een integrale aanpak die past bij de opgave en het DNA van het gebied. Vervolgens werken de regio en het Rijk het voorstel gezamenlijk uit tot een Regio Deal. De komende jaren is €900 miljoen beschikbaar om nieuwe Regio Deals af te sluiten. Een aantal van de stedelijke focusgebieden ligt in een regio waar ook de brede welvaart onder druk staat.

Actie • De minister van BZK informeert de Tweede Kamer voor de zomer van 2022 over de vierde tranche.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 33

34 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

4.4 Actielijn 4 | We investeren in de preventie van jeugdcriminaliteit en vergroten de weerbaarheid van jongeren We voorkomen dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen in aanraking komen met criminaliteit of daarin verder doorgroeien Het Kabinet wil kinderen, jongeren, jongvolwassenen en hun gezinnen in kwetsbare wijken perspectief en handvatten bieden zodat criminaliteit geen optie is en niet (opnieuw) grip op hen krijgt. De jeugdcriminaliteit daalt, maar tegelijkertijd is de verleiding voor kwetsbare jongeren in risicowijken om snel geld te verdienen groot en raken meer jongeren betrokken bij zware vormen van criminaliteit. We investeren dan ook fors in criminaliteitspreventie. Met een kleine €60 miljoen in 2022, oplopend naar €143 miljoen vanaf 2025, zetten we voor het eerst substantieel en structureel in op preventie van jeugdcriminaliteit, zoals georganiseerde en ondermijnende criminaliteit, vermogens- en geweldsdelicten. De basis voor deze aanpak is het Coalitieakkoord. Het Kabinet wil voorkomen dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie de criminaliteit in gaan, daar steeds verder in verstrikt raken en uitgroeien tot verharde criminelen. Dit geeft het Kabinet vorm door in te zetten op een brede, domeinoverstijgende wijkaanpak ter bevordering van de leefbaarheid en veiligheid en door versterking van de justitiële functie in de wijk.

Hiervoor is vanaf 2025 structureel €61 miljoen per jaar beschikbaar voor de preventie van jeugdcriminaliteit vanuit het Coalitieakkoord. Daarnaast was reeds met Prinsjesdag 2021 €82 miljoen vrijgemaakt om te voorkomen dat jongeren afglijden of doorgroeien in de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Beide doelstellingen en geldstromen komen samen in één aanpak preventie (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit, waarin JenV, BZK, VRO, OCW, VWS en SZW samenwerken. We zetten de middelen gericht in, in wijken waar de problematiek het hevigst is. Zodat we met onze investeringen écht het verschil kunnen maken en het tij kunnen keren. Tegelijkertijd hebben we oog voor de breedte van de problematiek en is er in de aanpak ruimte om op meer plekken in Nederland flexibel in te grijpen. De aanpak bestaat uit drie pijlers, waarbij we op drie fases van preventie inzetten, voorkomen dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen in aanraking komen met of verleid worden door het criminele circuit; voorkomen dat zij illegale activiteiten uitvoeren of een misdaad plegen; voorkomen dat zij doorgroeien in de criminaliteit of opnieuw een misdaad plegen.

Een domeinoverstijgende en gebiedsgerichte preventieve aanpak jeugdcriminaliteit Een geselecteerd aantal gemeenten, waaronder de eerste 15 gemeenten die in de vorige kabinetsperiode al deel uitmaakten van het programma leefbaarheid en veiligheid aangevuld met andere gemeenten met jeugdcriminaliteitsproblematiek, krijgt de mogelijkheid om in hun meest kwetsbare wijken een domeinoverstijgende en gebiedsgerichte aanpak neer te zetten. Die bestaat uit het bieden van kansen aan jongeren (en indien in beeld: hun broertjes of zusjes) die kwetsbaar zijn om in de criminaliteit te geraken, maatregelen in de sociale, fysieke en online leefomgeving van de jongeren en het versterken van de justitiële partners in de wijk, zodat crimineel gedrag gecorrigeerd wordt. Een aanvullende brede flexibele aanpak In deze aanpak worden gemeenten of wijken met een specifieke problematiek gericht ondersteund, bijvoorbeeld door de inzet van bewezen effectieve interventies. Hierbij kan inzet op de fases van preventie verschillen en zijn verschillende combinaties mogelijk.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 35

Versterking jeugdstrafrechtketen Hierbij wordt specifiek ingezet op de derde fase van preventie, namelijk het voorkomen dat doorgroei plaatsvindt en het voorkomen van recidive. We investeren met circa €10 miljoen structureel in de versterking van de jeugdstrafrechtketen, door de samenwerking in de jeugdstrafrechtketen te versterken en met de (door) ontwikkeling van straffen en maatregelen voor risicogroepen, zoals doorgroeiers en verharde jonge criminelen. Een nadere uitwerking van deze aanpak is te vinden in de Kamerbrief Brede preventieaanpak (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit van de minister van Justitie en Veiligheid en de minister voor Rechtsbescherming.

