CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Geconsolideerde versie financiele verordening

Raadsvergadering 21 december 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake wijziging van de Financiële verordening gemeente Delft (nr. 2347751)12.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 van de Gemeentewet, is een privaatrechtelijk besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college (eerste lid, onder e, van artikel 160 van de Gemeentewet), maar hebben wel invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de raad. Het derde lid bepaalt, dat het college aan de raad eens in de vier jaar een nota aanbiedt met daarin de kaders voor de te hanteren prijzen, huren en tarieven voor erfpacht. De raad stelt deze nota vast. Het vierde lid bepaalt, dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de kaders uit de nota, vooraf ter besluitvorming aan de raad worden

21

aangeboden. Toelichting artikel 15. Financieringsfunctie De financieringsfunctie (treasury) is een onderdeel van het middelenbeheer. Gezien de operationele kwetsbaarheid van deze functie bevat artikel 212 van de gemeentewet het expliciete voorschrift dat de Financiële verordening kaders bevat voor uitvoering van de financieringsfunctie. De uitvoering van de financieringsfunctie komt aan de orde in de paragraaf Financiering in de programmabegroting en de jaarstukken, zoals in het Besluit Begroting en Verantwoording is voorgeschreven. In aanvulling hierop stelt het college een Treasurystatuut op dat protocollen bevat voor de dagelijkse uitvoering. Het Treasurystatuut wordt eens in de vier jaar aan de raad ter kennisname aangeboden. Met de wet Verplicht schatkistbankieren voor decentrale overheden is bepaald dat decentrale overheden hun overtollige liquide middelen aanhouden bij het ministerie van Financiën of andere gemeenten, waterschappen of provincies met uitzondering van de provincie Zuid-Holland (omdat daar een toezichtsrelatie mee bestaat). Hierdoor vermindert het financieel risico van decentrale overheden en hoeft de Nederlandse staat voor zijn financieringsbehoefte minder te lenen op de kapitaalmarkt. Als gevolg van deze wet is in de Financiële verordening het tweede lid, sub b.

opgenomen waarin staat dat overtollige middelen uitsluitend worden uitgezet bij het ministerie van Financiën of andere decentrale overheden. De kasgeldlimiet en de renterisiconorm zijn wettelijk geregeld in de wet Financiering Decentrale Overheden (wet FiDO). Overschrijding is in beginsel niet toegestaan. Gedeputeerde Staten van de provincie moeten in hun hoedanigheid van toezichthouder ingrijpen, als de kasgeldlimiet meer dan drie kwartalen wordt overschreden, maar kunnen onder bijzondere omstandigheden een tijdelijke overschrijding toestaan. Bij overschrijding kan de gemeente worden geconfronteerd met preventief toezicht op het sluiten van kortlopende (kasgeldlimiet) of langlopende (renterisiconorm) leningen. De raad wordt daarom wanneer overschrijding dreigt van de renterisiconorm daarover door het college geïnformeerd. Bij een dreiging van de overschrijding van de kasgeldlimiet van meer dan drie opeenvolgende kwartalen zal het college de raad inlichten in het derde kwartaal van overschrijding. In lid 3 van dit artikel is vastgelegd, onder welke voorwaarde het gebruik van derivaten is toegestaan en onder welke voorwaarden langlopende leningen mogen worden aangetrokken. Lid 4 regelt dat de gemeente leningen en garanties verstrekt ten behoeve van publieke taken.

