Kadernota 2024
Tekst van het document
-1.883 -634 -872 -440 1.631
-1.729 -1.021 -3.401 -583 -3.935
-1.192 -39 -2.395 -395 -3.978
-450 -887 -908 -2.388 -345 -2.578
-450 -887 -890 -2.419 -345 -2.578
-2.198 -91
-10.667 -8.837
-7.999 -10.473
-7.556 -11.217
-7.570 -8.314
4.000
4.000
4.000
pm
pm
pm
pm
700
700
700
700
3.850 8.300 13
-5.773
-6.517
-3.614
Totaal voorstellen Saldo Kadernota 2024 II. Voorjaarsnota 2024 - Gemeentefonds - Opschalingskorting - Eenmalige uitname in 2025 - Afrekening BCF - Indexering Wmo III. Maatregelen - Aanpassing afschrijftermijnen Wegen, Groen & water, Kunstwerken - Onderzoek bestemmingsreserves - Realistisch ramen (analyse rekeningresultaten 2021-2022-202) - Incidentele dekking Saldo Kadernota 2024
-4.000 1.285
700 1.200 -3.000 94
De uitgangssituatie houdt rekening met de circulaires over het gemeentefonds, de structurele doorwerking van de Najaarsrapportage 2023 en de separate begrotingswijziging voor de bijdrage aan de waterspeeltuin (kinderboerderijen). Vooruitlopend op de Kadernota 2024 is de begrotingswijziging verwerkt waarmee we een eenmalige bijdrage hebben verstrekt voor de noodzakelijke aanpassing van de waterspeeltuinen van beide kinderboerderijen. Over een structurele bijdrage is in deze kadernota een voorstel opgenomen (zie bouwsteen Moties en toezeggingen). Het financieel toezicht vereist dat in de Programmabegroting 2025-2028 het komende begrotingsjaar 2025, of uiterlijk in de jaren 2026 tot en met 2028 van de meerjarenraming, een structureel evenwicht is
4. Financieel perspectief / 4.1 Financieel meerjarenbeeld 2024-2028
21
Kadernota 2024
bereikt. Dit betekent dat structurele lasten gedekt zijn door structurele baten. Na correctie voor incidentele lasten, baten en reservemutaties is in de kadernota het jaar 2025 structureel in evenwicht. In de nieuwe begroting vindt opnieuw een beoordeling plaats van het structureel evenwicht. In de Programmabegroting 2025-2028 volgt een nadere uitwerking van de kaders in deze kadernota. Daarbij horen ook de uitkomsten van de meicirculaire en een nadere uitwerking van het handelingsperspectief voor de tekorten die we aan zien komen vanaf 2026. Hierna volgt een toelichting op de verschillende onderdelen van de Kadernota 2024. De bijbehorende begrotingswijziging bevat de concrete voorstellen per bouwsteen, uitgesplitst naar de begrotingsprogramma’s (zie bijlage 1A). Daarbij is nadere toelichting per voorstel toegevoegd (zie bijlage 1B). I. Bouwstenen De kadernota bevat een aantal bouwstenen met voorstellen die verder invulling geven aan “uitvoeren en afmaken”. Het gaat in hoofdzaak om noodzakelijke bijstellingen van eerder gemaakte keuzes en het voorkomen van hogere kosten in de toekomst. 1. Opgaven De opgaven Delft-West, Innovatiedistrict Delft en Energietransitie zijn uitgebreid toegelicht in bijlage 5. De toelichting gaat per opgave in op resultaten en mijlpalen en geeft een compleet beeld van het financiële kader.
De uitvoering van de opgaven past binnen kaders die we vorig jaar hebben afgesproken. In deze kadernota is een actualisering opgenomen van de inzet van de reserveringen voor Delft-West (€ 10 miljoen) en voor Innovatiedistrict Delft (€ 8 miljoen). Reservering Delft-West Cultuur - capaciteit Capaciteit inclusie, emancipatie en anti-discriminatie Communicatieadviseur armoede Langer en weer thuis Stimuleren sporten, spelen, bewegen recreëren/ontmoeten in OR Onderwijs Nieuwbouw wijkcentrum Buitengewoon Schuldhulpverlening - adjuncthoofd en seniorcapaciteit Combinatiefunctie: - Matching Brede SPUK cultuur Voorhof en Buitenhof - Inzet cultuur in Tanthof - Programmabudget activiteiten Delft-West Binnen- en buitenschoolse cultuureducatie en -participatie Delft West Nieuw: Maatschappelijke diensttijd Nieuw: Groeigroepen horizon Nieuw: Bouwdepot dakloze jongeren Nieuw: Circulaire economie Restant reservering Delft-West
Realisatie
2024
-45 -52
-91 -104 -80 -430
-430 -5 -200
2025 10.000
2026
2027
-430
-430
-430
-95 -100 -200
-100
-100
-1.700
-80 -80 -50
-80 -80 -50
-80 -80 -50
-80 -80 -50
-50 -27 -70 -140
-50 -27
-50 -26
-50
2028
-140 -70 3.438
In dit voorstel is rekening gehouden met de realisatie in 2023 en met gewijzigde en een aantal nieuwe voorstellen. Hierna is van de reservering nog € 3,4 miljoen beschikbaar.
4. Financieel perspectief / 4.1 Financieel meerjarenbeeld 2024-2028
22
Kadernota 2024
Realisatie
2024
Reservering Innovatie District Delft (IDD) Actief werken aan de stad Programmakosten IDD Programmakosten IDD (Samenwerking) Planet B.io Visie en strategie (SO Zuid, Vulcanusweg, Rotterdamseweg) Smart Makers Delft Nieuw: Uitvoeringsbudget ontwikkelagenda Visie en strategie Nieuw: Uitvoeringsbudget verbindingszone Kruithuisweg Nieuw: Kwalitatief openbare ruimte Nieuw: Circulaire economie Restant reservering IDD
-150 -200 -100 -150 -500 -153 -200 -200
2025 8.000
2026
2027
2028
-200 -50 -150 -325 -153 -800 -500 -300 -50
-200
-200
-200
-150 -150
-150
-800
-800
-300
-300
-569
-
In dit voorstel is rekening gehouden met gewijzigde en een aantal nieuwe voorstellen. Hierna is de reservering volledig ingezet als dekking. 2. Projecten Prinsenhof en Gelatinebrug Voor de projecten Prinsenhof en Gelatinebrug zijn eerder financiële kaders afgesproken, waardoor nu geen sprake is van bijstellingen in het begrotings- en meerjarenbeeld. Project Prinsenhof In relatie tot project Prinsenhof is de motie “Verbouwing museum Prinsenhof Delft: houd de wethouder in control” aangenomen (raad 1 februari 2024). De motie draagt op om in de Kadernota 2024 met een concreet dekkingsvoorstel te komen voor de hogere structurele lasten van € 450.000. Ook draagt de motie op om bij dit voorstel te bezien of en welke bijdrage de stad kan leveren, gezien de baten die de verbouwing van Prinsenhof heeft voor onze ondernemers . De gevraagde dekking ontstaat door de verbetering van het begrotingssaldo na de verwerking van de september- en decembercirculaire. Hiermee is voldoende financiële ruimte beschikbaar voor de exploitatielasten van het museum. 2
Overigens laat het meerjarenbeeld vanaf 2026 nu een negatief begrotingssaldo zien. Voor de dekking die gevonden moet worden is het proces geschetst bij het handelingsperspectief in hoofdstuk 3. In het project Museum Prinsenhof Delft zit het renoveren, restaureren en vernieuwen van het monumentale kloostercomplex Sint Agatha en het daarin gevestigde museum Prinsenhof Delft. Over het definitief ontwerp van dit project heeft de gemeenteraad op 1 februari 2024 een besluit genomen. De voorbereidingskosten (€ 3,5 miljoen) en de investeringskosten (€ 34,5 miljoen) zijn als volgt gedekt: € 15.000.000 bestemmingsreserve Project Museum Prinsenhof € 2.000.000 voorziening Onderhoud Vastgoed € 900.000 investering Herinrichting in Investeringsplan € 200.000 bestemmingsreserve Dekking kapitaallasten € 10.000.000 voorziening Schenking Museum Prinsenhof (schenking familie Vlek) € 10.000.000 fondsenwerving € 38.000.000 De schenking van de familie Vlek wordt vanaf 2021 in vijf jaarlijkse tranches van € 2 miljoen ontvangen. De fondsenwerving heeft geleid tot bijdragen en toezeggingen van in totaal € 5 miljoen van de Vriendenloterij, bedrijven, particulieren en de provincie Zuid-Holland. De tot dusver ontvangen bijdragen zijn gestort in de voorziening Schenking Museum Prinsenhof. In de Jaarstukken 2023 is het saldo van deze voorziening € 7,611 miljoen.