We zetten in op vergroting van de veiligheids(beleving) in focusgebieden De (beleving van) veiligheid in de buurt en wijk is een belangrijke factor waar het gaat om de integrale aanpak in focusgebieden. Naast de focus op het voorkomen van instroom in de criminaliteit is ook het generieke veiligheidsbeleid in die focusgebieden van belang. Daarom wordt in de aanpak extra ingezet door de politie, het Openbaar Ministerie (OM), Rechtspraak, Raad voor de Kinderbescherming, de Reclassering, Stichting Halt, Zorg- en Veiligheidshuizen tot en met de leraren op scholen, het jongerenwerk, jeugdzorg, lokale ondernemers en werkgevers.

Acties • Voor de preventieve aanpak van jeugdcriminaliteit heeft het Kabinet onder de noemer ‘Preventie met gezag’ structureel €82 miljoen ter beschikking gesteld en €61 miljoen voor de preventie en aanpak van jeugdcriminaliteit. Voor de toedeling van (een deel van) de middelen wordt door de minister van JenV en de minister voor Rb in afstemming met het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid een start gemaakt in een aantal geprioriteerde gemeenten, waar 16 stedelijke focusgebieden deel van uitmaken. Het door gemeenten hiervoor op te stellen projectplan ‘Preventie met gezag’ maakt daardoor deels onderdeel uit van lokale uitvoeringsplannen voor de gebiedsgerichte aanpak in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Later dit jaar volgen meer gemeenten. De selectie van deze extra gemeenten29 wordt gemaakt op basis van wetenschappelijke rapporten en monitors, zoals de monitor Jeugdcriminaliteit van het WODC, de Veiligheidsmonitor en de Leefbaarometer. • Daarnaast zetten we ook in andere gemeenten waar de nood hoog is effectief bewezen interventies in. Samen met gemeenten, scholen, sociale en justitiële partners zetten we daar in waar de risico’s voor jeugdcriminaliteit meer aanwezig zijn dan elders en daarmee de problematiek groot is of waar juist preventief ingrijpen toename van de problematiek kan voorkomen.

• In het Coalitieakkoord is het uitgangspunt opgenomen dat afgepakt geld of afgepakte zaken, zoals die van personen die (de herkomst van) bezit van kostbare zaken niet (fiscaal) kunnen verklaren, zoveel mogelijk een publieke bestemming krijgen, met name in de wijken die het meest lijden onder criminaliteit. Voor de invulling van dit uitgangspunt wordt zo veel als mogelijk aangesloten bij de lokale allianties die in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid zijn of worden opgezet.

29

In aanvulling op de stedelijke focusgebieden.

36 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

• Via het dashboard ‘Zicht op Ondermijning’ worden de risicofactoren voor ondermijnende criminaliteit in een gebied inzichtelijk gemaakt. Tevens is in Zicht op Ondermijning –op basis van beschikbare data van o.a. politie, FIU, Kadaster en Belastingdienst- een aantal formats ontwikkeld. Op basis van data met betrekking tot jeugd en criminaliteit is bijvoorbeeld het risico voor het afglijden van jeugd in (ondermijnende) criminaliteit in een gebied zichtbaar te maken. Het gaat hier niet om analyses op individueel niveau, maar om analyse van microdata die patronen in gebieden zichtbaar kan maken, zodat een gebiedsgerichte focus kan worden aangebracht in de aanpak van ondermijnende criminaliteit. • Aanvullend op de acties van het ministerie van JenV en BZK voert het ministerie van SZW een programma uit om ondermijnende criminaliteit preventief tegen te gaan vanuit sociaaleconomische hoek. Het ministerie van SZW onderzoekt de uitbreiding van twee lopende projecten in de stedelijke focusgebieden. Daarnaast verkent SZW de start van drie pilots in de stedelijke focusgebieden: (1) het versterken van de veerkracht van jongeren, (2) bewustwording van ondermijning vergroten in gesloten gemeenschappen, (3) het versterken van de rol van professionals in het sociaal domein.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 37

38 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Fotografie: Rob Acket

5 Sturing Om de doelen van dit programma te realiseren, continueren of starten we een partnerschap met 19 gemeenten. De uitvoering op lokaal niveau vindt plaats in publiek-private allianties met een aanpak die zich kenmerkt door samenwerking met stakeholders in het stedelijk focusgebied, voor en met bewoners. Het Rijk stelt zich hierbij op als partner. Binnen het Kabinet neemt de minister voor VRO de coördinatie van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid op zich. De minister voor VRO spreekt met gemeenten af dat er gemeentelijke uitvoeringsplannen tot stand komen, ziet erop toe dat er een alliantieoverleg wordt georganiseerd, is aanspreekbaar op knelpunten in regelgeving die duurzame oplossingen in de weg staan en zorgt, in overleg met zijn collega’s in het Kabinet, daar waar mogelijk voor doorbraken en bevordert een goede kennisinfrastructuur. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de acties op het terrein van de volkshuisvesting. De ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Justitie en Veiligheid, en voor Primair en Voortgezet Onderwijs, voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn mede-eigenaar van het programma.