TITEL 3. PARAGRAFEN De paragrafen in de begroting en het jaarverslag bieden een dwarsdoorsnede van onderwerpen die van belang zijn voor het inzicht van de raad. Daarnaast geven de paragrafen extra informatie ter beoordeling van de financiële positie en risico’s op de korte en langere termijn. Het Besluit Begroting en Verantwoording schrijft zeven verplichte paragrafen voor, namelijk Lokale heffingen, Weerstandsvermogen en risicobeheersing, Onderhoud kapitaalgoederen, Financiering, Bedrijfsvoering, Verbonden partijen en Grondbeleid. Het staat de gemeente vrij om aanvullende paragrafen toe te voegen aan de begroting en jaarverslag (zie ook artikel 2, lid 4). Paragrafen zijn altijd een dwarsdoorsnede van een onderwerp dat feitelijk ook in een of meerdere programma’s

22

is verwerkt. Paragrafen bieden een verdiepend inzicht door de andere invalshoek die voor het specifieke onderwerp gekozen is. Daarmee legt de gemeente ook direct het (verplichte) verband met de uitvoering van de programma’s. Toelichting artikel 16. Lokale heffingen Artikel 229b Gemeentewet en artikel 15.33 Wet milieubeheer stellen randvoorwaarden aan de hoogte van de meeste lokale heffingen. Behalve tarieven voor het geven van vermakelijkheden en algemene belastingen mogen de lokale heffingen niet het bedrag van de geraamde kostprijs te boven gaan. Voor het vaststellen van de hoogte van de verschillende bestemmingsbelastingen en de retributies heeft de raad de geraamde kostprijs per tarief of heffing nodig. Het college draagt daarom zorg voor een actueel overzicht van de algemene belastingen, bestemmingsbelastingen en retributies. Het college geeft aan de raad jaarlijks inzicht in de mate van kostendekkendheid van de bestemmingsbelastingen en de retributies. Het derde lid regelt over welke feiten aangaande de lokale lasten de raad in elk geval in de verplichte paragraaf Lokale heffingen bij de programmabegroting en jaarstukken wordt geïnformeerd. Toelichting artikel 17. Weerstandsvermogen en risicobeheersing Een gemeente loopt risico’s van uiteenlopende aard.

Voor een deel van deze risico’s kan een gemeente zich verzekeren, moeten voorzieningen worden gevormd, of is anderszins beheersing mogelijk in de bedrijfsvoering. Voor een ander deel van de risico’s is dit niet het geval. Daarnaast kiezen gemeenten er soms voor om voor bepaalde verzekerbare risico’s eigen risicodrager te worden door zich bewust niet voor deze risico’s te verzekeren. De niet verzekerde risico’s hebben, als deze zich voordoen, (grote) financiële consequenties. Het is dus zaak dat de gemeente zich bewust is van de risico’s die ze loopt, en deze beheerst. Het uitsluiten van risico’s is echter niet mogelijk. Niet verzekerde risico’s die zich voordoen, moet de gemeente opvangen met het eigen vermogen, door belastingverhoging of door beleidsmatige ombuigingen binnen de programmabegroting. Het eerste lid van artikel 17 regelt dat inzicht wordt geboden in de aard en omvang van de risico’s en in hun financiële consequenties in de verplichte paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing van de programmabegroting en de jaarstukken. Met het tweede lid geeft het college inzicht in de dekkingsgraad voor de benodigde weerstandscapaciteit (op basis van het risicoprofiel), dat wil zeggen in hoeverre mogelijke schade en verliezen van materieel belang met de beschikbare weerstandscapaciteit (algemene reserve, onvoorzien, belastingcapaciteit) kunnen worden opgevangen.

Dit is de zogenaamde weerstandsratio. Het derde lid geeft aan dat de post Onvoorzien onderdeel uitmaakt van de beschikbare weerstandscapaciteit en beschikbaar is voor incidentele tegenvallers die onontkoombaar, onvermijdelijk en onuitstelbaar zijn. Het vierde lid schrijft voor dat het college in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing een overzicht opneemt van het EMU-saldo, prognosebalansen en kengetallen. Deze informatie kan worden betrokken bij de beoordeling van de financiële positie, waaronder de schuldpositie van de gemeente. Toelichting artikel 18. Onderhoud kapitaalgoederen Het college is verantwoordelijk voor (meerjarige) beheerplannen voor het onderhoud aan de verschillende categorieën kapitaalgoederen.