In de Kadernota 2023 is € 10 miljoen van de incidentele dekkingsmiddelen geoormerkt voor het project Prinsenhof Delft. Hierover is in de Programmabegroting 2024-2027 de volgende passage opgenomen: 2
De motie draagt ook op om in de begroting inzichtelijk te maken hoe de exploitatiekosten voor Prinsenhof na de verbouwing zijn opgebouwd, inclusief de taakstelling die het museum zelf heeft en om de hogere structurele lasten niet meer te laten stijgen dan € 450.000 (financieel plafond).
4. Financieel perspectief / 4.1 Financieel meerjarenbeeld 2024-2028
23
Kadernota 2024
“Museum Prinsenhof Delft is één van onze belangrijkste monumenten: het gebouw vertelt het verhaal van Delft en het verhaal van Nederland. Hier brengen we de basis op orde. We investeren nu om deze gebouwen in goede staat te houden voor de toekomst. We maken van het Prinsenhof een aantrekkelijk en eigentijds museum voor iedereen, met versterking van het monumentale karakter. Zo investeren we in een toeristische trekpleister die ook economisch van grootbelang is voor vele ondernemers en inwoners. Om tot realisatie te komen, is op de gemeentelijke investering (€ 18 miljoen) en de reeds gedane private schenking (€ 10 miljoen) aanvullend € 10 miljoen financiering door derden vereist. Financiering door private partijen, fondsen, provincie en Rijk. Hiertoe is in 2022 een wervingstraject ingezet, dat in de komende jaren wordt voortgezet. Deze reservering stelt de gemeente in staat om met passende liquiditeit de continuïteit van het project te waarborgen.” Tot slot is in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing van de Programmabegroting 2024-2027 rekening gehouden met een risico van € 5 miljoen door exogene factoren zoals excessieve prijsstijgingen (indexering), marktwerking en verborgen gebouwgebreken. Gelatinebrug Het ontwerp voor de Gelatinebrug (zowel stedenbouwkundig, architectonisch, als technisch) is opgestart. Dit project kent drie dekkingsbronnen.
De eerste betreft de Versnellingsgelden van het Rijk, waarover in juni 2024 een beschikking wordt verwacht. De tweede dekkingsbron is subsidie van MRDH, waarvoor in 2024 wordt ingezet op maatwerkafspraken, waarin we tot 2028 de tijd krijgen om de brug te realiseren. De derde dekkingsbron bestaat uit gemeentelijke middelen (via oorspronkelijk krediet 2019 en aanvulling bij de Kadernota 2023). Deze laatste dekkingsbron is afhankelijk van de twee eerstgenoemde dekkingsbronnen en indexatie van de projectkosten. Met de huidige inzichten is de volledige beschikbare gemeentelijke dekking nodig. Een voortvarende aanpak is belangrijk om subsidies veilig te stellen en de kosten van de brug beheersbaar te houden. We sturen er dan ook op om direct na de verbreding van de Schie en verplaatsing van de zandhandel (in 2027) te kunnen starten met de bouw van de Gelatinebrug. 3. Bestuurlijke accenten Bij de bestuurlijke accenten hebben we rekening gehouden met voortzetting van het beleid voor circulaire economie (t/m 2026) en evenementen (2025), aanpak van mensenhandel (2025), cameratoezicht (budgetneutraal), flexwoningen Brasserskade (2024), inzet voor inclusie, tegengaan discriminatie en eenzaamheid, het opstellen van een programma en uitvoeringsplan Samen maken we de stad en het op orde hebben en houden van de dienstverlening.
Voor groot onderhoud van de buitensportaccommodaties is meerjarig extra budget benodigd. Ook is rekening gehouden met de sanering van bodemverontreiniging en vervanging van sportvelden op sportpark Tanthof-Zuid. 4. Bestaand beleid Bij de bouwsteen Bestaand beleid zijn de effecten meegenomen die het gevolg zijn van de bestemming van het rekeningresultaat 2023 (via de jaarstukken 2023), nominale ontwikkelingen, financieel technische bijstellingen en overige financiële effecten. Bestemming van het resultaat 2023 In de Jaarstukken 2023 hebben we een voorstel voor bestemming van het positieve rekeningresultaat opgenomen. Dit gaat om het storten van middelen in bestemmingsreserves voor in totaal € 1,56 miljoen ten behoeve van het afronden van specifieke beleidsdoelen. In de kadernota staan de voorstellen voor onttrekking zodat de budgetten daadwerkelijk beschikbaar zijn (budgetneutraal). Nominale ontwikkelingen We hebben rekening gehouden met de structurele consequenties van extra inflatiecorrectie van subsidies voor Welzijn, Cultuur en Sociaal domein die in de Programmabegroting 2024-2027 incidenteel is verwerkt voor het jaar 2024. Binnen de reeds toegekende middelen in 2024 is tevens financiële ruimte gereserveerd om voor de cultuursector de subsidieregeling ‘Noodsteun energiekosten maatschappelijke organisaties 2022’ dit jaar eenmalig te verlengen.