Dit houdt in dat zij de verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van de acties op hun eigen beleidsterrein, zoals die zijn genoemd in hoofdstuk 3 bij de actielijnen. Ook zal een rijksvertegenwoordiger van OCW, VWS, JenV, SZW of BZK deel uitmaken van het alliantieoverleg in gemeenten. Het programma spitst zich toe op de plaatsen waar de urgentie het grootst is. Daarom is een principiële keuze gemaakt om focus aan te brengen en te starten in een select aantal gebieden waar problemen zich opstapelen. In lijn met de 4 actielijnen kan in deze gebieden met voorrang worden geïnvesteerd. De kennis en kunde die in de uitvoeringspraktijk van de stedelijke focusgebieden worden ontwikkeld, zullen van daaruit onder andere via het leernetwerk WijkWijzer worden gedeeld en verbreed naar andere gemeenten. Als Rijk sturen we op de drie centrale doelstellingen. Gemeenten, maatschappelijke organisaties, ondernemers en bewoners vullen dit vervolgens verder in op lokaal niveau. Voor de aanpak van de actielijnen maken we bindende afspraken met de 19 gemeenten. Ook de inzet van het Rijk maakt deel uit van deze afspraken. Tevens wordt voor wat betreft actielijn 2 de aansluiting gezocht bij de, in het kader van het Programma woningbouw op te stellen, bestuurlijke akkoorden en de prestatieafspraken die met de corporatiesector worden gemaakt.

Voor de goede orde: de daadwerkelijke uitvoering van de interventies gebeurt in de gebieden, door samenwerking van gemeenten met de lokale stakeholders die in het stedelijk focusgebied werkzaam zijn.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 39

5.1 Stedelijke focusgebieden De toenemende druk op de leefbaarheid en veiligheid in sommige gebieden in Nederlandse steden was voor het vorige Kabinet aanleiding om in samenwerking met gemeenten en departementen een gebiedsgerichte aanpak van leefbaarheid en veiligheid te verkennen.30 In dat kader is allereerst aandacht besteed aan 16 stedelijke focusgebieden, waaronder Rotterdam-Zuid. Twaalf van deze stedelijke focusgebieden zijn in 2020 door de woondealregio's zelf aangedragen vanwege hun toenemende zorgen over de leefbaarheid- en veiligheidsontwikkeling. Bij de voorbereiding van het sluiten van de zes woondeals werden, naast maatwerkafspraken over de aanpak van het woningtekort, ook afspraken gemaakt over verkenning van nut, noodzaak en mogelijkheden van een interbestuurlijke en publiek-private gebiedsaanpak van gebieden waar de leefbaarheid en veiligheid sterk onder druk stonden. Naar aanleiding van de uitkomsten van de Leefbaarometer 2018 en met oog voor regionale spreiding en gebiedsomvang zijn toentertijd, in overleg met de desbetreffende gemeenten, nog vier gebieden in vier steden buiten de woondealregio’s aan deze twaalf toegevoegd.

In deze nieuwe kabinetsperiode staat het vergroten van kansengelijkheid, het verbeteren van sociale en fysieke achterstanden én de intensieve aanpak van ondermijning, overlast en het afglijden van jongeren in de criminaliteit, hoog op de agenda. Hieruit vloeit voort dat we in overleg met de gemeenten aan de 16 stedelijke focusgebieden vier gebieden toevoegen. De gemeenten Vlaardingen, Delft, Dordrecht en Roosendaal hebben zich gemeld voor een intensief partnerschap met het Rijk om hun grootstedelijke problematiek aan te pakken. De door hen voorgedragen gebieden zijn getoetst aan de uitkomsten van de nieuwe, herijkte, Leefbaarometer 2020.31 Zij behoren tot de slechtste categorie wat betreft leefbaarheid- en veiligheidsproblematiek in de Leefbaarometer 2020. Bij de keuze voor deze vier is ook rekening gehouden met geografische spreiding. In de 20 gebieden wonen in totaal ruim 1,2 miljoen mensen.

Inzet buiten de 20 stedelijke focusgebieden Naast de gemeenten met een stedelijk focusgebied wordt op basis van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid ook ondersteuning geboden aan andere gemeenten bij het bevorderen van kansengelijkheid, leefbaarheid en veiligheid in kwetsbare wijken en gebieden. Iedere gemeente in Nederland die een integrale aanpak wil inzetten op een concentratie van maatschappelijke problemen binnen een specifiek gebied, kan gebruik maken van de producten en diensten die vanuit het programma worden ontwikkeld en via het kennis- en leernetwerk van WijkWijzer beschikbaar komen (zie paragraaf 4.1.2). In samenspraak tussen adviseurs van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de gemeente wordt (zoveel mogelijk samen met andere relevante lokale partijen) een passend arrangement georganiseerd, waarbij de vraag vanuit de gemeente centraal staat. De basis van waaruit activiteiten plaatsvinden is de WijkWijzer, het platform voor kennisuitwisseling tussen beleidsmakers, wijkprofessionals en actieve bewoners (zie par. 4.1.2).