23

In het tweede lid van artikel 18 wordt aangegeven over welke feiten aangaande het financieel beheer van het onderhoud van kapitaalgoederen de raad in de verplichte paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen bij de programmabegroting en jaarstukken in elk geval geïnformeerd wordt. De paragraaf geeft inzicht in beleidsuitgangspunten, toekomstige ontwikkelingen en de bijbehorende financiële prognoses. Het gaat om de samenhang tussen het vastgestelde beleid (beheerplannen), huidige kwaliteitsniveaus en beschikbaar budget. Tevens wordt aangegeven of de huidige reserves of voorzieningen toereikend zijn voor de toekomstige lasten. In lid 3 en 4 is geregeld, dat de raad tenminste eens in de vier jaar geactualiseerde beheerplannen en een nota kapitaalgoederen ontvangt. De beheerplannen voor de openbare ruimte en gebouwen worden uitsluitend ter vaststelling aan de raad voorgelegd als de kaders wijzigen of als er financiële consequenties zijn. Als daar geen sprake van is, wordt een nieuw beheerplan ter informatie aan de raad aangeboden. Toelichting artikel 19. Financiering De basis voor dit artikel is gelegen in artikel 15 Financieringsfunctie. Artikel 19 regelt over welke onderwerpen inzake het financieel beheer van de financieringsfunctie de raad in elk geval in de verplichte paragraaf Financiering bij de programmabegroting en jaarstukken wordt geïnformeerd. Toelichting artikel 20.

Bedrijfsvoering De paragraaf Bedrijfsvoering is sinds de introductie van het Besluit Begroting en Verantwoording in 2004 (BBV) een verplichte paragraaf in de begroting en het jaarverslag. In deze paragraaf moet ‘ten minste inzicht in de stand van zaken en de beleidsvoornemens ten aanzien van de bedrijfsvoering’ worden gegeven. Deze formulering geeft veel ruimte om gemeente-specifiek invulling te geven aan deze paragraaf. De paragraaf Bedrijfsvoering beschrijft hoe de gemeente de bedrijfsprocessen die nodig zijn om beleidsdoelstellingen uit de programma's te realiseren, beheerst en aanstuurt. Het betreft zowel beleidsmatige (primaire) processen, ondersteunende (secundaire) processen en de sturing en beheersing ervan. Door een dwarsdoorsnede te maken krijgt de raad een beter beeld hoe de gemeente dit specifieke onderwerp beheerst en welke risico’s er worden gelopen. Hierbij zijn zowel de succesvolle realisatie van de programma's als de verwachtingen van burgers van invloed en stellen daardoor eisen aan die bedrijfsvoering. Sturen en beheersen van de bedrijfsprocessen zijn niet de primaire verantwoordelijkheid van de raad, maar van het college. De raad moet zich wel een oordeel kunnen vormen over de inrichting en het functioneren van de bedrijfsvoering in de zin dat deze doeltreffend en doelmatig is ingericht.

Een paragraaf Bedrijfsvoering op voldoende kwalitatief en kwantitatief niveau is daarbij essentieel. Het is van belang dat de raad kennisneemt van de paragrafen om zodoende de daarin opgenomen gemeente specifieke aandachtspunten mee te nemen in de kaderstellende en controlerende activiteiten. De paragraaf Bedrijfsvoering kent geen voorgeschreven wettelijke structuur. Aandachtspunt is dat de paragraaf Bedrijfsvoering zich niet beperkt tot het deel dat door de organisatie wordt aangemerkt als overhead. Feitelijk kunnen alle onderwerpen met een overkoepelend karakter die de gemeentelijke organisatie betreffen in deze paragraaf aan de orde komen. Zo kunnen in deze paragraaf onderwerpen als integriteit, innovatie en privacy aan de orde komen. Maar ook de organisatiestructuur, personeelsbeleid, duurzaamheidsbeleid en investeringsbeleid kunnen aan de orde komen. Voorop staat dat de eigenheid van de gemeente bepalend is voor de onderwerpen in de paragraaf Bedrijfsvoering. Door de jaren heen kan dit veranderen doordat de raad andere prioriteiten of accenten legt, maar ook door (externe) ontwikkelingen als nieuwe wetgeving of de ontwikkeling van een nieuwe wijk.