4. Financieel perspectief / 4.1 Financieel meerjarenbeeld 2024-2028
24
Kadernota 2024
Verwerkt zijn de meerkosten van de Cao gemeenten en de uitbreiding van presentiegelden voor commissieleden. Bij de pensioenpremies is een eerder verwacht voordeel niet gerealiseerd. Voor deze voorstellen wordt als dekking voorgesteld de financiële ruimte die in de septembercirculaire was opgenomen voor meerkosten van de inflatie in 2024. Aanvullend hebben we rekening gehouden met een hogere wettelijke bijdrage aan de Veiligheidsregio Haaglanden, meerkosten van de Cao voor Delft Support en een storting in de reserve Schieoevers voor hogere plankosten en inflatie in de businesscase Schieoevers. Financiële techniek De belangrijkste voorstellen gaan over de actualisering van de rentebaten en -lasten en van de dividendinkomsten. Voor het voordeel bij de rente wordt een storting voorgesteld in de bestemmingsreserve Investeringsplan. Dit is nodig, omdat we in de toekomst te maken krijgen met oplopende extra kosten door inflatie bij uitgaven die we bekostigen met de rijkssubsidies die we reeds ontvangen hebben, maar nog niet uitgegeven. Ook zijn enkele financieel administratieve correcties verwerkt die bijdragen aan de realiteit van de ramingen. Overig Bij overige posten hebben we rekening gehouden met incidentele budgetten voor kosten van de facilitaire exploitatie, informatiebeveiliging, ondersteuning themagroep Woningmarkt van de G40 en een pilot woningdelen voor statushouders.
Een voordeel ontstaat doordat de vergoeding die we ontvangen voor opvang van Oekraïners hoger is dan de kosten. Hierdoor ontstaat financiële ruimte die benut wordt voor een storting in de voorziening Verplaatsing flexwoningen. In 2024 en 2025 is groot onderhoud gepland aan de toren van de Nieuwe Kerk. De kosten voor het onderhoud komen op basis een geactualiseerde raming hoger uit. Het aanvullend benodigde bedrag is verwerkt als een incidentele storting in de voorziening Onderhoud vastgoed. Structurele nadelen zijn verwerkt voor jeugdabonnementen DOK, besparingsverlies medegebruik stadskantoor (zoals eerder aangekondigd bij de Najaarsrapportage 2023 en nader toegelicht in de bezuinigingsrapportage). Voordelen ontstaan door wijziging van de parkeerverordening (hoger tarief naheffingen) en subsidie voor planvorming sportcentrum Maria Duystlaan. Dit voordeel wordt benut voor een extra subsidie voor hogere energielasten bij zwembaden. Ten slotte is de raming van de kosten van areaaluitbreiding geactualiseerd (budgetneutraal). 5. Investeringen Deze bouwsteen omvat voorstellen voor het actualiseren van het investeringsprogramma. En de uitwerking van een aantal dossiers waarover we eerder hebben gemeld dat keuzes nog bepaald moeten worden (Theater De Veste, Rietveldtheater, Fietsparkeren, herhuisvesting Erfgoed Delft, inrichting Gasthuisplaats).
Investeringen In het investeringsprogramma zijn bijstellingen verwerkt in het Integraal HuisvestingsPlan voor schoolgebouwen (o.a. Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs, Delftse Tuin) en de beheerplannen (bruggen, Stedin, beheersystemen Openbare Ruimte). De investeringen voor een extra veld Bij Ringpass, voor verplaatsing van Blue Birds en voor de Adaptieve MobiliteitsAgenda (ruimte in de binnenstad) zijn verhoogd. Ten slotte is rekening gehouden met het op orde houden van het gemeentelijke vastgoed. Theater De Veste In april 2024 hebben we een voorstel aan de raad aangeboden over de toekomst van Theater de Veste. In het voorstel hebben we de uitwerking van een financiële strategie voor nieuwbouw en van de instandhoudingskosten tot de nieuwbouw aangekondigd. Over de instandhoudingskosten volgt
4. Financieel perspectief / 4.1 Financieel meerjarenbeeld 2024-2028
25
Kadernota 2024
een afweging in de Kadernota 2025. Een afweging over mogelijke nieuwbouw gaat spelen vanaf de Kadernota 2028. Rietveldtheater Sinds 2018 is in verschillende fasen gewerkt aan de planvorming voor de verbouwing van het Rietveld 49. In de raad van februari 2023 is bepaald dat de gemeente zich wil beraden op de vervolgstappen door het uitvoeren van een scenario-analyse. De raad heeft gevraagd scenario’s uit te werken, waarna zij een go/no go besluit wil nemen over de verbouwing van het Rietveldtheater. In de periode vanaf februari 2023 is in een integraal proces gewerkt aan het uitwerken van de scenario’s. De integrale afweging rondom de mogelijke verbouwing van het Rietveldtheater wordt gemaakt aan de hand van het Integraal Huisvestingsplan (IHP) Cultuur dat in 2024 wordt opgesteld. Het IHP Cultuur is een samenhangend document voor de gewenste culturele investeringen in de stad voor de komende 15 jaar. In het IHP Cultuur wordt afgewogen op welke wijze een podiumkunstenpand optimaal kan bijdragen aan de culturele en maatschappelijke opgaven in de stad. Dat betekent dat de financiële afweging voor de verbouwing van het Rietveldtheater integraal bij de Kadernota 2025 gemaakt wordt. Fietsparkeren Het huidige tekort aan fietsparkeerplaatsen in de binnenstad is 2.000 plekken en loopt richting 2040 op naar 8.000 plaatsen.
Het huidige tekort leidt op sommige locaties tot onveilige en ongewenste situaties in de openbare ruimte. In de Kadernota 2023 is eenmalig voor 2023 en 2024 € 660.000 beschikbaar gesteld voor huur en bewaking van een extra stalling en voor de inzet van extra fietscoaches. Het voorstel is om het huidige budget te herverdelen en vanaf 2026 jaarlijks extra middelen beschikbaar te stellen voor noodzakelijke stallingen en fietscoaches/toezicht. Herhuisvesting Erfgoed Delft Omdat het huurcontract voor de huidige huisvesting van Erfgoed afloopt in 2026, is een voorstel voor vervangende huisvesting onvermijdelijk. Voor extra huurkosten, verbouwing en inrichting van een nieuwe locatie en de verhuizing is een inschatting van de kosten gemaakt. Deze inschatting hebben we als voorstel verwerkt in deze kadernota. Omdat de uitgangspunten voor herhuisvesting nog niet definitief zijn, volgt nog een bijstelling voor voorbereidingskosten en kosten van een collectiedepot. Naar verwachting is dit in de Programmabegroting 2025-2028. Vergroenen Gasthuisplaats Over de vergroening van de Gasthuisplaats heeft de raad in 2022 een motie aangenomen. Voorstel is om voor dit project middelen beschikbaar te stellen voor bodemonderzoek (archeologie), vergroening (investering) en onderhoud. 6.