5.2 Nieuwe werkwijze Invulling Rijksrol Naast het opstellen van het Nationaal programma en een rol als katalysator voor het aangaan en invullen van een partnerschap met gemeenten met een stedelijk focusgebied, richt de rijksrol zich op een –daar waar mogelijk en relevant- financiële bijdrage in de kosten van de lokale aanpak, het aanscherpen van het juridisch instrumentarium, het opzetten van een kennisinfrastructuur, het meedenken en bijdragen

30

Kamerstukken II, 30995, nrs. 97 en 98

31

Leefbaarometer (2022), Analyserapport.

40 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

aan het realiseren van doorbraken in complexe casuïstiek die zich in de stedelijke focusgebieden voordoet. Daarnaast zal vanuit BZK / VRO het initiatief worden genomen voor het instellen van een interdepartementale werkgroep die aan de slag gaat met de concrete implementatie van een integrale, gebiedsgerichte inzet. Deze gaat in de tweede helft van 2022 van start. Het opstellen van integrale uitvoeringsplannen/-programma’s op lokaal niveau, de vertaling van de rijksdoelstellingen naar de stedelijke focusgebieden en het zorg dragen voor een deugdelijk monitoring- en verantwoordingssysteem maken hier deel van uit. Hierbij zal ook worden afgestemd hoe de aanvragen voor (financiële) ondersteuning voor gemeenten op de verschillende terreinen kunnen worden gestroomlijnd en onnodige administratieve lasten worden voorkomen.

Lokale allianties Op lokaal niveau zijn gecoördineerde actie en professioneel engagement belangrijke voorwaarden voor een effectieve aanpak van de opgaven. Gemeente, maatschappelijke en private partners formuleren samen met bewoners in het stedelijk focusgebied doelen en ambities, die worden uitgewerkt in een langjarig programma. Interventies en maatregelen worden gemonitord op voortgang en effectiviteit. Daarvoor worden in de focusgebieden op bestuurlijk niveau allianties opgezet, waarbij de rijksoverheid partner is.

Inclusie en participatie in Amsterdam Zuidoost In Holendrecht wordt een communitycentrum in co-creatie met bewoners ontwikkeld door middel van de methode van design thinking (methode van oplossen van complexe problemen, waarbij de mens centraal staat). Inclusie en participatie vormen samen met het werken aan een systeemverandering de randvoorwaarden voor het Masterplan Zuidoost. Het gaat daarbij over het herwinnen van vertrouwen van bewoners in de instituties en vice versa. Aandacht voor thema’s als uitsluiting, institutioneel racisme en discriminatie is daarbij essentieel. "Eigenaarschap en eigen kracht van bewoners worden versterkt als bewoners zich gehoord, gezien en erkend weten. Vertrouwen wordt terug gewonnen als hierover open gesprekken worden gevoerd", zo is te lezen in het Masterplan. In gesprekken met bewoners, maar ook met de andere alliantiepartners worden deze thema’s bespreekbaar gemaakt. Hierbij wordt een narratief ontwikkeld dat recht doet aan de bewoners en hun kracht.

Rol burgemeester Voor de uitvoering van de plannen worden in de 20 stedelijke focusgebieden periodiek ‘alliantieoverleggen’ georganiseerd. De burgemeester is de voorzitter van dit overleg. Uit de aard van de functie (inclusief de verantwoordelijkheid voor openbare orde en veiligheid) en statuur biedt dat een gezaghebbende vertegenwoordiging. Dit is zowel van belang voor de verbinding met de maatschappelijke partners in het gebied, als ook voor het borgen van een langjarige doorlooptijd van het programma, die niet onderhevig is aan de 4-jaren cyclus van de gemeentepolitiek of een kabinetsperiode; de burgemeester als boegbeeld en ‘beschermheer/vrouw’ van het programma.

Periodiek Alliantie-overleg Van rijkswege nemen rijksvertegenwoordigers van de departementen SZW, OCW, VWS, JenV, BZK en VRO deel aan het alliantieoverleg (zie bijlage). Naast de burgemeester en de rijksvertegenwoordiger zijn bijvoorbeeld ook één of twee wethouders, een bestuurlijke vertegenwoordiger van woningcorporaties, scholen, werkgevers, politie, OM, zorgverzekeraars, GGD, werkgevers, welzijnsinstelling en (een vertegenwoordiging van de) bewoners, deelnemers aan dit overleg. Deze alliantie komt –frequentie nader per gemeente in te vullen– een aantal keer per jaar bij elkaar en bespreekt naast de voortgang van het programma ook de ‘vastlopers’ die zich in de uitvoeringspraktijk voordoen.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 41

Programmabureau Voor de ondersteuning van de alliantie nemen gemeenten het initiatief tot het inrichten van een onafhankelijke programmaorganisatie; een slagvaardig en wendbaar team dat disciplineert in behoud van focus, ‘over de domeinen’ heen werkt en de juiste dwarsverbanden legt binnen en tussen deelnemende organisaties. Hierbij is het van belang dat de gemeentelijke organisatie goed is aangesloten. Het is aan het programmabureau om de doelen en ambities uit het uitvoeringsprogramma uit te werken in concrete acties en projecten en er zorg voor te dragen dat deze tot uitvoering komen. Vanuit het ministerie van BZK wordt een basisbedrag voor de gemeenten met een stedelijk focusgebied ter beschikking gesteld voor de inrichting van de programmaorganisatie. De komende drie jaar zal uit de middelen van het Volkshuisvestingsfonds hiervoor jaarlijks per focusgebied €500.000 beschikbaar zijn.

