Geconsolideerde versie financiele verordening
Tekst van het document
Financiële verordening gemeente Delft (Artikel 212 en 213 Gemeentewet) VERORDENING voor het financieel beleid, het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële
organisatie van de gemeente Delft. Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a
administratie
Het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Delft en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. b financiële administratie Het systematisch verwerken van financiële gegevens van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Delft, teneinde te komen tot een goed inzicht in: • de financieel-economische positie; •
het financieel beheer;
•
de uitvoering van de programmabegroting;
•
het afwikkelen van vorderingen en schulden;
•
het rekeningresultaat en de verantwoording daarover.
c
administratieve organisatie
Het stelsel van organisatorische maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand houden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging ten behoeve van de verantwoordelijke leiding. d financieel beheer Het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het beheer van middelen en het uitoefenen van rechten van de gemeente Delft. e
cyclusdocumenten
Dit betreft de documenten die onderdeel uitmaken van de planning- & controlcyclus: kadernota (inclusief voorjaarsrapportage), programmabegroting, najaarsrapportage, en jaarstukken (jaarverslag en jaarrekening). f rechtmatigheid Het in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving, inclusief de nadere uitwerking in gemeentelijke verordeningen, de controleverordening, het controleprotocol en het toetsingskader accountantscontrole. g doelmatigheid Het realiseren van bepaalde prestaties en beoogde maatschappelijke effecten met een zo efficiënt mogelijke inzet van middelen. h doeltreffendheid De mate waarin bepaalde prestaties bijdragen aan beoogde maatschappelijke effecten. i
programma
De programma's geven voor een afgebakend beleidsterrein aan wat de belangrijkste door de gemeente nagestreefde doelen zijn. Per programma is vermeld welke maatschappelijke effecten worden nagestreefd en welke prestaties bijdragen om die maatschappelijke effecten te bereiken. j taakveld
1
Verplicht voorgeschreven eenheden (beleidsvelden) waarin de programma's zijn onderverdeeld. De taakvelden zijn onderdeel van de Informatie voor derden (lv3). Dit is een informatiesysteem van het Rijk dat voorschrijft welke informatie de gemeente moet verstrekken. De lv3 levert een bijdrage aan de informatievoorziening over de financiën van medeoverheden en maakt vergelijkingen tussen gemeenten mogelijk. k indicator Bij de programma's zijn beleidsindicatoren opgenomen: hiermee wordt gemeten of effecten en/of prestaties worden gehaald. l
streefwaarde
Bij de indicatoren worden streefwaarden geformuleerd. Een streefwaarde is het nagestreefde en meetbare niveau waarop de indicator op een vastgelegd moment moet komen.
TITEL 1. PROGRAMMABEGROTING EN VERANTWOORDING Artikel 2. Programmabegroting 1.
De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programmaindeling voor die raadsperiode vast.
2.
a. De indeling van de begroting betreft een onderverdeling in programma's en een toedeling van taakvelden. b. Indien wijzigingen in de indeling noodzakelijk zijn, worden deze vermeld en in het geval van aanpassingen op het niveau van de programma's aan de raad ter goedkeuring voorgelegd.
3.
De raad stelt per programma vast: a.
4.
b.
de beoogde maatschappelijke effecten en prestaties, streefwaarden voor de voorgeschreven beleidsindicatoren (BBV) en zelfgekozen indicatoren en streefwaarden; de baten en lasten, stortingen en onttrekkingen;
c.
het investeringsprogramma.
De raad stelt in ieder geval bij aanvang van de raadsperiode vast over welke onderwerpen een extra paragraaf- naast de verplichte paragrafen - wordt opgenomen.
Artikel 3. Tussentijdse rapportage en informatie 1.
Het college informeert de raad door middel van uitvoeringsrapportages tweemaal per jaar (in voor- en najaar) over de uitvoering van de programmabegroting.
2.
Bij de tussentijdse nota in het voorjaar kunnen voorstellen worden gedaan voor activiteiten en werkzaamheden die in het voorgaande jaar niet of niet volledig zijn gerealiseerd dan wel niet zijn afgerond. Deze voorstellen zijn getoetst aan de criteria genoemd in artikel 6 lid 2 a t/m e. Daarnaast bevat deze tussentijdse nota voorstellen die effect hebben op het lopende begrotingsjaar en de meerjarenraming. Voor zover er daaraan voorafgaand in het begin van het nieuwe begrotingsjaar activiteiten worden uitgevoerd zonder dat formeel de begroting door de raad is gewijzigd worden deze tijdelijke budgetoverschrijdingen geacht te passen binnen het beleid van de raad.
3.
De najaarsrapportage gaat in op afwijkingen van de baten, lasten, reservemutaties op het niveau van de programma's van het lopende begrotingsjaar en op de voortgang van het investeringsprogramma.
Artikel 4. Informatieplicht en bevoegdheden 1.
Het college besluit niet over de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten die specifiek door de raad bij de jaarlijkse begrotingsbehandeling zijn aangegeven, dan nadat
2
de raad is geraadpleegd en in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken. 2.
Het college besluit niet over het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties die afwijken van het bepaalde in de Verordening Gemeentegaranties Geldleningen, dan na een besluit van de raad inhoudende een goedkeuring van het voorgenomen collegebesluit.
3.
Het voorgaande lid is niet van toepassing op: a. De jaarlijkse liquiditeitslening aan Parkeren Delft BV;
4.
Het college besluit niet tot het doen van kapitaalstortingen in instellingen en ondernemingen, dan na een besluit van de raad inhoudende een goedkeuring van het voorgenomen collegebesluit.
b.
De leningen die het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederland verstrekt.
Artikel 5. EMU-saldo 1.
In de programmabegroting is het EMU-saldo opgenomen om een indicatie te geven van de liquiditeits- en financiële positie (eigen vermogen en schulden).
2.
Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet Houdbare OverheidsFinanciën (wet HOF), hebben overschreden, informeert het college de raad hierover. Als daarop een aanpassing van de begroting nodig is, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.
Artikel 6. Jaarstukken 1.
Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de programma's. In de verantwoording geeft het college aan: a.
wat bereikt is en hoe de resultaten zich verhouden tot de in de programmabegroting gestelde doelen;
b. wat de lasten en baten, stortingen en onttrekkingen met betrekking tot reserves zijn; c.
wat het rekeningresultaat is;
d. wat het voorstel is voor bestemming van het resultaat; e. wat de voortgang is van het investeringsprogramma. 2.
Het voorstel voor bestemming van het resultaat betreft verrekeningen met bestemmingsreserves en overige voorstellen. De bestemmingsvoorstellen worden toegelicht in de jaarstukken en getoetst aan de volgende criteria: a. beleidsinhoudelijke noodzaak; b. inbedding in de werkplanning van het nieuwe jaar; c.
het voorstel heeft betrekking op incidentele budgetten;
d.
het minimumbedrag bedraagt€ 100.000 per post en is gebaseerd op een concreet bestedingsvoorstel. Zo nodig kan gemotiveerd worden afgeweken van het minimumbedrag;
e. het begrotingssaldo van het betreffende programma mag niet worden overschreden, behoudens situaties waarbij aantoonbare exogene factoren het begrotingsresultaat negatief hebben beïnvloed. 3.
Dividend- of winstuitkeringen van derden, deelnemingen of verbonden partijen, komen ten gunste van het gemeentelijke resultaat, tenzij andere door de raad bekrachtigde afspraken van toepassing zijn.
3
4.
Bij de goedkeuring van de jaarstukken wordt de begroting van het lopende jaar en/of meerjarenraming via een begrotingswijziging aangepast.
Artikel 7. Wijziging van de begroting 1.
Bij beleidsvoorstellen met financiële consequenties voor de begroting op het niveau van programma's biedt het college een begrotingswijziging aan ter vaststelling door de raad.
2.
Bij de tussentijdse rapportages en jaarstukken wordt door het college een begrotingswijziging aangeboden met mutaties die het gevolg zijn van voorstellen in deze cyclusdocumenten.
3.
Bij de tussentijdse rapportages en aan het eind van het jaar wordt een Algemene RaadsBegrotingswijziging (ARB) opgesteld. In een ARB zijn budgetneutrale mutaties opgenomen die geen invloed hebben op de beleidsdoelen.
TITEL 2. FINANCIËLE BELEID Artikel 8. Financiële positie Het college geeft een uiteenzetting van de financiële positie in ieder geval in de begroting en jaarstukken met inachtneming van het financieel beleid waartoe de raad heeft besloten. Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa 1.
Het college biedt ter vaststelling éénmaal per vier jaar een (geactualiseerde) nota Reserves, Voorzieningen en Investeringen aan. In deze nota worden aanvullende bestuurlijke uitgangspunten, kaders en uitvoeringsregels vastgelegd.
2.
Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage Afschrijvingsbeleid bij deze verordening. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.
3.
Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling van deze vorderingen. Artikel 11. Reserves en voorzieningen 1.
In de nota genoemd in artikel 9 lid 1 van deze verordening, stelt de raad de kaders vast met betrekking tot: a. de vorming en besteding van reserves en voorzieningen en het rentebeleid; b.
2.
de informatievoorziening over reserves en voorzieningen door het college aan de raad.
Het college is bevoegd om separaat voorstellen te doen voor reservemutaties, indien het voorstel past binnen het door de raad vastgestelde beleid.
Artikel 12. Kostprijsberekening 1.
2.
Voor het bepalen van de kostprijs van rechten en heffingen en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden de directe kosten, de compensabele BTW, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen en onttrekkingen aan voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in
4
gebruik zijnde activa. Bij de kosten van met name rechten en heffingen, worden de kosten van heffing en inning van belasting (perceptiekosten), de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten als gevolg van het kwijtscheldingsbeleid en oninbaarheid betrokken. 4. De overheadkosten worden binnen het taakveld Overhead apart geadministreerd en toegerekend aan de desbetreffende activiteiten. 5. De toerekening van overhead aan de kostprijs gebeurt op basis van het aandeel van de personeelsomvang. Dit aandeel overhead wordt bepaald door de gemeentelijke personeelsomvang behorend bij de dienstverlening te delen door de totale personeelsomvang (exclusief de personeelsomvang voor overhead). 6. In afwijking van lid 5 gebeurt de toerekening van de overhead voor Reiniging en Riolering op basis van het aandeel van de lasten van de gemeente voor deze taakvelden. Dit aandeel wordt bepaald door de gemeentelijke lasten voor het taakveld te delen door de totale lasten van de programmabegroting (exclusief de totale overheadkosten). Bij het taakveld Reiniging geldt aanvullend dat inkomensoverdrachten aan de gemeenschappelijke regeling voor de afvalinzameling hiervan zijn uitgezonderd. 7.
Voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks het met de begroting vastgestelde percentage van de omslagrente gehanteerd. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald op basis van de rentekosten van de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten en de rentevergoeding. De rentekosten en -vergoedingen als gevolg van projectfinanciering worden hierop uitgezonderd. 8. Voor de bepaling van de rentekosten bij een verstrekte lening wordt uitgegaan van de werkelijke rente voor de financiering van de verstrekte lening. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico. 9. In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen. 10. De uitgangspunten voor kostprijsberekeningen voor het vastgoed worden vastgelegd in de vierjaarlijks aan de raad aan te bieden nota Vastgoedanalyse. 3.
Artikel 13. Prijzen economische activiteiten 1.
Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.
2.
Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de rentekosten met een opslag voor het debiteurenrisico in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.
3.
Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig indien minder dan de kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van: a.
leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen en garanties aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn
5
bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid; b.
een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;
c.
een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;
d.
een bevoordeling van sociale werkplaatsen;
e.
een bevoordeling van onderwijsinstellingen;
f.
een bevoordeling van publieke media-instellingen;
g.
een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteun regels van het werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is;
h.
besluiten volgens het bepaalde in de verordening Garanties Geldleningen.
Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen 1.