24

Lid 2 regelt over welke onderwerpen de raad in ieder geval wordt geïnformeerd. Lid 3 regelt dat in de paragraaf Bedrijfsvoering aanvullend wordt gerapporteerd over niet financiële onrechtmatigheid (inclusief fraude en het niet naleven van de wet Fido) en de voortgang van de onderzoeken naar doelmatigheid en doeltreffendheid die voortvloeien uit artikel 213a van de Gemeentewet. Niet financiële onrechtmatigheden zijn geen onderdeel van de rechtmatigheidsverantwoording (zie hierna). Op basis van afspraken tussen raad en college in de financiële verordening zijn deze onrechtmatigheden onderdeel van de paragraaf Bedrijfsvoering. Fraude omvat opzettelijke handelingen door één of meerdere personen binnen de gemeente, waarbij gebruik wordt gemaakt van opzettelijke misleiding teneinde een onrechtmatig of onwettig voordeel te behalen. Omdat fraudes onderdeel zijn van de getrouwheidsverklaring van de accountant, worden deze niet opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. Een niet financiële onrechtmatigheid kan zich voordoen bij de Wet fido 1 en onderliggende regelingen. Aan overtredingen van de Wet fido, bijvoorbeeld overschrijdingen van de kasgeldlimiet of renterisiconorm, zijn meestal geen (directe) financiële gevolgen verbonden. Deze onrechtmatigheden behoeven derhalve niet te worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.

Lid 4 t/m 7 Rechtmatigheidsverantwoording Vanaf het opstellen van het Jaarverslag 2023 legt het college verantwoording af over de rechtmatigheid op basis van een standaardmodel dat bij wet is vastgelegd. Rechtmatigheid is een juridische term, die aangeeft dat een (voorgenomen) handelwijze in overeenstemming is met de geldende regels en besluiten. Dit begrip is van toepassing op alles wat een gemeente qua taken op zich neemt. Dit betekent dat alle handelingen van een gemeente moeten voldoen aan alle wet- en regelgeving op het gebied van bijvoorbeeld arbeidsomstandigheden (Arbo), aanbestedingen, omgevingswet, subsidievoorwaarden (NB: ontbrekende afrekeningen van subsidies leiden niet tot een onrechtmatigheid), raadsbesluiten enzovoort. Van een overheidsorganisatie mag immers verwacht worden dat zij conform wet- en regelgeving handelt. Het begrip rechtmatigheid in het kader van de rechtmatigheidsverantwoording is een minder omvattend begrip. Bij rechtmatigheid in het kader van de rechtmatigheidsverantwoording bestaat er een duidelijke relatie met het financiële beheer. Er moet immers worden verantwoord dat de baten, lasten en balansmutaties die in de jaarrekening zijn opgenomen rechtmatig tot stand zijn gekomen. Het gaat dus om de financiële beheershandelingen.

Vanaf het Jaarverslag 2023 moet het college in de paragraaf Bedrijfsvoering specifiek ingaan op de afwijkingen die geconstateerd zijn in de rechtmatigheidsverantwoording. 1

Bij het aantrekken van geld en het uitzetten van middelen moeten de Nederlandse decentrale overheden zich houden aan de Wet Financiering decentrale overheden (Wet fido). De belangrijkste doelstellingen van deze wetgeving zijn het zorgen voor een efficiënte financiering en een adequate risicobeheersing ten aanzien van de treasury activiteiten.