Prestatieafspraken Om invulling te geven aan het partnerschap Rijk – gemeente worden prestatieafspraken gemaakt, waarbij de inzet van het Rijk en de gemeenten met stedelijke focusgebieden voor dit programma wordt vastgelegd. Over en weer ontstaat op deze wijze commitment over het realiseren van de drie centrale doelstellingen. Het streven is om het maken van deze afspraken in het najaar van 2022 afgerond te hebben. In deze prestatieafspraken zal worden opgenomen: 1. Rijk en gemeente verbinden zich aan de in hoofdstuk 2 genoemde ‘ER’ doelen. Hiervoor worden in afstemming tussen betrokken departementen en gemeenten indicatoren opgesteld die een beeld geven van de voortgang die hierop wordt geboekt. 2. Partijen committeren zich aan een langjarige inzet voor 15-20 jaar. 3. Lokale allianties worden verzocht om een integraal uitvoeringsplan of -programma op te stellen. Dit geeft inzage in / bevat: - een analyse van wat er aan de hand is, - opgaven die worden opgepakt, - doelstellingen en ambities, - streefwaarden ten aanzien van de te realiseren doelen, - een systeem van monitoring/meten van de voortgang van acties en interventies, - hoe en waarbij bewoners worden betrokken. 4.

Voor de inzet van generieke rijksmiddelen op de terreinen volkshuisvesting, onderwijs, veiligheid, werk en gezondheid, zoals deze aan de orde zijn gekomen bij de Actielijnen 2, 3 en 4 en die op basis van het Coalitieakkoord beschikbaar zijn of komen, neemt het Rijk de inspanningsverplichting op zich om samen met het lokaal bestuur en de gebieden na te gaan of -in lijn met de gestelde doelenprioriteren naar of richten op de stedelijke focusgebieden aan de orde is. Daarnaast is er ook voldoende ruimte voor inzet op verbreding naar andere gebieden, dan de stedelijke focusgebieden. 5. Voor de uitvoering van het programma en de uitvoeringsplannen in de 20 stedelijke focusgebieden worden onder aanvoering van de burgemeester publiek-private allianties en een alliantieoverleg georganiseerd. 6. Het Rijk prioriteert naar een select aantal focusgebieden en de gemeente spant zich in, dat deze prioritering – daar waar relevant– richting het stedelijk focusgebied ook binnen de gemeente zelf plaatsvindt. 7.  Vanuit het Kabinet kunnen individuele bewindspersonen –in een rol van ‘ambassadeur’- worden gekoppeld aan het stedelijk focusgebied.

42 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

6 Monitoring Het volgen van de voortgang en effecten van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de ingezette interventies (‘wat werkt en wat niet’) zorgen ervoor dat kan worden nagegaan of deze daadwerkelijk bijdragen aan het realiseren van de centrale doelstelling en de drie subdoelen. Er zijn drie niveaus te onderscheiden in de kennisontwikkeling en informatieverzameling die voor het monitoren van het programma relevant zijn:

1. Cijfermatige ontwikkelingen in de gebieden op een aantal kernindicatoren. 2. De uitvoering van het programma, de werkwijze en de interventies in de gebieden. 3. Lessen trekken uit activiteiten en resultaten van de programma’s in de gebieden. De wijze waarop deze elementen vorm en inhoud zullen krijgen, is op dit moment nog onderwerp van overleg. Een aantal zaken kan al wel worden genoemd.

6.1 Cijfermatige ontwikkelingen in de gebieden op een aantal kernindicatoren Kwantitatief de ontwikkelingen analyseren en monitoren Met de tweejaarlijkse rapportage uit de Leefbaarometer ligt er al een stevige basis voor monitoring waarop we verder kunnen bouwen. Tegelijkertijd willen we de cijfermatige ontwikkelingen in kwetsbare wijken kortcyclischer kunnen volgen ten behoeve van de halfjaarlijkse voortgangsrapportage aan de Tweede kamer. We bieden met het dashboard ‘Zicht op wijken’ een overzicht van relevante data op het brede terrein van Leefbaarheid en Veiligheid voor alle wijken in Nederland. Deze data kunnen eveneens benut worden voor de analyse van de stand van zaken in de focusgebieden. Dit dashboard komt in het derde kwartaal van 2022 beschikbaar via de WijkWijzer. Samen met de gemeenten en departementen ontwikkelen we daarnaast een landelijke monitor en kiezen we daarvoor ‘kernindicatoren’ die zijn te relateren aan de doelen van het nationaal programma en die in elk gebied van belang zijn. De landelijke monitor van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid sluit aan bij de monitoring van de andere beleidsprogramma’s binnen de Nationale Woon- en Bouwagenda. Ook wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de monitoring van de andere departementen. Op basis daarvan informeren we de Tweede Kamer halfjaarlijks.