Het college doet de raad jaarlijks een voorstel ter vaststelling voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing, kadegelden, reclamebelasting en precariobelasting. Tevens wordt de verordening leges en de tarievenlijst leges ter vaststelling aangeboden.
2.
De raad wordt geïnformeerd over overige prijzen en tarieven die onder collegebevoegdheid vallen in het "Besluit reguliere prijzen en tarieven Gemeente Delft". Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota aan met de kaders voor de huren en de erfpachten. Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten ten opzichte van de kaders uit de nota vooraf een besluit voor aan de raad.
3. 4.
Artikel 15. Financieringsfunctie 1.
2.
Het college stelt regels op voor de uitvoering van het gestelde in het tweede tot en met vierde lid en legt deze uitvoeringsregels alsmede de regels voor taken, bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening vast in het Treasurystatuut. Het college biedt ter kennisname éénmaal per vier jaar een (geactualiseerd) Treasurystatuut aan de raad aan. Het college draagt bij de uitoefening van de financieringsfunctie zorg voor: a.
het aantrekken van voldoende financiële middelen om de programma's binnen de door de raad vastgestelde kaders van de programmabegroting uit te kunnen voeren;
b.
het conform de wet Financiering Decentrale Overheden (wet FiDO) uitzetten van overtollige liquide middelen bij het ministerie van Financiën of andere decentrale overheden; c. het beheersen van de risico's verbonden aan de financieringsfunctie zoals rente-, koers en kredietrisico's; d. het afwegen van alternatieven zodat het beperken van de kosten van de leningen is gewaarborgd; e. het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities. 3.
Het college neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie de volgende richtlijnen in acht: a. b.
derivaten worden, nadat de raad hiervoor goedkeuring heeft verleend, uitsluitend gebruikt ter beperking van financiële risico's; voor het aantrekken van financieringen voor langer dan 1 jaar worden tenminste 2
6
c. d.
4.
prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten van middelen of het verlenen van garanties luiden in euro's; voor de kasgeldlimiet en de renterisiconorm gelden de wettelijke waarden. Het college informeert de raad indien de kasgeldlimiet de toegestane periode van drie opeenvolgende kwartalen dreigt te overschrijden of indien de renterisiconorm dreigt te worden overschreden.
Verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van financiële participaties worden uitsluitend gedaan uit hoofde van de publieke taak. Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak bedingt het college indien mogelijk zekerheden.
TITEL 3. PARAGRAFEN Artikel 16. Lokale heffingen 1.
Het college draagt zorg voor een actueel overzicht van het beleid ten aanzien van de lokale heffingen, bestaande uit de algemene belastingen, de bestemmingsbelastingen en de retributies.
2.
In de programmabegroting en de jaarstukken geeft het college in de paragraaf Lokale heffingen inzicht in de mate van kostendekkendheid van de bestemmingsbelastingen en de retributies.
3.
Bij de programmabegroting en de jaarstukken geeft het college in de paragraaf Lokale heffingen verder inzicht in de opbrengsten per belasting, het bedrag aan kwijtscheldingen, de (ontwikkeling van de) lokale lastendruk voor eenpersoonshuishoudens, meerpersoonshuishoudens en bedrijven. Tevens wordt in deze paragraaf een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid opgenomen.
Artikel 17. Weerstandsvermogen en risicobeheersing 1.
2.
3.
4.
Het college geeft in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing van de programmabegroting en van de jaarstukken een overzicht van de risico's van materieel belang. Het college geeft in deze paragraaf inzicht in het weerstandsvermogen. Dit is de verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de weerstandscapaciteit die benodigd is voor schade en verliezen als gevolg van de risico's van materieel belang. Onderdeel van de beschikbare weerstandscapaciteit is de post Onvoorzien. Deze post is beschikbaar voor incidentele tegenvallers die onontkoombaar, onvermijdelijk en onuitstelbaar zijn. Het college rapporteert in deze paragraaf over de financiële positie door inzicht te geven in: a. het EMU-saldo (uitsluitend in de begroting); b. de meerjarige balansen (uitsluitend in de begroting); c.
de verplichte financiële ratio's (BBV), met toelichting en duiding;
d.
door de raad toegevoegde financiële kengetallen.
Artikel 18. Onderhoud kapitaalgoederen 1.
Het college draagt zorg voor meerjarige beheerplannen in het kader van onderhoud openbare ruimte, onderhoud riolering onderhoud gebouwen en voorzieningen sport (sportvelden).
2.
Bij de programmabegroting gaat het college in de paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen in op
7
de toekomstige ontwikkelingen in het vereiste kwaliteitsniveau aan openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, straatmeubilair, riolering en gebouwen. Per beheerdiscipline wordt de voortgang van het geplande onderhoud, het eventuele achterstallig onderhoud en de bijbehorende financiële prognose vermeld. Tevens wordt aangegeven of de huidige reserves of voorzieningen toereikend zijn voor de toekomstige lasten. 3.
Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar: a. beheerplannen voor de openbare ruimte aan, waaronder begrepen de beheerdisciplines openbaar groen en water, wegen, civiele constructies, openbare verlichting en speeltoestellen; b. een beheerplan riolering (Gemeentelijk RioleringsPlan) (eens in de vijf jaaar); c. een beheerplan Vastgoed.
4.
De onderwerpen in het vorige lid bevatten kaders voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning, de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen. Bij wijziging van de kaders of als er financiële consequenties zijn, worden de plannen genoemd in lid 3 sub a en c ter vaststelling aan de raad aangeboden. Sub b wordt altijd ter goedkeuring aan de raad aangeboden.
Artikel 19. Financiering Bij de programmabegroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf Financiering in ieder geval verslag van: a. Kaders en beleid; b. Rente (percentages, risico-opslag, kosten en opbrengsten, omslagrente); c.
Renterisiconorm en kasgeldlimiet;
d. Uitgezette gelden en kredietrisico; e. Garanties en waarborgen; f.
Prognose liquiditeitsbehoefte voor de komende vier jaar (uitsluitend in de begroting).
Artikel 20. Bedrijfsvoering 1.