25

Afwijkingen in de rechtsmatigheidsverantwoording hebben betrekking op onrechtmatigheden (misbruik, fouten, begrotingsonrechtmatigheden) en onduidelijkheden. Deze begrippen zijn onderling niet uitwisselbaar al kan er wel sprake zijn van overlap. Lid 4 regelt de kaderstelling op het gebied van de rechtmatigheidsverantwoording. Dit betreft: a. het normenkader b. de verantwoordingsgrens voor de rechtmatigheidsverantwoording c. de rapportagegrens in de paragraaf Bedrijfsvoering d. het inzicht in de maatregelen die worden genomen om afwijkingen in de toekomst te voorkomen (verbeterplan). Ad a. het normenkader Voor een goede totstandkoming van de rechtmatigheidsverantwoording is belangrijk dat de geldende regelgeving duidelijk vastligt. Het college is primair verantwoordelijk voor de naleving van de wet- en regelgeving en moet dus permanent inzicht hebben in de van toepassing zijnde relevante wet- en regelgeving. Dit betreft het normenkader. Het college stuurt het normenkader naar de raad. De raad stelt het normenkader vast. Het operationaliseren van het normenkader is een taak van het college en wordt vastgelegd in het toetsingskader. In het toetsingskader is per wet/regeling/verordening vastgelegd welke artikelen relevant zijn voor de toetsing. Het normenkader is de set aan regelgeving waaraan in het kader van de rechtmatigheid moet worden voldaan.

Daarbij gaat het zowel om Europese regelgeving, wettelijke bepalingen als eigen regelgeving, zoals verordeningen vastgesteld door de raad. In dit kader zijn bij de wettelijke bepalingen alleen de financiële beheershandelingen van belang, zoals bijvoorbeeld Europese aanbestedingsrichtlijnen en niet de wettelijke bepalingen rond bijvoorbeeld naleving van privacyregels. Uiteraard moet de gemeente deze regels ook naleven, maar bij het opstellen van de rechtmatigheidsverantwoording spelen deze geen rol. Voor verordeningen geldt dat alle gemeentelijke verordeningen voor zover deze bepalingen bevatten over financiële beheershandelingen onderdeel uitmaken van het normenkader. Ook andere besluiten van de raad met een kaderstellend karakter en die bepalingen bevatten over financiële beheershandelingen, zijn een verplicht onderdeel van het normenkader (begroting, raadsbesluiten over investeringsvoorstellen, beleidsnota’s). Ad b. de verantwoordingsgrens De verantwoordingsgrens bepaalt of afwijkingen in de rechtmatigheidsverantwoording moeten worden opgenomen. Dit betekent dat rechtsmatigheidsfouten pas in de rechtmatigheids-verantwoording worden opgenomen en toegelicht, wanneer deze boven het door de raad vastgestelde percentage komen. De verantwoordingsgrens valt binnen de bandbreedte van 0% tot 3% van de totale lasten van de gemeente, inclusief de dotaties aan de reserves.

Voor zowel fouten als voor onduidelijkheden afzonderlijk geldt hetzelfde percentage. Fouten en onduidelijkheden worden niet bij elkaar opgeteld. Ad c. de rapportagegrens De rapportagegrens bepaalt vanaf welke omvang de afwijkingen moeten worden toegelicht in de paragraaf Bedrijfsvoering. De toelichting betreft achtergrond en oorzaak en maakt oordeelsvorming door de raad mogelijk.