Moties en toezeggingen Voor de opvolging van een amendement, diverse moties en een toezegging hebben we een aantal financiële voorstellen opgenomen: •
•
•
Amendement Eerlijk betalen voor cultuur (fair pay) Als onderdeel van het Cultuurkader 2021-2030 is aan de raad toegezegd een verkenning uit te voeren naar de toepassing van de Fair Practice Code in Delft. In de afgelopen periode is onderzoek gedaan naar de gevolgen van de toepassing van Fair Pay (fatsoenlijke beloning) bij de culturele instellingen met een jaarlijkse subsidie van de gemeente. Met de meerkosten van Fair Pay is nu rekening gehouden. Motie Toekomst voor de kinderboerderijen (29 juni 2023) Tijdens de bespreking van de Kadernota 2023 is de motie Toekomst voor de kinderboerderijen aangenomen. De motie draagt het college op om in de Programmabegroting 2024-2027 een voorstel te doen voor meer structurele ondersteuning voor de exploitatie van beide kinderboerderijen in Delft. Omdat de Programmabegroting 2024-2027 te vroeg kwam, hebben we toegezegd het voorstel voor een structurele bijdrage te verwerken in de Kadernota 2024. Motie en toezegging Analyse/aanpak leegstand woningen (7 december 2023) Tijdens de bespreking van de woonvisie is de motie Analyse/aanpak leegstand woningen aangenomen met de opdracht in gesprek te gaan over de schaal en oorzaak van de leegstand.
4. Financieel perspectief / 4.1 Financieel meerjarenbeeld 2024-2028
26
Kadernota 2024
•
•
•
Toegezegd is een analyse uit te voeren en zo nodig een verkenning te doen voor een Leegstandsverordening. Met het voorstel komt budget beschikbaar voor een analyse en verkenning in 2024. Motie Betaalbare koopwoningen De moties Betaalbare koopwoningen en Betaalbaarder wonen in Delft dragen op betaalbare woningen te verkopen met zelfbewoningsplicht en om inzicht te geven in de betaalbaarheid van te bouwen woningen na 2025. Hier wordt samen met het initiatiefvoorstel van de SP over realisatie van middenhuur een onderzoek voor gestart. Dekking is beschikbaar in de reserve Beleid en uitvoering. Motie Sterke lokale media. Omroep Delft heeft in 2023 en 2024 een aanvullende incidentele bijdrage ontvangen. Omdat de overheveling van de bekostiging uit het gemeentefonds is uitgesteld naar 2027 zijn we als gemeente nog twee jaar verantwoordelijk voor lokale media. Met het voorstel wordt een noodzakelijk incidenteel overbruggingsbudget beschikbaar gesteld voor bijdragen in 2025 en 2026. Toezegging Licht programmatische aanpak in alle wijken in 2023 heeft de licht programmatische aanpak vorm en inhoud gekregen. In Delft-West is sprake van een intensieve aanpak die gefinancierd wordt uit Delft-West middelen. De licht programmatische aanpak is ontwikkeld voor de wijken Voordijkshoorn, Wippolder, Vrijenban, Hof van Delft, Tanthof – Oost en de Binnenstad.
Het resultaat van de licht programmatische aanpak is dat in iedere wijk korte lijnen zijn met formele en informele partners, bewoners en actiepunten worden opgepakt en initiatieven worden verder geholpen. Met het voorstel wordt incidenteel budget beschikbaar gesteld voor leefbaarheidsoverleg, spreekuren en ondersteuning van burgerinitiatieven.
7. Sociaal domein Voor het Sociaal domein is de autonome groei van de kosten voor de Wmo en jeugd verwerkt tot en met 2026. De eventuele verdere groei vanaf 2027 is onderdeel van het risicoprofiel. Incidenteel is budget geraamd voor de transitie die noodzakelijk is om tot structurele kostenbeheersing te komen. Ook is voor de jeugdzorg rekening gehouden met extra inkomsten door specifieke uitkeringen en een structurele opbrengst van de maatregelen uit de Hervormingsagenda jeugd. In 2024 wordt een nog niet eerder geraamde vergoeding ontvangen voor specifieke casuïstiek, waardoor een incidenteel voordeel ontstaat. In 2024 ontvangen we een nog niet eerder geraamde vergoeding uit de wet Langdurige Zorg en de specifieke uitkering Uitreizigers voor twee jeugdhulpcasussen in het vorige jaar, waardoor een incidenteel voordeel ontstaat. Bij de bijstand houden we rekening met een structurele meevaller op het zogeheten BUIG-budget, door een inhaaleffect bij de vergoeding voor Loonkostensubsidie (LKS) en een stijging van de aantallen en de kosten. De meevaller BUIG wordt als dekking ingezet voor hogere kosten LKS, het re-integratieinstrument Ontwikkelbanen en Beschut Werk bij Werkse!. Ontwikkelbanen zijn bedoeld voor kandidaten die in een beschutte omgeving en met begeleiding in een korte tijd kunnen uitstromen naar een externe werkgever.
Incidenteel zet Delft Support extra capaciteit in voor de ondersteuningsbehoefte van bewoners bij ingrijpende renovaties van woningen (Meldpunt Bezorgd).en het voorkomen van overlast door verward of onbegrepen gedrag. Door extra financieel specialisten bij Jeugd en Wmo ontstaat capaciteit voor hulp bij financiële zorgen.. Dankzij de extra capaciteit ontstaan voldoende besparingen die dekking geven voor deze extra inzet (budgetneutraal). Samen met scholen en kinderopvang komen we tot een doorlopende lijn zorg in het onderwijs. Doel is het organiseren van collectieve inzet van jeugdhulp op scholen en kinderopvang gericht op de ontwikkelingsopgave van jongeren in diverse leeftijdsfasen en op hun omgeving (ouders, docenten en vrienden). Op de langere termijn zal dit leiden tot vermindering van individuele zorgvragen en kosten en beter onderwijs.
4. Financieel perspectief / 4.1 Financieel meerjarenbeeld 2024-2028
27
Kadernota 2024
Door verruiming van de voorwaarden en hogere normbedragen voor studietoeslag (rijksbeleid) zijn er meer toekenningen en hogere kosten (structureel). II. Impact Voorjaarsnota Rijk op begrotings- en meerjarenbeeld In de Voorjaarsnota van het Rijk is de oploop van de opschalingskorting geschrapt. Dit levert voor Delft naar verwachting een voordeel op van € 4 miljoen vanaf 2026. Tegenover dit structurele voordeel staat een incidenteel nadeel van dezelfde omvang in 2025. Omdat de gemeente in 2023 minder heeft gedeclareerd bij het BTW Compensatiefonds dan eerder aangenomen, blijft er financiële ruimte over die terugvloeit naar het gemeentefonds. De definitieve afrekening levert een incidenteel voordeel op. De definitieve berekening van de voordelen en het nadeel volgt bij de meicirculaire. Voor de Wmo-uitgaven is een – nog uit te werken – aparte, geobjectiveerde indexering aangekondigd. Hiervoor is € 75 miljoen in 2026 oplopend tot 300 miljoen in 2029 gereserveerd op de begroting van het ministerie van Financiën. Overleg tussen Rijk en VNG over de concrete vormgeving vindt plaats voor de zomer. De Voorjaarsnota van het demissionaire kabinet levert een positiever beeld op ten opzichte van de septembercirculaire. Alleen in 2025 ontvangen gemeenten minder middelen uit het gemeentefonds dan op grond van de septembercirculaire mocht worden aangenomen.