Op lokaal niveau ontwerpen de stedelijke focusgebieden een lokale monitor die aanvullend is op en aansluit bij de landelijke monitor. Van de gebieden wordt gevraagd om op de kabinetsdoelen en interventies streefwaarden te formuleren en te rapporteren. De precieze onderdelen van deze kwantitatieve monitoring van de voortgang worden in overleg met de stedelijke focusgebieden bepaald. Het systeem moet voldoende informatief zijn, maar niet te gedetailleerd en het moet werkbaar zijn.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 43

De drie inhoudelijke actielijnen uit het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (actielijnen 2, 3 en 4) worden in een landelijke monitor gevolgd. De precieze indicatoren worden nog in overleg met departementen en de focusgebieden vastgesteld. Hierbij kan worden gedacht aan onderstaande opzet: Actielijn 2 | We verbeteren slechte woningen en zorgen voor meer gemengde wijken Doelstelling: we zorgen ervoor dat de 19 gemeenten, de woningcorporaties en het Rijk hun deel van de taak en verantwoordelijkheid nemen voor het herstructureren en verduurzamen van de slechte woningen in de stedelijke focusgebieden en het realiseren van een meer diverse woningvoorraad. Bij deze actielijn zorgen we dat we per stedelijk focusgebied inzicht hebben in de ontwikkeling van: 1. het aantal te herstructureren woningen, 2. het aantal te verduurzamen woningen met een E-, F-, of G-label, 3. het aantal nieuw te bouwen woningen, 4. de betekenis hiervan voor de diversiteit van de woningvoorraad in het gebied, 5. de ervaren leefbaarheid (adhv de Leefbaarometer). Actielijn 3 | We zorgen ervoor dat bewoners kunnen meedoen in de samenleving Bij deze actielijn zorgen we dat we per stedelijk focusgebied inzicht hebben in de ontwikkeling van: 6. Achterstandsscore PO/VO (CBS), 7. Ontwikkeling schooladvies, 8. Aantal voortijdig schoolverlaters, 9.

Aantal en aandeel doorstromers uit po/geslaagden naar opleidingsniveau, 10. Ontwikkeling relatieve welvaart (CBS), 11. Aandeel huishoudens met een (bijstands/WW-) uitkering, 12. Ontwikkeling van de ervaren of subjectieve gezondheid. Actielijn 4 | We investeren in de preventie van jeugdcriminaliteit en vergroten de weerbaarheid van jongeren Bij deze actielijn zorgen we dat we per stedelijk focusgebied inzicht hebben in de ontwikkeling van: 13. Ervaren veiligheid (Veiligheidsmonitor), 14. Risicoscores jonge aanwas (zicht op ondermijning), 15. Incidentie criminaliteit.

6.2 De uitvoering van het programma, de werkwijze en de interventies in de gebieden Kwalitatieve monitoring: voortgang programma-uitvoering, interventies en werkwijze Om de voortgang van het programma in kaart te brengen is meer nodig dan het cijfermatig volgen van ontwikkelingen in de 20 stedelijke focusgebieden. Het gaat ook om het monitoren van de inzet op de (met de departementen) overeengekomen interventies op specifieke maatschappelijke opgaven (wonen, werk en inkomen, onderwijs, veiligheid, gezondheid). En om de uitvoering van de werkwijze die het programma voorstaat.

44 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Van diverse interventies is niet op voorhand duidelijk wat de impact in kwetsbare gebieden zal zijn, en op welke termijn. Positieve cijfermatige trends in de gebieden laten wel zien dat er iets gebeurt, maar niet in hoeverre dat is toe te schrijven aan interventies uit het programma. Om dat verband vast te stellen is ander soort onderzoek nodig, vaak meer kwalitatief en vanuit verschillende disciplines en methoden. Deze kwalitatieve monitoring kan bijvoorbeeld door middel van actieonderzoek plaatvinden. In opdracht van het programma is daarvoor door het Verwey-Jonker Instituut een ‘Handreiking voor actieonderzoek op het gebied van leefbaarheid en veiligheid’ gemaakt.

6.3 Lessen trekken uit activiteiten en resultaten van het programma Het onderzoekend leren en de kennisontwikkeling monitoren De gebiedsgerichte aanpak van leefbaarheid en veiligheid is een ‘lerende aanpak’. Tijdens het uitvoeringsproces vinden tussenevaluaties plaats zodat kan worden bijgestuurd. Van belang is dat de kennis en ervaringen uit de stedelijke focusgebieden breed beschikbaar komt en wordt verspreid. Dat gebeurt onder meer via het kennis- en leernetwerk WijkWijzer. De ontwikkeling van kennis zal met zoveel mogelijk betrokkenen in de gebieden plaatsvinden, in het bijzonder met actieve bewoners. Bewoners en sleutelfiguren zitten het dichtst op de problematiek en het ‘DNA’ van een wijk of buurt en er zal dus ruimte zijn voor hun inbreng. Daarmee komt er gedurende de looptijd van het programma bruikbare kennis beschikbaar. Vormen van ‘actieonderzoek’ ofwel participatief en lerend onderzoeken kunnen hierbij aansluiten (zie hiervoor). Maar ook tussentijdse bijeenkomsten en het ophalen van verhalen en beelden bij relevante stakeholders maken ‘Rijker Verantwoorden’ mogelijk.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 45