26

Het is mogelijk dat de raad aparte rapportagegrenzen vaststelt voor het voorwaardencriterium, het begrotingscriterium en het misbruik en oneigenlijk gebruik criterium (ongeacht of de verantwoordingsgrens wordt overschreden). Daarnaast kan de raad ook bepalen dat specifieke onderwerpen aan de orde moeten komen. Ad d. maatregelen (verbeterplan) Het college geeft in de paragraaf bedrijfsvoering een overzicht van de getroffen en nog te treffen beheersmaatregelen om de gerapporteerde afwijkingen in de toekomst te voorkomen. Lid 5 Voorwaardencriterium In het lid (a) wordt de definitie weergegeven van het voorwaardencriterium, het zogenaamde “normenkader”. Lid (b) geeft aan dat jaarlijks het normenkader ten aanzien van de rechtmatigheidsverantwoording door de gemeenteraad moet worden vastgesteld en voor een bepaalde datum aan de raad moet worden aangeboden. Lid 6 Begrotingscriterium Lid (a) gaat expliciet in op de begrotingsrechtmatigheid. In lid (a) wordt het begrip begrotingsrechtmatigheid gedefinieerd. Lid (b) De baten en lasten moeten zich bewegen binnen de door de raad goedgekeurde en vastgestelde budgetplafonds. Indien er een overschrijding plaatsvindt is er in principe sprake van een begrotingsonrechtmatigheid. Lid 7 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium Lid (a) Dit artikel voorziet in het zogenaamde “misbruik en oneigenlijk gebruik criterium”.

In lid (a) wordt het criterium gedefinieerd. Van misbruik is sprake bij het opzettelijk niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte overheidssubsidies of -uitkeringen te verkrijgen of niet dan wel een te laag bedrag aan heffingen aan de overheid te betalen. Van oneigenlijk gebruik is sprake indien bij het aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, het verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van heffingen aan de overheid, in overeenstemming met de bewoordingen van de regelgeving is maar in strijd met het doel en de strekking daarvan is. Lid (b) Aan Burgemeester en wethouders wordt opgedragen om regels op stellen voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. Toelichting artikel 21. Verbonden partijen en subsidies Een paragraaf Verbonden partijen is voorgeschreven in het BBV als onderdeel van begroting en jaarstukken. Verbonden partijen zijn partners van de gemeente die, alleen óf in samenwerking met andere gemeenten of organisaties, beleidstaken uitvoeren. De gemeente heeft de beleidskeuze meer of minder een regierol te pakken ten aanzien van uitvoerende taken en die taken (1) over te laten aan initiatiefnemers uit de samenleving, (2) zelf de uitvoering ter hand te nemen, of

27

(3) in opdracht te laten uitvoeren. In deze regierol kunnen verschillende instrumenten worden toegepast, zoals subsidie of inkoop en wordt met verschillende partners samengewerkt. Daarom neemt de gemeente de meerjarige subsidiepartners ook op in deze paragraaf. Het tweede lid regelt dat het college ook majeure ontwikkelingen benoemt of verwijst naar andere stukken voor de raad. Dit lid stelt regels aan de verantwoordingsinformatie over deelnemingen, mede op basis van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Specifiek wordt ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het beëindigen van bestaande verbonden partijen, het wijzigen van bestaande verbonden partijen en eventuele problemen bij bestaande verbonden partijen. Ingevolge het BBV wordt een lijst van verbonden partijen bijgehouden. Lid 3 betreft de verstrekking van gemeentelijke subsidies. De hiermee samenhangende middelenstroom raakt aan de kaderstellende rol en het budgetrecht van de raad. Lid 4 regelt dat het college vierjaarlijks een geactualiseerde nota over de gemeentelijke verbonden partijen ter behandeling en vaststelling door de raad aanbiedt. Lid 5 betreft kaderstelling voor het Delftse subsidiestelsel.