Met dit nadeel moeten alle gemeenten rekening houden bij de voorbereiding van de Programmabegroting 2025-2028. Ook na het hoofdlijnenakkoord van de formerende partijen blijft sprake van een disbalans tussen taken en middelen. Over de benodigde omvang van het gemeentefonds vanaf 2026 voert de VNG het gesprek met een nieuw kabinet. Wel is duidelijk dat vanaf 2026 een groot gat overblijft, wat of met meer geld, of met minder taken gedicht moet worden. III. Maatregelen voor een sluitend begrotingssaldo 2025 en structureel evenwicht Om tot een sluitende begroting voor 2025 te komen die structureel in evenwicht is, zijn aanvullende stuurmaatregelen nodig3. In lijn met het handelingsperspectief verwerken we in deze kadernota al diverse maatregelen die financieel-technisch van aard zijn en geen directe impact hebben op het voorzieningenniveau van de stad: •
•
•
3
Verlengen van afschrijftermijnen van kapitaalgoederen Voor kapitaalgoederen in de openbare ruimte (wegen, bruggen, groen & water, openbare verlichting, civiele constructies, speeltoestellen) is bezien of de afschrijftermijnen verlengd kunnen worden. Hiervoor hebben we gekeken naar de werkelijke levensduur en hebben we een vergelijking gemaakt met afschrijftermijnen die andere gemeenten hanteren. De bijstelling leidt tot verlaging van de jaarlijkse lasten voor afschrijving. De aanpassing van de afschrijftermijnen wordt verwerkt in de nieuwe Financiële verordening (4e kwartaal 2024). Omdat dit wordt beschouwd als een stelselwijziging, vindt hierover overleg plaats met de accountant. Opschonen van bestemmingsreserves Jaarlijks wordt bij de voorbereiding van de nieuwe begroting beoordeeld of voor alle bestemmingsreserves de geplande toevoegingen en onttrekkingen nog actueel zijn. Zo mogelijk volgt dan een voorstel om dekkingsmiddelen te laten vrijvallen, Vooruitlopend op de algehele actualisering is voor deze kadernota rekening gehouden met vrijval van de reservering voor dekking van het project Sloop Juniusstraat (reserve Dekking Kapitaallasten). Voor dit project is op andere wijze in de dekking voorzien. Verbeteren van het realistisch ramen (op basis van een analyse van de rekeningresultaten in de afgelopen jaren) De positieve rekeningresultaten van de afgelopen jaren zijn nader geanalyseerd.
Hierbij is opvallend dat de positieve resultaten op programmaniveau elk jaar gekwalificeerd worden als incidentele afwijkingen. Omdat op totaalniveau sprake is van een structureel patroon van incidentele afwijkingen, is in de kadernota het voorstel opgenomen om op deze ervaringscijfers te anticiperen door een beperkte verlaging van de geraamde lasten in 2025. In de Programmabegroting
Structureel evenwicht betekent dat in enig jaar structurele lasten zijn gedekt door structurele baten.
4. Financieel perspectief / 4.1 Financieel meerjarenbeeld 2024-2028
28
Kadernota 2024
•
2025-2028 volgt een nadere specificatie op programmaniveau. Ook wordt een voorstel voor de doorwerking in de begrotingsramingen vanaf 2026 voorbereid. Bijdrage uit de incidentele dekkingsmiddelen. De incidentele dekking die in de Programmabegroting 2024-2027 voor het lopende jaar is opgenomen, kan op basis van het huidige begrotingssaldo worden verlaagd. Hierdoor ontstaat (extra) ruimte voor de bijdrage die benodigd is in 2025 voor een sluitend begrotingssaldo.
De opbrengst van de maatregelen is vooralsnog toereikend om te voldoen aan de randvoorwaarde van een sluitende begroting 2025 met structureel evenwicht. In de Programmabegroting 2025-2028 volgt hierover een update op basis van de meicirculaire, nadere afspraken over specifieke uitkeringen en indexering van de Wmo en eventuele afspraken in het regeerprogramma over de financiering van gemeenten. Ook is hierbij relevant hoe het financieel toezicht van de provincie wordt ingevuld, met name voor de beoordeling van incidentele lasten, baten en reservemutaties.
4.2 Financiële positie Naast een positief begrotingssaldo en het voldoen aan de eis van structureel evenwicht zijn voor de financiële gezondheid van de gemeente de wendbaarheid en weerbaarheid bepalend. Bij wendbaarheid gaat het erom hoe snel de gemeente de financiële huishouding kan afstemmen op veranderende opgaven of hoe snel de gemeente kan inspelen op nieuwe financiële verhoudingen. Zo zijn bijvoorbeeld lasten van afschrijving en rente weinig flexibel, is onderwijshuisvesting een wettelijke taak met beperkte beïnvloedbaarheid. Inkoop van maatschappelijke ondersteuning is flexibeler, maar voor aanvragen geldt een open einderegeling en bij aanvullende voorzieningen is weer meer ruimte voor eigen beleid. In het algemeen gaat het bij wendbaarheid om: 1. flexibiliteit van budgetten. Dit betreft de samenstelling van lasten en baten, financiële ruimte en de snelheid waarmee kan worden bijgestuurd. 2. flexibiliteit van budgetten. Dit betreft de samenstelling van lasten en baten, financiële ruimte en de snelheid waarmee kan worden bijgestuurd. Bij weerbaarheid gaat het om de vraag hoe groot de financiële buffer is. De benodigde omvang hangt samen met de wendbaarheid. Een lage wendbaarheid vraagt om een hogere weerbaarheid, omdat het aanpassen van de financiële huishouding meer tijd kost.
De weerbaarheid is opgenomen in de Algemene reserve en moet mogelijk worden aangevuld als de weerbaarheidsreserve daadwerkelijk wordt ingezet. De financiële kengetallen over belastingcapaciteit, grondexploitatie en structurele exploitatieruimte gaan over wendbaarheid. De kengetallen over schulden (netto schuldquote en gecorrigeerde netto schuldquote) en eigen vermogen (solvabiliteit) sluiten aan bij weerbaarheid. Hierna volgt een overzicht van de financiële kengetallen. De scores per kengetal zijn positief en overschrijden de signaleringswaarden uit het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK 2020 Gemeenten) van de provincie niet. Een uitzondering geldt voor het kengetal Belastingcapaciteit, waarvoor de score als risicovol wordt gekwalificeerd. Dit kengetal geeft inzicht in de belastingdruk (OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing) ten opzichte van het landelijk gemiddelde en daarmee in de ruimte voor belastingverhoging.