In de paragraaf Bedrijfsvoering van de programmabegroting en de jaarstukken wordt ingegaan op de actuele onderwerpen die aandacht behoeven.
2.
In de paragraaf Bedrijfsvoering van het jaarverslag wordt in ieder geval gerapporteerd over:
3.
4.
a.
de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;
b.
de kosten van inhuur derden.
Het college informeert in de programmabegroting en rapporteert bij de jaarstukken in de paragraaf Bedrijfsvoering over niet financiële onrechtmatigheid (inclusief fraude(s) vanuit de eigen organisatie en het niet naleven van de bepalingen in de Wet fido en bijbehorende Regelingen), en over de onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid, zoals bedoeld in artikel 213a Gemeentewet. Rechtmatigheidsverantwoording: a.
Het actuele normenkader voor de rechtmatigheidsverantwoording betreft de inventarisatie van de voor de verantwoording relevante regelgeving, van andere overheden en van de gemeente zelf, en wordt jaarlijks door de raad vastgesteld en daarna door het college uitgewerkt in een toetsingskader.
b.
De verantwoordingsgrens voor afwijkingen in de rechtmatigheidsverantwoording bedraagt 1% van de totale lasten (inclusief toevoegingen aan de reserve).
8
c.
De rapportagegrens voor aanvullende informatie in de paragraaf Bedrijfsvoering over afwijkingen in de rechtmatigheidsverantwoording bedraagt€ 200.000.
d. In de paragraaf Bedrijfsvoering beschrijft het college welke actie hij onderneemt om de afwijkingen in de toekomst te voorkomen (verbeterplan). 5.
Rechtmatigheidsverantwoording – Voorwaardencriterium: a. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. b. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks uiterlijk op 29 november ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Burgemeester en wethouders operationaliseren dit normenkader in een toetsingskader ten behoeve van de interne beheersing.
6.
Rechtmatigheidsverantwoording – Begrotingscriterium: a. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen; b. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 2, 6, 7. c. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. d. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties: Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren. Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling. De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage . e.
Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.
7.
Rechtmatigheidsverantwoording – Misbruik en oneigenlijk gebruikt-criterium: f. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen. g. Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.
Artikel 21. Verbonden partijen en subsidies 1.
In de programmabegroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf Verbonden partijen en subsidies ingegaan op: a. b.
de verbonden partijen; de samenwerking met gesubsidieerde maatschappelijke instellingen.
9
2.
In het onderdeel verbonden partijen wordt, met in achtneming van de verplicht gestelde aspecten vanuit het BBV, specifiek ingegaan op ontwikkelingen, veranderingen en risico's.
3.
In het onderdeel over gesubsidieerde maatschappelijke instellingen wordt specifiek ingegaan op de verschillende subsidiestromen en nieuwe ontwikkelingen en wordt een actueel overzicht van de (meer)jaarlijkse subsidies gegeven. Het college biedt eens per vier jaar een (geactualiseerde) beleidsnota over de gemeentelijke rol en de verbonden partijen aan. Het Delftse subsidiestelsel bestaat uit de Algemene subsidieverordening (ASV) gemeente Delft, de Subsidieregeling subsidie gemeente Delft 2020 en enkele subsidiebeleidsregels. De ASV bevat algemene uitgangspunten en regels voor subsidieverstrekking en wordt naar bevind van zaken geactualiseerd (bijv. gewijzigde wet- en regelgeving) en vastgesteld door de raad. Het vaststellen van de Subsidieregelingen en de Beleidsregels is een collegebevoegdheid.
4. 5.
Er worden ook subsidies (voorzieningen) verstrekt op basis van de verordening Financiële Materiële Gelijkstelling (FIMA) Deze verordening voor onderwijssubsidies staat naast de ASV en is daaraan gelijkwaardig. Artikel 22. Grondbeleid 1.
Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een nota Grondbeleid aan.
2.
Het college biedt telkens bij de jaarrekening een geactualiseerd Meerjarenprogramma Grondontwikkeling (MPG) ter vaststelling aan. Naast de jaarlijkse rapportage informeert het college de raad door middel van een tussentijdse rapportage (t-MPG) bij de najaarsrapportage. In het betreffende programma en de paragraaf Grondbeleid van de programmabegroting en het jaarverslag wordt op hoofdlijnen ingegaan op (de uitvoering van) het grond- en vastgoedbeleid. In het (t-)MPG wordt minimaal aandacht besteed aan:
3. 4.
a. te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten; b.
risico's die samenhangen met de grondontwikkeling;
c.
planning en financiële uitkomsten, mede in relatie tot de voorgaande rapportage;
d.
afwijkingen ten opzichte van de begroting (inclusief begrotingswijzigingen);
e.
financiële prognoses.
TITEL 4. FINANCIËLE ORGANISATIE EN ADMINISTRATIE Artikel 23. Administratie De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen voor de gemeente als geheel en in de organisatieonderdelen; b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa, voorraden, vorderingen en schulden; c.
het verschaffen van informatie over de uitputting van de toegekende lasten- en batenbudgetten en investeringsbudgetten en voor het maken van kostencalculaties; d. het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de programmabegroting en ter zake geldende wet- en regelgeving; e. het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;
10
f.
g.
het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de programmabegroting en ter zake geldende wet- en regelgeving; de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en de relevante wet- en regelgeving.
Artikel 24. Registratie bezittingen, activa en vermogen 1.
Het college draagt zorgt voor een actuele en volledige registratie van bezittingen.
2.
Indien een actief administratief is afgeschreven máár nog in gebruik wordt deze gehandhaafd in de activa-administratie. Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut zijn hierop uitgezonderd.
3.
Het college draagt er zorg voor, dat de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente systematisch wordt gecontroleerd. De raad wordt, bij afwijkingen in de registratie van bezittingen en het herstel van de tekortkomingen, zo nodig tussentijds, maar in ieder geval bij de jaarstukken geïnformeerd over de geconstateerde tekortkomingen en het herstel daarvan.
4.
Artikel 25. Financiële organisatie 1.