De Delftse subsidiesystematiek bestaat uit een door de gemeenteraad vastgestelde Algemene Subsidieverordening en de verordening Financiële en Materiële gelijkstelling en daarnaast de door het college vastgestelde nadere uitvoeringsregels, zoals de Subsidieregeling subsidie gemeente Delft 2020. De Algemene subsidieverordening en de verordening Financiële en Materie bevatten algemene uitgangspunten en regels voor subsidieverstrekking en worden periodiek geëvalueerd alsmede naar bevind van zaken geactualiseerd (bijv. gewijzigde wet- en regelgeving) en vastgesteld door de raad. Her vaststellen van de Subsidieregelingen en Beleidsregels is een collegebevoegdheid. Omdat programmabegroting, jaarstukken en nota’s openbare stukken zijn, kan vermelding van bepaalde in de Financiële verordening vereiste informatie de belangen van de gemeente schaden (bijvoorbeeld het voornemen om een financieel belang af te stoten kan in bepaalde situaties de onderhandelingspositie van de gemeente aantasten). Deze informatie wordt vanzelfsprekend vooraf en tijdens de onderhandeling niet herkenbaar in de programmabegroting, jaarstukken en openbare nota’s vermeld, maar naderhand wel verantwoord. Toelichting artikel 22. Grondbeleid Een belangrijke taak van een gemeente is het daadwerkelijk ingrijpen in de ruimtelijke ordening van een gemeente door zelf vastgoedlocaties te (laten) ontwikkelen.

De uitgangspunten van het financieel beleid ten aanzien van het grond- en vastgoedbedrijf horen bij de raad thuis. Het tweede lid regelt, dat het college jaarlijks het geactualiseerde Meerjarenprogramma Grondontwikkeling (MPG) ter informatie aan de raad stuurt. Via deze nota wordt de raad geïnformeerd over de uitvoering van de kaders voor het toekomstig grond- en vastgoedbeleid. Tevens wordt bepaald, dat een tussentijdse rapportage wordt uitgebracht over het MPG. Dit gebeurt in de vorm van het t-MPG, gelijktijdig met de najaarsrapportage. Het derde lid verwijst naar de verplichte paragraaf Grondbeleid in de programmabegroting en de jaarstukken. Daar de programmabegroting, jaarstukken en nota’s openbare stukken zijn, kan vermelding van bepaalde in de verordening geëiste informatie de belangen en/of de (onderhandelings-)positie van de gemeente schaden. Zulke gegevens worden niet herkenbaar opgenomen in de programmabegroting, jaarstukken en openbare nota’s. Het vierde lid verwijst naar de inhoud van het (t)MPG.

28

TITEL 4. FINANCIËLE ORGANISATIE EN ADMINISTRATIE Toelichting artikel 23. Administratie In dit artikel worden de kaders gegeven voor de inrichting van de administratie van de gemeente. In hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens moeten worden vastgelegd en aan welke eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze verordening regelt niet -inherent aan het dualisme- de regels en activiteiten die daarvoor in de uitvoering nodig zijn. Dat is een taak van het college. Toelichting artikel 24. Registratie bezittingen, activa en vermogen Voor een goed beeld van de financiële positie is een volledige registratie van de gemeentelijke bezittingen onontbeerlijk. De noodzaak om de investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut te registreren indien zij volledig zijn afgeschreven ontbreekt, immers de gemeente kan deze investeringen niet overdragen aan derden en leidt tot administratieve ballast. Om een volledige registratie van de gemeentelijke bezittingen te borgen zal het college de registratie periodiek controleren en bij afwijkingen maatregelen tot herstel treffen. Toelichting artikel 25. Financiële organisatie In dit artikel worden uitgangspunten voor de inrichting van de financiële organisatie gegeven, waaraan het college bij het stellen van regels voor de ambtelijke organisatie invulling zal geven.

Een belangrijk onderdeel van de administratie is de financiële administratie. Bij algemene maatregel van bestuur stelt het Rijk eisen aan de verantwoordingsinformatie van gemeenten. In het Besluit Begroting en Verantwoording zijn onder andere waarderingsgrondslagen, balansindeling en verplicht op te leveren financiële gegevens vastgelegd. Vanuit de financiële administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de financiële verantwoordingsinformatie aan de raad, maar ook aan Gedeputeerde Staten in hun rol als toezichthouder, het rijk, de Europese Unie, etc. De inkoop en de aanbesteding van werken, leveringen en diensten zijn belangrijke en kwetsbare activiteiten die een groot budgettair effect kunnen hebben. Het hanteren van een protocol is naast de desbetreffende administratieve aspecten ook te zien als een vorm van risicobeheersing. De aansprakelijkheid kan worden beperkt en er wordt jegens derden rechtszekerheid gecreëerd. Dit artikel legt aan het college de zorg op om regels op te stellen voor de aanbesteding van werken en inkoop van goederen en diensten. De regelgeving van de Europese Unie dient daarbij nageleefd te worden. Doordat de regels worden vastgelegd kan de accountant bij zijn controle van de jaarstukken nagaan of de interne regels (en de Europese regelgeving) zijn nageleefd, het is een onderdeel van de rechtmatigheidstoets.