7 Financiën De onderstaande tabel geeft een overzicht van de middelen op basis van de budgettaire bijlage Coalitieakkoord van 15 december 2021 en van enkele middelen die bij Prinsjesdag 2021 beschikbaar zijn gekomen. Beide zijn deel ondersteunend aan dit programma.32 Het gaat hierbij zowel om geld dat voor het verbeteren van slechte woningen en het creëren van een meer gemengde woningvoorraad wordt toebedeeld aan MBZK/MVRO en geld dat wordt toebedeeld aan andere ministeries. Vanuit het Volkshuisvestingsfonds wordt in de periode 2023-2025 per focusgebied jaarlijks €500.000 aan gemeenten beschikbaar gesteld voor de inrichting van de programmaorganisatie. Ook de middelen uit de envelop arbeidsmarkt, armoede, en schulden van SZW zijn specifiek bedoeld voor de 20 focusgebieden. De in de tabel opgenomen middelen zijn relevant voor de stedelijke focusgebieden, echter zullen ook buiten de focusgebieden en generiek– nader te bepalen door de verantwoordelijke departementenworden ingezet. Een deel van het geld staat op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën. Voor besteding van dit geld is eerst goedkeuring van beleidsvoorstellen van het ministerie van Financiën vereist.

Uitgaven in miljoen

2022

2023

2024

2025

2026

structureel

Woningbouwimpuls (10 x 100 mln)

100

100

100

100

Volkshuisvestingsfonds (4 x 150 mln)

150

150

150

150

250

300

300

Nationaal isolatieprogramma

180

360

562

Verduurzaming maatschappelijk vastgoed

100

330

464

10

20

30

40

50

65

65

VRO

BZK Regiodeals

50

EZK/Klimaat

VWS Stimuleren van wooncombinaties Woon-zorgcombinaties

37,5

75

87,5

100

Dak- en thuislozen

65

65

65

65

Preventieakkoord

60

60

60

60

Stimuleren sport en bewegen

25

25

25

25

25

25

Kansrijke start

10

23

23

23

23

23

Versterken onderwijskwaliteit

500

600

1.000

1.000

1.000

1.000

Kansengelijkheid

200

300

900

1.000

1.000

1.000

Investeren in goede leraren en schoolleiders

800

800

800

800

800

800

OCW

Deze tabel loopt door op de volgende pagina -->

32

De in dit programma genoemde middelen ter voorkoming dat jongeren afglijden of doorgroeien in de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit (€82 miljoen) zijn bij Miljoenennota 2022 beschikbaar gekomen.

46 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Uitgaven in miljoen

2022

2023

2024

2025

2026

structureel

Envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden

12

4

4

Verhoging leeftijd kostendelersnorm

64

64

65

66

74

137,8

149,3

143

143

143

SZW 0

JenV Preventie met gezag33

59,7

Bron: BZK

33

Deze middelen (Prinsjesdagmiddelen preventie georganiseerde en ondermijnende criminaliteit samen met middelen preventie jeugdcriminaliteit uit het Coalitieakkoord) zijn beschikbaar voor een bredere aanpak en daarmee niet exclusief voor de focusgebieden, maar zijn ook gericht op aanvullende gemeenten/gebieden en versterking van de jeugdstrafrechtketen.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 47

Bijlage 1 Overig juridisch instrumentarium verbetering leefbaarheid Voor zover het wettelijk kader ontoereikend is voor het oplossen van de problematiek wordt aansluiting gezocht bij het Coalitieakkoord en al lopende beleids- en wetgevingstrajecten.

Verbetering (rechts)bescherming huurders Acties • Het wetsvoorstel Goed verhuurderschap introduceert een landelijke basisnorm die het gedrag van verhuurders en verhuurbemiddelaars in relatie tot woningzoekenden en huurders reguleert. Gemeenten krijgen de taak hierop te handhaven. In aanvulling hierop krijgen gemeenten de mogelijkheid om op grond van de leefbaarheid een gebiedsgerichte verhuurvergunning op te stellen. Hiermee kunnen gemeenten (1) extra eisen stellen aan het gedrag van verhuurders en de staat van de woning en (2) malafide verhuurders uit een gebied weren. Het streven is om dit voorstel per 1 januari 2023 in werking te laten treden. • Voor huurders zelf zal de gang naar de Huurcommissie worden vereenvoudigd. Dit zal bijdragen aan het verminderen van de malafide verhuur, die in wijken als bijvoorbeeld Carnisse in Rotterdam-Zuid een zware wissel trekt op de leefbaarheid in het gebied. Met de regulering van de middenhuursector krijgen huurders in dit segment toegang tot de Huurcommissie voor geschillen over onder meer huurprijzen, servicekosten en (onderhouds)gebreken aan de woning. De Huurcommissie vergroot in 2022 daarbij haar rol als informatiebron en kennisautoriteit in het huurdomein, door vernieuwing van haar website en online tools. Er wordt een klantcontactcentrum ingesteld waar huurders en verhuurders terecht kunnen met hun vragen over huurbeleid.