Het college draagt er zorg voor dat: a.
b.
c. d.
de inrichting en de werking van de financiële administratie voldoet aan het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten en andere relevante weten regelgeving; de vereiste informatie verstrekt wordt aan het rijk, de provincie en de Europese Unie, alsmede aan andere instellingen die specifieke verantwoordingsverplichtingen opleggen aan gemeenten; een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en de toedeling van taken; een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;
e.
de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten; f. de regels voor de opdrachtverlening en de verrekening van leveringen tussen de organisatieonderdelen van de gemeente; g. de te maken afspraken met de organisatie over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen; h. en legt (in een besluit) vast de interne regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding van werken, leveringen, en diensten;
2. 3.
i.
het beleid en interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen;
j.
het beleid voor de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen.
De raad wordt, zo nodig tussentijds, maar in ieder geval bij de jaarverantwoording geïnformeerd over geconstateerde tekortkomingen en het herstel daarvan. Aanbieding van de jaarstukken door het college over het gevoerde beheer aan de raad, impliceert de décharge van de ambtelijke organisatie met betrekking tot het gevoerde beheer en de administratie. Zulks behoudens later (in rechte gebleken) onregelmatigheden.
11
4.
Het gestelde in lid 3 is niet van toepassing voor die afdeling of ambtenaar, waaraan het college vóór aanbieding van de rekening en het verslag aan de raad schriftelijk heeft medegedeeld niet akkoord te gaan met (onderdelen van) de rekening en het verslag.
Artikel 26. Interne controle Het college draagt zorg voor: a.
het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.
b. de jaarlijkse interne toetsing van een aantal bedrijfsonderdelen en/of een aantal bedrijfsprocessen op juistheid, volledigheid en tijdigheid van de bestuurlijke informatievoorziening, de rechtmatigheid van beheershandelingen en op de toepassing van gemeentelijke regelingen. Het college treft maatregelen voor herstel van de tekortkomingen. c.
de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.
TITEL 5. OVERGANGS- en SLOTBEPALINGEN Artikel 27. Overgangsbepaling Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2018 zijn gedaan, blijft het tot die datum vigerende Besluit Begroting en Verantwoording van toepassing. Artikel 28. Inwerkingtreding De Financiële verordening (vastgesteld in 2022) treedt de dag na publicatie in werking en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2022. De Financiële Verordening die is vastgesteld d.d. 21 december 2017, registratienummer 3152567, wordt ingetrokken op de dag dat de "nieuwe" Financiële verordening in werking treedt. Artikel 29. Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam "Financiële verordening gemeente Delft".
BIJLAGE 1. Afschrijvingsbeleid Voor alle activa geldt dat de afschrijving aanvangt op 1 januari van het jaar volgend op het jaar dat het betreffende activum in gebruik is genomen. De rente wordt toegerekend op basis van de boekwaarde van het activum per 1 januari van het betreffende jaar. A: afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven:
12
1.
Activa in eigendom van derden (immateriële activa)
De afschrijvingsduur wordt gelijkgesteld aan de periode waarin het betrokken actief van de derde op basis van de door de gemeente gestelde voorwaarden moet bijdragen aan de publieke taak. 2. Kosten van onderzoek en ontwikkeling De afschrijvingsduur van kosten van onderzoek en ontwikkeling is maximaal 5 jaar. B: afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch nut 1.
Activa met economisch nut en een verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs van minder dan € 15.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen.
2. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. 3.
Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.
4.
Individuele activa met een verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs lager dan€ 15.000, kunnen worden samengevoegd tot één activum, indien zij gelijksoortig zijn en op hetzelfde moment in gebruik worden genomen. De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in:
5.
a.
b. c. d.
maximaal 60 jaar: rioleringen, voor zover dit de bijdrage uit de voorziening overstijgt. In geval van grondexploitaties worden de kosten van de eerste aanleg van de riolering niet geactiveerd maar middels de betreffende grondexploitatie verrekend met het exploitatie resultaat. 40 jaar: nieuwbouw woonruimten, schoolgebouwen, sporthallen, kantoren en bedrijfsgebouwen; 25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten, schoolgebouwen, kantoren en bedrijfsgebouwen; 20 jaar: nieuwbouw tijdelijke woonruimten, tijdelijke bedrijfsgebouwen en technische installaties in bedrijfsgebouwen;
e. f.
15 jaar: Sportvelden; 10 jaar: veiligheids- en geluidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen, kabels en leidingen, kantoormeubilair en schoolmeubilair;
g.
6-10 jaar: auto's en vervoermiddelen, tractiemiddelen (maaimachines, takkenhakmachine e.d.);
h.
3-5 jaar: telefooninstallaties, software en automatiseringsapparatuur.
C: Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met maatschappelijk nut 1.
Activa met maatschappelijk nut en een verkrijgingsprijs vanaf€ 15.000 worden altijd geactiveerd en afgeschreven al naar gelang de gebruiksduur.
2. De volgende materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden lineair afgeschreven in: a.
maximaal 60 jaar: tunnels, viaducten, bruggen havens, kades, sluizen en waterkeringen, openbare verlichting;
b.
maximaal 25 jaar: wegen, pleinen en rotondes, parkeerterreinen, verkeersregeIinstallaties;
c.
15 jaar: pompen en gemalen;
d.
maximaal 10 jaar: parken, groenvoorzieningen, speeltoestellen, geluidswallen waterwegen, waterbergingen en walbeschoeiing;
e.
5 jaar: straatmeubilair.
13
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 november 2023.
,voorzitter.
,griffier.
14
(Voeg in de geconsolideerde verordening onder de handtekeningen “laatstelijk gewijzigd d.d. toe) voor gebruik binnen de gemeente. Alleen geen was-wordt tabel toevoegen, wanneer het gaat om een nieuwe verordening die geen andere verordening wijzigt of vervangt.) TOELICHTING OP DE ARTIKELEN Gemeentewet, artikel 212. Titel IV. De financiën van de gemeente Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle Artikel 212 1. De raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. 2. De verordening bevat in ieder geval: a. regels voor waardering en afschrijving van activa; b. grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b, alsmede, voor zover deze wordt geheven, voor de heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie.