De accountant beoordeelt hiervoor eveneens het systeem van interne regels. Toelichting artikel 26. Interne controle

29

Het college zal voor de inrichting van de financiële organisatie maatregelen laten treffen door de organisatie op het gebied van interne controle, bijvoorbeeld een adequate functie-scheiding. Voor een goede interne controle zijn aanvullende onderzoeken nodig. Op grond van de uitkomsten van de onderzoeken worden bij tekortkomingen maatregelen tot herstel getroffen, waarbij de raad over de uitkomsten van de onderzoeken en de eventuele maatregelen tot herstel op de hoogte wordt gebracht. De genoemde onderzoeken in dit artikel omvatten niet de interne onderzoeken van het college naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur. Regels voor deze interne onderzoeken zijn opgenomen in de verordening artikel 213a Gemeentewet.

TITEL 5. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Toelichting artikel 27. Overgangsbepaling In dit artikel wordt toegelicht dat op investeringen van vóór 2018 het toenmalige landelijke beleid van toepassing blijft. Dit is conform de inwerkingtreding destijds die enkel verplichtend werd voor nieuwe investeringen. Toelichting artikel 28. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in de plaats van de vorige verordening die is opgesteld op grond van artikel 212 Gemeentewet. Toelichting artikel 29. Citeertitel In dit artikel wordt de naam gegeven, waarmee men in de gemeentelijke stukken naar deze verordening kan verwijzen.

BIJLAGE Toelichting Bijlage 1 Afschrijvingsbeleid In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat de Financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 van deze verordening invulling gegeven. Voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de bijlage bij de verordening. In de bijlage zijn naast de methodiek (lineair) de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën immateriële vaste activa, materiële vaste activa met economisch nut en materiële vaste activa met maatschappelijk nut opgenomen. Activa met een geringe aanschafwaarde of vervaardigingsprijs worden, met uitzonding van gronden en terreinen, niet geactiveerd. Het grensbedrag zorgt voor een verlaging van de administratieve lasten. Tevens is van de mogelijkheid gebruikgemaakt om voor bepaalde vaste activa een maximale afschrijvingstermijn op te nemen in plaats van een vaste afschrijvingstermijn. Van een maximale afschrijvingstermijn kan met de afschrijvingstermijn naar beneden worden afgeweken. Reden hiervoor is, dat de economische levensduur van bijvoorbeeld nieuwe activa langer is dan die van de oude. Of dat beter kan worden geanticipeerd op de verschillen die zich binnen Delft kunnen voordoen.

Door het opnemen van de maximale afschrijvingstermijn kan een kortere afschrijvingstermijn worden toegepast zonder hiervoor in de verordening een aparte bepaling op te nemen.

30

Riolering: Het BBV staat toe te sparen voor toekomstige vervanging van rioleringen. De exploitatie wordt jaarlijks belast met een dotatie aan de voorziening Riolering. De middelen binnen deze voorziening dienen daarmee als dekkingsbron voor de vervanging van het riool. Delft maakt gebruik van deze mogelijkheid in het BBV, waardoor de exploitatielasten voor het taakveld Riolering minder fluctueren. In het geval dat de voorziening (tijdelijk) niet toereikend is, zal worden overgegaan tot activeren. Sinds 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Het Besluit Begroting en Verantwoording laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast.

31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13551933/2