4. Financieel perspectief / 4.2 Financiële positie
29
Kadernota 2024
Ratio's Verplichte kengetallen (BBV) Weerbaarheid - Netto schuldquote - Gecorrigeerde netto schuldquote - Solvabiliteitsratio Wendbaarheid - Kengetal grondexploitaties - Structurele exploitatieruimte - Belastingcapaciteit
Jaarrekening 2023 Prognose 2024 Prognose 2025 Prognose 2026
Signaleringswaarden financiële kengetallen (GTK 2020 Gemeenten) Waarderingscijfer - Netto schuldquote - Gecorrigeerde netto schuldquote - Solvabiliteitsratio - Kengetal grondexploitaties - Structurele exploitatieruimte - Belastingcapaciteit
43,9% 26,9% 41,2%
48,5% 34,6% 46,6%
47,5% 34,0% 47,8%
53,5% 39,5% 46,8%
-0,9% 1,5% 114,6%
0,3% 3,6% 110,4%
-0,9% 4,6% 110,4%
-0,3% 0,4% 110,4%
Minst risicovol <90% <90% >50% <20% >0% <95%
Neutraal Meest risicovol 90-130% >130% 90-130% >130% 20-50% <20% 20-35% >35% 0% <0% 95-105% >105%
Ook de verhouding tussen het risicoprofiel en de beschikbare weerstandscapaciteit geeft een indicatie van de weerbaarheid. Hoe hoger de weerstandsratio, hoe meer vrij besteedbare ruimte er is in de Algemene reserve. In 2024 is de score van 1,52 conform het GTK 2020 Gemeenten als ‘ruim voldoende’ te karakteriseren . 4
Conclusie: De financiële positie is tot en met 2025 houdbaar. De scores van de verplichte financiële kengetallen blijven onder de signaleringswaarden uit het Gemeenschappelijk Toezichtkader van de provincie. De ruimte in de Algemene reserve is beschikbaar als incidentele dekkingsmiddelen voor de prioriteiten en keuzes in deze kadernota. Vanaf 2026 is uitvoering geven aan het handelingsperspectief noodzakelijk om financieel gezond te blijven.
4
Weerstandsvermogen is de verhouding tussen beschikbare weerstandscapaciteit: € 80 miljoen en de benodigde weerstandscapaciteit (o.b.v. risicoprofiel in Jaarstukken 2023 + risico grondexploitatie Kop van de Buitenhof): € 53,6 miljoen.
4. Financieel perspectief / 4.2 Financiële positie
30
Kadernota 2024
5. Financiële uitgangspunten voor de programmabegroting Financiële positie Een duurzaam financieel gezonde gemeente is een randvoorwaarde voor het opstellen en uitvoeren van de Programmabegroting 2025-2028. Voor het inzicht in de financiële positie beantwoorden we de volgende vragen: A. Zijn we financieel wendbaar en weerbaar (ook op de langere termijn)? • •
Financiële kengetallen (BBV) inclusief een toelichting en vergelijking met de signaleringswaarden uit het gemeenschappelijk financieel toezichtkader (GTK 2020 Gemeenten) Inzicht in reserves en voorzieningen
B. Kunnen we de financiële risico's aan? •
Weerstandsratio (benodigd en beschikbaar weerstandsvermogen op basis van het risicoprofiel) en weerstandsnorm uit het gemeenschappelijk financieel toezichtkader (GTK 2020 Gemeenten)
C. Is er ruimte voor nieuw beleid? • • •
Toelichting begroting en meerjarenraming (structureel evenwicht, informatie over stelposten en taakstellingen, verhouding bestaand en nieuw beleid) Renterisico en kasgeldlimiet (wet Financiering decentrale overheden) EMU-saldo
Nominale ontwikkeling De nominale ontwikkeling betreft de aanpassing aan de actuele loon- en prijsontwikkeling en gaat over salariskosten, materiële kosten (inclusief subsidies) en tarieven die stijgen als gevolg van trendmatige ontwikkelingen. Dit jaar betrekken we hierbij ook de investeringen, rijkssubsidies en de verbonden partijen. De nominale ontwikkeling is een belangrijke bouwsteen voor de begrotingsvoorbereiding. Mede op basis van de meicirculaire 2024 bepalen we definitief de toe te kennen indexeringen. Dit is een apart voorstel voor het financieel meerjarenbeeld in de Programmabegroting 2025-2028.
5. Financiële uitgangspunten voor de programmabegroting
31
Kadernota 2024
Nieuwe financieringssystematiek In het coalitieakkoord van het kabinet Rutte IV is een nieuwe financieringssystematiek voor medeoverheden aangekondigd. In de Voorjaarsnota 2023 is besloten om het Gemeentefonds (GF) vanaf 2027 te indexeren op basis van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product. De doorwerking van de bbp-systematiek is bij de Miljoenennota 2024 gedaan. De gekozen vorm van indexatie is gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. De volumeontwikkeling van de fondsen wordt gebaseerd op een 8-jaars (t-9 t/m t-2) historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp en is bestemd voor volumeontwikkeling op basis van demografie en welvaart en voor reële loonstijging. De indexatie voor inflatie volgt de prijs bbp van het lopende jaar en is bestemd voor inflatiecorrectie van inkoop en loon. Het betreft een generieke indexatie en kan naar eigen inzicht van een individuele gemeente worden ingezet. De gemeenten worden jaarlijks bij de Voorjaarsnota en daaropvolgend de meicirculaire geïnformeerd over de hoogte van de indexatie, op basis van de gegevens in het CEP. In het voorjaar wordt het accres van het huidige jaar definitief gemaakt. In de Voorjaarsnota 2024 is het besluit verwerkt tot het vervroegd invoeren van de nieuwe financieringssystematiek in 2024.
Het besluit tot het vervroegd invoeren van de nieuwe financieringssystematiek heeft invloed op de lopende begroting van gemeenten en provincies. Om die reden is besloten de impact hiervan te dempen tot en met 2029. Het verschil tussen de oude en de nieuwe systematiek is de komende jaren als volgt: gewogen gemiddelde* prijs bbp Verschil 2024 5,02% 4,00% -1,02% 2025 3,48% 2,30% -1,18% 2026 3,16% 2,60% -0,56% 2027 3,74% 2,60% -1,14% 2028 3,26% 2,50% -0,76% *Het gewogen gemiddelde wordt bepaald door de indices voor Loonvoet sector overheid (60%), Materiële overheidsconsumptie (20%) en Overheidsinvesteringen (20%). Uit de vergelijking blijkt dat de nieuwe systematiek in alle jaren een lagere compensatie oplevert dan de tot nu gehanteerde systematiek die aansluit bij de kosten van inflatie van gemeenten. Dit betekent dat na afloop van de compensatie rekening moet worden gehouden met een structureel en oplopend nadelig effect van de nieuwe systematiek voor loon- en prijscompensatie.
Delft raamt in constante prijzen. In de nieuwe begroting voor 2025 gaan nominale ontwikkelingen over: 1. bijstelling van de inflatie voor 2024, 2. aanpassing aan het prijspeil 2025 De financiële ruimte voor deze nominale ontwikkelingen baseert het Rijk op de indices in het Centraal Economisch Plan (CEP, februari 2024) van het Centraal Planbureau (CPB). In de Voorjaarsnota van het Rijk zijn hiervoor de middelen geraamd. De nadere uitwerking en verdeling over de gemeenten vindt plaats in de meicirculaire. De middelen die we ontvangen, vormen het financieel kader voor het voorstel voor loon- en prijsbijstelling.