Nieuwe ontwikkeling: rechtmatigheidsverantwoording door burgemeester en wethouders Vanaf boekjaar 2023 nemen burgemeester en wethouders een rechtmatigheidsverantwoording op in de jaarrekening. Deze verantwoording is een standaardmodel dat bij wet is vastgelegd en het geeft inzicht in hoeverre de gemeente rechtmatig heeft gehandeld. Waar de accountant voorheen een oordeel vormde over de getrouwheid én rechtmatigheid van de jaarverslaggeving, beperkt de accountant zich nu tot een oordeel over het getrouwe beeld van de jaarrekening (inclusief de rechtmatigheidsverantwoording). De accountant geeft vanaf dit moment dus geen afzonderlijk oordeel meer over de rechtmatigheid. Met de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording toetst de accountant uitsluitend of de jaarrekening getrouw is, maar toetst daarbij ook of de rechtmatigheidsverantwoording dat is. Dit betekent onder meer dat afwijkingen van rechtmatigheid (voor zover deze niet tevens van invloed zijn op het getrouwe beeld), geen invloed hebben op de strekking van de controleverklaring. Hierdoor kan het bijvoorbeeld voorkomen dat er omvangrijke afwijkingen van rechtmatigheid opgenomen zijn in de rechtmatigheidsverantwoording van burgemeester en wethouders, terwijl de strekking van de controleverklaring toch goedkeurend is, omdat de omvangrijke rechtmatigheidsfouten getrouw opgenomen zijn in de rechtmatigheidsverantwoording.
De invoering van de rechtmatigheidsverantwoording is mede bedoeld om het gesprek te ondersteunen tussen de raad en burgemeester en wethouders, over de (financiële) rechtmatigheid. Het doel hiervan is om de kaderstellende en controlerende rol van de raad op dit vlak te versterken. Het is daarnaast de verwachting dat dit een kwaliteitsimpuls zal geven aan de interne processen en beheersing, zodat burgemeester en wethouders kunnen steunen op een adequaat functionerend systeem. Ook is de verwachting dat er meer vooruitgekeken gaat worden naar het oplossen van onrechtmatigheden, omdat burgemeester en wethouders ook
15
beheersmaatregelen moeten formuleren (Kadernota rechtmatigheid 2023). Toelichting artikel 1. Definities Artikel 1 betreft het begrippenkader voor deze verordening en de betekenis van deze begrippen bij het verstrekken van informatie aan de raad.
TITEL 1. PROGRAMMABEGROTING EN VERANTWOORDING Toelichting artikel 2. Programmabegroting De raad stelt op basis van dit artikel een belangrijk deel van de opzet van de programmabegroting vast. Het Besluit Begroting en Verantwoording schrijft voor welke eisen aan de indeling van de begroting worden gesteld. In de programmabegroting worden in ieder geval ook de verplichte beleidsindicatoren opgenomen en het niveau waarop de raad wordt geïnformeerd. De gemeenteraad bepaalt zelf het aantal, de omschrijving en de inhoud van de programma’s in de programmabegroting en kan daarmee de begrotingsopzet aanpassen aan de eigen politiek-bestuurlijke wensen. Het verdient de voorkeur (vanwege de vergelijkbaarheid van begrotingsjaren) de indeling voor een gehele raadsperiode vast te stellen. Indien daartoe aanleiding is, kan de raad de indeling wijzigen. In de programmabegroting worden tevens de investeringen opgenomen. Met het voorstel aan de raad om het investeringsprogramma per programma in de programmabegroting vast te stellen, stemt de raad in met het totaal toegekende investeringsbedrag per investering en niet met de afzonderlijke jaarschijven. De mutaties in het investeringsprogramma zijn in een apart overzicht in de programmabegroting opgenomen en toegelicht.
Naast de reguliere informatie over de exploitatiebegroting (lasten, baten, reservemutaties) en de investeringen, kan de raad het college verzoeken om aanvullende informatie te verstrekken over specifieke onderwerpen. Toelichting artikel 3. Tussentijdse rapportage en informatie Artikel 3 formaliseert een deel van de controletaak van de raad. Op basis van deze tussentijdse informatie kan de raad de uitvoering van de programmabegroting volgen en besluiten of bijsturing nodig is. De raad autoriseert met het vaststellen van de programmabegroting op hoofdlijnen de uitvoering van het beleid door het college. Voorstellen tot aanpassing van de begroting als gevolg van nog te realiseren werkzaamheden die in het voorafgaande jaar zijn gestart, worden gedaan bij de tussentijdse rapportage in het voorjaar (onderdeel van de kadernota). Deze voorstellen worden getoetst aan de hand van de criteria die zijn opgenomen bij artikel 6, lid 2 a t/m e. De najaarsrapportage gaat in op de afwijkingen van de beschikbaar gestelde budgetten op programmaniveau (lasten, baten en reservemutaties) voor de realisatie van de doelen in de programma’s in het lopende jaar, alsmede op de afwijkingen bij de uitvoering van de investeringen.
16
Toelichting artikel 4. Informatieplicht en bevoegdheden In artikel 4 van de Financiële verordening is een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel verplicht het college voorafgaand aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt, bijvoorbeeld wanneer het aangaan van deze verplichtingen ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. Het artikel regelt dat het verstrekken van (grote) garanties, geldleningen of kapitaalstortingen een raadsbevoegdheid is. Een nadere uitwerking is opgenomen in de verordening Gemeentegaranties Geldleningen. De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht in andere gevallen. Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is vastgesteld. Het artikel schept duidelijkheid over de verplichtingen waarover de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld, zijn wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken. Toelichting artikel 5.