• In buurten waar de leefbaarheid onder druk staat door het opkopen van woningen voor de verhuur kunnen gemeenten sinds 1 januari 2022 een opkoopbescherming invoeren. Gekochte woningen kunnen dan enkel in uitzonderingsgevallen worden verhuurd. • In 2022 start een informatiecampagne over huurrecht, specifiek gericht op huurders die minder digitaal vaardig zijn of minder goed de Nederlandse taal vaardig zijn. Met deze maatregelen worden huurders beter in staat gesteld hun recht te halen.

Aanpak woonoverlast Bewoners in focusgebieden ervaren regelmatig woonoverlast, zoals geluidsoverlast van buren, vervuilde tuinen en woningen, verloederde panden of overlast door drugshandel. Aanhoudende overlast kan het woongenot en gevoel van veiligheid van bewoners ernstig bedreigen. De Wet aanpak woonoverlast (Gemeentewet artikel 151d) maakt het voor burgemeesters mogelijk om specifieke gedragsaanwijzingen op te leggen aan overlastgevers die ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden veroorzaken. Dat kunnen huurders zijn, maar ook eigenaar-bewoners. Verhuurders kunnen ook rechtstreeks worden aangesproken bij ernstige en herhaaldelijke overlast door huurders.

Acties • Over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de Wet aanpak woonoverlast vindt tweede helft 2022 een evaluatie plaats. De uitkomst kan aanleiding zijn voor aanpassing van de wet.

48 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Bijlage 2 Aansluiting bij andere Programma’s Volkshuisvesting • Programma Woningbouw: Met financiële impulsen vanuit o.a. de woningbouwimpuls en het Volkshuisvestingsfonds wordt getracht de opgaven in de kwetsbare gebieden gezamenlijk met Rijk, provincie, gemeenten en corporaties versneld op te pakken. In bestuurlijke akkoorden met provincies en de landelijke prestatieafspraken met corporaties worden afspraken gemaakt over woningbouw, herstructurering en de inzet op leefbaarheid. • Programma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving: In de stedelijke focusgebieden ligt een nauwe verbinding met het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. We ontwikkelen samen met gemeenten en corporaties aanpakken waarmee een versnelling van de verduurzaming kan worden bereikt in deze gebieden. Centraal daarin staan ontzorging en passende vormen van financiering, die kunnen worden gekoppeld aan de integrale gebiedsgerichte aanpak. Daarbij is aandacht voor huishoudens met een laag inkomen, gestapelde problematiek en/of met schulden, en voor gemengde VvE’s. Het Nationaal Warmtefonds en het Nationaal Isolatieprogramma bieden hiervoor mogelijkheden. Hiermee worden kwetsbare huishoudens in staat gesteld deel te nemen aan de verduurzaming en wordt het draagvlak voor de energietransitie in de stedelijke focusgebieden versterkt.

• Programma Betaalbaarheid: De mogelijkheden worden onderzocht om gebiedsgericht het gebruik van tijdelijke huurcontracten terug te dringen. Op deze manier kan de status van ‘doorgangswijk’, die op een aantal van de stedelijke focusgebieden van toepassing is en die een negatieve invloed heeft op het woongenot en de leefbaarheid in de directe woonomgeving, worden bijgesteld. • Ook in het programma Een thuis voor iedereen ligt een directe relatie met de ambities van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. In kwetsbare wijken is nu vaak sprake van een sterke concentratie van aandachtsgroepen. Met de programmering van nieuwbouw voor aandachtsgroepen moet verlichting voor deze wijken het uitgangspunt zijn. Daarnaast kan de toevoeging van nieuwbouw in kwetsbare wijken helpen om te komen tot een meer gebalanceerde mix van woningen en huishoudens.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 49

Bijlage 3 Lijst met rijksvertegenwoordigers in de lokale allianties

Amsterdam Zuidoost

Maarten Schurink (BZK)

Amsterdam Nieuw-West

Carry Goedhart (SZW)

Arnhem Oost Marjan Hammersma (OCW) Breda Noord n.n.t.b (JenV) Delft West

n.n.t.b.

Dordrecht West n.n.t.b. Den Haag Zuidwest

Inge Vossenaar (OCW)

Eindhoven Woensel-Zuid

Marja Appelman (BZK/VRO)

Groningen Noord

Loes Mulder (SZW)

Heerlen-Noord

Annelies Kroeskamp (BZK)

Leeuwarden Oost

Annelies Kroeskamp (BZK)

Lelystad Oost

Hans Ton (BZK)

Nieuwegein Centrale-As

Annemiek van Dam (JenV)

Roosendaal-stad

n.n.t.b.

Rotterdam-Zuid

Chris Kuijpers (BZK/VRO)

Schiedam Nieuwland-Oost

Marcelis Boerboom (VWS)

Tilburg Noordwest

Ellen van Doorne (BZK)

Utrecht Overvecht

Marieke Kleiboer (VWS)

Vlaardingen West n.n.t.b. Zaandam Oost

50 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Carsten Herstel (SZW)

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid | 51

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening www.minbzk.nl www.volkshuisvestingnederland.nl Juli 2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11672566/1