5. Financiële uitgangspunten voor de programmabegroting
32
Kadernota 2024
De kosten van de nieuwe cao zijn reeds verwerkt in de Kadernota 2024. Binnen het financiële kader uit de meicirculaire maken we een inschatting voor de ontwikkeling van de salariskosten in 2025. Dit betreft de loonontwikkeling (op basis van Index Prijs Overheidsconsumptie, beloning werknemers) en de pensioenpremie (op basis van premiebeleid ABP). Voor de budgetten voor goederen en diensten (van derden) is het uitgangspunt: compensatie op basis van de index voor materiële overheidsconsumptie (IMOC). De tarieven stijgen maximaal met de consumentenprijsindex (CPI). We bezien de mogelijkheid en de noodzaak om ook te corrigeren voor de bijstelling van inflatie in 2024. Voor verbonden partijen, subsidies en voor de onderhoudskosten van het vastgoed gelden afwijkende percentages. •
•
•
Voor de budgetten voor goederen en diensten (van derden) is het uitgangspunt: compensatie op basis van de index voor materiële overheidsconsumptie (IMOC). De tarieven stijgen maximaal met de consumentenprijsindex (CPI). We bezien de mogelijkheid en de noodzaak om ook te corrigeren voor de bijstelling van inflatie in 2024. Voor verbonden partijen, subsidies en voor de onderhoudskosten van het vastgoed gelden afwijkende percentages. Voor subsidies wordt compensatie gegeven voor een gewogen gemiddelde van de salarisontwikkeling (op basis van de Index Prijs Overheidsconsumptie, beloning werknemers) en materiële kostenontwikkeling (op basis van de index voor materiële overheidsconsumptie). Uitgangspunt is dat 70% van de subsidie betrekking heeft op salarissen en 30% op materiële kosten. Dit is een generieke compensatie die geen rekening houdt met de specifieke kosten per subsidieontvanger. Voor het Vastgoedbedrijf wordt voor aanpassing van de begroting uitgegaan van vastgoedspecifieke nominale ontwikkelingen. Op basis van de uitgangspunten van de Vastgoedanalyse worden de nominale ontwikkelingen voor het Vastgoedbedrijf bepaald. Het Vastgoedbedrijf huurt een aantal panden van derden. Externe partijen passen de huur jaarlijks aan op basis van bestaande contracten.
Om de ramingen en de werkelijke huurkosten in overeenstemming te brengen, zal het vastgoedspecifieke percentage voor huurkosten worden toegepast.
Onroerendezaakbelasting (OZB) Voor het opstellen van de voorstellen voor de OZB-tarieven gebruikt de gemeente een rekenmodel met het uitgangspunt om te kunnen sturen op de totale OZB-opbrengst, onafhankelijk van de waardeontwikkeling van objecten. Het gaat om drie belastingen: 1. OZB-eigenaren woningen (OZB EW) 2. OZB-eigenaren niet-woningen (OZB ENW) 3. OZB-gebruikers niet-woningen (OZB GNW) De Regionale Belastinggroep levert jaarlijks een dataset voor het model die bestaat uit gegevens over: • •
De totale WOZ-waarde en waardeontwikkeling van woningen in eigendom en van niet-woningen in eigendom en gebruik. De correctiefactor voor bezwaar, oninbaar en leegstand.
In het model zijn de volgende bestuurlijke keuzes verwerkt voor de Programmabegroting 2025-2028: •
De indexering van de totale geraamde opbrengst Een voorstel voor inflatiecorrectie in 2025 wordt voorbereid met inachtneming van het actuele percentage voor de consumentenprijsindex (CPI) in 2023, 2024 en 2025. De opbrengst van deze inflatiecorrectie maakt deel uit van de nominale ontwikkeling en draagt bij aan de bekostiging van de loon- en prijsbijstelling om uit te komen op het prijspeil 2025. Ook in de jaren na 2025 wordt de OZB-opbrengst gecorrigeerd met de CPI.
5. Financiële uitgangspunten voor de programmabegroting
33
Kadernota 2024
•
• • •
Negatieve maatstaf in het gemeentefonds In het gemeentefonds is voor de belastingcapaciteit per gemeente een negatieve maatstaf opgenomen. Dit betekent een korting op de algemene uitkering op basis van een inschatting van de lokale opbrengst van de OZB. Jaarlijks wordt deze maatstaf door de beheerders van het gemeentefonds opnieuw berekend op basis van de waarde onroerende zaken (WOZ) en een landelijk rekentarief. Bij de indexatie van de totale OZB-opbrengst houden we rekening met een gewogen gemiddelde van de ontwikkeling van de negatieve maatstaf en de stijging van de CPI. Verdeling Het aandeel van iedere belasting in de totaalopbrengst. Dit is nu gesteld op: OZB EW 51,45%, OZB ENW 28,23% en OZB GNW 20,32%. Correctiefactoren De toerekening van de correctiefactoren voor bezwaar en leegstand. Areaal Voor de extra inkomsten als gevolg van areaaluitbreiding in het begrotingsjaar 2024 volgt een voorstel in de Programmabegroting 2025-2028. Na het bepalen van de nieuwe tarieven wordt de opbrengst van het nieuwe areaal toegevoegd aan de totaalopbrengst. Deze opbrengst krijgt hiermee het karakter van een meeropbrengst (de WOZ-waarde van het nieuw areaal wordt niet toegevoegd aan de totale WOZ-waarden voor de tariefberekening, waardoor geen dempend effect ontstaat op de belastingtarieven).
Gesloten circuits Reiniging, Riolering, Omgevingsvergunningen (budgetneutraal) Voor de gesloten circuits is het uitgangspunt dat het tarief kostendekkend is en dat alle kosten die gemaakt worden voor het gesloten circuit ook ten laste worden gebracht van het gesloten circuit. Dit betekent dat behalve de directe kosten van afvalstoffeninzameling en- verwerking en het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) rekening wordt gehouden met inflatiecorrectie, perceptiekosten van de RBG, oninbaarheid en areaaluitbreiding. Doorbelasting perceptiekosten Perceptiekosten zijn de uitvoeringskosten die zijn verbonden aan de betreffende heffing. Deze worden toegerekend aan de via het tarief te verhalen kosten als het gaat om een heffing met een maximaal toegestane kostendekkendheid van 100%. Dit zijn met name de rioolheffingen en de afvalstoffenheffing en de leges.Bij de belastingen (OZB, toeristenbelasting, parkeerbelasting, precario, reclamebelasting) gaat het om tarieven zonder limiet en is de kostendekkendheid dus niet relevant.Bij riool, afval en omgevingsvergunningen berekenen we de perceptiekosten door in de tarieven.