EMU-saldo Voor gemeenten is in de wet Houdbare OverheidsFinanciën (wet Hof) vastgelegd dat ze een aandeel hebben in plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Om gemeenten tijdig een beeld te geven wat dit voor hen betekent, publiceert het ministerie van BZK in lijn met de Wet Hof individuele EMU-referentiewaarden (in de septembercirculaire over het gemeentefonds). Een individuele EMU-referentiewaarde is geen norm, maar een indicatie van het aandeel dat een provincie of gemeente in de gezamenlijke tekortnorm heeft. De Wet Hof bepaalt dat de individuele referentiewaarde voor het EMU-saldo van de individuele overheden naast het eigen aandeel ook het aandeel in openbare lichamen betreft. Het aandeel in openbare lichamen is het deel van het EMU-saldo van de gemeenschappelijke regelingen dat aan de betreffende deelnemende individuele decentrale overheid wordt toegerekend. Een deel van het EMU-saldo van de gemeenschappelijke regelingen maakt dus onderdeel uit van het EMU-saldo van de deelnemende decentrale overheden. Wordt het gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa, die naar gemeenten wordt vertaald.
Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten benodigd is. Het college informeert de raad over de EMU-referentiewaarde en de afwijking ten opzichte van het EMU-saldo. Als actie nodig is van de gemeente, stelt het college een wijziging van de begroting voor. Toelichting artikel 6. Jaarstukken De jaarrekening is het sluitstuk van de planning- en controlcyclus en betreft de verantwoording over de begrotingsuitvoering door het college en de controle van de raad daarop. Lid 2 van dit artikel gaat over de toetsingscriteria voor de voorstellen voor bestemming van het rekeningresultaat. Dit betreft met name stortingen reserves en overige voorstellen. Op onttrekkingen aan
17
reserves zijn de toetsingscriteria niet van toepassing omdat voor een onttrekking aan de bestemmingsreserve geldt dat deze altijd moeten passen binnen het doel van de reserve en of het bestedingsplan. Lid 3 regelt dat dividend- of winstuitkeringen van derden, deelnemingen of verbonden partijen ten gunste komen van het gemeentelijke resultaat, met inachtneming van afspraken die hierover door de raad zijn bekrachtigd. Indien van deze afspraken wordt afgeweken, wordt aan de raad een separaat voorstel over de gewijzigde bestemming van de dividend- of winstuitkeringen ter besluitvorming voorgelegd. Toelichting artikel 7. Wijziging van de begroting Na het vaststellen van de begroting worden aan de raad begrotingswijzigingen voorgelegd. De raad besluit over wijzigingen op het niveau van de programma’s (baten en lasten). Het gaat om mutaties van de begroting die worden veroorzaakt door budgetverschuivingen tussen programma’s, tussentijdse voorstellen met dekking en stortingen of onttrekkingen aan een reserve. Het college besluit over wijzigingen die zich afspelen binnen een programma. Er zijn drie soorten begrotingswijzigingen die vaststelling door de raad vergen:
Separate begrotingswijzigingen bij beleidsvoorstellen met financiële consequenties De begrotingswijziging wordt bij het raadsvoorstel gevoegd en geeft aan welke middelen benodigd zijn voor het beleidsvoorstel en welke dekking hiervoor beschikbaar is.
Wijzigingen bij cyclusdocumenten Bij de tussentijdse rapportages en jaarstukken wordt door het college een begrotingswijziging aangeboden met mutaties die het gevolg zijn van voorstellen in deze cyclusdocumenten. Voor de mutaties in de programmabegroting wordt geen begrotingswijziging opgesteld.
Algemene RaadsBegrotingswijzigingen (ARB)
Naast de bovengenoemde begrotingswijzigingen worden bij cyclusdocumenten ook de Algemene RaadsBegrotingswijzigingen (ARB’s) opgesteld. In een ARB zijn budgetneutrale mutaties opgenomen die het gevolg zijn van voorstellen of besluiten waarvan de financiële consequenties niet leiden tot aanpassing van het begrotingssaldo en waardoor de beleidsprogramma’s in de lopende begroting niet worden beïnvloed. Als sprake is van een ARB die tussentijds goedkeuring vergt van de raad, kan een afzonderlijke begrotingswijziging aan de raad worden aangeboden.
TITEL 2. FINANCIËLE BELEID Toelichting artikel 8. De financiële positie Met dit artikel wordt bereikt dat het college een uiteenzetting geeft van de financiële positie. Toelichting artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa Artikel 9 eerste lid bepaalt, dat het college vierjaarlijks een geactualiseerde nota over de reserves, voorzieningen en investeringen ter behandeling en vaststelling door de raad aanbiedt. Door middel van deze nota stelt de raad inhoudelijke kaders en spelregels vast. De Financiële verordening moet volgens artikel 212 Gemeentewet in elk geval bevatten de “regels voor waardering en afschrijving activa”. De vaste activa worden verplicht ingedeeld in immateriële vaste activa, materiële vaste activa en financiële vaste activa. Voordat sprake is van waardering en afschrijving, is een
18
beslissing genomen over de investering. De uitwerking van het afschrijvingsbeleid is opgenomen in de bijlage “Afschrijvingsbeleid”. Hierin zijn de kaders en afschrijftermijnen opgenomen. Het uitgangspunt is dat de afschrijftermijnen zoals benoemd in de bijlage worden gehanteerd voor alle nieuwe investeringen. Van alle activa waarop reeds wordt afgeschreven, blijven de bestaande afschrijftermijnen van kracht. In dit artikel is ook opgenomen op welke wijze wordt omgegaan met de kosten die zijn verbonden aan het afsluiten van geldleningen. Toelichting artikel 10 Voorzieningen voor oninbare vorderingen In dit artikel wordt geregeld een voorziening voor de oninbare vorderingen wordt gevormd. Dit gebeurt op basis van een beoordeling van de openstaande vorderingen en historische percentages van oninbaarheid. De accountant controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening in de regel de hoogte van deze voorziening en de waarderingsgrondslagen. Toelichting artikel 11. Reserves en voorzieningen Een belangrijk beleidsmatig aspect betreft het eigen vermogen van de gemeente. Artikel 9 eerste lid bepaalt dat het college vierjaarlijks een geactualiseerde nota Reserves, Voorzieningen en Investeringen ter behandeling en vaststelling door de raad aanbiedt. Door middel van deze nota stelt de raad inhoudelijke kaders en de spelregels vast.