Een voorstel voor aanpassing van de tarieven is onderdeel van de Programmabegroting 2025-2028. Naast de trendmatige ontwikkelingen wordt bij de nominale ontwikkeling ook rekening gehouden met exogene aanpassingen van de budgetten voor de gemeenschappelijke regelingen (GR’en). Financieel toezicht provincie Zuid-Holland De begroting moet structureel en reëel in evenwicht zijn. Structureel evenwicht houdt in dat structurele lasten gedekt worden door structurele baten (per jaarschijf). Reëel evenwicht betekent dat ramingen volledig, realistisch en haalbaar zijn. De gemeente voldoet daaraan door integraal rekening te houden met nominale ontwikkelingen en de loon- en prijsbijstelling, overeenkomstig de meicirculaire 2024. Naar aanleiding van de Voorjaarsnota van het Rijk heeft de provincie aangegeven dat binnen de huidige kaders voor financieel toezicht de incidentele verlaging van de Algemene uitkering in 2025 als een structureel nadeel moet worden beschouwd. Dit heeft aanzienlijke consequenties voor het structurele evenwicht van de begroting 2025. Het Rijk gaat in gesprek met de toezichthouders met het verzoek van de kaders af te wijken en de uitname als incidenteel te kwalificeren. Na de meicirculaire volgt hierover uitsluitsel.Vanuit financieel toezicht verwacht de provincie dat gemeenten hun lasten zo realistisch mogelijk ramen. Onderdeel daarvan is dat er voldoende geïndexeerd wordt.
Voorheen was het uitgangspunt de LPO-compensatie in het gemeentefonds. Door de systematiekwijziging is dit niet meer
5. Financiële uitgangspunten voor de programmabegroting
34
Kadernota 2024
toepasbaar en kan dit niet reëel zijn. De provincie verwacht nu dat gemeenten hun lasten reëel ramen en dus ook een reële indexatie verwerken, ongeacht wat er vanuit het gemeentefonds voor LPO wordt gecompenseerd. Om dit te kunnen beoordelen moet aangegeven worden op basis van welke werkwijze en indexatiepercentages (CPB of anderszins) de ramingen zijn gebaseerd.Voor de indexatie van de Wmo geldt als kader dat gemeenten de algemene uitkering op basis van minimaal de meicirculaire moeten ramen. Zo lang de extra middelen voor kostenontwikkeling en demografie/vergrijzing nog niet verwerkt zijn in de circulaire van het gemeentefonds kunnen gemeenten deze dus niet ramen. Sociaal domein Voor het sociaal domein hanteren we een financieel kader dat bestaat uit middelen die zijn opgenomen bij de programma's Gezonde en sociale stad (Wmo, Jeugd), Samenleven, onderwijs en cultuur en Werk en inkomen (participatie). Een actueel overzicht van het financieel kader is onderdeel van begroting en jaarstukken. De uitgaven die nodig zijn voor het sociaal domein en de inkomensverstrekkingen begroten we op basis van lokale ramingen. BBV De gemeentelijke boekhoudvoorschriften in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) zijn geactualiseerd. Eind 2023 heeft de commissie BBV drie nieuwe notities uitgebracht: • • •
de notitie Rente, de notitie Grondbeleid, de notitie Overhead.
Een belangrijke wijziging is dat de doorberekening van de rente aan grondexploitaties wordt vereenvoudigd. Dit betekent dat geen afzonderlijke berekening meer wordt gemaakt van het rentepercentage dat doorberekend wordt aan de grondexploitaties. Hiervoor geldt met ingang van 2025 ook het renteomslag-percentage dat ieder jaar berekend wordt in de Paragraaf Financiering van de gemeentebegroting. Het gevolg hiervan voor de gemeente Delft is dat er iets minder rente wordt doorberekend aan de grondexploitaties (beperkt nadeel voor de algemene middelen). Daar staat tegenover dat er minder rente ten laste van de grondexploitaties wordt gebracht (beperkt voordeel voor de grondexploitaties). Het voor de gemeente Delft beperkte effect hiervan wordt verwerkt in de begroting 2025 en de nota MPG 2025. Ook de notitie Overhead is eind 2023 geactualiseerd. Tot de kosten van overhead worden op grond van deze notitie de kosten gerekend die samenhangen met de sturing en ondersteuning van medewerkers in het primaire proces. Dit is op zichzelf niet nieuw. Uitgangspunt blijft verder ook dat uitvoeringslasten zoveel mogelijk direct worden toegerekend aan de betreffende taakvelden. Wel nieuw is dat de omvang en de samenstelling van de overhead afhankelijk zijn van de karakteristieken van een organisatie. Dit biedt enige ruimte voor gemeente-specifiek maatwerk, bijvoorbeeld bij opgavegericht werken.
De gemeente-specifieke keuzes met betrekking tot overhead worden vastgelegd in de Financiële verordening en een nota Overhead. Verder is het aantal taakvelden (met name in het sociaal domein) uitgebreid. Dit heeft geen budgettair effect en wordt conform deze aanpassing in de regelgeving verwerkt in de programmabegroting 2025. Ook de balanscodes zijn aangepast in verband met nadere eisen vanuit het CBS. Deze nieuwe balanscodes -die ook niet leiden tot extra lasten- worden verwerkt in de jaarstukken 2025. Overige uitgangspunten • De raming van de algemene uitkering uit het gemeentefonds is gebaseerd op de meicirculaire 2024 en afrekeningen over oude jaren. • De omslagrente 2025 berekenen we bij de begroting door de toegerekende rente te delen door de boekwaarde van de vaste activa. • Bij de raming van financieringsbehoefte houden we op basis van de investeringsplanning, ervaringscijfers over de realisatie en de liquide middelen rekening met een gemiddeld investeringsvolume van € 57 miljoen per jaar (bruto). Hierbij is rekening gehouden met het
5. Financiële uitgangspunten voor de programmabegroting
35
Kadernota 2024
•
gefaseerd (oplopend) besteden van ontvangen rijkssubsidies voor woningbouw, infrastructuur en de energietransitie. In de Programmabegroting 2025-2028 toetsen we deze aanname op actualiteit. In principe is de stijging van de algemene uitkering als gevolg van de groei van de stad (inwoners, woningen) bestemd voor de stijging van de kosten die samenhangen met deze groei. Het inzetten van extra inkomsten als gevolg van de groei van de stad voor andere zaken kan alleen nadat vaststaat dat de integrale kosten van de groei structureel zijn geraamd in de begroting.
Systematiek berekening risicoprofiel De Delftse systematiek van bepaling van het risicoprofiel is gebaseerd op een landelijk gebruikelijke methodiek, waarbij de kans van optreden van risico’s een nadrukkelijker onderdeel vormt van de berekening.
5. Financiële uitgangspunten voor de programmabegroting
36
Bijlagen
Kadernota 2024
• • • • •
Bijlage I: Begrotingswijziging bij Kadernota 2024 (IA toelichting, IB Begrotingswijziging) Bijlage II: Algemene Raadsbegrotingswijziging (ARB) + toelichting (IIA Toelichting, IIB Raadsbegrotingswijziging) Bijlage III: Bezuinigingsrapportage (IIIA toelichting, IIIB cijfermatige monitor) Bijlage IV: Moties en toezeggingen: afdoeningsvoorstellen en stand van zaken Bijlage V: De drie opgaven
Bijlagen
38
Kadernota 2024
Colofon Dit is een uitgave van Gemeente Delft Postbus 78, 2600 ME Delft Telefoon 14015 Internet www.delft.nl
Colofon
39