Met de nota Reserves, Voorzieningen en Investeringen stelt de raad de spelregels vast die gelden voor het instellen van reserves, het rentebeleid en voor de informatievoorziening over reserves en voorzieningen. Het tweede lid geeft aan dat alle voorstellen voor een storting in of een onttrekking aan een bestemmingsreserve moeten passen binnen het vastgestelde beleid. Toelichting artikel 12. Kostprijsberekening Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de Financiële verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen van goederen, werken en diensten en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden toegepast bij de opbouw van de kostprijs. Volgens het BBV moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleids- en financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen.
De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd. Het eerste lid bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden uitgevoerd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten, compensabele BTW en een opslag voor de overhead en voor de rente voor de financiering van (vaste) activa. In lid 1 is de rentecomponent nader gespecificeerd. Het tweede lid bepaalt dat bij de directe kosten ook bijdragen en onttrekkingen aan voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening.
19
Het derde lid geeft aan dat voor de gemeentelijke rechten en heffingen, zoals de rioolheffing, in de kostprijsberekening ook de heffings- en inningskosten, compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid worden meegenomen. De taken van heffing en inning van belastingen zijn voor het overgrote deel overgedragen aan de Regionale Belasting Groep (RBG). De toerekening aan de afzonderlijke tarieven gebeurt door de deelnemersbijdrage aan de RBG extracomptabel toe te rekenen naar evenredigheid van de opbrengst van de betreffende belasting als deel van de totale belastingopbrengst via de RBG. Het vierde lid gaat over de aparte registratie van de overhead van de gemeente. Het vijfde en zesde lid geven de kostenverdeelsleutels voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen en aan de kostprijzen van goederen, werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd. In de formulering is tot uitdrukking gebracht dat gekozen is voor een hoofdregel in lid 5 (toerekening naar aandeel in personeelsomvang) met een uitzondering in lid 6 voor de taakvelden Riool en Reiniging (toerekening naar aandeel in de lasten). De reden voor de uitzondering is dat hiermee het kapitaalsintensieve karakter het beste tot uitdrukking komt in de toerekening van overhead.
Lid 5 bepaalt dat de toerekening van de overheadkosten aan de tarieven plaatsvindt op basis van de personeelsomvang omdat hiermee het arbeidsintensieve karakter het beste tot uitdrukking komt in de toerekening van overhead. Dit gebeurt naar rato van het aandeel van de totale gemeentelijke personeelsomvang van het betreffende taakveld gedeeld door de totale personeelsomvang in de begroting, exclusief de personeelsomvang van overhead. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de taakvelden Reiniging en Riolering is in lid 6 bepaald, dat deze plaatsvindt op basis van de totale lasten (‘omzet’) omdat hiermee het kapitaalsintensieve karakter het beste tot uitdrukking komt in de toerekening van overhead. Dit gebeurt naar rato van het aandeel van de totale kosten van het betreffende taakveld, exclusief de inkomensoverdrachten aan gemeenschappelijke regelingen (dit betreft met name de kosten van de dienstverleningsovereenkomst met de afvalinzamelaar), gedeeld door de totale lasten van de begroting exclusief de kosten van overhead. De kosten voor de bijdragen aan de gemeenschappelijke regeling wordt voor de extracomptabele toerekening van de overheadkosten uitgezonderd omdat de gemeenschappelijke regeling zelf ook overheadkosten kent. Indien deze uitzondering niet wordt gemaakt zou er overhead berekend worden over de overhead.
In lid 7 is een verwijzing naar lid 1 toegevoegd voor wat betreft de toe te rekenen rente. Tevens geeft de berekeningswijze van de omslagrente voor het toerekenen van de rente aan de kostprijs voor de financiering van activa. Het percentage van de omslagrente wordt afgeleid van de bij de begroting geraamde rentekosten over het vreemd vermogen als percentage van het aangetrokken vreemd vermogen voor de financiering. Het achtste lid geeft voor het aandeel in de kostprijs van verstrekte leningen een afwijkend voorschrift. Die kostprijs wordt gebaseerd op de rente van de lening die is aangetrokken voor de verstrekte lening en verhoogd met een risico-opslag voor de kans dat de (een deel van) de lening niet wordt terugbetaald. Dit heet het debiteurenrisico. Daarnaast moeten voor het bepalen van die kostprijs natuurlijk als directe kosten ook de afsluitkosten e.d. worden meegenomen. In lid 8 is een verwijzing naar lid 1 toegevoegd voor wat betreft de toe te rekenen rente.
20
Het negende lid van artikel 12 bepaalt, dat in de kostprijs van vennootschapsbelasting-plichtige activiteiten en grondexploitaties geen rente over de inzet van reserves en voorzieningen wordt meegenomen. Die rente wordt door de rijksbelastingdienst niet als kosten geaccepteerd. Grondexploitaties vallen bij de meeste gemeenten ook onder de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten, maar dit hoeft altijd het geval te zijn. Voor de methodiek van het bepalen van de omslagrente wordt in dit lid aangesloten bij de Notitie Grondexploitaties van de Commissie BBV. Het tiende lid geeft aan dat kostprijsberekening voor het vastgoed specifieke uitgangspunten gelden. Deze uitgangspunten worden beschreven in de beleidsnota Vastgoedanalyse waarbij gebruik kan worden gemaakt van de contante- waarde-methode. Toelichting artikel 13. Prijzen en economische activiteiten Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreft. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. Een economische activiteit is iedere activiteit bestaande uit het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt, afhankelijk van de karakteristieken van de activiteit.
Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat tenminste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht. Bij leningen betreft het rentekosten en een risicopremie (zie artikel 12, lid 8), bij garantie een risicopremie. Het raadsbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt en moet open staan voor bezwaar en beroep. Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal geldt een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd. Op de naleving van dit artikel wordt actief toegezien door de organisatie. Van de raadsbesluiten wordt een register bijgehouden. Toelichting Artikel 14 Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 van de Gemeentewet). Het eerste lid bepaalt, welke tarieven de raad jaarlijks vaststelt. Lid 2 regelt dat de raad wordt geïnformeerd over prijzen.